📄 Wettekst
29 SEPTEMBER 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 4, 41, 44, 46, 48, 50 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de modernisering van de btw-ketting (1)
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerp van koninklijk besluit wijzigt: - het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 1"); - het koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 2"); - het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 4"); - het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 41"); - het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 44"); - het koninklijk besluit nr. 46 van 29 december 1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw (hierna: "koninklijk besluit nr. 46"); - het koninklijk besluit nr. 48 van 29 december 1992 met betrekking tot de levering van vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, verricht binnen de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek (hierna: "koninklijk besluit nr. 48"); - het koninklijk besluit nr. 50 van 11 december 2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (hierna: "koninklijk besluit nr. 50"); - het koninklijk besluit nr. 51 van 14 april 1993 met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor intracommunautaire verwervingen van accijnsprodukten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 51").
De wijzigingen die door dit ontwerp in de voormelde koninklijke besluiten worden aangebracht, zijn het gevolg van de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012003385
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
sluiten0 tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (hierna: "de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012003385
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
sluiten0"), die de administratieve verwerking van periodieke btw-aangiften alsook de betaling van btw-schulden en de teruggaaf van btw-tegoeden die voortvloeien uit die periodieke aangiften diepgaand heeft hervormd.
Die diepgaande hervorming waartoe de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012003385
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
sluiten0 de aanzet heeft gegeven, heeft tot doel de verwerking van de periodieke btw-aangiften te moderniseren en de negatieve gevolgen van de niet-indiening van die periodieke aangiften door bepaalde belastingplichtigen sneller aan te pakken. Zoals in de toelichting bij die wet wordt opgemerkt, ondergraven inbreuken op de verplichting tot indiening van die periodieke aangifte immers het evenwicht van het btw-stelsel, dat grotendeels is gebaseerd op het feit dat de belastingplichtige indiener de rol van belastingontvanger opneemt.
Degelijke inbreuken leiden aldus met name tot financieringsproblemen voor de Staat bij zijn taken van algemeen belang en tot een negatieve impact op de Belgische VAT gap (btw-kloof).
In die context brengt deze hervorming volgende belangrijke wijzigingen aan in de btw-ketting, die aanvangt met de inning van de belasting door de belastingplichtige bij zijn afnemers en eindigt met de aangifte van die belasting bij de administratie en de betaling ervan aan de administratie: - het verdwijnen van de btw-rekening-courant, die dateert van het begin van de btw (sinds het begin van de jaren 1970) in België, ten behoeve van een systeem waarin de belastingplichtige de actor is van zijn verplichtingen en rechten, in het bijzonder met betrekking tot het beheer van zijn btw-schulden en de btw-kredieten die hem kunnen worden teruggegeven; - nieuwe termijnen voor de indiening van periodieke btw-aangiften en de betaling van de daaruit voortvloeiende belasting in hoofde van de belastingplichtige kwartaalindieners; - de invoering van een geautomatiseerde beheersprocedure met betrekking tot niet-ingediende periodieke btw-aangiften die, in geval van aanhoudende niet-indiening, leidt tot de kennisgeving van een (voorstel van) vervangende aangifte. Die wordt in de plaats gesteld van de ontbrekende periodieke aangifte en omvat een verschuldigd btw-bedrag dat op een geautomatiseerde wijze werd vastgesteld (artikel 53, § 1ter, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "Wetboek")); - de invoering van specifieke termijnen voor het beantwoorden van verzoeken om informatie van de administratie aan belastingplichtigen; - een hervorming van de procedure voor de terugbetaling van btw-kredieten die voortvloeien uit de periodieke btw-aangifte, met inbegrip van de veralgemening van de maandelijkse terugbetaling van die btw-kredieten voor belastingplichtigen die maandaangiften indienen; - de invoering van een nieuw boekhoudkundig beheersinstrument voor btw-kredieten die niet onmiddellijk worden teruggegeven en voor door belastingplichtigen verrichte betalingen, namelijk de Provisierekening btw; - verschillende wijzigingen inzake de inning van de belasting en met name de invoering als betaalmiddel van de bankdomiciliëring in de zin van artikel I.9.13° van het Wetboek van economisch recht.
Deze hervorming van de btw-ketting houdt, naast de wijzigingen van het Wetboek, een reeks wijzigingen in van de voormelde koninklijke besluiten ter uitvoering van het Wetboek. Sommige elementen van deze hervorming kunnen alleen via deze wijzigingen van die koninklijke besluiten worden uitgevoerd. Dat is met name het geval voor de nieuwe termijn voor de indienings- en betalingsverplichtingen van de belastingplichtigen die kwartaalaangiften indienen, die alleen door een wijziging van koninklijk besluit nr. 1 kan worden uitgevoerd en ook voor de nieuwe procedure inzake de teruggaaf van btw-kredieten via de periodieke btw-aangifte (artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4).
Zoals aangegeven, brengt deze hervorming ook verschillende wijzigingen aan inzake de inning en de invordering van de belasting, met name de invoering van de Provisierekening btw in artikel 83bis van het Wetboek en de wijzigingen in het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (hierna: "WMGI"). Voor dat deel van de hervorming zullen ook twee andere afzonderlijke koninklijke besluiten worden uitgevaardigd die de nodige uitvoeringsmaatregelen bevatten. Die koninklijke besluiten zullen respectievelijk (hoofdzakelijk) betrekking hebben op de volgende koninklijke besluiten: - het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "koninklijk besluit nr. 24"), dat zal worden vervangen; - het
koninklijk besluit van 20 december 2019Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1969
pub.
02/05/2013
numac
2013000278
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
sluiten3 tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
Dit ontwerp heeft het voorwerp uitgemaakt van het advies 76.842/1/V van de Raad van State van 25 juli 2024. Met de opmerkingen van de Raad van State is rekening gehouden, met uitzondering van punt 9 van dat advies.
Dit ontwerp heeft ook het voorwerp uitgemaakt van de beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit (referentie: CO/A/2024/077 cm) van 22 maart 2024, waarin wordt verwezen naar het standaardadvies nr. 65/2023 van 24 maart 2023 betreffende de redactie van normatieve teksten. Er werd akte genomen van de afwezigheid van specifieke opmerkingen met betrekking tot het ontwerp alsook van de in het advies uiteengezette algemene richtlijnen, die geen aanleiding geven tot enige wijziging van het ontwerp.
Alle wijzigingen aan de voormelde koninklijke besluiten worden hierna toegelicht.
Toelichting bij de artikelen
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1 Dit koninklijk besluit voorziet door de regels die het invoert, in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: "de Richtlijn 2006/112/EG").
HOOFDSTUK 2. - Modernisering van de btw-ketting en van de verplichtingen met betrekking tot de aangifte en de betaling van de btw
Artikelen 2 tot en met 7 - Wijzigingen aangebracht aan het koninklijk besluit nr. 1 Hoofdstuk III van het koninklijk besluit nr. 1 heeft betrekking op twee fundamentele btw-verplichtingen van belastingplichtigen, met name de aangifte en de betaling van de belasting, met inbegrip van de problematiek van de schuldenaar van de belasting. Die twee fundamentele verplichtingen van de belastingplichtigen moeten afzonderlijk worden behandeld.
De huidige hervorming van de btw-ketting en de daaruit voortvloeiende wijzigingen met betrekking tot die twee verplichtingen biedt de mogelijkheid om dit hoofdstuk III te herstructureren in twee afzonderlijke coherente hoofdstukken (de nieuwe hoofdstukken III en IIIbis) die respectievelijk betrekking hebben op de aangifteverplichtingen (periodieke aangifte, vervangende aangifte en bijzondere aangifte) en op de schuldenaar van de belasting.
Artikel 2 van het ontwerp vervangt derhalve het opschrift van hoofdstuk III als volgt: "Hoofdstuk III. - Periodieke aangifte, vervangende aangifte en bijzondere aangifte". Dit hoofdstuk, dat momenteel slechts één bepaling over aangifteverplichtingen bevat (artikel 18), wordt volledig herschreven.
In artikel 3 van het ontwerp wordt de inhoud van het huidige artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 overgenomen en aangepast aan de nieuwe btw-ketting. Die bepalingen maken voortaan het voorwerp uit van artikel 17 van dit koninklijk besluit, hersteld in een andere opmaak.
Artikel 17, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 herneemt derhalve het huidige artikel 18, § 1, van hetzelfde besluit maar alleen wat de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte betreft. Het legt als basisregel vast dat de periodieke btw-aangiften moeten worden ingediend uiterlijk op de twintigste dag volgend op de maand waarop zij betrekking hebben.
Zoals hierboven is aangegeven, wordt de indieningstermijn voor de indiening van de maandaangifte niet gewijzigd.
Anderzijds bepaalt artikel 17, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 dat de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden een kwartaalaangifte mag indienen, uiterlijk op de vijfentwintigste dag van de maand volgend op elk kalenderkwartaal (in plaats van op de twintigste dag van de maand volgend op dat tijdvak - huidig artikel 18, § 2, van hetzelfde besluit). De voorwaarden waaronder een kwartaalaangifte kan worden ingediend worden door de huidige hervorming niet gewijzigd.
Artikel 17, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 herneemt, zonder enige wijziging, het huidige artikel 18, § 3, van hetzelfde besluit dat de regels vaststelt voor de overgang van de ene naar de andere aangifteregeling.
Artikel 17, § 4, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 zet in meer detail uiteen welke regels van toepassing zijn wanneer een correctie moet worden aangebracht na indiening van een periodieke aangifte die een materiële fout bevat. Momenteel is het volgens de administratieve praktijk mogelijk om een vorige periodieke aangifte binnen twaalf maanden te annuleren en te vervangen door een nieuwe periodieke aangifte die in het systeem wordt ingevoerd. De werking van de btw-rekening-courant maakt een dergelijke verwerking mogelijk, waarbij een eventueel nieuw eindsaldo van de periodieke btw-aangifte (rooster [71] of [72] van de aangifte) het oude vervangt. Met de afschaffing van de btw-rekening-courant is een dergelijke flexibiliteit niet langer mogelijk, aangezien het saldo van de aangifte aan het einde van elke aangifteperiode afzonderlijk wordt verwerkt (zie toelichting hierna).
In dit verband gelden de volgende nieuwe regels: - elke correctie van de aangiftevakken kan worden aangebracht in een nieuwe periodieke btw-aangifte die de vorige aangifte annuleert en vervangt, op voorwaarde dat die aangifte wordt ingediend vóór de uiterste indieningsdatum van de aangifte voor dat aangiftetijdvak (eerste lid); - wanneer er geen aangifte wordt ingediend vóór het verstrijken van de indieningstermijn van de te corrigeren aangifte, corrigeert de belastingplichtige de fout in de aangiftevakken in de aangifte met betrekking tot het eerstvolgende tijdvak (tweede lid).
Het derde lid van deze nieuwe bepaling preciseert wat onder "materiële fout" moet worden verstaan: het gaat om elke vergissing of vergetelheid die geen aanleiding geeft tot de opmaak of de uitreiking van een verbeterend stuk. Bijgevolg gaat het om enigerlei materiële fout in verband met, bijvoorbeeld, het niet opnemen van een reeds uitgereikte factuur, een al dan niet onterecht uitgeoefende aftrek of een niet correct uitgevoerde herziening. De gevallen waarin een verbeterend stuk moet worden opgesteld of uitgereikt, zoals wanneer een reeds uitgereikte factuur achteraf wordt gecorrigeerd door middel van een credit- of debetnota, zijn hier dus niet bedoeld. In dergelijke gevallen wordt die fout gecorrigeerd in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin het verbeterende stuk werd uitgereikt.
Artikel 17, § 5, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 neemt, zonder enige inhoudelijke wijziging, het huidige artikel 18, § 8, van hetzelfde besluit over, dat de regel vastlegt dat de door faillissementscuratoren in die hoedanigheid ingediende btw-aangiften jaarlijks worden ingediend.
Artikel 4 van het ontwerp voegt een nieuw artikel 17bis in het koninklijk besluit nr. 1 in dat voorziet in een specifieke administratieve bezwaarprocedure voor de belastingplichtige die hem toelaat om de definitieve vervangende aangifte die hem ter kennis werd gebracht overeenkomstig artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Wetboek te betwisten.
Dat bezwaarschrift moet overeenkomstig artikel 17bis, § 1, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1, op straffe van onontvankelijkheid, worden ingediend binnen de zes maanden vanaf de datum waarop de kennisgeving van die aangifte uitwerking heeft, op het door of vanwege de minister van Financiën of zijn gemachtigde bepaalde elektronische adres. Het moet daarenboven minstens de volgende gegevens bevatten: - de naam of de maatschappelijke benaming, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, het e-mailadres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige; - de betrokken aangifteperiode; - de bedragen die vermeld hadden moeten worden in de periodieke btw-aangifte die niet werd ingediend en die aanleiding heeft gegeven tot de definitieve vervangende aangifte; - de verantwoording van de waarachtigheid van de voormelde bedragen.
De nieuwe administratieve bezwaarprocedure heeft geen verplichtend karakter: de belastingplichtige kan te allen tijde een rechtsvordering instellen tegen de definitieve vervangende aangifte om zijn bezwaren door een rechter te laten beoordelen, ongeacht of hij al dan niet een administratief bezwaar heeft ingediend. Is er evenwel al een administratieve bezwaarprocedure opgestart wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld, dan zal de administratieve bezwaarprocedure van rechtswege worden beëindigd. De administratieve bezwaarprocedure staat er zo ook niet aan in de weg dat de administratie overgaat tot gedwongen invordering van de belastingschuld die voortvloeit uit de definitieve vervangende aangifte (artikel 17bis, § 2, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1).
Overeenkomstig artikel 19, § 2, eerste lid, van de WMGI kan "Inzake de belasting over de toegevoegde waarde, de diverse taksen, de rolrechten en de niet-fiscale schuldvorderingen, [...] de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister slechts worden gestuit door een rechtsvordering". Bijgevolg kan de voorliggende bezwaarprocedure geen aanleiding geven tot opschorting van de uitvoeringsmaatregelen van de administratie. De administratie belast met de invordering van de btw zal echter over het algemeen in de praktijk, en behoudens wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, deze invorderingsmaatregelen opschorten wanneer de schuldenaar van de belasting bezwaar indient.
Rekening houdend met zijn aard, is de definitieve vervangende aangifte in essentie een aangifte die, bij gebrek aan spontane indiening van de periodieke btw-aangifte door de belastingplichtige binnen een redelijke termijn (vijf maanden na het aangiftetijdvak), in de plaats wordt gesteld van de ontbrekende aangifte. De beslissing inzake een bezwaarschrift (waarbij bijvoorbeeld de bezwaren op specifieke gronden wordt ingewilligd en de bedragen in de aangifte dienovereenkomstig worden aangepast in het voordeel van de belastingplichtige) of het uitblijven van een dergelijke beslissing staan er dienovereenkomstig niet aan in de weg dat de administratie de juiste toepassing van de belasting die verschuldigd is ten aanzien van het aangiftetijdvak met betrekking tot de desbetreffende vervangende aangifte kan nagaan, alsmede om, in voorkomend geval, het bedrag ervan te corrigeren. In dat opzicht verschilt het controlerecht van de administratie niet tussen een spontaan ingediende aangifte en een definitieve vervangende aangifte.
Artikel 5 van het ontwerp voegt een nieuw artikel 17ter in het koninklijk besluit nr. 1 in dat bepaalt dat de in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte (de "bijzondere btw-aangifte") uiterlijk op de vijfentwintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft wordt ingediend (aanpassing van het huidige artikel 18, § 1, van hetzelfde besluit door de indieningsdatum in overeenstemming te brengen met die van de periodieke btw-aangifte van de belastingplichtigen die kwartaalaangiften indienen).
Artikel 6 van het ontwerp vervangt het huidige artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 door de huidige bepalingen van de paragrafen 4 tot en met 7 van dat artikel te hernemen en de verwijzingen naar de regelgeving die erin voorkomen aan te passen. Het betreft de regels inzake de wijze van indiening van de verschillende btw-aangiften, die in dit kader niet worden gewijzigd, behoudens uitzonderingen blijft de indiening langs elektronische weg de regel.
Er wordt gebruik gemaakt van die herwerking om een technische wijziging aan te brengen in het huidige artikel 18, § 6, a), van het koninklijk besluit nr. 1.
Krachtens artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek is een belastingplichtige gehouden iedere maand een aangifte in te dienen waarin hij het bedrag vermeldt van de in het Wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit alsook het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen.
Artikel 53duodecies van het Wetboek bepaalt dat de Koning met name de praktische toepassingsmodaliteiten van artikel 53 van het Wetboek regelt.
Op grond van het huidige artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, moet de belastingplichtige gehouden tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde periodieke aangifte die aangifte langs elektronische weg indienen. Een belastingplichtige is evenwel op grond van paragraaf 5 van hetzelfde artikel vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang hij, en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de aangifte namens hem in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikt om aan die verplichting te voldoen.
Het huidige artikel 18, § 6, a), van het koninklijk besluit nr. 1 bepaalt dan ook dat de belastingplichtige in dat geval gebruikmaakt van (papieren) formulieren die hem door de administratie worden verstrekt en waarvan de modellen zijn gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit nr. 1.
Rekening houdend met de toenemende dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën en de burgers in het algemeen en inzonderheid met de belastingplichtigen, zal in de nabije toekomst de papieren versie van de aangiften evenwel niet meer worden bijgewerkt en herdrukt. Daardoor zal een stockprobleem ontstaan.
Aangezien de mogelijkheid om papieren periodieke btw-aangiften in te dienen behouden blijft, zal indiening op papier verder kunnen gebeuren op basis van kopieën die belastingplichtigen zelf van het papieren formulier zullen mogen maken.
Tevens zal de mogelijkheid worden geboden om gebruik te maken van een op de website van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde geplaatst modelformulier van de aangifte. Dat formulier zal kunnen worden gedownload, afgedrukt en gebruikt als een periodieke aangifte op papier. Daarnaast zal een belastingplichtige zich kunnen wenden tot het bevoegde team beheer in het ambtsgebied waar hij zijn woonplaats of zijn (voornaamste) administratieve zetel heeft en die hem een aangifte op papier ter beschikking zal stellen.
Om die reden brengt artikel 13 van dit ontwerp in artikel 18, § 3, a), nieuw, van het koninklijk besluit nr. 1 een technische wijziging aan en worden de woorden "de formulieren die hen worden verstrekt door de administratie" vervangen door de woorden "de formulieren die hen door de administratie ter beschikking worden gesteld".
Artikel 7 van het ontwerp voegt het nieuwe hoofdstuk IIIbis in het koninklijk besluit nr. 1 in, met als opschrift "Hoofdstuk IIIbis. - Schuldenaar van de belasting". Dit hoofdstuk omvat de huidige artikelen 19, 20, 20bis, 20ter en 20quater, die met het oog op de samenhang licht worden gewijzigd (zie hierna).
Artikel 8
Artikel 8 van het ontwerp vervangt het huidige artikel 2, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 2 om de verwijzing op te nemen naar de dubbele termijn voor de indiening van de periodieke btw-aangifte, al naargelang de aangifteregeling van de betrokken belastingplichtige (maandelijks of per kwartaal). Met betrekking tot de periodieke aangifte die elk jaar in oktober moet worden ingediend, verwijst deze bepaling aldus uitdrukkelijk naar 20 of 25 oktober van elk jaar, al naargelang het een maand- of kwartaalaangifte betreft.
Artikelen 9 tot en met 12 - Wijzigingen aangebracht aan het koninklijk besluit nr. 4 Een belangrijk aspect van de hervorming van de btw-ketting betreft de procedure voor de teruggaaf van btw-kredieten die voortvloeien uit de periodieke btw-aangiften.
Het nieuwe artikel 76, § 1, van het Wetboek, vervangen bij de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012003385
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
sluiten0, behoudt het principe van teruggaaf op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger. Indien de belastingplichtige zijn btw-overschot (of -tegoed) wenst terug te krijgen, moet hij, zoals nu al het geval is, daar om verzoeken in de door hem ingediende periodieke aangifte. Volgens het huidige artikel 76 van het Wetboek leidt het verzoek om teruggaaf, wanneer de voorwaarden voor teruggaaf zijn vervuld, niet alleen tot teruggaaf van het in de aangifte vastgestelde overschot, maar tevens van al de tot op dat moment al gecumuleerde overschotten op de rekening-courant, alsook van de daarop ingeschreven betalingen (voor zover die al niet werden gecompenseerd met in de rekening-courant ingeschreven schulden).
In het kader van de nieuwe btw-ketting verdwijnt de rekening-courant om plaats te maken voor de Provisierekening btw. Via deze Provisierekening btw kan de belastingplichtige zijn btw-tegoeden zelf beheren. Vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 76 van het Wetboek, geldt het verzoek om teruggaaf alleen nog voor het in de betrokken aangifte vastgestelde overschot.
Wanneer er niet om teruggaaf werd verzocht in de periodieke btw-aangifte of wanneer niet voldaan is aan de voorwaarden voor teruggaaf, zal dat overschot, na een controle door de administratie, worden ingeschreven op de in artikel 83bis van het Wetboek bedoelde Provisierekening btw. De belastingplichtige zal teruggaaf kunnen verkrijgen van de op de Provisierekening btw ingeschreven en gevalideerde tegoeden alsook van de daarop ingeschreven betalingen, op de wijze die zal worden vastgelegd in het toekomstige koninklijk besluit nr. 24. De belastingplichtige zal daardoor op een soepele manier en zonder bijzondere formaliteiten een volledige of gedeeltelijke teruggaaf van de op de voormelde Provisierekening ingeschreven tegoeden kunnen verkrijgen.
Dat wordt weergegeven in artikel 47, tweede lid, van het Wetboek dat eveneens werd gewijzigd bij de
wet van 12 maart 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012003385
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
sluiten0. Dat artikel bepaalt dat wanneer het bedrag van de toegestane aftrek tijdens de aangifteperiode hoger is dan het bedrag van de over de belastingplichtige verrichte leveringen van goederen en diensten verschuldigde belasting, het overschot, waarvan niet overeenkomstig artikel 76, § 1, van hetzelfde Wetboek om teruggaaf wordt verzocht, op de in artikel 83bis van het Wetboek bedoelde Provisierekening btw wordt geboekt. Deze regel is een gevolg van de afschaffing van de btw-rekening-courant, in het kader waarvan btw-tegoeden van de ene periode naar de volgende konden worden overgedragen.
Die wijzigingen in de teruggaafprocedure van btw-kredieten hebben noodzakelijkerwijze een aanzienlijke weerslag op artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, dat precies op die procedure betrekking heeft. Deze bepaling wordt bijgevolg vervangen bij artikel 9 van dit ontwerp.
De procedure voor het verzoek om teruggaaf van het uit de periodieke btw-aangifte voortvloeiende btw-overschot wordt op zich niet gewijzigd. In het geval van een in het rooster [72] van de periodieke aangifte vermeld krediet wordt dit verzoek gedaan door in een tabblad (of een aan te kruisen vakje in de papieren versie van de aangifte voor het beperkt aantal belastingplichtigen dat nog een papieren aangifte mag indienen) aan te geven dat men wenst dat het krediet wordt teruggegeven. Dit wordt meer in detail uiteengezet in artikel 81, § 1, derde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4. Zoals voorheen is een dergelijk verzoek facultatief en onderworpen aan bepaalde voorwaarden die hierna worden toegelicht. Indien geen verzoek wordt ingediend of indien het verzoek niet aan de vereiste voorwaarden voldoet, wordt het krediet in de Provisierekening btw ingeschreven.
Artikel 81, § 1, eerste lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 legt de ontvankelijkheidsvoorwaarden vast van een dergelijk verzoek om teruggaaf, los van de waarachtigheid van het btw-krediet waarvan om teruggaaf wordt verzocht. Met andere woorden, indien die voorwaarden niet zijn vervuld, wordt het onderzoek van dit verzoek onmiddellijk stopgezet. Die voorwaarden zijn de volgende: - het bedrag van het krediet moet in elk geval minstens 50 euro bedragen. Deze voorwaarde, die ongewijzigd blijft, is gerechtvaardigd in het licht van de administratieve kosten die aan die teruggaaf verbonden zijn. Anderzijds verdwijnen de vroegere gedifferentieerde drempelvoorwaarden omdat elke aangifteperiode op zichzelf wordt behandeld, zonder dat er nog een overdracht plaatsvindt van tegoeden van de ene naar de andere periode. Indien het voormelde bedrag niet wordt bereikt, wordt het krediet overgeschreven naar de Provisierekening btw; - de belastingplichtige moet de administratie door middel van de aangifte E604 A of B (aangifte van aanvang of wijziging van activiteit) een geldig bankrekeningnummer meedelen waarop de daadwerkelijke terugbetaling van het krediet kan worden verricht. Om het verzoek om teruggaaf met nuttig gevolg te kunnen behandelen, moet de administratie over dit rekeningnummer beschikken uiterlijk vóór het einde van de maand die voorafgaat aan de maand waarin de ordonnancering van die teruggaaf plaatsvindt; - alle aangiften met betrekking tot de handelingen van de zes maanden die, al naargelang van het geval, het kwartaal of de maand voorafgaan op het einde waarvan het btw-krediet blijkt, zijn ingediend binnen de vereiste termijn (de 20ste of de 25ste van de maand volgend op het tijdvak, afhankelijk van de aangifteregeling) Bovendien moet de aangifte waarin de belastingplichtige om teruggaaf van het btw-tegoed verzoekt, zelf worden ingediend binnen de vereiste termijn (de 20ste of 25ste van de maand volgend op het aangiftetijdvak, afhankelijk van de aangifteregeling). Een verzoek om teruggaaf in een laattijdig ingediende periodieke aangifte zal met andere woorden nooit aanleiding kunnen geven tot een daadwerkelijke teruggaaf van het btw-tegoed op grond van artikel 76, § 1, van het Wetboek. Het zal daarentegen leiden tot een inschrijving van het betrokken tegoed, onder de ter zake toepasselijke voorwaarden, op de Provisierekening btw.
De derde voorwaarde, die verband houdt met de correcte naleving van de aangifteverplichtingen ("compliance") door de belastingplichtige, wordt aangescherpt ten opzichte van de huidige voorwaarde die vereist dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar worden ingediend of, in het geval van teruggaaf in de loop van het jaar, dat alle aangiften betreffende de handelingen van het lopende jaar worden ingediend uiterlijk op de twintigste dag van de maand die volgt op, al naargelang het geval, het kwartaal of de maand bij het verstrijken waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag wordt vastgesteld. Deze versterking van de voorwaarde inzake de naleving van de aangifteverplichtingen maakt deel uit van het nieuwe evenwichtige geheel van rechten en verplichtingen voor belastingplichtigen die periodieke aangiften indienen.
Voor het overige verdwijnen, in vergelijking met de huidige tekst, alle voorwaarden die verband houden met de regeling maandelijkse teruggaaf van btw-kredieten (die momenteel een afwijkende gunstregeling was die aan specifieke voorwaarden gebonden was), aangezien de mogelijkheid van maandelijkse teruggaaf wordt veralgemeend voor alle belastingplichtigen die maandaangiften indienen, zonder dat andere dan de voormelde voorwaarden vervuld moeten zijn. De afwijkende gunstregeling wordt aldus geïncorporeerd in de basisregeling, die op die manier in het algemeen wordt versoepeld.
Artikel 81, § 1, tweede lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalt dat de ordonnancering of de met een betaling gelijkgestelde verrichting van het in het eerste lid bedoelde bedrag uiterlijk plaatsheeft op het einde van de derde maand volgend op het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft. Voor indieners van maandaangiften vindt die ordonnancering evenwel uiterlijk plaats op het einde van de tweede maand die volgt op het tijdvak waarop de maandelijkse aangifte betrekking heeft. Zoals hoger aangegeven, houdt dat een daadwerkelijke verkorting van de ordonnanceringstermijn in voor belastingplichtigen die maandaangiften indienen, terwijl ze bovendien ook al in elk van hun maandaangiften om teruggaaf kunnen verzoeken (veralgemening maandelijkse teruggaaf).
Artikel 81, § 2, eerste lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 legt vast hoe wordt omgegaan met btw-kredieten die niet worden teruggegeven (ongeacht of de voorwaarden voor teruggaaf niet zijn vervuld dan wel of de belastingplichtige niet om teruggaaf heeft verzocht). Die kredieten worden dan ingeschreven op de Provisierekening btw, op voorwaarde dat het bedrag minstens 2,50 euro bedraagt, zoals ook vereist voor de teruggaaf van btw-tegoeden ingevolge een aanvraag tot teruggaaf door de belastingplichtige. Die inschrijving vindt plaats binnen dezelfde termijn als de ordonnanceringstermijn met betrekking tot die kredieten. Bovendien zullen zij door de administratie worden onderzocht vooraleer zij op de rekening worden ingeschreven, aangezien zij beschikbaar zullen zijn voor de belastingplichtige van zodra ze op de Provisierekening btw zijn ingeschreven. Hij zal ze dan kunnen gebruiken om toekomstige schulden te betalen of hij zal om teruggaaf ervan kunnen verzoeken overeenkomstig de modaliteiten die in het toekomstige nieuwe koninklijk besluit nr. 24 zullen worden vastgelegd.
In afwijking van wat voorafgaat, bepaalt artikel 81, § 2, tweede lid, nieuw, van koninklijk besluit nr. 4 dat, bij laattijdige indiening van de periodieke btw-aangifte, het btw-krediet uiterlijk op het einde van de tweede of derde maand (al naargelang het een maand- of kwartaalaangifte betreft) die volgt op de maand waarin de aangifte werd ingediend, op de Provisierekening btw wordt ingeschreven. Deze bijkomende termijn wordt verantwoord door de noodzaak voor de administratie om over voldoende tijd te beschikken om de nodige controles uit te voeren met betrekking tot de geldigheid van het btw-krediet vooraleer het op de Provisierekening btw wordt ingeschreven. Deze regel strekt ertoe de vertraging in de controleprocedure te neutraliseren die het gevolg zou zijn van laattijdige indiening van de periodieke btw-aangifte.
Artikel 81, § 3, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 herneemt grotendeels de inhoud van de huidige paragraaf 3 van die bepaling, die betrekking heeft op de gevallen waarin het btw-krediet het voorwerp kan zijn van een bijzondere maatregel van de administratie waardoor het (geheel of gedeeltelijk) niet daadwerkelijk aan de belastingplichtige wordt teruggegeven, ook al zijn de voorwaarden voor de teruggaaf vervuld.
Artikel 81, § 3, eerste lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 geeft als uitgangspunt aan dat ten aanzien van het btw-krediet dat voortvloeit uit een periodieke btw-aangifte de belastingplichtige in alle omstandigheden geacht wordt om teruggaaf te hebben verzocht tot het beloop van de belastingschuld die aan te zuiveren is, wanneer op het tijdstip van de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling dan wel op het tijdstip van inschrijving van het btw-krediet op de Provisierekening btw in geval van laattijdige indiening van de periodieke btw-aangifte, de belastingplichtige uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van de periode waarop de die aangifte betrekking heeft. Op grond van dit wettelijk vermoeden wordt de schuldvordering van de belastingplichtige ingevolge de aanvraag om teruggaaf van het belastingkrediet dus in de voormelde omstandigheden steeds opeisbaar gemaakt, zelfs als hij niet daadwerkelijk om teruggaaf van dat krediet heeft verzocht.
Het eerste geval waarbij er aldus niet tot effectieve teruggaaf wordt overgegaan, doet zich voor wanneer de belastingplichtige op het tijdstip van de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling, een bedrag aan btw, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van het tijdvak waarop de aangifte waarin de teruggaaf wordt gevraagd betrekking heeft.
De regels ter zake blijven ongewijzigd. In dit geval moet een onderscheid worden gemaakt al naargelang het al dan niet gaat om een schuld die in hoofde van de administratie een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is (wat met name wordt bepaald in functie van het feit of die schuldvordering al dan niet wordt betwist). Wanneer de administratie over een zekere, opeisbare en vaststaande schuldvordering beschikt, zal het krediet worden aangewend tot aanzuivering van die schuld. In het tegenovergestelde geval zal de administratie overgaan tot de inhouding van dat btw-krediet. Die inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Dit is het eerste geval waarin tot inhouding kan worden overgegaan. In dat geval wordt het bedrag van het btw-krediet niet teruggegeven, noch ingeschreven op de Provisierekening btw.
Het tweede geval waarbij er niet tot effectieve teruggaaf wordt overgegaan is wanneer het btw-krediet het voorwerp uitmaakt van een inhouding omdat er ofwel ernstige vermoedens ofwel bewijzen (die in een proces-verbaal moeten worden opgenomen) bestaan dat de aangifte waarin de teruggaaf is gevraagd of de aangiften met betrekking tot daaraan voorafgaande tijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat die schuld daadwerkelijk kan worden vastgesteld vóór het tijdstip van de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling. In dit tweede geval van inhouding wordt het bedrag van het btw-krediet evenmin teruggegeven of op de Provisierekening btw ingeschreven, om de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.
Artikel 81, § 3, zesde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 voorziet voortaan in een nieuw derde geval van inhouding van het btw-krediet, met name wanneer de belastingplichtige, niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoelde termijn (namelijk tien dagen), de door de administratie gevraagde inlichtingen betreffende dit btw-krediet heeft verstrekt op grond waarvan die belastingplichtige de waarachtigheid van dit bedrag kan verantwoorden.
Ook in dit derde geval van inhouding zal dit krediet in eerste instantie niet worden teruggegeven noch op de Provisierekening btw worden ingeschreven, zodat de administratie de waarachtigheid van dat bedrag kan verifiëren en in voorkomend geval ofwel een eventuele schuld kan aanzuiveren, ofwel dat bedrag of een gedeelte ervan kan teruggeven (als de belastingplichtige in eerste instantie om deze teruggave had verzocht en als aan de voorwaarden voor deze teruggave is voldaan), of op de Provisierekening btw kan inschrijven.
Voor het overige worden de andere regels betreffende deze inhoudingen grotendeels ongewijzigd in de nieuwe bepalingen overgenomen, namelijk: - de kennisgeving van de inhouding en de aanzegging ervan aan de belastingplichtige binnen de in artikel 1457 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn gebeurt bij een aangetekende zending bij de universele postdienstverlener en die afgifte geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag; - de inhouding geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden door de met de invordering belaste ambtenaar van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek; - de belastingplichtige kan enkel verzet doen tegen de inhouding door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek (verzet tegen het beslag voor de beslagrechter). Ter zake wordt de bestaande passage die aangaf dat "de beslagrechter [...] de opheffing van het beslag niet [kan] gelasten zolang het door de processen-verbaal geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de lidstaten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het Parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter" opgeheven. Op grond van een constante rechtspraak (zie ter zake bijvoorbeeld HJEU, 18 december 1997, gevoegde zaken C-286/94, C-340/95, C-401/95 en C-47/96, Garage Molenheide BVBA e.a., EU:C:1997:623; Cass., 3 januari 2003, Pas., 2003, nr. 4 en 6 november 2003, Pas., 2003, nr. 559; GH, 18 november 1998, nr. 119/98, 7 juli 1998, nr. 78/98 en 17 januari 2013, nr. 4/2013), bevestigen de rechterlijke instanties dat geen enkele reglementaire norm in de weg kan staan aan een effectieve rechterlijke controle met betrekking tot de inhouding van btw-tegoeden. Dat wordt bovendien bevestigd door artikel 81, § 3, zevende lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 dat preciseert dat de in het derde, vierde en zesde lid bedoelde inhouding die door de administratie werd uitgevoerd en die geldt als bewarend beslag onder derden totdat het bewijs vervat in het proces-verbaal op geldige wijze wordt weerlegd of tot het bewijs van de waarachtigheid van het krediet werd geleverd, geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de beslagrechter om de opheffing van die inhouding te bevelen; - de inhouding neemt een einde ten gevolge van de opheffing ervan door de administratie of ten gevolge van een rechterlijke beslissing; - na het einde van de inhouding van het belastingkrediet wordt, in voorkomend geval, de belastingschuld die in hoofde van de administratie een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, aangezuiverd zonder dat enige formaliteit moet worden nageleefd (het eventuele saldo wordt teruggegeven aan de belastingplichtige die geopteerd heeft voor de teruggaaf bedoeld in artikel 81, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voor zover aan de voorwaarden voor deze teruggaaf is voldaan, of, bij gebrek aan verzoek tot teruggave, blijft het eventuele saldo ingeschreven op de Provisierekening btw).
Voor het overige wordt, in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon dat op 1 december 2009 in werking is getreden, overeenkomstig punt 5 van voornoemd advies 76.842/1/V van de Raad van State en hoewel in Richtlijn 2006/112/EG nog steeds meestal wordt gesproken van "(Europese) Gemeenschap(pen)", de verwijzing in deze bepaling naar de "Europese Gemeenschappen" vervangen door een verwijzing naar de "Europese Unie".
Ten slotte wordt, zoals reeds vermeld, de procedure van de vergunningen voor de maandelijkse teruggaaf van btw-tegoeden voor belastingplichtigen die maandaangiften indienen, opgeheven omdat de mogelijkheid van maandelijkse teruggaaf de regel wordt voor die belastingplichtigen.
Artikel 10 van het ontwerp heft artikel 82 van het koninklijk besluit nr. 4 op, dat betrekking heeft op de teruggaaf van btw-kredieten die voortvloeien uit bijzondere rekeningen. De afschaffing van de rekening-courant houdt in dat ook de bijzondere rekeningen verdwijnen die een opnulzetting van de btw-rekening-courant inhouden wanneer inbreuken worden vastgesteld op de verplichtingen inzake de indiening en de betaling van de belasting. In die context verliest artikel 82 van het koninklijk besluit nr. 4 zijn bestaansreden.
Artikel 11 van het ontwerp strekt ertoe de regels die van toepassing zijn op de teruggaaf van een btw-tegoed dat voortvloeit uit een in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte af te stemmen op de hiervoor uiteengezette regels die van toepassing zijn op de teruggaaf van een btw-tegoed dat voortvloeit uit een periodieke btw-aangifte. Er moet opgemerkt worden dat de Provisierekening btw geen betrekking heeft op deze btw-kredieten die voortvloeien uit de bijzondere btw-aangifte, net zoals dat tot heden het geval is voor de btw-rekening-courant.
Zoals hierboven vermeld, voorziet artikel 81, § 3, zesde lid, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4 nu in een nieuw derde geval van inhouding van btw-tegoeden wanneer de belastingplichtige de door de administratie gevraagde inlichtingen, die de administratie toelaten de waarachtigheid van het btw-tegoed na te gaan, niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoelde termijn heeft verstrekt.
Artikel 76, § 2, derde lid, 3°, nieuw, van het Wetboek (ingevoegd bij de
wet van 22 december 2023Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/12/2012
pub.
21/12/2012
numac
2012003385
bron
federale overheidsdienst financien
Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (1)
sluiten1 houdende diverse fiscale bepalingen) voorziet om dezelfde redenen in eenzelfde geval van inhouding met betrekking tot het btw-tegoed dat voortvloeit uit een bijzondere btw-aangifte.
Artikel 11 van het ontwerp brengt daarom de nodige wijzigingen aan in artikel 83 van het koninklijk besluit nr. 4 om dit nieuwe geval van inhouding van btw-tegoeden in deze bepaling te verankeren. De wijzigingen aan die bepaling betreffen een nieuw lid 8 (ingevoegd), een nieuw lid 9 (vervangen) en een nieuw lid 10 (gewijzigd).
Zoals in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4, vervangen bij artikel 10 van dit ontwerp, wordt in artikel 83, negende lid, nieuw, van dit besluit voortaan eveneens verwezen naar de Europese Unie in plaats van naar de Europese Gemeenschappen.
Artikel 12 van het ontwerp brengt een wijziging aan in artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit om het opschrift te corrigeren van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, waarnaar in dat artikel wordt verwezen.
Artikelen 13 tot en met 16 - Wijzigingen aangebracht aan de koninklijke besluiten nrs. 41 et 44 De hervorming van de btw-ketting heeft ook rechtstreeks gevolgen voor de manier waarop moet worden omgegaan met proportionele en niet-proportionele geldboeten bij inbreuken op de verplichting tot indiening van de periodieke btw-aangifte en op de verplichting tot betaling van de belasting die uit die aangifte blijkt.
Historisch gezien werden deze verplichtingen geregeld via de btw-rekening-courant en door administratieve regularisatieprocedures in geval van inbreuken door de belastingplichtige die de goede werking van de rekening-courant in gevaar brachten. Sommige geldboeten werden overigens automatisch in de btw-rekening-courant ingeschreven.
Door het gelijktijdig verdwijnen van de btw-rekening-courant en van de bijzondere rekeningen is het noodzakelijk om de wijze waarop ten aanzien van deze twee verplichtingen administratieve sancties worden voorzien, volledig te herzien. De invoering van de geautomatiseerde procedure van (het voorstel van) vervangende aangifte bedoeld in artikel 53, § 1ter, van het Wetboek vereist ook dat met deze nieuwe realiteit rekening wordt gehouden bij het opleggen van die administratieve geldboeten.
Artikel 13 van het ontwerp vervangt punt I van afdeling 1 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41, dat betrekking heeft op proportionele geldboeten wegens niet-betaling en laattijdige betaling van de belasting die blijkt uit de periodieke btw-aangifte.
Die herwerking van die geldboeten is ingegeven door enerzijds het verdwijnen van de btw-rekening-courant en de bijhorende bijzondere rekeningen en anderzijds door de invoering van de nieuwe procedure van (het voorstel van) vervangende aangifte. De achterliggende gedachte bestaat erin, zonder evenwel de boetepercentages te verhogen, de belastingplichtigen aan te moedigen de regels na te leven en steeds de periodieke btw-aangifte in te dienen (spontaan of ingevolge een positieve incentive vanwege de administratie). In dat kader zal de belastingplichtige die de verschuldigde btw niet binnen de voorgeschreven termijnen betaalt, gewaarschuwd worden dat hij een geldboete zal oplopen als hij die verschuldigde belasting niet onmiddellijk betaalt.
In die context wordt de geldboete die overeenkwam met een percentage gelijk aan dat van de nalatigheidsinterest bepaald in artikel 91, § 1, van het Wetboek (te berekenen over het verschuldigde of nog verschuldigde bedrag) definitief opgeheven. Die geldboete werd overigens in de praktijk hoe dan ook al niet meer toegepast.
Het nieuwe punt I voorziet in een onderscheid naargelang de belastingplichtige zijn periodieke btw-aangifte al dan niet heeft ingediend en wanneer dat het geval is, of die indiening al dan niet binnen de voorgeschreven termijnen is gebeurd.
Indien hij zijn periodieke aangifte tijdig heeft ingediend, zal hij in geval van niet-betaling of laattijdige betaling van de blijkens die aangifte verschuldigde btw, een geldboete oplopen van vijf pct. van de verschuldigde belasting. Er wordt ter zake aan herinnerd dat de betalingstermijn identiek is aan die voor de indiening van de periodieke btw-aangifte, m.a.w. de twintigste of de vijfentwintigste dag van de maand volgend op het aangiftetijdvak, al naargelang de toepasselijke aangifteregeling. Die geldboete is vastgelegd in punt I, 1., nieuw, van afdeling I van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41.
Indien de belastingplichtige zijn periodieke btw-aangifte laattijdig heeft ingediend, ofwel vooraleer de administratie kennis heeft gegeven van een voorstel tot vervangende aangifte (i.e. binnen drie maanden na het aangiftetijdvak), ofwel naar aanleiding van de kennisgeving door de administratie van een voorstel van vervangende aangifte (overeenkomstig artikel 53, § 1ter, vijfde lid, van het Wetboek), wordt een geldboete van tien pct. van de verschuldigde belasting opgelegd in geval van niet-betaling of laattijdige betaling (in dat geval moet de betaling onmiddellijk gebeuren en wordt de belastingplichtige geen bijkomende termijn toegestaan - artikel 53, § 1ter, negende lid, van het Wetboek) van de in die aangifte opgenomen btw.
Op dit punt wordt de aanbeveling van de Raad van State om in de Nederlandse versie van de tekst het woord "ingediende" in de inleidende zin van punt I van afdeling 1 van tabel G van de bijlage bij KB nr. 41 te schrappen, niet gevolgd. Het behoud van deze term is gerechtvaardigd (net zoals in de Franse versie van de tekst ("qui ont été déposées")), aangezien de in dit punt bedoelde boeten betrekking hebben op hetzij een definitieve vervangende aangifte, hetzij een periodieke btw-aangifte die te laat of helemaal niet wordt ingediend.
Indien de belastingplichtige, ondanks het voorstel tot vervangende aangifte dat hem door de administratie ter kennis werd gebracht, zijn periodieke btw-aangifte niet heeft ingediend overeenkomstig artikel 53, § 1ter, vijfde lid, van het Wetboek en de administratie hem bijgevolg een definitieve vervangende aangifte ter kennis brengt, wordt een geldboete opgelegd van vijftien pct. van de verschuldigde belasting die blijkt uit die definitieve vervangende aangifte. Die geldboete komt in feite overeen met de geldboete die thans verschuldigd is in geval van het opmaken van een bijzondere rekening wegens niet-betaling of laattijdige betaling van de belasting (huidig punt I, 2., van afdeling 1 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41).
Artikel 14 van het ontwerp brengt twee belangrijke wijzigingen aan in rubriek I van afdeling 1 van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 betreffende niet-proportionele fiscale geldboeten voor inbreuken op de verplichting een periodieke btw-aangifte in te dienen. Ook hier is de invoering van de nieuwe procedure van (het voorstel van) vervangende aangifte de voornaamste reden voor de herwerking van die geldboeten, maar ook het streven naar progressiviteit bij het opleggen van die geldboeten om belastingplichtigen aan te moedigen deze aangifteverplichting correct na te komen werd mee in aanmerking genomen en speelt een rol.
Die rubriek I voorziet onder A in een progressieve niet-proportionele geldboete in geval van niet-indiening, die als volgt wordt vastgesteld: - 1ste overtreding: 500 EUR per aangifte; - 2de overtreding: 1.250 EUR per aangifte; - 3de inbreuk: 2.500 EUR per aangifte; - volgende inbreuken: 5.000 EUR per aangifte.
Momenteel is de administratieve geldboete voor niet-indiening vastgesteld op 1.000 euro per overtreding, ongeacht of er sprake is van recidive. Voortaan wordt de eerste overtreding minder zwaar bestraft (de belastingplichtige wordt het voordeel van de twijfel gegeven), maar in geval van recidive, a fortiori bij herhaalde recidive, worden de geldboeten hoger, wat het incitatieve karakter van die geldboeten versterkt.
Dezelfde rubriek I, onder B, voorziet in een progressieve niet-proportionele geldboete voor laattijdige indiening (waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende uiterste data voor de indiening van periodieke btw-aangiften, afhankelijk van de aangifteregeling), die wordt vastgesteld als volgt: 100 euro per aangifte per maand vertraging, met een maximum van 500 euro. Zoals nu reeds het geval is, wordt ieder begonnen tijdvak van een maand voor een volledige maand gerekend.
Uit de combinatie van die twee onderverdelingen volgt dat vanaf een vertraging van meer dan vijf maanden (bestraft met een geldboete van 500 euro), in de regel elke indiening van de periodieke btw-aangifte als niet-indiening wordt beschouwd. Deze logica ligt in het verlengde van de procedure van (het voorstel van) vervangende aangifte, die voorziet dat een voorstel van vervangende aangifte aan de belastingplichtige wordt ter kennis gebracht na afloop van een periode van drie maanden na het aangiftetijdvak (met uitwerking op de derde werkdag na de afgifte van die zending aan de aanbieder van de universele postdienst). Vanaf de datum waarop die kennisgeving uitwerking heeft, beschikt de belastingplichtige vervolgens over een termijn van één maand om het voorstel van vervangende aangifte te betwisten, door middel van de indiening van zijn periodieke btw-aangifte.
Na die termijn van één maand (en dus in totaal in principe vijf maanden na het einde van het aangiftetijdvak voor de betrokken periodieke btw-aangifte) stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van een definitieve vervangende aangifte, die de belastingplichtige alleen nog door middel van een administratief bezwaar of een vordering in rechte kan betwisten.
De periodieke btw-aangifte van die belastingplichtige wordt op dat moment als definitief niet ingediend beschouwd, wat de benadering die werd weerhouden in deze rubriek I, B, van afdeling 1 van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 44 rechtvaardigt.
Tot slot wordt de wijziging van rubriek I aangegrepen om punt F van die rubriek op te heffen dat nog altijd voorziet in een geldboete van 50 euro wanneer de belastingplichtige gehouden tot de voldoening van de btw die voortvloeit uit de indiening van zijn periodieke btw-aangifte, geen gebruik maakt van het door de administratie verstrekte betalingsformulier of geen gebruik maakt van de door haar ter kennis gebrachte gestructureerde mededeling. Voor betalingen van belastingen en taksen die geïnd worden door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, is de verplichting om de gestructureerde mededeling te gebruiken voortaan evenwel opgenomen in de artikelen 15, § 2, en 15/1, § 2, van het WMGI en niet langer in de btw-reglementering (voormalig koninklijk besluit nr. 24). Deze specifieke sanctie moet dus worden verwijderd uit het koninklijk besluit nr. 44 dat bepaalde inbreuken op het Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan sanctioneert.
Artikel 15 van het ontwerp brengt vooreerst een technische wijziging aan (een wijziging van een verwijzing) in het opschrift van rubriek II van afdeling 1 van de bijlage bij hetzelfde besluit (verwijzing naar artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, dat op zijn beurt verwijst naar de in de artikelen 58ter, § 6, 58quater, § 6 en 58quinquies, § 6, van het Wetboek bedoelde aangifte).
Er wordt ook van deze wijziging gebruik gemaakt om de geldboete van 50 euro op te heffen voor het niet gebruiken door de belastingplichtige van het door de administratie verstrekte betalingsformulier of de door haar ter kennis gebrachte gestructureerde mededeling in het kader van de voldoening van de btw die uit deze aangiften voortvloeit. Ter zake wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 14. Bijgevolg wordt punt E van rubriek II eveneens opgeheven.
Ten slotte brengt artikel 16 van het ontwerp eveneens twee technische wijzigingen aan in rubriek I van afdeling 5 van de bijlage bij hetzelfde besluit (de verwijzing naar artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 wordt opgeheven, aangezien het hier in feite gaat om de sanctionering van inbreuken met betrekking tot het gebruik van vergunningen voor maandelijkse teruggaaf, die in het kader van de nieuwe btw-ketting niet meer zullen bestaan).
Artikel 17
Artikel 17 van het ontwerp vult artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 46 aan met een derde lid om de datum van uitwerking te preciseren van de betaling van de verschuldigde belasting aan de ontvanger van het bevoegde douanekantoor in geval van een intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen door een persoon die bij datzelfde douanekantoor daarvan aangifte moet doen.
Die regels zijn vergelijkbaar met de betalingen van de belasting in andere omstandigheden (periodieke btw-aangifte of de in artikelen 58ter tot en met 58sexies van het Wetboek bedoelde aangiften). De regels met betrekking tot die betalingen zullen worden gewijzigd in het
koninklijk besluit van 20 december 2019Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1969
pub.
02/05/2013
numac
2013000278
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
sluiten3 tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Aangezien het in dit geval evenwel gaat om een exclusieve bevoegdheid van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (inzake btw), worden die regels in deze bepaling opgenomen.
De data van uitwerking van die betalingen worden vastgesteld als volgt: - voor een betaling in speciën, op de datum van betaling; - voor een overschrijving, de laatste werkdag die voorafgaat aan de datum van creditering van de rekening van het kantoor volgens de documenten van de bank- of financiële instelling die verantwoordelijk is voor het beheer van de kasrekeningen van de Federale Overheidsdienst Financiën (als werkdagen worden aangemerkt, alle andere dagen dan de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen).
Artikel 18
Artikel 18 van het ontwerp wijzigt de inleidende zin van het huidige artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 48 om te verwijzen naar de dubbele termijn voor de indiening van de periodieke btw-aangifte naargelang de aangifteregeling van de bedoelde belastingplichtige (maandelijks of op kwartaalbasis). Dit artikel heeft betrekking op de mededeling van de lijst van intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen die krachtens artikel 39bis, 2°, van het Wetboek zijn vrijgesteld en die de belastingplichtigen in de loop van een kalenderkwartaal hebben verricht. De mededeling van die lijst is geïnspireerd op de regels van toepassing voor de indiening van de periodieke btw-aangifte. De inleidende zin van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 48 verwijst derhalve uitdrukkelijk …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.