Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 4, 41, 44, 46, 48, 50 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoeg
Kort samengevat
Dit Koninklijk Besluit wijzigt diverse bestaande besluiten over de belasting over de toegevoegde waarde (btw) om de btw-keten te moderniseren. Het doel is de verwerking van btw-aangiften te verbeteren en sneller op te treden tegen niet-ingediende aangiften.
Wat het reguleert
- De regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
- De forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde.
- De teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.
- Het bedrag van de proportionele en niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.
Wie het aanbelangt
- Belastingplichtigen die btw-aangiften indienen.
- De Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën).
Kernpunten
- De btw-rekening-courant verdwijnt.
- Nieuwe termijnen voor de indiening van periodieke btw-aangiften en de betaling van de belasting voor kwartaalindieners.
- Invoering van een geautomatiseerde procedure voor niet-ingediende periodieke btw-aangiften, leidend tot een (voorstel van) vervangende aangifte.
- Hervorming van de procedure voor de terugbetaling van btw-kredieten, inclusief de veralgemening van maandelijkse terugbetaling voor maandaangiften.
Wettekst
29 SEPTEMBER 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 4, 41, 44, 46, 48, 50 en 51 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de mode
2 bedoelde aangifte in die aangifte een materiële vergissing vaststelt, dient hij, vóór het verstrijken van de indieningstermijn voor die aangifte, een nieuwe aangifte in voor dezelfde periode, die de vorige aangifte annuleert en vervangt. Wanneer er geen aangifte kan worden ingediend vóór het verstrijken van de indieningstermijn van de te corrigeren aangifte, neemt de belastingplichtige een correctie op in de eerstvolgende aangifte die moet worden ingediend. Onder materiële vergissing in de zin van het eerste lid wordt verstaan elke vergissing of elke vergetelheid die geen aanleiding geeft tot het opmaken of uitreiken van een verbeterend stuk. §
- In afwijking van de paragrafen 1 en 2 dient de curator van een gefailleerde belastingplichtige, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel XX.140 van het Wetboek van economisch recht, volgens de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 1 en § 2, en ten laatste op 28 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop ze betrekking heeft, een jaaraangifte in voor de aan de belasting onderworpen handelingen die hij elk jaar verricht in naam van die belastingplichtige, met ingang van de dag van het vonnis van faillietverklaring. De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste op 30 april van het kalenderjaar volgend op dat waarop de in het eerste lid bedoelde aangifte betrekking heeft. In afwijking van het eerste lid, dient de curator bij de sluiting van het faillissement de in het eerste lid bedoelde aangifte in ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van het vonnis tot sluiting van het faillissement. De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste binnen de drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn voor de indiening van de in het derde lid bedoelde aangifte.". Art. 4.In hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten6, wordt een artikel 17bis ingevoegd, luidende: "Art. 17bis.§
- De belastingplichtige aan wie overeenkomstig artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Wetboek een definitieve vervangende aangifte ter kennis is gebracht, kan tegen die aangifte een bezwaarschrift indienen binnen zes maanden vanaf de datum waarop de kennisgeving van die aangifte uitwerking heeft. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het in het eerste lid bedoelde bezwaar ingediend op het door de minister van Financiën of zijn gemachtigde bepaalde elektronische adres en bevat het minstens de volgende gegevens: 1° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, het e-mailadres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;2° de betrokken aangifteperiode;3° de bedragen die vermeld hadden moeten worden in de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte die niet werd ingediend en die aanleiding heeft gegeven tot de definitieve vervangende aangifte;4° de verantwoording van de waarachtigheid van de in 3° bedoelde bedragen. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde bevestigt de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde bezwaar. §
- De indiening van het in paragraaf 1 bedoelde bezwaar laat het recht van de administratie onverlet om over te gaan tot gedwongen invordering van de belastingschuld die voortvloeit uit de definitieve vervangende aangifte waarvan overeenkomstig artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Wetboek kennis is gegeven, in het bijzonder wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. Het al dan niet indienen van het in paragraaf 1 bedoelde bezwaar laat het recht van de belastingplichtige onverlet om in rechte op te komen tegen de definitieve vervangende aangifte waarvan overeenkomstig artikel 53, § 1ter, zesde lid, van het Wetboek kennis werd gegeven. De overeenkomstig het tweede lid ingestelde rechtsvordering beëindigt van rechtswege de in dit artikel bedoelde bezwaarprocedure. §
- De beslissing of de ontstentenis van een beslissing met betrekking tot het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde bezwaar laat het recht van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde onverlet om de juiste toepassing van de belasting die verschuldigd is ten aanzien van het aangiftetijdvak met betrekking tot de desbetreffende vervangende aangifte na te gaan, alsmede om, in voorkomend geval, het bedrag ervan te corrigeren.". Art. 5.In hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten6, wordt een artikel 17ter ingevoegd, luidende: "Art. 17ter.De persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte dient deze aangifte in bij de door de minister van Financiën of zijn gemachtigde aangewezen dienst, uiterlijk de vijfentwintigste dag volgend op de periode waarop zij betrekking heeft.". Art. 6.Artikel 18 van het hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten6, wordt vervangen als volgt: "Art. 18.§
- De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, dienen deze aangifte langs elektronische weg in. §
- De in paragraaf 1 bedoelde belastingplichtigen zijn ontheven van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. De toepassingsmodaliteiten van deze ontheffing worden geregeld door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. §
- De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de in artikelen 17, paragrafen 1, 2, en 4 en 17ter bedoelde aangiften: a) die deze aangiften niet langs elektronische weg indienen, maken gebruik van de formulieren die hen door de administratie ter beschikking worden gesteld en waarvan het model voorkomt op de bijlage I bij dit besluit wat de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte betreft en op de bijlage III wat de in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte betreft.De omschrijving van de roosters van de aangifte waarvan het model voorkomt in de genoemde bijlage I, maakt het voorwerp uit van de bijlage II bij dit besluit; b) die deze aangiften langs elektronische weg indienen overeenkomstig de door de minister van Financiën of zijn gemachtigde gestelde nadere regels, dragen dezelfde gegevens over als die opgenomen in de onder a) bedoelde aangifte. §
- De belastingplichtigen gehouden tot de indiening van de in de artikelen 58ter, § 6, 58quater, § 6 en 58quinquies, § 6, van het Wetboek bedoelde aangifte, gebruiken de aangifteformulieren die bestaan uit een elektronisch bericht waarvan de inhoud is bepaald in de artikelen 58ter, § 6, tweede en derde lid, 58quater, § 6, tweede tot en met achtste lid en 58quinquies, § 6, tweede en derde lid, van het Wetboek. Zij sturen dat bericht naar het elektronisch adres dat te dien einde door de minister van Financiën of zijn gemachtigde werd gecreëerd.". Art. 7.In hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 december 2023Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde sluiten6, wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd dat de artikelen 19, 20, 20bis, 20ter en 20quater bevat, luidende: "Hoofdstuk IIIbis. - Schuldenaar van de belasting". Art. 8.In artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake belasting over de toegevoegde waarde, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: "2° de regularisatie van de belasting die voortvloeit uit de wijzigingen die in de forfaitaire grondslagen van aanslag van het vorige jaar krachtens artikel 7, derde lid, zijn aangebracht, in voorkomend geval op te nemen in de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen uiterlijk op 20 of 25 oktober van ieder jaar, al naargelang het een maand- of kwartaalaangifte betreft, en een stuk op te maken ter verantwoording van het bedrag van die herziening.". Art. 9.Artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 april 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012003385 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde
2, bedoelde aansprakelijke vertegenwoordiger teruggegeven, onder de volgende voorwaarden: 1° het door de Staat verschuldigd bedrag bereikt 50 euro;2° de belastingplichtige heeft, uiterlijk vóór het einde van de maand die voorafgaat aan de maand waarin de in artikel 76, § 1, zesde lid, 2°, van het Wetboek bedoelde ordonnancering of verrichting gelijkgesteld met een betaling plaatsheeft, door middel van de aangifte bedoeld in artikel
2 van het koninklijk besluit nr.10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, aan de administratie een geldig bankrekeningnummer meegedeeld op de wijze bepaald door de minister van Financiën of zijn gemachtigde; 3° alle aangiften met betrekking tot de handelingen van de zes maanden die, al naargelang van het geval, het kalenderkwartaal of de maand voorafgaan op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt, zijn ingediend binnen de in artikel 17, §
§ 2
, bedoelde termijn en overeenkomstig de in artikel 18, §
§ 2
, van het koninklijk besluit nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde modaliteiten; 4° de aangifte, waarvan het eindresultaat het door de Staat verschuldigd bedrag is waarvan de belastingplichtige om teruggave verzoekt, wordt ingediend binnen de in artikel 17, §
§ 2
, bedoelde termijn en overeenkomstig de in artikel 18, §
§ 2
, van het koninklijk besluit nr.1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde modaliteiten. De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, heeft plaats uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft. Voor een maandaangifte heeft de ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling evenwel plaats uiterlijk op het einde van de tweede maand volgend op het tijdvak waarop de maandaangifte betrekking heeft. De belastingplichtige vraagt de in het eerste lid bedoelde teruggaaf aan bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot kan worden teruggegeven door een uitdrukkelijke vermelding aan te brengen in de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De door de belastingplichtige ingediende aangifte waarin die vermelding is aangebracht, geldt als aanvraag tot teruggaaf. § 2. Onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 3, wordt, wanneer de voorwaarden voor teruggaaf van het in paragraaf 1 bedoelde bedrag niet vervuld zijn of wanneer dat bedrag door de belastingplichtige niet werd teruggevraagd, dat bedrag ingeschreven op de in artikel 83bis van het Wetboek bedoelde Provisierekening btw binnen de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde termijn, indien het 2,50 euro bereikt. Wanneer de aangifte met als eindresultaat het op de in artikel 83bis van het Wetboek bedoelde Provisierekening btw in te schrijven bedrag, wordt ingediend na de termijn bedoeld in artikel 17, §
§ 2, van het koninklijk besluit nr.
1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt, in afwijking van het eerste lid, de inschrijving op de Provisierekening btw verricht uiterlijk op het einde van de tweede of de derde maand die volgt op de maand waarin die aangifte wordt ingediend, al naargelang het een maand- of kwartaalaangifte betreft. § 3. Zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde teruggaaf, wordt die teruggaaf steeds geacht te zijn aangevraagd tot het beloop van de belastingschuld die aan te zuiveren is, wanneer op het tijdstip van de in paragraaf 1 bedoelde ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling of op het in paragraaf 2 bedoelde tijdstip van inschrijving in de Provisierekening btw, de belastingplichtige uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde, belasting, geldboeten, nalatigheidsinteresten of bijkomende kosten verschuldigd is die voortvloeien uit overtredingen begaan vóór het verstrijken van de periode waarop de hierboven bedoelde aangifte betrekking heeft. Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in hoofde van de administratie een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze niet wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een in artikel 85 van het Wetboek bedoeld innings- en invorderingsregister, waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door de in artikel 19, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen bedoelde vordering in rechte, wordt het door de Staat verschuldigd bedrag tot het passende beloop aangewend ter aanzuivering van de belastingschuld. Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of wanneer ze werd opgenomen in een in artikel 85 van het Wetboek bedoeld innings- en invorderingsregister, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de in artikel 19, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen bedoelde vordering in rechte, wordt het door de Staat verschuldigd bedrag tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld. Indien ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar bedrag dat blijkt uit de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte en waarvoor de belastingplichtige al dan niet voor de teruggaaf heeft geopteerd, hetzij ernstige vermoedens, hetzij bewijzen bestaan dat de voormelde aangifte of de aangiften voor daaraan voorafgaande perioden gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de genoemde ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan geschieden, heeft de ordonnancering van dit bedrag of de inschrijving op de in artikel 83bis van het Wetboek bedoelde Provisierekening btw niet plaats en wordt het door de Staat verschuldigd bedrag ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan. De ernstige vermoedens of bewijzen bedoeld in het vierde lid, die de belastingschuld aantonen of helpen aantonen, dienen te worden gerechtvaardigd in processen-verbaal conform artikel 59, § 1, van het Wetboek en worden per aangetekende brief vooraf ter kennis gebracht van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoelde termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt ten aanzien van een voor teruggaaf vatbaar bedrag dat blijkt uit de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte en die toelaten om de waarachtigheid van dat bedrag te verantwoorden, wordt dat bedrag ingehouden teneinde de administratie toe te laten de waarachtigheid van dat bedrag na te gaan. Onverminderd de mogelijkheid voor de beslagrechter om de opheffing ervan te bevelen, geldt de in het derde en het vierde lid bedoelde inhouding als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs vervat in de in het vijfde lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd, of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Unie uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de lidstaten van de Unie. Onverminderd de mogelijkheid voor de beslagrechter om de opheffing ervan te bevelen, geldt de in het zesde lid bedoelde inhouding als bewarend beslag onder derden tot de administratie, op grond van door de belastingplichtige verstrekte gegevens of op grond van andere gegevens, de waarachtigheid van het bedrag heeft kunnen nagaan. Voor de toepassing van deze inhoudingen wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld. De in het derde, vierde en zesde lid bedoelde kennisgeving van de inhouding en haar aanzegging aan de belastingplichtige binnen de in artikel 1457 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene termijn gebeuren bij aangetekende zending. De afgifte van het stuk aan de universele postdienstverlener geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. De in het derde, vierde en zesde lid bedoelde inhouding geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek bedoeld bericht van beslag. De belastingplichtige kan enkel verzet doen tegen de in het derde, vierde en zesde lid bedoelde inhouding door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. De inhouding neemt een einde ten gevolge van de opheffing ervan door de administratie of ten gevolge van een rechterlijke beslissing. In geval van opheffing door de administratie wordt de belastingplichtige in kennis gesteld per aangetekend schrijven met vermelding van de datum van opheffing. Na het einde van de inhouding van het door de Staat verschuldigd bedrag wordt, in voorkomend geval, de belastingschuld die in hoofde van de administratie een schuldvordering uitmaakt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, overeenkomstig het tweede lid aangezuiverd zonder dat enige formaliteit moet worden nageleefd. Het eventuele overschot wordt teruggegeven aan de belastingplichtige die geopteerd heeft voor de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde teruggaaf, voor zover aan de voorwaarden voor deze teruggaaf is voldaan, of wordt, bij gebrek eraan, ingeschreven op de in artikel 83bis van het Wetboek bedoelde Provisierekening btw.". Art. 10.Artikel 82 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 februari 1972, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 april 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012003385 bron federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde
- De opeisbaarheid van de belasting blijkt uit een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek periodieke aangifte, ingediend binnen de termijn voorzien door of krachtens de regelgeving 5 pct.van de verschuldigde belasting;
- L'exigibilité de la taxe résulte d'une déclaration visée à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Code qui a été déposée dans le délai prescrit par ou en vertu de la réglementation 5 p.c. de la taxe due ;
- De opeisbaarheid van de belasting blijkt uit een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte die laattijdig of overeenkomstig artikel 53, § 1ter, vijfde lid, van het Wetboek werd ingediend 10 pct.van de verschuldigde belasting;
- L'exigibilité de la taxe résulte d'une déclaration visée à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Code qui a été déposée tardivement ou conformément à l'article 53, § 1erter, alinéa 5, du Code 10 p.c. de la taxe due ;
- De opeisbaarheid van de belasting blijkt uit een in artikel 53, § 1ter, van het Wetboek bedoelde ter kennis gebrachte definitieve vervangende aangifte 15 pct.van de verschuldigde belasting.".
- L'exigibilité de la taxe résulte d'une déclaration de substitution définitive visée à l'article 53, § 1erter, du Code, qui a été notifiée 15 p.c. de la taxe due.". Art. 14.In rubriek I van afdeling 1 van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt A wordt vervangen als volgt: "A.Niet-indienen - 1ste overtreding: 500 EUR per aangifte - 2de overtreding: 1.250 EUR per aangifte - 3de overtreding: 2.500 EUR per aangifte - volgende overtredingen: 5.000 EUR per aangifte"; "A. Non-dépôt - 1ère infraction : 500 EUR par déclaration - 2ème infraction : 1.250 EUR par déclaration - 3ème infraction : 2.500 EUR par déclaration - infractions suivantes : 5.000 EUR par déclaration" ; 2° punt B wordt vervangen als volgt: 2° le point B est remplacé par ce qui suit : "B.Laattijdig indienen met niet meer dan vijf maanden