📄 Wettekst
23 JANUARI 2012. - Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied
VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied van 13 augustus 2011, hierna "de wet" genoemd, heeft tot doel de nieuwe regels vast te stellen die ter zake toepasselijk zijn en te voorzien in de omzetting van Richtlijn 2009/81/EG. Dit ontwerp van koninklijk besluit geeft uitvoering aan de wet wat betreft de plaatsing van overheidsopdrachten en opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied die onder het toepassingsgebied ervan vallen. Dit ontwerp bevat noch de bepalingen inzake de rechtsbescherming (motivatie, informatie en rechtsmiddelen), noch de bepalingen betreffende de bevoegdheidsdelegaties en sommige toezichtmaatregelen voor de overheidsopdracht op federaal niveau. Wat betreft de algemene uitvoeringsregels wordt, in afwachting van de nieuwe regels ter zake, het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken toepasselijk gemaakt, met uitzondering van een aantal bepalingen die, al dan niet in gewijzigde vorm, naar dit ontwerp zijn overgeheveld.
Alhoewel dit ontwerpbesluit een nieuwe regeling invoert op basis van Richtlijn 2009/81/EG, zijn sommige bepalingen ervan identiek aan of vergelijkbaar met de regels die vandaag gelden voor de reguliere opdrachten en die met name zijn vervat in het
koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
09/07/2001
pub.
29/09/2001
numac
2001011298
bron
ministerie van economische zaken
Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten
sluiten5 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten en het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken. Deze bepalingen worden hier en daar, mede onder impuls van de nieuwe regels vervat in het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, evenwel aangepast en gepreciseerd, zoals vermeld in het Verslag aan de Koning.
Om de commentaar niet te verzwaren, is ervoor geopteerd geen inhoudelijke opsomming te geven van de verschillende bepalingen maar vooral toe te lichten in welke mate de hier vermelde regels afwijken van de voormelde reglementering, hierna huidige reglementering genoemd.
Verder wordt erop gewezen dat met het woord « of » in dit ontwerp « en/of » wordt bedoeld.
Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen, met name de definities van in het besluit begrippen termen, alsook bepalingen betreffende het toepassingsgebied, de marktverkenning, de communicatiemiddelen, de technische specificaties, de gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid, de varianten en de opties, bepaalde prijsmodaliteiten en het verbod inzake belangenvermenging en afspraken.
Hoofdstuk 2 is gewijd aan de regels omtrent de raming van het bedrag van de opdracht.
Hoofdstuk 3 groepeert alle bepalingen inzake bekendmaking.
Hoofdstuk 4 omvat de regels inzake de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes.
Hoofdstuk 5 omvat de voorschriften inzake toegangsrecht en kwalitatieve selectie.
Hoofdstuk 6 is gewijd aan de gunning van opdrachten bij aanbesteding en offerteaanvraag.
Hoofdstuk 7 behandelt de gunning bij onderhandelingsprocedure.
Hoofdstuk 8 omvat de bepalingen betreffende de gunning bij concurrentiedialoog.
Hoofdstuk 9 groepeert de voorschriften betreffende de specifieke en aanvullende opdrachten en procedures, namelijk de promotieopdracht van werken, de elektronische veiling, de raamovereenkomst et de werkenwedstrijd.
Hoofdstuk 10 behandelt de regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming.
Hoofdstuk 11 behandelt de algemene uitvoeringsregels.
Hoofdstuk 12 betreft de opdrachten geplaatst door aanbestedende entiteiten.
Hoofdstuk 13 bevat de wijzigende en de slotbepalingen.
De structuur van dit ontwerp is zo opgevat dat de hoofdstukken 1 tot 5, 8 en 9 tot 11 in de regel toepasselijk zijn op alle overheidsopdrachten en gunningsprocedures, tenzij de wet of dit ontwerp voor een bepaalde opdracht of procedure in een andersluidende regeling beschikken.
Voor een overzicht van de artikelen wordt verwezen naar de onderstaande inhoudsopgave.
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Inleidende bepaling . . . . . Art. 1
Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde
waarde . . . . . Art. 2 en 3 Afdeling 3. - Toepassingsgebied . . . . . Art. 4
Afdeling 4. - Marktverkenning . . . . . Art. 5
Afdeling 5. - Communicatiemiddelen . . . . . Art. 6
Afdeling 6. - Technische specificaties en normen . . . . . Art. 7 en 8
Afdeling 7. - Vertrouwelijkheid, gegevensbeveiliging en
bevoorradingszekerheid . . . . . Art. 9 en 10 Afdeling 8. - Varianten, opties en percelen . . . . . Art. 11 tot 13
Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening
. . . . . Art. 14 tot 21 Afdeling 10. - Prijsonderzoek . . . . . Art. 22
Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken . . . . . Art. 23 en 24
HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag . . . . . Art. 25 tot 29 HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels . . . . . Art. 30 tot 32
Afdeling 2. - Europese drempels . . . . . Art. 33 en 34
Afdeling 3. - Europese bekendmaking . . . . . Art. 35 tot 39
Afdeling 4. - Belgische bekendmaking . . . . . Art. 40 tot 42
HOOFDSTUK 4. - Indiening aanvragen tot deelneming en offertes Afdeling 1. - Termijnen B Algemene bepalingen . . . . . Art. 43 tot 46
Afdeling 2. - Termijnen bij Europese bekendmaking . . . . . Art. 47 en
48 Afdeling 3. - Termijnen bij Belgische bekendmaking . . . . . Art. 49
tot 51 Afdeling 4. - Uitnodiging geselecteerden tot indiening offerte . . . .
. . . . . . Art. 52 Afdeling 5. - Indieningsrecht en -wijze aanvragen tot deelneming en
offertes . . . . . Art. 53 tot 58 Afdeling 6. - Verbintenistermijn . . . . . Art. 59
HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling 1. - Algemene bepalingen . . . . . Art. 60 tot 62
Afdeling 2. - Toegangsrecht . . . . . Art. 63 tot 68
Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie . . . . . Art. 69 tot 84
HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte . . . . . Art. 85
tot 87 Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris . . . . . Art. 88
en 89 Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten . . . . . Art. 90 tot
92 Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen . . . . . Art. 93 en 94
Afdeling 5. - Indiening offertes . . . . . Art. 95 en 96
Afdeling 6. - Opening offertes . . . . . Art. 97 tot 99
Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes . . . . . Art. 100
tot 104 Afdeling 8. - Gunning opdracht . . . . . Art. 105 en 106
Afdeling 9. - Sluiting opdracht . . . . . Art. 107 tot 109
HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure Afdeling 1. - Specifieke drempels . . . . . Art. 110
Afdeling 2. - Verloop en sluiting . . . . . Art. 111 tot 115
HOOFDSTUK 8. - Gunning bij concurrentiedialoog . . . . . Art. 116 tot 119 HOOFDSTUK 9. - Specifieke en aanvullende opdrachten en procedures Afdeling 1. - Promotieopdracht van werken
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen . . . . . Art. 120 tot 122 Onderafdeling 2. - Opdrachtdocumenten . . . . . Art. 123 tot 129 Afdeling 2. - Elektronische veiling . . . . . Art. 130 tot 135
Afdeling 3. - Raamovereenkomst . . . . . Art. 136 tot 138
Afdeling 4. - Werkenwedstrijd . . . . . Art. 139
HOOFDSTUK 1 0. - Regels die van toepassing zijn op de opdrachten in onderaanneming Afdeling 1. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en
opdrachtnemers die geen aanbestedende overheden zijn . . . . . . . . . . Art. 140 tot 147 Afdeling 2. - Opdrachten in onderaanneming gegund door inschrijvers en
opdrachtnemers die aanbestedende overheden zijn . . . . . . . . . .
Art. 148 Afdeling 3. - Aansprakelijkheid van de opdrachtnemer . . . . . Art.
149 HOOFDSTUK 1 1. - Algemene uitvoeringsregels . . . . . Art 150 HOOFDSTUK 1 2. - Opdrachten gesloten door aanbestedende entiteiten . . . . . Art. 151 en 152 HOOFDSTUK 1 3. - Wijzigende en slotbepalingen . . . . . . . . . . Art. 153 tot 156 In dit ontwerp is grotendeels gevolg gegeven aan de opmerkingen geformuleerd door de Raad van State in zijn advies 50.137/1/V van 29 juli 2011.
Wat betreft de opmerkingen van de Raad van State waaraan geen gevolg is gegeven, worden in de commentaar bij de artikelen in kwestie telkens de beweegredenen daarvoor uiteengezet.
Aangaande de algemene opmerking van de Raad van State met betrekking tot de terminologie, inzonderheid wat betreft het gebruik van de noties "plaatsing", "gunning" en "sluiting" (zie punt 8 van het advies), kan worden herinnerd aan de antwoorden die werden geformuleerd op enkele analoge opmerkingen van de Raad betreffende een ontwerp van wet tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006, dat heeft geleid tot één van twee wijzigende wetten van 5 augustus 2011 (Belgisch Staatsblad, 29 augustus 2011; zie Memorie van toelichting, doc. 53.1590/001, Kamer van volksvertegenwoordigers, blz. 3-4) : -in de eerste plaats wordt erop gewezen dat wat betreft het gebruik van de begrippen "plaatsing", "gunning" en "sluiting" in de Nederlandse tekst en de overeenkomstige noties "passation", "attribution" en "conclusion" in de Franse tekst, dezelfde logica is gevolgd als in de voormelde gewijzigde
wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/06/2006
pub.
15/02/2007
numac
2006021341
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten
type
wet
prom.
15/06/2006
pub.
05/02/2008
numac
2008000051
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. - Duitse vertaling
sluiten. Bijgevolg is er ook in deze tekst voor geopteerd de bedoelde begrippenopdeling niet door te trekken naar de benaming van de procedures. Immers de noties "gunningsprocedure" en "gunningswijze" zijn niet alleen sterk ingeburgerd, maar de koppeling van de noties "gunning" en "procedure" is ook verdedigbaar vanuit de optiek dat de verschillen tussen de procedures net liggen in de manier waarop de beslissing over de keuze van de offerte zal gebeuren, waarmee dus wordt verwezen naar de gunning van de opdracht; - in de tweede plaats is ook deze keer geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om in het ontwerp een omschrijving van de notie "plaatsing" op te nemen. In tegenstelling tot wat geldt voor de noties "gunning" en "sluiting" zijn aan de notie "plaatsing" in dit ontwerp immers geen specifieke juridische gevolgen verbonden, maar dient deze notie in de algemene betekenis van het woord te worden begrepen. Zodoende verwijst het eerder naar de procedurele aspecten van een overheidsopdracht. Overigens wordt het begrip "plaatsing" in de Europese Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG eveneens gebruikt zonder dat hiervoor een definitie wordt gegeven. HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Inleidende bepaling
Artikel 1.Artikel 1 verwijst naar Richtlijn 2009/81/EG van 13 juli 2009. Het ontwerp zorgt voor de gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn. Afdeling 2. - Definities en toepassing belasting over de toegevoegde
waarde Art. 2.Dit artikel bevat de definities van in de wet en in dit ontwerp van koninklijk besluit gebruikte begrippen.
Het in de bepaling onder 3° omschreven begrip "opdracht" omvat alle soorten overheidsopdrachten, opdrachten, overeenkomsten en wedstrijden als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet. Deze definitie heeft tot doel herhaalde opsommingen te vermijden die de tekst nodeloos zouden verzwaren.
De bepaling onder 4° handelt over een nieuwe vorm van onderhandelingsprocedure met bekendmaking, de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Deze vorm voldoet aan de definitie van artikel 3, 8°, van de wet. Het gaat dus niet om een nieuwe procedure.
Kenmerkend is dat bij de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking verificatie van het toegangsrecht, kwalitatieve selectie en onderzoek van de inhoud van de offertes in een enkele fase gebeuren. Deze procedure, die is ingevoerd in het raam van de administratieve vereenvoudiging, is op dat vlak vergelijkbaar met de open procedure, in die zin dat de geïnteresseerden onmiddellijk een offerte indienen. In tegenstelling tot bij de open procedure is bij de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking, zoals overigens bij alle andere vormen van onderhandelingsprocedure, evenwel geen zitting voor de opening van de offertes vereist en mag er tevens worden onderhandeld.
De vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking is op zich niet vermeld in Richtlijn 2009/81/EG. Het gebruik ervan is dan ook slechts toegestaan voor de opdrachten die de Europese drempels vermeld in artikel 33 niet bereiken.
Het gevolg van haar specifieke vorm, en met name het feit dat ze één enkele fase omvat, is bovendien dat niet alle bepalingen van dit ontwerp die handelen over de onderhandelingsprocedure met bekendmaking zonder meer op haar kunnen worden toegepast. Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar van hoofdstuk 7.
De bepalingen onder 5° tot 8° definiëren de verschillende vormen inzake prijsvaststelling die de opdrachten kunnen aannemen. Ze hernemen op een meer nauwkeurige wijze de bepalingen die zijn vervat in de huidige reglementering.
De bepaling onder 5° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een opdracht tegen globale prijs. De draagwijdte ervan wordt niet gewijzigd.
De bepaling onder 6° definieert de opdracht tegen prijslijst. De tekst van de huidige reglementering gaat niet nader in op de vermelding van de hoeveelheden die vermoedelijk zijn of uitgedrukt worden binnen een vork. Deze verduidelijking is evenwel belangrijk omdat ze de inschrijvers de mogelijkheid biedt de prijs met kennis van zaken vast te stellen, vooral in de gevallen waarin de bestelde hoeveelheden sterk kunnen variëren.
Deze posten worden verrekend op basis van de werkelijk bestelde en gebruikte hoeveelheden. De precisering "bestelde" heeft tot doel te vermijden dat de opdrachtnemers meer zouden presteren en factureren dan wat volgens de bestelling was voorzien.
De bepaling onder 7° neemt de definitie van de opdracht tegen terugbetaling over die inhoudelijk niet wordt gewijzigd. De formulering "als winst toe te passen verhogingen" is evenwel vervangen door de term "verhogingen" die een ruimere draagwijdte heeft. De verhogingen omvatten niet enkel de winst, maar kunnen ook de administratiekosten, de bouwplaatskosten of andere algemene kosten omvatten.
De bepaling onder 8° neemt de definitie van de gemengde opdracht ongewijzigd over.
De bepalingen onder 9° en 10° definiëren de samenvattende opmeting en inventaris.
De bepaling onder 11° verduidelijkt wat wordt bedoeld met een variante. In Richtlijn 2009/81/EG is dit begrip niet gedefinieerd.
Deze verduidelijking bleek evenwel nuttig teneinde het onderscheid te kunnen maken met de optie. De variante vormt een alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze die hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver, wordt ingediend. Deze alternatieve conceptie- of uitvoeringswijze heeft betrekking op het geheel of een deel van de opdracht, dat altijd noodzakelijk is voor de uitvoering ervan. Bijvoorbeeld, voor een voertuig : een benzinemotor, met een variante die een dieselmotor aanbiedt; voor vensters : ramen in PVC met een variante voor ramen in aluminium.
Onder financiële varianten worden varianten verstaan die ofwel passen in het kader van een opdracht voor financiële diensten, ofwel in het kader van de bepalingen betreffende de financiering van andere opdrachten, in het bijzonder van een promotieopdracht van werken. Het spreekt vanzelf dat deze varianten in aanmerking kunnen worden genomen. Daarentegen kan de indiening van twee prijzen voor hetzelfde voorwerp van een opdracht zonder verdere specificering niet als een louter financiële variante worden beschouwd.
De bepaling onder 12° definieert het begrip "optie". Het gaat om een niet gedefinieerd begrip uit Richtlijn 2009/81/EG. De optie is een bijkomend element ten opzichte van het basisproject dat niet strikt noodzakelijk en bijkomstig is voor de uitvoering van de opdracht, dat wordt ingediend hetzij op verzoek van de aanbestedende overheid, hetzij op initiatief van de inschrijver. Het gaat bijvoorbeeld, voor een voertuig : om de levering van een trekhaak; bij een opdracht voor werken, om de aanleg van een bijkomende kelder voor een gebouw. De optie vormt geen voorwaardelijk gedeelte in de zin van artikel 33, § 1, van de wet.
De bepalingen onder 13° tot 18° definiëren de technische specificaties, de norm, de defensienorm, de Europese technische goedkeuring, de gemeenschappelijke technische specificaties en het technisch referentiekader. Deze begrippen zijn terug te vinden in bijlage III van Richtlijn 2009/81/EG. Deze definities blijven ongewijzigd ten opzichte van deze vermeld in de huidige reglementering, mits de toevoeging van de definitie van de defensienorm.
De bepaling onder 19° verwijst naar uitvoeringsverordening (UE) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1564/2005. Deze bepaalt de toepasselijke modellen van aankondiging voor de opdrachten op Europees niveau. Er wordt dienaangaande verwezen naar de commentaar van artikel 30. Art. 3.Artikel 3 bepaalt dat elk bedrag vermeld in het ontwerp steeds zonder belasting over de toegevoegde waarde is. Deze verduidelijking strekt ertoe de tekst van het besluit niet nodeloos te verzwaren. Afdeling 3. - Toepassingsgebied
Art. 4.Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van dit ontwerp dat betrekking heeft op de opdrachten die onder titel 2 van de
wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
09/07/2001
pub.
29/09/2001
numac
2001011298
bron
ministerie van economische zaken
Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten
sluiten1 vallen alsook, binnen de perken van artikel 151, op de opdrachten die onder titel 3 van dezelfde wet vallen. Afdeling 4. - Marktverkenning
Art. 5.Artikel 5 van het ontwerp dat een marktverkenning toelaat, vormt een nieuwe bepaling waarvan het principe vermeld is in de overweging 49 van Richtlijn 2009/81/EG. Deze bepaling erkent de geldigheid van de praktijk waarbij de aanbestedende overheden de evolutie van de producten en technieken op de markt volgen.
Deze marktverkenning moet plaatsvinden vóór het uitschrijven van de gunningsprocedure en mag ook niet leiden tot enige vorm van vooronderhandelingen met bepaalde ondernemingen.
Een dergelijke marktverkenning mag bovendien niet tot een verhindering of vertekening van de mededinging leiden, wat met name het geval kan zijn indien de technische specificaties van een overheidsopdracht een fabrikaat of een techniek zouden vermelden welke specifiek in de richting van een bepaalde onderneming zou wijzen, wat in strijd zou zijn met artikel 8, § 2, eerste lid, van het ontwerp. Afdeling 5. - Communicatiemiddelen
Art. 6.Artikel 6 zorgt voor de gedeeltelijke uitvoering van artikel 11 van de wet dat betrekking heeft op de communicatiemiddelen. Deze bepaling moet tevens in verband worden gebracht met de definities van schriftelijk stuk en elektronisch middel vervat in de wet, alsook met de bepalingen van artikel 54 betreffende het gebruik van elektronische middelen voor het indienen van aanvragen tot deelneming of offertes.
Artikel 6, § 1, bepaalt net zoals artikel 36.3 van Richtlijn 2009/81/EG dat, ongeacht of elektronische middelen worden gebruikt, de mededeling, uitwisseling en opslag van informatie zodanig moeten plaatsvinden dat de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de offertes en van de aanvragen tot deelneming gewaarborgd worden en dat de aanbestedende overheid pas bij het verstrijken van de voorziene termijn kennisneemt van de inhoud ervan.
Paragraaf 2 van artikel 6 bepaalt vervolgens het gevolg dat moet worden gegeven aan een schriftelijk stuk dat met elektronische middelen is opgesteld en dat in de ontvangen versie een macro, een computervirus of een andere schadelijke instructie vertoont.
Het is mogelijk dat de ontvangen versie door de bestemmeling in een veiligheidsarchief wordt opgenomen. Indien zulks technisch noodzakelijk is, wordt het document als niet ontvangen beschouwd en wordt de afzender van het schriftelijk stuk hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. De bestemmeling kan eveneens beslissen het bewuste document te aanvaarden, indien hij meent het zonder risico te kunnen lezen of desinfecteren, teneinde niet enkel zijn computersysteem, maar ook de integriteit van dat document te vrijwaren. De bestemmeling die een dergelijke verrichting overweegt, moet zich ervan vergewissen dat hierdoor de inhoud van het document niet zal worden gewijzigd. De bevoegde overheid is verantwoordelijk voor de eindbeslissing en moet erop toezien dat het gelijkheidsbeginsel wordt nageleefd.
Indien het document een aanvraag tot deelneming of een offerte is, is de aanpak evenwel anders. Indien zulks technisch noodzakelijk is, kan de aanvraag tot deelneming of de offerte geweerd worden. De selectie- of de gunningsbeslissing, al naargelang, moet de verwerping motiveren.
Wanneer het ontvangstsysteem van de offertes de macro of de infectie ontdekt, mag de aanbestedende overheid de kandidaat of inschrijver hiervan niet onmiddellijk in kennis stellen. De kandidaten of inschrijvers in kwestie mogen immers niet de kans krijgen om alsnog een schriftelijk stuk in te dienen dat aan de voorschriften voldoet en hun kandidatuur of offerte te regulariseren, aangezien de gelijke behandeling van de concurrenten die een papieren gegevensdrager of klassieke transmissietechnieken gebruiken, hierdoor in het gedrang zou komen. De informatie zal gebeuren volgens de op dat vlak toepasselijke bepalingen.
Paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid het gebruik van elektronische middelen kan toestaan voor de verzending van andere schriftelijke stukken dan de aanvragen tot deelneming of de offertes, zoals bijvoorbeeld verduidelijkingen, prijsverantwoordingen. Dezelfde regel is toepasselijk voor de kandidaten of inschrijvers. Het tweede lid van paragraaf 3 voegt hieraan toe dat wanneer een bepaling van het besluit vermeldt dat een verzending aangetekend moet plaatsvinden of worden bevestigd, die aangetekende verzending een bewijs moet leveren van de volgende elementen : - de identiteit van afzender en ontvanger; - het feit van de verzending van een bericht evenals de datum en het tijdstip van verzending; - de ontvangst van het bericht door de bestemmeling en de datum en het tijdstip van ontvangst; - de inhoud van het bericht in het geval van een elektronische aangetekende zending. Afdeling 6. - Technische specificaties en normen
Art. 7.Dit artikel heeft betrekking op de technische specificaties als bedoeld in artikel 40 van de wet en met name ook in bijlage III van Richtlijn 2009/81/EG. Artikel 2, 13° tot 18°, van dit ontwerp bevat een definitie van deze specificaties.
Paragraaf 1 van artikel 7 bepaalt dat de aanbestedende overheid de technische specificaties opneemt in de opdrachtdocumenten.
De paragrafen 2 tot 5 behandelen de technische specificaties, het aantonen van de overeenstemming met de voorschriften van de technische specificaties, naargelang ze werden aangegeven door verwijzing naar normen of functionele eisen, en het voorschrijven van milieukenmerken.
De overweging 38 van de richtlijn luidt als volgt : "De door de aanbestedende diensten opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van opdrachten voor mededinging mogelijk maken. Daartoe moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van de technische oplossingen tot uiting komt. Te dien einde moeten enerzijds de technische eisen kunnen worden opgesteld in termen van prestaties en functionele specificaties. Anderzijds moeten, bij verwijzing naar de Europese norm of naar internationale of nationale normen, met inbegrip van normen eigen aan de defensiesector, op andere gelijkwaardige oplossingen gebaseerde inschrijvingen door de aanbestedende dienst in overweging worden genomen. Deze gelijkwaardigheid kan met name worden beoordeeld op basis van de eisen inzake interoperabiliteit en operationele doeltreffendheid. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen, moeten de inschrijvers elk bewijsmiddel kunnen gebruiken. Aanbestedende diensten moeten iedere beslissing dat er geen sprake is van gelijkwaardigheid, kunnen motiveren. Daarnaast bestaan er internationale normalisatieovereenkomsten die erop gericht zijn de interoperabiliteit van de strijdkrachten te garanderen en die in de lidstaten kracht van wet kunnen hebben. Ingeval een van deze overeenkomsten van toepassing is, mogen de aanbestedende diensten eisen dat de inschrijvingen aan de in die overeenkomst vervatte normen voldoen. De technische specificaties moeten duidelijk worden aangegeven, zodat alle inschrijvers weten waarop de door de aanbestedende dienst gestelde eisen betrekking hebben." Art. 8.Paragraaf 1 van dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 18. 2, van Richtlijn 2009/81/EG dat herinnert aan het principe dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang moeten bieden en niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen voor de mededinging mogen leiden.
Paragraaf 2 zorgt voor de omzetting van artikel 18. 8, van Richtlijn 2009/81/EG. Deze bepaling verbiedt de invoering van technische specificaties die producten vermelden van een bepaald fabrikaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze, of die verwijzen naar een merk, een octrooi, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie waardoor bepaalde ondernemingen kunnen worden bevoordeeld of geëlimineerd. Een dergelijke verwijzing is slechts uitzonderlijk toegestaan, hetzij wanneer het voorwerp van de opdracht dit rechtvaardigt (bijvoorbeeld voor de aankoop van wisselstukken die, om technische redenen, van een bepaald merk moeten zijn of in geval van een wereldmonopolie), hetzij wanneer een voldoende nauwkeurige en duidelijke beschrijving van het voorwerp van de opdracht conform artikel 7, niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden « of gelijkwaardig » (cf. in dat verband het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 januari 1995, zaak C-359/93, Commissie van de Europese Gemeenschappen versus Koninkrijk der Nederlanden en de beschikking van het Hof van 3 december 2001, zaak C-59/00, Bent Mousten Vestergaard versus SpOttrup Boligslkab).
In dit verband kan ook worden verwezen naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 23 juni 2004 betreffende het verbod om in de bepalingen van een opdracht technische specificaties op te nemen die het gewone verloop van de mededinging beperken of uitsluiten (Belgisch Staatsblad van 25 juni 2004) alsook naar de omzendbrief van de Eerste Minister van 8 december 2006 betreffende de technische specificaties van microprocessoren in het kader van federale informaticaopdrachten (Belgisch Staatsblad van 15 december 2006). Afdeling 7. - Gegevensbeveiliging en bevoorradingszekerheid
Art. 9.Deze bepaling voorziet in de omzetting van artikel 22 van Richtlijn 2009/18/EG, betreffende de gegevensbeveiliging voor de opdrachten die betrekking hebben op geclassificeerde informatie of die dergelijke informatie vereisen of bevatten.
Deze geclassificeerde informatie kan bestaan alvorens de opdracht wordt uitgevoerd, wanneer de aanbestedende overheid deze informatie moet mededelen aan de inschrijvers in het stadium van de gunningsprocedure of aan de opdrachtnemer in het stadium van de uitvoering van de opdracht. Geclassificeerde informatie mag evenwel slechts openbaar worden gemaakt in de loop van de uitvoering van de opdracht, bijvoorbeeld wanneer het voorwerp van de opdracht betrekking heeft op de ontwikkeling van een informaticaprogramma voor het beheer van een databank betreffende deze informatie, die vervolgens zou worden gevoed door de aanbestedende overheid en waarvan de opdrachtnemer het onderhoud zou uitvoeren.
Overweging 42 van de richtlijn bepaalt met name dat de uitvoeringsvoorwaarden van een opdracht door de aanbestedende overheid gestelde eisen kunnen bevatten en dat deze eisen bijzonder belangrijk zijn gezien het gevoelige karakter van het onder de richtlijn vallende materiaal.
Overweging 43 voegt hieraan het volgende toe : "om de veiligheid van gegevens te garanderen mogen de aanbestedende diensten met name toezeggingen eisen zowel van aannemers als van onderaannemers dat gerubriceerde gegevens tegen toegang door onbevoegden zullen worden beschermd, alsmede voldoende informatie over hun capaciteit op dit gebied. Bij gebrek aan een communautaire regeling inzake gegevenbeveiliging is het aan de aanbestedende diensten of de lidstaten om eisen op dit gebied vast te stellen, met inachtneming van hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en te bepalen of zij overeenkomstig de nationale wet van een andere lidstaat afgegeven betrouwbaarheidsverklaringen beschouwen als evenwaardig met degene die door hun eigen bevoegde autoriteiten worden afgegeven." Art. 10.Deze bepaling voorziet in de omzetting van artikel 23 van Richtlijn 2009/81/EG, betreffende de invoering van een niet-exhaustieve lijst van mogelijke eisen inzake bevoorradingszekerheid waaraan de offerte dient te voldoen.
Overweging 42 van de richtlijn, vermeld in de commentaar bij artikel 9, bepaalt dat de eisen ter zake ook belangrijk zijn en betrekking hebben op de gehele bevoorradingsketen.
Overweging 44 voegt hieraan het volgende toe : "Bevoorradingszekerheid kan een grote diversiteit van vereisten inhouden, met inbegrip van bijvoorbeeld de interne regels die gelden tussen moeder- en dochteronderneming op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten, de beschikbaarheid van kritieke onderhouds- en revisiecapaciteit om de ondersteuning van aangekocht materiaal gedurende de hele levenscyclus ervan te garanderen." Bevoorradingszekerheid kan omschreven worden als de garantie die een aanbestedende overheid moet hebben om over voldoende goederen en diensten te beschikken om haar taken te vervullen en haar verplichtingen na te komen op het vlak van defensie en veiligheid.
Deze zekerheid is vooral van cruciaal belang in geval van crisissituaties. In de praktijk is het echter erg moeilijk gebleken voor opdrachtnemers om te allen tijde deze zekerheid te voorzien omwille van de doorgaans lange levenscyclus van, voornamelijk, militair materiaal dat gedurende vele jaren onderhoud, upgrades, modernisaties, logistieke steun,... vereist.
Dit kan betekenen dat in bepaalde, behoorlijk gemotiveerde gevallen, de bevoorradingszekerheid op zich het voorwerp van een opdracht kan uitmaken. Zo is het mogelijk dat een aanbestedende overheid, naast een (hoofd)leverancier van bv. munitie, op zoek gaat naar een tweede leverancier (reserve) voor hetzelfde product om tot voldoende bevoorradingszekerheid te komen. Uiteraard mag de eerste (hoofd)leverancier in dat geval niet deelnemen aan die procedure.
De bepaling onder 3° voorziet erin dat een aanbestedende overheid tot uitsluiting kan overgaan in geval zij oordeelt dat een kandidaat of inschrijver wellicht onvoldoende bevoorradingszekerheid kan garanderen, rekening houdende met de locatie en de organisatie van de bevoorradingsketen. Elke beslissing dienaangaande dient uiteraard gemotiveerd te worden (op basis van afstand en benodigde leveringstijd) en dient rekening te houden met de specifieke kenmerken en omstandigheden van iedere individuele opdracht.
Ook op het vlak van uitvoerlicenties, die uiteraard erg belangrijk zijn om voldoende bevoorrading te kunnen garanderen, kunnen bepaalde eisen worden gesteld om na te gaan of inschrijvers de nodige stappen kunnen en zullen ondernemen om tijdig dergelijke licenties te bekomen.
De in de bepaling onder 4° vermelde overeen te komen voorwaarden kunnen doorgaans slechts worden vastgelegd wanneer er zich echt een crisissituatie voordoet. Alleen in dat geval zal de aanbestedende overheid nauwkeurig de aard en hoeveelheid van de aanvullende behoeften kunnen bepalen en zal de opdrachtnemer pas kunnen beoordelen onder welke voorwaarden hij in staat is om aan deze aanvullende behoeften te voldoen.
Indien de aanbestedende overheid, in uitvoering van de artikelen 140 tot 147, een verplichting oplegt om gebruik te maken van onderaannemers, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke impact die deze verplichting zal hebben op de bevoorradingszekerheid.
De inschrijver moet immers de eisen in verband met de bevoorrading ook doen naleven door zijn onderaannemers en de aanbestedende overheid zal bij de evaluatie van de offertes rekening moeten houden met de onzekerheden die het verplicht opleggen van onderaanneming met zich kan brengen. Desnoods zal in dit geval zelfs dienen te worden afgezien van onderaanneming volgens de bepalingen van artikel 145, tweede lid.
De bepaling onder 6° bepaalt dat de aanbestedende overheid een verbintenis kan vragen betreffende onderhoud, modernisering en aanpassing van het voorwerp van de opdracht. In de praktijk is het wenselijk dat deze bepaling duidelijk wordt gespecificeerd en dat er op zijn minst een algemeen akkoord omtrent de prijzen voor deze werkzaamheden wordt gesloten. Dit zorgt niet enkel voor duidelijkheid maar hierdoor kunnen tevens latere juridische discussies aangaande de reikwijdte van mogelijke contractuele aanpassingen en/of uitbreidingen worden vermeden.
De bepaling onder 7° heeft als doel de aanbestedende overheid te vrijwaren van plotselinge verrassingen aangaande de wijzigingen die door de opdrachtnemer worden doorgevoerd met betrekking tot diens bevoorradingsketen of organisatie, wat een invloed zou kunnen hebben op de bevoorradingszekerheid.
De bepaling onder 8° heeft ook als doel de aanbestedende overheid te vrijwaren voor het geval dat de opdrachtnemer reserveonderdelen en andere componenten niet langer zou kunnen leveren. Afdeling 8. - Varianten, opties en percelen
Art. 11.Paragraaf 1 van dit artikel gaat nader in op de diverse soorten varianten zoals omschreven in artikel 2, punt 11°.
De benadering inzake verplichte varianten wordt niet gewijzigd ten opzichte van de huidige reglementering, terwijl die inzake de facultatieve varianten fundamenteel gewijzigd wordt.
Om na te gaan of zowel de basisofferte als de variante regelmatig zijn, is een tweeledig onderzoek vereist. Dit onderzoek betreft in de eerste plaats de indiening van deze verschillende soorten offertes.
Als deze fase goed is doorlopen, dient vervolgens de regelmatigheid van elk van de ingediende offertes te worden onderzocht om de eventuele wederzijdse beïnvloeding ervan te bepalen op het gebied van de regelmatigheid.
Bij verplichte varianten moet de inschrijver bijvoorbeeld een offerte indienen zowel voor de basisofferte als voor elke verplichte variante, op straffe van volledige onregelmatigheid van zijn offerte.
Bij facultatieve varianten kan de inschrijver voortaan een offerte indienen voor één of meerdere varianten en is hij niet langer verplicht een offerte in te dienen voor een basisoplossing. De aanbestedende overheid kan evenwel één bepaalde facultatieve variante als basisoplossing aanduiden en verplichten daarvoor een offerte in te dienen. Deze nieuwe bepalingen bieden meer soepelheid en zijn bedoeld om de mededinging te bevorderen.
De afwezigheid van een facultatieve variante leidt dus niet noodzakelijk tot de onregelmatigheid van de basisofferte. Indien enkel een facultatieve variante zonder offerte voor de basisoplossing wordt ingediend, moet de volledige offerte als onregelmatig worden beschouwd indien de opdrachtdocumenten de indiening van een dergelijke offerte oplegden. Anders zal dit niet het geval zijn.
De indiening van vrije varianten gebeurt op initiatief van de inschrijver. Bij offerteaanvraag moet de inschrijver nauwkeurig aangeven welke zijn basisofferte is en welke zijn vrije variante(n).
Bij onderhandelingsprocedure kan dit in de loop van de onderhandelingen gebeuren. Indien vrije varianten toegestaan zijn, kunnen verschillende varianten betrekking hebben op een of meer posten. De opdrachtdocumenten kunnen hieromtrent evenwel beperkingen opleggen.
Voor de opdrachten die verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking gelden twee voorwaarden. Enerzijds moet de aanbestedende overheid in de aankondiging en eventueel in de andere opdrachtdocumenten vermelden of zij de indiening van vrije varianten toelaat. Zo niet zijn ze niet toegelaten en moeten ze gewoon worden afgewezen, aangezien enkel de basisofferte in aanmerking wordt genomen. Anderzijds moet zij de minimumeisen bepalen waaraan deze varianten moeten voldoen (ze kan bijvoorbeeld vermelden dat een vrije variante betrekking mag hebben op een bepaald technisch aspect van de geplande opdracht). Aan deze laatste voorwaarde kan worden voldaan door in het algemeen te verwijzen naar de minimumeisen in de opdrachtdocumenten.
Voor de opdrachten die niet verplicht onderworpen zijn aan de Europese bekendmaking, is het indienen van vrije varianten, waarvoor de aanbestedende overheid geen voorafgaande eisen heeft bepaald, steeds mogelijk, tenzij de opdrachtdocumenten die mogelijkheid uitsluiten.
Het verbod om vrije varianten in te dienen, kan gepaard gaan met een sanctie van absolute nietigheid in de opdrachtdocumenten. Deze vermelding is evenwel af te raden omdat ze nadelige gevolgen kan hebben voor de mededinging en de economische doeltreffendheid.
De aanbestedende overheid kan beslissen een vrije variante niet in aanmerking te nemen. Ze moet haar beslissing evenwel motiveren op basis van bijvoorbeeld technische elementen of andere factoren zoals de prijs, de budgettaire verplichtingen of de uitvoeringstermijnen.
Paragraaf 2 expliciteert dat de verschillende soorten varianten bij alle gunningprocedures kunnen worden gebruikt. De vrije variante blijft evenwel uitgesloten bij aanbesteding. Daarnaast verduidelijkt deze paragraaf dat ze, hetzij met een afzonderlijke offerte, hetzij met een deelofferte kunnen worden ingediend.
Paragraaf 3 bevat een bepaling die opgenomen is in artikel 19.4 van Richtlijn 2009/81/EG en in de huidige reglementering. Volgens deze bepaling mag een variante niet worden afgewezen enkel omwille van het feit dat, indien de aanbestedende overheid ze zou aanvaarden, een opdracht voor diensten een opdracht voor leveringen zou worden of omgekeerd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn voor een opdracht betreffende de ontwikkeling van software via een opdracht voor diensten, terwijl een concurrent als variante een softwarepakket zou indienen dat voldoet aan de eisen van de aanbestedende overheid.
Er is geen gevolg gegeven aan het verzoek van de Raad van State om de mogelijkheden om de indiening van varianten te beperken of zelfs uit te sluiten en om naar aanleiding daarvan in een absolute nietigheid te voorzien, in het dispositief te expliciteren (zie punt 15 van het advies). Naar analogie met wat werd geoordeeld met betrekking tot het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011 (zie meer bepaald artikel 9 van dat besluit) dient men zich bij de beoordeling van onregelmatigheden immers te hoeden voor te grote veralgemeningen en te rigide oplossingen die het maken van nuances naargelang de gebruikte gunningswijze in de weg staan. Art. 12.Dit artikel van het ontwerp behandelt de in artikel 2, punt 12°, omschreven opties.
Paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen de verplichte en vrije opties. In het eerste geval dient de aanbestedende overheid, net zoals bij de verplichte varianten, het voorwerp, de aard en de draagwijdte ervan te omschrijven in de opdrachtdocumenten en zijn de inschrijvers verplicht een bod te doen voor deze opties. Het tweede geval betreft de vrije opties. Deze kunnen op eigen initiatief door de inschrijvers worden ingediend.
Volgens paragraaf 2 wordt het bod voor de opties afzonderlijk vermeld in de offerte. Deze bepaling maakt het ook mogelijk om vrije opties in te dienen bij aanbesteding, op voorwaarde dat aan een dergelijke optie geen meerprijs of een andere tegenprestatie wordt verbonden. Dit verschil met de vrije variante, die in het kader van de aanbesteding zoals eerder vermeld niet is toegestaan, is gerechtvaardigd omdat de optie enkel betrekking heeft op een bijkomend element. De mogelijkheid die de aanbestedende overheid wordt geboden om, zelfs bij aanbesteding, vrije opties in aanmerking te nemen kan haar voordelen opleveren, daar aan het bestellen van de optie geen meerprijs kan worden verbonden.
Krachtens paragraaf 3 is de aanbestedende overheid nooit verplicht gebruik te maken van een optie bij het sluiten van de opdracht en evenmin tijdens de uitvoering ervan. Wat dit laatste punt betreft, kan het immers interessanter zijn enkel gebruik te maken van een optie tijdens de uitvoering van de opdracht. Een voorbeeld : specifieke onderdelen van een voertuig die enkel gebruikt worden wanneer dit voertuig in operaties wordt ingezet (vb. bevestiging aanhangspunt om extra aanhangwagen voort te trekken). Art. 13.Deze bepaling betreffende de opdrachten in percelen is nieuw.
Volgens het eerste lid moeten de opdrachtdocumenten de aard en het voorwerp van de percelen, de verdeling en de kenmerken ervan bepalen.
Deze verduidelijking moet de inschrijvers de mogelijkheid bieden om, met kennis van zaken, één of meer percelen te kiezen waarvoor ze een offerte wensen in te dienen.
Volgens het tweede lid mag de gunningswijze verschillend zijn per perceel. De term "gunningswijzen" verwijst naar de keuze tussen de aanbesteding, de offerteaanvraag, de onderhandelingsprocedure en de concurrentiedialoog.
Deze versoepeling die in het tweede lid werd ingebouwd, dient evenwel op doordachte wijze te worden gebruikt. Het naast elkaar bestaan van diverse gunningswijzen kan immers de beoordeling van de offertes bemoeilijken en zelfs de indiening van prijskortingen onmogelijk maken. Afdeling 9. - Prijsvaststelling, prijsbestanddelen en prijsherziening
Art. 14.Artikel 14, § 1, eerste lid, van het ontwerp verwijst naar artikel 2, 5° tot 8°, dat de verschillende soorten prijsvaststellingen definieert. Voor sommige specifieke opdrachten en procedures, zoals de promotieopdracht, de ontwerpenwedstrijd of de concessie voor openbare werken, wordt de prijs op een andere wijze vastgesteld. Het tweede lid is overgenomen uit de huidige reglementering.
Volgens paragraaf 2 moet de inschrijver bij een opdracht tegen globale prijs of voor de forfaitaire posten van een gemengde opdracht, zijn offertebedrag vaststellen volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen. Deze bepaling stemt overeen met artikel 24, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden en is voortaan eveneens van toepassing op opdrachten voor leveringen en diensten. Art. 15.Dit artikel zorgt voor de omzetting van artikel 24 van Richtlijn 2009/81/EG die meer bepaald betrekking heeft op de informatie inzake fiscaliteit, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden. Art. 16.Dit artikel betreft de opgave van de eenheidsprijzen en de globale prijzen voor iedere post van de samenvattende opmeting. Deze bepaling wordt voortaan uitgebreid tot de inventaris van de opdrachten voor leveringen en diensten. Net zoals in de huidige reglementering bepaalt zij, enerzijds, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de opdracht worden opgegeven met inachtneming van de betrekkelijke waarde van die post ten opzichte van het totale offertebedrag en, anderzijds, dat alle algemene en financiële kosten over de verschillende posten, in verhouding tot hun belangrijkheid, worden verdeeld. Art. 17.Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de prijzen. Deze bepalingen verdienen logischerwijze immers meer hun plaats in het begin van het ontwerp daar zij, zoals de artikelen 18 tot 20, de elementen bepalen die door de inschrijvers in aanmerking moeten worden genomen bij het opmaken van hun offerte.
Artikel 17 vermeldt zodoende, zoals de huidige bepalingen, dat de eenheidsprijzen en de globale prijzen van de offerte alle heffingen omvatten die de opdracht belasten, met uitzondering van de btw.
Wat de btw betreft, kan de aanbestedende overheid, hetzij bepalen dat zij in een afzonderlijke post van de samenvattende opmeting of van de inventaris wordt vermeld, hetzij de inschrijvers verplichten in de offerte de toepasselijke aanslagvoet(en) mee te delen. Art. 18.Dit artikel stemt overeen met de tekst van artikel 14, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden betreffende de aankoopprijs van de octrooirechten en vergoedingen die verschuldigd zijn aan de houders van een octrooi of van een octrooilicentie. Aangezien deze elementen de prijs van de offerte kunnen beïnvloeden, hoort deze bepaling eerder thuis in dit besluit.
De bepaling is op expliciete wijze uitgebreid tot alle intellectuele eigendomsrechten die gelinkt kunnen zijn met het voorwerp van de opdracht.
Paragraaf 1 betreft enkel de hypothese waarin de aanbestedende overheid zelf overgaat tot de omschrijving de opdracht.
Paragraaf 2 betreft de hypothese waarin de inschrijver zelf voor het geheel of een deel een omschrijving geeft van de prestaties die in het kader van de opdrachten zullen worden verricht. Art. 19.Dit artikel neemt een bepaling over van de artikelen 12, § 4, en 19, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de keurings- en opleveringskosten. Deze kosten hebben zowel betrekking op de keuring als op de voorlopige en definitieve opleveringen. Deze kosten, met name de reis- en verblijfskosten en de vergoeding van het met de keuring of oplevering belaste personeel, zijn inbegrepen in de eenheidsprijzen en de globale prijzen op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten de berekeningswijze van deze kosten bepalen. Zo niet dient de aanbestedende overheid deze kosten te dragen.
Om deontologische redenen zou laatstgenoemde bijvoorbeeld kunnen beslissen om de berekeningswijze van alle kosten of van een gedeelte ervan niet te vermelden en die zelf ten laste te nemen. Art. 20.Dit artikel neemt hoofdzakelijk bepalingen over van de artikelen 25, § 1, tweede lid, 49, tweede lid, en 67, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het stemt overeen met de genoemde bepalingen, behalve dat voor leveringen en diensten de praktijkopleiding, die een basisopleiding omvat, werd toegevoegd.
Hierbij kan worden opgemerkt dat ook de kosten verbonden aan het veiligheids- en gezondheidsplan in de algemene kosten moeten zijn begrepen, behalve wanneer bepaalde maatregelen inzake veiligheid en gezondheid die in dat plan zijn opgenomen, betrekking hebben op specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris of het voorwerp uitmaken van een of meerdere specifieke posten van de samenvattende opmeting of de inventaris.
De verduidelijkingen vermeld in artikel 20 horen eerder thuis bij de voorschriften betreffende de plaatsing van de opdracht, aangezien het gaat om elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het opmaken van de offerte. Art. 21.Paragraaf 1 van dit artikel betreffende de prijsherziening neemt onder meer de bepalingen over van artikel 13, §§ 1 en 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, maar bevat tamelijk belangrijke wijzigingen en aanvullingen.
Zo wordt een volledig eigen prijsherzieningssysteem voor de overheidsopdrachten ingevoerd, dat gesteund is op artikel 7 van de wet. Het laatstgenoemde artikel machtigt de Koning tot het vastleggen van de voorwaarden voor de prijsherziening voor de overheidsopdrachten. Bijgevolg is artikel 57 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen niet toepasselijk op de overheidsopdrachten.
Volgens het eerste lid moet voortaan niet enkel in een prijsherzieningsclausule worden voorzien voor de opdrachten voor werken, maar in principe ook voor de opdrachten voor leveringen en diensten. terwijl volgens artikel 13, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden de herziening voor deze twee laatste opdrachtcategorieën facultatief is.
Het eerste lid vermeldt de voornaamste prijscomponenten die in aanmerking worden genomen : de uurlonen en sociale lasten, alsook, naargelang de aard van de opdracht, één of meer relevante elementen zoals materiaal- en grondstofprijzen of de evolutie van de wisselkoers.
Volgens het tweede lid is het essentieel dat de herziening de werkelijke kostprijsstructuur weerspiegelt. Bijgevolg moet de herziening gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare parameters en gebruik maken van correcte wegingscoëfficiënten. Afhankelijk van de aard van de opdracht en het al dan niet voorhanden zijn van de voormelde parameters, kan het niettemin moeilijk of zelfs onmogelijk zijn om een herzieningsclausule op te stellen die aan de genoemde voorwaarden voldoet. In dat geval kan de aanbestedende overheid voortaan gebruik maken van de gezondheidsindex, de index van de consumptieprijzen of een andere passende indexformule.
Daarnaast moet de herzieningsformule geen vaste factor meer bevatten.
Bovendien kan de aanbestedende overheid op gemotiveerde wijze afwijken van de bepalingen van paragraaf 1. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor leningen met vaste rentevoet.
Paragraaf 2 verduidelijkt dat de bepalingen van dit artikel niet verplicht van toepassing zijn op de opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan 120.000 euro, noch op de opdrachten, ongeacht het bedrag ervan, waarvan de initiële uitvoeringstermijn korter is dan 120 werkdagen of 180 kalenderdagen. De reden ligt bij het geringe nut van een prijsherziening voor dergelijke opdrachten. Afdeling 10. - Prijsonderzoek
Art. 22.Dit artikel betreft het prijsonderzoek dat de aanbestedende overheid verplicht moet voeren om na te gaan of de ingediende prijzen normaal zijn. De grondigheid waarmee dit onderzoek gebeurt, hangt af van de opdracht in kwestie. Overigens wordt opgemerkt dat met "prijzen" zowel eenheidsprijzen als totale prijzen worden bedoeld.
Krachtens paragraaf 1, tweede zin, dat de voorschriften van de huidige reglementering overneemt en veralgemeent, moeten de inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid alle nodige inlichtingen verstrekken om het prijsonderzoek mogelijk te maken, en dit ongeacht de gunningsprocedure. Deze maatregel is nu enkel van toepassing op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
Wanneer de opdrachtdocumenten dit bepalen, en ongeacht de gunningsprocedure, kunnen volgens paragraaf 2 ter plaatse verificaties van de boekhoudkundige stukken en onderzoeken worden uitgevoerd door de personen die daartoe door de aanbestedende overheid zijn aangewezen.
Paragraaf 3 betreft de abnormaal laag of hoog lijkende prijzen die bij het prijsonderzoek worden vastgesteld. Hij voorziet in de omzetting van artikel 49 van Richtlijn 2009/81/EG. Zelfs indien uit de opdrachtdocumenten blijkt dat paragraaf 3 niet toepasselijk gemaakt wordt op de onderhandelingsprocedure, kan de aanbestedende overheid die een abnormaal laag of hoog lijkende prijs vaststelt, verificaties uitvoeren bij toepassing van de paragrafen 1 en 2.
Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet-limitatief karakter van de opgesomde verantwoordingen die in aanmerking kunnen worden genomen om het normale karakter van een prijs aan te tonen, wordt bevestigd door de toevoeging van de woorden "met name". Overigens werd de huidige reglementering reeds aangepast om het in overeenstemming te brengen met de richtlijn en dit bij het koninklijk besluit van 29 september 2009. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest van 27 november 2001, C-286/99, Sciaudone) en de Raad van State (RvS, arrest nr.100.084 van 23 oktober 2001) waren eveneens van oordeel dat de verantwoordingen in de reglementering niet limitatief zijn.
Teneinde te vermijden dat de inschrijvers ongegronde verantwoordingen zouden indienen, kan de aanbestedende overheid overeenkomstig paragraaf 1 steeds een prijsanalyse eisen om het normale karakter van de prijs te beoordelen.
Ten slotte kan de inschrijver zich ter verantwoording van zijn prijs niet beperken tot een verwijzing naar de prijs van een onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge. In dat geval dient de inschrijver de prijs van de onderaannemer te verantwoorden.
Het zesde lid van paragraaf 3 omvat niet de opdrachten voor diensten van de bijlage 2 van de wet en dit ongeacht de gevolgde gunningswijze. Afdeling 11. - Belangenvermenging en afspraken
Art. 23.Dit artikel betreft de problematiek van de belangenconflicten. De persoon die krachtens artikel 9, § 2, tweede lid, van de wet verplicht is zichzelf te wraken, dient het bevoegde orgaan van de aanbestedende overheid hiervan schriftelijk en onverwijld op de hoogte te brengen, die de nodige maatregelen neemt.
De wraking wordt geformaliseerd, bijvoorbeeld in een schrijven van de betrokken persoon of in het proces-verbaal van een beraadslagende vergadering. Het doel hiervan is na te gaan of de wraking tijdig is ingeroepen.
Men dient eraan te herinneren dat de persoon die verplicht is zich te wraken, een studiebureau belast met de taak van leidend ambtenaar zou kunnen zijn zoals bepaald in de Memorie van toelichting van de wet. Art. 24.Dit artikel betreffende de afspraken bevat een gelijkaardige bepaling als die van de huidige reglementering. Deze bepaling is van toepassing op de offertes en voortaan ook op de aanvragen tot deelneming. Door deel te nemen aan een procedure verklaart een kandidaat of inschrijver zich niet schuldig te hebben gemaakt aan bij artikel 10 van de wet verboden handelingen, overeenkomsten of afspraken.
Bovendien moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 314 van het Strafwetboek elke afspraak strafbaar is, ongeacht of die gepaard gaat met bedreiging of geweld. HOOFDSTUK 2. - Raming opdrachtbedrag Art. 25.Dit artikel bevat de bepalingen betreffende de raming van het opdrachtbedrag, tot omzetting van artikel 9 van Richtlijn 2009/81/EG. Het eerste lid van artikel 25 herinnert aan een algemene regel volgens dewelke de raming van het opdrachtbedrag gebaseerd is op de totale duur en waarde van de opdracht. Hierin zijn begrepen alle verplichte opties, percelen, herhalingen als bedoeld in artikel 25, 4°, b, van de wet, alle gedeelten als bedoeld in artikel 33, § 1, van de wet en alle verlengingen van de opdracht als bedoeld in artikel 33, § 2, van dezelfde wet.
Wanneer voor de oorspronkelijke opdracht is voorzien in één of meer verlengingen in de zin van artikel 33, § 2, van de wet, zal de totale geraamde waarde van de opdracht in principe maximaal 4 jaar kunnen bedragen. Artikel 33, § 2, van de wet bevat voor dergelijke opdrachten met verlengingen immers de regel dat de duur van de opdracht in principe beperkt dient te blijven tot vier jaar na het sluiten van de opdracht.
Moeten eveneens in aanmerking worden genomen, alle voor de totale duur van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem geplande opdrachten, alsook het prijzengeld en de betalingen aan de deelnemers.
Bijgevolg moet de raming rekening houden met alle elementen die de waarde van het ontwerp kunnen beïnvloeden.
Het tweede lid bevat een nieuwe verduidelijking betreffende het tijdstip waarop de raming wordt gemaakt : dit moet gebeuren op het tijdstip van de verzending van de bekend te maken aankondiging of, wanneer deze aankondiging gezien de gunningswijze niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, namelijk bij de verzending van de uitnodigingen om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen.
Het vierde lid herinnert aan het principe dat vervat is in artikel 9.3, van Richtlijn 2009/81/EG alsook in de huidige reglementering.
Volgens dit principe mag geen enkele opdracht worden gesplitst teneinde die aan de bekendmakingsregels te onttrekken. Indien bijvoorbeeld percelen of gedeelten van werken of bouwwerken toegestaan zijn, mogen deze modaliteiten niet tot gevolg hebben dat de percelen of gedeelten onttrokken worden aan de mededinging via een bekendmaking op Belgisch niveau en, desgevallend, op Europees niveau.
Er is geen gevolg gegeven aan het verzoek van de Raad van State (zie punt 18 van diens advies) om, zoals in artikel 9.1, eerste alinea, van Richtlijn 2009/81/EG, te vermelden dat de raming van de opdracht moet zijn gebaseerd op het totale bedrag exclusief btw. Artikel 3 van het ontwerp bepaalt immers reeds dat elk bedrag in dit besluit een bedrag zonder btw is. Art. 26.Onverminderd de bepalingen van artikel 25 van dit ontwerp, bevat het onderhavige artikel, zoals in de huidige reglementering, twee verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken : 1° enerzijds dient rekening te worden gehouden met alle geplande werken.Wanneer het een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet, zoals uiteengezet in de memorie van toelichting, d.w.z. het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen, moet de waarde van de verschillende opdrachten worden samengeteld om de op elke afzonderlijke opdracht toepasselijke bekendmakingsregels te bepalen op grond van de regel vermeld in artikel 25, derde lid; 2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van de leveringen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken of van het bouwwerk en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de aannemer.Bijvoorbeeld : de ter beschikkingstelling van een partij straatstenen of andere materialen. Er dient bovendien te worden onderstreept dat, anders dan in de huidige reglementering, deze bepaling, in navolging van de richtlijn, zich niet langer uitstrekt tot de diensten die ter beschikking van de aanbestedende overheid worden gesteld.
Aangezien de Europese drempels voor de werken en leveringen verschillend zijn, betekent dit a contrario dat de waarde van de leveringen die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken, niet mag worden toegevoegd aan de waarde van de werken met de bedoeling ze te onttrekken aan de mededinging op Europees niveau. Art. 27.Zoals de huidige reglementering bevat dit artikel specifieke berekeningsmodaliteiten voor sommige overheidsopdrachten voor leveringen. 1° Overeenkomstig het eerste lid, moet bij opdrachten voor leveringen die een zekere regelmaat vertonen of bestemd zijn om in de loop van een bepaalde periode te worden herhaald, worden uitgegaan van de totale geraamde waarde van de opeenvolgende opdrachten over twaalf maanden volgend op de eerste levering of, indien de looptijd van de opdracht meer bedraagt dan twaalf maanden, over de volledige looptijd ervan.Artikel 9.7, van Richtlijn 2009/81/EG voorziet in twee verschillende ramingswijzen voor dit soort opdrachten. In dit ontwerp wordt gekozen voor de meest strenge ramingswijze om foutieve interpretaties te voorkomen.
De formulering "opdrachten voor leveringen …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.