{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152-20\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.2-20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van weigering of onvermogen van de school om een aanpassingsstelsel in te stellen en de goedkeuring en ondertekening van het samenwerkingsprotocol mogelijk te maken, in overeenstemming met artikel 1.5.2-17, of wanneer de evaluatie van de implementatie van het samenwerkingsprotocol een onwil of een manifest onvermogen aantoont om de aanpassingsdoelen van het protocol te bereiken, stuurt de zonedirecteur een aangetekende brief met ontvangstbevestiging aan de inrichtende macht Deze brief beveelt de directeur en de inrichtende macht aan: 1° ofwel om een aanpassingsstelsel in te stellen om de goedkeuring en ondertekening van het samenwerkingsprotocol mogelijk te maken;2° ofwel om het samenwerkingsprotocol en het opvolgingsproces voor de implementatie ervan in acht te nemen. In voorkomend geval wordt een kopie van deze brief verzonden naar de federatie van betrokken inrichtende machten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bevel niet binnen de 30 schoolwerkdagen wordt nageleefd, kan de Regering beslissen om, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, de werkingsdotaties te verminderen zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving of, voor het gesubsidieerd onderwijs, de werkingssubsidies van de school bedoeld in artikel 32 van het bovenvermelde wet van 29 mei 1959, met maximaal 5 % te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens een beslissing tot vermindering van de dotaties of werkingssubsidies te nemen, stuurt de Regering een schriftelijke ingebrekestelling naar de inrichtende macht met het verzoek om haar opmerkingen alleen schriftelijk bekend te maken. Deze laatste heeft een termijn van 30 schoolwerkdagen vanaf de datum van de kennisgeving per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging van deze ingebrekestelling, om zijn opmerkingen te laten gelden. De vermindering van de dotaties of van de werkingssubsidies gaat in vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Regering totdat de inrichtende macht meewerkt aan de uitwerking of de correcte uitvoering van het samenwerkingsprotocol en het opvolgingsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering een beslissing tot vermindering van de dotaties of werkingssubsidies neemt en bij gebrek aan bewijs dat de school binnen een termijn van zes maanden na kennisgeving van de beslissing bedoeld in lid 5, aan het bevel van de Regering heeft voldaan, schaft de Regering, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de wedden en de werkingsdotaties af, zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, of, in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, de wedde-subsidies en de werkingssubsidies bedoeld in de artikelen 26 tot 28 en 32 van de bovenvermelde wet van 29 mei 1959.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152-21\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.2-21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Regering kan echter, op basis van de schriftelijke opmerkingen bedoeld in artikel 1.5.2-20, in plaats van deze vermindering, de inrichtende macht verzoeken om een crisismanager aan te stellen Hiertoe zendt de Regering hem een aangetekende brief met ontvangstbevestiging en geeft zij hem opdracht binnen de 30 kalenderdagen een crisismanager aan te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het gesubsidieerde onderwijs kan de inrichtende macht de federatie van inrichtende machten waarbij zij aangesloten is, machtigen voor de aanstelling van de crisismanager, indien haar statuten of de beslissing tot toetreding tot deze federatie een dergelijke machtiging bevatten of indien de inrichtende macht deze machtiging schriftelijk heeft gegeven, met vermelding van de federatie van inrichtende machten waarbij de inrichtende macht is aangesloten. In dit geval wordt een afschrift van de brief waarin de inrichtende macht gevraagd wordt een crisismanager aan te stellen ter informatie naar deze federatie van inrichtende machten gestuurd. § 2. De crisismanager wordt aangesteld volgens de regels die specifiek zijn voor de inrichtende macht of, in voorkomend geval, voor de federatie van inrichtende machten die daartoe gemachtigd wordt, en op hun kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inrichtende macht of, in voorkomend geval, haar federatie van inrichtende machten, indien zij daartoe gemachtigd is, geen crisismanager aanstelt binnen een termijn van 30 dagen bedoeld in het tweede lid van artikel 1.5.2-21, § 1, stuurt de Regering hem een ingebrekestelling waarin hij verzocht wordt de crisismanager aan te stellen binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de kennisgeving per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging van deze ingebrekestelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien, na het verstrijken van deze termijn van vijftien kalenderdagen, de inrichtende macht of, in voorkomend geval, de federatie van inrichtende machten indien ze hiertoe gemachtigd is, geen bewijs heeft geleverd van de aanstelling van een crisismanager, schaft de Regering, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de wedden en werkingsdotaties bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving of, in het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, de wedde-subsidies en de werkingssubsidies bedoeld in de artikelen 26 tot 28 en 32 van de bovenvermelde wet van 29 mei 1959, af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De crisismanager wordt aangesteld voor één of meer periodes waarvan de duur met de zonedirecteur wordt overlegd, met een maximum van 36 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatselijke orgaan voor sociaal overleg en de participatieraad worden geïnformeerd van de aanstelling van de crisismanager voordat deze zijn ambt bekleedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de uitvoering van zijn opdracht, analyseert de crisismanager de toestand van de school op basis van de diagnose bedoeld in artikel 1.5.2-14 en, in voorkomend geval, van de evaluatie van de uitvoering van het samenwerkingsprotocol bedoeld in de artikelen 1.5.2-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij formuleert voorstellen, na Raadpleging van de inrichtende macht, de directeur, het educatief team, de federatie van inrichtende machten en, in voorkomend geval, de teams van het PMS-centrum met als doel het verwezenlijken van de doelstellingen van het samenwerkingsprotocol of het wijzigen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij informeert de plaatselijke organen voor sociaal overleg en de participatieraad. Hij legt deze voorstellen ter goedkeuring voor aan de inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van deze voorstellen maakt het samenwerkingsprotocol, in voorkomend geval, het voorwerp uit van een voorstel tot wijziging door de inrichtende macht, in overleg met de crisismanager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorstel tot wijziging wordt dan overgemaakt aan de zonedirecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hij het goedkeurt, maakt het integraal deel uit van het samenwerkingsprotocol van de school. De opdrachtbrief van de directeur wordt, indien nodig, gewijzigd in overeenstemming met de artikelen 26 en 27 van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling sluiten8 betreffende het statuut van de directeurs in het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De crisismanager voert het samenwerkingsprotocol uit in samenwerking met de inrichtende macht, de directeur, het educatief team van de school en, in voorkomend geval, de teams van het PMS-centrum, in het kader van een opvolgingsproces zoals bedoeld in artikel 1.5.2-19, lid 2. § 3. De zonedirecteur en de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst evalueren ten laatste één maand voor de opdracht van de crisismanager afloopt, de verwezenlijking en het resultaat van deze opdracht in overleg met de inrichtende macht en, in voorkomend geval, met haar federatie van inrichtende machten die daartoe gemachtigd wordt indien deze de crisismanager heeft aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze evaluatie deelt de zonedirecteur aan de Regering, na Raadpleging van de inrichtende macht en, in voorkomend geval, van haar federatie van inrichtende machten als deze deel heeft genomen aan het aanstellingsproces van de crisismanager, een verslag mee waarin hij op het einde tot de voldoende of onvoldoende toepassing van het samenwerkingsprotocol concludeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het verslag tot de onvoldoende toepassing van het samenwerkingsprotocol concludeert, schaft de Regering, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, de wedden en werkingsdotaties bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving of, in het gesubsidieerd onderwijs, de weddesubsidies en de werkingssubsidies bedoeld in de artikelen 26 tot 28 en 32 van de bovenvermelde wet van 29 mei 1959, af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens een beslissing tot afschaffing van de dotaties, wedden of subsidies te nemen, stuurt de Regering een schriftelijke ingebrekestelling naar de inrichtende macht met het verzoek om haar opmerkingen alleen schriftelijk bekend te maken. Deze laatste heeft een termijn van 30 kalenderdagen vanaf de datum van de kennisgeving per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging van deze ingebrekestelling, om zijn opmerkingen te laten gelden. § 4. De betrokken directeur behoudt, tijdens de periode van aanstelling van de crisismanager, zijn tijdelijke benoeming als directeur of zijn aanstelling als directeur tot de stage toegelaten of zijn vaste benoeming als directeur alsook zijn bezoldiging, onverminderd echter artikel 43 van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling sluiten8 betreffende het statuut van de directeurs, de Hoofdstukken IX en IXbis van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede van de internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, de Hoofdstukken VIII en IX van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, de Hoofdstukken IX en X van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de mogelijke tucht- of afdankingsprocedures die door de inrichtende macht in geval van ernstig en bewezen feiten ingesteld kunnen worden, kan de directeur of een lid van het educatief team het voorwerp uitmaken van een procedure tot preventieve schorsing overeenkomstig de bepalingen betreffende zijn ambt, wanneer de aanstelling van de crisismanager op de volgende elementen berust: 1° de weigering of de onbevoegdheid van de directeur leidt ertoe dat het aanpassingsstelsel niet kan worden uitgewerkt;2° de duidelijke slechte wil van de directeur om het samenwerkingsprotocol te verwezenlijken en/of het onvermogen om de erin bevatte doelstellingen te verwezenlijken;3° de onmogelijkheid die aan de directeur geweten kan worden om het samenwerkingsprotocol te wijzigen of om de uitwerking van een opvolgingsproces toezicht uit te werken;4° de duidelijke slechte wil of het duidelijke en herhaalde onvermogen van het lid van het educatief team in het kader van de uitwerking van het aanpassingsstelsel, de toepassing van het samenwerkingsprotocol of de uitvoering van een opvolgingsproces. Gedurende deze preventieve schorsing kunnen ontwikkelingsdoelstellingen door de inrichtende macht opgelegd worden aan het personeelslid, met de instemming van de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst van de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het einde van de periode bepaald door de inrichtende macht wordt de verwezenlijking van deze doelstellingen geëvalueerd. De vaststellingen waarop deze evaluatie steunt, kunnen ernstige en bewezen elementen zijn die ertoe leiden dat de inrichtende macht op deze basis een tucht- of afdankingsprocedure kan aanvatten. De geldigheidsduur van deze evaluatie is echter beperkt tot een termijn van twaalf maanden die begint te lopen vanaf de datum van het opstellen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans, wanneer op basis hiervan een tucht- of afdankingsprocedure wordt aangevat, binnen deze termijn, blijft de evaluatie geldig tot de datum waarop van de definitieve beslissing tot strafoplegging of afdanking aan het personeelslid wordt kennisgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 124 van het decreet van 2 februari 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling sluiten8 betreffende het statuut van de directeurs, vervangt de crisismanager het personeelslid tot de aanstelling van een nieuwe directeur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152-22\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.2-22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het samenwerkingsprotocol vervangt de doelstellingenovereenkomst van de school tijdens de door het protocol bepaalde periode en voor maximaal drie jaar. Afdeling III. - Evaluatie van maatregelen inzake sturing van scholen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.2-23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering evalueert de uitvoering van de bepalingen bedoeld in dit Hoofdstuk en brengt verslag hierover aan het Parlement uit in de loop van schooljaar 2022-2023. HOOFDSTUK III. - Participatie Afdeling I. - Participatieraad</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-1\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-1</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. In elke school wordt een participatieraad opgericht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van lid 1 kan de inrichtende macht die meerdere scholen organiseert een gemeenschappelijke participatieraad samenstellen voor twee, drie of vier scholen, na het advies te hebben ingewonnen van de betrokken participatieraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de in lid 2 bedoelde afwijking aangewend wordt, is voor elk van de in artikel 1.5.3-2, § 1, lid 3, 1 en 2, bedoelde categorieën ten minste één vertegenwoordiger van elke school lid van de participatieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na gunstig advies van de participatieraad kan de inrichtende macht ofwel de hergroepering opgeven ofwel deze wijzigen. De hergroepering of wijziging zijn slechts toegestaan nadat de betrokken participatieraad al drie jaar actief was. § 2. De participatieraad is belast met: 1° het debatteren over en advies uitbrengen over het schoolproject inzonderheid gebaseerd op de voorstellen van de afgevaardigden van de inrichtende macht, het amenderen en aanvullen ervan, het voorstellen ervan ter goedkeuring van de inrichtende macht; 2° het voorstellen van aanpassingen overeenkomstig artikel 1.5.1-5, § 1; 3° het uitvoeren van een globale bezinning op de uitgaven die gedurende het jaar worden geëist, in het bijzonder die verband houden met culturele en sportieve activiteiten die deel uitmaken van het schoolproject;4° het bestuderen en voorstellen van een solidariteitsmechanisme tussen de leerlingen voor de betaling van de schoolkosten bedoeld in 3° ;5° het onderzoeken en voorstellen van steun- en begeleidingsacties voor leerlingen die zijn ingeschreven op basis van het sociaaleconomische indexcijfer van hun oorspronkelijke basis- of lagere school; 6° het uitbrengen van een advies over het sturingsplan overeenkomstig artikel 1.5.2-4, lid 4, en 1.5.2-5, § 3, lid 5, en over de voorgestelde wijziging van de doelstellingenovereenkomst overeenkomstig artikel 1.5.2-9, § 2, lid 1 en 6, en artikel 1.5.2-10, lid 4, door in dit verband nuttige voorstellen te doen; 7° het debatteren over en een advies uitbrengen over het huishoudelijk reglement van de school en, in voorkomend geval, het amenderen en aanvullen ervan;8° het informeren van de ouders of de meerderjarige leerlingen over de decretale of reglementaire bepalingen die van toepassing zijn inzake de kosteloosheid van de toegang tot onderwijs en erop toezien dat deze correct worden toegepast binnen de school;9° het ontvangen van duidelijke en transparante informatie van de inrichtende macht over de, rechtstreeks on onrechtstreeks, ontvangen of verzamelde middelen met betrekking tot de kosteloosheid van de toegang, en het gebruik ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-2</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De participatieraad omvat van rechtswege leden, verkozen leden en leden die het sociale, culturele en economische milieu van de school vertegenwoordigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De van rechtswege leden zijn de directeur en afgevaardigden aangesteld door de inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkozen leden zijn: 1° de vertegenwoordigers van leerkrachten, het opvoedende, psychologische, sociale en paramedische hulppersoneel;2° de vertegenwoordigers van de ouders;3° studentenvertegenwoordigers, onverminderd paragraaf 4;4° een vertegenwoordiger van het werkliedenpersoneel en het administratief personeel, waar hij verbonden is aan de school. De leden die het sociale, culturele en economische milieu van de school vertegenwoordigen, worden aangesteld door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk lid van de participatieraad kan worden vervangen door een aangewezen of verkozen plaatsvervanger volgens dezelfde nadere regels als het werkende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal vertegenwoordigers bedoeld in lid 3, 1°, 2° en 3°, is voor elke categorie identiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit aantal wordt vastgesteld door de inrichtende macht of haar afgevaardigde. Het kan niet minder dan drie en niet meer dan zes zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noch de afgevaardigden van de inrichtende macht, noch de leden die het sociale, culturele en economische milieu van de school vertegenwoordigen, mogen het aantal overschrijden dat is toegewezen aan elk van de categorieën bedoeld in lid 3, 1°, 2° en 3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer echter gebruik wordt gemaakt van de afwijking bedoeld in artikel 1.5.3-1, § 1, lid 2, mag de afvaardiging van de inrichtende macht een groter aantal bevatten dan dat is toegekend aan elk van de categorieën bedoeld in lid 3, 1°, 2° en 3° zodat het aantal afgevaardigden van de inrichtende macht die geen directeur zijn, met één eenheid hoger is dan het aantal directeurs. § 2. De vertegenwoordigers van het personeel bedoeld in paragraaf 1, lid 3, 1°, omvatten: 1° in het officiële onderwijs, afgevaardigden verkozen uit hun midden en bij geheime stemming door alle leden van het betrokken personeel, die vast benoemd of tijdelijk aangewezen voor een volledig schooljaar zijn;2° in het vrij onderwijs, a) drie afgevaardigden, die personeelsleden van de school voor een volledig schooljaar zijn, benoemd door de representatieve vakverenigingen in evenredigheid met het resultaat van de sociale verkiezingen in de school, dat wil zeggen ondernemingsraden of, bij gebreke daaraan, het comité voor de bescherming op het werk, of bij gebreke hieraan, in de plaatselijke overleginstanties;b) een maximum van drie afgevaardigden verkozen uit hun midden en bij geheime stemming door de alle relevante personeelsleden die in vast verband aangeworven of tijdelijk aangeworven voor een volledig schooljaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordigers bedoeld in lid 1, 2°, mogen niet deel uitmaken van de Raad van bestuur of de algemene vergadering van de inrichtende macht. De Regering kan een afwijking van deze bepaling toestaan wanneer alle personeelsleden van rechtswege lid zijn van de inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordigers bedoeld in paragraaf 1, lid 3, 1° ° en 4°, moeten verplicht minstens een halftijdse opdracht hebben in de school. § 3. De vertegenwoordigers van de leerlingen worden in hun midden verkozen, nadat de kandidaten opgeroepen werden, hetzij door alle leerlingen van de school, hetzij door alle leerlingen van het secundair niveau van de school, hetzij door alle leerlingen van de derde en de vierde Raad van het secundair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mandaat mag noch nadelen noch voordelen meebrengen voor degene die het uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze tussen de drie modaliteiten bepaald in lid 1, valt onder de bevoegdheid van de inrichtende macht die haar ook kan afvaardigen. § 4. In het basisonderwijs kan de inrichtende macht, op voorstel van ten minste twee derde van de leden van de participatieraad, beslissen de participatieraad open te stellen voor afgevaardigden van de leerlingen, hetzij permanent, hetzij tijdelijk. § 5. Indien er binnen de school een oudervereniging bestaat die lid is van een van de verenigingen die de ouders vertegenwoordigen en van verenigingen van ouders van leerlingen bedoeld in artikel 1.6.6-1, wordt de verkiezingsorganisatie voor de vertegenwoordigers van de ouders geregeld door deze organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders wordt de eerste algemene vergadering van de ouders gehouden op initiatief van de inrichtende macht of haar afgevaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het ene zowel als in het andere geval verkiest de algemene vergadering van de ouders haar vertegenwoordigers bij middel van een geheime stemming. De samenroeping en de notulen van elke algemene vergadering worden aan alle ouders meegedeeld. Alle ouders aanwezig tijdens de algemene vergadering kunnen deelnemen aan de stemming en zich zonder andere voorwaarden kandidaat stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordigers van de ouders bedoeld in paragraaf 1, lid 3, kunnen deel uitmaken noch van de Raad van bestuur, noch van de algemene vergadering van de inrichtende macht, noch lid zijn van het personeel van de inrichting. De Regering kan een afwijking toestaan op deze beschikking wanneer alle ouders leden van rechtswege zijn van de inrichtende macht. § 6. Het werklieden- en administratief personeel verkiest zijn vertegenwoordiger. § 7. De verkozen leden die de leerkrachten vertegenwoordigen en de leden die het sociaal, cultureel en economisch milieu vertegenwoordigen, oefenen een vernieuwbaar mandaat van vier jaar uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkozen leden die de ouders en de leerlingen vertegenwoordigen, oefenen een vernieuwbaar mandaat van twee jaar uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk lid dat niet meer aan de voorwaarden voor verkiesbaarheid voldoet, wordt vervangen overeenkomstig de nadere regels bepaald door het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 1.5.3-3, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer voor een bepaalde categorie het aantal kandidaten het aantal te begeven posten niet overschrijdt, dan zijn de kandidaten ambtshalve verkozen. § 8. De participatieraad mag leden coöpteren die een adviserende stem hebben. Deze laatsten mogen niet hoger zijn in aantal dan dat toegekend aan elk van de categorieën bedoeld in paragraaf 1, lid 3, 1°, 2°, 3°.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De participatieraad komt ten minste vier keer per jaar samen. Hij moet samengeroepen worden met een vraag van ten minste de helft van zijn leden, gericht aan de voorzitter De vertegenwoordigers van de verschillende categorieën van de participatieraad moeten vergaderingen organiseren van hun mandanten, teneinde de problemen die worden opgeworpen tijdens de participatieraad te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtende macht of haar afgevaardigde wijst de voorzitter aan van de participatieraad. § 2. De participatieraad streeft ernaar zijn adviezen bij consensus te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke daaraan, wordt in het officieel onderwijs het advies uitgebracht met een tweederdemeerderheid van de aanwezige leden, voor zover de meerderheid voorhanden is: 1° onder de aanwezige leden bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 1, lid 2; 2° onder de aanwezige leden bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 1, lid 3 en 4, waarbij de onthoudingen niet geldig zijn bij de telling van de stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke daaraan, wordt in het vrij onderwijs het advies uitgebracht met een tweederdemeerderheid van de aanwezige leden, voor zover de meerderheid voorhanden is: 1° onder de aanwezige leden bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 1, lid 2; 2° onder de aanwezige leden bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 1, lid 3, 2°, 3° en 4°, en lid 5; 3° onder de aanwezige leden bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 2, lid 1, 2°, waarbij de onthoudingen niet geldig zijn bij de telling van de stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt er geen consensus bereikt, kan elke categorie bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 1 een minderheidsnota indienen. § 3. De participatieraad bepaalt zijn huishoudelijk reglement en legt het ter goedkeuring voor aan de inrichtende macht. Afdeling II. - Afgevaardigden van leerlingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-4</span><span class=\"lf-art-t\">De afgevaardigden van de leerlingen worden verkozen in het vijfde en zesde jaar van de lagere school, alsook in het secundair onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het type 2 van het gespecialiseerd basisonderwijs en in vorm 1 van het gespecialiseerd secundair onderwijs alsook in het gespecialiseerd onderwijs voor leerlingen met meerdere handicaps, voor leerlingen met autisme, voor afatische of dysfatische leerlingen of voor leerlingen met een ernstige lichamelijke handicap, is het de directeur of de inrichtende macht die een klasafgevaardigde moet aanstellen uit de leerlingen van de betrokken klassen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-5</span><span class=\"lf-art-t\">De inrichtende macht of haar afgevaardigde bepaalt de verkiezingsmodaliteiten van afgevaardigden van leerlingen en erkent het bestaan van leerlingenraden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen bedoeld in lid 1 voorzien inzonderheid in een verkiezing van de afgevaardigden van leerlingen en hun plaatsvervangers door hun medeleerlingen, bij het begin van elk schooljaar, binnen elke klas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Er bestaat een leerlingenraad voor leerlingenvertegenwoordigers: 1° uit het vijfde en zesde jaar van de lagere school;2° uit de lagere Raad van het secundair onderwijs;3° uit de hogere Raad van het secundair onderwijs. De leerlingenraad is een praatgroep waar problemen in verband met de school of met bepaalde klassen worden behandeld Deze Raad heeft als taak vragen, verzoeken, advies en voorstellen van leerlingen over het leven op school te centraliseren en door te geven aan de participatieraad, de directeur en de inrichtende macht. Hij heeft ook als taak de leerlingen uit de verschillende klassen te informeren over de antwoorden van de participatieraad, de directeur en de inrichtende macht. § 2. Elke leerlingenraad stelt zijn eigen huishoudelijk reglement op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij komt minstens zes keer per jaar samen. § 3. Alle leerlingenraden komen minstens één keer per jaar samen om prioritaire vragen te bespreken en, in voorkomend geval, de afgevaardigden van leerlingen te verkiezen die zetelen in de participatieraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke categorie bedoeld in artikel 1.5.3-6, § 1, lid 1, worden minstens twee leden van het pedagogisch team aangesteld als begeleiders van het \"Leerlingenraad\"-project Zij zijn, als deskundige, aanwezig op de vergaderingen van de leerlingenraad van de studiejaren waarin ze actief zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de bepalingen van artikel 1.5.3-4 tot 1.5.3-7, wanneer het aantal leerlingen uit het vijfde en zesde jaar van de lagere school dat is ingeschreven in de school of in de vestiging minder bedraagt dan 15, organiseert de inrichtende macht of haar afgevaardigde de deelname van de leerlingen volgens de nadere regels aangepast aan dit lager aantal leerlingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opleiding tot leerlingenafgevaardigde of tot bemiddelaar voor medeleerlingen is bedoeld om een positieve dynamiek te creëren en democratische praktijken binnen de school te implementeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Regering bepaalt de selectiecriteria voor aanbieders van opleidingen en bepaalt de lijst met aanbieders die gesubsidieerd kunnen zijn, met name op basis van hun expertise en een evenwichtige verdeling ervan. § 2. Zoals na een oproeping voor kandidaten selecteert zij op voorstel van de Commissie bedoeld in paragraaf 3, die scholen waarvan vertegenwoordigers worden toegelaten tot de opleiding bedoeld in artikel 1.5.3-9, met aandacht voor een juiste verdeling tussen de netwerken en met voorrang voor scholen die nog niet hebben deelgenomen aan deze opleiding Zij bepaalt de selectiecriteria voor de kandidaturen van scholen. § 3. Er wordt een Selectiecommissie opgericht voor de kandidaturen bedoeld in paragraaf 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wordt samengesteld, met inachtneming van een evenwicht tussen de karakters, uit zeven vertegenwoordigers voorgesteld door de federaties van inrichtende machten, één vertegenwoordiger voorgesteld door Wallonie-Bruxelles Enseignement, alsook uit de directeur-generaal van verplicht onderwijs -of zijn afgevaardigde, die de Commissie voorzit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de leden aan en bepaalt de werkingsmodaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het secretariaat van de Commissie wordt verzorgd door de diensten van de Regering. Afdeling III. - Ouderverenigingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-11</span><span class=\"lf-art-t\">Er kan een oudervereniging worden opgericht door de ouders van een kleuterschool, een lagere school, een basisschool of een secundaire school</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De oudervereniging groepeert uitsluitend ouders van regelmatig ingeschreven leerlingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-12</span><span class=\"lf-art-t\">De oudervereniging past binnen het kader van het pedagogisch project van de school</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ze heeft als opdracht de betrekkingen tussen de ouders van leerlingen en het geheel van de onderwijsgemeenschap te vergemakkelijken, in het belang van alle leerlingen, hun succes en hun ontwikkeling met inachtneming van de rechten en plichten van iedereen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oudervereniging organiseert een passieve en actieve wacht om alle ouders van leerlingen zo objectief mogelijk te informeren Art.1.5.3-13. § 1. Bij gebrek aan initiatief van de ouders van een school, organiseert de inrichtende macht of haar afgevaardigde elk jaar vóór 1 november een eerste algemene vergadering van ouders met het oog op de oprichting van de oudervereniging in functie van de verplichtende regels die eigen zijn aan de school of volgens de bestaande praktijken. De samenwerking van de participatieraad en de vereniging die de ouders van leerlingen vertegenwoordigt en ouderverenigingen zal worden vereist in het kader van deze benaderingswijze. § 2. De inrichtende macht of haar afgevaardigde roept ten minste één keer per jaar een algemene vergadering van ouders van de schoolinrichting bijeen. Deze vergadering zal vóór 1 november georganiseerd moeten worden. Tijdens deze vergadering zullen in het bijzonder de rol en de werking van de participatieraad en de rol van de oudervereniging aan bod komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze algemene vereniging van ouders kan worden kan gelijkgesteld worden met de algemene vergadering van ouders die ten doel heeft de vertegenwoordigers van de ouders binnen de participatieraad te verkiezen, zoals bedoeld in artikel 1.5.3-2, § 5. § 3. Elke ouder van een minderjarige of meerjarige leerling, is van rechtswege lid van de oudervereniging van de school waar de leerling regelmatig ingeschreven is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het comité van de oudervereniging vertegenwoordigt de oudervereniging tussen twee algemene vergaderingen van ouders. Het is samengesteld uit minstens drie leden, verkozen bij geheime stemming voor een hernieuwbare periode van maximaal twee jaar, uit en door de ouders van leerlingen die lid zijn van de oudervereniging en die in algemene vergadering bijeenkomen. Het comité bepaalt zijn huishoudelijk reglement tijdens zijn eerste vergadering Om de onafhankelijkheid van de debatten binnen het comité te garanderen, mogen geen enkel van de volgende personen lid zijn van het comité: 1° de leden van de inrichtende macht;2° de leden van de directie;3° de leden van het opvoedkundig personeel;4° alle andere personeelsleden. Er kan worden afgeweken van lid 2, 1° wanneer alle ouders leden van rechtswege zijn van de inrichtende macht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ouders die verkozen worden binnen de participatieraad kunnen deel uitmaken van het comité voor de oudervereniging. § 2. Het comité van de oudervereniging heeft de volgende opdrachten: 1° ten minste één keer per jaar, samen met de directie van de school, een algemene vergadering van ouders organiseren;2° vergaderingen van ouders organiseren om inzonderheid de vragen gesteld door de participatieraad te bespreken;3° informatie verspreiden tussen de ouders van leerlingen van de school en hun mogelijke representatieve organen;4° de ouders van de leerlingen van de school aanzetten om actief deel te nemen zodat ze volledig een actieve en verantwoordelijke rol kunnen spelen binnen de school van hun kinderen;5° op eigen initiatief adviezen en/of voorstellen geven aan de betrokken spelers. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt geacht aftredend te zijn het lid van het comité of de vertegenwoordiger dat/die geen kind meer heeft dat regelmatig ingeschreven is in de school. Elk aftredend lid van het comité wordt vervangen op de volgende algemene vergadering overeenkomstig paragraaf 1. § 4. Opdat de oudervereniging erkend zou worden tot lid van een representatieve organisatie van ouders van leerlingen bedoeld in artikel 166-1, moeten haar statuten of werkingsregels overeenstemmen met dit Wetboek en met de statuten van de betrokken gemeenschapsorganisatie. § 5. De oudervereniging die in algemene vergadering bijeenkomt, verkiest ook, indien nodig, voor twee jaar een vertegenwoordiger die belast wordt met de betrekkingen met de betrokken representatieve organisatie van ouders van leerlingen, en een plaatsvervanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het comité heeft als opdracht de representatieve organisatie waartoe het behoort, te informeren over deze aanstelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.5.3-15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De inrichtende macht zorgt voor de terbeschikkingstelling van de infrastructuur en het materiaal aan de oudervereniging die vereist zijn voor de uitvoering van haar opdrachten zonder de goede werking van de school te benadelen en volgens de nadere regels afgesproken tussen het comité van de oudervereniging en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, inzonderheid inzake de overeenkomst en de verzekering wat betreft de bezetting van lokalen. § 2. Het comité van de oudervereniging moet zich bekend kunnen maken aan alle ouders van leerlingen van de school. Daartoe zullen de persoonsgegevens van de leden van het comité bij het begin van het schooljaar door de directeur aan alle ouders meegedeeld worden In elke school zal de oudervereniging over een aanplakbord kunnen beschikken, in een plaats die gemakkelijk toegankelijk is voor de ouders met eventueel de namen en persoonsgegevens van de leden van het comité voor de oudervereniging. § 3. De Regering, de diensten van de Regering en de inrichtende machten zullen de omzendbrieven en richtlijnen in verband met de ouderverenigingen duidelijk identificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het comité van de oudervereniging heeft toegang tot deze documenten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten onder dezelfde voorwaarden als de andere partners van de onderwijsgemeenschap. De inrichtende macht of haar vertegenwoordiger binnen de school wordt verzocht deze documenten tijdig te bezorgen. § 4. De inrichtende macht of haar afgevaardigde zullen zorgen voor de verspreiding van documenten van de oudervereniging die duidelijk geïdentificeerd moeten worden als documenten uitgaande van de oudervereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere regels voor deze verspreiding zullen worden bepaald in overleg met de inrichtende macht of haar afgevaardigde en het comité van de oudervereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke beslissing tot weigering van verspreiding van documenten uitgaande van de oudervereniging die genomen wordt door de inrichtende macht moet gemotiveerd worden tegenover de oudervereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van de documenten verspreid door de oudervereniging moet inzonderheid de bepalingen betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer naleven en moet elke propaganda voor een politieke partij, elke handelsactiviteit of elk gedrag behorende tot de oneerlijke concurrentie tussen de scholen verbieden overeenkomstig artikel 1.7.3-3. In de betrokken scholen moet zij de verplichtingen die verband houden met de neutraliteit bepaald onder Titel 7, Hoofdstuk 4, van dit Wetboek respecteren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL VI. - Beheer van het onderwijssysteem HOOFDSTUK I. - Sturing van het onderwijssysteem Afdeling I. - Sturingscommissie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161-1\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.1-1</span><span class=\"lf-art-t\">Er wordt een Sturingscommissie opgericht voor het basis- en secundair onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opdrachten, de werking en de samenstelling van de Sturingscommissie worden bepaald door het decreet van 27 maart 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling sluiten0 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap. Afdeling II. - De cel voor coördinatiebemiddeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.1-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Binnen het Ministerie wordt een cel voor coördinatiebemiddeling opgericht die bestaat uit: 1° de ambtenaar-generaal belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde;2° de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde;3° de coördinerende afgevaardigde. De cel voor coördinatiebemiddeling: 1° voert de coördinatie tussen de algemene inspectiedienst en de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra, alsook de coördinatie tussen beide hiervoor genoemde algemene diensten en de diensten en directies binnen de algemene directie voor begeleiding van het onderwijssysteem;2° oefent de opdrachten uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 10 januari 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende de algemene inspectiedienst;3° oefent de opdrachten uit die aan haar werden toevertrouwd met het decreet van 13 september 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten8 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst;4° oefent elke andere taak uit die aan haar werden toevertrouwd door de Regering. § 2. De cel voor coördinatiebemiddeling stelt haar eigen huishoudelijk reglement op. Dit wordt goedgekeurd door de Regering. Het stelt ten minste dat: 1° de ambtenaar belast met de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem of zijn afgevaardigde optreedt als voorzitter en de agenda bepaalt;2° de cel voor coördinatiebemiddeling komt minstens één keer per maand samen, behalve tijdens de maanden juli en augustus, en bepaalt de andere regels voor spoedoverleg, inzonderheid in geval van specifieke onderzoeks- en toezichthoudende opdrachten;3° de beslissingen worden genomen met naleving van de consensusregeling;4° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 2°, zetelt de coördinerende afgevaardigde van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra of zijn afgevaardigde als waarnemer;5° wanneer de cel voor coördinatiebemiddeling een taak uitvoert bedoeld in paragraaf 1, lid 2, 3°, zetelt de coördinerende inspecteur-generaal van de algemene inspectiedienst of zijn afgevaardigde als waarnemer;6° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met de artikelen 4, § 2 en 5, 5, § 2, 3, en 8, 6, § 1 en 4, en 7, § 2 en 5, van het decreet van 10 januari 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende de algemene inspectiedienst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospecties uit om te zetelen als waarnemers;7° als de cel voor coördinatiebemiddeling een taak die verband houdt met artikel 5, § 1, 5 en 7, § 1, 4, van het decreet van 13 september 2018Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten8 tot oprichting van de Algemene Dienst Sturing van scholen en psychisch-medisch-sociale centra en tot bepaling van het statuut van de zonedirecteurs en afgevaardigden voor de doelstellingenovereenkomst, nodigt ze de directeur van de directie voor educatieve standaards en evaluaties alsook de ambtenaar-generaal belast met de algemene dienst voor analyses en prospecties uit om te zetelen als waarnemers. HOOFDSTUK II. - Commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern en programmacommissies Afdeling I. - Commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern Art.1.6.2-1. § 1. Er wordt een commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern opgericht. § 2. Wat de referentiesystemen betreft, zorgt de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern: 1° voor de goede toepassing van het handvest van de referentiesystemen bedoeld in artikel 1.4.4-1, § 3, inzonderheid de naleving van de verwachte kwaliteiten en de studierichtingen bepaald door deze laatste; 2° voor de coherentie van de referentiesystemen onder elkaar, tegelijkertijd verticaal (tussen jaren en niveaus) en horizontaal (tussen domeinen en vakken);3° ervoor dat de leerinhouden en de verwachte competenties die de beheersingsniveaus bepalen, voor elk domein en vak worden bepaald;4° ervoor zorgen dat de transversale en interdisciplinaire benaderingen van de gemeenschappelijke kern, effectief door de werkgroepen worden behandeld;5° voor het realisme, de leesbaarheid, de precisie en de begrijpelijkheid van de referentiesystemen voor de verschillende gebruikers en de motivering van de gemaakte keuzes;6° voor de instelling van de leescomités in verband met elke werkgroep voor de uitwerking van de referentiesystemen; 7° voor de naleving van de vrijheid van de inrichtende machten inzake pedagogische methodes bedoeld in artikel 1.5.1-1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern oefent een arbitragerol uit voor mogelijke geschillen binnen de werkgroepen of onder hen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de werkgroepen belast met het opstellen van voorstellen van referentiesystemen na hun werkzaamheden deze voorstellen voor referentiesystemen overmaken aan de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern, kan de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern die wijzigingen aanbrengen die zij noodzakelijk acht alvorens de voorstellen voor referentiesystemen door te sturen naar de Regering samen met haar advies erover. De commissie voor referentiesystemen motiveert in haar advies de aan de oorspronkelijke voorstellen van de werkgroepen aangebrachte wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter van de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern brengt aan het Parlement verslag uit over de voortgang van de werken van de werkgroepen als het Parlement hierom vraagt. § 3. Wat de programma's betreft, controleert de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern of de studieprogramma's het mogelijk maken de verwachte competenties te halen zoals bepaald in de referentiesystemen voor initiële competenties en de gemeenschappelijke kern bedoeld in Titel 4, Hoofdstuk 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze controleert, voor het gespecialiseerd onderwijs van vorm 4, of de studieprogramma's het voor leerlingen met specifieke behoeften mogelijk maken op een optimale manier te evolueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern oefent geen controle uit op de pedagogische methoden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.2-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern wordt voorgezeten door de administrateur-generaal van het Algemeen Bestuur Onderwijs of een persoon aangesteld door hem Ze is als volgt samengesteld: 1° een vertegenwoordiger van de Minister;2° twee vertegenwoordigers van de Algemene Inspectiedienst in de persoon van de inspecteur-generaal van het basisonderwijs en van de inspecteur-generaal van het secundair onderwijs; 3° twee leden van de algemene directie van de sturing van het onderwijssysteem, die ook lid zijn van de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 1.6.4-1; 4° zeven vertegenwoordigers van de inrichtende machten waaronder: a) drie vertegenwoordigers van de inrichtende machten bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 3° ; b) één vertegenwoordiger van de inrichtende machten bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 4° ; c) één vertegenwoordiger van de inrichtende machten bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 1° ; d) één vertegenwoordiger van de inrichtende machten bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 2° ; e) één vertegenwoordiger van Wallonie-Bruxelles - Enseignement; 5° vijf deskundigen afkomstig uit inrichtingen van het hoger onderwijs met een ervaring of een bekwaamheid inzake schoolcurricula of in één van de domeinen bedoeld in artikel 1.4.2-3, 1° tot 5°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden bedoeld in lid 2, 5°, worden aangesteld op voorstel van de Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern worden aangesteld op voorstel van de Regering. Met uitzondering van de deskundigen, wordt voor elk werkend lid ook een plaatsvervangend lid aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern mag haar werkzaamheden organiseren door specifieke werkgroepen op te richten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.2-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern legt haar eigen werkingsregels vast, met inachtneming van de nadere regels opgesteld door de Regering en onverminderd artikel 1.4.4-2 De commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern mag op eigen initiatief leescomités instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern advies uitbrengt over een programma, neemt ze beslissingen met een tweederdemeerderheid. De leden bedoeld in artikel 1.6.2-2, lid 2, 4°, nemen niet deel aan deze besluitvorming. Ze mogen wel, indien ze dat wensen, worden gehoord als adviseurs. Afdeling II. - Programmacommissies</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.2-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een programmacommissie opgericht voor de overgangsafdeling van de hogere Raad van het gewoon secundair onderwijs, een programmacommissie voor de kwalificatieafdeling van de hogere Raad van het gewoon secundair onderwijs en een programmacommissie voor het gespecialiseerd onderwijs De programmacommissies controleren of de studieprogramma's van die aard zijn dat ze het mogelijk maken de verwachte competenties zoals vastgelegd in de respectieve referentiesystemen te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De programmacommissies oefenen geen controle uit op de pedagogische methodes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.2-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke programmacommissie omvat: 1° acht leden aangesteld door de Minister op voorstel van de algemene Raad voor het secundair onderwijs;2° twee vertegenwoordigers van de inspectie aangesteld door de Minister op voorstel van de algemene inspecteurs;3° een afgevaardigde van het Algemeen Bestuur Onderwijs, aangesteld door de Minister op voorstel van de administrateur-generaal onderwijs die de commissie voorzit. De mandaten hebben een duur van vier jaar. Ze zijn hernieuwbaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.2-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke programmacommissie legt haar eigen werkingsregels vast, met inachtneming van de nadere regels vastgelegd door de Regering. De adviezen van de programmacommissies worden aangenomen met een tweederdemeerderheid. HOOFDSTUK III. - Externe evaluaties die niet met een getuigschrift worden bekrachtigd Afdeling I. - Definities en doelstellingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-1\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">En externe evaluatie die niet met een getuigschrift wordt bekrachtigd betreft ofwel de leerlingen van alle scholen, ofwel een representatieve steekproef van de leerlingen van de Franse Gemeenschap De scholen worden ertoe gehouden hun leerlingen te onderwerpen aan de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift en die hen betreffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift hebben betrekking op de beheersing van de kennis, knowhow en competenties zoals bepaald in de artikelen 1.4.2-2, 1.4.3-1 en 1.4.3-2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift geven informatie over het bevorderingsniveau van de leerlingen waarbij minstens één van de volgende doelstellingen wordt nagestreefd: 1° het mogelijk maken voor elk pedagogisch team om de doeltreffendheid van zijn acties te waarderen door de verworven kennis van zijn leerlingen vast te stellen ten aanzien van de verwachte jaarlijkse competenties en door de resultaten van haar leerlingen te situeren ten aanzien van de globale resultaten van de leerlingen van alle scholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en, in voorkomend geval, op vraag van de inrichtende macht bij de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst ten aanzien van de resultaten geleverd door de sociaaleconomische index in kwartiel;2° het mogelijk maken om ook de doeltreffendheid van deze actie te waarderen op het niveau van elke zone;3° de overheden en het geheel van actoren in te lichten over de verworven kennis van de leerlingen van een studiejaar of van een bepaalde leeftijd die naar het geheel van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde scholen gaan;4° de overheden en het geheel van de actoren in te lichten over de evolutie van de verworven kennis van een groep leerlingen op verschillende ogenblikken van het studieprogramma</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 1.6.3-14, § 1, lid 5, worden de resultaten van de leerlingen en van de schoolinrichtingen voor de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, anoniem gehouden behalve voor de betrokken school, de steun- en begeleidingsdiensten en de algemene sturingsdienst voor scholen en de PMS-centra, onverminderd de hierna vermelde bepalingen bedoeld in artikel 1.6.3-15, § 2 Het is verboden dit te vermelden, inzonderheid voor doeleinden inzake reclame of concurrentie tussen scholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten behaald bij de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, mogen geen aanleiding geven tot een rangschikking van leerlingen of scholen, behalve voor de behoeften die het resultaat zijn van de toepassing voor de diensten van de Regering van de decretale of reglementaire bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de algemene inspectiedienst, de leden van de algemene sturingsdienst voor scholen en PMS-centra, de ambtenaren van het Algemeen Bestuur Onderwijs, de leden van de steun- en begeleidingscellen, de personeelsleden en de inrichtende machten van scholen die de resultaten kennen van de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, zijn daartoe gehouden tot het beroepsgeheim. Bij overtreding wordt artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet-naleving van het verbod op openbaarmaking is een oneerlijke praktijk in de zin van artikel 1.7.3-3. Afdeling II. - Organisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Wat betreft de gemeenschappelijk kern bepaald in artikel 1.2.1-5, worden de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift georganiseerd voor alle leerlingen van het derde en vijfde jaar van het basisonderwijs, over de beheersing van het en het produceren van geschreven stukken en wiskundige en wetenschappelijke basiskennis, alsook, in het vijfde jaar van het basisonderwijs, over andere domeinen bepaald door de Regering waaronder die opgenomen in artikel 1.4.2-3 De Regering bepaalt de maturiteitsgraden alsook de vormen van het gespecialiseerd onderwijs die betrokken zijn bij de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift zoals bedoeld in lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift zal ervoor gezorgd worden dat de evolutie van de beheersing van dezelfde kennis, knowhow en competenties wordt beoordeeld op de bedoelde diverse ogenblikken van de schooljaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van een advies uitgebracht door de evaluatiecommissie ingericht door artikel 1.6.4-1 kan de Regering beslissen om één of meer bijkomende externe evaluaties te organiseren die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift. § 2. Wat betreft de hogere Raad van het secundair onderwijs bedoeld in artikel 1.2.1-6, stelt de Regering, om de drie jaar, op voorstel van de evaluatiecommissie ingericht door artikel 1.6.4-1, een driejarenplan vast met betrekking tot de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, dat de planning bevat van alle externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift en die op dat gebied georganiseerd worden en maakt een onderscheid tussen: 1° externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, die betrekking hebben op alle scholen en op een representatieve steekproef;2° de bedoelde domeinen van bekwaamheden alsook de betrokken studiejaren of leeftijdscategorieën;3° in voorkomend geval de bedoelde types en vormen van gespecialiseerd onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het driejarenplan van de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, houdt rekening met de volgende prioritaire assen: 1° elk jaar wordt minstens één externe evaluatieproef georganiseerd die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift;2° één externe evaluatieproef die betrekking heeft op de beheersing van het lezen wordt minstens één keer tijdens de driejaarlijkse cyclus georganiseerd. Wat betreft de moderne talen worden de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, georganiseerd volgens de volgende nadere regels: 1° om de drie jaar wordt een externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, georganiseerd voor alle leerlingen van het vierde jaar van het secundair onderwijs over de eerste moderne taal; 2° na advies van de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 1.6.4-1, kan de Regering beslissen om een of meer bijkomende externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift te organiseren over de beheersing van de tweede moderne taal en, in voorkomend geval, de derde gestudeerde moderne taal; 3° in het kader van de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift bedoeld in het eerste lid, zijn specifieke proeven bedoeld voor leerlingen die taalbadonderwijs volgens zoals bedoeld in Titel 8, Hoofdstuk 3, van dit Boek. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerlingen worden onderworpen aan externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift zoals bedoeld in paragraaf 1 en 2, met uitzondering van die georganiseerd op het einde van het zesde jaar van het basisonderwijs, tussen 1 en 31 oktober van hetzelfde schooljaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle betrokken leerlingen worden op dezelfde datum onderworpen aan de evaluaties bedoeld in lid 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voor het ontwerpen van elke externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, wordt een werkgroep opgericht die als volgt wordt samengesteld: 1° de voorzitter van de evaluatiecommissie of zijn afgevaardigde, die de werkgroep voorzit;2° een universitair of interuniversitair onderzoeksteam;3° vier leden van de algemene inspectiedienst aangewezen door de Regering op voorstel van de administrateur-generaal van het Onderwijs;4° zes leerkrachten die zorgen voor hun volledige of gedeeltelijke opdracht tijdens het studiejaar waarop de evaluatie betrekking heeft, aangewezen door de Regering op voorstel, wat betreft het gesubsidieerd onderwijs, van de federaties van inrichtende machten en na toestemming van hun inrichtende macht en, wat betreft het georganiseerd onderwijs, van Wallonie-Bruxelles Enseignement;5° een of meer leden van de steun- en begeleidingscellen aangewezen door de Regering op voorstel van Wallonie-Bruxelles Enseignement of de federatie van inrichtende machten waaronder ze vallen. Wat betreft het lager onderwijs worden de leerkrachten bedoeld in lid 1, 4°, als volgt verdeeld: drie leerkrachten die voor hun volledige of gedeeltelijke opdracht in het gesubsidieerd officieel onderwijs zorgen, twee leerkrachten die voor hun volledige of gedeeltelijke opdracht in het vrij onderwijs zorgen en één leerkracht die voor zijn volledige of gedeeltelijke opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs zorgt Wat betreft het secundair onderwijs worden de leerkrachten bedoeld in lid 1, 4°, als volgt verdeeld: één of twee leerkrachten die voor hun volledige of gedeeltelijke opdracht in het gesubsidieerd officieel onderwijs zorgen, drie leerkrachten die voor hun volledige of gedeeltelijke opdracht in het vrij onderwijs zorgen en één of twee leerkrachten die voor zijn volledige of gedeeltelijke opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs zorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze leerkrachten zijn belast met een opdracht in de zin van het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de nadere regels voor de detachering van leerkrachten die deelnemen aan de werkgroepen belast met externe evaluaties die niet worden bekrachtig met een getuigschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het lager onderwijs worden de leden bedoeld in lid 1, 5°, als volgt verdeeld: drie leden uit de steun- en begeleidingscel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, twee leden uit een steun- en begeleidingscel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en één lid uit de steun- en begeleidingscel van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het secundair onderwijs worden de leden bedoeld in lid 1, 5°, als volgt verdeeld: één of twee leden uit de steun- en begeleidingscel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, drie leden uit een steun- en begeleidingscel van het gesubsidieerd vrij onderwijs en één of twee leden uit de steun- en begeleidingscel van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien Wallonie-Bruxelles Enseignement of een federatie van inrichtende machten geen vertegenwoordiger(s) voorstelt die het moet voorstellen, wordt toch aangenomen dat de werkgroep correct is samengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het secretariaat van de werkgroep wordt verzekerd door een ambtenaar van het Algemeen Bestuur Onderwijs. § 2. De leerkrachten belast met een opdracht zoals bepaald in paragraaf 1 van dit artikel worden hun verplaatsingskosten terugbetaald volgens de nadere regels opgesteld door de Regering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke werkgroep, wat betreft de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift waarmee hij belast is, heeft als volgende opdrachten: 1° de organisatie van de proef met het oog op de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift;2° het ontwerp van de informatie betreffende de voormelde proef;3° de omschrijving van de instructies voor het afnemen en verbeteren van de proef;4° het opstellen van een sociaal-culturele vragenlijst bestemd voor de leerling en van een vragenlijst betreffende de pedagogische praktijken bestemd voor de leerkracht;5° het opstellen van een document met didactische pistes die verband houden met de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift. Art.1.6.3-8. De leden van de werkgroepen en de universitaire onderzoeksteams alsook elke andere persoon die bij deze werkzaamheden betrokken is, zijn tot de striktste geheimhouding gehouden wat betreft de inhoud van de proeven, behalve de communicatie die is toegestaan voor de nadere regels bepaald door de Regering. Bij overtreding wordt artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-9</span><span class=\"lf-art-t\">Het Algemeen Bestuur Onderwijs is belast met de organisatie van de proeven</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De naleving van de instructies en de nadere regels betreffende het afnemen behoort tot de verantwoordelijkheid van de directeur van de school. Deze is gehouden tot geheimhouding gehouden wat betreft de inhoud van de proeven tot op het moment dat ze worden afgenomen De naleving van de instructies en de nadere regels betreffende de verbetering behoort tot de verantwoordelijkheid van elke inspecteur voor de scholen waar hij zijn opdrachten uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader zorgt hij ervoor een verdeling te organiseren van de protocollen die ingevuld worden door de leerlingen zodat een leerkracht de door de leerlingen waarvoor hij een opdracht heeft ingevulde protocollen niet moet verbeteren, noch, behoudens uitzonderlijke toestand, deze ingevuld door de leerlingen van een school waar hij zijn ambt uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle betrokken leerkrachten verbeteren de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de leerkrachten aan de verbeteringen deelnemen, worden ze beschouwd als in dienstactiviteit te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scholen maken de resultaten van de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift van hun leerlingen over aan het Algemeen Bestuur Onderwijs volgens de door hem bepaalde nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De werkgroep wordt belast met het analyseren en voorstellen van de resultaten van de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift waarmee hij belast werd Deze voorstelling moet het mogelijk maken om zowel het niveau van beheersing van het geheel van de geëvalueerde kennis, knowhow en competenties te beoordelen als het niveau van beheersing van elke bekwaamheid, waarbij niet alleen het gemiddelde niveau maar ook de verspreiding van de resultaten onder de leerlingen en de scholen in aanmerking worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze voorstelling kan ook het beheersingsniveau dat door de leerlingen wordt bereikt, worden beoordeeld door rekening te houden met de specifieke kenmerken van het schoolpubliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze voorstelling moet de bepaling bedoeld in artikel 1.6.3-14, § 1, lid 5 mogelijk worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorstelling mag in geen enkel geval de identificatie van de leerlingen of van de scholen toelaten. § 2. De werkgroep wordt belast met het opstellen van een document met didactische pistes die verband houden met de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift waarmee hij belast werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit document moet de pedagogisch teams helpen bij het analyseren van de antwoorden en geschriften van hun leerlingen tegenover onderdelen die deel uitmaken van de externe evaluatie die niet wordt bekrachtigd met een getuigschrift en bij het verbeteren van de beheersing van de geëvalueerde kennis, knowhow en competenties inzonderheid via de implementatie van activiteiten die het mogelijk maken de vastgestelde fouten te herstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten en analyse van de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, worden door de voorzitters van de werkgroepen overgemaakt aan de voorzitter van de sturingscommissie. Afdeling III. - Verwerking van resultaten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag en de analyse van de externe evaluaties die niet bekrachtigd worden met een getuigschrift, worden door de voorzitter van de sturingscommissie overgemaakt aan de Regering Op basis van de resultaten van elke externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, brengt de sturingscommissie advies uit aan de Regering met, in voorkomend geval, de aanbevelingen die deze resultaten zouden kunnen verbeteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Naast de resultaten van alle leerlingen samen alsook die van elk van hen, beschikt elke inrichtende macht en elke school over de globale resultaten van alle leerlingen van de Franse Gemeenschap die haar worden meegedeeld in de voorstelling bedoeld in artikel 1.6.3-11 door het Algemeen Bestuur Onderwijs en, in voorkomend geval, op vraag van de inrichtende macht bij de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst, per sociaaleconomische index in kwartiel De personeelsleden en de inrichtende machten van scholen die de resultaten van de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift kennen, zijn daartoe tot beroepsgeheim gehouden. Bij overtreding wordt artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mededeling van de resultaten van de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, wordt gevolgd door voorstellen in de vorm van pedagogische hulpmiddelen die ten doel hebben in te spelen op de vastgestelde moeilijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht of haar afgevaardigde zorgt ervoor dat de resultaten geanalyseerd en verwerkt worden met, in voorkomend geval, de hulp van de steun- en begeleidingsdienst van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap of van de federaties van de inrichtende machten naargelang het geval. Het verwerken van de resultaten bestaat inzonderheid in het ontwikkelen en invoeren van pedagogische of organisatorische strategieën die deze resultaten zouden kunnen verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht of haar afgevaardigde zorgt ervoor dat elke ouder toegang heeft tot de resultaten van het kind waarvoor hij verantwoordelijk is in vergelijking met de globale resultaten van alle leerlingen van de Franse Gemeenschap. § 2. De anonieme resultaten worden ook opgemaakt op het niveau van alle scholen van eenzelfde zone en overgemaakt aan de zoneraden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elke school stelt de resultaten van haar leerlingen ter beschikking van de leden van de algemene sturingsdienst voor scholen en PMS-centra, de betrokken inspectiediensten en de betrokken steun- en begeleidingscel zodat deze, naast de globale resultaten van alle leerlingen van de Franse Gemeenschap, beschikken over alle resultaten van de leerlingen van elke school waar ze hun opdrachten uitoefenen De leden van de algemene sturingsdienst voor scholen en PMS-centra, de inspecteurs en adviseurs voor steun en begeleiding die de resultaten kennen van de externe evaluatie die niet bekrachtigd wordt met een getuigschrift, zijn daartoe tot het beroepsgeheim gehouden. Bij overtreding wordt artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokken inspectiediensten en de adviseurs voor steun en begeleiding zorgen ervoor dat deze resultaten geïntegreerd worden in hun eigen onderzoek in het kader van hun respectieve evaluatieopdrachten betreffende het studieniveau en het niveau van de begeleiding. Ze verlenen hulp aan scholen bij het analyseren en verwerken van de resultaten. § 2. Wat betreft de mededeling van de resultaten van de leerlingen van scholen die een voor een beschouwd worden, heeft de mededeling aan de steun- en begeleidingsdienst slechts betrekking op de scholen die behoren tot ofwel het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, ofwel een inrichtende macht aangesloten bij een federatie van inrichtende machten. In dit geval wordt de mededeling onderworpen aan de toestemming van de inrichtende macht. De Regering bepaalt de nadere regels volgens welke de inrichtende macht deze toestemming meedeelt. Afdeling IV. - Maatregelen ter bescherming van de geheimhouding van de inhoud van externe evaluaties die niet worden bekrachtigd met een getuigschrift Art.1.6.3-16. De leden van de diensten van de Regering en van de algemene inspectiedienst zijn gehouden aan het beroepsgeheim wat betreft de inhoud van de proeven voor externe evaluaties die niet met een getuigschrift worden bekrachtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren die alle of een deel van de inhoud van deze proeven vrijgeven voor dat deze proeven zijn voltooid door de leerlingen, behalve de communicatie die is toegestaan voor de nadere regels bepaald door de Regering, plegen een misdrijf. Bij overtreding wordt artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-17\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De directeur, de personeelsleden die werkzaam zijn in de scholen en, in voorkomend geval, het personeel met een vrijwilligerscontract dat prestaties levert in de scholen, zijn gebonden aan het beroepsgeheim wat betreft de inhoud van de externe proeven en alle informatie aan de hand waarvan deze toegankelijk zijn Bij een inbreuk op deze geheimhoudingsplicht wordt artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-18\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.3-18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij die, in strijd met de instructies en regels voor het afnemen van proeven, een verzegeld pakje met een of meer exemplaren van proeven opent voor gebruik ervan in het kader van deze proeven, wordt gestraft met dezelfde straffen als vastgelegd in artikel 460 van het Strafwetboek Hij die alle of een deel van de inhoud van de proeven, voor gebruik ervan in het kader van deze proeven, verbergt, ruilt of om niet ontvangt, bezit in om het even welke vorm, koopt, reproduceert of overdraagt op om het even welke manier zonder hiervoor de toelating te hebben van de Regering of zijn afgevaardigde, wordt gestraft met dezelfde straffen. HOOFDSTUK IV. - Evaluatiecommissie Art.1.6.4-1. Er wordt een evaluatiecommissie opgericht die belast is met: 1° het coördineren en verzorgen van de overeenstemming van de externe evaluaties die al dan niet worden bekrachtigd met een getuigschrift, en de evaluatiehulpmiddelen bedoeld in artikel 1.4.4-4; 2° het garanderen van de briefwisseling over de evaluaties en referentiesystemen;3° het opstellen van een globale planning voor de externe evaluaties, rekening houdend met internationale evaluaties;4° het harmoniseren van de nadere regels voor het afnemen van externe proeven die bekrachtigd worden met een getuigschrift in scholen, met inbegrip van het organiseren (of niet) van een tweede sessie;5° het voorstellen aan de Regering van raamdocumenten voor evaluaties;6° het valideren van evaluatievoorwerpen en controleren of deze geschikt zijn aan de hand van de raamdocumenten; 7° het sturen van de werkgroepen belast met het ontwerpen van de externe evaluaties of proevenreeksen bedoeld in artikel 1.4.4-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raamdocumenten bedoeld in lid 1, 5°, vermelden, voor elk evaluatievoorwerp: 1° het beoogde doel, het doelpubliek, de aard van de proef en de vorm ervan;2° de samenstelling van de werkgroep belast met het ontwerpen van de evaluatie;3° de planning van het afnemen van deze voorwerpen in het curriculum;4° het te respecteren schema. Art.1.6.4-2. De evaluatiecommissie wordt voorgezeten door de administrateur-generaal van het Algemeen Bestuur Onderwijs of een persoon aangesteld door hem. Volgens de door de Regering vastgelegde nadere regels bevat ze de volgende vertegenwoordigers van: 1° de algemene directie voor de sturing van het onderwijssysteem;2° de algemene inspectiedienst;3° de commissie voor referentiesystemen en programma's van de gemeenschappelijke kern en programmacommissies;4° Wallonie-Bruxelles Enseignement en federaties van inrichtende machten van onderwijs;5° de Regering;6° de academische wereld gespecialiseerd in algemene pedagogie of docimologie. Art.1.6.4-3. De Regering legt de nadere regels voor de werking van de evaluatiecommissie vast. HOOFDSTUK V. - Onderhandelingen tussen de Regering en de inrichtende machten Art.1.6.5-1. De fundamentele onderwijshervormingen zijn het voorwerp van voorafgaande onderhandelingen tussen de Regering, Wallonie-Bruxelles Enseignement en de door de Regering erkende federaties van inrichtende machten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Regering erkent als federatie van inrichtende machten elk orgaan dat voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° minstens 20 % van alle inrichtende machten uit de eerste drie van volgende categorieën doen aansluiten aan eenzelfde net met eenzelfde karakter: a) inrichtende machten die scholen voor basisonderwijs, gewoon lager en kleuteronderwijs organiseren;b) inrichtende machten die scholen voor gewoon secundair onderwijs organiseren;c) inrichtende machten die scholen voor gespecialiseerd onderwijs organiseren;d) inrichtende machten die scholen voor sociale promotie organiseren;e) inrichtende machten die PMS-centra organiseren;f) inrichtende machten die scholen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan organiseren.2° minstens 10 % van de inrichtende machten doen aansluiten, binnen dit net en met dit karakter, in minstens twee provincies en in het arrondissement van het Brussel-Hoofdstad en dit, voor elk van de drie categorieën in elk van de drie bovengenoemde administratieve zones;3° de inrichtende machten die scholen inrichten waar minstens 20 % van de schoolbevolking van dit geheel bestaat uit leerlingen die school lopen in het basisonderwijs, gewoon lager en kleuteronderwijs, in scholen voor gewoon secundair onderwijs en scholen voor bijzonder onderwijs, binnen dit net en met dit karakter aansluiten. De Regering kan afwijken van de in het eerste lid bedoelde criteria op grond van een met voldoende redenen omkleed verzoek Zolang de federatie van inrichtende machten inrichtende machten van secundaire onderwijsscholen tot lid maakt, moeten voornoemde scholen bevatten die de overgangsafdeling en kwalificatieafdeling organiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inrichtende macht die weigert zich aan te sluiten bij een federatie van inrichtende machten kan enkel in aanmerking worden genomen voor de erkenning van een andere federatie dan ten vroegste zes maanden na kennisgeving van deze weigering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering erkent minstens, desgevallend in afwijking van het eerste lid: 1° een federatie ter vertegenwoordiging van gesubsidieerde overheden die basisscholen, gewone en bijzondere kleuter- en lagere scholen, bijzondere secundaire scholen en secundaire kunstscholen met beperkt leerplan organiseren;2° een federatie ter vertegenwoordiging van gesubsidieerde overheden die gewone secundaire scholen organiseren;3° een federatie ter vertegenwoordiging van de inrichtende machten van het confessioneel vrij onderwijs;4° een federatie ter vertegenwoordiging van de inrichtende machten van het niet-confessioneel vrij onderwijs. § 2. Opdat een federatie door de Regering erkend zou worden: 1° moet de federatie samenhang vertonen met het educatief en pedagogisch project van een inrichtende macht die lid wordt van deze federatie en met het educatief project en de hoofdlijnen van deze federatie;2° moet de federatie: a) voorzien in zijn statuten dat de algemene vergadering is samengesteld uit: - minstens 80 % aangesloten inrichtende machten of vertegenwoordigers gekozen in hun midden door verschillende inrichtende machten; - hoogstens 20 % door de eerste groep gecoöpteerde leden; b) voorzien in zijn statuten dat de algemene vergadering beslissingen neemt omtrent de wijzigingen aan de statuten, de vaststelling van het eventueel lidgeld bedoeld in artikel 1.6.5-5 en de aanstelling van de Raad van bestuur, welke zetelt voor een hernieuwbare periode van maximaal zes jaar; c) instaan voor de openbaarmaking van de informatie aan zijn leden alsook van de aansluitingsregels tot de federatie en de toegang tot de activiteiten, programma's en diensten die hij aanbiedt;d) bij de verzending van zijn verzoek om erkenning, een kopie van de toetredingsresoluties van de aangesloten inrichtende machten zenden naar de Regering, alsmede de namen en voornamen van de leden van de verschillende instanties van dit orgaan én een kopie van zijn statuten en reglementen en, vervolgens, zodra de erkenning is aangenomen, iedere wijziging aan deze verscheidene elementen.3° moet de Raad van bestuur van de federatie: a) bestaan uit een meerderheid van de leden die zijn gekozen uit diegenen bedoeld in het eerste streepje van voornoemd punt 2°, a), eerste streepje; b) voor een periode van maximaal zes jaar welke hernieuwbaar is, de personen aanduiden gemachtigd om, in zijn naam, de protocollen te tekenen welke gesloten worden na het overleg bedoeld in artikel 1.6.5-1. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erkenning wordt verleend voor een duur van zes jaar. § 4. De Regering trekt de erkenning in van die federaties van inrichtende machten die de in § 1 en 2 bepaalde voorwaarden niet langer naleven De Regering beslist over de procedure voor erkenning, voor weigering van erkenning en voor intrekking van erkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure bedoelt in lid 2 beschrijft ten minste: 1° dat de federatie uiterlijk op 15 november van het jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar dat deze erkenning in werking is getreden, een verzoek indient bij de Regering;2° de nadere regels voor het indienen van het verzoek tot erkenning;3° de mogelijkheid voor de federatie om in beroep te gaan tegen een beslissing tot weigering of intrekking van een erkenning alsook de vormen en termijnen hiervan;4° de mogelijkheid voor de federatie om te worden gehoord tijdens een beroep;5° de termijnen waarbinnen de beslissingen moeten worden genomen over toekenning, weigering of intrekking van een erkenning. Art.1.6.5-3. Elke federatie van inrichtende machten wordt belast met een algemene opdracht voor vertegenwoordiging, coördinatie, ondersteuning en begeleiding van de inrichtende machten die aangesloten zijn of met wie ze een overeenkomst heeft afgesloten en dit volgens de in deze overeenkomst vastgelegde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader hiervan sluit elke federatie van inrichtende machten met de Regering de overeenkomst af bedoeld in artikel 14 van het decreet van 28 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende de steun- en begeleidingscellen van het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en het statuut van de adviseurs belast met ondersteuning en begeleiding, en geniet ook van de subsidie bedoeld in artikel 12, lid 1, van hetzelfde decreet, volgens de door haar bepaalde voorwaarden en nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wallonie-Bruxelles Enseignement wordt belast met een algemene opdracht voor vertegenwoordiging, coördinatie, ondersteuning en begeleiding van de scholen die het organiseert en met wie ze een overeenkomst heeft afgesloten in toepassing van artikel 1.7.3-1, § 2, 5°, en dit volgens de in deze overeenkomst vastgelegde voorwaarden In het kader hiervan sluit Wallonie-Bruxelles Enseignement met de Regering de overeenkomst af bedoeld in artikel 14 van het decreet van 28 maart 2019Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende de steun- en begeleidingscellen van het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en het statuut van de adviseurs belast met ondersteuning en begeleiding, en geniet ook van de subsidie bedoeld in artikel 12, lid 1, van hetzelfde decreet, volgens de door haar bepaalde voorwaarden en nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke inrichtende macht kan van de dotaties of werkingssubsidies van de scholen die ze organiseert het bedrag afhouden van de bijdrage die zij betaalt aan een van de federaties van inrichtende machten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-6</span><span class=\"lf-art-t\">Er wordt een overlegcomité opgericht tussen de Regering van de Franse Gemeenschap, Wallonie-Bruxelles Enseignement en de federaties van inrichtende machten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Worden genomen, na overleg van het comité en voor zover ze een rechtstreekse invloed hebben op de actie van de inrichtende machten, de voorontwerpen van decreten en de besluitontwerpen van de Regering voor de volgende onderwerpen: 1° De prioritaire en specifieke opdrachten van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs;2° De algemene studierichtingen, de opdrachten, de organisatie van PMS-centra;3° De algemene studierichtingen of de duur van de studies;4° De algemene structuur en de organisatie van het onderwijs;5° De voorwaarden tot toelating, inschrijving, herinschrijving, uitsluiting, toegang en overgang van de leerlingen of studenten;6° Het algemeen reglement van de studies en examens, daar waar ze bestaan;7° De regeling van het aanbod inzake onderwijs, de programmering, de plaatsen en de regels van het overleg, de normen inzake oprichting en behoud;8° De wijze van omschrijving en herziening van de referentiesystemen;9° De nadere regels voor de goedkeuring van studieprogramma's door de Regering;10° De externe evaluatie;11° Het beleid inzake positieve discriminatie en gedifferentieerde omkadering;12° De subsidiëring en de nadere regels ervan;13° De wijzen van nazicht en bekendmaking van de jaarrekening voor zover ze bijkomende regels zouden opleggen aan de regels die al van toepassing zijn en die eigen zijn aan de juridische aard van de inrichtende machten;14° De financiering van gebouwen;15° De nadere regels voor gratis onderwijs en de toepassing ervan;16° Het beleid, de verdeling en de terbeschikkingstelling van de specifieke uitrustingen van de scholen;17° De sociale en andere voordelen toegekend aan de scholen; 18° De financiering, de werking en de uitrusting van de inrichtende machten met inbegrip van de winst en de globale verdeling van GECO-overeenkomsten (gesubsidieerd contractuele ambtenaar), APE-contracten (arbeidspromotie), PTP-contracten (programma voor beroepsdoorstroming) (... ); 19° De statutaire regels van het gesubsidieerde personeel;20° De reaffectatie en het beheer van de tewerkstellingen;21° De basisopleiding van de personeelsleden en de opleiding tijdens de loopbaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het overlegcomité is samengesteld uit een delegatie van de overheid, een delegatie van Wallonie-Bruxelles Enseignement en een delegatie van de federaties van de inrichtende machten. § 2. De overheidsdelegatie, met inbegrip van de voorzitter en, in voorkomend geval, de ondervoorzitter(s), bestaat uit hoogstens 12 leden. De overheidsdelegatie bestaat uit de minister die bevoegd is voor Onderwijs, de minister van Begroting of hun behoorlijk gemachtigde vertegenwoordigers. De andere leden van de overheidsdelegatie worden door de voorzitter gekozen uit de personen die, ongeacht de hoedanigheid, bevoegd zijn om de Regering van de Franse Gemeenschap te verbinden De voorzitter en de ondervoorzitter(s) worden aangesteld door de Regering. Ze kunnen zich laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overheidsdelegatie kan zich laten begeleiden door technici. Het aantal technici kan evenwel het aantal aanwezige leden niet overschrijden. § 3. De delegatie van de inrichtende machten bestaat uit 12 leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wallonie-Bruxelles Enseignement en federaties van inrichtende machten kiezen vrij hun vertegenwoordigers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De delegatie is samengesteld uit hoogstens: 1° 4 leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen zoals bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 3° ; 2° 1 lid dat de inrichtende machten vertegenwoordigt zoals bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 4° ; 3° 3 leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen zoals bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 1° ; 4° 2 leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen zoals bedoeld in artikel 1.6.5-2, § 1, lid 5, 2° ; 5° 2 leden die Wallonie-Bruxelles Enseignement vertegenwoordigen. De delegatie van de inrichtende machten kan zich laten begeleiden door technici. Het aantal technici van elke delegatie kan evenwel het aantal leden die deze laatste samenstellen, niet overschrijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter zorgt voor de goede werking van het comité en stelt de secretaris aan, alsook de administratieve dienst die het secretariaat regelt. Het comité stelt zijn huishoudelijk reglement op Dit reglement wordt door de Regering goedgekeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vraag wordt tot onderhandeling binnen het bevoegde onderhandelingscomité voorgelegd op initiatief van de overheid, Wallonie-Bruxelles Enseignement of een federatie van inrichtende machten Met het oog op de onderhandeling ontvangen Wallonie-Bruxelles Enseignement en de federaties van inrichtende machten al de nodige documentatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter stelt de agenda op, rekening houdend met de initiatieven bedoeld in artikel 1.6.5-9. Hij bepaalt de datum van de vergaderingen. Hij leidt de debatten en verzekert het goede verloop van de vergaderingen De agenda vermeldt in welke beide termijnen bedoeld in artikel 1.6.5-14, de onderhandeling dient te worden beëindigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De secretaris verstuurt de oproepingsbrieven met de agendapunten en de vereiste documentatie naar de delegaties en dit minstens tien werkdagen vóór de datum van de vergadering Wanneer de voorzitter het dringend acht, kan hij de termijn tot drie schoolwerkdagen beperken, zonder dat dit noodzakelijkerwijs tot de toepassing leidt van artikel 1.6.5-14. § 2. De voorzitter kan de onderhandeling via elektronische weg organiseren wanneer dit punt vooraf unaniem werd aanvaard binnen een overlegorgaan waarin Wallonie-Bruxelles Enseignement en de federaties van inrichtende zijn vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaren die via mail worden overgemaakt binnen drie schoolwerkdagen na ontvangst van de oproeping van Wallonie-Bruxelles Enseignement of één federatie van inrichtende machten volstaat opdat de procedure bepaald in paragraaf 1 van toepassing zou zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering heeft iedere delegatie het recht om wijzigingen aan de agenda voor te stellen. Om van toepassing te zijn, dienen deze wijzigingen unaniem door de aanwezige delegaties te worden aanvaard</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-13</span><span class=\"lf-art-t\">De afwezigheid van een of meer, regelmatig opgeroepen leden, van de overheidsdelegatie, leidt tot de ongeldigheid van het overleg</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderhandeling wordt beëindigd binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag van de vergadering waarin het punt voor de eerste maal werd behandeld. De termijn kan bij onderlinge overeenstemming tussen de aanwezige delegaties worden verlengd De voorzitter kan de termijn tot tien dagen beperken, wanneer hij de behandeling van een punt dringend acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de onderhandeling neemt het comité de conclusies van de onderhandeling in een protocol op dat het volgende vermeldt: 1° ofwel het unanieme akkoord van alle partijen;2° ofwel het akkoord tussen de overheidsdelegatie en de delegatie Wallonie-Bruxelles Enseignement of een of meer federaties van inrichtende machten, alsook het standpunt van de andere leden van deze delegatie;3° ofwel het respectieve standpunt van iedere delegatie. Art.1.6.5-16. De secretaris stelt de notulen op van de vergaderingen De notulen van iedere vergadering vermelden: 1° de agendapunten;2° de naam van de leden van de overheidsdelegatie die aanwezig, verontschuldigd of afwezig zijn;3° de naam van de leden van Wallonie-Bruxelles Enseignement die aanwezig, verontschuldigd of afwezig zijn;4° de naam van de federaties van inrichtende machten die aanwezig, verontschuldigd of afwezig zijn en de naam van de leden van de delegaties van deze federaties die aanwezig of verontschuldigd zijn;5° de naam van de technici;6° de beknopte samenvatting van de besprekingen. De notulen worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze worden aan de delegaties verstuurd waaruit het comité is samengesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-17\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Binnen de vijftien dagen volgend op de vergadering wordt een afschrift van het protocol, per aangetekende brief, verstuurd naar de leden van de overheidsdelegatie en naar de leden van de delegatie van de betrokken inrichtende machten. § 2. De leden van de overheidsdelegatie en van de delegatie van inrichtende machten beschikken over een termijn van vijftien werkdagen vanaf de verzending van het protocol om hun opmerkingen aan de voorzitter mee te delen. De postdatum geldt als verzendingsbewijs De voorzitter kan deze termijn echter aanpassen, op verzoek van een delegatie en na de andere delegaties betrokken bij de voornoemde termijn van vijftien werkdagen te hebben gehoord. Wanneer geen enkele tekstwijziging binnen de termijn wordt voorgesteld, wordt het protocol overgenomen als definitieve tekst. Het verzoek om rechtzetting wordt tijdens de volgende vergadering door de voorzitter aan het comité voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer geen enkel akkoord wordt bereikt, worden de uiteenlopende standpunten in het protocol opgenomen. § 3. Een afschrift van het protocol wordt verstuurd naar: 1° de minister die bevoegd is voor Onderwijs;2° de minister van Begroting;3° de Minister-President. Art.1.6.5-18. § 1. Wanneer het onderzoek van een vraag eigen is aan het gesubsidieerd officieel onderwijs, ofwel aan het gesubsidieerd vrij onderwijs, kan de voorzitter van het overlegcomité beslissen de bovenvermelde vraag aan een subcomité toe te vertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit subcomité bestaat uit de overheidsdelegatie en de vertegenwoordigers van het onderwijsnet bedoeld binnen de delegatie van de federatie van inrichtende machten. § 2. Wanneer het onderzoek van een vraag eigen is aan het confessioneel onderwijs, ofwel aan het niet-confessionneel onderwijs, kan de voorzitter van het onderhandelingcomité beslissen dit onderzoek aan een subcomité toe te vertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit subcomité bestaat uit de overheidsdelegatie en de vertegenwoordigers van de betrokken inrichtende machten bedoeld binnen de delegatie van de inrichtende machten. § 3. De onderhandeling procedure is van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen van de subcomités die bij de § 1 en 2 van dit artikel worden opgericht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-19\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.5-19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het comité kan worden overeengekomen dat de communicatie bedoeld in de artikelen 1.6.5-9, 1.6.5-11, 1.6.5-16 en 1.6.5-17 via elektronische weg worden verzonden. De meer specifieke regels voor elektronische verzending en communicatie worden in voorkomend geval bepaald in het huishoudelijk reglement. HOOFDSTUK VI. - Representatieve organisaties van ouders en ouderverenigingen Art.1.6.6-1. § 1. Representatieve organisaties van ouders en ouderverenigingen zijn: 1° \"la Fédération des Associations de Parents de l'Enseignement Officiel (FAPEO)\" (de federatie van ouderverenigingen van het officieel onderwijs) voor de officiële scholen;2° \"l'Union francophone des associations de parents de l'enseignement catholique (UFAPEC)\" (de Unie van federaties van ouderverenigingen van het katholiek onderwijs) voor scholen van het vrij katholiek onderwijs. § 2. De leden van elke representatieve organisatie van ouders en ouderverenigingen worden verkozen op de algemene vergadering van de ouders die ze vertegenwoordigen, volgens de nadere regels die eigen zijn aan hun respectieve statuten De representatieve organisaties van ouders en ouderverenigingen worden opgericht in de vorm van een vzw: Ze maken aan de Regering een afschrift van hun statuten en reglementen over, alsook hun jaarrekening en balans van het afgelopen jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.6-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De representatieve organisaties van ouders van leerlingen hebben de opdrachten die zich tot het hele schoolpubliek richten: 1° de belangen van alle leerlingen verdedigen en bevorderen;2° alle ouders van leerlingen aanzetten om zich actief in te zetten zodat ze hun rol van actieve en verantwoordelijke burgers binnen de samenleving en de scholen kunnen ten volle vervullen;3° informatie bij en uitgaande van de ouders en de ouderverenigingen verspreiden;4° voor alle ouders specifieke opleidingen aanbieden om hen in staat te stellen hun rol van vertegenwoordigers van de ouders ten volle op te nemen; 5° een verzoenende rol vervullen bij niet-naleving van de artikelen 1.5.3-11 tot 1.5.3-15 en 1.5.3-2, § 5, of bij problemen bij de werking van een oudervereniging. § 2. Om de in de eerste paragraaf beschreven opdrachten te vervullen, krijgt elke representatieve organisatie van ouders en ouderverenigingen, naargelang de beschikbare budgettaire middelen, een jaarlijkse subsidie van minstens 100 000 euro toegekend Vanaf boekjaar 2010 wordt dit bedrag jaarlijks geïndexeerd op basis van de evolutie van de algemene index van de consumptieprijzen van de maand januari.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.6-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering Raadpleegt de representatieve organisaties van ouders en ouderverenigingen over de uitvoeringsmaatregelen bepaald in dit Hoofdstuk, en over elk voorontwerp van decreet of ontwerpbesluit dat, tegelijkertijd, de werking van de scholen wijzigt en een rechtstreekse invloed heeft op het leven van leerlingen en de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de ouders betreft De Regering bepaalt de nadere regels voor overleg van de representatieve organisaties van ouders en ouderverenigingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.6.6-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De representatieve organisaties van ouders en ouderverenigingen zijn als enige gemachtigd om de vertegenwoordigers van ouders van leerlingen te erkennen die zetelen binnen de verschillende raden en commissies in het kader van de plaatselijke, gewest- of gemeenschapsstructuren in de Franse Gemeenschap</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL VII. - Rechten en plichten van leerlingen en hun ouders HOOFDSTUK I. - Leerplicht Afdeling I. - Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-1\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-1</span><span class=\"lf-art-t\">Het begin en einde van de leerplicht worden bepaald in artikel 1, § 1, lid 1, en § 3, van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 29 juni 1983Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1983 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/01/2011 numac 2011000012 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de leerplicht. - Duitse vertaling sluiten betreffende de leerplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De leerplicht is voltijds totdat de leeftijd van vijftien jaar is bereikt en omvat ten minste de eerste twee leerjaren van het secundair onderwijs. De voltijdse leerplicht duurt in geen geval voort na zestien jaar. De leerling voldoet aan de voltijdse leerplicht door het volgen van het onderwijs met volledig leerplan De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van de opdrachten bedoeld in artikel 1.4.1-1 kan aan de deeltijdse leerplicht worden voldaan door het volgen van: 1° het secundair onderwijs met volledig leerplan;2° het alternerend secundair onderwijs;3° een alternerende opleiding georganiseerd door het Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et des petites et moyennes entreprises (IFAPME) of de Service formation petites et moyennes entreprises créé au sein des services de la Commission communautaire française (SFPME);4° een opleiding erkend door de Regering die beantwoordt aan de eisen van de deeltijdse leerplicht, op advies van een commissie ingericht bij de diensten van de Regering. Om te worden erkend moet de opleiding bedoeld in lid 3, 3° en 4°, bestaan uit: 1° minstens 360 uur per jaar, wanneer ze wordt gevolgd voor het einde van het schooljaar van het jaar waarin de leerplichtige leerling zestien jaar wordt;2° minstens 240 uur per jaar, wanneer ze wordt gevolgd tussen 1 juli van het jaar waarin de leerplichtige leerling de leeftijd van zestien jaar bereikt en het einde van het schooljaar van het jaar waarin hij achttien jaar wordt. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geacht wordt te voldoen aan de leerplicht het onderwijs gegeven in een school: 1° georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Franse Gemeenschap;2° georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door een andere gemeenschap;3° waarvan het onderwijs tot het behalen van een bekwaamheidsbewijs kan leiden dat gelijkwaardig kan worden verklaard bij wijze van algemene bepaling;4° waarvan het onderwijs tot het behalen van een diploma of een getuigschrift bekomen onder een buitenlands stelsel kan leiden en waarvan het onderwijs erkend is door de Regering, op aanvraag van de school of de ouders van de leerplichtige leerling, dat het mogelijk maakt om de leerplicht te voldoen;5° gelegen op het grondgebied van een aan België grenzende staat en waarvan de aanwezigheid kan leiden tot het uitreiken van een door de Regering van die staat erkend diploma of getuigschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van 4° controleert de Regering dat het verstrekte onderwijs van gelijkwaardig niveau is als dat verstrekt in de Franse Gemeenschap, dat het in overeenstemming is met titel II van de Grondwet en in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die duidelijk onverenigbaar zijn met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome, op 4 november 1950, en Verdrag inzake de Rechten van het Kind respecteert, ondertekend in New York op 20 november 1989.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering baseert haar beslissing op de studieprogramma's gevolgd binnen de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering acht dat het verstrekte onderwijs niet toelaat aan de leerplicht te voldoen, wordt van de beslissing kennisgegeven aan de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de school alsook aan de ouders die de leerplichtige leerling ingeschreven hebben in deze school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs van de inschrijving in een school bedoeld in lid 1, 2° tot 5°, wordt ieder jaar geleverd bij de berichtgeving bedoeld in artikel 1.7.1-12. § 3. De Minister kan oordelen dat de leerling die school vroegtijdig heeft verlaten en wordt begeleid volgens de nadere regels van artikel 1.7.1-29 voldoet aan de leerplicht. § 4. De ouders of de directeur van een gespecialiseerde school mogen aan de Regering vragen dat ze worden vrijgesteld van elke leerplicht van een leerling volgens de nadere regels van het decreet van 3 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling sluiten3 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs. § 5. De leerling kan de toelating krijgen om deeltijds onderwijs te volgen in een structuur gesubsidieerd en erkend door het Waals Gewest, door de Franse Gemeenschapscommissie of door het RIZIV. De begeleiding van de leerling door dit type structuur mag niet meer bedragen dan 4 halve dagen per week. Buiten deze begeleiding bezoekt de leerling zijn school zoals gewoonlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking toegekend door de Minister, tijdens de drie eerste maanden van de uitvoering van het project voor deeltijdse leerplicht, wordt aangenomen dat de leerling beantwoordt aan de leerplicht indien hij de school minstens een halve dag per week bezoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke betrokken leerling wordt voor het project voor deeltijdse herinschakeling een overeenkomst gesloten tussen de gewone of gespecialiseerde school, de structuur gesubsidieerd of erkend door het Waals Gewest, de Franse Gemeenschapscommissie of het RIZIV, het PMS-centrum en de ouders. § 6. De minderjarige kan voldoen aan de leerplicht door huisonderwijs te volgen volgens de voorwaarden van Afdeling 3 of, voor de leerlingen met specifieke behoeften, volgens de nadere regels van Hoofdstuk XI van het decreet van 3 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling sluiten3 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van diegenen die tijdens het schooljaar uit het buitenland komen, moeten de ouders die kiezen voor huisonderwijs of voor een school of een onderwijsinrichting die niet wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Franse Gemeenschapscommissie de diensten van de Regering voor 1 oktober informeren over deze keuze De directeur van de school of het opleidingscentrum kan aan deze verplichting voldoen in naam van de ouders, die hiervoor wel verantwoordelijk blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om de controle van de inschrijvingen mogelijk te maken, vragen de diensten van de Regering jaarlijks aan de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken een uittreksel van het rijksregister per 1 september. § 2. De diensten van de Regering controleren de inschrijvingen volgens de nadere regels die door de Regering worden bepaald De dossiers van leerplichtige leerlingen die onvoldoende garanties voorleggen dat ze voldoen aan deze verplichting, worden door de diensten van de Regering overgemaakt aan de procureur des Konings.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minderjarige met buitenlandse nationaliteit wordt onderworpen aan de bepalingen van deze Afdeling vanaf de zestigste dag nadat hij, naargelang het geval, is ingeschreven in het vreemdelingenregister of het bevolkingsregister van de gemeente van verblijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op vordering van het Openbaar Ministerie kent de politierechtbank inbreuken op de verplichtingen van de artikelen van dit Hoofdstuk of krachtens deze, gepleegd door de ouders Deze inbreuken worden gestraft met een boete van 25 tot 200 euro voor elke minderjarige uit hoofde waarvan de inbreuk wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij recidive kunnen de boetes worden verdubbeld of kan een gevangenisstraf van één dag tot één maand worden uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om als recidivist in aanmerking te komen, volstaat het dat de vervolgde ouder de voorbije twee jaar reeds minstens één keer is veroordeeld voor afwezigheden van de minderjarige. § 2. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met uitzondering van Hoofdstuk V, maar met inbegrip van Hoofdstuk VII, zijn van toepassing voor inbreuken bestraft door dit Hoofdstuk. § 3. De uitvoering van het vonnis, ongeacht of dat een boete of een gevangenisstraf betreft, kan altijd worden uitgesteld met zes maanden vanaf de datum van het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekenning van deze termijn moet het mogelijk maken om vast te stellen dat de wettelijke verplichting wordt nageleefd. De veroordeling zal als ongeldig worden beschouwd wanneer de veroordeelde, tijdens deze termijn, de wetgeving inzake leerplicht nakomt. Afdeling II. - Regelmatig schoolbezoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve bij huisonderwijs moeten de ouders erop toezien dat hun minderjarig kind, tijdens de hele duur van de leerplicht, regelmatig de school of het opleidingscentrum bezoekt, waarin het behoorlijk is ingeschreven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De directeurs controleren de regelmatige aanwezigheid op school van de leerlingen. De Regering bepaalt de nadere regels voor de organisatie van deze controles en voor het bijhouden van de aanwezigheidsregisters De Regering bepaalt de aard en duur van de afwezigheden die worden beschouwd als gewettigd, zoals ziekte van de leerling met een medisch attest, oproeping door een overheidsinstantie, overlijden van een ouder, deelname aan sportwedstrijden op hoog niveau. Ze bepaalt ook de aard en duur van afwezigheden waarvan de wettiging wordt overgelaten aan het goeddunken van de directeur, bijvoorbeeld in gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, familiale problemen, geestelijke of lichamelijke gezondheid van de leerling, vervoer. Het huishoudelijk reglement van de school vermeldt deze bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een minderjarige leerling negen halve dagen ongewettigd afwezig is, meldt de directeur dit uiterlijk op de vijfde daaropvolgende schoolwerkdag aan de Algemene Directie van verplicht onderwijs. Elke halve dag ongewettigde afwezigheid moet op het einde van elke maand aan hen worden gemeld Wanneer een leerling niet wordt gemeld overeenkomstig lid 1 voor 15 januari, wordt hij niet meer beschouwd als regelmatig ingeschreven en wordt hij bijgevolg niet ingeboekt voor de berekening van de lestijdenpakketten en dotaties of werkingssubsidies van de school voor het volgende schooljaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt rekening gehouden met de afwezigheden vanaf: 1° de eerste schooldag in de jaren van de gemeenschappelijke kern waarvoor de leerplicht geldt;2° de vijfde schoolwerkdag van september in de hogere Raad van het secundair onderwijs. Art.1.7.1-10. Uiterlijk vanaf de negende halve dag ongewettigde afwezigheid van een leerling, stuurt de directeur of zijn afgevaardigde de leerling en zijn ouders indien het een minderjarige betreft, per aangetekend schrijven, een dagvaarding volgens de nadere regels vastgelegd door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur of zijn afgevaardigde herinnert de leerling en zijn ouders indien het een minderjarige betreft, aan de bepalingen inzake afwezigheden op school. Hij bespreekt met hen de acties om afwezigheden te voorkomen en herinnert hen aan hun verantwoordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt er niet ingegaan op de dagvaarding bedoeld in lid 1 en telkens hij dat nuttig acht na evaluatie van de situatie, zal de directeur: 1° ofwel een lid van het onderwijzend hulppersoneel naar de woning of verblijfplaats van de leerling sturen of hem de opdracht geven om contact op te nemen met de familie met alle andere middelen;2° ofwel, bij de coördinator bevoegd voor de bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 7 van het decreet van 21 november 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten5 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie, de tussenkomst van een bemiddelaar vragen;3° ofwel, bij de directeur van een PMS-centrum, de tussenkomst van een lid van zijn team vragen. In de hogere Raad van het secundair onderwijs, voldoet de leerling die, tijdens eenzelfde schooljaar, meer dan 20 halve dagen ongewettigd afwezig is, niet meer aan de verplichting om de lessen daadwerkelijk en regelmatig te volgen, zoals bepaald in artikel 2, 9° en 10°, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, en kan dus niet meer in aanmerking komen voor de bekrachtiging van studies op het einde van het schooljaar, behalve met een gunstige beslissing van de klassenraad zoals bedoeld in artikel 21bis, § 1, lid 2, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een leerling meer dan 20 halve dagen ongewettigd afwezig is gebleven, informeert de directeur de ouders of de leerling zelf indien hij meerderjarig is, schriftelijk over de gevolgen ervan op de bekrachtiging van de studies. De directeur bepaalt ook dat doelstellingen aan de leerling zullen worden toegewezen zodra hij in de schoolinrichting terugkomt zodat hij de toelating krijgt om de eindejaarsexamens af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de terugkomst van de leerling bepaalt het opvoedingsteam, in overleg met het PMS-centrum, collegiaal, de doelstellingen ter bevordering van de schoolherinschakeling van de leerling, in verband met het sturingsplan bedoeld in artikel 1.5.2-1. Deze doelstellingen worden naargelang het geval bepaald en beantwoorden aan de behoefte(n) van de leerling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het document met het geheel van de doelstellingen wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de ouders of aan de leerling zelf indien hij meerderjarig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 15 mei en 31 mei behoort het tot de klassenraad om de toelating al dan niet te geven aan de leerling om de eindejaarsexamens af te leggen op basis van de naleving van de doelstellingen die hem werden toegewezen. De beslissing om de studies van de leerling al dan niet te bekrachtigen leidt niet tot een oriëntatieattest C, zoals bedoeld in artikel 23, § 2, 3°, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelstellingen die aan de leerling worden toegewezen, maken deel uit van zijn dossier. Bijgevolg, ingeval van een schoolverandering nadat de leerling meer dan 20 halve dagen ongewettigd afwezig is gebleven, stuurt de oorspronkelijke inrichting het document met de lijst van de doelstellingen aan de nieuwe inrichting, die ze in de huidige staat kan behouden of aanpassen, in welk geval dit document opnieuw zal moeten worden goedgekeurd door de ouders van de leerling indien hij minderjarig is, of door zichzelf indien hij meerderjarig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling die na 31 mei het aantal van 20 halve dagen ongewettigde afwezigheid overschrijdt, kan aanspraak maken op de bekrachtiging van studies zonder voorafgaande beslissing van de klassenraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur bezorgt de Regering, voor 30 juni van elk schooljaar, de lijst van de leerlingen die meer dan 20 halve dagen ongewettigd afwezig zijn gebleven tijdens dat schooljaar door een onderscheid te maken tussen: 1° de leerlingen die in de school niet meer zijn verschenen sinds ze meer 20 halve dagen ongewettigd afwezig waren;2° de leerlingen die opnieuw naar de school komen maar waarvan de ouders, of zijzelf, de doelstellingen niet hebben goedgekeurd die hen werden toegewezen;3° de leerlingen die opnieuw naar de school komen maar waarvan de ouders of zijzelf de doelstellingen niet hebben goedgekeurd die hen werden toegewezen;4° de leerlingen van wie de ouders of zijzelf de vastgestelde doelstellingen hebben goedgekeurd, maar waarvoor de klassenraad van mening was dat ze deze doelstellingen niet hebben bereikt en hen bijgevolg niet de toelating heeft gegeven om de eindejaarsexamens af te leggen. De meerderjarige leerling die, tijdens eenzelfde schooljaar, meer dan 20 halve dagen ongewettigd afwezig blijft, kan worden uitgesloten van de school volgende de nadere regels bepaald in de artikelen 1.7.9-5, 1.7.9-6, 1.7.9-7 en 1.7.9-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In toepassing van lid 4 en 12, wordt geen rekening gehouden met de niet-gewettigde afwezigheden in het gewoon onderwijs met volledig leerplan wanneer een leerling zich tijdens hetzelfde schooljaar inschrijft in het gespecialiseerd onderwijs of in het alternerend secundair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ze op de hoogte zijn van een situatie van schooluitval van een minderjarige, kunnen de diensten van de Regering een tussenkomst vragen van de mobiele teams bedoeld in Titel II, Hoofdstuk 1, Afdeling IV, van het decreet van 21 november 2013Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten5 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie bij deze minderjarige en zijn ouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de directeur vaststelt over een minderjarige leerplichtige leerling ofwel dat hij in moeilijkheden zit, ofwel dat zijn gezondheid of veiligheid in gevaar is, ofwel dat zijn opvoedingsvoorwaarden in het gedrang komen door zijn gedrag, dat van zijn gezin of van zijn leefgenoten, met name in geval van vermoed absenteïsme, is hij verplicht dit te melden aan de adviseur van de hulpverlening aan de jeugd volgens de nadere regels voor communicatie en motivatie die vooraf met deze laatste werden vastgelegd. Afdeling III. - Huisonderwijs</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-12</span><span class=\"lf-art-t\">Ressorteren onder het huisonderwijs, de minderjarigen die niet ingeschreven zijn in een school bedoeld in artikel 1.7.1-2, § 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ouders van de leerplichtige minderjarige die onderwijs willen verstrekken buiten een school georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sturen, uiterlijk op 5 september van elk jaar, een verklaring naar de diensten van de Regering. Deze verklaring mag ook na deze datum worden ingediend wanneer de leerplichtige minderjarige pas in de loop van het schooljaar zijn verblijfplaats in België vestigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer deze personen hun kinderen inschrijven in een school die niet georganiseerd noch gesubsidieerd wordt door de Franse Gemeenschap, mogen ze, op eigen verantwoordelijkheid, deze verplichting overdragen op de directie van deze school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorm van de verklaring wordt bepaald door de Regering Art.1.7.1-13. § 1. Er wordt een commissie voor huisonderwijs opgericht. § 2. De commissie voor huisonderwijs is samengesteld uit: 1° een ambtenaar-generaal of diens afgevaardigde, die de commissie voorzit;2° vier leden van de algemene inspectiedienst;3° een lid uit de Algemene Directie Leerplichtonderwijs. Deze leden worden benoemd door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de algemene inspectiedienst worden benoemd op de voordracht van de coördinerend inspecteur-generaal. Ze kunnen niet deelnemen aan de controle van het studieniveau in het kader van het huisonderwijs. § 3. De commissie voor huisonderwijs neemt haar beslissingen bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de andere nadere regels voor de werking van de commissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De algemene inspectiedienst wordt belast met de controle van het studieniveau in het kader van het huisonderwijs. Hij zorgt ervoor dat het verstrekte onderwijs de leerplichtige minderjarige de mogelijkheid biedt een studieniveau te verwerven dat gelijkwaardig is aan het referentiesysteem bedoeld in artikel 1.4.2-2, 1.4.3-1 en 1.4.3-2 De algemene inspectiedienst zorgt er ook voor dat het verstrekte onderwijs: 1° voldoet aan de prioritaire opdrachten bedoeld in artikel 1.4.1-1 ; 2° in overeenstemming is met Titel II van de Grondwet;3° in geen enkel opzicht waarden vooropstelt die duidelijk onverenigbaar zijn met het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome, op 4 november 1950;4° het Verdrag inzake de Rechten van het Kind respecteert, ondertekend in New York op 20 november 1989. § 2. In afwijking van paragraaf 1, kan het te bereiken studieniveau worden aangepast wanneer de leerplichtige minderjarige gezondheids-, leer-, gedragsproblemen ervaart of wanneer hij aan een motorische, sensorische of mentale handicap lijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen dienen de ouders, samen met de verklaring bedoeld in artikel 1.7.1-12, lid 2, een met redenen omkleed verzoek tot wijziging in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voor huisonderwijs bepaalt de vereiste aanpassingen na advies van de algemene inspectiedienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ouders bezorgen de algemene inspectiedienst de documenten over waarop het huisonderwijs is gebaseerd, inzonderheid de gebruikte schoolboeken, het opgestelde en gebruikte pedagogisch materiaal, de mappen en schriften, de schriftstukken van de leerplichtige minderjarige, een individueel opleidingsplan. Op basis van deze documenten zorgt de algemene inspectiedienst ervoor dat de minderjarige voldoende pedagogische omkadering krijgt om het studieniveau te bereiken zoals bedoeld in artikel 1.7.1-14, § 1, of dat vastgelegd door de commissie voor huisonderwijs in toepassing van artikel 1.7.1-14, § 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-16\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene inspectiedienst kan elk ogenblik overgaan tot de controle van het studieniveau, op eigen initiatief of op vraag van de Regering of van de commissie voor huisonderwijs, en baseert zijn controle op de vernomen feiten namelijk via de ontleding van de documenten bedoeld in artikel 1.7.1-15 en op de ondervraging van de leerlingen Er gebeuren in elk geval controles minstens tijdens de jaren waarin de leerplichtige minderjarige de leeftijd van acht en tien jaar bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene inspectiedienst bepaalt de datum voor de controle en geeft er kennis van aan de ouders minstens een maand op voorhand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-17\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De algemene inspectiedienst organiseert de controle van het studieniveau op individuele basis of voor het geheel van de leerplichtige minderjarigen die thuis les volgen, gedomicilieerd in eenzelfde zone. De controle van het studieniveau kan ook gecentraliseerd worden georganiseerd, in gebouwen gevestigd naast de administratieve zetel van de algemene inspectiedienst. § 2. De controle van het studieniveau vindt plaats in een gebouw van de overheid dat door de algemene inspectiedienst gekozen wordt Op met redenen omklede aanvraag van de ouders en inzonderheid steunend op ernstige mobiliteitsmoeilijkheden voortvloeiend uit de gezondheidstoestand of de handicap van de leerplichtige minderjarige, kan de controle echter op een andere plaats gebeuren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171-18\"><span class=\"lf-art-num\">Art.1.7.1-18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Na de controle van het studieniveau, stelt de algemene inspectiedienst een verslag op en brengt een advies uit over de overeenstemming met artikel 1.7.1-14. Ze spreekt zich ook uit over de aangepastheid aan de te behalen doelstellingen van de documenten bedoeld in artikel 1.7.1-15. Aan de ouders wordt kennisgegeven van het verslag en het advies. Zij kunnen hun opmerkingen schriftelijk aan de commissie voor huisonderwijs meedelen Het advies van de algemene inspectiedienst wordt ten laatste gedurende de maand die volgt op de datum van de controle aan de commissie voor huisonderwijs overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een negatieve beslissing gebaseerd op de niet-conformiteit van artikel 1.7.1-14, § 1, wordt een nieuwe controle uitgeoefend, volgens dezelfde nadere regels, minimaal twee maanden en maximaal zes maanden na kennisgeving van de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de algemene inspectiedienst acht dat het verstrekte huisonderwijs nog steeds niet in overeenstemming is met artikel 1.7.1-14, besluit hij zijn verslag met een advies over de nadere regels voor de integratie van de leerplichtige minderjarige in een school georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De ouders kunnen hun opmerkingen laten gelden overeenkomstig het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien, na de tweede controle, de commissie voor huisonderwijs beslist dat het studieniveau niet in overeenstemming is met artikel 1.7.1-14, schrijven de ouders de leerplichtige minderjarige in een school georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of in een inrichting bedoeld in artikel 1.7.1-2, § 2. § 2. Wanneer de controle van het studieniveau niet kon worden uitgevoerd door de afwezigheid van de leerplichtige minderjarige, als de commissie voor huisonderwijs beslist dat deze afwezigheid ongewettigd is, schrijven de ouders de leerplichtige minderjarige in een school bedoeld in artikel 1.7.1-2, § 2.</p></div>", "next": 239836}