{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs bedoeld bij artikel 102 wordt uitgereikt door een Examencommissie, samengesteld op initiatief van de Inrichtende Macht van de inrichting waar de betrekking openstaand werd verklaard</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kunnen enkel toegelaten worden tot het afleggen van de proeven van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs, de kandidaten die titularis zijn van een als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarvan sprake, dat bij de artikelen 105 tot 108 is bepaald</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Examencommissie is als volgt samengesteld : 1° het hoofd van een inrichting voor kunstonderwijs met beperkt leerplan als voorzitter;2° de inspecteur van het kunstonderwijs met beperkt leerplan verantwoordelijk voor het gebied waarmee de te begeven betrekking verband houdt, plaatsvervangend voorzitter en afgevaardigde van de Franse Gemeenschap;3° zes leden bevoegd voor de te onderwijzen discipline, prioritair gekozen onder de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het kunstonderwijs, in vast verband benoemd of in dienst genomen, onder wie drie die aangesteld worden door de Inrichtende Macht en drie door de Regering of haar gemachtigde op de voordracht van de Inspectie voor het kunstonderwijs met beperkt leerplan;4° een secretaris aangesteld door de Inrichtende Macht die niet stemgerechtigd is. Mocht de inspecteur onbeschikbaar zijn, dan wordt de afgevaardigde van de Franse Gemeenschap door de Minister of zijn gemachtigde aangesteld De leden van de Inrichtende Machten en de Vakbonden mogen als waarnemer aanwezig zijn op de proeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand mag in de Examencommissie zetelen wanneer een van de kandidaten zijn echtgenoot(ote), bloedverwant(e) of aanverwant(e) tot de tweede graad is. Art. 113.Om geldig te zetelen, moet de Examencommissie ten minste samengesteld zijn uit : 1° de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter;2° vier op de zes leden bedoeld bij artikel 112, 3°, onder wie ten minste twee aangesteld door de Inrichtende Macht en ten minste twee door de minister of zijn gemachtigde. Art. 114.Ten minste twee maanden vóór de datum van het examen vraagt de Inrichtende Macht aan de minister de afgevaardigde van de Franse Gemeenschap aan te stellen alsook de leden gekozen door de minister of zijn gemachtigde. Zij deelt tegelijkertijd de lijst mede van de ingeschreven kandidaten en van de leden van de Examencommissie die zij heeft gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste een maand vóór de datum van het examen deelt de Inrichtende Macht aan de kandidaat (kandidaten) de datum mede waarop de proeven worden georganiseerd en bezorgt hem (hen), zo nodig, de lijst van de documenten en schriftelijke werken die aan de Voorzitter van de Examencommissie moeten voorgelegd worden binnen een termijn van 14 kalenderdagen in zoveel exemplaren als er leden van de Examencommissie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op beslissing van twee of meer Inrichtende Machten die al dan niet behoren tot eenzelfde net, mogen er proeven voor pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs worden gegroepeerd in een enkele zittijd die onder de verantwoordelijkheid van een onder hen daartoe gemandateerde wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De akkoorden tussen Inrichtende Machten worden bekrachtigd door een overeenkomst waarvan de duur beperkt is tot betrokken proef. Art. 115.Voor elk GPBO dat vereist is om leden van het onderwijzend personeel in vast verband in dienst te nemen of te benoemen voor de verschillende wervingsambten, bestaat het examen uit drie proeven : 1° een schiftingsproef over de kunst;2° een pedagogische proef;3° een proef over culturele, technische, theoretische en praktische kennis. De specifieke programma's en de nadere regels voor de beoordeling van de bij lid 1 bedoelde proeven worden door de Regering bepaald. Art. 116.Vóór de opening van de zittijd, bepaalt de Examencommissie tijdens een voorbereidende vergadering haar huishoudelijk reglement en de procedure volgens welke de zittijd zal verlopen. Art. 117.De quoteringen worden toegekend op het einde van elke proef door ieder stemgerechtigd lid van de Examencommissie. Over deze quoteringen op fiches waarop de naam van de kandidaat staat, wordt beraadslaagd, waarna in de bij artikel 119 bedoelde notulen akte wordt genomen van de definitieve quoteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de quoteringen van een lid van de Examencommissie meer dan 20 % boven of onder het gemiddelde van de quoteringen liggen, is het lid ertoe verplicht zijn quotering te verantwoorden. Deze verantwoording wordt in de bij artikel 119 bedoelde notulen opgenomen. Art. 118.Worden bekwaam verklaard en ontvangen een getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs, de kandidaten die ten minste 6/10en van de punten hebben behaald die voor het examen zijn toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het getuigschrift met vermelding van de benaming van het afgelegde examen en van de datum van het examen wordt door de recipiëndus en door al de stemgerechtigde leden van de Examencommissie ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijft geldig gedurende tien jaar voor de indienstneming of de benoeming in vast verband voor elke betrekking die door een Inrichtende Macht van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan vóór het verstrijken van zijn geldigheidsdatum vacant wordt verklaard. Art. 119.Een exemplaar van de notulen van het examen opgesteld door de secretaris en ondertekend door al de leden van de Examencommissie die erin gezeteld hebben, wordt aan de Inspectie en aan de dienst van het ministerie gezonden tot wiens bevoegdheid het kunstonderwijs met beperkt leerplan behoort. Art. 120.De organisatiekosten van de zittijden voor de examens van bekwaamheid vallen ten laste van de Inrichtende Machten. HOOFDSTUK VII. - De Verbeteringsraad Art. 121.Er wordt een Verbeteringsraad voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan opgericht die belast is alle vraagstukken in verband met het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan op eigen initiatief te onderzoeken en een advies uit te brengen over al de dossiers die hem door de Regering worden voorgelegd..</p>\n<p class=\"lf-p\">De in lid 1 bedoelde Verbeteringsraad wordt voorgezeten door de ambtenaar die de algemene dienst leidt waarvan het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan afhangt en is samengesteld uit de leden van de inspectiedienst van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan waarvan een lid door de Regering wordt aangesteld als ondervoorzitter alsook uit de leden die door de Regering worden aangesteld als vertegenwoordigers van : 1° de representatieve organisaties van de Inrichtende Machten van een secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, naar rata van twee leden per organisatie;2° de representatieve vakbonden, naar rata van twee leden per organisatie;3° het bestuurs- en onderwijzend personeel, naar rata van acht leden;4° de Regering, naar rata van een lid. Op basis van de in lid 2 bepaalde criteria, bepaalt de Regering de toe te kennen mandaten alsook de regelen voor de werking van de Verbeteringsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de Raad uitgeoefende mandaten worden niet betaald. De leden hebben recht op de terugbetaling van hun reiskosten onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. HOOFDSTUK VII. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Art. 122.Wanneer een Inrichtende Macht niet beantwoordt aan de bij artikel 7, 2°, bepaalde voorwaarden en wanneer artikel 24, § 7, van voornoemde wet wordt toegepast, dan kan de Regering een opschorting toekennen van de toepassing van de notificatie steunend op de vastgestelde tekortkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die opschorting die uitwerking heeft op de datum van inwerkingtreding van dit decreet en beperkt tot maximum twee schooljaren wordt toegekend op aanvraag van de Inrichtende Macht, voor zover deze er zich toe verbindt de bepalingen van artikel 7, 2°, na te leven op het einde van de opschortingsperiode. Art. 123.Voor de personeelsleden in vast verband benoemd of in dienst genomen voor een ambt dat niet in artikel 51 vermeld staat, stellen de Inrichtende Machten de benamingen van de uitgeoefende ambten in overeenstemming met de bij dit decreet bepaalde nomenclatuur van de ambten. Art. 124.De personeelsleden in vast verband benoemd of in dienst genomen op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet voor de betrekkingen, opgericht in het kader van de in artikel 23 bedoelde Kunsthumaniora, behouden hun statutaire toestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de bepalingen van de decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994 houdende de statuten van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs, zijn de Inrichtende Machten ertoe verplicht aan de in lid 1 bedoelde personeelsleden elke vrijstaande betrekking van hetzelfde ambt in de zin van artikel 51, § 1 aan te bieden ter vervanging en ten belope van het volume van de leeropdracht van de « Kunsthumaniora » waarvoor zij benoemd of in dienst genomen zijn en zijn die personeelsleden ertoe verplicht die betrekking te aanvaarden. Art. 125.De inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan die niet in artikel 23 zijn vermeld en die gedurende het schooljaar 1997-1998 lestijden van de Kunsthumaniora organiseerden mogen vanaf 1 september 1998 de lestijden van de Kunsthumaniora blijven organiseren, wat de leerlingen die ingeschreven blijven, toelaat de ondernomen cyclus van secundaire studies te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in lid 1 bedoelde inrichtingen ontvangen jaarlijkse lestijdendotaties overeenkomstig artikel 35.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Komt er fusie tussen de bij de artikelen 43 en 44 bedoelde inrichtingen en in afwijking van de bepalingen van artikel 43 van voornoemd decreet van 1 februari 1993 en van artikel 31 van voornoemd decreet van 6 juni 1994, is de Inrichtende Macht niet verplicht tot benoemingen over te gaan tijdens een overgangsperiode die niet langer mag duren dan drie schooljaren die volgen op de datum van de fusie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 127</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opgeheven worden : 1° het koninklijk besluit van 26 maart 1954 betreffende de voorwaarden waaronder de Staat toelagen verleent aan de gemeentelijke conservatoria, de gemeentelijke en vrije muziekacademiën en muziekscholen;2° artikel 1, lid 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;3° het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;4° het koninklijk besluit van 26 januari 1968 tot vaststelling van het bewijs s vereist met het oog op de toekenning van toelagen aan de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;5° het koninklijk besluit van 21 april 1969 tot vaststelling van de structuur, de samenstelling en de werking van de Raad van Advies voor het onderwijs in de bouwkunst en de beeldende kunsten;6° het koninklijk besluit van 9 september 1969 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderricht in gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;7° het koninklijk besluit van 5 november 1969 tot oprichting van een Verbeteringsraad voor het muziekonderwijs;8° het koninklijk besluit van 8 januari 1971 tot vaststelling van het onderwijsniveau van de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;9° het koninklijk besluit van 5 augustus 1971 houdende algemene regeling van de studiën in het onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan, ingericht door de Staat;10° het koninklijk besluit van 12 augustus 1971 betreffende de toepassing van artikel 1, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 5 augustus 1971;11° het koninklijk besluit van 13 augustus 1971 houdende toepassing, wat het gesubsidieerd onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan betreft, van artikel 24 der wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de wetgeving betreffende het onderwijs;12° het ministerieel besluit van 10 november 1971 genomen ter toepassing van het koninklijk besluit van 9 september 1969 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs;13° het ministerieel besluit van 30 juni 1972 houdende vaststelling van het uurrooster en het minimum programma van de leergangen alsook het reglement der examens voor het franstalig gesubsidieerd muziekonderwijs;14° het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van ambten in de rijksinstellingen voor kunstonderwijs met beperkt leerplan ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en onder de Minister van Franse Cultuur;15° het ministerieel besluit van 10 november 1978 tot uitvoering van artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 9 november 1978;16° het ministerieel besluit van 10 november 1978 houdende gelijkstelling, voor het toekennen van weddeschalen, van bekwaamheidsbewijzen in het kunstonderwijs;17° artikel 7 van het koninklijk besluit van 7 december 1978 genomen ter uitvoering van artikel 77, § 2, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en houdende afwijking van sommige bepalingen van de koninklijk besluiten tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch en voor kunstonderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;18° met uitwerking met ingang van 1 september 1992, het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 houdende harmonisering van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 128</span><span class=\"lf-art-t\">Het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt uitgesloten van het toepassingsgebied van de volgende bepalingen : 1° de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 14 mei 1955Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/05/1955 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/2009 numac 2009000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de erfpachten sluiten op het kunstonderwijs;2° het koninklijk besluit van 22 maart 1961 houdende toepassing van artikel 5 der wet van 14 mei 1955Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/05/1955 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/2009 numac 2009000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de erfpachten sluiten over het kunstonderwijs en van de artikelen 24, 27 en 32 der wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de wetgeving op het onderwijs;3° het koninklijk besluit van 5 november 1973 tot organisatie van het onderwijs in de beeldende kunsten afhangend van de Minister van Franse Cultuur;4° het koninklijk besluit van 5 mei 1976 houdende gelijkstelling van het bewijs s van het kunstonderwijs;5° het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor kunstonderwijs die secundair onderwijs verstrekken in de plastische kunsten;6° het koninklijk besluit nr.63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bepalingen van de geldelijke statuten van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel met volledig leerplan en het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. Art. 129.Dit decreet treedt in werking op 1 september 1998, behoudens de artikelen 38, 55 en 60 tot 62, die in werking treden op 1 september 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brussel, 2 juni 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Voorzitster van de Regering van de Franse Gemeenschap, belast met het Onderwijs, de Audiovisuele sector, de Hulpverlening aan de jeugd, het Kinderwelzijn en de Gezondheidspromotie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek, Sport en Internationale Betrekkingen, W. ANCION De Minister van Cultuur en Permanente Opvoeding, Ch. PICQUE De Minister van Begroting, Financiën en Ambtenarenzaken, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE _______ Nota (1) Zitting 1997-1998 : Stukken van de Raad.- Ontwerp van decreet : nr. 214-1. - Amendementen van de commissie : nrs. 214-2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10. - Verslag : nr. 214-11. - Vergaderingsamendementen : nr. 214-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integrale verslagen. - Bespreking. Vergadering van 28 april 1998. - Aanneming. Vergadering van 19 mei 1998.</p></div>", "next": 0}