← België

Wet houdende instemming met volgende internationale Akten : 1. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten v

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt twee internationale overeenkomsten: één over de bescherming van uitvoerende kunstenaars, fonogramproducenten en omroeporganisaties, en een andere over de bescherming van werken van letterkunde en kunst. Het doel is om de rechten van deze partijen internationaal te waarborgen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
25 MAART 1999. - Wet houdende instemming met volgende internationale Akten : 1. Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961. 2. Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961, zal volkomen gevolg hebben. Art. 3.De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm gedaan te Parijs op 24 juli 1971, zal volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 25 maart 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, E. DE RYCKE De Minister van Justitie, T. VAN PARYS Met `s Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS _______ Nota (1) Zitting 1997-1998 Senaat : Documenten.- Ontwerp van wet ingediend op 1 oktober 1998, nr. 1-1105/1. Zitting 1998-1999 Documenten. - Verslag, nr. 1-1105/2. - Tekst aangenomen in vergadering en overgezonden aan de kamer, nr. 1-1105/3. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 17 december 1998. - Stemming, vergadering van 17 december 1998. Kamer : Document. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr. 49-1893/1. - Verslag, nr. 49-1893/1. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 27 januari 1999. - Stemming, vergadering van 28 januari 1999. Internationaal verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties De Verdragsluitende Staten, geleid door de wens de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties te beschermen, Zijn overeengekomen als volgt : Artikel 1 De krachtens dit Verdrag toegekende bescherming laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst. Derhalve mag geen bepaling van dit Verdrag zo worden uitgelegd dat daardoor aan deze bescherming afbreuk zou worden gedaan. Artikel 2 1. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder nationale behandeling verstaan de behandeling toegekend door de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt : a) aan uitvoerende kunstenaars die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van uitvoeringen die op zijn grondgebied plaats vinden, worden uitgezonden of voor het eerst zijn vastgelegd;b) aan producenten van fonogrammen die zijn onderdanen zijn, ten aanzien van fonogrammen die voor het eerst zijn vastgelegd of openbaar gemaakt op zijn grondgebied;c) aan omroeporganisaties die hun hoofdkantoor hebben op zijn grondgebied, ten aanzien van radio-uitzendingen via zendinstallaties die op zijn grondgebied zijn gelegen.2. De nationale behandeling is onderworpen aan de in dit Verdrag speciaal gewaarborgde bescherming en speciaal voorziene beperkingen. Artikel 3 Voor de toepassing van dit Verdrag : a) wordt onder "uitvoerende kunstenaars" verstaan acteurs, zangers, musici, dansers en andere personen die acteren, zingen, reciteren, declameren, spelen of anderszins werken van letterkunde of kunst uitvoeren;b) wordt onder "fonogram" verstaan iedere uitsluitend hoorbare vastlegging van klanken van een uitvoering of van andere klanken;c) wordt onder "producent van fonogrammen" verstaan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de klanken van een uitvoering of andere klanken voor het eerst vastlegt;d) wordt onder "openbaarmaking" verstaan het aanbieden van exemplaren van een fonogram aan het publiek in een redelijke hoeveelheid;e) wordt onder "reproduktie" verstaan het maken van een exemplaar of van exemplaren van een vastlegging;f) wordt onder "uitzending" verstaan de overdracht langs draadloze weg van klanken of van beelden en klanken voor ontvangst door het publiek;g) wordt onder "heruitzending" verstaan het gelijktijdig uitzenden door de ene omroeporganisatie van de uitzending van een andere omroeporganisatie. Artikel 4 Elke Verdragsluitende Staat kent uitvoerende kunstenaars een nationale behandeling toe indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) de uitvoering vindt plaats in een andere Verdragsluitende Staat;b) de uitvoering is opgenomen op een fonogram dat wordt beschermd ingevolge artikel 5 van dit Verdrag;c) de uitvoering, die niet is vastgelegd op een fonogram, wordt uitgezonden door middel van een uitzending die wordt beschermd ingevolge artikel 6 van dit Verdrag. Artikel 5 1. Elke Verdragsluitende Staat kent een nationale behandeling toe aan producenten van fonogrammen indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) de producent van het fonogram is onderdaan van een andere Verdragsluitende Staat (nationaliteitscriterium);b) de eerste vastlegging van de klanken werd verricht in een andere Verdragsluitende Staat (vastleggingscriterium);c) het fonogram werd voor het eerst openbaar gemaakt in een andere Verdragsluitende Staat (openbaarmakingscriterium).2. Indien een fonogram voor het eerst werd openbaar gemaakt in een niet-Verdragsluitende Staat, maar indien deze ook binnen dertig dagen na de eerste openbaarmaking, openbaar werd gemaakt in een Verdragsluitende Staat (gelijktijdige openbaarmaking), wordt deze beschouwd als voor het eerst openbaar gemaakt in de Verdragsluitende Staat.3. Iedere Verdragsluitende Staat kan, door middel van een bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving, verklaren dat hij het openbaarmakingscriterium of het vastleggingscriterium niet zal toepassen.Deze kennisgeving kan worden neergelegd op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna; in het laatste geval wordt zij van kracht zes maanden nadat zij is neergelegd. Artikel 6 1. Elke Verdragsluitende Staat kent een nationale behandeling toe aan omroeporganisaties indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) het hoofdkantoor van de omroeporganisaties is gelegen in een andere Verdragsluitende Staat;b) de uitzending geschiedde via een zendinstallatie gelegen in een andere Verdragsluitende Staat.2. Iedere Verdragsluitende Staat kan door middel van een bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving verklaren dat hij uitzendingen alleen zal beschermen indien het hoofdkantoor van de omroeporganisatie is gelegen in een andere Verdragsluitende Staat en de uitzending geschiedde via een in diezelfde Verdragsluitende Staat gelegen zendinstallatie.Deze kennisgeving kan worden neergelegd op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna; in het laatste geval wordt zij van kracht zes maanden nadat zij is neergelegd. Artikel 7 1. De in dit Verdrag voorziene bescherming van uitvoerende kunstenaars omvat de mogelijkheid het volgende te voorkomen : a) de uitzending en overbrenging aan het publiek, zonder hun toestemming, van hun uitvoering, behalve wanneer de in de uitzending of de overbrenging aan het publiek gebruikte uitvoering zelf reeds een uitgezonden uitvoering is of deze geschiedt door middel van een vastlegging;b) de vastlegging, zonder hun toestemming, van hun niet vastgelegde uitvoering;c) de reproduktie, zonder hun toestemming, van een vastlegging van hun uitvoering : (i) indien de oorspronkelijke vastlegging zelf was vervaardigd zonder hun toestemming; (ii) indien de reproduktie is vervaardigd voor andere doeleinden dan voor die waarvoor de uitvoerende kunstenaars hun toestemming hebben gegeven; (iii) indien de oorspronkelijke vastlegging geschiedde overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 en de reproduktie is gemaakt voor andere dan in dat artikel bedoelde doeleinden. 2. (1) Indien de uitvoerende kunstenaars in de uitzending hebben toegestemd, wordt het aan de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt, overgelaten de bescherming te regelen tegen heruitzending, vastlegging ten behoeve van uitzending en reproduktie van deze vastlegging ten behoeve van uitzending.(2) De voorwaarden voor het gebruik door omroeporganisaties van ten behoeve van uitzending gemaakte vastleggingen worden bepaald overeenkomstig de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staat waar aanspraak op bescherming wordt gemaakt.(3) De in (1) en (2) van dit lid bedoelde nationale wetgeving mag evenwel niet ertoe leiden dat daardoor uitvoerende kunstenaars de mogelijkheid wordt ontnomen door middel van een contract hun betrekking met omroeporganisaties te regelen. Artikel 8 Iedere Verdragsluitende Staat kan in zijn nationale wetgeving de wijze aangeven waarop uitvoerende kunstenaars zullen worden vertegenwoordigd in verband met de uitoefening van hun rechten, indien verscheidene van hen deelnemen aan dezelfde uitvoering. Artikel 9 Iedere Verdragsluitende Staat kan in zijn nationale wetgeving de in dit Verdrag voorziene bescherming uitbreiden tot artiesten die geen werken van letterkunde of kunst uitvoeren. Artikel 10 Producenten van fonogrammen genieten het recht de directe of indirecte reproduktie van hun fonogrammen toe te staan of te verbieden. Artikel 11 Indien een Verdragsluitende Staat, als voorwaarden voor de bescherming van de rechten van producenten van fonogrammen of van uitvoerende kunstenaars, of van beiden, ingevolge zijn nationale wetgeving met betrekking tot fonogrammen eist dat aan bepaalde formaliteiten wordt voldaan, wordt geacht daaraan te zijn voldaan als alle in de handel zijnde exemplaren van het openbaar gemaakte fonogram of het omhulsel daarvan, voorzien zijn van een aanduiding bestaande uit het teken (P) vergezeld van het jaar van de eerste openbaarmaking, en wel zo aangebracht dat de aanspraak op bescherming duidelijk blijkt; en indien de exemplaren of hun omhulsel niet de producent of de licentiehouder van de producent aanduiden (doordat zijn naam, handelsmerk of andere passende aanduiding daarop is vermeld), dient de aanduiding tevens de naam van de eigenaar van de produktierechten te omvatten; en voorts dient de aanduiding, indien de exemplaren of hun omhulsel niet de voornaamste uitvoerende kunstenaars vermelden, tevens de naam te omvatten van de persoon die in het land waar de vastlegging geschiedde, de rechten van deze uitvoerende kunstenaars bezit. Artikel 12 Indien een voor handelsdoeleinden openbaar gemaakt fonogram of een reproduktie van zulk een geluidsdrager rechtstreeks wordt gebruikt voor uitzending of voor enigerlei overbrenging aan het publiek, dient door de gebruiker één enkele redelijke vergoeding te worden betaald aan de uitvoerende kunstenaars of aan de producenten van de fonogrammen of aan beiden. De nationale wetgeving kan bij het ontbreken van overeenstemming tussen deze partijen de voorwaarden inzake de verdeling van deze vergoeding bepalen. Artikel 13 Omroeporganisaties genieten het recht toe te staan of te verbieden : a) de heruitzending van hun uitzendingen;b) de vastlegging van hun uitzendingen;c) de reproduktie : (i) van zonder hun toestemming vervaardigde vastleggingen van hun uitzendingen; (ii) van overeenkomstig de bepalingen van artikel 15 gemaakte vastleggingen van hun uitzendingen indien de reproduktie wordt vervaardigd voor andere doeleinden dan in die bepalingen bedoeld; d) de overbrenging aan het publiek van hun televisieuitzendingen indien deze overbrenging geschiedt in voor het publiek toegankelijke plaatsen tegen betaling van entreegeld;het wordt overgelaten aan de nationale wetgeving van de Staat waar aanspraak op bescherming van dit recht wordt gemaakt, de voorwaarden te bepalen waarop dit recht kan worden uitgeoefend. Artikel 14 De duur van de ingevolge dit Verdrag toe te kennen bescherming loopt tot ten minste het einde van een tijdvak van 20 jaar berekend vanaf het einde van het jaar waarin : a) de vastlegging geschiedde, voor fonogrammen en voor daarop opgenomen uitvoeringen;b) de uitvoering plaats vond, voor niet op fonogrammen opgenomen uitvoeringen;c) de uitzending plaats vond, voor uitzendingen. Artikel 15 1. Iedere Verdragsluitende Staat kan in zijn nationale wetgeving voorzien in uitzonderingen op de door dit Verdrag gewaarborgde bescherming ten aanzien van : a) privé-gebruik;b) gebruik van korte uittreksels in verband met de berichtgeving over actuele gebeurtenissen;c) kortstondige vastlegging door een omroeporganisatie met gebruikmaking van haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen;d) gebruik uitsluitend ten behoeve van onderwijs of wetenschappelijk onderzoek.2. Ongeacht het eerste lid van dit artikel kan een Verdragsluitende Staat in zijn nationale wetgeving voorzien in dezelfde soorten beperkingen ten aanzien van de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties als waarin hij in zijn binnenlandse wetten en voorschriften voorziet in verband met de bescherming van het auteursrecht van werken van letterkunde en kunst.Er mag evenwel slechts in dwanglicenties worden voorzien voor zover deze verenigbaar zijn met dit Verdrag. Artikel 16 1. Iedere Staat is, wanneer hij partij bij dit Verdrag wordt, gebonden door alle verplichtingen en geniet alle voordelen daarin bepaald.Een Staat kan evenwel te allen tijde middels een bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving verklaren dat hij : a) wat artikel 12 betreft : (i) de bepalingen van dat artikel niet zal toepassen; (ii) de bepalingen van dat artikel niet zal toepassen ten aanzien van bepaalde soorten gebruik; (iii) wat fonogrammen betreft waarvan de producent geen onderdaan is van een andere Verdragsluitende Staat, dat artikel niet zal toepassen; (iv) wat geluidsdragers betreft waarvan de producent onderdaan is van een andere Verdragsluitende Staat, de in dat artikel voorziene bescherming zal beperken tot de mate waarin en tot de duur waarvoor de laatstgenoemde Staat bescherming toekent aan fonogrammen die voor het eerst zijn vastgelegd door een onderdaan van de Staat die de verklaring aflegt, het feit dat de Verdragsluitende Staat waarvan de producent onderdaan is, niet aan dezelfde gerechtigde(n) bescherming toekent als de Staat die de verklaring aflegt, wordt echter niet beschouwd als een verschil in de mate van bescherming; b) wat artikel 13 betreft, niet letter (d), van dat artikel zal toepassen;indien een Verdragsluitende Staat zulk een verklaring aflegt, zijn de andere Verdragsluitende Staten niet verplicht het in artikel 13, letter (d) bedoelde recht toe te kennen aan omroeporganisaties waarvan het hoofdkantoor in die Staat is gelegen. 2. Indien de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving wordt gedaan na de datum van neerlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, wordt de kennisgeving van kracht zes maanden nadat zij is neergelegd. Artikel 17 Een Staat die op 26 oktober 1961 aan producenten van fonogrammen uitsluitend op basis van het vastleggingscriterium bescherming toekent, kan door middel van een op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties neergelegde kennisgeving verklaren dat hij, voor de toepassing van artikel 5, uitsluitend het vastleggingscriterium zal toepassen en voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, letter (a), onder (iii) en (iv), het vastleggingscriterium in plaats van het nationaliteitscriterium. Artikel 18 Een Staat die een kennisgeving heeft neergelegd ingevolge artikel 5, derde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 16, eerste lid of artikel 17, kan door middel van een latere kennisgeving, neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, de reikwijdte daarvan beperken of deze intrekken. Artikel 19 Niettegenstaande elke andere bepaling in dit Verdrag is artikel 7 niet langer van toepassing wanneer een uitvoerende kunstenaar eenmaal heeft toegestemd in de opneming van zijn uitvoering in een visuele of audio-visuele vastlegging. Artikel 20 1. Dit Verdrag laat onverlet rechten die in een Verdragsluitende Staat zijn verworven vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat.2. Een Verdragsluitende Staat is niet gebonden de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op uitvoeringen of uitzendingen die hebben plaatsgevonden of op fonogrammen die werden vastgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat. Artikel 21 De in dit Verdrag voorziene bescherming laat onverlet bescherming die anderszins is verzekerd aan uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties. Artikel 22 De Verdragsluitende Staten behouden zich het recht voor onderling bijzondere overeenkomsten te sluiten, voor zover zulke overeenkomsten uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen of omroeporganisaties uitgebreidere rechten toekennen dan die welke zijn toegekend bij dit Verdrag, of andere bepalingen bevatten die niet strijdig zijn met dit Verdrag. Artikel 23 Dit Verdrag wordt neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Het staat tot 30 juni 1962 open voor ondertekening door iedere Staat die werd uitgenodigd voor de Diplomatieke Conferentie inzake de internationale bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, die partij is bij de Universele Auteursrecht-Conventie of lid is van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst. Artikel 24 1. Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd of aanvaard.2. Dit Verdrag staat open voor toetreding door iedere Staat die werd uitgenodigd voor de in artikel 23 bedoelde Conferentie en door iedere lidstaat van de Verenigde Naties, mits in beide gevallen deze Staat partij is bij de Universele Auteursrecht-Conventie of lid is van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.3. De bekrachtiging, aanvaarding of toetreding geschiedt door de neerlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Artikel 25 1. Dit Verdrag treedt in werking drie maanden na de datum van neerlegging van de zesde akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding.2. Daarna treedt dit Verdrag ten aanzien van elke Staat in werking drie maanden na de datum van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding. Artikel 26 1. Elke Verdragsluitende Staat verbindt zich ertoe overeenkomstig zijn grondwet de noodzakelijke maatregelen te nemen ten einde de toepassing van dit Verdrag te verzekeren.2. Op het tijdstip van neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, moet elke Staat in staat zijn ingevolge zijn nationale wetgeving uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag. Artikel 27 1. Iedere Staat kan op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk tijdstip daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren dat dit Verdrag zich uitstrekt tot alle of enkele van de grondgebieden voor wier internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, mits de Universele Auteursrecht-Conventie of de Internationale Conventie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst van toepassing is op het betrokken grondgebied of de betrokken grondgebieden.Deze kennisgeving wordt van kracht drie maanden na de datum van ontvangst. 2. De kennisgevingen bedoeld in artikel 5, derde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 16, eerste lid en de artikelen 17 en 18 kunnen worden uitgebreid tot alle of enkele van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde grondgebieden. Artikel 28 1. Iedere Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen wat hemzelf betreft, dan wel namens alle of enkele van de in artikel 27 bedoelde grondgebieden.2. De opzegging geschiedt door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties en wordt van kracht twaalf maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving.3. Het recht van opzegging wordt door een Verdragsluitende Staat niet uitgeoefend vóór het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar van de datum waarop het Verdrag ten aanzien van die Staat in werking is getreden.4. Een Verdragsluitende Staat houdt op partij te zijn bij dit Verdrag vanaf het tijdstip waarop hij geen partij meer is bij de Universele Auteursrecht-Conventie of geen lid meer is van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.5. Vanaf dat tijdstip houdt dit Verdrag op van toepassing te zijn op een in artikel 27 bedoeld gebied wanneer noch de Universele Auteursrecht-Conventie noch de Internationale Conventie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst op dat gebied van toepassing zijn. Artikel 29 1. Nadat dit Verdrag vijf jaar van kracht is geweest, kan iedere Verdragsluitende Staat door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken een conferentie bijeen te roepen ter herziening van het Verdrag.De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Staten in kennis van dit verzoek. Indien binnen een tijdvak van zes maanden na de datum van kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties niet minder dan de helft van de Verdragsluitende Staten hem in kennis stelt dat zij instemt met het verzoek, stelt de Secretaris-Generaal de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst daarvan in kennis, die een herzieningsconferentie bijeenroepen in samenwerking met de in artikel 32 ingestelde Intergouvernementele Commissie. 2. Voor de aanneming van een herziening van dit Verdrag is een meerderheid vereist van twee derde van de Staten die de herzieningsconferentie bijwonen, mits deze meerderheid twee derde van de Staten omvat die op het tijdstip van de herzieningsconferentie partij bij het Verdrag zijn.3. In geval van aanneming van een Verdrag tot algehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag en tenzij het Verdrag tot herziening anderszins bepaalt : (a) staat dit Verdrag met ingang van de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot herziening niet langer open voor bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;(b) blijft dit Verdrag van kracht ten aanzien van betrekkingen tussen of met Verdragsluitende Staten die geen partij zijn geworden bij het Verdrag tot herziening. Artikel 30 Geschillen die zich kunnen voordoen tussen twee of meer Verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en die niet door middel van onderhandelingen worden geregeld, worden op verzoek van een van de partijen bij het geschil ter beslissing voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof, tenzij zij een andere wijze van regeling overeenkomen. Artikel 31 Geen ander voorbehoud kan ten aanzien van dit Verdrag worden gemaakt dan voorzien in de bepalingen van artikel 5, derde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 16, eerste lid, en artikel 17. Artikel 32 1. Hierbij wordt een Intergouvernementele Commissie ingesteld, die de volgende taken heeft : a) het bestuderen van vraagstukken betreffende de toepassing en werking van dit Verdrag;en b) het verzamelen van voorstellen en het vergaren van documentatie voor de eventuele herziening van dit Verdrag.2. De Commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, gekozen met inachtneming van een billijke geografische verdeling.Het aantal leden is zes als er twaalf Verdragsluitende Staten of minder zijn, negen als er dertien tot achttien Verdragsluitende Staten zijn en twaalf als er meer dan achttien Verdragsluitende Staten zijn. 3. De Commissie wordt opgericht twaalf maanden nadat het Verdrag in werking is getreden door middel van een verkiezing onder de Verdragsluitende Staten, die elk één stem hebben;deze verkiezing wordt georganiseerd door de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst overeenkomstig regels die voordien door een meerderheid van alle Verdragsluitende Staten goedgekeurd zijn. 4. De Commissie kiest haar Voorzitter en de andere leden van het dagelijks bestuur.Zij stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast. Dit heeft met name betrekking op het toekomstig functioneren van de Commissie en op een methode voor de keuze van haar leden in de toekomst, en wel op zodanige wijze dat een roulering tussen de verschillende Verdragsluitende Staten wordt gewaarborgd. 5. Het Secretariaat van de Commissie wordt gevormd door functionarissen van het Internationale Arbeidsbureau, van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst, aangewezen door de Directeuren-Generaal onderscheidenlijk de Directeur daarvan.6. De vergaderingen van de Commissie, die worden bijeengeroepen wanneer een meerderheid van haar leden zulks noodzakelijk acht, worden achtereenvolgens gehouden ter plaatse van de zetel van het Internationale Arbeidsbureau, van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst.7. De kosten van de leden van de Commissie worden gedragen door hun onderscheiden Regeringen. Artikel 33 1. Dit Verdrag is opgesteld in de Engelse, de Franse en de Spaanse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek.2. Daarnaast zullen officiële teksten van dit Verdrag worden opgesteld in de Duitse, de Italiaanse en de Portugese taal. Artikel 34 1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de Staten die waren uitgenodigd voor de in artikel 23 bedoelde Conferentie en iedere Staat die lid is van de Verenigde Naties, alsmede de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst in kennis van : a) de neerlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;b) de datum van inwerkingtreding van het Verdrag;c) alle kennisgevingen, verklaringen of mededelingen zoals bepaald in dit Verdrag;d) een van de situaties bedoeld in artikel 28, vierde en vijfde lid.2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst eveneens in kennis van de hem overeenkomstig artikel 29 gedane verzoeken, alsmede van de mededelingen ontvangen van de Verdragsluitende Staten betreffende de herziening van het Verdrag. Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend. Gedaan te Rome, zesentwintig oktober 1961, in een enkel exemplaar in de Engelse, de Franse en de Spaanse taal. Door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zullen voor eensluidend gewaarmerkte afschriften worden gezonden aan alle Staten die werden uitgenodigd voor de in artikel 23 bedoelde Conferentie en aan iedere lidstaat van de Verenigde Naties, alsmede aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau, de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en de Directeur van het Bureau van de Internationale Unie voor de Bescherming van Werken van Letterkunde en Kunst. VERDRAG INZAKE DE BESCHERMING VAN UITVOERENDE KUNSTENAARS, PRODUCENTEN VAN FONOGRAMMEN EN OMROEPORGANISATIES, GEDAAN TE ROME OP 26 OKTOBER 1961 Situatie tot 5 november 1998 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Berner conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971 De landen van de Unie, gelijkelijk bezield door de wens op een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke wijze de rechten van de auteurs op hun werken van letterkunde en kunst te beschermen; het belang erkennend van de werkzaamheden van de herzieningsconferentie van Stockholm in 1967; hebben besloten de door de Conferentie van Stockholm aangenomen Akte te herzien met ongewijzigde handhaving van de artikelen 1 tot en met 20 en 22 tot en met 26 van die Akte. Dientengevolge zijn de ondergetekende gevolmachtigden, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, het volgende overeengekomen : Artikel 1. De landen waarvoor deze Conventie geldt, vormen een Unie voor de bescherming van de rechten van de auteurs op hun werken van letterkunde en kunst. Art. 2. 1. De term "werken van letterkunde en kunst" omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften;voordrachten, toespraken, preken en andere werken van dien aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken; choreografische werken en pantomimes; muzikale composities met of zonder woorden; cinematografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken, waarmee volgens een soortgelijke werkwijze uitgedrukte werken worden gelijkgesteld; werken van toegepaste kunst; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken, betrekking hebbende op de aardrijkskunde, de topografie, de bouwkunde of de wetenschappen. 2. Het is nochtans aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden te bepalen dat werken van letterkunde en kunst, of een of meer categorieën daarvan, niet beschermd zijn voorzover zij niet in een tastbare vorm zijn vastgelegd.3. Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de rechten van de auteur van het oorspronkelijke werk : vertalingen, bewerkingen, muziekarrangementen en andere wijzigingen van een werk van letterkunde of kunst.4. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om de aan officiële teksten op het gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak, een aan officiële vertalingen van deze teksten te verlenen bescherming vast te stellen.5. Verzamelingen van werken van letterkunde of kunst, zoals encyclopedieën en bloemlezingen, die door de keuze of de rangschikking van de stof een schepping van de geest vormen, worden als zodanig beschermd, onverminderd de rechten van de auteurs op elk werk dat van deze verzamelingen deel uitmaakt.6. De in dit artikel vermelde werken genieten bescherming in alle landen van de Unie.Deze bescherming bestaat ten gunste van de auteur en van zijn rechtsopvolgers. 7. Het is onderminderd de bepalingen van artikel 7, vierde lid, van de Conventie aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen.Voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de Unie slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend; indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst. 8. De bescherming van deze Conventie is niet toepasselijk op nieuwstijdingen of gemengde berichten die louter het karakter van persberichten dragen. Art. 2bis. 1. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om van de bescherming bedoeld in het vorige artikel politieke redevoeringen en in rechtszaken uitgesproken redevoeringen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten.2. Eveneens is het aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden om voorwaarden vast te stellen waaronder lezingen, toespraken en andere werken van dezelfde aard, die in het openbaar worden uitgesproken, door de pers mogen worden weergegeven, door de radio mogen worden uitgezonden, per draadverbinding aan het publiek mogen worden overgebracht en tot voorwerp mogen worden gemaakt van de openbare mededelingen bedoeld in het eerste lid van artikel 11bis onder (1), van deze Conventie, wanneer een zodanig gebruik is gerechtvaardigd uit een oogpunt van voorlichting.3. Alleen de auteur zal evenwel het recht hebben zijn in de vorige leden genoemde werken in een verzameling bijeen te brengen. Art. 3. 1. Krachtens deze Conventie genieten bescherming : a.auteurs die onderdaan zijn van een van de landen van de Unie, voor hun al dan niet gepubliceerde werken; b. auteurs die geen onderdaan zijn van een van de landen van de Unie, voor de werken die zij voor het eerst publiceren in een van deze landen of gelijktijdig in een land dat geen lid van de Unie is en in een land van de Unie.2. Auteurs die geen onderdaan zijn van een van de landen van de Unie doch die hun gewone verblijfplaats in een van deze landen hebben, worden voor de toepassing van deze Conventie gelijkgesteld met onderdanen van dat land.3. Onder "gepubliceerde werken" moeten worden verstaan de werken die met toestemming van hun auteur zijn uitgegeven, welke ook de wijze van vervaardiging moge zijn van de exemplaren, mits deze zodanig ter beschikking zijn gesteld dat daarmede wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek, zulks met inachtneming van de aard van het werk.De opvoering van een toneelwerk of dramatisch-muzikaal werk, de vertoning van een cinematografisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de openbare voordracht van een werk van letterkunde, de overbrenging of radio-uitzending van werken van letterkunde of kunst, de tentoonstelling van een kunstwerk en het bouwen van een bouwwerk, vormen geen publikatie. 4. Als gelijktijdig in verscheidene landen gepubliceerd, wordt beschouwd elk werk dat binnen dertig dagen na zijn eerste publikatie in twee of meer landen verschenen is. Art. 4. Krachtens deze Conventie genieten bescherming, zelfs indien de in artikel 3 bedoelde voorwaarden niet zijn vervuld : a. auteurs van cinematografische werken waarvan de producent zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats in een van de landen van de Unie heeft;b. scheppers van bouwwerken die gebouwd zijn in een land van de Unie of auteurs van werken van grafische en plastische kunst die een geheel vormen met een gebouw gelegen in een land van de Unie. Art. 5. 1. De auteurs genieten voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.2. Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen;dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan van de bescherming in het land van oorsprong van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van deze Conventie, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen die de auteur worden gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen. 3. De bescherming in het land van oorsprong wordt geregeld door de nationale wetgeving.Wanneer de auteur evenwel geen onderdaan is van het land van oorsprong van het werk waarvoor hij door deze Conventie wordt beschermd, heeft hij in dat land dezelfde rechten als de auteurs die onderdaan van dat land zijn. 4. Als land van oorsprong wordt beschouwd : a.voor de voor het eerst in één van de landen van de Unie gepubliceerde werken, dat land; indien het evenwel werken betreft die gelijktijdig zijn gepubliceerd in verscheidene landen van de Unie die een bescherming van verschillende duur kennen, het land waarvan de wetgeving de minst langdurige bescherming toekent; b. voor werken die gelijktijdig zijn gepubliceerd in een land dat geen lid van de Unie is en in een land van de Unie, laatstgenoemd land;c. voor niet gepubliceerde werken of voor werken die voor het eerst zijn gepubliceerd in een land dat geen lid van de Unie is, zonder dat gelijktijdige publikatie heeft plaatsgevonden in een land van de Unie, het land van de Unie waarvan de auteur onderdaan is;indien het evenwel : i. cinematografische werken betreft waarvan de producent zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats in een land van de Unie heeft, is dit land het land van oorsprong, en ii.bouwwerken betreft gebouwd in een land van de Unie of werken van grafische en plastische kunst die één geheel vormen met een gebouw gelegen in een land van de Unie, is dit land het land van oorsprong. Art. 6. 1. Wanneer een land dat geen lid van de Unie is, de werken van auteurs die onderdaan zijn van een van de landen van de Unie niet in voldoende mate beschermt, kan dat laatste land de bescherming beperken van werken waarvan de auteurs op het ogenblik van de eerste publikatie van die werken onderdaan zijn van dat andere land en niet hun gewone verblijfplaats hebben in een van de landen van de Unie.Indien het land van eerste publikatie van deze bevoegdheid gebruik maakt, zijn de andere landen van de Unie niet gehouden aan de werken, die aldus aan een bijzondere behandeling zijn onderworpen, een ruimere bescherming toe te kennen dan die welke in het land van eerste publikatie wordt toegekend. 2. Geen krachtens het vorige lid opgelegde beperking zal de rechten mogen aantasten die een auteur mocht hebben verkregen op een werk dat is gepubliceerd in een land van de Unie voordat die beperking van kracht werd.3. De landen van de Unie die krachtens dit artikel de bescherming van de rechten van de auteurs beperken, moeten daarvan aan de Directeur-generaal van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (hierna te noemen de "Directeur-generaal") kennis geven door een schriftelijke verklaring, waarin moeten worden aangegeven de landen tegenover welke de bescherming wordt beperkt evenals de beperkingen waaraan de rechten van de tot die landen behorende auteurs zijn onderworpen.De Directeur-generaal zal die verklaring dadelijk ter kennis van alle landen van de Unie brengen. Art. 6bis. 1. Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten en zelfs na overdracht van die rechten behoudt de auteur het recht om het auteurschap van het werk op te eisen en om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, of tegen elke andere aantasting daarvan die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of zijn goede naam.2. De krachtens het eerste lid hierboven aan de auteur toegekende rechten worden na zijn dood gehandhaafd ten minste tot het vervallen van de vermogensrechten en uitgeoefend door de daartoe door de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen bevoegd verklaarde personen of instellingen.3. De landen, waarvan de wetgeving op het tijdstip van de bekrachtiging van deze Akte of van de toetreding daartoe geen bepalingen bevat die na de dood van de auteur de bescherming verzekeren van alle krachtens het eerste lid hierboven toegekende rechten, zijn evenwel bevoegd te bepalen dat enige van deze rechten niet gehandhaafd blijven na de dood van de auteur.4. De rechtsmiddelen ter handhaving van de in dit artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen. Art. 7. 1. De duur van de bescherming die door deze Conventie wordt toegekend, omvat het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood.2. Voor cinematografische werken hebben de landen van de Unie evenwel de bevoegdheid te bepalen dat de duur van de bescherming verstrijkt vijftig jaar nadat het werk met toestemming van de auteur voor het publiek toegankelijk is gemaakt of dat, bij gebreke van een zodanige gebeurtenis binnen vijftig jaar te rekenen van de vervaardiging van dat werk, de duur van de bescherming vijftig jaar na vervaardiging verstrijkt.3. Voor anonieme of pseudonieme werken verstrijkt de duur van de door deze Conventie toegekende bescherming vijftig jaar nadat het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.Wanneer evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat, is de beschermingsduur die welke is voorzien in het eerste lid. Indien de auteur van een anoniem of pseudoniem werk zijn identiteit tijdens het hierboven aangegeven tijdvak openbaart, is de toe te passen beschermingstermijn die welke is voorzien in het eerste lid. De landen van de Unie zijn niet gehouden de anonieme of pseudonieme werken te beschermen waarvan de auteur, naar men redelijkerwijze mag veronderstellen, sedert vijftig jaar dood is. 4. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de duur van de bescherming van de fotografische werken en werken van toegepaste kunst die als werken van kunst worden beschermd, te regelen;deze beschermingsduur mag echter niet korter zijn dan een periode van vijfentwintig jaar te rekenen van de vervaardiging van dat werk. 5. De beschermingstermijn na de dood van de auteur en de in het tweede, derde en vierde lid hierboven voorziene termijn nemen een aanvang op de datum van de dood of van de in deze leden bedoelde gebeurtenis, maar de duur van deze termijnen wordt slechts berekend met ingang van de eerste januari van het jaar volgend op de dood of die gebeurtenis.6. De landen van de Unie hebben de bevoegdheid een langere beschermingsduur toe te kennen dan die bedoeld in de voorgaande leden.7. De landen van de Unie die zijn gebonden door de Akte van Rome van deze Conventie en die in hun nationale wetgeving die van kracht is op het tijdstip van ondertekening van deze Akte, kortere termijnen toekennen dan die welke bedoeld zijn in de voorgaande leden, hebben de bevoegdheid deze bij toetreding tot of bekrachtiging van deze Akte te handhaven.8. In alle gevallen wordt de duur geregeld door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen;tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt, overschrijdt hij evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur. Art. 7bis. De bepalingen van het voorgaande artikel zijn eveneens van toepassing wanneer het auteursrecht gemeenschappelijk toebehoort aan de medewerkers aan een werk, met dien verstande dat de termijnen volgend op de dood van de auteur worden berekend vanaf de datum van overlijden van de auteur die het langst in leven gebleven is. Art. 8. De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijk werk het uitsluitend recht om vertalingen van hun werken te maken of daartoe toestemming te verlenen. Art. 9. 1. De door deze Conventie beschermde auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitende recht om toestemming te verlenen tot het verveelvoudigen van deze werken, ongeacht op welke wijze en in welke vorm.2. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden in bijzondere gevallen het verveelvoudigen van genoemde werken toe te staan, mits die verveelvoudiging geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk en de wettige belangen van de auteur niet op ongerechtvaardigde wijze schaadt;3. Geluids- of beeldopnamen worden beschouwd als een verveelvoudiging in de zin van deze Conventie. Art. 10. 1. Geoorloofd zijn aanhalingen uit een werk dat reeds op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, mits zij verenigbaar zijn met de goede gebruiken en voor zover door het doel gerechtvaardigd, zulks met inbegrip van aanhalingen uit artikelen in nieuwsbladen en tijdschriften in de vorm van persoverzichten.2. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie, alsmede aan de bijzondere overeenkomsten die tussen hen bestaan of gesloten zullen worden, voorbehouden het gebruik toe te staan, voor zover door het doel gerechtvaardigd, van werken van letterkunde of kunst als illustraties bij het onderricht dat wordt gegeven door middel van publikaties, in radio-uitzendingen of geluids- of beeldopnamen, mits een zodanig gebruik verenigbaar is met de goede gebruiken.3. Bij de aanhalingen en het gebruik bedoeld in de voorgaande leden moeten de bron en de naam van de auteur vermeld worden indien deze naam in de bron voorkomt. Art. 10bis. 1. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de verveelvoudiging door de pers, de uitzending door de radio of de overbrenging per draad aan het publiek van artikelen waarin actuele vragen van economie, politiek of godsdienst worden behandeld, en die zijn gepubliceerd in nieuwsbladen of tijdschriften, of van door de radio uitgezonden werken van dezelfde aard toe te staan in de gevallen waarin de verveelvoudiging, de radio-uitzending of de genoemde overbrenging niet uitdrukkelijk zijn voorbehouden.De bron moet echter altijd duidelijk zijn aangegeven; de sanctie op overtreding van deze verplichting wordt bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen. 2. Het is eveneens aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden te regelen waaronder ter gelegenheid van verslagen van actuele gebeurtenissen door middel van fotografie, cinematografie of langs de weg van radio-uitzending of overbrenging per draad aan het publiek, de werken van letterkunde of kunst gezien of gehoord tijdens de gebeurtenis, voor zover uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd, kunnen worden weergegeven en voor het publiek toegankelijk gemaakt. Art. 11. 1. Auteurs van toneelwerken, dramatisch-muzikale werken en muziekwerken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot : 1 de openbare opvoering en uitvoering van hun werken, met inbegrip van openbare opvoering en uitvoering met alle middelen of werkwijzen; 2 de openbare overbrenging met alle middelen van de opvoering en uitvoering van hun werken. 2. Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van toneelwerken of dramatisch-muzikale werken gedurende de gehele duur van hun rechten op hun oorspronkelijke werk ten aanzien van de vertaling van hun werken. Art. 11bis. 1. Auteurs van werken van letterkunde en kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot : 1 de radio-uitzending van hun werken of de openbare mededeling van deze werken door ieder ander middel dienend tot het draadloos verspreiden van tekens, geluiden of beelden; 2 elke openbare mededeling, hetzij met of zonder draad, van het door de radio uitgezonden werk, wanneer deze mededeling door een andere organisatie dan de oorspronkelijke geschiedt; 3 de openbare mededeling van het door de radio uitgezonden werk door een luidspreker of door ieder ander dergelijk instrument dat tekens, geluiden of beelden overbrengt. 2. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de voorwaarden vast te stellen tot uitoefening van de in het eerste lid bedoelde rechten, maar die voorwaarden hebben slechts een werking die uitsluitend beperkt blijft tot de landen die ze hebben vastgesteld. Zij kunnen in geen geval afbreuk doen aan het zedelijk recht op een billijke vergoeding die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld. 3. Tenzij anders is overeengekomen, is in een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel verleende toestemming niet begrepen de toestemming om het door de radio uitgezonden werk op te nemen door middel van instrumenten die geluiden of beelden vastleggen.Nochtans is het aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden een regeling vast te stellen voor kortstondige opnamen, die door een radiozendorganisatie met haar eigen middelen en voor haar eigen uitzendingen tot stand worden gebracht. Die wetgeving kan toestaan dat zulke opnamen uit hoofde van hun uitzonderlijk documentair karakter in officiële archieven worden bewaard. Art. 11ter. 1. Auteurs van letterkundige werken genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot : 1 de openbare voordracht van hun werken, met inbegrip van de openbare voordracht met alle middelen of werkwijzen; 2 De openbare overbrenging met alle middelen van de voordracht van hun werken. 2. Dezelfde rechten worden toegekend aan auteurs van letterkundige werken gedurende de gehele duur van hun rechten op het oorspronkelijke werk, ten aanzien van de vertaling van werken. Art. 12. Auteurs van werken van letterkunde of kunst genieten het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot bewerkingen, arrangementen en andere veranderingen van hun werken. Art. 13. 1. Ieder land van de Unie kan, voor zover het dit land zelf aangaat, voorbehouden en voorwaarden vaststellen met betrekking tot het uitsluitend recht van de auteur van een muziekwerk en van de auteur van de woorden, wanneer laatstgenoemde auteur reeds toestemming heeft verleend tot de opname van die woorden tezamen met het muziekwerk, om tot de geluidsopname van genoemd muziekwerk, eventueel met de woorden, toestemming te verlenen : de werking van alle voorbehouden en voorwaarden van dien aard zal evenwel strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft en zal in geen geval afbreuk kunnen doen aan het aan de auteur toekomend recht op een billijke vergoeding, die bij gebreke van een minnelijke schikking door het bevoegde gezag wordt vastgesteld.2. De opnamen van muziekwerken die in een land van de Unie zijn gemaakt overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de Conventies ondertekend te Rome op 2 juni 1928 en te Brussel op 26 juni 1948 zullen in dat land verveelvoudigd kunnen worden zonder de goedkeuring van de auteur van het muziekwerk tot het verstrijken van een periode van twee jaar te rekenen van de datum waarop genoemd land door deze Akte wordt gebonden.3. De opnamen die krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel zijn gemaakt, en zonder toestemming van de belanghebbenden zijn ingevoerd in een land waar zij niet geoorloofd zijn, kunnen daar in beslag worden genomen. Art. 14. 1. Auteurs van werken van letterkunde of kunst hebben het uitsluitend recht toestemming te verlenen tot : 1 de cinematografische bewerking en weergave van deze werken en het in omloop brengen van de aldus bewerkte of weergegeven werken; 2 de openbare opvoering en uitvoering en de overbrenging per draad aan het publiek van de aldus bewerkte of weergegeven werken. 2. De bewerking in iedere andere kunstvorm van films afgeleid van werken van letterkunde of kunst blijft, onverminderd de toestemming van de auteurs van die films, onderworpen aan de toestemming van de auteurs van de oorspronkelijke werken.3. De bepalingen van het eerste lid van artikel 13 zijn niet van toepassing. Art. 14bis. 1. Onverminderd de rechten van de auteur van elk werk dat is bewerkt of verveelvuldigd, wordt het cinematografische werk beschermd als een oorspronkelijk werk.De rechthebbende op het auteursrecht op het cinematografische werk geniet dezelfde rechten als de auteur van een oorspronkelijk werk waaronder de in het voorgaande artikel bedoelde rechten zijn begrepen. 2. a.Het is aan de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, voorbehouden te bepalen wie de rechthebbenden op het auteursrecht op het cinematografische werk zijn. b. In de landen van de Unie waar de wetgeving als rechthebbenden mede erkent de auteurs die bijdragen hebben geleverd aan de totstandkoming van het cinematografische werk, kunnen deze, wanneer zij zich verbonden hebben tot het leveren van die bijdragen, behoudens andersluidende of bijzondere bepalingen, zich evenwel niet verzetten tegen de verveelvoudiging, het in omloop brengen, de openbare opvoering en uitvoering, de overbrenging per draad aan het publiek, de radio-uitzending, de mededeling aan het publiek, het aanbrengen van ondertitels en het nasynchroniseren van de teksten van het cinematografische werk.c. De vraag of de hierboven bedoelde verbintenis voor de toepassing van het onder b bepaalde al dan niet moet zijn aangegaan in de vorm van een schriftelijk contract of een daaraan gelijkwaardig schriftelijk stuk, wordt geregeld door de wetgeving van het land van de Unie waar de producent van het cinematografische werk zijn zetel of zijn verblijfplaats heeft.Aan de wetgeving van het land van de Unie waar de bescherming wordt ingeroepen, is evenwel de bevoegdheid voorbehouden te bepalen dat deze verbintenis in een schriftelijk contract of in een daaraan gelijkwaardig schriftelijk stuk moet worden opgesteld. De landen die van deze bevoegdheid gebruik maken, moeten daarvan kennis geven aan de Directeur-generaal door een schriftelijke verklaring die door deze laatste onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie wordt gebracht. d. Onder "andersluidende of bijzondere bepalingen" dient te worden verstaan elke beperkende voorwaarde die aan genoemde verbintenis kan worden verbonden.3. Tenzij de nationale wetgeving anders bepaalt, zijn de bepalingen van het tweede lid, onder b, niet van toepassing op auteurs van scenario's, dialogen en muziekwerken die zijn gemaakt voor het tot stand brengen van het cinematografische werk noch op degene die bij het tot stand brengen daarvan de leiding heeft.De landen van de Unie waarvan de wetgeving evenwel geen bepalingen bevat waarbij wordt voorzien in de toepassing van het tweede lid, onder b, op degene die bij het tot stand brengen van de film de leiding heeft, moeten daarvan kennis geven aan de Directeur-generaal door een schriftelijke verklaring die door de laatste onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie wordt gebracht. Art. 14ter. 1. Wat oorspronkelijke kunstwerken en oorspronkelijke handschriften van schrijvers en componisten betreft, geniet de auteur - of, na zijn dood, de door de nationale wetgeving aangewezen personen of instellingen - het onvervreemdbaar recht op een geldelijk voordeel bij elke verkooptransactie van het werk na de eerste overdracht door de auteur.2. De in het voorgaande lid voorziene bescherming kan in ieder land van de Unie slechts worden ingeroepen indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het land waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toestaat.3. De wijze van inning en de hoogte van de bedragen worden door elke nationale wetgeving bepaald. Art. 15. 1. Opdat de auteurs van de door deze Conventie beschermde werken van letterkunde en kunst, behoudens bewijs van het tegendeel, als zodanig worden beschouwd en zij bijgevolg voor de rechter van de landen van de Unie worden toegelaten om vervolging wegens inbreuk in te stellen, is het voldoende dat de naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat.Dit lid is van toepassing, zelfs indien deze naam een schuilnaam is, zodra de door de auteur aangenomen schuilnaam geen twijfel laat ten aanzien van zijn identiteit. 2. Als vervaardiger van een cinematografisch werk wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, beschouwd de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens naam op de gebruikelijke wijze op het genoemde werk vermeld staat.3. Voor anonieme werken en voor andere dan de hierboven in het eerste lid bedoelde pseudonieme werken wordt de uitgever wiens naam op het werk is aangegeven, zonder verder bewijs geacht de auteur te vertegenwoordigen;in deze hoedanigheid is hij gerechtigd diens rechten te beschermen en te doen gelden. De bepaling van dit lid houdt op van toepassing te zijn wanneer de auteur zijn indentiteit heeft onthuld en zijn hoedanigheid heeft aangetoond. 4. a.Voor niet-gepubliceerde werken waarvan de identiteit van de auteur onbekend is, maar waarvoor alle reden is om aan te nemen dat deze auteur onderdaan van een land van de Unie is, is het aan de wetgeving van dat land voorbehouden de bevoegde autoriteit aan te wijzen die deze auteur vertegenwoordigt en gerechtigd is diens rechten te beschermen en te doen gelden in de landen van de Unie. b. De landen van de Unie die krachtens deze bepaling tot een zodanige aanwijzing overgaan, geven daarvan kennis aan de Directeur-generaal door een schriftelijke verklaring waarin alle gegevens betreffende de aldus aangewezen autoriteit zijn vermeld.De Directeur-generaal brengt deze verklaring onmiddellijk ter kennis van alle andere landen van de Unie. Art. 16. 1. Elk afschrift van een werk waardoor inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht, kan in de landen van de Unie waar het oorspronkelijke werk wettelijke bescherming geniet, in beslag worden genomen.2. De bepalingen van het voorgaande lid zijn eveneens van toepassing op exemplaren die afkomstig zijn uit een land waar het werk niet of niet meer beschermd wordt.3. Het beslag wordt gelegd overeenkomstig de wetgeving van elk land. Art. 17. De bepalingen van deze Conventie kunnen in geen enkel opzicht afbreuk doen aan het recht van de Regering van elk land van de Unie om door maatregelen van wetgeving of bestuur de verspreiding, opvoering of tentoonstelling van elk werk of voortbrengsel ten aanzien waarvan het bevoegde gezag dat recht meent te moeten uitoefenen, toe te staan, onder toezicht te stellen of te verbieden. Art. 18. 1. Deze Conventie is van toepassing op alle werken die op het ogenblik van haar inwerkingtreding nog niet gemeengoed zijn geworden in het land van oorsprong ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur.2. Indien echter een werk ten gevolge van het verstrijken van de beschermingsduur die daaraan vroeger was toegekend, gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt ingeroepen, zal het daar niet opnieuw worden beschermd.3. De toepassing van dit beginsel geschiedt overeenkomstig de bepalingen vervat in reeds bestaande of te dien einde tussen landen van de Unie te sluiten bijzondere verdragen.Bij gebreke van dergelijke bepalingen regelen de onderscheiden landen, ieder voor zover het hem aangaat, de wijze van toepassing van dit beginsel. 4. De voorgaande bepalingen zijn eveneens van toepassing in geval van nieuwe toetredingen tot de Unie en in gevallen waarin de bescherming wordt uitgebreid door toepassing van artikel 7 of door het prijsgeven van voorbehouden. Art. 19. De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming, die door de wetgeving van een van de landen van de Unie mocht zijn voorgeschreven. Art. 20. De Regeringen van de landen van de Unie behouden zich het recht voor onderling bijzondere schikkingen te treffen, voor zover deze aan de auteurs ruimere rechten toekennen dan die door de Conventie toegekend, of andere bepalingen bevatten die niet in strijd zijn met deze Conventie. De bepalinge …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.