{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Overwegende dat bepaalde gemeenten vinden dat een dakkapel meestal terugspringend is ten opzichte van de gevels en het een samenstellend element van het dak vormt en niet van het bouwprofiel; dat een dakkapel van 3 meter hoog niet langer een dakkapel is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het noodzakelijk is de dakkapellen te behandelen in samenhang met het bouwprofiel omdat ze noodzakelijkerwijs uitsteken boven het dakprofiel; dat de maat van uitsteek hier is vastgesteld op maximum 3 meter ten opzichte van het referentie-profiel; dat het toelaten van een uitsteek van maximum 3 meter niet betekent dat alle dakkapellen noodzakelijkerwijs 3 meter hoog zijn; dat het slechts gaat om een maximum; dat dit maximum de inrichting van bewoonbare ruimten onder het dak toelaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat het meerdere gemeenten belangrijk lijkt om een afzonderlijk hoofdstuk te wijden aan de inrichting van woningen in daken (duplex, tussenverdiepingen, velux, enz.), alsook in de kelderverdiepingen (minimumnormen inzake verlichting, toegankelijkheid,...);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit soort normen meer betrekking heeft op de kwestie van de bewoonbaarheid van de woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie benadrukt dat nog niet gesproken werd over de bouwbreedte en dat deze speciale aandacht verdient in het kader van de bijzondere maatregelen tegen leegstand (zie studie VUB, iris, BRAT betreffende leegstand in de stad);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de bouwbreedte afhangt van de breedte van het terrein; dat de verordening zich enkel mag mengen in het recht van de eigenaar om te bouwen over de hele beedte van zijn terrein inzoverre de goede ruimtelijke ordening wordt beoogd; dat niets bevestigt dat het verbod op brede gevels leegstand in de stad zou vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat leegstand vaak veeleer het gevolg is van problemen van sociale of economische aard, een gebrek aan onderhoud van de gebouwen of slechte investeringen dan van een bepaald stedenbouwkundig concept;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie de verordening verwijt dat ze niets zegt over de veranda's die nochtans een gangbaar fenomeen zijn, noch over de energiewinst die men kan halen uit een vol-leeg-verhouding van de gevels in functie van de oriëntatie en het vermogen van de muren om warmte op te nemen (holle ruimten die een heuse rol van passieve zonnecolletor spelen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de veranda's geen bijzondere reglementering vereisen, mits inachtneming van de regels inzake inplanting en bouwprofiel zoals voorzien in de verordening en dat, op straffe van een overdreven verveelvoudiging van de reglementeringen waaraan de ontwerpers zich dienen te houden, hen de keuze inzake samenstelling van de gevel moet worden gelaten waarbij al dan niet energiewinst wordt gehaald uit een vol-leeg-verhouding, waarbij deze opzet kan worden aangemoedigd door andere manieren die niet noodzakelijk een verplicht karakter hoeven te hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat voorts titel V van de verordening de ontwerpers verplicht rekening te houden met de « thermische isolatie », waarbij hen de keuze in de gepaste materialen gelaten wordt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bouwprofiel van de vrijstaande bouwwerken Overwegende dat de Commissie de volgende formulering voorstelt : « het bouwprofiel van het nieuw vrijstaand bouwwerk mag niet uitsteken boven de gemiddelde hoogte van de bouwwerken die zich bevinden op de percelen rond het te bebouwen perceel, zelfs indien alle omliggende percelen door één of meerdere wegen worden doorkruist ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de verordening afwijkt van deze formulering inzoverre : - deze de regel niet beperkt tot de nieuwe bouwwerken zodat ook de verbouwingen (toevoeging van verdieping,...) worden voorzien; - enkel de bouwwerken in de onmiddelijke omgeving in aanmerking worden genomen; - deze het geval van het volledig vrijstaand bouwwerk overlaat aan de beoordeling van de overheid die bevoegd is voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning en die beslist in functie van de bijzondere situatie van de ruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat immers geen andere redenen voor de beperking van het bouwprofiel van het vrijstaand bouwwerk bestaan dan die welke verband houden met de bestaande bouwwerken in de omgeving of met de bijzondere configuratie van de ruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de paragraaf met betrekking tot de wijzigingen aan het dakwerk van bestaande bouwwerken opgeheven werd; dat voor deze wijzigingen verwezen wordt naar het algemeen stelsel bedoeld in artikel 1, alinea 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie de volgende tekst voorstelt : « op basis van de zoneringsplannen die de bevoegde Gemeenteraden voorstellen (o.a. in het kader van de opmaak van de GemOP's) kan een ander bouwprofiel dan dat die door artikel 7 werd vastgelegd, worden toegelaten in het kader van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl, behalve in geval van een afwijking die gerechtvaardigd is door de goede ruimtelijke ordening of door een bestemmingsplan van het grondgebied, het niet wenselijk is dat een gemeentelijke verordening afwijkt van de regels bedoeld in artikelen 5 en 6 die handelen over het bouwprofiel in functie van de naastliggende bouwwerken, zodat het bestaand bebouwd weefsel gevrijwaard wordt in een al dan niet beperktere zin, wat alleszins is toegelaten is volgens de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie daarentegen beteurt dat volgende aspecten hier niet ter sprake komen : - het nut van de integratie van een groot project in de algemene « skyline » van de stad (vb. het plan van de erfdienstbaarheden voor zicht naar de grote gebouwen die het grondgebied van Brussel-Stad kenmerken); - en de noodzaak om in bepaalde gevallen een studie betreffende de bezonning of de veroorzaakte schaduw te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl, wat het eerste punt betreft, dit meer ingegeven wordt vanuit planologisch oogpunt en niet valt onder een gewesteljike stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, wat het tweede punt betreft, het moeilijk is te bepalen in welke gevallen dat soort studie moet worden verricht; dat het om een bijkomende studie zou gaan bovenop de andere formaliteiten die worden opgelegd aan de ontwerpers; dat de verordening net tot doel heeft regels inzake het bouwprofiel uit te vaardigen ter vrijwaring van een minimum aan bezonning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat meerdere reclamanten zich verzetten tegen de maximumhoogte van 21 meter die is vastgesteld in de eerste paragraaf van artikel 8, omdat zij menen dat deze willekeurig is; dat sommige reclamanten de nadruk hebben gelegd op de te grote hoogte van deze drempel, terwijl andere betreuren dat door deze drempel, en in bepaalde omstandigheden, hogere gebouwen kunnen worden opgetrokken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de nieuwe versie van titel I niet langer de drempel van 21 meter behoudt om zo tegemoet te komen aan de bezwaren van de reclamanten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De technische verdiepingen, machinekamers van liften, schoorstenen, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente de volgende tekst voorstelt : « de bouwprofielen, bedoeld in de artikelen 7 en 8, bevatten het dakwerk, de technische verdiepingen, de verdiepingen in achteruitbouw en de machinekamers van de liften en mogen de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengen » Terwijl deze tekst niet in aanmerking kan komen, omdat het idee ervan reeds vervat zit in artikel 17;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de indieners van bezwaarschriften de volgende tekst voorstellen : « de bouwprofielen, bedoeld in artikelen 7 en 8, omvatten de terugspringende verdiepingen. De machinekamers van de liften en de technische verdieping mogen toegelaten worden op voorwaarde dat ze in een hoek van 45° passen vanaf het bovendeel van de laatste gebruikte verdieping »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit artikel niet in aanmerking kan worden genomen omdat het niet veplicht dat de machinekamers van de liften en technische verdiepingen moeten passen binnen de voorgeschreven bouwprofielen en het de integratie ervan in het bouwwerk niet voorziet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant voorstelt te verduidelijken dat de technische verdiepingen en andere machinekamers in de bouwwerken moeten opgenomen zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de tekst werd gewijzigd op basis van dit voorstel om de strekking van deze bepaling beter te situeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspringstroken Overwegende dat, wat betreft de inspringstroken, de Commissie voorstelt om afdeling I van hoofdstuk III als volgt te formuleren : « achteruitbouw- en inspringstroken »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de inspringstroken niet ter sprake komen in deze afdeling maar wel in die met betrekking tot de koeren en tuinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vaststelt dat er een tegenstelling is tussen de paragraaf van dit artikel, die « de kenmerken van de bestaande inspringstroken » tot principe verheft en de volgende paragrafen, die regels opleggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze tegenstrijdigheid verdwijnt als de bestaande kenmerken in deze wijk slechts nageleefd moeten worden op het vlak van de afbakening van de rooilijn en van de mandelige grenzen (nieuwe § 2);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie verder vindt dat het maximum verhardingspercentage van de inspringstroken moet worden verduidelijkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dat percentage bepaald is in artikel 13;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente vindt dat de voorgestelde formulering de verwezenlijking verhindert van vooruitstekende gedeelten van het type loggia die zich in de inspringstrook bevinden en die, mits kleine diepte, het zijzicht voor de huizen op de bouwlijn aangenamer kunnen maken. Het zou jammer zijn om deze kans om de architecturale composities te verrijken en het bouwpatrimonium veelzijdiger te maken, niet te voorzien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de niet-naleving van de inspringstrook niet via een algemene verordening kan worden toegelaten; dat de inspringstrook kon worden opgelegd door de wil om de weg nadien uit te breiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie het nodig acht om de teksten te harmoniseren ten opzichte van de inspringstroken langs de gewestwegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de regels voorzien in Titel 1daarmee in overeenstemming zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vindt dat het in sommige gevallen goed is dat de garages van appartementsgebouwen zich onder de inspringstrook bevinden om een te grote inname van de tuinzone te verhinderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dergelijk voorschrift een wijziging vereist van de regels die de naleving van een inspringstrook langs de gewestwegen oplegt; deze wijziging mag niet door de gewestelijke stedenbouwkundige verordening worden opgelegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten voorstellen deze paragraaf tot de volgende tekst te beperken : « de inspringstrook mag geen bouwwerk bevatten »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze formulering zowel te vaag is (ze laat de aanleg van weinig esthetische parkeerplaatsen aan de voorzijde de bouwwerken toe) als te restrictief (ze verhindert de bouw van bouwwerken die een aanvulling zijn op de toegang);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vindt dat de bijzondere problematiek van de benzinestations en garages waarin de inspringstrook vaak maximaal verhard is om een maximale toegang te verlenen, het onderwerp moet vormen van een specifieke studie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze problematiek bestudeerd wordt in het kader van de milieuvergunningen en de effectenstudies;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente voorstelt om het begrip afstand in te voeren en een onderscheid te maken tussen een inspringstrook van minder dan 3 meter en meer dan 6 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een dergelijk onderscheid in het raam van een gemeentelijke verordening mogelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat wat betreft de hoofdingang, bepaalde reclamanten vinden dat de hoofdingang op het niveau van het trottoir moet blijven, ter hoogte van de straat, behalve bij grote inspringstroken waarbij het overige de uitzondering is die de stedelijke leesbaarheid in gevaar brengt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat anderen de volgende verduidelijking voorstellen « de hoofdingang van het bouwwerk gelegen achteraan een inspringstrook,... ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat nog anderen de bouw willen van een afvoerput of een stenen geul met aansluiting op de riolering voor de afvoer van het afvloeiend regenwater van de hellingen die zich boven het niveau van het voetpad bevinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, rekening houdend met die vele interpretaties, het aangewezen is de kwestie van de hoofdingang niet in de verordening te behandelen maar wel aan bod te laten komen in de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen of de bijzondere bestemmingsplannen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie denkt dat het nuttig kan zijn te verplichten om garage-ingangen aan een van de mandelige grenzen samen te brengen om het gebruik van de weg voor het parkeren te optimaliseren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de parkeerproblemen en de heerschappij van de auto in de stad een bepaalde aanleg van de garage-ingangen niet kunnen dicteren indien deze het architecturaal evenwicht van het gebouw kan verstoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, wat betreft de afbakening van de rooilijn, de Commissie wil verduidelijken : - dat bepaalde planten eveneens een gevaar vormen voor voorbijgangers; - dat de afbakening van de rooilijn een harmonieuze aansluiting op de naastliggende eigendommen moet verzekeren; - dat wat men verstaat onder `afbakening van de rooilijn' niet duidelijk is. (Gaat het om een omheining ? Indien dit het geval is, noem ze dan bij haar naam); - dat het om de rooilijn van de inspringstrook gaat, vermits het begrip rooilijn ook bestaat voor huizen zonder inspringstrook; - dat een afbakening in sommige gevallen niet nodig is om de continuïteit tussen een groene straat en de inspringstrook te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het begrip afbakening van de rooilijn zowel de planten (hagen, enz.) als muurtjes, omheiningen, enz. beoogt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de kwestie van de aansluiting geregeld is inzoverre er een bepaalde harmonie tussen de omheiningen in acht moet worden genomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het begrip afbakening duidelijk is en voorts goed begrepen en dat het het voordeel biedt voldoende algemeen te zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het natuurlijk gaat om de rooilijn van een inspringstrook, omdat het hoofdstuk meer bepaald betrekking heeft op inspringstroken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze bepalingen geen afwezigheid van afbakening verbieden indien de plaatselijke voorwaarden dit toelaten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente voorstelt om één en hetzelfde materiaal op te leggen voor het hele Gewest;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening dergelijke details moet geven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente voorstelt om de tekst aan te vullen met « die een fysieke hindernis vormt voor de voertuigen », vermits de inspringstroken niet als parkeerzone kunnen worden ingericht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl moet worden afgestapt van dit voorstel inzoverre een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening de inrichting van parkeerzones in de inspringstroken kan bepalen en instellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vraagt of het artikel betreffende het onderhoud van de inspringstroken wel toepasbaar is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het gebrek aan regelmatig onderhoud zichtbaar zou zijn en behoorlijk zou kunnen worden vastgesteld door de ambtenaren die bevoegd zijn voor het vaststellen van inbreuken op de stedenbouwkundige verordeningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie zich afvraagt waar deze bepaling in een stedenbouwkundige verordening thuishoort;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het onderhoud van de inspringstroken, die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, bijdraagt tot de goede ruimtelijke ordening, tot de verfraaiing van de stad en tot de opwaardering van de gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze aangelegenheid derhalve tot de taak behoort van de stedenbouwkundige politie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt om volgende clausule betreffende reclamevoorzieningen toe te voegen : « geen enkel reclamebord noch reclamevoorziening mag in de inspringstroken worden geplaatst »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze materie geregeld is in titel VI van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening, die in opmaak is en dat het van belang is de bepalingen inzake de reclame en de uithangborden in eenzelfde titel onder te brengen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De koeren en tuinen Overwegende dat de Commissie vindt dat afgezien moet worden van een bindende reglementering voor de koeren en tuinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het noodzakelijk is een aantal voorschriften op te leggen om te vermijden dat tuinen in stortplaatsen zouden veranderen en om de esthetiek op het binnenterrein van de huizenblokken te vrijwaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten benadrukken dat de verwijzing naar de toestand van de bestaande koeren en tuinen geen passende verwijzing is, rekening houdend met de slechte toestand van deze gebieden in sommige huizenblokken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de gewijzigde bepaling, om aan dit bezwaar tegemoet te komen, de verwijzing naar de bestaande toestand in de koeren en tuinen weglaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten zich vragen stellen bij de mogelijkheid in de verordening om in deze gebieden voorzieningen te plaatsen voor de versiering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze bepaling is aangevuld zodat deze voorzieningen kunnen worden geplaatst; dat het evenwel niet nodig is om deze voorzieningen een bijzondere afmeting op te leggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behoud van een doorlaatbare oppervlakte Overwegende dat de Commissie wil dat de inspringstroken afzonderlijk worden behandeld en een artikel voorstelt dat enkel het gebied voor koeren en tuinen regelt door 70 % doorlaatbare oppervlakte op te leggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het door de Commissie voorgestelde artikel evenwel afwijkingen op kleine percelen toelaat en indien de bezonningsomstandigheden dit vereisen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de 70 % doorlaatbare oppervlakte in een gebied voor koeren en tuinen de doorlaatbaarheid niet beduidend zal verbeteren indien geen rekening wordt gehouden met de inspringstrook die, gelet op de garage-ingangen, vaak 100 % verhard zal zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het wenselijker is de 50 % doorlaatbare oppervlakte te globaliseren over de achteruitbouwstrook en het gebied voor koeren en tuinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat bepaalde reclamanten voorstellen om de vereiste van een doorlaatbaar gebied te beperken door het artikel als volgt aan te vullen : « ... behalve indien een evacuatiesysteem voor regenwater de evacuatie naar het grondwater (zinkputten) toelaat ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl in de stad de doorlaatbare oppervlakten dienen bevorderd te worden, niet alleen om overbelasting van de riolen te vermijden, maar ook omdat die oppervlakten bijdragen tot de verbetering van de leefkwaliteit (tuinen,...);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt de term « doorlaatbare oppervlakte » te definiëren om de aanwezigheid van beplanting te verzekeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de definitie van de doorlaatbare oppervlakte de aanwezigheid van beplanting slechts dient te verzekeren inzoverre beplanting verzekerd is door andere bepalingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten vinden dat de huidige tekst van artikel 13 het mogelijk maakt om een volledig ondoorlaatbare inspringstrook te maken indien de tuin groot genoeg is, en omgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, volgens een gemeente, de verharding van 50 % van de oppervlakte van een perceel en het gebruik van doorlaatbare materialen op de overige 50 % toegelaten blijft, wat gevaarlijk en inconsequent schijnt te zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een andere gemeente 50 % doorlaatbare oppervlakte weinig vindt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat andere indieners van bezwaarschriften van oordeel zijn dat, in plaatselijke omstandigheden, minstens 50 % doorlaatbare oppervlakte in de stad onrealistisch is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een zekere ondoorlaatbaarheid van de inspringstrook onvermijdelijk is omwille van de paden naar de ingangen; dat dit verschijnsel verminderd wordt door de verplichte ingroening van de inspringstrook;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat 50 % slechts een minimum is dat gelijktijdig gelezen moet worden met artikelen die een ingroening opleggen van de inspringstroken en de koeren en tuinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente voorstelt dat de oppervlakte in teelaarde in het gebied voor koeren en tuinen wordt bepaald in functie van het perceel (vb. Min. 20m2 per are terrein of een gelijkaardige, te bepalen norm) om de totale ondoorlaatbaarheid van de percelen te vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de geringe afmeting van het terrein niet altijd toelaat er een niet-bebouwde zone in te richten en dat het aangewezen is te verwijzen naar de artikelen omtrent de inplanting van de bouwwerken om de uitgestrektheid van de inspringstroken en de koeren en tuinen te bepalen; dat een middenweg werd gekozen voor deze bepaling zodat rekening kan worden gehouden met het motief van de gezondheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente voorstelt dat de inspringstrook een doorlaatbare oppervlakte in teelaarde moet bevatten die minstens gelijk is aan 50 % van de oppervlakte ervan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit percentage vaak onmogelijk bereikt zal kunnen worden omwille van de garage-opritten of de paden naar de hoofdingang;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vindt dat het absoluut verbod op de aanleg van parkeerzones op de binnenterreinen van huizenblokken een rationele oplossing voor het parkeerprobleem in typische residentiële wijken in de weg kan staan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de toelating voor een parkeerplaats op het binnenterrein van een huizenblok niet veralgemeend mag worden via de verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze kwestie noopt tot een analyse rekening houdend met de plaatselijke criteria;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verordening niet verbiedt dat parkeerplaatsen in de plaats komen van kankers, maar dat deze kwestie aangekaart moet worden via een afwijking waarover de gemachtigde ambtenaar zich moet uitspreken of via een bijzonder bestemmingsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vindt dat er terrastuinen op volledig bebouwde benedenverdiepingen zouden moeten kunnen worden toegelaten en dat artikel 13 geen hinderpaal zou mogen vormen voor de uitbreiding van bedrijven of handelszaken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl aan deze bekommernis tegemoet gekomen wordt in het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan, dat in bepaalde gevallen, de uitbreiding op het binnenterrein van het huizenblok toelaat; dat artikel 13 slechts van toepassing is op de resterende oppervlakte van het niet-bebouwd of nog niet bebouwd terrein en dat deze resterende oppervlakte bepaald wordt rekening houdend met de in de verordening vastgelegde inplantingsregels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in geval van ontoepasselijkheid van die regels de uitbreiding van de handelszaken naar de koeren en tuinen zal gebeuren op basis van een aanvraag om afwijking gericht aan de gemachtigde ambtenaar, op basis van een bijzonder bestemmingsplan of op basis van het gewestelijk bestemmingsplan indien het de inplanting reglementeert;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten zich vragen stellen bij de reikwijdte van het begrip doorlaatbare oppervlakte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit begrip in zijn gewone betekenis moet gezien worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vraagt dat er een studie verricht wordt naar de bouw van groene dakterrassen op de commerciële en industriële benedenverdiepingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze problematiek beter een oplossing zou vinden in een bijzonder bestemmingsplan, gelet op de plaatselijke kenmerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De omheining van niet-bebouwde terreinen Overwegende dat de Commissie denkt dat het nuttig zou zijn om de gemeenten te ondervragen over de toepassing van artikelen 62 en 63 van de bouwverordening van de Brusselse agglomeratie, waarin onder meer staat dat de eigenaar vrijgesteld kan worden van de verplichting een afsluiting te zetten als hij het niet-bebouwd terrein ter beschikking stelt van een openbare overheid met het oog op de inrichting van een groenzone of speelruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat uit de praktijk blijkt dat deze vrijwillige terbeschikkingstellingen niet vaak voorkomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het evenwel aangewezen is deze mogelijkheid in de tekst van de verordening niet uit te sluiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant betwijfelt dat dit artikel zal worden toegepast met het aantal niet-bebouwde terreinen voor ogen die worden gerentabiliseerd door hun gebruik als parkeerzones;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de parkeerplaatsen, die toegankelijk zijn voor het publiek, niet omheind moeten worden; dat het niet gaat om niet-bebouwde terreinen; dat de parkeerplaatsen in principe slechts mogen worden uitgebaat mits voorafgaande toelating (stedenbouwkundige vergunning en, in voorkomend geval, milieuvergunning);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten voorstellen om de omheining niet te verplichten indien het gaat om een verkaveling of een BBP waarvan de percelen te koop worden aangeboden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een dergelijke uitsluiting niet gerechtvaardigd is wanneer het niet-bebouwd terrein omgeven is door bebouwde terreinen of het zich bevindt in een huizenblok dat voor drievierde bebouwd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat gemeenten voorstellen de gebruikte materialen duidelijk te bepalen en sommige materialen te verbieden om de bouw van de meest heterocliete bouwwerken te vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het wenselijker is de beslissing, die afhangt van de configuratie van de ruimten, aan de gemeenten over te laten; dat een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening de aard van de omheiningen kan bepalen en bijvoorbeeld kan voorzien in de mogelijkheid van omheiningen die geen visuele hinder vormen; dat het volstaat te bepalen dat zij voldoende stabiel moeten zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat voorgesteld wordt om het parkeren van voertuigen op deze terreinen te verbieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het parkeren van voertuigen op privé-terreinen verboden is zonder toestemming van de eigenaar ervan en dat de uitbating van een parkeerplaats onderworpen is aan de voorafgaande verkrijging van een stedenbouwkundige of milieuvergunning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat indieners van bezwaarschriften voorstellen de plicht op te leggen om een bruikbare trottoir van min. 90 cm aan te leggen langs elk niet-bebouwd terrein dat aan een openbare weg ligt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze kwestie niet moet worden geregeld in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening, die niet moet bepalen wie moet instaan voor de werken aan de voetpaden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten het nuttig vinden om te eisen dat de naam en de gegevens van de eigenaar van het terrein op de omheining worden aangebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl die inlichtingen kunnen worden verkregen op het kadaster of bij de hypotheekbewaarder en het niet noodzakelijk lijkt de eigenaar van een terrein te verplichten om zich aan het publiek bekend te maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissiee vraagt wie bepaalt of de omheining op de rooilijn of op de bouwlijn moet worden geplaatst en welke de criteria zijn die moeten worden gehanteerd bij de keuze van de plaatsing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl voor de omheining een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag vereist is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vraagt of hier niet verwezen dient te worden naar een verordening over reclamevoorzieningen die elke vorm van reclame op deze terreinen verbiedt (behoudens deze betreffende de verkoop ervan);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het artikel slechts betrekking heeft op de omheining, hetgeen aanplakking moet ontraden, en niet op het principe van verbod op reclame op omheiningen van niet-bebouwde terreinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente de term « reliëf » te beperkt vindt en de volgende tekst voorstelt : « zijn samengesteld uit materialen waarvan de textuur, de assemblage of de aard het aanpakken afweert ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de term « reliëf » voldoende is en het geen zin heeft de tekst te verzwaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt om bij de gemeenten aan te dringen op een inventaris van de niet-bebouwde terreinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de inventaris aan de gemeenten gevraagd is in het kader van artikel 179 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt om bepalingen betreffende de leegstaande gebouwen die talrijk zijn en heuse stadskankers in het Brussels Gewest vormen, te integreren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl over de bijzondere problematiek van de leegstaande gebouwen specifieke studies verricht werden buiten het kader van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; dat daartoe reeds diverse maatregelen zijn genomen (heffingen op de leegstand, renovatiepremies,...) en dat het riskant lijkt om er andere in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening op te nemen; dat sociale of economische oorzaken, die vaak niet te maken hebben met stedenbouw, mee leiden tot het ontstaan van stadskankers; dat de ervaring uit het verleden aantoont hoe moeilijk het op lange termijn te bepalen is welk stedenbouwkundig profiel levendig blijft of versombert in geval van leegstand; dat projecten die tevoren op bijval konden rekenen thans vervallen zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, wat betreft het onderhoud van de omheiningen, de Commissie, net zoals bij het onderhoud van de inspringstroken, vraagt of deze bepaling van toepassing zal zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het verzuim van regelmatige onderhoudsbeurten duidelijk blijkt en geldig vastgesteld kan worden door de ambtenaren die bevoegd zijn om de overtredingen op de stedenbouwkundige verordeningen te verbaliseren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie zich afvraagt op welke plaats deze bepaling hoort in een stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het onderhoud van de omheiningen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, bijdraagt tot de goede ruimtelijke ordening en de stadsverfraaiing en de opwaardering van de gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze aangelegenheid derhalve tot de bevoegdheid van de stedenbouwkundige politie behoort;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten voorstellen de term « wild » toe te voegen aan het woord aanplakken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het aanplakken in het algemeen moet worden vermeden op de omheiningen van niet-bebouwde terreinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant bezwaar aantekent tegen de hoogte van 2,5 meter voor de omheining;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de hoogte verlaagd werd tot 2 meter; dat een lagere hoogte niet toelaat dit doel van de Regering te bereiken, namelijk de bescherming van het huizenblok alsook de moeilijkere toegang en dit om veiligheidsredenen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende voorts dat een gemeente vindt dat rekening moet worden gehouden met de slechte wil van bepaalde eigenaars en met vandalisme en ze voorstelt om deze paragraaf als volgt te verduidelijken : « het terrein en zijn omheining moeten constant in perfecte staat van netheid onderhouden worden »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl van de eigenaars moeilijk geëist kan worden dat ze hun terreinen en onheining constant bewaken en dat de strijd tegen het vandalisme een zaak is van de politie-overheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevels, daken en muren boven het minst hoge dak Overwegende dat de Commissie voorstelt om inspiratie te halen uit de volgende tekst : « de voor de dakbedekking der gebouwen te gebruiken materialen moeten pannen of leien zijn, uitgekozen in harmonie met de aanpalende daken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor enig ander materiaal met een soortgelijk uitzicht en kleuren die in overeenstemming zijn met de traditionele kleuren van de wijk, kan toestemming worden verleend .</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakgedeelten met een helling van minder dan 35° of meer dan 50° (bijvoorbeeld boven een dakvenster) mogen worden bedekt met zink of koper.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere zorg moet worden besteed aan de dakbedekking van bijgebouwen en platte daken. Zichtbare bitumineuse bekledingen zijn verboden. » Overwegende dat de harmonie of esthetiek niet altijd tot stand gekomen zijn met inachtneming van de overheersende kenmerken van de straat of van de openbare ruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de begrippen harmonie of esthetiek noodzakelijkerwijs een zekere subjectiviteit inhouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de mogelijke regels ter zake moeten afhangen van de bijzondere configuratie van de ruimten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat aldus de bestaande bouwwerken in de straat als referentie moeten worden genomen in plaats van de openbare ruimte alsdusdanig;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat om die redenen de gewestelijke stedenbouwkundige verordening de eventuele regeling van de esthetiek of harmonie tussen de gebouwen overlaat aan de gemeenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vindt dat het streven naar het behoud van de oorspronkelijke structuur van de benedenverdiepingen goed is omdat er te vaak een breuk bestaat tussen de benedenverdiepingen en de verdiepingen van commerciële gevels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het verplicht behoud van de oorspronkelijke structuur, beperkt tot de benedenverdieping, ook kan leiden tot breuken tussen de benedenverdieping en de verdiepingen die ook vrij kunnen worden verbouwd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie aanbeveelt om de kwestie van het dakwerk uit het artikel te schrappen en in een afzonderlijk artikel onder te brengen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl om voornoemde redenen geen bepaalde vormen of soorten materialen voor daken dienen te worden opgelegd in het raam van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het niet noodzakelijk is daartoe meer verduidelijking te brengen in het kader van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie betreurt dat de overwegingen inzake het materiaal enkel van esthetische aard zijn en geen rekening houden met hun duurzaam en bio-ecologisch karakter;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl bouwmateriaal in het algemeen een duurzaam karakter heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat weinig bouwmateriaal vervuilend is en dat voor het bouwmateriaal dat wel vervuilend is (asbest,...) bijzondere reglementeringen bestaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat niet alles moet worden gereglementeerd via de gewestelijke stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat meerdere reclamanten de relevantie in twijfel trekken van artikel 41 over het gebruik van materialen die, door hun aard en kleur,de overheersende kenmerken van de straat eerbiedigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de weglating van deze verplichting tegemoetkomt aan de geformuleerde bezwaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ritme van de gevel en de algemene structuur van de straat Overwegende de talrijke bezwaarschriften tegen deze bepaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende met name de volgende bemerkingen : - talrijke reclamanten vinden de begrippen « ritme van de gevel », « structuur van de straat », « spel van gesloten en open delen », « modulatie van de karakteristieke gevels » te vaag en dat ze alle interpretaties toelaten; - reclamanten zien in die tekst slechts subjectieve overwegingen en geen voorschriften en menen dat de tekst een groot risico op de willekeurige toepassing ervan inhoudt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze tekst bijgevolg geschrapt wordt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzonderlijke ingangen Overwegende dat de Commissie aanbeveelt om te voorzien in een uitzondering op de verplichting tot de aanleg van een afzonderlijke toegang naar de verdiepingen wanneer de gevel minder dan 5 meter breed is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl gevels van minder dan 5 meter breed zeer zeldzaam zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er van een uitzondering sprake zou moeten zijn voor een gevel van 5,50 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een breedte van 6 meter het minimum is voor een afzonderlijke toegang tot de verdiepingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten wensen dat deze verplichting beperkt wordt tot de handelsbestemmingen, gezien deze niet verantwoord zijn bij de vrije beroepen bijvoorbeeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de nieuwe tekst van het voorschrift rekening houdt met dit bezwaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten willen dat een middenweg wordt gevonden in de voorschriften voor de uitbaters die wonen boven de handelszaken die zij uitbaten of wanneer de opgelegde wijziging afbreuk doet aan de architecturale kwaliteit van de benedenverdieping;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl aan dit bezwaar tegemoetgekomen wordt in de nieuwe tekst van artikel 9;</p>\n<p class=\"lf-p\">Blinde benedenverdieping Overwegende dat een reclamant zich vragen stelt bij de klassering van de blinde benedenverdieping van een onroerend goed dat op dit niveau enkel garagepoorten heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het begrip van de benedenverdieping werd verduidelijkt op basis van deze opmerking;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten de kwestie van de hoogte aanhalen waarop dit voorschrift betrekking heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de hoogte van de benedenverdieping niet moet worden verduidelijkt; de hoogte wordt bepaald op basis van de vloer van de bovenverdieping;</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitsprongen aan de gevel op de rooilijn Overwegende dat een gemeente van oordeel is dat de normen van de verordening opgesteld moeten zijn overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek en geen afbreuk mogen doen aan de bewoonbaarheiod van de naastliggende gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de bepalingen van het Burgelijk Wetboek cumulatief worden toegepast op deze van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening; dat de normen in de stedenbouwkundige verordening maxima zijn die de bestuursoverheid kan beperken bij de behandeling van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant betreurt dat de bepaling het probleem van de uithangborden niet regelt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl Titel VI de voorwaarden waarbij een uithangbord mag worden geplaats, uitvoerig heeft vastgesteld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie zich afvraagt of het principe van de uitsprong niet in strijd is met het principe van de rooilijn (grens tussen privé-eigendom en openbare eigendom) en geen inname van de openbare ruimte impliceert;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er geen werkelijke inname is van de openbare ruimte inzoverre de uitprongen aan de gevel er niet op steunen en er enkel over hangen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er verdraagzaamheid aan de dag moet worden gelegd wanneer het gaat om een inname van de openbare ruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie aandringt op overleg met de beheerders van de gewestwegen (B.U.V.) voor een kritische analyse van de voorschriften en een eventuele harmonisering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de bepalingen van artikel niet in strijd zijn met die welke zijn aangehaald door de Commissie en voorgeschreven door het Bestuur voor Uitrusting en Vervoerbeleid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie een studie wil over het probleem van de luifels en de uithangborden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de uithangborden behandeld worden in titel VI;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie het moeilijk vindt om a priori te beweren dat een terras of een balkon van een vrijstaand gebouw, dat 2/3 van de gevelbreedte overschrijdt, in strijd zou zijn met de goede ruimtelijke ordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bijgevolg deze bepaling wordt geschrapt; dat er geen reden is om aan te nemen dat ze beter is voor de nieuwe bouwwerken dan voor de oude;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt de definitie van de erkers aan te vullen met andere uitspringende architecturale elementen zoals loggia's, kleine erkers, bow-windows, die het mogelijk maken bewoonbare ruimten op de openbare ruimte te winnen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl die andere uitspringende elementen ofwel het begrip erker overlappen, ofwel bedoeld zijn in § 1 van artikel 10;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente vindt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de gebouwen die op een rooilijn werden gebouwd en deze met een inspringstrook;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit onderscheid slechts gerechtvaardigd is door het begrip inname van de openbare ruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit begrip behandeld is in § 1 van artikel 10;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat vanuit esthetisch oogpunt het feit dat de bouwlijn zich al dan niet op de rooilijn bevindt, geen grote weerslag heeft voor de balkons, terrasen, erkers en andere uitsprongen aan de gevels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten vinden dat de bouw van erkers en loggia's aan de gevel in verhouding tot de gevelbreedte beperkt zou moeten zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de tweederde-regel van de geveloppervlakte, gecumuleerd met de naleving van de insprong van 60 centimeter, volstaat om een ongeoorloofde verveelvoudiging van die loggia's te vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de loggia's zonder insprong aan de gevel niet in het raam van dit artikel dienen te worden gereglementeerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat het door de Commissie voorgesteld artikel betreffende de uitsprongen aan de gevel te gedetailleerd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een dergelijke precisiegraad op gewestelijk niveau niet gerechtvaardigd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Borstweringen Overwegende dat wat betreft de hoogte van de borstweringen, een gemeente voorstelt om de tekst als volgt aan te vullen : « elk balkon of terras dat toegankelijk is... »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat andere reclamanten zich afvragen of er geen maximale afstand tussen de stijlen of een maximale vrije hoogte tussen de verschillende elementen van een borstwering moeten worden voorzien om de kans op een ongeval en valpartijen te vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het nutteloos is om andersluidende voorschriften te voorzien in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening omdat er reeds Belgische normen hierover bestaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bijgevolg deze bepaling geschrapt wordt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Regenpijpen Overwegende dat, wat betreft de regenpijpen, het volgens de Commissie, bij verbouwing van een bestaand gebouw nodig kan blijken om een regenpijp aan de voorgevel te voorzien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze regel slechts van toepassing is op het voorwerp van de werken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het aangewezen is om in geval van verbouwing erop toe te zien dat er geen regenpijp aan de voorgevel is aangebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten voorstellen om een standpunt in te nemen betreffende de afwateringsgoten aan het voetpad (die door sommige gemeenten werden verboden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant oppert dat deze zichtbare regenpijpen aan de gevels van roestvrij metaal zouden moeten zijn; dat een gemeente een gietijzeren dolfijn voorstelt; dat een andere reclamant een tekst voorstelt die schade moet vermijden : « indien ze zichtbaar zijn, moeten ze uitgerust zijn met een dolfijn die minstens 3 meter hoog is »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het de taak is van de gemeenten deze detailkwesties te regelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Conforme materialen Overwegende dat een gemeente vindt dat voor nieuwe bouwwerken het verplicht moet zijn om materiaal te gebruiken dat aan de geldende normen voldoet en dat de regenpijpen op de riolering moeten worden aangesloten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de naleving van de geldende normen vanzelfsprekend is zonder dat eraan herinnerd moet worden en dat de aansluiting van de regenpijpen op de riolering geregeld wordt in artikel 16;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoorstenen Overwegende dat voor een gemeente in dit hoofdstuk de inrichtingsvoorwaarden voor schoorstenen (verbod op plaatsing in de mandelige muren, minimumhoogte van de schoorsteenmantels, afstand ten opzichte van de openingen,...) en afvoerleidingen op de gevel zouden moeten worden verduidelijkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze opmerkingen, zoals de Commissie benadrukt, worden nagekomen in het kader van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Antennes Overwegende dat, wat betreft de antennes, deze volgens een reclamant evenmin zichtbaar zouden mogen zijn achter de huizen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het volgens een gemeente een illussie is om antennes aan het zicht vanaf de openbare weg te onttrekken (vb. GSM-masten);</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat volgens sommigen de beperking enkel mag gelden voor de paraboolantennes, terwijl de vastgoedsector voorstelt om de tekst als volgt aan te vullen : » paraboolantennes op gevels zijn verboden, zelfs achteraan ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat anderen deze maatregel discriminerend vinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de antennes voor een dienst van collectief of openbaar nut soms op overheersende gebouwen geplaatst worden en daardoor van ver zichtbaar zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bijgevolg, rekening houdend met alle opmerkingen, de bepaling betreffende de antennes geschrapt werd onder voorbehoud van het behoud, in artikel 6 § 3 van een clausule bestemd om in de mate van het mogelijke de esthetiek van het dakwerk te vrijwaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">De nutsvoorzieningen van de bouwwerken Overwegende dat de Commissie vindt dat dit artikel een voorwaarde oplegt waaraan moeilijk te voldoen is en die in tegenstrijd is met het artikel dat de antennes toelaat om het toegelaten maximumbouwprofiel te overschrijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl artikel niet handelt over het bouwprofiel van de bouwwerken, maar over de esthetiek ervan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie het jammer vindt dat hoofdstuk V zich niet buigt over de problemen die worden gesteld door elektriciteitscabines en gasexpansie-voorzieningen die de verdelers niet langer in hun gebouwen willen opnemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het gaat om specifieke problemen die veeleer moeten worden geregeld met het oog op de veiligheid van de bewoners dan de esthetiek van de bouwwerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het risicovol is om een bijzondere behandeling van die installaties op te leggen zonder voorafgaandelijk de optimale veiligheidsomstandigheden te hebben bestudeerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze voorzieningen, wanneer ze buiten de gebouwen zijn aangebracht, onderworpen blijven aan deze gewestelijke stedenbouwkundige verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">De opvang van het regenwater Overwegende dat een gemeente vindt dat onconventionele verwezenlijkingen moeten worden vermeden en voorstelt om het 2de lid aan te vullen met verduidelijkingen van het systeemtype, het vermogen en de uitrusting voor de opvang van regenwater;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een andere gemeente vraagt of het mogelijk is om te verduidelijken dat het regenwater wordt opgevangen en naar het afloopnetwerk van het gebouw wordt geleid; dat de verplichte aanleg van een systeem voor de opslag van het regenwater enkel zou moeten gelden vanaf een bepaalde oppervlakte voor de opvang van regenwater;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat volgens die gemeente de minimuminhoud en de noodzaak voor een voorziening voor het gebruik van dit regenwater moeten worden verduidelijkt; dat een bijkomend hoofdstuk de opvang van afvalwater en de aansluiting op de openbare riolering moet regelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten tevens vragen dat een afzonderlijke aansluiting van het regenwater op de riolering voorzien moet worden en dat het verplicht systeem verscheiden moet zijn naargelang de afmetingen van de ondoorlaatbare oppervlakten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de verordening bewust niet in een dergelijke precisiegraad wil treden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat elk nieuw bouwwerk mag worden voorzien van een systeem voor de opslag van regenwater los van de omvang van het gebouw om een overbelasting van de riolen te vermijden of op termijn het hergebruik van water mogelijk te maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de opslagcapaciteit van het systeem kan afhangen van zowel de omvang van het bouwwerk als van de beschikbare doorlaatbare oppervlakte als de capaciteit van het rioleringsnet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de tekst werd vervolledigd om te verduidelijken dat het opslagsysteem o.a. de overbelasting van de riolering moet vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze verduidelijking voldoende is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente a priori liever het grootste deel van het regenwater in de bodem ziet verdwijnen dan in de openbare riolering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl hieraan voldaan wordt in artikelen 13 en 16;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een gemeente het belangijk vindt om een onderscheid te maken met het water dat op parkeerzones wordt verzameld omdat dit vervuild kan zijn (koolwaterstoffen,...);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl aan die problematiek tegemoet gekomen wordt in het kader van de afgifte van milieuvergunningen of van de effectenstudies;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant denkt dat het beter is om de opslag van regenwater in een aparte omzendbrief te behandelen nadat het openbaar nut, het gebruik, de bijkomende kostprijs, de risico's ervan,... werden doorgelicht; dat het verplicht gebruik van regenwaterputten zonder verbod op het gebruik van loden buizen tegenstrijdig is; dat de kans op vergiftiging via de doorgang van het stadswater naar het regenwater reëel is; dat deze doorgang moet worden overwogen in functie van de opslagcapaciteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tewijl de verordening niet de bedoeling heeft de hele problematiek van het water te behandelen; dat deze veeleer betrekking heeft op het leefmilieu; dat het vanuit stedenbouwkundig standpunt van belang is dat de bouwwerken voorzien zouden zijn van een afdoend rioleringsnet en niet zorgen voor de verzadiging van de openbare netten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat volgens een andere reclamant de regenwaterputten in de stad vaak vuil en vervuild water opvangen... dat enkel gebruikt wordt voor de tuin (als er een is) en om de wagen te wassen; dat voor personen die geen tuin van minstens 150 m2 hebben deze regenwaterput niet gerechtvaardigd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de overheid bevoegd voor de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning moet beslissen, in functie van de plaatselijke omstandigheden, of de aanleg van een opslagsysteem moet worden opgelegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten voorstellen om het 2de lid als volgt te formuleren : « bij nieuwe bouwwerken wordt het plaatsen van een regenput verplicht ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit amendement zeer beperkend is voor de nagestreefde doelstellingen; dat een vijver of een rietveld eveneens opslagsystemen voor regenwater zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepalingen Overwegende dat gemeenten denken dat het handig zou zijn om te bepalen welke reglementeringen door de titel van de gewestelijke stedenbouwkundige vergunning werden opgeheven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de hiërarchie van de toepasbare normen geregeld wordt bij artikel 171 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, volgens een andere gemeente, werken die niet aan de GSV voldoen 3 jaar na het van kracht worden ervan kunnen worden uitgevoerd - bij indiening van een vergunning binnen 2 maand na het van kracht worden ervan - en rekening houdend met een onderzoekstijd van bijvoorbeeld 120 dagen en een geldigheidsduur van twee jaar mogelijk verlengd kunnen worden met 1 jaar; dat volgens die gemeente titel 1 van kracht moet worden zodra het in het Staatsblad verschijnt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de toepassing van titel I van de GSV berekend moet worden in verhouding tot de tijd die de uitwerking van een stedenbouwkundig project in beslag neemt;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. 2. Titel II betreffende de bewoonbaarheidsnormen voor woningen Overwegende dat de Commissie wijst op de te grote precisiegraad van de verordening en het gebrek aan selectiviteit van haar toepassingsgebied, in functie van het fundamenteel of aanvullend karakter van haar bepalingen of nog in functie van de specifieke situaties of contexten van de gemeenten of ten slotte naargelang ze betrekking heeft op nieuwbouw of renovatiewerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, volgens de Commissie, deze grote precisiegraad een belemmering vormt voor de creatieve vrijheid van de architecten en de renovatie van de bouwwerken en ze een bron van rechtsonzekerheid vormt wegens de toenemende kans op aanvragen om afwijkingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de precisiegraad van titel II verantwoord is omdat het op stedenbouwkundig vlak de administratieve normen en richtlijnen vertaalt die zowel op federaal als op gewestelijk vlak bestaan : wat betreft de gezondheid van de gebouwen die dienen als hoofdverblijfplaats van de bewoner ( koninklijk besluit van 8 juli 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/10/1997 numac 1997012500 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 1995, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, betreffende het programma-akkoord 1995-1996 type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/08/1997 numac 1997012499 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de bijzondere collectieve arbeidsovereenkomst van 6 juli 1995, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf op de ondernemingen voor afbraak van asbest en/of verwijdering van asbest of van asbesthoudende materialen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/10/1997 numac 1997012501 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 1995, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, betreffende de tewerkstelling en de vorming van risicogroepen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/09/1997 numac 1997012514 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot vaststelling, voor de ondernemingen voor titaangieterij, gelegen in de streek van Charleroi en die ressorteren onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en electrische bouw, van de voorwaarden waaronder het gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden schorst type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/07/1997 numac 1997003398 bron ministerie van financien en ministerie van economische zaken Koninklijk besluit houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen inzake instellingen voor belegging in schuldvorderingen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/10/1997 numac 1997012506 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1993, gesloten in het Paritair Comité voor het wasserij-, ververij- en ontvettingsbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 februari 1991, houdende coördinatie van de statuten van het \"Gemeenschappelijk Fonds om de sociale vooruitgang in de sectoren van wasserij-, ververij- en ontvettingsbedrijf te bevorderen\" type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/11/1997 numac 1997012498 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 oktober 1996, gesloten in het Paritair Subcomité voor de bosontginningen, betreffende de uitkering in geval van dodelijk arbeidsongeval sluiten), de verhuring van bemeubelde woningen (Regeerbesluit van 9 november 1993), de sociale woningen (onderrichtingen PO/84 van de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting), de premies voor de renovatie van woningen (besluit van 29 maart 1990 en toepassingsomzendbrieven), de verhuis,- installatie- en huurtoelage voor personen die een ongezonde woning ontruimd hebben (koninklijk besluit van 13 maart 1989 en toepassingsomzendbrief);</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er geen onderscheid gemaakt moet worden tussen de bewoonbaarheidsnormen voor woningen op basis van de specifieke situaties van de gemeenten : dat het al dan niet bewoonbare karakter van een woning los staat van de ligging ervan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in een verordening geen onderscheid mag worden gemaakt tussen de wezenlijke en aanvullende bepalingen daar al haar bepalingen bindend zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verordening desgevallend een onderscheid maakt tussen verbouwingswerken en nieuwbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verordening, doordat ze de voorafgaande normen concretiseert en vaak enkel van toepassing is op nieuwbouw, niet noodzakelijk aanleiding geeft tot een overvloed aan aanvragen tot afwijking;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de afwijkingen alleszins enkel kunnen worden toegekend wanneer de goede ruimtelijke ordening dit toelaat of vereist;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verordening aldus op geen enkele wijze de rechtszekerheid in het gedrang brengt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat volgens de Commissie de stedenbouwkundige verordening de basis zou moeten vormen voor de algemene normen en betrekking zou kunnen hebben op het vaststellen van kwaliteitsdoeleinden eerder dan het opleggen van beschrijvende normen (aantal bewoners, bestemming en gebruik van de plaats,...), aangepast aan iedere situatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de verordening, wanneer ze zou zijn opgesteld in termen van algemene kwaliteitsdoeleinden en aldus onnauwkeurig zou zijn, zou leiden tot willekeur, subjectiviteit en rechtsonzekerheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, veeleer dan vele en verschillende normen te formuleren in functie van iedere bijzondere situatie, het wenselijk is een minimumdrempel voor het merendeel van de gevallen vast te leggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het onmogelijk is om op basis van veranderlijke normen tegemoet te komen aan alle mogelijke gevallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een dergelijke tekst bijdraagt tot de precisie en het dwingend karakter van de verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt de opgelegde normen te hiërarchiseren volgens hun fundamentele of secundaire aard en de vraag naar een procedure tot afwijking te beperken tot de toepassing van de belangrijkste normen, waardoor de behandeling van de bouwaanvragen vereenvoudigd zou worden, hetgeen bijgevolg de taak zou verlichten van de gemeentelijke stedenbouwkundige diensten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit voorstel niet enkel indruist tegen het verordenend karakter van de verordening, maar het daarenboven in strijd is met de procedure tot afwijking, zoals voorzien in artikelen 116 en 118 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie zich vragen stelt bij de verenigbaarheid van de verordening met het behoud van het architecturaal erfgoed van het Gewest;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de onderhoudswerken aan een bouwwerk niet aan bod komen in deze verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verordening, wat betreft de oppervlaktenormen, bij verbouwingswerken bijvoorbeeld enkel van toepassing is als doel of gewoon niet van toepassing is (vele bepalingen aangaande nieuwe woningen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat volgens de Commissie de technische normen van de verordening slechts aanvullend toegepast moeten worden bij de van kracht zijnde normen die voorkomen in een ministerieel besluit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de verordening autonoom tot stand is gekomen; zij maakt deel uit van de normen, waaronder technische, die gehanteerd worden bij de beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat zij in deze context geen aanvulling moet vormen op de andere bestaande normen voor woningen, waarvan de toepassing los staat van de procedure tot toekenning van de stedenbouwkundige vergunningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie aanbeveelt om, met het oog op rechtszekerheid en een vereenvoudigde procedure, een onderscheid te maken tussen grote en kleine afwijkingen op de bepalingen van de verordening waarbij men zich baseert op het Regeerbesluit van 11 januari 1996 dat de zogenaamde werken « van geringe omvang » verduidelijkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de in voornoemd besluit bedoelde werken door hun geringe omvang vrijgesteld zijn van de voorafgaande verkrijging van een stedenbouwkundige vergunning of van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de werken in dit besluit opgesomd zijn zonder rekening te houden met hun eventuele weerslag op de bewoonbaarheid van de woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze werken, zelfs al zijn ze van geringe omvang, een aanzienlijke weerslag kunnen hebben op de veiligheid en de bewoonbaarheid van de woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in dit geval een afwijking op de verordening niet verantwoord is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant voorstelt de situatie van de nieuwbouw te onderscheiden van de oude gebouwen waarvoor een aanvraag tot verbouwing is ingediend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl titel II rekening houdt met deze situatie doordat hetzij de bepalingen ervan slechts toepassing vinden op verbouwingswerken die het gebouw aanzienlijk wijzigen, hetzij de toepassing ervan beperkt wordt tot nieuwbouw; dat de volledige vrijstelling van titel II voor de verbouwingswerken aan oude gebouwen niet tegemoetkomt aan de doelstelling van de Regering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er geen enkele rechtvaardiging is om de grote werken aan een oud gebouw vrij te stellen van de verplichting om het verbouwd gedeelte van het gebouw in overeenstemming te brengen met de voorschriften van titel II; dat de meeruitgaven die worden gedaan om de uitgevoerde werken in overeenstemming te brengen evenredig zijn met de omvang van de uitgevoerde werken wanneer een dergelijk gebouw aanzienlijk wordt gewijzigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant van mening is dat het opleggen van bewoonbaarheidsnormen voor woningen de leefgewoonten zal homogeniseren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het opleggen van minimumnormen er enkel voor zorgt dat de bewoners in aanvaardbare levensomstandigheden kunnen leven zonder evenwel gevolgen te hebben op hun leefwijze;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat bepaalde reclamanten kritiek hebben op de uitsluiting van bepaalde soorten gebouwen zoals hotels en rusthuizen uit het toepasingsveld van titel II;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze uitrustingen vallen onder specifieke reglementeringen en/of niet bestemd zijn voor langdurig verblijf;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten van oordeel zijn dat het noodzakelijk is de hiërarchie tussen de bepalingen van titel II en de andere bijzondere bepalingen of reglementeringen met hetzelfde toepassingsgebied te verduidelijken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er administratieve beleidslijnen bestaan die, wanneer zij alle van toepassing zijn op de woningen, verschillende doeleinden hebben (renovatie, sociale huisvesting, bescherming van de huurders, enz.);</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er geen hiërarchie tussen deze normen bestaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het gaat om verschillende beleidslijnen die nageleefd moeten worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat evenwel de hiërarchie tussen de gewestelijke stedenbouwkundige verordening en de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen verduidelijkt wordt in artikel 171 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimumnormen voor oppervlakte Overwegende dat volgens de Commissie deze normen geen rekening houden met de verschillende leefgewoonten en woonwijzen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het wenselijk is een minimumdrempel voor het merendeel van de gevallen vast te leggen in plaats van vele en verschillende normen te formuleren in functie van iedere bijzondere situatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze normen voorts een synthese zijn van de bestaande oppervlaktenormen voor andere aangelegenheden (sociale huisvesting, renovatiepremies,...);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat die normen kunnen leiden tot de bouw van banale woningen op ruimtelijk vlak en dat ze de realisatie van innoverende ontwerpen niet meer toelaten, zowel op het vlak van de bouw van nieuwe woningen als bij renovatie, hoewel er vaak originele oplossingen gevonden kunnen worden bij de renovatie van particuliere gebouwen (lofts,...);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de oppervlaktenormen zoals vermeld in titel II slechts minimumnormen zijn; dat ze alle architectuurvormen toelaten zolang de bewoonbaarheids-drempels in acht worden genomen; dat het geval van woningen met niet-afgescheiden bewoonbare lokalen uitdrukkelijk is voorzien (type loft, flat,...); dat bij renovatie van bestaande woningen de normen in wezen beschouwd worden als te bereiken doelstellingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende de Commisssie zich vragen stelt over de relevantie van de voorgeschreven oppervlakten, die volgens hen niet overeenkomen met de kenmerken van een groot aantal bestaande woningen, zoals bijvoorbeeld bepaalde sociale woningen of vele recente woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl titel II gebaseerd is op de bestaande minimumnormen inzake sociale woningen (onderrichtingen PO/84) voor een woning van 2 personen met één enkele kamer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie verder van oordeel is dat de gezamenlijke toepassing van de voorschriften van titel I betreffende de inplanting en het bouwprofiel van de bouwwerken en de normen inzake de minimumafmetingen voor oppervlakte en volume zoals bepaald in titel II, de inplanting van woningen op sommige kleine percelen onmogelijk zal maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de inplanting van woningen niet dient te gebeuren onder eender welke voorwaarde, in weerwil van de elementaire vereisten van de leefkwaliteit van de bewoners en buren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat als een terrein te klein is om er onder afdoende voorwaarden inzake bewoonbaarheid, hygiëne en integratie van het bouwwerk in de bestaande bouwstructuur woningen op te bouwen, het een andere bestemming dient te krijgen, en zelfs de hoedanigheid als bouwterrein ervan in vraag te stellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten vragen hebben bij de relevantie van titel II waar deze de aanwezigheid en de afmetingen van ingebouwde kasten of berghokken alsook het cumulatief karakter van de voorwaarden zoals oorspronkelijk voorzien bij titel II verplicht maakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze bezwaren relevant zijn wat betreft de afmetingen van de bergplaatsen of opslaglokalen die werden geschrapt, maar dat het van belang is het principe van de aanwezigheid van dergelijke lokalen te behouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant de mogelijkheid oppert om gemeenschappelijke bergruimten voor meerdere woningen te voorzien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een dergelijke mogelijkheid niet is toegelaten door de verordening, die bepaalt dat elke woning een eigen bergruimte dient te hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant voorstelt een zo aangenaam mogelijk gelegen terras of balkon verplicht te maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de generalisatie van balkons en terrassen onaanvaardbare gevolgen zou hebben voor het uitzicht van de gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte onder het plafond Overwegende dat de Commissie voorstelt dat titel II een modulatie van de hoogte onder het plafond zou toestaan in functie van de bestaande situatie, bepaalde lokalen of situaties (keukens, tussenliggende verdiepingen, zolderkamers met grote dakvensters, sociale of andere woningen met minimumprogramma,...), die een lagere hoogte onder het plafond rechtvaardigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de hoogte onder het plafond niet aanzienlijk mag worden verminderd of gemoduleerd inzoverre die normen betrekking hebben op nieuwbouw en ze slechts doelen op de bewoonbare lokalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een hoogte onder het plafond van 2,50 meter een minimumnorm is, noodzakelijk voor de bewoonbaarheid van de lokalen die zijn bestemd voor een langer verblijf;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat zolderkamers met vensters onder dak bedoeld zijn (« daklokalen »);</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten van mening zijn dat de bepaling niet van toepassing kan zijn voor de renovatie van een bestaand gebouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl artikel 4, § 3, de verplichting die is opgelegd in het raam van § 1 tempert door te verhinderen dat verbouwingswerken die niet leiden tot een aanzienlijke wijziging afbreuk zouden doen aan de bewoonbaarheidsvoorwaarden inzake de hoogte onder het plafond;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenverdiepingen Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat de berekeningswijze van het volume niet beduidend is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl, rekening houdend met de vereiste hoogte onder het plafond van 2,50 meter, de berekening ertoe strekt dat het volume van de kamer minstens gelijk is aan het volume dat verkregen is uit de vermenigvuldiging van de totale oppervlakte van de kamer en de tussenverdieping met 2,50 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze berekening ervoor moet zorgen dat de oppervlakte van de tussenverdieping in verhouding zou zijn met het volume van de kamer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deur Overwegende dat de Commissie meent dat het logischer is dat de breedte van het deurblad aangeduid wordt (bijvoorbeeld 0,93 meter) in plaats van de vrije doorgang (0,83meter);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de vrije doorgang min of meer kan verminderen, rekening houdend met de dikte van de materialen en de wijdte van de deuropening, zelfs indien het deurblad 0,93meter breed is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bijgevolg de verwijzing naar het begrip gvrije doorgang' meer beantwoordt aan het doel van de bepaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie opmerkt dat een vrije doorgang van 0,83 m onvoldoende is voor gebouwen met meerdere woningen indien men deze maatregel wil laten overeenkomen met de voorschriften van Titel IV (Hoofdstuk I, artikel 1 en Hoofdstuk II, artikel 7) houdende de toegankelijkheid van de gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de Commissie meent dat de gebouwen zo gebouwd dienen te worden dat ook personen met beperkte mobiliteit er toegang toe hebben en dat het geheel van de voorschriften van Titel II in die zin geëvalueerd moet worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de woongebouwen die vallen onder het toepassingsgebied van titel IV moeten voldoen aan de normen van zowel titel IV als van titel II zonder dat er systematisch naar titel II moet worden verwezen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat titels van de verordening met onderscheiden doelstellingen niet mogen worden samengenomen; dat alle normen betreffende de toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit zijn opgenomen in titel IV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanitaire faciliteiten Overwegende dat de Commissie voorstelt dat de minimumafmetingen van sanitaire lokalen richtinggevend zouden zijn en dus geen bindend karakter zouden hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl richtinggevende normen van geen nut zouden zijn; dat de ontwerpers reeds op de hoogte zijn van die normen; dat deze normen overeenstemmen met de minimumafmetingen voor dergelijke lokalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt om de volgende tekst toe te voegen : « het lokaal uitgerust met een W.C. dient deel uit te maken van het bouwvolume »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze bepaling evenwel slechts betrekking dient te hebben op de nieuwbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant kritiek heeft op de verplichte aanwezigheid van koud en warm water in de badkamers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het geenszins onredelijk is een dergelijke voorziening te verplichten om de minimumnormen voor de bewoonbaarheid te garanderen in verhouding tot het niveau van de voorzieningen van het Gewest;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant vragen heeft bij de manier waarop de verplichte afmetingen voor het sanitair zijn gemeten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de opgelegde minimumnormen dienen te worden verstaan als de afmetingen zonder de muren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlichting Overwegende dat de Commissie aanbeveelt om de normen NBN L 13.001 « binnenverlichting van de gebouwen, algemene principes » en NBN L 13.002 « dagverlichting van gebouwen » als referentie te nemen voor de bepaling van de afmeting van de ramen, koepels en andere natuurlijke verlichting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de verordening niet in dergelijke details wil treden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ventilatie - Afvoer Overwegende dat de Commissie opmerkt dat de ventilatienormen niet duidelijk zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de verordening verwijst naar alle ventilatienormen die gelden voor de woonlokalen en die in beroepsmiddens bekend zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitrustingen Overwegende dat, zoals een reclamant suggereert, de verwijzing naar de voorwaarden inzake aansluiting zoals opgelegd door de verdeelmaatschappijen, geschrapt werd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de verplichting tot de plaatsing van een systeem van individuele meting voor water werd opgeheven omwille van het feit dat naar gelang van de configuratie van de woning deze verplichting nu eens zou opgelegd worden aan de verdeelmaatschappij dan weer aan de eigenaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie gekant is tegen de verplichte aansluiting op het gasnet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de nieuwbouw erop aangesloten dient te worden als dit gasnet in de nabijheid voorzien is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de bewoners van het gebouw (eigenaar, koper, huurder,...) aldus kunnen kiezen van welke energiebron ze gebruik willen maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze oplossing des te meer aangewezen is omdat gas een weinig vervuilende energiebron is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie opmerkt dat titel II niet verduidelijkt uit hoeveel woningen een « nieuwbouw met meerdere woningen » bestaat, waardoor niet kan worden bepaald vanaf hoeveel woningen de parlofoon met deuropener verplicht is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl, zoals de benaming gnieuwbouw met meerdere woningen' aangeeft, het gaat om een nieuwbouw die meer dan één woning omvat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vragt dat titel II zou verduidelijken wat zij verstaat onder « rioleringsnet »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het rioleringsnet waarnaar titel II verwijst niets anders dan het openbare rioleringsnet kan zijn en die begrippen geen nadere uitleg behoeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lift Overwegende dat de Commissie opmerkt dat de verordening niet vermeldt of de bovenste verdieping ook met de lift bereikbaar moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze vermelding geen nut heeft; dat de investering in lift veronderstelt dat ook de hoogste verdiepingen bereikbaar zouden zijn tenzij dit om technische redenen onmogelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie meent dat deze uitrusting conform dient te zijn aan de eisen van titel IV (toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl titel IV uitdrukkelijk handelt over deze aangelegenheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichte dienstlokalen in nieuwe gebouwen met meerdere woningen Overwegende dat de Commissie voorstelt een onderscheid te maken tussen kleine eenheden (bijvoorbeeld een klein mandelig gebouw met twee appartementen) en grote complexen (bijvoorbeeld een of meerdere gebouwen met tientallen woningen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de dienstlokalen, die zijn voorzien in Titel II, noodzakelijk zijn zowel voor kleine eenheden als voor grote complexen en dat de bepalingen ervan aangepast zijn naargelang het aantal woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal voor tweewielers en kinderwagens Overwegende dat de Commissie vraagt hoe dit lokaal bereikbaar moet zijn (langs de voordeur of via een afzonderlijke toegang);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het feit dat dit lokaal ter beschikking staat van alle bewoners vooronderstelt dat ze geen individuele toegang hebben; dat punten 1° en 3° voldoende duidelijkheid verschaffen over de toegang tot het lokaal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie zich afvraagt of fietsen niet op de parking mogen staan en vragen heeft over het stallen van fietsen bij kinderwagens;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de Commissie vraagt dat verschillende omstandigheden onderscheiden zouden worden in functie van de omvang van de gebouwen en dat men de mogelijkheid van een afzonderlijk lokaal voor kinderwagens en één voor fietsen bestudeert;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de bevestiging van het principe van de noodzaak van een dergelijk lokaal volstaat zonder dat verder in detail moet worden getreden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat alle woningen niet noodzakelijk parkeergelegenheid voorzien en dat het niet aangewezen is om twee aparte lokalen, één voor fietsen en één voor kinderwagens, te verplichten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten voorstellen nauwkeurige afmetingen op te leggen voor de lokalen waarin niet-gemotoriseerde tweewielers en kinderwagens dienen te worden ondergebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de bestuurlijke overheid in alle gevallen de passende afmetingen van een dergelijk lokaal dient te bepalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat bepaalde reclamanten voorstellen een gelijkaardige verplichting voor de andere gebouwen op te nemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit niet het doel is van titel II, die enkel de woningen beoogt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoonmaak Overwegende dat de Commissie vraagt dat de GSV hierover explicieter zou zijn en dat ze meent dat de beperking in verhouding zou moeten staan tot de grootte van het gebouw en tot het aantal woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het principe van een lokaal voor de opslag van schoonmaakmateriaal volstaat zonder dat verdere uitleg moet worden gegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat bepaalde reclamanten voorstellen dat de waterkraan en de afvoer naar de riolering zich niet noodzakelijk in hetzelfde lokaal moeten bevinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl met een dergelijk voorstel niet kan worden beschikt over een lokaal dat alle voorzieningen heeft om zijn functie daadwerkelijk te verzekeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant voorstelt te verduidelijken dat het lokaal is bestemd voor de opslag van materiaal voor de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat gevolg wordt gegeven aan het bezwaar inzoverre het de titel begijpemijker maakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant vragen heeft over de toepassing van de bepaling in de onderstelling dat een eensgezinswoning wordt opgedeeld in meerdere appartementen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze bepaling niet van toepassing is op nieuwbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie stelt dat indien een waterkraan op de regenwatertank aangesloten moet worden, tevens een filter en pomp verplicht zijn en dat dit een onverantwoorde uitgave is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl, aangezien het gaat om een gebouw met meerdere woningen, de aanbeveling van het hergebruik van regenwater voor de schoonmaak wanneer een regentank aanwezig is, geen overdreven vereiste lijkt, rekening houdend met de doelstellingen inzake milieubescherming van de Regering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vuilniskokers Overwegende dat een reclamant gekant is tegen het principe van het verbod op vuilniskokers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de problematiek inzake veiligheid en gezondheid waartoe dit soort voorziening thans leidt, de toelating ervan niet langer rechtvaardigt; dat dit soort voorziening leidt tot de ontmoediging van het sorteren van afval dat nochtans wordt vooropgesteld door de Regering;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. 3. Titel III, aangaande de bouwplaatsen Algemene opmerkingen Overwegende dat de Commissie wenst dat de GSV de bepalingen van de gemeentelijke bouwverordeningen en politiereglementen die er niet in overeenstemming mee zijn uitdrukkelijk zou opheffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl artikel 171 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw het mechanisme voor het in overeenstemming brengen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen met de gewestelijke stedenbouwkundige verordening regelt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten gemeld hebben dat de bepalingen van het ontwerp van Titel III betrekking hadden op materies die door of krachtens andere wetgevingen reeds geregeld waren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het beantwoorden van deze bezwaren, en derhalve het vermijden van een overlapping met andere reglementaire teksten, geleid heeft tot deze wijzigingen, die hieronder worden uiteengezet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting met de ordonnantie betreffende de milieuvergunning Overwegende dat sommige reclamanten zich afvragen of de contr\"le van de bepalingen van Titel III tot de bevoegdheid behoort van de ambtenaren van het BIM of van het bestuur van stedenbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de artikelen 88 tot 99 van de ordonnantie betreffende de milieuvergunning inderdaad beter kunnen worden aangepast aan het toezicht op, en aan de beteugeling en de sancties van de milieuaspecten van de bouwplaatsen, zodanig dat de regels aangaande de voorwaarden op het vlak van milieubescherming van bouwplaatsen uit Titel III werden verwijderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende daarenboven dat artikel 6 van de ordonnantie betreffende de milieuvergunning, dat de Regering machtigt exploitatievoorwaarden te bepalen toepasbaar op het geheel der inrichtingen of op bepaalde categorieën van inrichtingen, daarenboven beter geschikt blijkt om als juridische basis te fungeren om de regels aangaande de voorwaarden op het vlak van milieubescherming te funderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bijgevolg, de voorwaarden betreffende geluidshinder, afvalbeheer, veiligheid van de bouwplaats en verwijdering van afvalwater, die exploitatievoorwaarden zijn toepasbaar op de ingedeelde inrichtingen, uit Titel III verwijderd werden en gereglementeerd zullen worden via een bijzonder besluit goedgekeurd krachtens het artikel 6, § 2, van de ordonnantie betreffende de milieuvergunning; dat de artikelen 14 tot 51 van Titel III derhalve werden afgeschaft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting met de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de co\"rdinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Overwegende dat de Commissie en verschillende reclamanten een betere co\"rdinatie gevraagd hebben tussen Titel III en de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de co\"rdinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en haar uitvoeringsbesluit van 16 juli 1998;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze bezwaren werden ingewilligd in die zin dat de Regering beslist heeft de bouwplaatsen die reeds werden geregeld door de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de co\"rdinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en haar uitvoeringsbesluit, niet te reglementeren; dat het artikel 1 van Titel III, alsook de definities van de termen « bouwplaats op de weg » en « bouwplaats buiten de weg » de bouwplaatsen die onder het toepassingsgebied vallen van het reglement uitdrukkelijk uitsluiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting met de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen Overwegende dat, zoals de Commissie en sommige reclamanten melden, een besluit van 16 maart 1995 genomen in uitvoering van de ordonnantie betreffende de afvalstoffen, verplichtingen oplegt wat betreft het recycleren van bepaalde bouw- of sloopafval; dat om een overlapping met de bepalingen van dit besluit te vermijden, de bepalingen betreffende het afval (artikelen 44 tot 48) uit Titel III werden verwijderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting met de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving Overwegende dat deze ordonnantie, die de bouwplaatsen niet onderwerpt aan een vergunning, echter bepaalde activiteiten verbiedt die geluidshinder veroorzaken (artikelen 11 en 12); dat de bepalingen aangaande geluidshinder niet langer onder Titel III dienen te blijven in die zin dat deze regels bepaald zouden kunnen worden krachtens de ordonnantie betreffende de strijd tegen geluidshinder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting met de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers tijdens de uitvoering van hun werk Overwegende dat krachtens een wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers tijdens de uitvoering van hun werk, er een veiligheids- en volksgezondheidsco\"rdinator dient te worden aangeduid, hetgeen volgens sommige reclamanten een overlapping zou zijn met de verplichting om een bouwplaatsverantwoordelijke aan te duiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verplichting opgelegd aan de bouwheer om een bouwplaatsverantwoordelijke aan te duiden aldus verdwijnt, teneinde een overlapping met de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten te vermijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting met het besluit van 3 juli 1992 betreffende de verplichte aanplakking voor toegelaten handelingen en werken inzake stedenbouw Overwegende dat verschillende reclamanten melden dat de verplichte aanplakking van een bericht op de site een overlapping is met het besluit van 3 juli 1992 betreffende de verplichte aanplakking voor toegelaten handelingen en werken inzake stedenbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze verplichting werd afgeschaft om deze overlapping te vermijden; dat het voorgeschreven bericht voor de toegelaten handelingen en werken inzake stedenbouw, bij toepassing van het besluit van 3 juli 1992 betreffende de verplichte aanplakking voor de toegelaten handelingen en werken inzake stedenbouw, echter gewijzigd wordt om rekening te houden met de aspecten aangaande de bouwplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Bijzondere opmerkingen Artikel 1 (toepassingsgebied) Overwegende dat de Commissie wenst dat men een onderscheid zou maken tussen de kleine bouwplaatsen en de andere types van bouwplaatsen en dat de eerste derhalve zouden worden vrijgesteld van bepaalde verplichtingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een dergelijk onderscheid nu reeds gemaakt wordt in het artikel 4, § 1, vermits werken uitgevoerd door particulieren aan hun eigen woning of omliggende terreinen niet onderworpen zijn aan de uurbeperkingen voorzien in Titel III; dat het niet nuttig is verschillende stelsels te voorzien voor kleine bouwplaatsen, hetgeen het vigerende stelsel enkel nog ingewikkelder zou maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten zich vragen stellen omtrent de gegrondheid van het 3de lid van het artikel 1, dat voorziet dat bouwplaatsen die verantwoord worden door hoogdringendheid en uiterste noodzaak, om het hoofd te bieden aan een onmiddellijk gevaar, in geval van ongeluk, vrijgesteld kunnen worden van de toepassing van Titel III; dat voornoemde lid een overlapping zou zijn met het artikel 135, § 2 van de nieuwe gemeentewet, dat de verplichting inhoudt voor de gemeenten, wat betreft de veiligheid op de openbare weg, om in te staan voor de veiligheid op deze wegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, daar het artikel 135 van de nieuwe gemeentewet inderdaad de gemeenten toelaat in alle omstandigheden de openbare veiligheid te verzekeren, het niet langer nodig is het 3de lid van het artikel 1 van Titel III te behouden; dat het bezwaar wat betreft het inzetten van een milieudeskundige om de burgemeester bij te staan, bijgevolg geen draagwijdte meer heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat zoals sommige reclamanten opmerken, bepaalde bouwplaatsen reeds ingedeeld zijn onder de inrichtingen die onderworpen zijn aan een milieuvergunning; dat men om die reden voorziet dat aparte maatregelen kunnen worden getroffen in het kader van deze vergunningen of als aanvulling van de verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 (definities) Overwegende dat in de mate dat de tekst van het ontwerp gewijzigd wordt om overlappingen te vermijden, sommige definities werden gewijzigd om de draagwijdte van de bepalingen die behouden werden, te verduidelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, zoals de reclamanten het voorgesteld hebben, de termen « bevoegde overheid » vervangen werden door de termen « overheid die de weg beheert »; dat het « bewoond gebied » gedefinieerd werd om aan andere bezwaren, die wel gegrond waren, een antwoord te bieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten een definitie vragen van de werken van openbaar nut;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze term eenduidig is en er dus geen aanleiding is om deze term te definiëren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 (beheer van de bouwplaats) Overwegende dat de verschillende opmerkingen aangaande de rol van de beheerder van de bouwplaats niet langer gegrond zijn vermits deze verplichting enkel nog vereist is voor de bouwheer; dat de bepalingen die de aanduiding voorzien van een beheerder van de bouwplaats en die zijn opdrachten en verplichtingen vastleggen, het voorwerp van het artikel 164 lid 2 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, inderdaad overschrijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant vraagt dat het artikel 3, § 2, zou voorzien dat « op de bouwplaats, tijdens de werkuren en zelfs bij afwezigheid van de werfleider, er permanent een dossier ter beschikking van de bevolking zou blijven. Dit dossier bevat onderhavige reglementering, de afschriften van de milieuvergunning en alle vergunningen verleend aan de bouwplaatsen »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze materie reeds door de vigerende wetgeving inzake stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning wordt geregeld, die de aanwezigheid van de vergunning op de plaats van de bouwplaats verplicht; dat het volledige dossier van de vergunningen bovendien steeds kan worden geraadpleegd bij de gemeentelijke overheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten voorstellen om bepaalde werken, zoals het heien van palen, binnen bepaalde perimeters van het GewOP, te verbieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er, a priori, geen andere bouwtechnieken voorhanden zijn, die minder hinder of overlast voor de buurtbewoners zouden veroorzaken, dan het heien van palen; dat het aan de overheden die belast zijn met de aflevering van de vergunningen toebehoort om te onderzoeken indien in sommige gevallen dergelijke technieken zouden moeten worden verboden of beperkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant voorstelt dat de bouwplaatsen die een verlaging van het grondwaterpeil veroorzaken of het pompen van grondwater impliceren, onderworpen zouden zijn aan een vergunningsstelsel bij het BUV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl artikel 164, 2de lid, geen mogelijkheid voorziet, door gebrek aan een wettelijke basis, voor een dergelijk stelsel van administratieve vergunning; het bezwaar kan bijgevolg niet worden ingewilligd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant de invoering vraagt van de verplichting voor de beheerder van de bouwplaats om met de betrokken vervoermaatschappijen te overleggen en te gelegener tijd hun akkoord te bekomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit bezwaar niet kan worden ingewilligd omdat de termen « moeten overleggen » zonder draagwijdte zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 (uurrooster van de bouwplaats) Overwegende dat reclamanten oordelen dat er geen automatische afwijking toegestaan dient te worden wat betreft het uurrooster van de werken aangaande de gewestwegen en de infrastructuur van het openbaar vervoer, dit dient het voorwerp te zijn van een toelating van de burgemeester; dat andere reclamanten daarentegen menen dat de spoorwegen niet dienen te vallen onder het stelsel van de tijdslimieten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl werken uitgevoerd aan spoorweg-, metro- en tramlijnen in het algemeen minder hinder veroorzaken wanneer ze 's nachts of buiten de normale werkuren uitgevoerd worden, dit omdat het verkeer er minder last van ondervindt, is het bijgevolg aangewezen voor dit type werken een algemene uitzondering in te bouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie meent dat werken uitgevoerd door particulieren aan hun woning evenveel problemen kunnen teweegbrengen voor hun onmiddellijke buren dan belangrijke bouwplaatsen, met name op het vlak van de geluidshinder en dat er bijgevolg geen reden is om deze vrij te stellen van de naleving van het voorziene uurrooster; dat andere reclamanten daarentegen achten dat particulieren die werken uitvoeren aan hun eigen woning dienen vrijgesteld te worden van de verplichting om het door dit reglement vastgelegde uurrooster na te leven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het volstrekte verbod om werken uit te voeren na 19 u. en tijdens het weekeinde onredelijk lijkt wanneer het betrekking heeft op particulieren; terwijl deze laatsten, indien ze een beroepsactiviteit uitoefenen, geen andere mogelijkheid hebben om aan hun woning te werken; terwijl er evenwel dient voorzien te worden dat werken uitgevoerd door particulieren niet onderworpen zijn aan het uurrooster vastgelegd in artikel 4, enekel inzoverre de hinder die ze veroorzaken niet groter is dan normale buurthinder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten opmerken dat de vastlegging van een uurrooster aangaande het begin en het einde van de werken geen rekening houdt met de hinder verbonden aan de installatie van de bouwplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de werkuren de installatie van de bouwplaatsen omvatten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten erop gewezen hebben dat de termijn van drie dagen ontoereikend is om, op gemeentelijk vlak, de aanvragen tot afwijkingen op het uurrooster van de bouwplaatsen te behandelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze opmerking pertinent is zodat de termijn op vijf werkdagen gebracht wordt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten vragen dat de afwijkingen niet zouden toegestaan worden door de burgemeester maar door de minister wanneer het gaat om werken uitgevoerd voor rekening van het Gewest of de Federale Staat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl geen gevolg kan gegeven worden aan dit bezwaar omdat de burgemeester beter geplaatst is om te oordelen of een afwijking gevolgen heeft voor de belangen van de buurtbewoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 (bescherming van de openbare weg) Overwegende dat een reclamant vraagt dat de plaatsbeschrijving van de openbare weg zou kunnen opgemaakt worden op kosten van de aannemer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl enerzijds, tenlasteneming van de kosten voortvloeiend uit de opstelling van de plaatsbeschrijving niet kan geregeld worden door de gewestelijke stedenbouwkundige Verordening en, anderzijds, de bouwheer verantwoordelijk is voor de bouwplaats en het terug in zijn oorspronkelijke staat herstellen van de betrokken plaats achteraf; dat het bijgevolg de taak is van laatstgenoemde om de modaliteiten voor het terug in zijn oorspronkelijke staat herstellen van deze plaats nader te omschrijven in het bijzonder bestek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat reclamanten opmerken dat er zou dienen vastgelegd te worden wie de kosten voor het opstellen van de plaatsbeschrijving dient te dragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de Gewestelijke stedenbouwkundige verordening, zoals hoger vermeld, de juridische verhoudingen tussen de bouwheer en de aannemer niet kan vastleggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat andere reclamanten willen dat er vermeld wordt voor welke bouwplaatsen er een plaatsbeschrijving dient opgesteld te worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze waarneming niet pertinent is in de mate dat de bouwheer ten allen tijde kan weigeren een plaatsbeschrijving op te maken wanneer de oorspronkelijke staat geacht wordt de goede te zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie voorstelt dat de bouwheer een bankwaarborg zou stellen om het terug in zijn oorspronkelijke staat te herstellen van het openbaar domein na de werken te waarborgen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de stelling van een borgtocht reeds opgenomen werd in de ordonnantie van 8 maart 1998 betreffende de co\"rdinatie van werken op de openbare weg; dat in het geval van werken op de openbare weg die niet vallen onder de ordonnantie van 8 maart 1998 en van werken buiten de openbare weg die toch gevolgen hebben voor deze laatste, de stelling van een borgtocht bestemd om de verplichting van het terug in hun oorspronkelijke staat herstellen van de plaatsen te dekken, niet wenselijk is omdat dit de kleine aannemers in moeilijkheden kan brengen; dat de verschillende verplichtingen opgenomen in de verordening die strafrechtelijk bestraft worden een voldoende bescherming bieden voor de openbare ruimte zonder dat hieraan een bankwaarborg dient toegevoegd te worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten erop wijzen dat het beter zou zijn een beschermde zone met een afstand van twee meter op twee meter vast te leggen rond de bomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een specifieke beschermde zone niet onontbeerlijk lijkt gelet op het feit dat de wortels van de bomen met passend materiaal beschermd dienen te worden; dat deze bepaling het graven van sleuven in de perimeter van de te beschermen wortels van de bomen uitsluit; dat er in artikel 5 bovendien uitdrukkelijk bepaald wordt dat bepaalde werkzaamheden verboden zijn in de nabijheid van bomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, zoals gevraagd door verschillende reclamanten de tekst van artikel 5 § 4 verbeterd werd teneinde de vegetatie, het stadsmeubilair, de openbare verlichting en de signalisatie te verbeteren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie meent dat een onderscheid tussen de bouwplaatsen van geringe omvang en de andere bouwplaatsen wenselijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het criterium van de geringe omvang van de bouwplaats onnauwkeurig en ongeschikt is voor het doel van de verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de min of meer grote hinder van een bouwplaats veroorzaakt kan zijn door zowel de duur, de inname van de openbare weg, de bijzondere aard van de werken, de manier waarop ze gebeuren, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in plaats van een algemene vrijstelling voor één welbepaald soort werken, het wenselijk is elke verplichting waarin voorzien is in de verordening te behandelen en eventueel bepaalde bouwplaatsen vrij te stellen in functie van een criterium dat is aangepast aan de aard van de verplichting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het de taak is van de gemeenten of andere beheerders van de openbare weg die wordt ingenomen om hun goedkeuring eventueel te laten afhangen van de betaling van een bijdrage als tegensprestatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7 nieuw (omheining) Overwegende dat een reclamant opmerkt dat er afwijkingen voorzien dienen te worden voor bouwplaatsen die zich door hun lengte onderscheiden van andere;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl inzoverre de werken op de openbare weg, met inbegrip van de eerder vermelde bouwplaatsen, afgebakend dienen te worden door een omheining, niet passend is om toe te staan dat er materialen zouden opgeslagen worden buiten de door deze omheining afgebakende ruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 nieuw (omgeleide doorgang) Overwegende dat de Commissie de volgende tekst voorstelt : « In het geval dat een bouwplaats met een voorziene duur van meer dan 48 uur de breedte van de vrije doorgang vrij van enige hindernis tot minder dan 2 m vermindert, moet er een omgeleide doorgang worden aangelegd voor de aanvang der werken. »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze tekst niet in aanmerking komt omdat hij niet verduidelijkt dat het slechts gaat om een doorgang voor voetgangers en dat het tegenstrijdig is om te voorzien in de verplichting tot een omgeleide doorgang wanneer de breedte tot minder dan 2 meter is teruggebracht terwijl de breedte van de omgeleide doorgang zelf 1,5 meter kan zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat aangaande de bouwplaatsen op de openbare weg, de Commissie de volgende tekst voorstelt : « In het geval een bouwplaats op de openbare weg de vrije doorgang vrij van iedere hindernis, vermindert tot 2 m, moet er een omgeleide doorgang worden aangelgd voor de opening van de bouwplaats (kenmerken : cf. artikel 56). Indien dit onmogelijk blijkt dan moet er minstens een alternatieve vrije doorgang worden voorzien. Deze doorgang enz. » Terwijl deze formulering niet in aanmerking komt om voornoemde redenen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat sommige reclamanten zich vragen stellen bij de bescherming van de slechtzienden wanneer het voetgangersverkeer omgeleid dient te worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er, met het oog op de bescherming van de slechtzienden, specifieke maatregelen uitgevaardigd werden voor de omgeleide doorgangen van bouwplaatsen (bescherming tegen het autoverkeer door schuttingen, stabiele en antislip vloerbedekkingen, hellend vlak, Y);</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 nieuw (opslagverbod op de openbare weg) Overwegende dat sommige reclamanten vragen om materialen te mogen opslaan op de openbare weg, buiten het terrein van de bouwplaats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze vraag niet ingewilligd kan worden omdat er, om veiligheidsredenen, geen materiaal op de openbare weg mag opgeslagen worden, behalve bij de levering van materiaal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegere artikelen 14 tot 50 Overwegende dat reclamanten opmerkingen gemaakt hebben over de behandeling van afval en elektrische installaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze opmerkingen niet langer pertinent zijn omdat de bepalingen van het ontwerp aangaande deze materie ingetrokken werden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegere hoofdstuk III inzake de werken buiten de openbare weg (vroegere artikelen 52 tot 54) Overwegende dat sommige reclamanten wensten dat er een artikel bijgevoegd werd tot vaststelling van de doelstellingen nagestreefd door Titel III betreffende werken buiten de openbare weg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de algemene doelstellingen vastgelegd zijn in artikel 3 van Titel III;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegere hoofdstukken over de werken buiten de openbare weg (vroegere artikelen 55 tot 58) Overwegende dat een waarnemer vraagt om aan het hoofdstuk betreffende werken buiten de openbare weg een lid toe te voegen dat bepaalt dat « elke vergunningsaanvraag voor werken op de openbare weg voorgelegd dient te worden aan de (erkende) overheidsinstantie belast met de planning aangaande werken op de openbare weg. Vooraleer de vergunning toe te kennen, zal deze instantie moeten nagaan wanneer de laatste werken op de betrokken plaats uitgevoerd werden en of er op korte of middellange termijn andere projecten gepland zijn »;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze kwestie het voorwerp is van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de co\"rdinatie en de organisatie van de werken op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat het bijgevolg niet nuttig is om de vergunningsprocedure uit te breiden tot de werken op de openbare weg waarop deze reglementering geen betrekking heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat een reclamant vraagt dat de voorschriften betreffende de werken op de openbare weg uit de GSV zouden gehaald worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de Regering daarentegen oordeelt dat de algemene bepalingen over het beheer van werken, met name deze met betrekking tot de contradictoire plaatsbeschrijving en de tijdslimieten voor werken, van toepassing moeten zijn op de werken op de openbare weg op voorwaarde dat die niet reeds vallen onder de ordonnantie van 5 maart 1998 en haar uitvoeringsbesluit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk III : wijzigingen en overgangsbepalingen Overwegende dat een reclamant het gebruik van de termen « bouwplaatsen die al operationeel zijn » in artikel 15 (nieuw) bekritiseert omdat deze formulering geen rekening houdt met de voorbereidingen en met name met de vergunningen om werken uit te voeren op de wegen en met de contacten gelegd met de concessiehoudende maatschappijen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze klacht niet in aanmerking kan genomen worden omdat Titel III van toepassing is op alle bouwplaatsen wier werken nog niet aangevat werden;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. 4. Titel IV betreffende de toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit Overwegende dat de Commissie voorstelt om in titel IV te voorzien dat in ieder nieuw gebouw met meerdere woningen per 20 woningen, één appartement is voorzien dat beantwoordt aan de normen van titel IV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de binnenhuisinrichting van een woning precies moet beantwoorden aan alle verwachtingen van de persoon met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze verwachtingen verschillen van persoon tot persoon en van handicap tot handicap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het, om deze redenen, wenselijk is dat de persoon met beperkte mobiliteit zelf zorgt voor de inrichting van de privé-gedeelten van het gebouw omdat deze op ieder tijdstip kan gebeuren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het van groot belang is dat de toegang tot het gebouw en tot de gemeenschappelijke gedeelten verzekerd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, volgens de Commissie, hoofdstuk V betreffende de uitrustingen melding zou moeten maken van de kenmerken van de ramen, de hoogte van de vensterhendels, van de radiatoren,...;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl titel IV niet in een dergelijke precisiegraad wil treden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hij in hoofdzaak de toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit wil verzekeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze toegankelijkheid afdoende gewaarborgd wordt door de bepalingen van titel IV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie betreurt dat de tekst voornamelijk betrekking heeft op de motorisch gehandicapten en niet slechtzienden of slechthorenden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl vooral de motorisch gehandicapten problemen kunnen ondervinden om zich toegang te verschaffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verplaatsingen van de slechtzienden of slechthorenden zeker kunnen worden vergemakkelijkt en veiliger gemaakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit soort maatregelen evenwel niet het hoofddoel van titel IV vormen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Overwegende dat, volgens de Commissie, titel IV de kwestie van de toepassing van titel IV in geval van verbouwing van een bestaand gebouw op een te bondige wijze regelt, vooral als dit het voorwerp heeft uitgemaakt van een beschermingsmaatregel of in geval van werkzaamheden in het kader van een veel ruimer en nog onaangepast net (zoals dat van de metro);</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl titel IV niet van toepassing is als de werken het bestaand gebouw niet wijzigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, in het geval van een beschermd gebouw, de verbouwingswerken die het gebouw wijzigen zich moeten richten naar zowel titel IV als naar de reglementering die van toepassing is op het behoud van het erfgoed;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed thans zeker niet alle werken aan beschermde gebouwen verbiedt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het feit dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zich uitspreekt over de geplande werken, a priori niet verhindert dat de werken conform titel IV zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat titel IV een voorlopige oplossing biedt voor de aanpassing van het metronet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het eenvormig maken van alle metrostations in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest thans niet op korte termijn kan worden beoogd omwille van de omvang van de werken die dit met zich zou brengen en omwille van de kostprijs ervan (installatie van aangepaste roltrappen in beide richtingen of liften, aanpassing van de perrons, van de voertuigen,...);</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit gegeven er evenwel niet mag toe leiden dat de metrostations buiten het toepassingsgebied van titel IV zouden vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de bestaande metrostations aangepast kunnen worden als er verbouwingswerken worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de bouw van nieuwe stations in overeenstemming met titel IV moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de aangepaste stations aangeduid en in een lijst opgenomen kunnen worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat aldus het hele metronet op termijn geleidelijkaan toegankelijk zal worden voor personen met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, bij de verbouwing van een enkele verdieping van een gebouw dat toegankelijk is voor het publiek, het paradoxaal is dat deze verdieping vanaf het gelijkvloers niet toegankelijk is, terwijl deze verdieping zelf in overeenstemming moet zijn met titel IV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze paradox er evenwel niet mag toe leiden systematisch de eenvormigmaking van het volledig openbaar gebouw te eisen wanneer verbouwingswerken uitgevoerd zouden worden op één enkele verdieping;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de eenvormigmaking niet altijd mogelijk zal zijn omwille van de kostprijs en de omvang van de werken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit gegeven evenwel evenmin de loutere onttrekking van de verbouwingswerken aan het toepassingsgebied van titel IV kan verantwoorden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hier eveneens realistischer is te voorzien in een geleidelijke eenvormigmaking met de bestaande gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie zich afvraagt of de kwestie aangaande de toegang tot de naaste omgeving van de bouwwerken voor gehandicapten niet aan bod zou moeten komen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de toegang tot het gebouw zelf behandeld wordt in hoofdstuk II van titel IV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de toegang tot de omgeving van het gebouw in werkelijkheid betrekking heeft op de eenvormigmaking van de openbare ruimte met de verplaatsingen van de personen met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze aangelegenheid niet geldt voor de ontwerpers, constructeurs of bouwheren die meewerken aan de bouw van een in titel IV bedoeld gebouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit aspect logischerwijze meer thuishoort in titel VII van de verordening betreffende de wegen, de toegang ernaar en de omgeving ervan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat titel IV van toepassing zou moeten zijn op alle soorten gebouwen die toegankelijk zijn voor werknemers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een groot aantal gebouwen toegankelijk is voor de werknemers, van kleinhandelaar tot ambachtelijk bedrijf, of voor de zetels van KMO's of grotere ondernemingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de eis dat alle gebouwen toegankelijk zouden zijn voor personen met beperkte mobiliteit, een te grote beperking vormt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een bepaald aantal banen ondanks alles ontoegankelijk zullen blijven voor personen met beperkte mobiliteit wegens de onoverkomelijke functionele belemmeringen en dat, in deze context, het systematisch toegankelijk maken niet verantwoord is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat blijvende inspanningen moeten worden geleverd om personen met beperkte mobiliteit nog meer tot de arbeidsmarkt toe te laten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het evenwel wenselijk is deze doelstelling te bereiken via maateregelen ter bevordering van de tewerkstelling van werknemers met beperkte mobiliteit in plaats van systematisch dwangmaatregelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat, volgens de Commissie, ook andere « voor het publiek toegankelijke gebouwen » onder de verordening moeten vallen, namelijk de polyklinieken en medische huizen, stembureaus, biljettenverdelers, bovengrondse haltes van het openbaar vervoer,..;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de polyklinieken en medische huizen bedoeld zijn in artikel 1, § 3, 6°;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de stembureaus doorgaans ondergebracht zijn in scholen, bedoeld in artikel 1, § 3, 12°;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de biljettenverdelers eveneens bedoeld zijn, met name in artikel 15;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de toegankelijkheid van bovengrondse haltes van het openbaar vervoer voor personen met beperkte mobiliteit de aanleg van een toegangshelling (hellend vlak) in de openbare ruimte veronderstelt en dat het openbaar vervoermiddel precies op de gewenste plaats halt houdt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de voertuigen zelf moeten worden aangepast;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de plaatsing van een rolstoel in een bus, zonder dat die aan de bodem bevestigd is, misschien niet geheel veilig is bij een bruusk remmanoeuver of schok;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat gezien de risico's van het bovengronds verkeer, het bijna onmogelijk is om dit systeem in te voeren, en de nodige investeringen buiten verhouding staan tot de baten die de mogelijke gebruikers erbij zouden hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bovendien de toegangshelling, die een hindernis op het voetpad vormt en die uitgeeft op de weg, gevaar kan opleveren voor de voorbijgangers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegangshelling Overwegende dat een maximumhelling van 12% op een stuk van 0,5 meter als onpraktisch wordt beschouwd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een hoogteverschil van 6 cm over een afstand van 50 cm gemakkelijk te overschrijden is, rekening houdend met een mogelijke aanloop;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegangsdeur Overwegende dat de Commissie erop wijst dat een deurblad van 0,83 meter breed daarom nog niet een daadwerkelijke doorgang van die afmeting mogelijk maakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de tekst van titel IV een vrije doorgang van 0,93 meter garandeert, los van de breedte van het deurblad of andere factoren (wijdte van de opening, deurdikte,...) Overwegende dat de Commissie meent dat een nieuwe paragraaf zou moeten voorzien in de plaatsing van bellen en parlofoons op gelijke hoogte als voor de liftknoppen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de bellen en parlofoons voor het hele publiek bruikbaar moeten blijven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat andere inrichtingen worden voorgesteld zoals deurklinken die een goede grip toelaten en een horizontale staaf om deze te sluiten, tapijten waarop het mogelijk is zetels met wieltjes te verplaatsen, de bediening van deuren door een vloercontact voor een gewicht 20 kg (blindegeleidehond), een vrije ruimte voorzien van 60 cm, naast de deur aan de kant van de deurklink;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze inrichtingen te gedetailleerd zijn en niet wezenlijk bijdragen tot de toegankelijkheid van het gebouw voor personen met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de minimumvereisten voor toegankelijkheid voor het publiek met inbegrip van de personen met beperkte mobiliteit niet mogen worden verward met de gespecialiseerde inrichtingen die het comfort van de verplaatsingen binnenin het gebouw kunnen verbeteren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerterreinen Overwegende dat de Commissie vindt dat het tevens wenselijk is een minimumlengte voor de parkeerplaats te voorzien omdat bepaalde gebruikers - vervoerde personen - het voertuig verlaten via een lift aan de achterzijde;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dat soort manoeuvers altijd mogelijk is zonder dat rekening moet worden gehouden met de lengte van parkeerplaats behalve ingeval van een rij parkeerplaatsen achter elkaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gangen Overwegende dat de Commissie en sommige reclamanten menen dat gangen dienen uitgerust te worden met een leuning aan iedere zijde om de verplaatsing te vergemakkelijken van personen met evenwichtstoornissen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze uitrusting niet onontbeerljk is voor de toegankelijkheid van het gebouw en dat het merendeel van de personen met beperkte mobiliteit beschikt over het nodige materieel om zich zelfstandig te verplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende de Commissie andere inrichtingen voorstelt : een structurele wijziging op de vloer om de deuren, liften en trappen aan te geven, een goede reglementaire en niet verblindende verlichting, materialen die de akoestische weerkaatsing verhinderen, een verticale vrije ruimte van meer dan 2 m en de hindernissen die op meer dan 30 cm van de grond worden geplaatst voorzien van een detectiesysteem voor slechtzienden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl ook hier deze inrichtingen te gedetailleerd zijn en niet wezenlijk zijn voor de toegankelijkheid van het gebouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vraagt dat de normen voor liften zouden overeenkomen met deze van het Algemeen reglement op de arbeidsbescherming;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl er geen enkele tegenstrijdigheid tussen die normen vervat zit en het reglement en de verordening tegelijk nageleefd kunnen worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toiletten en andere uitrustingen Overwegende dat de Commissie meent dat de deur breder zou moeten zijn, met automatische sluiting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl een vrije doorgang van 0,93 meter, dezelfde als die van de toegangsdeur, voldoende is en een automatische sluiting niet in alle omstandigheden geschikt is, de veiligheid in het gedrang kan brengen en niet onontbeerlijk is voor het gebuik van de toiletten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat volgens de Commissie de toegang tot het toilet voorzien moet worden via een laterale of schuine doorgang, links en rechts; verder moeten bepaalde gehandicapten zich behelpen met een doorgang langs voor;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de toegankelijkheid via alle kanten moeilijk kan worden opgelegd omwille van de plaats die hiervoor vereist is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat schets nr.3 een toegankelijkheid onder een hoek van 270° (langs voor, schuin, lateraal) mogelijk maakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat die normen in principe voldoen aan de gemeenschappelijke behoeften van de meerderheid der personen met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie vraagt dat Titel IV zou verduidelijken wat de eisen zijn inzake de inrichting van de toegangsweg tot deze uitrustingen (toiletten, douchecellen,...) zodanig dat deze gemakkelijk toegankelijk zijn voor personen met beperkte mobiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het verkeer binnenin het gebouw uitdrukkelijk geregeld wordt in hoofdstuk IV;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, als een uitusting speciaal ontworpen is voor personen met beperkte mobiliteit, het gebouw binnen vanzelfsprekend ook toegankelijk moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing in de tijd Overwegende dat volgens de Commissie het criterium van de « indiening » van de aanvraag niet zo precies is en dat het criterium van de datum van het ontvangsbewijs van het volledig dossier voor de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag de voorkeur moet genieten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het ontvangstbewijs laattijdig kan worden afgeleverd of zelfs helemaal niet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het derhalve wenselijk is te verwijzen naar de feitelijke indiening, bewezen door een bewijs van indiening of door het ontvangstbewijs in geval van een aangetekende verzending;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat wat de werken van geringe omvang betreft, de Commissie voorstelt om het criterium te nemen dat van toepassing is op het vlak van het vervallen van de stedenbouwkundige vergunningen, namelijk de eis dat met de werken reeds duidelijk een aanvang werd gemaakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl dit laatste criterium moeilijk te hanteren is voor werken van geringe omvang die doorgaans weinig tijd in beslag kunnen nemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in een dergelijk context de hypothese van een fictieve aanvang van de werken om de toepassing van de verordening te omzeilen weinig waarschijnlijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. 5. Titel V betreffende de thermische isolatie van gebouwen Overwegende dat een reclamant zich vragen stelt bij de opportuniteit om de bepalingen van Titel V op te leggen aan oude gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl het toepassingsgebied van de titel aangaande de therminsche isolatie van gebouwen beperkt is tot de handelingen en werken bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie meent dat het niet aangewezen is de thermische isolatie van gebouwen te reglementeren zonder daarbij in het raam van een globale benadering rekening te houden met de problemen op het vlak van ventilatie en geluidsisolatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl titel V betreffende de thermische isolatie van gebouwen de verbintenissen die voor de Belgische staat voortkomen uit richtlijn 93/76/EEG van 13 september 1993 houdende beperking van de koolstofdioxide-emissies door de verbetering van de energie-efficiëntie, naar Belgisch recht omzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze ecologische bekommernis in wezen geen enkel verband houdt met de problematiek omtrent het geluid of de ventilatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een reeks normen daarenboven reeds een correcte ventilatie van gebouwen opleggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de problematiek van de ventilatie voor woningen aldus besproken wordt in artikel 12 van hoofdstuk III van titel II van de verordening, dat stelt dat alle lokalen moeten voldoen aan de geldende ventilatienormen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de bepalingen van het algemeen reglement op de arbeidsbescherming (regentbesluit van 11 februari 1946) voorts onder meer normen bevatten aangaande de ventilatie van de lokalen (artikelen 56 tot 58) en de hygiëne in de kantoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de coëfficiënten van de k-waarde en het K-peil vastgelegd werden, rekening houdend met de nood aan ventilatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het om deze redenen niet noodzakelijk blijkt in dit stadium de verordening aan te vullen met meer gedetailleerde ventilatienormen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat voor de geluidsisolatie, die betrekking heeft op het comfort van personen, een aparte reglementering kan worden uitgewerkt los van de thermische isolatie, inzoverre materialen voor een degelijke thermische isolatie in het algemeen geen schade berokkenen aan de geluidsisolatie van het gebouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een eventuele reglementering inzake de geluidsisolatie van gebouwen voorafgegaan moet worden door een studie naar de gepaste technieken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ten aanzien van voormelde Europese richtlijn en de onbetwistbare voordelen van een degelijke thermische isolatie op het vlak van de ernergiebesparing deze materie daarentegen zo vlug mogelijk moet worden gereglementeerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat om voornoemde redenen de inwerkingtreding van titel V van het ontwerp van GSV niet mag worden uitgesteld in afwachting van een reglementering van de geluidsisolatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie wenst dat de verordening andere belangrijke bouwnormen opneemt, met name de normen aangaande de sanitaire installaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze normen los staan van de thermische isolatie van gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening zich niet als doel stelt alle regels van de kunst en de normen die in het algemeen van toepassing zijn op bouwwerken, op te nemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de aannemers en architecten, krachtens het gemeenrecht van het bedrijfscontract en de deontologische regels, de regels van de kunst moeten eerbiedigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verplichte eerbiediging van deze normen via een administratief beleid niet zou bijdragen tot de doeltreffendheid ervan, te meer daar zij aangepast moeten worden in functie van de evolutie der technieken en vereisten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie wil dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een initiatief neemt om de kwaliteit van de ventilatie in oudere woningen te verbeteren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl deze toch wel zorgwekkende problematiek niet valt onder de handelingen en werken die zijn bedoeld in artikel 84 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, waarin de gewestelijke stedenbouwkundige verordening kadert, maar onder de veiligheid van vroeger bestaande woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de gewestelijke stedenbouwkundige verordening niet zomaar kan verplichten om in oude woningen werken uit te voeren voor een betere ventilatie; slechts voor de werken die worden uitgevoerd op initiatief van de eigenaar of van de ontwerper kan de verordening hen bepaalde normen opleggen wat betreft het doel van de werken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit laatste aspect behandeld wordt in Titel II van de verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie wenst dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in een streven naar eenvoudigere en rationelere normen, de reglementering en de tabel van de door het Waals Gewest in aanmerking genomen kmax, overneemt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl de tabel van de kmax-waarden in bijlage 1 van titel V die rechtstreeks geïnspireerd is op norm NBN B62 - 002 waarnaar de Waalse reglementering eveneens verwijst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat behoudens de normen die van toepassing zijn op de ramen en andere doorschijnende wanden, die strenger zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (2,5) dan in het Waals Gewest (3,5), de tabel van de kmax-waarden identiek is in beide Gewesten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de normen die van toepassing zijn in beide Gewesten, met inbegrip van de formulieren die moeten worden ingevuld door de vergunningsaanvrager en de architect, gelijkaardig zijn, behalve dat er voor het Brussels Gewest geen precieze ventilatienormen bestaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de Commissie van oordeel is dat voor de vele oude gebouwen in Brussel de enige positieve actie voor een betere thermische isolatie kan gebeuren door een vervanging van de ramen en dat het dus zeer relevant is om verschillende eisen te stellen - en strengere dan deze die worden opgelegd door de Waalse reglementering - voor de kmax-waarde van de ramen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de Commissie de volgende waarden voorstelt; - Voor de renovatie van bestaande gebouwen : een kmax coëfficiënt = 2,5 W/m2 K - Voor nieuwbouw : een kmax coëfficiënt = 2,0 W/m2 K Terwijl de normen in de verordening strenger zijn dan diegene die in het Waals Gewest bestaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de kmax coëfficiënt van 2,0 W/m2 K bereikt wordt dankzij de dubbele beglazing met « hoog rendement », die bijna 1000 BEF per m2 meer kost dan de andere materialen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze meerkost prohibitief kan zijn en het derhalve niet aangewezen is om voor nieuwbouw systematisch een kmax-coëfficiënt van 2,0 W/m5 K op te leggen;</p></div>", "next": 239637}