{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bovendien, om eventuele technische moeilijkheden van allerlei aard te verhelpen die deze overlegging nog zouden kunnen verstoren, met name indien de over te leggen offertes zeer omvangrijk zijn, kunnen de kandidaten of inschrijvers hun offerte bovendien overleggen via een dubbele zending met een « veiligheidskopie ». Deze veiligheidskopie bevat de volledige inhoud van de oorspronkelijke offerte die aan de aanbestedende overheid werd overgemaakt. Ze kan worden overgelegd op een elektronische fysieke drager (CD-Rom, DVD-Rom, USB-sleutel...) of op een papieren drager. Ze wordt gericht aan de aanbestedende overheid, gelijktijdig met de verzending van de oorspronkelijke offerte, onder gesloten omslag en met de verplichte vermelding : « Veiligheidskopie ». De documenten die deze drager bevat, moeten met de hand worden ondertekend indien het om een papieren drager gaat of elektronisch worden ondertekend indien het om een elektronische drager gaat. Deze veiligheidskopie mag slechts worden geopend in geval van een tekortkoming bij de overlegging, de ontvangst of de opening van de aanvraag tot deelneming of van de offerte die via elektronische middelen wordt overgelegd. Eens geopend, vervangt deze kopie definitief het document dat ze heeft bewaard. Op de veiligheidskopie zijn voor het overige alle regels toepasselijk die gelden voor offertes, zowel vóór als na de opening ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanbestedende overheid een of beide werkwijze toestaat, geeft zij dit aan in de aankondiging van opdracht of in de andere opdrachtdocumenten. Art. 55.Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt dat de aanbestedende overheid in de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, in de andere opdrachtdocumenten één of meer talen moet vermelden die de kandidaten of inschrijvers mogen gebruiken voor het opstellen van hun aanvraag tot deelneming of hun offerte, met inbegrip van de eventuele bijlagen. Deze bepaling doet overigens geen afbreuk aan de toepassing van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 wat betreft het opstellen van de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een advies in die zin werd op 13 januari 1980 gegeven door de Commissie voor taaltoezicht. Dit advies had betrekking op het gebruik van de talen bij het opstellen van aankondiging van opdracht, die mededelingen ten behoeve van het publiek zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen heeft de bedoelde Commissie in hetzelfde advies de overweging gemaakt dat een offerte uitgaande van een onderneming, niet dient te worden gerangschikt onder de documenten opgelegd door de wet of de reglementering in de zin van artikel 52 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Evenwel heeft ze onderstreept dat een aanbestedende overheid het recht heeft om van geïnteresseerde ondernemingen te eisen dat ze zich van een bepaalde taal bedienden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de opdrachtdocumenten geen enkele verduidelijking bevatten, beslist de aanbestedende overheid of het gebruik van een andere taal dan die van de aankondiging van opdracht of, bij ontstentenis daarvan, van de andere opdrachtdocumenten wordt aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het bepaalde in artikel 61, 1°, van het ontwerp kan de aanbestedende overheid met het oog op de selectie aan de kandidaten of de inschrijvers uiteraard steeds een vertaling vragen van de documenten die bij hun aanvraag tot deelneming of offerte zijn gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 stemt overeen met de huidige reglementering, betreffende de interpretatie van het contract indien meerdere talen worden gebruikt. Het toepassingsveld van deze bepalingen wordt evenwel uitgebreid tot de aanvragen tot deelneming. Art. 56.Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering, volgens dewelke een inschrijver slechts één offerte per opdracht mag indienen, onverminderd eventuele varianten. Paragraaf 1 breidt deze regel expliciet uit tot de aanvragen tot deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling staat niet in de weg dat de deelnemers aan een concurrentiedialoog meerdere oplossingen mogen voorstellen, die desgevallend allemaal het voorwerp zullen uitmaken van een eindofferte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het indienen van vrije varianten mogelijk is, kunnen er meerdere varianten worden ingediend, zelfs voor één of meerdere posten, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedeelte van het tweede lid van paragraaf 2 is nieuw in vergelijking met de huidige reglementering. Hierin wordt bepaald dat de opdrachtdocumenten het aantal percelen kunnen beperken waarvoor een inschrijver een offerte mag indienen wanneer de aard van een bepaalde opdracht dit vereist. Het betreft dus een uitzondering op het algemene principe dat een inschrijver het recht heeft om een offerte in te dienen voor alle percelen van een opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitzondering kan bijvoorbeeld nuttig zijn om de bevoorradingszekerheid van bepaalde strategische producten te waarborgen, misbruik van machtspositie op een kleine markt te voorkomen, overheidsopdrachten toegankelijk te maken voor kleine en middelgrote ondernemingen, te vermijden dat het voor een onderneming materieel onmogelijk zou zijn om een groter aantal percelen naar behoren uit te voeren, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft dus zeker niet tot doel om deze beperkingen te veralgemenen. Daarom zal later een afzonderlijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden genomen om de strikte voorwaarden, waarin dit uitzonderlijk geval kan worden toegepast, te verduidelijken en te specificeren. Art. 57.Het eerste lid van dit artikel herinnert aan de regel van de huidige reglementering volgens dewelke, bij procedures die twee fasen omvatten, enkel de geselecteerden een offerte mogen indienen. Het toepassingsgebied is ten opzichte van de huidige reglementering verruimd met de concurrentiedialoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het tweede lid dient de aanbestedende overheid die aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid die minstens één geselecteerde en één of meer niet-geselecteerden omvat, toestemming wenst te geven om een offerte in te dienen, dit in de opdrachtdocumenten te vermelden. Bij ontstentenis van zulke vermelding is de indiening van een dergelijke offerte dus niet toegelaten en zal deze dan ook onregelmatig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid vormt een nieuwe bepaling die het mogelijk maakt om, bij dezelfde procedures, in de opdrachtdocumenten het gezamenlijk indienen van één enkele offerte door meerdere geselecteerden te beperken of te verbieden. Deze bepaling strekt ertoe een voldoende mededinging te garanderen, met name wanneer het aantal geselecteerden beperkt is en bijgevolg het risico bestaat dat laatstgenoemden een offerte zouden indienen binnen één enkele combinatie. Art. 58.Deze bepaling neemt in gewijzigde vorm de relevante bepalingen van de huidige reglementering over. Ze regelt het geval waarbij een inschrijver-natuurlijk persoon zich omvormt in een rechtspersoon tussen het tijdstip waarop de offerte wordt ingediend en dat waarop de opdracht wordt gegund. Dit artikel verplicht de aanbestedende overheid er voortaan toe deze offerte in aanmerking te nemen en bepaalt dat de inschrijver-natuurlijk persoon de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uitvoering van de opdracht blijft dragen. Zo niet zouden de aan de aanbestedende overheid geboden garanties immers kleiner worden, aangezien een inschrijver-rechtspersoon, in tegenstelling tot een inschrijver-natuurlijk persoon niet onbeperkt gebonden is door zijn roerende en onroerende goederen. Afdeling 6. - Verbintenistermijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling betreffende de verbintenistermijn van de inschrijvers, stemt overeen met de huidige reglementering en breidt het uit naar alle gunningsprocedures. Een uitzondering voor de onderhandelingsprocedures is opgenomen in artikel 111, § 2. De termijn die van toepassing is bij gebrek aan een andere termijn in de opdrachtdocumenten, wordt evenwel verlengd van zestig tot negentig dagen. Deze laatste termijn blijkt in de praktijk immers beter te beantwoorden aan wat nodig is voor een grondig onderzoek van de offertes. Wanneer de verbintenistermijn in de opdrachtdocumenten is bepaald, dient de aandacht erop te worden gevestigd dat een te ruime termijn een negatieve financiële weerslag kan hebben voor de aanbestedende overheid. Er moet dus geval per geval een gepaste termijn worden bepaald, rekening houdend met het voorwerp van de opdracht en de verplichtingen van de aanbestedende overheid De bepaling van de huidige reglementering volgens dewelke de inschrijvers bij aanbesteding of offerteaanvraag, de verbintenistermijn van hun offerte zelf bepalen indien het bestek dit toestaat, is niet overgenomen. Het leek aangewezen om voor een eenvormige aanpak te kiezen ongeacht de aard van de opdracht, teneinde de vergelijkbaarheid van de offertes te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevestigt de praktijk waarbij de aanbestedende overheid aan de inschrijvers een vrijwillige verlenging van de verbintenistermijn kan vragen wanneer die bijna verstreken is. Deze bepaling geldt onverminderd de artikelen 108 en 109 indien de inschrijvers, bij aanbesteding of offerteaanvraag, geen gevolg geven aan dit verzoek. HOOFDSTUK 5. - Selectie kandidaten en inschrijvers - Toegangsrecht en kwalitatieve selectie Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 60</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met de huidige reglementering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 1 gebeurt de selectie op basis van, enerzijds, de bepalingen betreffende het toegangsrecht die vervat zijn in de artikelen 63 tot 68 en, anderzijds, van de kwalitatieve selectiecriteria als bedoeld in de artikelen 69 tot 84.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, 2° bepaalt dat de kwalitatieve selectiecriteria van financiële, economische, technische aard of inzake beroepsbekwaamheid verband moeten houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. De aanbestedende overheid moet tevens het vereiste niveau bepalen van deze criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo moet in het kader van procedures die één enkele fase omvatten, de aanbestedende overheid alle inschrijvers selecteren die aan haar minimale eisen voldoen, zonder hierbij onder hen te mogen kiezen. Deze verplichting is bevestigd door de rechtspraak van de Raad van State (zie RvSt, arrest nr. 169.657 van 7 juni 2006, sprl ARCHI + I).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 van hetzelfde artikel herformuleert in de twee eerste leden een bepaling van de huidige reglementering.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van paragraaf 2 bepaalt dat er minimum vijf kandidaten moeten zijn bij beperkte procedure en minimum drie bij onderhandelingsprocedure met bekendmaking en concurrentiedialoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal geselecteerden moet in elk geval voldoende zijn om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, inderdaad voor zover er voldoende geschikte kandidaten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van paragraaf 2 betreft de verplichte vermelding in de aankondiging van opdracht van het minimum en, in voorkomend geval, het maximumaantal kandidaten dat de aanbestedende overheid, bij dezelfde procedures, wenst uit te nodigen om een offerte in te dienen. Deze bepaling is enkel van toepassing op de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de essentie van een procedure die gepaard gaat met een voorafgaande selectie optimaal te benutten, kan de aanbestedende overheid op wettige wijze en op grond van een objectief gemotiveerde keuze steunende op de selectiecriteria, het aantal kandidaten beperken dat zij uiteindelijk kiest en aan dewelke zij zal vragen een offerte in te dienen. Zo kan de aanbestedende overheid, wanneer bijvoorbeeld vijftien kandidaten in verschillende mate zouden voldoen aan de gestelde voorwaarden, beslissen dit aantal zodanig te verminderen dat enkel de meest geschikte kandidaten overblijven, rekening houdend met de moeilijkheidsgraad van de betrokken opdracht, alsook met de mogelijkheden waarover de aanbestedende overheid beschikt voor het onderzoek van een groot aantal offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van eenzelfde procedure mag de aanbestedende overheid geen andere belangstellenden opnemen die niet om deelname hebben gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimumaantal moet enkel worden gerespecteerd voor zover er zich een voldoend aantal geschikte kandidaten aandienen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag dit minimumaantal in de aankondiging van opdracht anderzijds niet als een maximumaantal worden aangeduid (HvJ arrest van 26 september 2000, C-225/98, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen is de aanbestedende overheid gebonden door het maximumaantal kandidaten dat zij eventueel heeft vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderlijk kan de aanbestedende overheid evenwel een groter aantal kandidaten selecteren, voor zover het niet mogelijk is tussen een aantal onder hen een keuze te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moet het aantal kandidaten dat uiteindelijk wordt geselecteerd, voldoende groot zijn om een werkelijke mededinging te garanderen. Uiteraard geldt deze eis enkel voor zover er zich voldoende geschikte kandidaten hebben aangediend naar aanleiding van de bekendgemaakte aankondiging van opdracht. Dit wordt bevestigd door het Hof van Justitie (HvJ, arrest van 15 oktober 2009, C-138/08, Hochtief en Linde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van paragraaf 2 is een nieuwe bepaling die voorziet in de omzetting van artikel 38. 3, derde alinea, van de richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens deze bepaling kan de aanbestedende overheid, als zij het nodig acht om voldoende mededinging te waarborgen, de procedure schorsen door een nieuwe termijn te bepalen voor de indiening van de aanvragen tot deelneming. Alhoewel de richtlijn hierover niets vermeldt, vereist de naleving van het gelijkheidsbeginsel dat dezelfde termijn wordt nageleefd als die welke tijdens de eerste bekendmaking is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kandidaten die na deze twee bekendmakingen zijn geselecteerd, worden vervolgens uitgenodigd om een offerte in te dienen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 bevat een nieuwe bepaling betreffende de kwalitatieve selectie bij opdrachten in percelen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">In geval van percelen moet de aanbestedende overheid de mogelijkheid hebben om over te gaan tot de kwalitatieve selectie van de kandidaten of inschrijvers in twee fasen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheid kan kwalitatieve selectiecriteria bepalen volgens dewelke de kandidaten of de inschrijvers moeten voldoen aan de minimumeisen inzake draagkracht voor elk van de percelen waarvoor ze een aanvraag tot deelneming of een offerte hebben ingediend, aangezien elk perceel afzonderlijk kan worden gegund. De aanbestedende overheid kan bovendien ook minimumeisen opleggen indien meerdere percelen worden gegund aan dezelfde inschrijver, doorgaans met het oog op een gelijktijdige uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is immers mogelijk dat de financiële en economische draagkracht van de inschrijver (met name in het licht van de eventueel noodzakelijke investeringen) of diens technische en beroepsbekwaamheid (bijvoorbeeld wat het beschikbare personeelsbestand betreft) beperkt is tot de uitvoering van een gering aantal percelen ten opzichte van alle percelen die hem kunnen worden gegund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel in het stadium van de gunning van de opdracht kan worden nagegaan of aan deze laatste eisen is voldaan, wanneer de rangschikking van de verschillende offertes voor de betrokken percelen gekend is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 bevat tevens een bepaling over de mogelijkheid tot herziening van de selectie.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Eens over de selectie is beslist, worden de geselecteerden geacht zich niet in een toestand van uitsluiting te bevinden, en in staat te zijn de opdracht uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vermoeden vervalt echter wanneer de aanbestedende overheid na de selectie, maar vóór de gunning vaststelt dat één van de geselecteerden of inschrijvers zich in een toestand van uitsluiting bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens bestaat het risico dat de toestand van een geselecteerde verslechtert, met name wanneer de gunningsprocedure veel tijd in beslag neemt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor een beperkte procedure wanneer een vrij lange termijn verloopt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de verzending naar de geselecteerden van de uitnodiging tot het indienen van een offerte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt wanneer de opdracht voor akkoord moet worden voorgelegd aan toezichthoudende of subsidiërende overheden. Dit kan eveneens het geval zijn voor offertes die betrekking hebben op technisch ingewikkelde opdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien kan het gebeuren dat, wanneer de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 42, § 2, een lijst van geselecteerden heeft opgesteld die maximum drie jaar geldig is, de toestand van een onderneming wijzigt tussen het tijdstip waarop de lijst is opgesteld en de aanwending ervan bij de aanvang van de opdracht. Hetzelfde geldt bij gebruik van een kwalificatiesysteem overeenkomstig artikel 42, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dan ook mogelijk dat een geselecteerde in een beperkte procedure of een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, of een inschrijver die op basis van de verkregen inlichtingen en documenten voor selectie in aanmerking komt in een open procedure en vereenvoudigde onderhandelingsprocedure, bijvoorbeeld zijn financiële en economische draagkracht ongunstig ziet evolueren zonder daarom in een toestand van uitsluiting te belanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals reeds voorzien in de omzendbrief van de Eerste Minister van 10 februari 1998 betreffende de kwalitatieve selectie van aannemers, leveranciers en dienstverleners, kan de aanbestedende overheid, op basis van nieuwe elementen, haar beoordeling inzake de selectie van de onderneming herzien. De regel is immers dat een opdracht maar kan worden gegund aan een onderneming met voldoende draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze herziening mag in geen geval leiden tot de regularisering van een kandidaat of inschrijver die zich wat betreft de voor de selectie in aanmerking te nemen referentieperiode, niet in de voorwaarden voor selectie bevond. Dit betekent ook dat een niet-geselecteerde in een later stadium niet meer kan worden opgevist om de plaats in te nemen van de weggevallen geselecteerde. Art. 61.Dit artikel voegt bepalingen samen die over verschillende artikelen van de huidige reglementering zijn verspreid en die betrekking hebben op de informatie en de aanvullende inlichtingen die de kandidaten of inschrijvers op verzoek van de aanbestedende overheid moeten verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens de bepaling onder 1° kunnen de kandidaten of inschrijvers verzocht worden de ingediende inlichtingen en documenten in het kader van de kwalitatieve selectie aan te vullen of toe te lichten. De mogelijkheid waarover de aanbestedende overheid beschikt om aanvullende inlichtingen te vragen, betekent niet dat de kandidaten en inschrijvers in dit verband rechten kunnen doen gelden. Het kan de aanbestedende overheid dus niet kwalijk worden genomen dat zij geen aanvullingen heeft gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebeurt immers dat kandidaten of inschrijvers bepaalde inlichtingen of documenten niet meedelen, of zelfs helemaal niets meedelen, terwijl de aanbestedende overheid die nodig heeft om hun bekwaamheid te kunnen beoordelen. Indien geen enkele inlichting of document werd meegedeeld of bepaalde inlichtingen of documenten ontbreken, kan de aanbestedende overheid tot de niet-selectie van de kandidaten of inschrijvers besluiten. Het komt evenwel vaker voor dat enkel een bepaalde inlichting of document niet werd meegedeeld, dubbelzinnig of onvolledig is. In dat geval moet de aanbestedende overheid een beslissing nemen, rekening houdend met de grondbeginselen inzake mededinging, behoorlijk bestuur en gelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodoende zal de aanbestedende overheid : - wat de financiële en economische draagkracht betreft, moeten nagaan of de kandidaat of inschrijver aangetoond heeft dat hij niet in staat was de gevraagde referenties als bewijs van zijn draagkracht voor te leggen en gevraagd heeft of hij die mag bewijzen met een ander door de aanbestedende overheid daartoe geschikt geacht document; - wat de uitsluitingsgronden en de financiële en economische draagkracht, alsook de technische en beroepsbekwaamheid betreft, de kandidaten of inschrijvers kunnen vragen om de niet meegedeelde inlichtingen of documenten en deze die reeds in haar bezit zijn, te vervolledigen of te verduidelijken, teneinde de mededinging uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke vraag of uitnodiging moet gebeuren ten aanzien van alle kandidaten of inschrijvers die zich in een gelijkaardige situatie bevinden. In een open procedure tast dit geenszins het onveranderlijk karakter van de offertes aan. Weliswaar mogen geen bijkomende eisen worden gesteld dan deze waarin oorspronkelijk was voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien inlichtingen of documenten uitgaande van een overheidsinstantie opgesteld zijn in een andere taal dan één van de officiële Belgische talen, kan de aanbestedende overheid de kandidaten of inschrijvers een vertaling vragen, indien zij dit nodig acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de bepaling onder 2° kan de aanbestedende overheid, in eender welk stadium van de procedure en met alle middelen die zij nuttig acht, maar onverminderd artikel 62, inlichtingen inwinnen over de situatie van de kandidaat of inschrijver. Een dergelijke bepaling is tot op heden enkel uitdrukkelijk opgenomen voor het toezicht op de naleving door de kandidaten en inschrijvers van hun verplichtingen inzake sociale zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 3° stemt overeen met de huidige reglementering en betreft de overlegging door de rechtspersonen van hun statuten of vennootschapsakten en van de eventuele vertaling ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Raad van State om inzake de in artikel 61, 3°, vermelde inlichtingen en documenten te expliciteren dat documenten en inlichtingen worden bedoeld die niet met toepassing van de wet van 16 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/01/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen sluiten kunnen worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 62, § 1, voorziet immers reeds in een bepaling die ertoe strekt de kandidaten of inschrijvers vrij te stellen van de verplichting om documenten en inlichtingen over te leggen wanneer de aanbestedende overheid via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot die inlichtingen of documenten. De bepaling van artikel 62, § 1, heeft bovendien een ruimere draagwijdte dan wat de Raad van State voorstaat, aangezien die bepaling niet is beperkt tot de documenten en inlichtingen als bedoeld in artikel 61, 3°, maar ook strekt tot de documenten en inlichtingen van artikel 61, 1° en 2°, en die bepaling evenmin beperkt blijft tot de documenten en inlichtingen die met toepassing van de Kruispuntbank van ondernemingen kunnen worden verkregen, maar ook andere elektronische databanken beoogt. Art. 62.Dit artikel bevat twee bepalingen die kaderen in de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 beoogt de elektronische raadpleging van de inlichtingen en documenten uitgaande van overheidsinstanties die het mogelijk maken de persoonlijke toestand en de bekwaamheid van de kandidaten en inschrijvers te verifiëren. Hij stemt overeen met bepalingen die zijn verspreid over verschillende artikelen van de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanbestedende overheid, bijvoorbeeld om technische redenen, geen elektronische toegang (meer) zou hebben tot de inlichtingen of documenten, kan zij toepassing maken van artikel 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de nieuwe bepaling van paragraaf 2 moet een kandidaat of inschrijver, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, de gevraagde inlichtingen en documenten voor een bepaalde opdracht van dezelfde aanbestedende overheid, niet voorleggen indien hij dit reeds gedaan heeft voor een andere opdracht. Ze is van toepassing onder de volgende voorwaarden : - de kandidaat of inschrijver moet in zijn aanvraag tot deelneming of offerte de referenties van de vorige procedure vermelden; - de bedoelde inlichtingen en documenten beantwoorden aan de gestelde voorwaarden (het RSZ-attest moet bijvoorbeeld verwijzen naar hetzelfde voorlaatste kalenderkwartaal). Afdeling 2. - Toegangsrecht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 van dit artikel geeft uitvoering aan artikel 20, tweede lid, van de wet. Vier van de erin opgesomde gevallen stemmen overeen met die vermeld in de huidige reglementering. De bepaling onder 4° vermeldt evenwel een bijkomend geval betreffende de terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten. De opgesomde gevallen geven aanleiding tot de verplichte uitsluiting van de toegang tot de opdracht. Van dit voorschrift mag slechts worden afgeweken om dwingende redenen van algemeen belang. Deze gevallen, waarmee rekening dient te worden gehouden in eender welk stadium van de procedure, werden uiteengezet in de memorie van toelichting bij de wet, waarnaar wordt verwezen Paragraaf 2 vermeldt de gevallen waarin een kandidaat of inschrijver kan worden uitgesloten van de toegang tot de opdracht, en dit onverminderd de wetgeving houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken die de verplichte basisvoorschriften bevat in het kader van de plaatsing van overheidsopdrachten voor werken. Deze gevallen stemmen overeen met die opgenomen in de huidige reglementering. Het begrip « gerechtelijk akkoord » werd evenwel vervangen door « gerechtelijke reorganisatie », overeenkomstig de wet van 31 januari 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/01/2009 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2010 numac 2010000011 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen. - Duitse vertaling type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/01/2009 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/02/2009 numac 2009009047 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen sluiten betreffende de continuïteit van de ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter herinnering : de aanbestedende overheid is niet verplicht alle in paragraaf 2 vermelde uitsluitingsgronden toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in deze bepaling opgesomde gevallen is de aanbestedende overheid dus niet verplicht de kandidaat of inschrijver van deelname aan de opdracht uit te sluiten. Niettemin houdt het beginsel van behoorlijk bestuur in dat een aanbestedende overheid zich niet met dergelijke kandidaten of inschrijvers inlaat. Alleen bij uitzondering, bijvoorbeeld wanneer een onderneming in moeilijkheden over een monopolie beschikt voor de levering van goederen bestemd voor de voltooiing van een installatie, zou de aanbestedende overheid een beslissing kunnen rechtvaardigen waarbij ze de betrokken onderneming toegang verleent tot de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie in het arrest van 16 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten sluiten6, C-213/07, Michaniki, dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd dat ze een limitatieve opsomming bevat van de uitsluitingsgronden voor de deelname aan een overheidsopdracht voor werken, die gebaseerd zijn op criteria inzake beroepsbekwaamheid. Ze belet een lidstaat evenwel niet om, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, andere uitsluitingsmaatregelen te bepalen om de transparantie en de gelijke behandeling van de inschrijvers te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangaande de bepalingen onder 1° en 2° die met name de gerechtelijke reorganisatie en elke vergelijkbare situatie beogen, wordt opgemerkt dat de aanbestedende overheid elk geval zorgvuldig dient te onderzoeken teneinde een te strakke toepassing van de bepaling van paragraaf 2 te vermijden, rekening houdend met de bijzonderheden van de wetgeving die van toepassing is op de gerechtelijke reorganisatie, met name op Belgisch niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw in vergelijking met de huidige reglementering zijn de bepalingen onder 3°, 4° en 5° die expliciet verwijzen naar een veroordeling inzake de uitvoer van defensie- en/of veiligheidsmateriaal, respectievelijk de beroepsfout op het vlak van gegevensbeveiliging of bevoorradingszekerheid en het gebrek aan betrouwbaarheid inzake de uitsluiting van risico's voor de veiligheid van de staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 3 en 4 gaan nader in op de bewijsstukken die in aanmerking kunnen worden genomen en bevatten bepalingen die gedeeltelijk overeenstemmen met die van de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van paragraaf 3 worden de documenten of getuigschriften vermeld op basis waarvan de verificatie van de toestand inzake de in de paragrafen 1 en 2 vermelde uitsluitingsgronden gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid voorziet, zoals vandaag, in alternatieve bewijsmiddelen voor het geval de in het eerste lid bedoelde documenten of getuigschriften niet worden uitgereikt in het betrokken land of daarin niet alle in § 1 en in § 2, 1°, 2°, 3°, bedoelde gevallen worden vermeld. Het gaat meer bepaald om de verklaring onder eed en de plechtige verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het ontwerp verschilt op dit vlak van de formulering van de huidige reglementering, in de zin dat voor het gebruik van de voornoemde alternatieve bewijsmiddelen niet langer een keuzemogelijkheid bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de voormelde documenten of getuigschriften in het betrokken land niet worden uitgereikt of niet toereikend zijn, dient voortaan in eerste instantie een beroep te worden gedaan op de verklaring onder eed, en staat de mogelijkheid van de plechtige verklaring enkel open wanneer in het betrokken land niet in een eed is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dient te worden onderstreept dat de verklaring onder eed niet mag worden verward met de verklaring op erewoord zoals bedoeld in paragraaf 4 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de verklaring onder eed wordt verwezen naar een specifiek systeem dat in sommige landen bestaat en waarbij via een bevoegde instantie aan verklaringen bewijskracht wordt verleend. Zo wordt in Groot-Brittannië de verklaring onder eed inzake sociale schulden afgelegd voor een « commissionner of oath ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de gelijkwaardigheid met de verklaring onder eed - waar het formeel karakter wordt verondersteld - te garanderen, wordt voor de plechtige verklaring expliciet vermeld dat ze moet worden afgelegd voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 vormt een nieuwe bepaling die aansluit bij de maatregelen inzake administratieve vereenvoudiging. Voor zover de aanbestedende overheid de in deze bepaling vermelde mogelijkheid aanwendt, volstaat een verklaring op erewoord van de kandidaten of inschrijvers waaruit blijkt dat zij zich niet in een uitsluitingstoestand bevinden als bedoeld in artikel 63, §§ 1 en 2. Deze verklaring kan expliciet zijn, wat betekent dat een gedateerd en ondertekend document bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Ze kan ook impliciet voortvloeien uit een bepaling in de aankondiging van opdracht of de andere opdrachtdocumenten dat door het loutere feit van de indiening van zijn aanvraag tot deelneming of offerte, de kandidaat of inschrijver verklaart zich niet in één van de daarin vermelde uitsluitingstoestanden te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de meeste procedures in twee fasen zal het instrument van de verklaring op erewoord niet nuttig zijn gezien, enerzijds, de korte tijdspanne die er doorgaans ligt tussen de indiening van de aanvragen tot deelneming en de selectiebeslissing en, anderzijds, het soms beperkt aantal afgewezen aanvragen tot deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring op erewoord mag niet worden gelijkgesteld met een bewijsmiddel. De aanbestedende overheid zal immers nog de echtheid van de verklaring op erewoord moeten onderzoeken. Daartoe verzoekt zij de kandidaten of inschrijvers die voor de selectie of de gunning van de opdracht in aanmerking komen de relevante inlichtingen of documenten voor te leggen alvorens de selectie- respectievelijk gunningsbeslissing te nemen. Indien zij conform artikel 62, § 1, via elektronische middelen kosteloos toegang heeft tot de bedoelde inlichtingen of documenten, verricht zij via die weg zelf het onderzoek voor zover dat mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte kan eraan worden herinnerd dat voor het verkrijgen van de nodige inlichtingen in toepassing van de paragrafen 3 en 4, desgevallend een beroep zal moeten worden gedaan op buitenlandse overheden. Wat de lidstaten van de Europese Unie betreft, bevat de website van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/internal_market/ publicprocurement/e-procurement/e-certis/index_fr.htm) informatie over de bewijsmiddelen en de nationale instanties die bevoegd zijn voor de afgifte van attesten. Art. 64.Dit artikel neemt grotendeels de bepalingen over van de huidige reglementering inzake de naleving van de sociale zekerheidsverplichtingen 1996. De paragrafen 1 en 2 van artikel 64 maken evenwel geen onderscheid meer naargelang de werkgever de Belgische of buitenlandse nationaliteit bezit, maar wel naargelang hij personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving, dan wel aan die van een andere lidstaat. In geval beide stelsels van toepassing zijn, dienen, overeenkomstig paragraaf 3, zowel de bepalingen van paragraaf 1 als deze van paragraaf 2 te worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het in België toepasselijke stelsel betreft, gelden vergelijkbare bepalingen als die vervat in de huidige reglementering. Nieuw is evenwel dat het volstaat dat het gevraagde attest betrekking heeft op het voorlaatste afgelopen kalenderkwartaal, ongeacht de datum waarop het opgesteld is. De kandidaat of inschrijver mag geen bijdrageschuld bezitten die groter is dan 3.000 euro (heden 2.500 euro), tenzij hij voor de schuld groter dan dit bedrag uitstel van betaling heeft gekregen waarvan hij de afbetalingen strikt in acht neemt. Bovendien blijft het huidige mechanisme behouden dat de kandidaat of inschrijver de mogelijkheid biedt zich te beroepen op schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis tegenover derden en voortvloeien uit de uitvoering van overheidsopdrachten. Wat dit laatste punt betreft, volstaat het niet dat de betrokkene een factuur voorlegt. Hij moet zich kunnen beroepen op een document dat uitgereikt wordt door een aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding van de bestaanszekerheid is opgeheven. Deze verplichting betreft immers een beperkt aantal werknemers. Bovendien wordt de naleving ervan gecontroleerd bij de toekenning van de erkenning van de aannemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is toepasselijk op de kandidaten of inschrijvers die personeel tewerkstellen dat niet onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid. In dat geval moet de naleving van de sociale zekerheidsverplichtingen worden beoordeeld op grond van de wettelijke bepalingen van het land van vestiging. De vaststelling van de toestand gebeurt evenwel ten laatste op de uiterste dag bepaald voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes, en niet langer op de dag die aan deze datum voorafgaat.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 behoeft geen commentaar.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 bepaalt dat de aanbestedende overheid voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag 30.000 euro niet bereikt (heden 22.000 euro), zelf het onderzoek moet doen naar de naleving van de verplichtingen. Net zoals in het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten sluiten5 is de voorlegging van de attesten als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 in dat geval dus niet vereist. Voor de bedoelde opdrachten vraagt de aanbestedende overheid de vereiste attesten zelf op bij de bevoegde instanties, wat eventueel kan gebeuren via elektronische middelen indien de aanbestedende overheid conform artikel 62, § 1, via deze middelen kosteloos toegang heeft tot de betrokken gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5 bevat een nieuwe bepaling toepasselijk op de kandidaten en inschrijvers die aan het sociale zekerheidsstelsel van de zelfstandigen zijn onderworpen. Hun toestand inzake betaling van de sociale bijdragen kan, voor de zelfstandigen die onderworpen zijn aan het in België toepasselijke stelsel, worden nagegaan aan de hand van een fiscaal attest dat wordt voorgelegd door de kandidaten of de inschrijvers. Dit attest wordt hen jaarlijks overgemaakt door het RSVZ. Een werkgever die het statuut van zelfstandige heeft en werknemers tewerkstelt, is verplicht om zowel een attest voor te leggen betreffende de sociale zekerheid van de zelfstandigen, voor zichzelf, als een attest betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, voor deze laatste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 6 stemt overeen met de huidige reglementering. Hij bepaalt dat de overlegging van de attesten als bedoeld in de paragrafen 1 tot 5, niet vereist is bij de indiening van de offerte indien dit reeds gebeurde tijdens een eerste procedurefase betreffende de aanvragen tot deelneming, op voorwaarde dat deze attesten betrekking hebben op dezelfde periode. Hetzelfde geldt ingeval artikel 62 toepassing vindt. Art. 65.Dit artikel van het ontwerp vormt een nieuwe bepaling betreffende de naleving van de beroepsmatige fiscale verplichtingen door de kandidaten of inschrijvers. Deze verplichtingen hebben betrekking op de belasting over de toegevoegde waarde en de personen- of de vennootschapsbelasting, en eventueel ook op de belastingen verbonden aan de beroepsactiviteit die voortvloeien uit een gewestelijke of lokale reglementering, al naargelang de door de aanbestedende overheid geëxpliciteerde en niet-discriminerende eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adjectief « beroepsmatige » heeft de bedoeling het onderzoek uit te sluiten van de niet-beroepsmatige fiscale schulden, zoals de succesie- of de schenkingsrechten, het kijk- en luistergeld,... Zouden daarentegen wel in rekening kunnen worden gebracht, de belastingen op de motorkracht, de computers, de burelen, het stedelijk roerend goed, het drankverbruik, enzovoort. Het is evenwel aangewezen dat men zich beperkt tot de belangrijkste fiscale verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het fiscale attest bepaalt de toestand van de kandidaat of inschrijver op het einde van de laatste afgelopen fiscale periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs dat een kandidaat of inschrijver zijn fiscale verplichtingen heeft nagekomen, moet worden geleverd conform de wettelijke bepalingen van het land van vestiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de fiscale verplichtingen betreft die van toepassing zijn in België, creëren het tweede en derde lid van artikel 65 een stelsel dat vergelijkbaar is met dat bedoeld in artikel 64, § 1, voor de schulden ten aanzien van de RSZ. Verder bevatten ze de toepasselijke voorschriften indien er sprake is van schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vrij zijn van elke verbintenis tegenover derden. Art. 66.Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering betreffende het toegangsverbod. Het houdt enkel vormelijke wijzigingen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens deze bepaling is de aanbestedende overheid verplicht de ingediende aanvraag tot deelneming of offerte voor een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten af te wijzen, indien de kandidaat of inschrijver belast werd met het onderzoek, de proeven, de studie of de ontwikkeling van die werken, leveringen of diensten, en die prestaties hem een voordeel verschaffen dat de normale mededingingsvoorwaarden vervalst. Dit zal vaak het geval zijn wanneer die persoon belast werd met de uitwerking van de opdrachtdocumenten en de nauwkeurige technische of architecturale opties heeft vastgelegd die overeenstemmen met degene waarmee hij het best vertrouwd is. Daarentegen zal dit normaal niet het geval zijn indien de eerste dienstverlening bijvoorbeeld tot doel had de algemene functionele voorschriften te bepalen die voor de uitvoering van een dergelijke opdracht door de meeste concurrenten zullen kunnen worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens daarover een gemotiveerde beslissing te nemen, moet de aanbestedende overheid de betrokken kandidaat of inschrijver evenwel per aangetekende brief vragen de schriftelijke verantwoordingen te bezorgen waarmee laatstgenoemde kan aantonen dat hij geen dergelijk voordeel geniet. Behalve indien een langere termijn is toegestaan, moeten deze verantwoordingen worden overgemaakt binnen twaalf kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de verzending van de aangetekende brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vormvereiste moet evenwel niet vervuld zijn indien de kandidaat of inschrijver deze verantwoordingen reeds op eigen initiatief bij zijn aanvraag tot deelneming of offerte heeft gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst vermeldt eveneens dat de betrokken kandidaat of inschrijver het bewijs moet kunnen leveren dat de verantwoordingen zijn verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aangetekende brief is dus aanbevolen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 heeft betrekking op de ondernemingen die verbonden zijn aan de betrokken kandidaat of inschrijver.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De uitzondering vermeld in de huidige reglementering voor opdrachten die zowel de opstelling als de uitvoering van een ontwerp inhouden, is niet overgenomen in het ontwerp, daar deze geen reële inhoud heeft, en deze betreffende de opdrachten geplaatst bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking nu is opgenomen in artikel 111, § 1, eerste lid, 2°, van dit ontwerp. Art. 67.Dit artikel bevat een nieuwe precisering die vermeld is in artikel 5.1, eerste alinea, van de richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling hoort logischerwijze eerder thuis bij de regels betreffende het toegangsrecht. Ze houdt in dat een kandidaat of inschrijver die gerechtigd is om prestaties uit te voeren in de lidstaat waar hij gevestigd is, niet mag worden afgewezen door een aanbestedende overheid louter op grond van het feit dat hij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. Art. 68.Deze nieuwe bepaling strekt ertoe de situatie te verduidelijken van de combinaties zonder rechtspersoonlijkheid, meer bepaald in België de feitelijke verenigingen en de tijdelijke handelsvennootschappen. Met het oog op de terminologische coherentie is evenwel geopteerd voor de term \"combinatie\" die gebruikt wordt in Richtlijn 2009/81/EG. Afdeling 3. - Kwalitatieve selectie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 herschikt de voorschriften inzake kwalitatieve selectie die</h3>\n<p class=\"lf-p\">tot doel hebben de draagkracht van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen. Deze bepalingen vermelden de referenties en bewijsstukken die de aanbestedende overheid kan vragen, maar niet het niveau ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt dus toe aan de aanbestedende overheid om in de aankondiging van opdracht eenduidig de referenties te bepalen die zij wenst te ontvangen, alsook de niveaus die de ondernemingen moeten bereiken om voor de selectie in aanmerking te worden genomen. Bij de procedures die gepaard gaan met de bekendmaking van een aankondiging van opdracht, moeten de belangstellende kandidaten of inschrijvers in de aankondiging zelf kennis kunnen nemen van de gevraagde referenties en bewijsstukken. Eventueel kan bijkomend, doch niet uitsluitend, worden verwezen naar de bepalingen van andere documenten die beschikbaar zijn bij de aanbestedende overheid (bestek of selectieleidraad), waartoe vrije, rechtstreekse, onmiddellijke en volledige toegang wordt verschaft via elektronische middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheid dient evenwel niet noodzakelijk alle gegevens op te vragen die vermeld zijn in de bepalingen betreffende de kwalitatieve selectie. Zij moet haar vraag afstemmen op het voorwerp van de opdracht en op wat haar noodzakelijk of nuttig lijkt om haar beslissing inzake selectie te nemen, en om deze beslissing te kunnen motiveren. Bijgevolg dient de aanbestedende overheid te vermijden gegevens op te vragen wanneer zij niet over de nodige interne of externe deskundigheid beschikt om deze te kunnen interpreteren. Art. 69.Dit artikel betreffende de financiële en economische draagkracht stemt overeen met de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 bepaalt dat de aanbestedende overheid moet aanduiden welke van de in de bepalingen onder 1°, 2° en 3° vermelde referenties of welke andere bewijskrachtige referenties ze verlangt. Het Hof van Justitie was bijvoorbeeld van oordeel dat het verbod om een maximum aantal gelijktijdig uit te voeren werken te overschrijden, rekening houdend met de erkenningsklasse, één van die andere bewijskrachtige referenties inzake werken kan uitmaken (HJEG, arrest van 9 juli 1987, samengevoegde zaken 27/86 tot 29/86, Bellini en CEI).</p>\n<p class=\"lf-p\">De referenties die kunnen worden gevraagd om de financiële en economische draagkracht te beoordelen, zijn derhalve niet limitatief opgesomd. Daarom worden de woorden « over het algemeen » gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de bankverklaring betreft als bedoeld in de bepaling onder 1°, bevat bijlage 2 van dit besluit een verplicht te gebruiken model dat door de bank moet worden ingevuld teneinde een passende verklaring te kunnen voorleggen. Het gaat om een nieuwe bepaling die tot doel heeft een einde te stellen aan een tot op heden bestaande toestand waarbij de bankverklaringen vaak niet verder gaan dan verklaringen over de bekendheid en ze geen daadwerkelijke verklaringen vormen betreffende de financiële en economische draagkracht van de kandidaat of inschrijver. Uiteraard betreft deze verklaring in essentie de door de bank gekende financiële toestand en engageert de bank zich niet om uit eigen beweging toekomstige wijzigingen in deze toestand aan de aanbestedende overheid te signaleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 2° bevat een aanpassing, daar de tekst van de huidige reglementering zonder onderscheid verwijst naar de balansen, de uittreksels uit balansen en de jaarrekeningen. Nochtans zijn het niet enkel de balansen, maar ook andere boekhoudkundige documenten, zoals de resultatenrekening, die een zeker nut kunnen hebben bij de beoordeling van de financiële en economische draagkracht van een kandidaat of inschrijver.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de referentieperiode betreft, vermeldt Richtlijn 2009/81/EG het maximumaantal boekjaren enkel voor de omzet als bedoeld in de bepaling onder 3°. Voor de toepassing van de bepaling onder 2° kan het verzoek daarentegen betrekking hebben op een periode die de drie laatste boekjaren overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2, tweede lid, heeft betrekking op het geval waarin een kandidaat of inschrijver niet in staat is om de referenties over te leggen die de aanbestedende overheid heeft gevraagd overeenkomstig deze paragraaf. Art. 70.De bepaling onder 1° van dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering die het mogelijk maken de technische of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen op grond van hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kunnen deze referenties gehanteerd worden voor bepaalde opdrachten voor werken, bijvoorbeeld de restauratie van beschermde gebouwen waarvoor de ondercategorie D 23 inzake erkenning voor aannemers te algemeen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 2° verruimt die bepaling, die tot op heden enkel van toepassing was op de opdrachten voor diensten, tot de opdrachten voor werken en de opdrachten voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn. Volgens de bepaling kunnen rechtspersonen worden verplicht de namen en de beroepskwalificaties te vermelden van de personen die belast zijn met de uitvoering. Art. 71.Zoals in de huidige reglementering bevat dit artikel een opsomming van de referenties die kunnen worden gevraagd voor de opdrachten voor werken, teneinde de technische en beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het combineren van de artikelen 70 en 71 voor de in artikel 70 bedoelde opdrachtcategorieën kan als volgt gebeuren : de aanbestedende overheid die, overeenkomstig artikel 70, de bekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers kan beoordelen aan de hand van met name hun knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid, beschikt over veel speelruimte bij het bepalen van het soort referenties dat ze in aanmerking neemt. Zo kan ze kiezen voor andere referenties dan die vermeld in artikel 71, bijvoorbeeld voor een ISO-certificering indien dit aangewezen is. Wanneer ze zich nochtans tegelijk steunt op de artikelen 70 en 71, kan ze de referenties van dit laatste artikel aanpassen aan de bijzondere eisen van de opdracht in kwestie. Indien ze daarentegen uitsluitend opteert voor de toepassing van artikel 71, moet de aanbestedende overheid aan de in dit laatste artikel beschreven voorschriften voldoen (voor de in de bepaling onder 5° vermelde verklaring betreffende de personeelsbezetting, moet ze zich bijvoorbeeld beperken tot de laatste drie jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, volgt uit artikel 75 van dit ontwerp dat geen andere referenties mogen worden verlangd dan die opgesomd in de artikelen 70 en 71. Art. 72.Zoals de huidige reglementering gaat artikel 72 nader in op de reglementering houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken waarvan de bepalingen dienen te worden toegepast in het kader van de kwalitatieve selectie. Het eerste en het tweede lid herinneren aan de drie door deze reglementering toegestane bewijsmiddelen, namelijk de overlegging hetzij van een Belgisch erkenningsgetuigschrift, hetzij van een gelijkwaardig getuigschrift, uitgereikt door de lidstaat waar de aannemer gevestigd is, hetzij van een dossier waaruit kan worden afgeleid dat de aannemer aan de voorschriften van die reglementering voldoet. Bijgevolg dient de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten één of meer categorieën of subcategorieën waartoe de uit te voeren werken behoren, alsook de vermoedelijke erkenningsklasse te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het eerstgenoemde bewijsmiddel betreft, is de lijst van de ondernemingen die over een Belgisch erkenningsgetuigschrift beschikken te vinden op de website van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geïnspireerd door de huidige reglementering bepaalt het derde lid dat de aanbestedende overheid zich bij open procedure of vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking kan beperken tot de eisen inzake erkenning met het oog op de selectie van de aannemers. De erkenningsreglementering bepaalt immers de basisvoorschriften van de kwalitatieve selectie wat de opdrachten voor werken betreft en die volstaan meestal voor de opdrachten gegund via open procedure. Deze bepaling is logischerwijze uitgebreid tot de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking. Art. 73.Dit artikel dat overeenstemt met de huidige reglementering, geeft een beperkende opsomming van de referenties die voor de opdrachten voor leveringen kunnen worden gevraagd ter beoordeling van de technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers. Referenties inzake studie- en beroepsgetuigschriften van het personeel dat met de uitvoering van de opdracht zal worden belast, of inzake maatregelen op het vlak van milieubeheer vallen daar bijvoorbeeld niet onder. Dit artikel geldt onverminderd de toepassing van artikel 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een opdracht voor leveringen waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn, mogen de artikelen 70 en 73, mutatis mutandis, worden gecombineerd, zoals uiteengezet in de commentaar bij artikel 71 betreffende de opdrachten voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ze daarentegen uitsluitend opteert voor de toepassing van artikel 73, moet de aanbestedende overheid aan de in dit laatste artikel beschreven voorschriften voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, volgt uit artikel 77 van dit ontwerp dat geen andere referenties mogen worden verlangd dan die opgesomd in de artikelen 70 en 73. Art. 74.Dit artikel dat overeenstemt met de huidige reglementering, geeft een opsomming van de referenties die voor de opdrachten voor diensten kunnen worden gevraagd ter beoordeling van de technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid van de kandidaten of inschrijvers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 70 en 74 mogen, mutatis mutandis, worden gecombineerd, zoals uiteengezet in de commentaar bij artikel 71 betreffende de opdrachten voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking verplicht is, volgt uit artikel 77 van dit ontwerp dat geen andere referenties mogen worden verlangd dan die opgesomd in de artikelen 70 en 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 75 en 76. Deze nieuwe bepalingen voorzien in de omzetting van de punten h en j van artikel 42.1, van Richtlijn 2009/81/EG, betreffende het bewijs van de technische en beroepsbekwaamheid inzake bevoorradingszekerheid en gegevensbeveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging 67 van de richtlijn luidt dienaangaande als volgt : \"Gezien de gevoeligheid van de sector is het van cruciaal belang dat de ondernemers aan wie opdrachten worden gegund, betrouwbaar zijn. Deze betrouwbaarheid hangt met name af van het feit of zij in staat zijn aan de door de aanbestedende dienst gestelde eisen inzake bevoorradingszekerheid en gegevensbeveiliging te voldoen. Daarnaast mag niets in deze richtlijn een aanbestedende dienst verhinderen een ondernemer in welke fase van het proces ook uit te sluiten voor de gunning van een opdracht, als de aanbestedende dienst informatie heeft dat, als de opdracht geheel of gedeeltelijk aan die ondernemer wordt gegund, dit een risico kan inhouden voor de essentiële veiligheidsbelangen van de betrokken lidstaat.\" Het laatste lid van artikel 76 verduidelijkt dat een verificatieaanvraag vanwege een aanbestedende overheid via de nationale Belgische veiligheidsoverheid wordt overgemaakt aan de nationale veiligheidsoverheid van de Staat van de kandidaat of inschrijver.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze precisering is niet vermeld in Richtlijn 2009/81/EG maar wel noodzakelijk om operationele redenen. Een nationale veiligheidsoverheid van een andere Staat zal deze gegevens in de praktijk nooit overmaken zonder tussenkomst van de nationale Belgische veiligheidsoverheid. Art. 77.Volgens deze nieuwe bepaling kunnen voor de opdrachten waarvoor een voorafgaande Europese bekendmaking niet verplicht is, referenties worden verlangd andere dan deze bedoeld in de artikelen 70, 71, 73 en 74 (bijvoorbeeld : bij opdrachten voor leveringen waarvoor geen plaatsings- of installatiewerken nodig zijn en die derhalve niet begrepen zijn in artikel 70, eisen inzake knowhow, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid). Het dient evenwel steeds te gaan om passende referenties, rekening houdend met de opdracht in kwestie. Art. 78.Het gaat om een nieuwe bepaling die het geval regelt waarin een kandidaat of inschrijver om gegronde redenen niet in staat is de gevraagde referenties inzake technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid voor te leggen. Art. 79.Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens dit artikel kan een kandidaat of een inschrijver zich voor welbepaalde opdrachten beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn band met die entiteiten. Hij moet de aanbestedende overheid evenwel het bewijs leveren dat hij werkelijk over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen zal beschikken die deze entiteiten ter beschikking stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe moet de kandidaat of inschrijver de aanbestedende overheid het schriftelijk bewijs voorleggen dat hij, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht, een beroep kan doen op de diensten van de entiteiten waarnaar hij verwijst, en dat deze entiteiten, rekening houdend met de vermelde referenties, een passend deel van de uitvoering voor hun rekening zullen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde bepaling is van toepassing op de combinaties van kandidaten of inschrijvers voor de draagkracht van de deelnemers aan de combinatie en van andere entiteiten die daarvan geen deel uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid preciseert dat de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten voor een kandidaat of een inschrijver de mogelijkheid kan beperken om zich te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten wanneer aan deze laatste het toegangsrecht is ontzegd op grond van artikel 20 van de wet. De bedoeling van deze bepaling is te vermijden dat artikel 20 van de wet zou worden omzeild, onder meer via een beroep op de onderaanneming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. Het gaat nader in op het bewijs van de inschrijving van de kandidaten of inschrijvers in het beroeps- of handelsregister volgens de wetgeving van het land waar ze gevestigd zijn. Bijlage 3 van dit ontwerp vermeldt de registers en de verklaringen die voor de andere lidstaten overeenstemmen met bijlage IX van Richtlijn 2009/81/EG. Voor de ondernemingen die een vestiging hebben in België kan de aanbestedende overheid deze gegevens rechtstreeks inwinnen bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (zie artikel 62, § 1). Nieuw is de mogelijkheid van een verklaring onder eed, wanneer in een bepaald land geen attesten worden afgeleverd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. Het bepaalt dat de dienstverleners kunnen worden verzocht het bewijs te leveren dat zij in hun land van herkomst de betrokken dienst mogen verrichten wanneer ze er over een bijzondere vergunning moeten beschikken of lid moeten zijn van een bepaalde organisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. Het bevat een voorschrift betreffende de overeenstemming met bepaalde kwaliteitsnormen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering. In de gevallen bedoeld in de artikelen 71, 4°, en 74, 4°, van het ontwerp, wanneer de aard van de werken of diensten rechtvaardigt dat bij de uitvoering van de opdracht milieubeheermaatregelen of -systemen worden toegepast, kan de toepassing van dergelijke maatregelen of systemen worden verlangd Milieubeheersystemen kunnen, onafhankelijk van hun registratie overeenkomstig de communautaire instrumenten zoals Verordening (EG) nr. 761/2001 (EMAS) het bewijs leveren van de technische bekwaamheid van de aannemer of dienstverlener om de opdracht uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie over EMAS is onder meer te vinden op de website van de Europese Commissie. Bovendien moet een beschrijving van de door de aannemer of de dienstverlener toegepaste maatregelen om hetzelfde niveau inzake milieubescherming te waarborgen, als alternatief bewijsmiddel voor geregistreerde milieubeheersystemen, worden aanvaard. Art. 84.Het eerste lid van dit artikel stemt overeen met de bepalingen van de huidige reglementering betreffende het vermoeden van geschiktheid dat voortvloeit uit de inschrijving van een aannemer, leverancier of dienstverlener op een officiële lijst in een andere lidstaat of uit het door de bevoegde certificeringsinstelling afgeleverde certificaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat de gegevens die uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, niet zonder verantwoording ter discussie kunnen worden gesteld. HOOFDSTUK 6. - Gunning bij aanbesteding en offerteaanvraag Afdeling 1. - Vorm, inhoud en ondertekening offerte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt gedeeltelijk overeen met de bepalingen van de huidige reglementering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is gebruikelijk dat de aanbestedende overheid bij de opdrachtdocumenten een formulier voegt voor het opmaken van de offerte en het invullen van de samenvattende opmeting of de inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inschrijver, in toepassing van de huidige reglementering, zijn offerte opstelt op andere documenten dan het daartoe voorziene formulier, moet hij op elk van deze documenten verklaren dat deze in overeenstemming zijn met het bedoelde formulier. Artikel 85 van het ontwerp beperkt zich voortaan tot de bepaling dat de inschrijver in dat geval de verantwoordelijkheid draagt voor de volledige overeenstemming tussen de documenten die hij gebruikt en het formulier. Deze bepaling heeft als doel effectiever te zijn dan de opgeheven formaliteit van de conformiteitsverklaring. Art. 86.Dit artikel bevat enkele bepalingen van de huidige reglementering betreffende de in de offerte te vermelden inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 2° van het eerste lid vermeldt nu bij de in de offerte op te nemen gegevens, het totale offertebedrag, in voorkomend geval belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Niet alle inschrijvers zijn immers btw-plichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gegevens omvatten ook de prijstoeslagen, kortingen of verbeteringen, alsook de voorgestelde prijskortingen of verbeteringen in geval van toepassing van artikel 94 betreffende de opdrachten in percelen. Er wordt ter zake verwezen naar de commentaar bij artikel 13 van het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien moet worden opgemerkt dat bij een beperkte procedure, de voormelde verplichting tot het vermelden van de identiteit van de onderaannemers een regelmatigheidsvereiste voor de offerte vormt, wanneer de draagkracht van de onderaannemers en van de andere entiteiten als bedoeld in artikel 79 bepalend is geweest voor de selectie van de betrokken inschrijver.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de bepaling onder 5° moet de oorsprong en de waarde van de geleverde producten en de verwerkte materialen die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie enkel worden vermeld voor zover de opdrachtdocumenten dit opleggen. Deze vermeldingen zouden de aanbestedende overheid die dit heeft voorzien, moeten toelaten een offerte te verwerpen die dergelijke producten of materialen bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden niet beschouwd als derde landen, de landen waarmee een verdrag of een internationaal akkoord inzake overheidsopdrachten is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 6° heeft betrekking op de voorkeurvolgorde die de toepassing van artikel 94, tweede lid, mogelijk moet maken ingeval een inschrijver offertes indient voor meerdere percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat de verduidelijking dat elke deelnemer aan een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid in zijn offerte de identificatiegegevens van de inschrijver, als bedoeld in het eerste lid, punt 1°, moet vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het derde lid van artikel 86 bepalen de opdrachtdocumenten desgevallend de wijze van terbeschikkingstelling van de documenten, modellen, monsters en andere inlichtingen. Deze worden bij de offerte gevoegd of op een andere wijze overgelegd. Art. 87.Dit artikel betreffende de ondertekening van de offerte neemt meerdere bepalingen over van de huidige reglementering, op enkele formele aanpassingen na.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 2 en 3 betreffen de ondertekening van een offerte ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid, respectievelijk de ondertekening door een gemachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 verduidelijkt dat geen bijkomende volmacht is vereist wanneer de offerte elektronisch wordt ondertekend door een certificaat op naam van een rechtpersoon die daarbij enkel een verbintenis aangaat voor eigen naam.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is het namelijk zo dat : - de volmacht van de natuurlijke persoon die over dit certificaat beschikt, niet bij de aanvraag tot deelneming of offerte moet worden gevoegd. Deze volmacht werd immers reeds gecontroleerd door de certificerende instantie die het gekwalificeerd certificaat heeft verstrekt. Deze instantie staat in voor de waarachtigheid van de vermeldingen op het certificaat; - de aanbestedende overheid niet hoeft na te gaan welke natuurlijke persoon over het certificaat beschikt en evenmin inlichtingen dient in te winnen over diens bevoegdheid; - deze afwijking slechts van toepassing is indien de rechtspersoon enkel een verbintenis aangaat in eigen naam en voor eigen rekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de rechtspersoon optreedt als gevolmachtigde, moet het mandaat worden bijgevoegd; - de aanbestedende overheid daarentegen wel rekening moet houden met de vermeldingen op het certificaat. Wanneer het volgens het certificaat bijvoorbeeld niet mogelijk is om de rechtspersoon aansprakelijk te stellen voor verbintenissen die een bepaald bedrag overschrijden en de waarde van de offerte hoger ligt dan dit bedrag, moet deze offerte als nietig worden beschouwd. Afdeling 2. - Samenvattende opmeting en inventaris</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 88</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel betreffende de samenvattende opmeting, vereenvoudigt en herstructureert bepalingen van de huidige reglementering</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 bepaalt dat indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting is gevoegd, de inschrijver die invult en de nodige berekeningen doet.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is gewijd aan de verbeteringen door de inschrijver van diverse fouten in de forfaitaire en vermoedelijke hoeveelheden en van de leemten in de samenvattende opmeting. Deze verbeteringen moeten worden verantwoord in een nota die de inschrijver bij zijn offerte voegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande regeling betreffende de verbetering van de vermoedelijke hoeveelheden wordt op diverse punten gewijzigd. Vooreerst wordt het voorschrift geschrapt dat de bedoelde verbetering slechts mogelijk is voor zover toegestaan in het bestek. Verder verbetert de inschrijver de vermoedelijke hoeveelheden voortaan slechts op voorwaarde dat de voorgestelde verbetering minstens vijfentwintig procent - in plaats van tien procent - in meer of in min van de hoeveelheid van de betrokken post bedraagt. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd om de flagrante vergissingen in de vermoedelijke hoeveelheden altijd te laten verbeteren door de inschrijvers. Art. 89.Dit artikel betreffende de inventaris, behoudt en vereenvoudigt bepalingen van de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de oplossing waarvoor is geopteerd in artikel 88 in verband met de samenvattende opmeting van een opdracht voor werken, mag de inschrijver bij een opdracht voor leveringen of diensten de in de inventaris vermelde hoeveelheden in principe niet wijzigen, ongeacht of die forfaitair of vermoedelijk zijn. De opdrachtdocumenten kunnen dergelijke wijzigingen evenwel toestaan en de voorwaarden hiervoor vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende aanpak op dit punt tussen opdrachten voor leveringen en diensten en opdrachten voor werken is verantwoord doordat de samenvattende opmetingen vaker complex zijn en derhalve gemakkelijker onjuiste hoeveelheden kunnen bevatten. Bij opdrachten voor leveringen en diensten liggen de behoeften van de aanbestedende overheid in principe in al hun aspecten vast bij het opmaken van de opdrachtdocumenten. Afdeling 3. - Interpretatie, fouten en leemten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel hergroepeert enkele bepalingen van de huidige reglementering</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 bevat de te respecteren voorrangsorde voor de interpretatie in geval van tegenspraak tussen de opdrachtdocumenten.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De opdrachtdocumenten kunnen nochtans een andere voorrangsorde bepalen. Deze bepaling wordt uitgebreid van de opdrachten voor werken tegen globale prijs naar alle opdrachten zonder onderscheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 bepaalt dat de gegevens van de samenvattende opmeting enkel als eenvoudige inlichtingen gelden, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid kan deze bepaling toepasselijk worden gemaakt voor de opdrachten voor leveringen en diensten. Art. 91.Dit artikel dat overeenstemt met de huidige reglementering, handelt over de vergissingen of leemten die de prijsberekening of een vergelijking van de offertes onmogelijk maken. Voorbeeld : het ontbreken van bewapeningsgegevens waardoor het niet mogelijk is de hoeveelheden staal te berekenen voor een bouwwerk in gewapend beton, het ontbreken van de gunningscriteria bij offerteaanvraag, een wezenlijk verschil tussen de Franse en de Nederlandse versie van de opdrachtdocumenten,... In dat geval moet de aannemer, leverancier of dienstverlener die zinnens is een offerte in te dienen dit onmiddellijk aan de aanbestedende overheid melden, ten laatste tien dagen vóór de datum van de opening van de offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van het belang van de vastgestelde fouten of leemten, moet de aanbestedende overheid oordelen of passende maatregelen al dan niet nodig zijn. Deze kunnen variëren naargelang de gekozen gunningswijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de opdracht bijvoorbeeld geplaatst wordt via een open procedure, dient eventueel een rechtzetting te worden bekendgemaakt en de termijn voor de indiening van de offertes, indien nodig, te worden verlengd met een redelijke termijn. Bij beperkte procedure is het eventueel aangewezen de aangepaste documenten ter beschikking te stellen van de geselecteerden en, indien nodig, de termijn voor de indiening van de offertes te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat de termijn van tien dagen niet zal kunnen worden nageleefd, met name wanneer de termijn voor het indienen van de offertes voor de opdracht in kwestie is ingekort. In dat geval blijven de verstrekte inlichtingen evenwel hun nut behouden, en wanneer de aanbestedende overheid niet meer de tijd heeft om de nodige maatregelen te nemen, kan ze, indien zij beslist heeft de zitting uit te stellen, niet overgaan tot de opening van de ontvangen offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de beoordeling van de aanbestedende overheid moet een schriftelijke neerslag bestaan in het gunningsdossier. Art. 92.Dit artikel hergroepeert enkele bepalingen van de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid verruimt de toepassing van de bepaling naar de opdrachten voor leveringen en diensten. Deze oplossing is immers ook voor die opdrachten nuttig. Vanaf de opening van de zitting kunnen de inschrijvers zich niet meer beroepen op fouten of leemten in de samenvattende opmeting of de inventaris. Deze bepaling is verantwoord door de verplichting die artikel 91 aan de inschrijvers oplegt, enerzijds, en door het vermijden van elk risico van speculatie, anderzijds, en meer algemeen door de gelijke behandeling en de eerlijke mededinging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat de inschrijvers zich niet kunnen beroepen op vormgebreken, fouten of leemten in hun offerte na de opening van de zitting. Afdeling 4. - Prijsopgave en percelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in de huidige reglementering verduidelijkt dit artikel dat de prijzen in de offerte in euro worden uitgedrukt en dat het totale offertebedrag voluit wordt geschreven. Nieuw is de bepaling dat dit laatste enkel nog geldt voor de eenheidsprijzen indien de opdrachtdocumenten dit opleggen In geval van verschil tussen de prijzen uitgedrukt in cijfers en deze uitgedrukt in letters, wordt er geen specifieke regeling meer behouden en wordt de algemene regel van artikel 101 voortaan toegepast. Art. 94.Het eerste lid van dit artikel neemt gedeeltelijk, in gewijzigde vorm, de bepalingen over die heden van toepassing zijn inzake de percelen. Het vermeldt voortaan dat indien de opdrachtdocumenten het niet verbieden, de inschrijver, naargelang de procedure, in zijn offertes voor meerdere percelen prijskortingen of verbeteringen mag aanbieden indien hem bepaalde percelen worden gegund. Dergelijke prijskortingen of verbeteringen zijn tot op heden enkel mogelijk indien het bestek dit toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheden worden geattendeerd op de moeilijkheid die kan voortvloeien uit de toepassing van kortingen ingeval gebruik wordt gemaakt van de elektronische veiling als bedoeld in de artikelen 130 en volgende, meer bepaald wanneer het systeem niet toelaat om rekening te houden met het effect van de kortingen op de verschillende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor de inschrijver om in zijn offerte een voorkeurvolgorde te vermelden ingeval hij voor meerdere percelen een offerte indient en de aanbestedende overheid toepassing maakt van artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, en de betrokken inschrijver het vereiste minimale niveau niet haalt. Afdeling 5. - Indiening offertes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 95</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt grotendeels overeen met de toepasselijke bepalingen in de huidige reglementering betreffende de indieningswijze van de offertes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 is van toepassing op de offertes op papier en op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgemaakt (bijvoorbeeld een offerte op cd-rom of op een andere digitale drager).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling maakt een onderscheid tussen de offertes verzonden via een postdienst en deze bezorgd per drager. In geval van offertes overgemaakt via een postdienst, d.w.z. via bpost of een ander post- of koerierbedrijf, kunnen via de formaliteit van de dubbele envelop schadeverwekkende gevolgen worden vermeden ten gevolge van een accidentele opening van de envelop die een offerte bevat. Indien de offerte zelf zou geopend zijn, zou dit immers de nietigheid ervan met zich brengen. Op te merken valt dat de formaliteit van de dubbele envelop van toepassing zal zijn op de \"veiligheidskopie\" als bedoeld in artikel 54, § 3, eerste lid, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verzending per drager (in de handen van de daartoe aangeduide persoon of in een daartoe bestemde offertebus), zal een dergelijk risico daarentegen niet bestaan en heeft de formaliteit van een dubbele envelop weinig zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst bevat een verduidelijking voor de offertes die per drager worden overgemaakt. Teneinde geschillen naar aanleiding van het indienen van offertes te vermijden, is bepaald dat de offertes hetzij moeten worden overhandigd aan de persoon die daartoe door de aanbestedende overheid is aangeduid, hetzij moeten worden gedeponeerd in een daartoe bestemde offertebus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is ook toepasselijk op de met elektronische middelen opgestelde offertes die niet via deze middelen worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 bepaalt het uiterste tijdstip voor het indienen van de offertes en geldt zowel voor de op papier als voor via elektronische middelen opgestelde offertes. De praktijk die erin bestaat het uiterste tijdstip voor de indiening van de offertes en dit voor de opening ervan te scheiden, is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De offertes moeten bij de voorzitter toekomen vóór hij de zitting geopend verklaart. Daarbij is de uitzondering behouden voor de offertes die nog niet zijn toegekomen, maar die ten minste vier kalenderdagen vóór de datum van de openingszitting als aangetekende brief zijn verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden twee bijkomende uitzonderingen betreffende de elektronische offertes bepaald zoals in de huidige reglementering. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 54, § 3, dat de gevallen van de \"dubbele zending\" (vereenvoudigde zending gevolgd door de aanvraag tot deelneming of de volledige offerte) en de veiligheidskopie verduidelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede gelet op de opmerking van de Raad van State in punt 34 van zijn advies, verdient de kwestie van de laattijdige indiening van offertes een verduidelijking. Ongeacht of de oorzaak bij de inschrijver ligt, brengt de laattijdige indiening de weigering van de offerte mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Precies door het stellen van een absolute limiet, is de gelijke behandeling van alle deelnemers ten deze gewaarborgd, doordat ze de garantie hebben dat elke niet tijdig ingediende offerte zal worden geweigerd. Deze strikte basisspelregel is ook ingegeven door de wil om misbruiken te voorkomen en om een recente tendens in een deel van de rechtspraak een halt toe te roepen. Die tendens gaat ervan uit dat de bepalingen van de huidige reglementering niet noodzakelijk tot een onregelmatigheid moeten leiden ingeval de gelijkheid tussen de inschrijvers niet is bedreigd. Nochtans ligt de oorzaak aan de basis vaak bij de inschrijver zelf of bij het door hem ingeschakelde post- of koeriersbedrijf, die de offerte gewoon bij de ontvangstbalie van de aanbestedende overheid achterlaten, weliswaar tijdig, maar zonder acht te slaan op het voorschrift dat de offerte aan een bepaalde persoon of op een bepaalde plek moet worden afgegeven. Een offerte die tijdig is afgegeven aan de daartoe aangeduide persoon zal daarentegen steeds als een geldig ingediende offerte worden beschouwd. De tekst preciseert ten slotte dat laattijdige offertes die niet aan de voorwaarden voldoen, voortaan hetzij worden geweigerd, ingeval de offerte wordt aangeboden tijdens de zitting, hetzij worden bewaard zonder ze te openen, in de andere gevallen. Art. 96.Dit artikel betreffende de wijziging en intrekking van reeds opgestuurde of ingediende offertes, stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 1 zijn de woorden \"op straffe van nietigheid van de offerte\" vermeld in de huidige reglementering, geschrapt. Het komt immers aan de aanbestedende overheid toe zich over de gevolgen van een eventueel gebrek aan duiding bij de wijziging van de offerte uit te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 maakt het mogelijk de intrekking per telefax of via een elektronische middel dat niet overeenkomstig is met artikel 54, § 1, mee te delen alvorens de zitting wordt geopend. De mededeling per telegram of telex is geschrapt, daar deze middelen in de praktijk niet meer worden gebruikt. Afdeling 6. - Opening offertes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel, dat handelt over de zittingsprocedure, stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bepaling betreffende de gekozen oplossing in geval van technische moeilijkheden waarbij het niet mogelijk is om tijdens de zitting de met elektronische middelen opgestelde offertes te openen en te onderzoeken, nu in artikel 99 van dit ontwerp is opgenomen Het bedrag bedoeld in de bepaling onder 5°, inzake de voorlezing van de prijzen bij aanbesteding, betreft het totale offertebedrag, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Indien de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris bevatten, moet het totale offertebedrag worden voorgelezen uit het offerteformulier en niet uit de samenvattende opmeting of de inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de bepaling onder 6° moeten de voorzitter of een bijzitter de offerte en de wijzigingen en intrekkingen verplicht paraferen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast paraferen zij eveneens de bijlagen die zij het belangrijkst achten, mede rekening houdende met wat materieel haalbaar is. Een ander authentificatiemiddel kan nochtans de paraaf vervangen, zoals een stempel of een naamstempel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de offertes via elektronische middelen conform artikel 54, § 1, zijn opgesteld, plaatst de voorzitter of een bijzitter zijn elektronische handtekening op de documenten. De elektronische handtekening van een document genereert een « hash » (code gevormd door opeenvolging van cijfers en letters) die uniek is voor het document. Deze formaliteit is evenwel niet vereist indien de door de aanbestedende overheid gebruikte elektronische middelen toelaten de integriteit van de documenten na hun opening te controleren. Zelfs als men in het document gewoonweg een spatie zou invoegen zou de hash daardoor gewijzigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In document geval van elektronische offertes kunnen de hashs van de documenten worden opgenomen in het proces-verbaal van de openingszitting dat wordt ondertekend. Het is dus niet nodig om alle documenten die deel uitmaken van de offertes te ondertekenen, vermits de controle op de integriteit van een document op elk ogenblik kan worden uitgeoefend. Art. 98.Dit artikel betreft het proces-verbaal van de openingszitting. Het bepaalt dat het proces-verbaal de opmerkingen die elke aanwezige persoon wenst opgenomen te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige wijzigingen ten opzichte van de huidige reglementering betreffen het tweede lid, volgens hetwelk de ondertekening door de voorzitter volstaat, en het derde lid, dat voortaan van toepassing is op alle inschrijvers, ongeacht of zij de openingszitting hebben bijgewoond. Art. 99.Dit artikel betreffende het organiseren van een bijkomende openingszitting, stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering. Een dergelijke zitting moet plaatsvinden : - wanneer offertes, wijzigingen of intrekkingen te laat zijn ingediend, maar overeenkomstig de artikelen 95 en 96 toch in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien deze ten laatste vier kalenderdagen vóór de datum van de opening van de offertes per aangetekende brief werd afgegeven. Indien de aangetekende brief met deze offerte, de intrekking of de wijziging ervan evenwel nog tijdens de zitting bij de voorzitter toekomt, kan die onmiddellijk worden geopend. Een bijkomende zitting is in dat geval dan ook niet vereist; - in geval van technische moeilijkheden waarbij het niet mogelijk is om tijdens de oorspronkelijke openingszitting, een met elektronische middelen opgestelde offerte te openen en te onderzoeken, behalve indien een veiligheidskopie is geopend tijdens de openingszitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 99 bepaalt verder dat de modaliteiten zoals omschreven in de artikelen 97, derde lid, punten 4° tot 6°, en 98, betreffende het verloop van de zitting en het opmaken van het proces-verbaal van de openingszitting hier eveneens van toepassing zijn, en dit vanuit een bekommernis van transparantie en gelijke behandeling van de inschrijvers. Afdeling 7. - Onderzoek en regelmatigheid offertes Er zij aan herinnerd dat de gunning van een overheidsopdracht drie opeenvolgende fasen omvat : 1° het onderzoek van de uitsluitingscriteria, de economische en financiële draagkracht en de technische of beroepsbekwaamheid;2° het onderzoek naar de regelmatigheid van de offertes;3° het onderzoek van de overgebleven regelmatige offertes en de beoordeling ervan op basis van één of meer gunningscriteria. In de open procedures worden offertes die de eerste fase niet doorstaan, niet verder onderzocht ten opzichte van de elementen van de tweede en de derde fase, en worden de offertes die het regelmatigheidsonderzoek niet doorstaan, niet verder onderzocht ten opzichte van de elementen van de derde fase.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beperkte procedures heeft het onderzoek betreffende de eerste fase geen zin meer omdat enkel de geselecteerden de mogelijkheid hebben gehad om een offerte in te dienen. Dit belet de aanbestedende overheid niet om voorafgaand aan de gunning, op basis van nieuwe gegevens alsnog een geselecteerde uit te sluiten. Art. 100.Dit artikel heet betrekking op de regelmatigheid van de offertes bij open en beperkte procedure. De huidige toepasselijke bepalingen worden geherdefinieerd en geherformuleerd. Het daarin gemaakt onderscheid tussen substantiële en niet-substantiële onregelmatigheden is ongewijzigd behouden, doch wordt hier niet verder gepreciseerd omdat dit geval per geval voor elke onregelmatigheid moet worden uitgemaakt. Wat de gevolgen van de substantiële onregelmatigheid betreft, is ook het gemaakte onderscheid behouden tussen de gevallen van absolute nietigheid en de gevallen van relatieve nietigheid van de betrokken offertes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bepaalt dat bij het regelmatigheidsonderzoek van de offertes zowel de formele regelmatigheid als de materiële regelmatigheid wordt onderzocht. Dit onderscheid wordt reeds gehanteerd, maar is nu uitdrukkelijk opgenomen in het ontwerp om rekening te kunnen houden met de eisen inzake formele regelmatigheid die vervat zijn in een aantal bepalingen van de wet, inzonderheid in artikel 25 ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid moet een offerte steeds als formeel onregelmatig worden beschouwd wanneer ze afwijkt van de essentiële vormvoorschriften vervat in de artikelen 6, § 1, 53, § 2, 54, 56, § 2, 57, 85, 86, 87, 95 en 96 en in de opdrachtdocumenten. De verwijzing naar artikel 85 betekent evenwel niet dat de inschrijver de erin voorziene mogelijkheid niet meer zou kunnen benutten om een ander formulier te gebruiken dan het bij de opdrachtdocumenten gevoegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dat voorbehoud en na het substantiële karakter van de vastgestelde onregelmatigheid te hebben bepaald, is de aanbestedende overheid verplicht de betrokken offerte te weren. In deze gevallen moet de offerte immers als absoluut nietig worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft de aanbestedende overheid ook de mogelijkheid een offerte als formeel onregelmatig te beschouwen indien zij niet in overeenstemming is met de andere vormvoorschriften. In dat geval beschikt de aanbestedende overheid over een grotere speelruimte dan in het kader van de eerste zin van het tweede lid. Zij dient immers niet enkel na te gaan of de offerte substantieel onregelmatig is, maar, in bevestigend geval, ook te beslissen of ze moet worden geweerd naargelang de bijzonderheden van elk concreet geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid gaat nader in op de materiële onregelmatigheid van de offerte. Een offerte is materieel onregelmatig wanneer ze afwijkt van de essentiële bepalingen van de opdracht, betreffende met name de prijzen, termijnen en technische specificaties. Hierbij wordt herinnerd aan de gangbare interpretatie dat niet elke afwijking betreffende de prijzen, termijnen en technische specificaties die geen essentiële afwijking uitmaakt, substantieel onregelmatig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkingen op de hierboven vermelde technische specificaties moeten worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van artikel 7, § 3 en § 4. Deze verbieden de aanbestedende overheid om een offerte af te wijzen omdat de geboden producten of diensten niet aan de in de opdrachtdocumenten vermelde specificaties, prestaties of functionele eisen zouden beantwoorden, indien de inschrijver in zijn offerte aantoont dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze aan de in de opdrachtdocumenten gestelde eisen voldoen. Het is dus pas wanneer de inschrijver dit bewijs niet levert dat zijn offerte als onregelmatig kan worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft de aanbestedende overheid de mogelijkheid een offerte als materieel onregelmatig te beschouwen indien zij : - niet in overeenstemming is met de bepalingen van hoofdstuk 1, afdeling 6 tot 11, en van hoofdstuk 6, afdelingen 2 tot 4. Hierbij worden enkel de bepalingen bedoeld die verplichtingen opleggen aan de inschrijvers; - enig voorbehoud inhoudt of elementen bevat die niet met de werkelijkheid overeenstemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hypothese van de abnormale prijzen is daarentegen niet vermeld in de bepaling die de onregelmatigheden opsomt die tot een relatieve nietigheid leiden. Deze keuze is ingegeven door de wil om rekening te houden met de recente evolutie in de rechtspraak van de Raad van State. Immers, volgens het arrest nr. 198.368 van 30 november 2009, SPLL SOGEPAR, dient wanneer een eenheidsprijs als abnormaal laag is bestempeld en de gegeven verantwoordingen niet zijn aangenomen, de aanbestedende overheid de offerte als onregelmatig te weren. Het gaat alsdan om een absolute nietigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze strenge benadering wordt evenwel getemperd doordat overeenkomstig artikel 22 van dit ontwerp het voortaan, zelfs bij aanbesteding, mogelijk is de inschrijver over een prijs te ondervragen zonder de procedure van het onderzoek van abnormale prijzen op te starten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overwegingen over het tweede lid wat de rechten en verplichtingen van de aanbestedende overheid betreft, gelden mutatis mutandis ook voor de onregelmatigheden bedoeld in het derde lid van het ontwerp. Art. 101.De paragrafen 1 tot 3 van dit artikel nemen huidige toepasselijke bepalingen over en voeren voor de aanbesteding en de offerteaanvraag een uniform systeem in voor de verbetering door de aanbestedende overheid van de rekenfouten en de louter materiële fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1, tweede lid, bepaalt dat om deze fouten in de offertes te verbeteren, de aanbestedende overheid de werkelijke bedoeling van de inschrijver moet nagaan door de offerte te onderzoeken en haar te vergelijken met de andere offertes en de marktprijzen (de notie dat dit \"met alle middelen\" moet gebeuren is daarbij verlaten). Enkel indien dit niet tot een oplossing leidt, kan ze paragraaf 4 toepassen en de inschrijvers vragen hun werkelijke bedoeling te verduidelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzoeken om verantwoording bedoeld in artikel 104 kunnen hiervoor niet worden aangegrepen, vermits in dat artikel staat vermeld dat artikel 102 eerst moet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit paragraaf 1, derde lid, blijkt dat wanneer geen toelichting wordt verstrekt na dit verzoek, of de toelichting voor de aanbestedende overheid niet aanvaardbaar is, deze laatste de fouten naar eigen bevindingen verbetert. Indien dit onmogelijk is, kan de aanbestedende overheid, zoals in de huidige reglementering, beslissen dat de opgegeven eenheidsprijzen van toepassing zijn of de offerte als onregelmatig afwijzen. Deze laatste keuze valt geval per geval te motiveren door de aanbestedende overheid, in functie van de eigenheden van elk dossier. Zo zou de aanbestedende overheid een offerte kunnen aanvaarden niettegenstaande het feit dat de verbetering van materiële of rekenfouten daarin niet mogelijk is doordat de toelichting van de inschrijver niet aanvaardbaar is of er geen toelichting is gegeven, wanneer de fout de prijs van een te verwaarlozen post betreft, die hoe dan ook geen impact heeft op de rangschikking en/of de vergelijkbaarheid van de offertes, en waarvan het ongemoeid laten de gelijkheid van de inschrijvers niet in het gedrang brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling die nader ingaat op de verbetering van de offertes voor de rekenfouten en louter materiële fouten die de aanbestedende overheid of een inschrijver in de opdrachtdocumenten ontdekt. Deze verbeteringen laten toe om de gunning op een zo correct mogelijke basis te laten gebeuren, om de vergelijkbaarheid van de offertes te bevorderen en zonder de gelijke behandeling van de inschrijvers in het gedrang te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 betreffende de rechtstreekse verbetering door de aanbestedende overheid van fouten in de met elektronische middelen opgestelde offertes, stemt overeen met de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 bepaalt dat de aanbestedende overheid de inschrijvers kan vragen de draagwijdte van hun offerte te verduidelijken of aan te vullen. Deze bepaling is tot op heden enkel van toepassing bij offerteaanvraag. Het onderhavig ontwerp breidt deze mogelijkheid uit tot de aanbesteding. Er dient in dat verband te worden herinnerd aan de regel dat deze mogelijkheid niet mag leiden tot misbruiken, noch tot gevolg mag hebben dat de ingediende offertes worden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien mogen de contacten met de inschrijvers geen onderhandelingen meebrengen, aangezien die in het kader van deze procedures verboden zijn. Ingevolge de terminologische opmerking van de Raad van State in punt 37 van zijn advies, wordt de Nederlandse tekst aangepast aan de Franse, bovendien in overeenstemming met de analoge bepaling van artikel 96, § 4, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011. Art. 102.Dit artikel is toepasselijk bij aanbesteding. Ten opzichte van de huidige reglementering zijn de bepalingen ervan aangepast teneinde de verschillende bewerkingen in een meer logische orde te plaatsen en derhalve de leesbaarheid van de tekst te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is de toepassing ervan uitgebreid tot de inventaris bij opdrachten voor leveringen en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste bewerking, zoals beschreven in paragraaf 2, heeft betrekking op de definitieve verbetering van de hoeveelheden door de aanbestedende overheid, wanneer een inschrijver de hoeveelheid van één of meer posten van de samenvattende opmeting of inventaris heeft verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van paragraaf 2 stemt overeen met de huidige reglementering. Het bepaalt dat voor de inschrijver die een vermindering heeft voorgesteld, de totale prijs die overeenstemt met de aldus verminderde hoeveelheid een forfaitaire prijs wordt, op voorwaarde en in de mate dat de aanbestedende overheid de bedoelde verbetering aanvaardt. Dit forfaitair karakter kan voor de inschrijver in kwestie een voordeel opleveren, aangezien de vermindering van de hoeveelheid enkel voor hem zal gelden en hij dus als enige van een verminderde prijs kan genieten voor de rangschikking van zijn offerte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenwel zal hij ook als enige het risico dragen van een eventuele onderraming van de hoeveelheid van de verminderde post, aangezien hij in dat geval de werkelijke hoeveelheid zal moeten uitvoeren tegen een forfaitair geworden prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede bewerking, als bedoeld in paragraaf 3, betreft de berekening van de prijs van een post van de samenvattende opmeting of inventaris waarvoor een inschrijver geen prijs heeft vermeld. In dat geval en indien de aanbestedende overheid de offerte om die reden niet als onregelmatig afwijst, moet de in paragraaf 3 vermelde formule worden toegepast. Deze bepaling stemt overeen met de huidige reglementering, maar aangezien de daarin toegepaste formule van paragraaf 2 van hetzelfde artikel betrekking heeft op andere gevallen en te weinig is afgestemd op de hier behandelde problematiek, is nu voorzien in een geëigende formule.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid van paragraaf 3 bepaalt dat de aanbestedende overheid, voor de berekening van de waarden L en X, gerechtigd is geen rekening te houden met de offertes die voor de betrokken post een abnormale prijs vermelden, en dit om te vermijden dat een dergelijke prijs ten onrechte het gemiddelde zou beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde bewerking, waarvan sprake in paragraaf 4, heeft betrekking op de berekening van de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris, en die zijn aangevuld overeenkomstig de artikelen 88, § 2, of 89, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het einde van paragraaf 4 is een nieuwe bepaling opgenomen. De tekst stelt voortaan enkel dat indien geen enkele inschrijver een normale prijs geboden heeft voor een leemtepost, de aanbestedende overheid de opdracht mag gunnen zonder rekening te houden met die post. In voorkomend geval kunnen de prestaties betreffende de leemteposten aan de opdrachtnemer worden gegund tijdens de uitvoering, overeenkomstig artikel 25, 3°, a), of 4°, a), van de wet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 stemt overeen met de de huidige reglementering en handelt enkel over de rangschikking van de offertes.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 6 preciseert dat, of hun offerte nu regelmatig is of niet, enkel de voorgestelde verbeteringen van geselecteerde inschrijvers in aanmerking worden genomen. Het betreft een nieuwe voorwaarde die bedoeld is om dezelfde regels toe te passen op de open en de beperkte procedure, terwijl het al dan niet regelmatig zijn van de offerte in dit verband geen belang heeft. Art. 103.Dit artikel, dat overeenstemt met de huidige reglementering, handelt over het nazicht door de aanbestedende overheid van de fouten en leemten in de samenvattende opmeting of inventaris van een opdracht gegund bij offerteaanvraag. Met uitzondering van paragraaf 5 geldt de commentaar bij artikel 102 mutatis mutandis voor dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de terminologische opmerking van de Raad van State in punt 39 van zijn advies wordt de Franse tekst aangepast aan de Nederlandse, bovendien in overeenstemming met de analoge bepaling van artikel 98, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011. Art. 104.Dit artikel, dat de bepalingen van de huidige reglementering herformuleert, betreft het nazicht van de prijzen en het opsporen van eventuele abnormaal lage of hoge prijzen. Het verwijst naar de bepalingen inzake het prijsonderzoek van artikel 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 vormt de algemene regel die geldt voor alle opdrachten, ook wanneer paragraaf 2 van toepassing is. Hij vermeldt dat het nazicht gebeurt nadat de aanbestedende overheid de eventuele rekenfouten en de louter materiële fouten verbeterd heeft. Het nazicht mag dus in geen enkel geval gebeuren voordat deze verbetering beëindigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 neemt de tekst over van een bepaling van de huidige reglementering. Hij bevat een specifieke regeling voor het nazicht van het totale offertebedrag voor de opdrachten voor werken geplaatst bij aanbesteding, wanneer de ingediende offertes aan bepaalde voorwaarden voldoen. De opdrachtdocumenten kunnen deze paragraaf voortaan toepasselijk maken op de offerteaanvragen en bovendien ook op de opdrachten voor leveringen en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 blijft toepasselijk, ongeacht of de voorwaarden van paragraaf 2 zijn vervuld. Zo zou in een offerte bijvoorbeeld een abnormaal lage eenheidsprijs kunnen voorkomen, wat aanleiding zou kunnen geven tot een verzoek tot verantwoording op basis van artikel 22, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 neemt gedeeltelijk een bepaling over van de huidige reglementering, die voorziet in de kennisgeving aan de Erkenningscommissie wanneer een offerte voor een opdracht voor werken is geweerd wegens het abnormaal karakter van de erin vervatte prijs. Afdeling 8. - Gunning opdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 105</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel is van toepassing op de aanwijzing van de opdrachtnemer bij aanbesteding. Het stemt grotendeels overeen met de huidige reglementering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vermelden van de basisoffertes in het eerste lid van paragraaf 2 doet niets af aan het feit dat bij facultatieve varianten, volgens artikel 11, § 1, 2°, er niet noodzakelijk sprake is van het indienen van een basisofferte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van paragraaf 2 bevat evenwel een verduidelijking betreffende het in aanmerking nemen van opties. In geval van verplichte opties wordt bij het opmaken van één enkele rangschikking om de laagste offerte te bepalen, rekening gehouden met al die opties, zelfs indien de aanbestedende overheid overeenkomstig artikel 12, § 3, beslist om de verplichte opties niet te bestellen. Vrije opties, die worden ingediend op initiatief van de inschrijver, mogen daarentegen geen weerslag hebben op de rangschikking, aangezien geen enkele meerprijs noch een andere tegenprestatie mag worden verbonden aan de indiening ervan, zoals blijkt uit artikel 12, § 2, van het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een inschrijver in strijd daarmee heeft gehandeld, wordt de vrije optie buiten beschouwing gelaten voor zover zulks mogelijk is, zo niet is zijn offerte onregelmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid van paragraaf 2 verduidelijkt de keuze van de opdrachtnemer wanneer meerdere inschrijvers prijskortingen hebben aangeboden voor gegroepeerde percelen. Nieuw is dat de laagste offerte niet louter bepaald wordt door de gegroepeerde percelen die het laagste bedrag vormen, maar ook door de invloed die de diverse aangeboden prijskortingen per combinatie uitoefenen op het totale opdrachtbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het vijfde lid, wanneer de aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 60, § 3, eerste lid, 2°, minimumeisen heeft bepaald voor de selectie indien ze meerdere percelen aan dezelfde inschrijver gunt, moet ze te werk gaan als volgt : eerst moet de laagste offerte worden bepaald en pas daarna zal de aanbestedende overheid nagaan of aan het vereiste minimale niveau is voldaan. Dit onderzoek kan een invloed hebben op het bepalen van de laagste offerte omdat enkel de percelen waarvoor een inschrijver aan dit minimale niveau voldoet, hem kunnen worden gegund. In dat geval zal de aanbestedende overheid rekening houden met de voorkeurvolgorde die eventueel vermeld is in de offerte overeenkomstig artikel 94, tweede lid, en indien deze volgorde ontbreekt, zal zij voor deze percelen een loting houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 behandelt de hypothese waarin verschillende inschrijvers dezelfde laagste prijs hebben geboden. Een aantal bepalingen van het ontwerp zijn toepasselijk wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om aan de betrokken inschrijvers te vragen hun offerteprijs te herzien. Het gaat immers om een stadium in de procedure waarvoor eveneens in transparantie moet worden voorzien. Deze artikelen betreffen met name de modaliteiten voor de ontvangst en de opening van deze offertes, alsook de vaststelling van de verbintenistermijn van de inschrijvers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid van paragraaf 3 handelt over de loting die plaatsvindt ingeval de prijzen van beide offertes nog steeds gelijk zijn nadat een prijskorting werd gevraagd. Voortaan is bepaald dat een proces-verbaal van deze loting wordt opgesteld conform artikel 98. Art. 106.Dit artikel is van toepassing op de aanwijzing van de opdrachtnemer bij offerteaanvraag. Het stemt gedeeltelijk overeen met de huidige reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt thans in paragraaf 2 verduidelijkt dat in geval van verplichte of facultatieve varianten, één enkele rangschikking van de basisoffertes en offertes betreffende deze varianten wordt opgemaakt teneinde de economisch voordeligste offerte te bepalen. De opdrachtdocumenten kunnen een andersluidende bepaling bevatten, bijvoorbeeld in de zin dat de aanbestedende overheid ervoor zou kunnen opteren een bepaalde variante niet in de rangschikking op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vermelden van de basisoffertes in het eerste lid van paragraaf 2 doet niets af aan het feit dat bij facultatieve varianten, volgens artikel 11, § 1, 2°, er niet noodzakelijk sprake is van het indienen van een basisofferte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vrije varianten, indien deze overeenkomstig artikel 11 van dit ontwerp zijn toegestaan, moet de aanbestedende overheid beslissen welke zij niet in aanmerking neemt. De motivering ter zake steunt niet op de regelmatigheid noch op de beoordeling van de gunningscriteria maar op andere wettige en concrete motieven : zo bijvoorbeeld indien de aangeboden vrije variante de aanbestedende overheid voor onaanvaardbare problemen zou stellen qua esthetische integratie in de omgeving, qua mobiliteit of ten aanzien van reeds bestaande infrastructuur terwijl deze elementen niet in de gunningscriteria werden opgenomen. De in aanmerking genomen vrije varianten worden in de unieke rangschikking opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van paragraaf 2 handelt over het lot van de verplichte en vrije opties en behoeft geen commentaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid van paragraaf 2 verduidelijkt de keuze van de opdrachtnemer wanneer verscheidene inschrijvers verbeteringsvoorstellen hebben gedaan voor gegroepeerde percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw is dat de economisch voordeligste offerte niet louter bepaald wordt door de gegroepeerde percelen die het economisch voordeligste zijn, maar ook door het economisch voordeligste geheel van alle percelen. Deze bepaling dient er immers voor te zorgen dat de aanbestedende overheid de economisch meest voordelige combinatie kan kiezen, ongeacht of het om gegroepeerde of individuele percelen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is de in artikel 105, § 3, vermelde commentaar over de loting mutatis mutandis van toepassing op de offerteaanvraag wanneer verscheidene offertes als gelijkwaardig worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere bepalingen van de huidige reglementering zijn niet opgenomen in dit artikel : - de bepalingen betreffende de weging van de gunningscriteria of hun rangschikking in dalende volgorde van belang of hun gelijke waarde, die voortaan zijn opgenomen in artikel 24 van de wet; - de bepalingen waarin wordt voorzien in een uitzondering voor de vergoeding van de diensten op grond van wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen, die worden opgeheven, aangezien ze voortaan zonder voorwerp zijn. Zo bijvoorbeeld is de deontologische norm nr. 2 voor de architectenhonoraria niet meer van toepassing; - de bepalingen volgens dewelke rekening wordt gehouden met de verschillende varianten, wat voortaan voor een deel wordt behandeld in artikel 11 van het ontwerp; - de bepalingen die erin voorzien dat de aanbestedende overheid slechts in contact treedt met de inschrijvers indien zij de inhoud van hun offerte moeten preciseren of aanvullen, wat voortaan wordt behandeld in artikel 101, § 4. Afdeling 9. - Sluiting opdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 107</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de sluiting van de opdracht niet onderhevig mag zijn aan enig voorbehoud, geldt vanzelfsprekend onverminderd de voorwaarden van de artikelen 30 en 33 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in het tweede lid van dit artikel vermelde verzendingswijzen in het kader van de betekening, werd de verzending per telegram of per telex geschrapt, aangezien deze middelen niet meer gebruikt worden. De telefax maakt deel uit van de elektronische middelen, maar de gelijktijdige vermelding van deze beide noties wordt behouden om elke discussie te vermijden Art. 108.Dit artikel neemt grotendeels een bepaling van de huidige reglementering over, die evenwel nader wordt verduidelijkt. Het is van toepassing bij aanbesteding. Het gaat nader in op het verstrijken van de geldigheidstermijn van de offertes. In dat geval kan de aanbestedende overheid hetzij de gunningsprocedure stopzetten, hetzij de procedure herbeginnen, in toepassing van artikel 31 van de wet. De aanbestedende overheid kan eveneens beslissen artikel 31 van de wet in dit stadium niet toe te passen, en de procedure voort te zetten op grond van het onderhavig artikel 108. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid om het voormeld artikel 31 toe te passen in een later stadium van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de geldigheidstermijn van de offertes is verstreken, kan de aanbestedende overheid de inschrijver die de laagste offerte heeft ingediend, schriftelijk vragen of hij instemt met het behoud ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als laatstgenoemde daarmee schriftelijk en zonder voorbehoud instemt, gaat de aanbestedende overheid over tot de gunning en vervolgens tot de sluiting van de opdracht. De notie \"zonder voorbehoud\" betekent dat elke wijziging van de offerte is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze inschrijver slechts instemt met het behoud van zijn offerte mits hij een prijstoeslag krijgt die hij verantwoordt op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan - verantwoording die de aanbestedende overheid dient te verifiëren - wordt de opdracht aan hem gegund voor zover zijn offerte de laagste blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid, dat gedeeltelijk overeenstemt met de huidige reglementering, is verduidelijkt. Het is van toepassing in de volgende gevallen : - de inschrijver stemt niet in met het behoud van zijn offerte. In dat geval zet hij zich definitief buitenspel; - hij stemt daarmee slechts in mits hij een niet verantwoorde prijstoeslag krijgt; - hij stemt daarmee slechts in mits een verantwoorde prijstoeslag die tot gevolg heeft dat zijn offerte niet meer de laagste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen kan de aanbestedende overheid, zoals in de huidige reglementering : - hetzij zich achtereenvolgens, volgens de rangschikking, richten tot de andere regelmatige inschrijvers, en hierbij op dezelfde wijze te werk gaan als voor de inschrijver die oorspronkelijk de laagste offerte had ingediend; - hetzij alle andere regelmatige inschrijvers vragen om hun offerteprijs te herzien. De nieuwe prijzen die deze inschrijvers eventueel hebben ingediend, moeten niet worden verantwoord op grond van omstandigheden die zich na de opening van de offertes hebben voorgedaan. Bovendien, en dit vormt een nieuw element, participeert de inschrijver die oorspronkelijk de laagste regelmatige offerte had ingediend en die zijn offerte heeft behouden mits prijstoeslag, eveneens aan deze nieuwe ronde, zij het enkel met de door hem initieel gevraagde prijstoeslag, ongeacht of deze verantwoord was of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvankelijke keuze tussen beide hypotheses valt geval per geval te motiveren door de aanbestedende overheid, in functie van de eigenheden van elk dossier. De eerste oplossing is met name aangewezen wanneer de prijzen van de eerste en de tweede gerangschikte inschrijver zeer dicht bij elkaar liggen. Wanneer hun prijzen verder uit elkaar liggen, zal het eerder aangewezen zijn te kiezen voor de tweede oplossing teneinde op die manier alle inschrijvers opnieuw in concurrentie te brengen. De initiële keuze voor de eerste hypothese verhindert de aanbestedende overheid niet om, zodra aangewezen, over te gaan naar de tweede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal bepalingen van het ontwerp zijn toepasselijk wanneer de aanbestedende overheid ervoor kiest om aan alle andere regelmatige inschrijvers te vragen hun offerteprijs te herzien. Het gaat immers opnieuw om een nieuw stadium in de procedure waarvoor eveneens in de noodzakelijke transparantie moet worden voorzien. Art. 109.Dit artikel behandelt het verstrijken van de geldigheidstermijn van de offertes bij offerteaanvraag. Het neemt hoofdzakelijk de tekst over van de huidige reglementering, die evenwel in dezelfde zin als het vorige artikel wordt verduidelijkt. Er wordt dus mutatis mutandis verwezen naar de toelichting bij artikel 108. HOOFDSTUK 7. - Gunning bij onderhandelingsprocedure Afdeling 1. - Specifieke drempels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span><span class=\"lf-art-t\">De paragrafen 1 en 2 van dit artikel bevatten een aangepaste versie van bepalingen van de huidige reglementering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 legt de diverse bedragen vast die niet mogen worden bereikt voor de opdrachten gegund in sommige gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. De bedragen hebben geen betrekking op een geraamd bedrag maar op de goed te keuren uitgave voor de betrokken opdracht op het ogenblik van de gunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1, 1°, stelt de Europese drempel die niet mag worden bereikt vast op 400.000 euro voor : - de financiële diensten; - de diensten voor onderzoek en ontwikkeling, alsook de diensten opgenomen in bijlage 2 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt opgemerkt dat hieronder alle diensten van de bijlage 2 van de wet worden begrepen, en niet enkel de juridische diensten. De reden hiervoor is dat op al deze diensten in de richtlijn een soepeler stelsel van toepassing is en het bovendien soms moeilijk is om een werkelijke mededinging te organiseren via een bekendmaking gezien de specifieke kenmerken van sommige prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 2° voorziet in een bedrag van 85.000 euro voor de opdrachten voor werken en leveringen. Dit bedrag geldt ook voor de opdrachten voor diensten voor zover de bepaling onder 1° niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling onder 3° behandelt de gunning via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking van percelen van een opdracht voor werken, leveringen of diensten indien het geraamde opdrachtbedrag het Europese drempelbedrag vermeld in artikel 33 niet bereikt, elk perceel minder dan 30.000 euro bedraagt en het samengevoegde bedrag van de aldus via onderhandelingsprocedure gegunde percelen niet hoger is dan twintig percent van het geraamde opdrachtbedrag. Deze bepaling is geïnspireerd op de voorschriften vervat in artikel 34 van dit ontwerp. Ze was tot nu toe enkel van toepassing op de opdrachten voor werken en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de bedoeling een zekere soepelheid in te bouwen dankzij de gunning van deze percelen met een beperkte waarde via onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Deze regeling bevordert daarenboven de deelname aan de overheidsopdrachten door kleine en middelgrote ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld voor een opdracht voor leveringen verdeeld in drie percelen : ? perceel 1 : 45.000 euro ? perceel 2 : 30.000 euro ? perceel 3 : 15.000 euro Alleen perceel 3 komt in aanmerking : het bereikt noch 30.000 euro, noch 20 % van het totaalbedrag van de opdracht (20 % van 90.000 euro, zijnde 18.000 euro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de bepaling onder 4° mag het goed te keuren bedrag van de opdrachten gesloten met een aanvaarde factuur niet hoger zijn dan 8.500 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noteer dat de goed te keuren uitgave lager moet zijn dan de hierboven vermelde bedragen, terwijl deze bedragen in de huidige reglementering mogen worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de coherentie bepaalt paragraaf 2 dat deze bedragen worden geraamd volgens de voorschriften vervat in de artikelen 25 tot 28 van het ontwerp. Noteer hierbij dat de goed te keuren uitgave dient te worden beoordeeld op het ogenblik van de gunning van de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de eventuele toepassing van een prijsherzieningsformule of een wijziging aan de opdracht nadien tot een hogere uitgave zal leiden, blijft daarbij vanzelfsprekend buiten beschouwing. Afdeling 2. - Verloop en sluiting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel neemt de bepalingen over die niet toepasselijk zijn op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten Het gaat in de eerste plaats om de artikelen 6, 53, 54 en 59 van het ontwerp. De artikelen 6 en 54 bevatten de na te leven voorschriften wanneer elektronische middelen worden gebruikt. Het is immers de bedoeling om, in het kader van deze niet-geformaliseerde procedure, het gebruik toe te staan van de meest soepele communicatiemiddelen, met name e-mail en telefax. Artikel 54 bevat modaliteiten voor de indiening van de aanvragen tot deelneming en de offertes waarvan de strikte toepassing niet vereist is bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. Met het oog op het vermijden van elk overdreven formalisme, wordt eveneens hoofdstuk 5 uitgesloten dat betrekking heeft op het toegangsrecht en de kwalitatieve selectie, met uitzondering evenwel van de artikelen 63, §§ 1 en 2, 6°, en 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 63, § 1, handelt over de uitsluitingsgevallen die conform artikel 20, tweede lid, van de wet van toepassing zijn in alle gunningsprocedures. De toepassing van de artikelen 63, § 2, 6° en 64 komt neer op het behoud van de huidige regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid van paragraaf 1 zijn de artikelen 63, §§ 1 en 2, 6°, en 64 niet van toepassing op de opdrachten van minder dan 8.500 euro. Deze uitzondering heeft betrekking op kleine opdrachten die op minder geformaliseerde wijze worden gegund, ongeacht of ze met een aanvaarde factuur zijn gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 voorziet in de niet- toepasselijkheid van artikel 59 inzake de verbintenistermijn op de opdrachten gegund via onderhandelingsprocedure met bekendmaking, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard zijn de hoofdstukken 6 en 8 niet toepasselijk op de onderhandelingsprocedure vermits ze enkel andere procedures beogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenwel kunnen een aantal bepalingen van hoofdstuk 9 toepassing vinden op deze procedure (promotieopdracht, elektronische veiling, raamovereenkomst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet worden opgemerkt dat de aanbestedende overheid in het kader van een onderhandelingsprocedure in principe onderhandelt. Het gaat om een regel van goed management. In sommige gevallen zal een onderhandelingsfase evenwel niet nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer de ingediende offertes aan de behoeften beantwoorden en van bij de aanvang voldoende interessant blijken vanuit het standpunt van de aanbestedende overheid, rekening houdende met de specifieke vereisten en de in het geding zijnde belangen. Art. 112.Zoals in de huidige reglementering voorziet het eerste lid van dit artikel in de verplichting van de weging wanneer er meerdere gunningscriteria zijn voor de opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure met of zonder bekendmaking die de in artikel 33 vermelde Europese drempel bereiken. In dit verband wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 24 van de memorie van toelichting van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid vermeldt daarop twee uitzonderingen. De eerste betreft de opdrachten voor diensten bedoeld in bijlage 2 van de wet. De tweede betreft de diverse gevallen van onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking waarin slechts één aannemer, leverancier of dienstverlener kan worden geraadpleegd, waardoor de weging in die gevallen geen zin heeft. Art. 113.Paragraaf 1 van dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering. Volgens dit artikel moet de aanbestedende overheid, indien het geraamde bedrag de Europese drempels bereikt en er meerdere concurrenten geraadpleegd worden bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, hen schriftelijk en gelijktijdig uitnodigen om een offerte in te dienen. Deze schriftelijke uitnodiging bevat de in dit artikel vermelde gegevens en inlichtingen. De bepaling onder 4° betreffende de vermelding van één of meer gunningscriteria verwijst naar de mogelijke gevallen wanneer diverse gunningscriteria zijn bepaald. Conform artikel 112 is de vermelding van een weging de algemene regel, voor zover de raadpleging van meerdere concurrenten mogelijk is. Indien een weging onmogelijk is, moet een dalende volgorde van belangrijkheid worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet de bedoeling de aanbestedende overheden de mogelijkheid te ontnemen om te onderhandelen over de voorwaarden van de opdracht maar wel voor voldoende transparantie te zorgen. Daartoe dienen zij opdrachtdocumenten op te stellen en de nodige inlichtingen te verstrekken zodat de gekozen concurrenten een offerte kunnen indienen met kennis van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 2 is de vorige paragraaf niet toepasselijk op de opdrachten voor diensten als bedoeld in bijlage 2 van de wet. Art. 114.Dit artikel stemt overeen met de huidige reglementering. Het wil in zijn paragraaf 2 uitvoering geven aan artikel 26.1. van Richtlijn 2009/81/EG dat bepaalt dat aanbestedende diensten met de inschrijvers over de door de inschrijvers ingediende offertes onderhandelen, teneinde deze aan te passen aan de eisen die zij in de aankondiging van de opdracht, het bestek en de eventuele aanvullende documenten hebben gesteld (zie ook HvJ, arrest van 23 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/09/2001 numac 2001011298 bron ministerie van economische zaken Wet houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten sluiten7, C-292/07, overweging 107).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 3 kan de aanbestedende overheid in hetzelfde geval in de opdrachtdocumenten bepalen dat de onderhandelingen in opeenvolgende fases verlopen teneinde het aantal te bespreken offertes te beperken op basis van de gunningscriteria. De aanbestedende overheid is evenwel niet verplicht om gebruik te maken van deze mogelijkheid, ook al is die in de documenten vermeld, en moet zich bij haar beoordeling op de ontvangen offertes baseren, zoals eventueel gewijzigd tijdens de onderhandelingen. Overeenkomstig de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie als bedoeld in artikel 5 van de wet, kan de aanbestedende overheid, volgens de modaliteiten bepaald in de opdrachtdocumenten en na een eerste onderzoek van de offertes, beslissen dat zij de onderhandelingen enkel aangaat of voortzet met de inschrijvers die een offerte hebben ingediend die best aansluit bij haar behoeften. Zo niet zal de aanbestedende overheid met alle inschrijvers onderhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovenstaande verplichtingen gelden niet voor de opdrachten die niet aan een verplichte voorafgaande Europese bekendmaking zijn onderworpen. Art. 115.Dit artikel is grotendeels gebaseerd op de bepalingen van de huidige reglementering betreffende de sluitingsvormen van een opdracht geplaatst bij onderhandelingsprocedure. De briefwisseling volgens handelsgebruiken is niet langer beperkt tot de opdrachten met een geraamd bedrag beneden de Europese drempel. Een andere wijziging in de tekst vloeit voort uit het feit dat men een onderscheid heeft willen maken tussen, enerzijds, de sluitingsvormen van de opdrachten en, anderzijds, het bewijs van de sluiting van de opdracht aan de hand van een aanvaarde factuur. HOOFDSTUK 8. - Gunning bij concurrentiedialoog De artikelen 116 tot 119 van het ontwerp hebben betrekking op de concurrentiedialoog. Er wordt ook verwezen naar de commentaar bij de artikelen 3, 9°, en 27 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter herinnering : de concurrentiedialoog is slechts toegestaan voor zover het gaat om een bijzonder ingewikkelde opdracht, in die zin dat de aanbestedende overheid objectief niet in staat is : - de technische middelen te bepalen die aan haar behoeften kunnen voldoen, of - te beoordelen wat de markt te bieden heeft op het stuk van technische, financiële of juridische oplossingen, en - van oordeel is dat de toepassing van de open of beperkte procedures het onmogelijk maken de opdracht te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier past bijgevolg een waarschuwing voor de aanbestedende overheden dat zij deze procedure niet lichtzinnig zouden aanwenden, maar deze integendeel goed zouden overwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheid dient geval per geval de aard van de betrokken opdracht te onderzoeken, rekening houdend met haar eigen mogelijkheden. Hierbij moet ze nagaan of het gebruik van de concurrentiedialoog objectief gerechtvaardigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging 48 van Richtlijn 2009/81/EG die dit punt verduidelijkt, werd reeds geciteerd in de commentaar bij artikel 3, 9°, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de technische ingewikkeldheid betreft, kunnen zich meerdere situaties voordoen. Een eerste voorbeeld is dat de aanbestedende overheid niet in staat is de technische middelen te specificeren met het oog op de uitvoering van de opdracht en evenmin de bekwaamheid heeft om de technische specificaties, volledig of gedeeltelijk, te formuleren als functionele eisen of prestatie-eisen, overeenkomstig artikel 40 van de wet en de artikelen 7 en 8 van dit ontwerp. Een ander voorbeeld is dat wanneer de aanbestedende overheid er niet in zou slagen te bepalen welke van meerdere oplossingen het best aan haar behoeften zou kunnen voldoen. Art. 116.Dit artikel bepaalt in zijn eerste paragraaf dat een aankondiging wordt bekendgemaakt en een beschrijvend document wordt opgesteld voor elke opdracht geplaatst bij concurrentiedialoog. De aankondiging of het beschrijvend document vermelden de behoeften en eisen van de aanbestedende overheid, rekening houdend met het voorwerp van de opdracht. Hierbij aansluitend dient het beschrijvend document desgevallend de dwingende randvoorwaarden te bevatten, bijvoorbeeld eisen van stedenbouwkundige, architecturale en budgettaire aard, alsook de juridische aard en de dwingende voorwaarden van de overeenkomst.</p></div>", "next": 239031}