{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De bescherming van nesten is een continuering van het bepaalde in artikel 3, tweede lid van het K.B. van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest, : « Het is eveneens verboden nesten van de vogels die onder de toepassing van dit besluit vallen opzettelijk [...] weg te nemen of te vernielen. », waarbij artikel 2, tweede gedachtenstreepje, definieert : « nesten : bewoonde of in aanbouw zijnde nesten; ». De uitbreiding naar nesten die in de regel jaar na jaar tijdens het broedseizoen hergebruikt worden volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie waarin wordt gesteld dat de bescherming van onder meer nesten niet beperkt is in de tijd, maar dat een ononderbroken bescherming nodig is gezien het feit dat heel wat vogelsoorten hun nesten elk jaar hergebruiken (24).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 15 Het opzet van dit artikel is om, op vergelijkbare manier als in artikel 11, een belangrijke uitzondering aan te brengen bij de onder vorig artikel ontwikkelde verbodsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe worden, met betrekking tot soorten van categorie 1 van Bijlage 1, de handelingen vrijgesteld die stroken met de planologische bestemming van het perceel waarop de handeling plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit ligt bij artikel 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving situeert zich hierin dat deze mildering niet van toepassing is op de soorten die door de Vogel- en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als soorten van communautair belang : soorten aangevinkt in de categorieën 2 en 3 van Bijlage 1. Ten aanzien van soorten van categorie 3 moet er zelfs een verbod ingesteld worden met betrekking tot onopzettelijke vernietiging van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Afwijkingen van dit beschermingsprincipe kunnen dan ook enkel plaatsvinden onder de strengere voorwaarden zoals bepaald in onderafdeling 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als verdere toelichting bij het tweede lid van artikel 15 kan er verwezen worden naar de toelichting bij de gelijkaardige bepaling onder artikel 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Verbodsbepalingen betreffende middelen, installaties en methoden voor het doden of vangen van dieren Het opzet van deze onderafdeling is te komen tot een verbod op het gebruik van een aantal middelen, installaties en methoden voor het doden of vangen van dieren die niet-selectief zijn, onnodig leed veroorzaken, of kunnen leiden tot grootschalige doding. Het lijkt in eerste instantie, op basis van de tot nu toe besproken bepalingen van het besluit, enigszins overbodig om dergelijke middelen, installaties en methoden te gaan verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 1 heeft immers het doden of vangen van beschermde soorten uitdrukkelijk verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn echter goede redenen waarom een verbod op bepaalde vangst- en dodingspraktijken nog steeds nuttig en noodzakelijk is, los van het feit dat de Lidstaten er op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn toe verplicht worden om het op te leggen. Met name laat het besluit verderop toe dat er, om bepaalde redenen en onder bepaalde voorwaarden, afwijkingen worden toegestaan op het beschermingsregime. Die afwijkingen kunnen onder meer het doden of het vangen van specimens van beschermde dieren inhouden. In gevallen waar dergelijke afwijkingen worden toegestaan mag er, gelet op de inhoud van artikel 16, geen gebruik worden gemaakt van de verboden middelen, installaties en methoden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 16 Het opzet van dit artikel is, zoals uiteengezet, om een verbod in te stellen op het gebruik van vangstmethoden, middelen, installaties en vervoermiddelen die leiden tot een massale of niet-selectieve doding van dieren, of een doding waar onnodig leed mee gepaard gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er verwezen naar Bijlage 2, A, waarin er een reeks verboden middelen, installaties en methoden wordt opgesomd; naar Bijlage 2, B, waarin er een reeks verboden vervoermiddelen wordt opgesomd; en naar Bijlage 2, C, waar middelen worden opgesomd die men niet in bezit mag hebben of mag verhandelen. Bovendien worden alle andere middelen, installaties of methoden verboden die van een aard zijn om dieren te vangen of te doden op een massale of niet-selectieve wijze, of om bij dat vangen of doden vermijdbaar leed te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich onder meer bij de afwijkingsregeling onder artikel 19 en volgende (systeem van afwijkingstoekenning). Bij de afwijkingsregelingen onder artikel 24 en volgende (soortenbehoud), onder artikel 28 en volgende (soortenbeheer) en onder artikel 35 (ten behoeve van erkende opvangcentra) wordt er geen generieke afwijking geïntroduceerd die betrekking heeft op de vangstmethoden en -middelen - wat wil zeggen dat eventuele afwijkingen met betrekking tot methoden in voorkomend geval telkens afzonderlijk moeten aangevraagd worden volgens de regeling van artikel 19 en volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met de Europese regelgeving is dat de in dit artikel ontwikkelde verbodsbepalingen er op gebaseerd zijn. - Artikel 8.1. van de Vogelrichtlijn legt op : « Wat de jacht op en de vangst of het doden van vogels in het kader van deze richtlijn betreft, verbieden de Lidstaten het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, sub a), genoemde middelen. » en artikel 8.2. voegt er aan toe : « Bovendien verbieden de Lidstaten elke achtervolging met behulp van de in bijlage IV, sub b), genoemde vervoermiddelen op de in die bijlage omschreven wijze. » - Artikel 15 van de Habitatrichtlijn legt op : « Wat betreft het vangen of doden van in bijlage V, letter a), genoemde wilde diersoorten verbieden de Lidstaten, in gevallen waarin overeenkomstig artikel 16 afwijkingen worden toegepast voor het aan de natuur onttrekken, het vangen of het doden van de in bijlage IV, letter a), genoemde soorten, alle niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van de populaties van deze soorten tot gevolg kunnen hebben, en in het bijzonder : (a) het gebruik van de middelen voor het vangen en het doden die worden genoemd in bijlage VI, letter a); (b) elke vorm van vangen en doden vanuit de in bijlage VI, letter b), genoemde vervoermiddelen. ». - In Bijlage IV.a) van de Vogelrichtlijn en Bijlage V.a) van de Habitatrichtlijn worden de middelen vermeld die op basis van deze respectievelijke artikelen worden verboden. Deze bijlagen werden gesynthetiseerd in Bijlage 2.A van het besluit. De inhoud van Bijlage 2.B is een combinatie van Bijlage IV.b) van de Vogelrichtlijn en Bijlage V.b) van de Habitatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdere toelichting moet gegeven worden bij : - Artikel 16, § 1, tweede lid. Omdat de opsomming van verboden dodingsmethoden en -middelen steeds het gevaar kent onvolledig te zijn, worden ook alle andere middelen, installaties en methoden verboden, die niet-selectieve of massale effecten kunnen teweegbrengen, of die een vermijdbaar leed veroorzaken bij de dieren die er door getroffen worden. Er zijn diverse redenen waarom deze middelen, installaties en methoden worden verboden : het feit dat ze niet selectief zijn en een te massale impact kunnen hebben en dat ze behalve de dieren die men beoogt te bestrijden ook nog veel andere onbedoelde slachtoffers kunnen maken, en het feit dat ze vermijdbaar leed kunnen veroorzaken bij de getroffen dieren. - In Bijlage 2.C worden er een aantal middelen vermeld waarvan het louter in bezit te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen, te koop aan te bieden of in ruil aan te bieden, wordt verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling vormt een continuering van artikel 9, § 2 van het Koninklijk Besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest (25). De verboden tuigen zijn vogelvangstnetten en vogelvangstkooien. Deze tuigen zijn, in tegenstelling tot de meeste andere verboden middelen die zijn opgenomen in Bijlage 2.A, voor niets anders te gebruiken dan voor het massaal vangen van vogels. Het op heterdaad betrappen van personen die zich bezig houden met illegale vogelvangst is geen sinecure. Het gegeven dat er ook een verbod wordt ingesteld op het loutere onder zich hebben van deze tuigen, verhoogt de pakkans aanzienlijk. Vogelvangst is immers een onderwerp dat reeds decennia lang behoorlijk gevoelig ligt in Vlaanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat dit in het Koninklijk Besluit van 1981 uitdrukkelijk werd geregeld, had te maken met het destijds welig tieren van de illegale vogelvangst in Vlaanderen. Tegenwoordig mag worden aangenomen dat dit een in omvang tanende bezigheid is, maar niettemin zijn er aanwijzingen dat dit hoegenaamd nog niet tot het verleden behoort. Daarom wordt het dan ook opportuun geacht om dit verbod te handhaven en over te nemen in dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5. - Verbodsbepalingen betreffende het introduceren van dieren en planten in het wild Toelichting bij artikel 17 Het opzet van dit artikel is een principieel verbod te vestigen op de introductie van dieren of planten in het wild.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe worden opzettelijke introducties verboden. Hieraan wordt onmiddellijk een uitzondering verbonden, met name ten aanzien van de introductie van inheemse soorten die worden gebruikt met het oog op biologische bestrijding en bestuiving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich bij artikel 1, 1° (definitie van « soort »), artikel 1, 12° (definitie van « introduceren in het wild »), artikel 18 (een tweetal algemene vrijstellingen), artikel 21 en 22 (afwijkingen die toegestaan kunnen worden met betrekking tot het introduceren van soorten of ondersoorten), bij artikel 26 (afwijking met betrekking tot introductie van inheemse, beschermde soorten, in het kader van soortenbehoud) en bij artikel 36 (vrijlatingsregeling met betrekking tot erkende opvangcentra).</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de Europese regelgeving moet gewezen worden op artikel 11 van de Vogelrichtlijn : « De Lidstaten zien erop toe dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de Lidstaten geen enkele schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna. Zij plegen hieromtrent overleg met de Commissie. » Ook moet er gewezen worden op artikel 22 van de Habitatrichtlijn : « Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de Lidstaten : (a) na te gaan of herintroductie van de inheemse soorten van bijlage IV wenselijk is, wanneer die kan bijdragen tot de instandhouding van die soorten, op voorwaarde dat een onderzoek, waarbij ook rekening wordt gehouden met de ter zake in andere Lidstaten of elders opgedane ervaring, heeft uitgewezen dat die herintroductie een doeltreffende bijdrage is tot het herstel van een gunstige staat van instandhouding voor die soorten en eerst na passende raadpleging van de belanghebbenden plaatsvindt; (b) erop toe te zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een soort die op hun grondgebied niet inheems is, zodanig aan voorschriften wordt gebonden dat daardoor geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of aan de inheemse wilde flora en fauna, en een dergelijke introductie te verbieden indien zij zulks nodig achten. De resultaten van de verrichte evaluaties worden ter informatie aan het comité gezonden; ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : deze verbodsbepaling vormt een continuering en uitbreiding van het gelijkaardige verbod uit het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 1993 betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse soorten. Artikel 2, eerste zin, van dat besluit luidt : « De introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten is verboden, ».</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe wordt nu evenwel de opzettelijke introductie van alle soorten in de vrije natuur verboden. Nu gaat het dus niet enkel over uitheemse, maar ook over inheemse diersoorten, en tevens niet enkel over alle diersoorten, maar ook over plantensoorten en andere organismen die onder het toepassingsgebied vallen van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn goede redenen om in beginsel uit te gaan van een verbod. Wat uitheemse soorten betreft is genoegzaam bekend wat de impact kan zijn van het onoordeelkundig in de vrije natuur brengen van soorten die hier van nature niet voorkomen. Los van het feit dat het gaat om faunavervalsing blijken een aantal van de in onze natuur terecht gekomen soorten een significante impact te hebben op economische belangen, op ecologische evenwichten, of zelfs op de openbare veiligheid. Typische voorbeelden uit het verleden zijn : de Muskusrat (dijkbedreigende graafwerken), de Canadese gans (landbouwschade, vermesting, impact op inheemse watervogels) en het Aziatisch lieveheersbeestje (sterke impact op inheemse lieveheersbeestjes). De les is dat er heel voorzichtig moet worden omgesprongen met het in de vrije natuur terecht laten komen van uitheemse soorten. Ook uitheemse plantensoorten kunnen een negatieve impact hebben op hun omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Typische voorbeelden uit het verleden zijn : Grote waternavel (impact op waterlopen) en Amerikaanse vogelkers (impact op bosecosystemen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vandaar dat het principiële introductieverbod uitgebreid wordt tot uitheemse plantensoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat inheemse soorten betreft bestond er tot nog toe in de Vlaamse regelgeving geen introductieverbod, behalve in de jachtwetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onoordeelkundig uitgevoerde introducties van inheemse soorten kunnen echter in bepaalde omstandigheden bijna even negatieve gevolgen hebben als introducties van uitheemse soorten. - Er zijn bvb. nogal wat soorten die diverse ondersoorten kennen; bij het introduceren van een inheemse soort is het belangrijk dat de « juiste », lokaal voorkomende ondersoort wordt gebruikt. Behalve het risico op genetische « vervuiling » is er bij het gebruik van de verkeerde ondersoort ook het risico dat deze laatste andere ecologische vereisten heeft dan de oorspronkelijke - en dus ook een andere ecologische impact. - Geïntroduceerde exemplaren kunnen bovendien ook nieuwe ziektes met zich meebrengen, die een desastreus effect kunnen hebben op de soorten in het gebied waar ze worden geïntroduceerd. Introducties dienen daarnaast te gebeuren in nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen. - Wat de introductie van grotere dieren betreft is er vrijwel steeds sprake van bepaalde risico's naar de bevolking of bepaalde belangengroepen toe. - Er is ook het ethische aspect : het zonder enige voorbereiding, begeleiding en opvolging loslaten van dieren is te vermijden omdat het er vaak op neerkomt dat deze geïntroduceerde specimens een vrijwel zekere dood tegemoet gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vereiste dat het om een opzettelijke handeling moet gaan dient, zoals eerder al gesteld, te worden geïnterpreteerd conform het zgn. « rechtstreeks algemeen opzet » uit het Belgische strafrecht, d.w.z. een handeling die gesteld wordt door een persoon die redelijkerwijze verwacht mag worden te weten, gelet op de algemene praktijk, dat zijn daad zal leiden tot een inbreuk op een soort, maar die toch die daad wil stellen of die bewust de gevolgen van zijn daad aanvaardt, ook al zijn die niet gewild.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 18 Het opzet van dit artikel is nuanceringen en beperkingen aan te geven bij de verbodsbepaling van artikel 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er voorzien in drie vrijstellingen, met name een vrijstelling met betrekking tot plantensoorten die normalerwijze ingezet worden bij wettige bosbouw-, landbouw- of tuinbouwactiviteiten, tuinbeheer of parkbeheer, een vrijstelling inzake inheemse (insecten-)soorten die ingezet worden met het oog op bestuiving, biologische bestrijding of geïntegreerde bestrijding en een vrijstelling inzake het poten van vissen in gesloten visvijvers of gesloten viswateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich bij artikel 17, maar ook bij artikel 30, § 4, waar er, in afwijking van de in artikel 18 ontwikkelde vrijstellingsregeling, terug een strenger regime mogelijk gemaakt wordt met betrekking tot uitheemse soorten die toch problemen scheppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de Europese regelgeving moet gewezen worden op het geciteerde in de toelichting bij artikel 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : de vrijstellingen in het eerste lid, 1°, ten behoeve van landbouw-, bosbouw- of tuinbouwactiviteiten hebben betrekking op wettige activiteiten. Van wettige activiteiten kan verondersteld worden dat deze beantwoorden aan een bepaalde zorgvuldigheidsnorm, die eigen is aan de sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouw, tuinbouw en bosbouw zullen trouwens veelal gebruik maken van uitheemse, gedomesticeerde en « veredelde » soorten, die dus niet onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen (artikel 3, § 2, 1°). In zoverre er toch economische of ecologische problemen opduiken met het gebruik van uitheemse soorten in de context van landbouw, bosbouw, tuinbouw, tuinbeheer of parkbeheer (bvb. de aanplant van Grote waternavel in siervijvers met kwalijke gevolgen voor de openbare waterlopen), staat er nog steeds de mogelijkheid op van het soortenbeheer, waar het nog mogelijk is toch over te gaan tot ingrijpende maatregelen, niet alleen door sensibilisatie, maar ook door het opleggen van acties en zelfs bezits- en handelsverboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, 2°, vermeldt dat het verbod niet van toepassing is op inheemse soorten die worden gebruikt met het oog op biologische bestrijding en bestuiving. Dit betreft bijvoorbeeld het gebruik van honingbijen, sluipwespen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, 3°, betreft het poten van bevisbare vis in gesloten viswateren, i.e. wateren die door een permanente constructie zodanig afgesloten zijn van andere wateren of openbare wateren, dat de uitgezette vissen zich op geen enkele manier kunnen verbreiden buiten die bewuste wateren waarin ze uitgezet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 6. - Afwijkingsmogelijkheden Het opzet van deze afdeling is om afwijkingsmogelijkheden te voorzien op het initiële verbod op het verrichten van bepaalde handelingen met betrekking tot soorten dieren of planten. Het voorzien in dergelijke afwijkingsmogelijkheden wordt ook uitdrukkelijk opgenomen in zowel de Vogelrichtlijn (artikel 9) als de Habitatrichtlijn (artikel 16). Bij het toestaan van dergelijke afwijkingen moeten de Lidstaten zich wel houden aan de toegelaten redenen, op te leggen voorwaarden en te volgen procedures die er in deze richtlijnen ontwikkeld worden. De afwijkingsmogelijkheden zoals opgenomen in dit besluit zijn daarom vrijwel woordelijk gebaseerd op de vermelde artikelen van Vogel- en Habitatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 19 Het opzet van dit artikel is om het Agentschap er toe te machtigen om, onder voorwaarden, afwijkingen toe te staan van de beschermingsbepalingen van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt het beginsel van deze machtiging vastgesteld, maar wordt er onmiddellijk aan toegevoegd dat dit onder de voorwaarden gebeurt van deze onderafdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt er ook een afwijking geformuleerd ten aanzien van de verbodsbepaling van artikle 10 inzake vangst en doding, meer specifiek een afwijkingssysteem op basis van meldingen, met verwijzing naar bijlage 3 van het besluit. Het gaat met name om mogelijkheden tot bestrijding van specimens van de soorten die in die bijlage opgenomen zijn, en dit onder de voorwaarden die in die bijlage vermeld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich in hoofdzaak enerzijds bij de artikelen 10 tot en met 17 (ten opzichte waarvan het afwijkingsmogelijkheden vestigt) en anderzijds bij de artikelen 20 tot en met 23 (op grond waarvan dit systeem van afwijkingen gevestigd wordt). De bepalingen van deze onderafdeling worden ook ingewerkt in de voorwaarden die toegepast worden wanneer er afwijkingen toegestaan worden in het kader van soortenbehoud (artikel 26, tweede lid) of in het kader van soortenbeheer (artikel 28 en volgende).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving is het belangrijk aan te duiden is welke de bevoegde autoriteit is (onder meer met betrekking tot controle, zie artikel 9.2. van de Vogelrichtlijn en artikel 16.3. (d) van de Habitatrichtlijn) voor afwijkingen.Ook is het belangrijk te stellen dat afwijkingen steeds onder voorwaarden zullen gebeuren - die, voor Europeesrechtelijk te beschermen soorten - conform horen te zijn aan de ter zake relevante bepalingen van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het Hof van Justitie heeft deze voorwaarden als volgt geresumeerd : (1) het moet gaan om situaties waarvoor er geen andere bevredigende oplossing is, (2) de reden van de afwijking moet stroken met een zeer specifieke verzameling toegelaten redenen en (3) er moet aan een reeks vormvereisten voldaan worden, die er onder meer op gericht zijn om het aantal afwijkingen tot een strikt minimum te beperken en om de Europese Commissie toe te laten er op toe te zien (26).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie heeft bepaald dat nationale wetgeving die voorziet in een algemene afwijking van het beschermingsregime ten voordele van handelingen die uitgevoerd worden als onderdeel van normale bosbouw-, landbouw- of visserijactiviteiten, niet precies genoeg is bij de bepaling van het bereik waarin de afwijking is toegestaan. Gelijkstelling van dit « normale gebruik » met toegelaten, niet-opzettelijke handelingen in afwijking van het beschermingsregime, vormt een inbreuk. Een dergelijke algemene afwijking mag maar verleend worden wanneer ze in overeenstemming is met de voorwaarden van artikel 9 van de Vogelrichtlijn (27). Zo ook heeft het Hof van Justitie bepaald dat het verwijderen van nesten die tegen huizen gebouwd worden om bvb. brandgevaar te verminderen, zeker kan opgevat worden als een rechtvaardiging voor een afwijking conform artikel 9 van de Vogelrichtlijn. Maar er kan niet van uit gegaan worden dat alle nesten bij alle huizen een brandgevaar vormen, en dus is een algemene afwijking van de beschermingsbepaling met betrekking tot deze nesten niet toelaatbaar. Een dergelijke afwijking is immers niet beperkt tot een specifiek geval waarvoor de oplossing zonder alternatief is (28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene afwijkingen die verbonden worden aan handelingen die op zichzelf genomen wettelijk zijn, louter en alleen omdat die handelingen wettelijk zijn, gaan in tegen de geest en het doel van de Habitatrichtlijn en tegen de verwoording van artikel 16 van de Habitatrichtlijn (29).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vandaar ook dat er bijlage 3 bij het besluit een reeks voorwaarden opgenomen is inzake melding voorafgaand aan een bestrijdingsactie en melding/verslaggeving nadien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : dit artikel geeft aan dat de bevoegdheid om afwijkingen te verlenen bij het Agentschap ligt. Dit strookt met artikel 3, § 1, 6°, artikel 3, § 2, 6° en artikel 3, § 4, 1° en 3° van het oprichtingsbesluit van het Agentschap van 23 december 2005. Vermits het in principe gaat om individuele afwijkingen - dus niet om algemene of zelfs reglementaire afwijkingen - is het inderdaad opportuun om deze bevoegdheid bij het Agentschap te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet aangestipt worden dat afwijkingen kunnen worden gegeven; er is met andere woorden ten aanzien van het Agentschap voor Natuur en Bos geen verplichting om dit te doen. Omgekeerd moet een weigering van een afwijkingsverzoek vanzelfsprekend goed moeten gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 20 Het opzet van dit artikel is om te voorzien in een reeks toegelaten gronden voor afwijkingen met betrekking tot alle in deze afdeling ontwikkelde beschermingsverboden, behalve het introductieverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er in de eerste plaats een basislijst opgegeven, van redenen op grond waarvan het legitiem kan zijn om een dergelijke afwijking toe te staan. Er wordt met name vastgelegd dat er verwezen moet worden hetzij naar het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; hetzij naar dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale en economische aard, en voor het milieu gunstige effecten (deze reden kan niet ingeroepen worden bij afwijkingsverzoeken ten aanzien van beschermde vogels); hetzij naar het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; hetzij naar de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren en andere goederen in eigendom of gebruik (« schade aan andere goederen in eigendom of gebruik » kan evenwel niet ingeroepen worden in verband met vogelsoorten); hetzij naar de bescherming van de wilde fauna en flora en de instandhouding van de natuurlijke habitats; hetzij naar doelen van onderzoek, onderwijs, repopulatie en reïntroductie; hetzij naar strikt omkaderde vangst, pluk of bezit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor soorten van categorie 1 van Bijlage 1 - i.e. de soorten die beschermd worden omwille van Vlaamse relevantie - wordt er bovendien toegestaan dat er afwijkingen kunnen worden verleend omwille van redenen van sociale en economische aard of wanneer maatregelen van algemeen of plaatselijk belang noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke afwijking geldt alleszins dat ze maar kan worden toegestaan als er geen andere bevredigende oplossing bestaat en als de afwijking geen afbreuk doet aan het streven om de populaties van de betrokken soort in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft betrekking op de staat van instandhouding op zowel lokaal als op Vlaams niveau. Het feit dat ook het lagere, lokale niveau in rekening moet worden gebracht wordt bevestigd door de Europese Commissie (30).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbanden met andere bepalingen in dit besluit situeren zich onder meer bij artikel 1, 1° (definitie van « soort »), artikel 1, 5° (definitie van « specimen »), artikel 1, 12° (definitie van « introduceren in het wild », hier relevant in verband met het begrip « herintroductie »), artikel 5 (de inventarisatieactiviteiten vereisen soms afwijkingsbeslissingen; omgekeerd moeten afwijkingen geregistreerd en geïnventariseerd worden), artikel 9 (omschrijving van « beschermde soorten »), artikel 10 tot en met 16 (het bereik van de afwijkingsmogelijkheden), artikel 22 en 23 (procedures waarin de afwijkingsgronden van artikel 20 kunnen spelen), artikel 26, § 2 (integratie, in voorkomend geval, van deze afwijkingsgronden in een rapport met betrekking tot een soortenbeschermingsprogramma), artikel 30 (analoog aan artikel 20).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving bestaat er in dat deze bepalingen een afgeleide zijn van gelijkluidende bepalingen in Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn : - Artikel 9.1 van de Vogelrichtlijn bepaalt : « De Lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8 : (a) (-) in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, (-) in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, (-) ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, (-) ter bescherming van flora en fauna; (b) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt; (c) ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. ». - Artikel 16.1 van de Habitatrichtlijn bepaalt : « Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de. Lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a) en b) : (a) in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats; (b) ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom; (c) in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; (d) ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; (e) ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de afwijkingsregeling uit artikel 16 van de Habitatrichtlijn betreft, heeft de Europese Commissie extensief uiteengezet hoe deze regeling dient te worden geïnterpreteerd (31). Het al dan niet verlenen van afwijkingen op de beschermingsbepalingen in artikel 12 van dezelfde richtlijn wordt getoetst aan de hand van drie tests, die voortkomen uit de inhoud van artikel 16 van de richtlijn : - Vooreerst moet er sprake zijn van één van de afwijkingsgronden vermeld in artikel 16.1. van de Habitatrichtlijn. Deze toegelaten afwijkingsgronden kunnen in grote lijnen worden ingedeeld in drie types : afwijkingsmogelijkheden om sociale of economische redenen (in artikel 20, § 1 van het besluit : 1°, 2°, 3°, 4°), afwijkingsmogelijkheden om ecologische redenen (in artikel 20, § 1 van het besluit : 5°) en afwijkingsmogelijkheden om wetenschappelijke redenen (in artikel 20, § 1 van het besluit : 6°). De in de Vogelrichtlijn ontwikkelde afwijkingsgronden zijn sterk gelijklopend, met evenwel een tweetal betekenisvolle verschilpunten. Er wordt met name niet voorzien in de mogelijkheid af te wijken omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang (enz.), en er wordt evenmin voorzien in de mogelijkheid af te wijken omwille van voorkomen in van belangrijke schade aan « andere » goederen in eigendom of gebruik (i.e. andere dan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inperkingen van de mogelijke afwijkingsgronden worden overgenomen in artikel 20, § 3. De afwijkingsgrond die gegeven wordt in artikel 20, § 1, 7° vloeit voort uit artikel 9.1. (c) van de Vogelrichtlijn en uit artikel 16.1. (e) van de Habitatrichtlijn. - Er mag in de tweede plaats geen andere bevredigende oplossing bestaan - dit is overgenomen in artikel 20, § 4, 1°. De Europese Commissie onderscheidt drie deelvragen : (1) wat is het probleem of de situatie waarvoor een oplossing is vereist?; (2) Zijn er andere oplossingen?; (3) Zo er andere oplossingen zijn, kunnen deze het probleem of de situatie effectief oplossen? Er moet worden gezocht naar een oplossing die het probleem effectief oplost, en tegelijk een maximale bescherming garandeert voor de beschermde soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie geeft aan dat een afwijking op het beschermingsprincipe moet worden beschouwd als een laatste redmiddel, wanneer andere oplossingen niet mogelijk zijn. Het gegeven dat een andere oplossing lastiger is om uit te voeren of meer inspanning vergt, betekent op zich niet dat het geen alternatief vormt voor een afwijking. Een voorbeeld : indien voor de aanleg van een weg het ene traject een aantal voortplantingsplaatsen van een beschermde soort amfibie zal vernietigen, terwijl dit bij een alternatief traject, dat weliswaar een omweg van een aantal kilometer betekent, niet het geval is, dan dient men in principe voor het tweede, alternatieve traject te kiezen. - De afwijking mag ten derde geen afbreuk doen aan het streven om de populaties van de betrokken soorten in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan - dit is overgenomen in artikel 20, § 4, 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Europese Commissie beschouwt een populatie als een groep van individuele specimens van dezelfde soort, die tezelfdertijd in hetzelfde geografische gebied leven en die er zich (potentieel) met elkaar (kunnen) voortplanten. Daarbij moet zowel de lokale populatie waarop de afwijking betrekking zou hebben, als de populatie op niveau van de Lidstaat in acht worden genomen. Het is logisch dat het beoordelen of een afwijking al dan niet afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding sterk kan verschillen van soort tot soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijkingen ten aanzien van een zeer zeldzame, sterk gelokaliseerde soort zullen deze derde test veel minder vlot doorstaan dan afwijkingen ten aanzien van een meer algemene en wijdverbreide soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het effect van een afwijking op een soort zou neutraal of positief mogen zijn, maar niet negatief. De Europese Commissie vermeldt overigens in dit verband uitdrukkelijk dat compenserende maatregelen in bepaalde omstandigheden er kunnen voor zorgen dat een afwijking kan worden gegeven, maar dat dergelijke maatregelen het principe de drie bovenvermelde tests niet buiten spel kunnen zetten. De tests moeten, met andere woorden, nog steeds gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de Europese Commissie ontwikkelde en hier geschetste interpretatie heeft enkel betrekking op artikel 16 van de Habitatrichtlijn. Gelet op de sterk overeenkomstige bepalingen in artikel 9 van de Vogelrichtlijn mag echter worden aangenomen dat de interpretatie van de Commissie ten aanzien van artikel 16 van de Habitatrichtlijn ook kan aangehouden worden met betrekking tot artikel 9 van de Vogelrichtlijn. Behalve de sterke overeenkomst van de bewoordingen van beide artikelen mag dit ook blijken uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie ten dien aanzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verschil tussen artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn is wel het ontbreken in de Vogelrichtlijn van de bepaling dat afwijkingen geen afbreuk mogen doen aan het streven om de populaties van de betrokken soort in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Daaruit mag echter niet geconcludeerd worden dat bij het verlenen van afwijkingen op de bescherming van vogelsoorten geen acht moet worden geslagen op de staat van instandhouding van de betrokken soorten. Immers, de artikelen 1 en 2 van de Vogelrichtlijn leggen duidelijk als doelstelling op dat door de Lidstaten moet worden ingestaan voor de instandhouding van de soorten waarop de richtlijn betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit mag worden afgeleid dat ook voor afwijkingen ten aanzien van vogelsoorten geldt dat zij geen afbreuk mogen doen aan het streven om de populaties van de betrokken soorten in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20, § 1, 7° wordt weliswaar geïntroduceerd in het soortenbesluit als transpositie van de Europese richtlijnen, maar kan, op grond van Europese rechtspraak, niet langer of nauwelijks nog opgevat worden als een opening voor vogelvangst voor recreatief gebruik. Er moet immers aangetoond worden dat er, in voorkomend geval, geen andere bevredigende oplossing bestaat - en er bestaat reeds een andere bevredigende oplossing voor de vogelhouderij wanneer het in principe mogelijk is om inteelt te vermijden door uitwisseling van specimens te organiseren in het kader van gemeenschappelijke kweekprogramma's (32).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20, § 2 heeft betrekking op inheemse, beschermenswaardige soorten die niet expliciet onder de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn vallen. De bepaling uit artikel 2 van de Vogelrichtlijn, dat er rekening moet gehouden worden met sociale, economische enz. aspecten, kan, bij Europees beschermingswaardige soorten, normaal gesproken niet ingezet worden als een onafhankelijke afwijkingsgrond (33). Dit maakt evenwel dat deze overwegingen in principe wél ingezet kunnen worden voor het toestaan van afwijkingen inzake Vlaamse beschermingswaardige soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig bij de verschillende afwijkingsgronden : - « De volksgezondheid en de openbare veiligheid ». Deze redenen liggen voor de hand als afwijkingsgrond. Wanneer bijvoorbeeld een bepaald beschermd dier een reëel risico oplevert voor de openbare veiligheid door mensen aan te vallen, dan gaat de menselijke veiligheid voor. - « Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale en economische aard, en voor het milieu gunstige effecten ». De Europese Commissie (34) stelt hierover dat het wel degelijk moet gaan om openbare, publieke belangen, en geen private belangen van individuen of bedrijven. Het belang moet dus van dien aard zijn dat kan worden afgewogen tegen de belangen die worden beschermd door de Habitatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag worden geacht dat dit betekent dat het in de meeste gevallen zal moeten gaan om belangen op lange termijn. Het zal niet evident zijn een groot openbaar belang in te kunnen brengen dat slechts gedurende een korte termijn bestaat. - « De veiligheid van het luchtverkeer ». Het belang van de bescherming van soorten kan niet belangrijker zijn dan de veiligheid bij het opstijgen en landen van vliegtuigen op luchthavens. - « Voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of andere goederen in eigendom of gebruik ». Om deze schade te voorkomen kan worden afgeweken van het beschermingsprincipe, door bijvoorbeeld toe te laten om schadeveroorzakende exemplaren te doden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schade moet belangrijk zijn. Een laag niveau van schade door beschermde soorten moet als aanvaardbaar worden beschouwd. Beschermde soorten maken nu eenmaal inherent deel uit van onze omgeving, en het is haast onvermijdelijk dat daarbij enige schade optreedt. In heel wat gevallen is die schade overigens ook te vermijden, door het nemen van bepaalde voorzorgsmaatregelen. Het is heel moeilijk om vaste regels op te stellen die aangeven tot op welk niveau schade als aanvaardbaar moet worden beschouwd, en vanaf wanneer er werkelijk sprake is van belangrijke schade. De vermelding dat het mag gaan om het voorkomen van schade betekent dat een dergelijke afwijking eventueel ook preventief kan gegeven worden; uiteraard op voorwaarde dat er sprake is van een reëel risico. - « De bescherming van de wilde fauna en flora en de instandhouding van de natuurlijke habitats ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat een beschermde soort een significant nefaste invloed heeft op een andere beschermde soort of op een bepaald type natuurlijke habitat, bijvoorbeeld doordat de eerste soort zodanig zwaar predeert op de populatie van de andere soort. In dat geval moet ingrijpen mogelijk zijn waarbij er eventueel afgeweken wordt van de beschermingsbepalingen ten aanzien van de problematische soort. - « Onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie, daartoe benodigde kweek ». Het moet mogelijk zijn dat kan worden afgeweken in het kader van wetenschappelijk onderzoek, waarbij bijvoorbeeld kleine aantallen specimens, worden gevangen, gedood of in bezit gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet er vooral gedacht worden aan het vangen van specimens van soorten of het in lichte mate verstoren van hun voortplantingsplaatsen, teneinde de precieze verspreiding van deze soorten te kennen (inventarisatie, zie artikel 5). Heel wat onopvallende soorten, zoals kleine zoogdieren of insecten, zijn enkel door dergelijk specifiek onderzoek vast te stellen. Het weten waar deze soorten zich ophouden, en hoe algemeen hun voorkomen is, is onontbeerlijke kennis wanneer men soorten wil beschermen. - « Andere redenen ». De afwijkingsgrond onder 7° is de meest gevoelige afwijkingsgrond, omdat hiermee wordt bedoeld dat soorten kunnen worden gevangen, geplukt of in bezit gehouden voor andere redenen dan degene die reeds in de vorige punten aan bod kwamen; de facto kan dit neerkomen op het toestaan dat ze worden gehouden of gevangen voor recreatieve redenen. De verhouding tot de Europese regelgeving en interpretatie werd hiervoor al besproken. Als gevolg hiervan moet er, op het niveau van het soortenbesluit, gewezen worden op 20, § 4 : er mag maar worden afgeweken indien er geen andere bevredigende oplossing bestaan en er mag geen afbreuk gedaan worden aan het streven om de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 21 Het opzet van dit artikel is om te voorzien in een afwijkingsmogelijkheid met betrekking tot het verbod om specimens van soorten te introduceren in het wild.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt, voor inheemse soorten, verwezen naar de figuur van de soortenbeschermingsprogramma's. Voor uitheemse soorten wordt in deze mogelijkheid voorzien, maar wordt er in dat verband ook een plicht tot een voorafgaandelijk impactonderzoek opgelegd, waarbij overgegaan moet worden tot overleg en informatie-uitwisseling in de context van de Benelux en met de Europese Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere bepalingen in het besluit waarmee er een verband is zijn de volgende : artikel 1, 2° en 3° (definitie van « inheemse soort » en « uitheemse soort »), artikel 1, 12° (definitie van « introduceren in het wild »), artikel 17 (zijnde het introductieverbod waarvan er nu afgeweken wordt), artikel 22 (de te hanteren procedure om de afwijking toe te staan), artikel 26, § 3 (verdere uitwerking van afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van introductieverbod ten aanzien van inheemse soorten, met name op basis van een soortenbeschermingsprogramma) en artikel 36 (vrijlatingsregeling ten behoeve van erkende opvangcentra).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving is er een verband met Artikel 11 van de Vogelrichtlijn : « De Lidstaten zien erop toe dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de Lidstaten geen enkele schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna. Zij plegen hieromtrent overleg met de Commissie » en Artikel 22 van de Habitatrichtlijn : « Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de Lidstaten : [...]; (b) erop toe te zien dat de opzettelijke introductie in de vrije natuur van een soort die op hun grondgebied niet inheems is, zodanig aan voorschriften wordt gebonden dat daardoor geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of aan de inheemse wilde flora en fauna, en een dergelijke introductie te verbieden indien zij zulks nodig achten. De resultaten van de verrichte evaluaties worden ter informatie aan het comité gezonden; ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Als toelichting of duiding is het belangrijk er op te wijzen dat het voorliggende een continuering betekent van wat het besluit van de Vlaamse regering van 21 april 1993 betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse soorten, hierover bepaalt (35). Wat wel weggelaten wordt zijn de in artikel 2 van dat besluit geformuleerde adviesvraagplichten (36) (administratieve vereenvoudiging).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden zijn gericht op het beperken van de mogelijkheden om de introductie van uitheemse soorten in het wild. Als er dan toch een afwijking moet plaatsvinden, dan dienen de gestelde voorwaarden maximale garanties te bieden dat de potentiële en reële negatieve gevolgen van dergelijke introducties worden vermeden. Voorafgaandelijk aan de introductie moet worden onderzocht welke weerslag zij zou kunnen hebben, in het bijzonder of daardoor geen schade wordt toegebracht aan de natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of aan de diersoorten of plantensoorten die van nature in het wild voorkomen in het Vlaamse Gewest. Uit dit onderzoek moet blijken dat er geen sprake is van potentiële negatieve gevolgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dat wel het geval zou zijn, kan geen afwijking verleend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van dit artikel is een omzetting van enerzijds de verplichtingen die zijn weergegeven in artikel 3 van de Beschikking M (83) 27 van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 17 oktober 1983, en anderzijds van artikel 11 van de Vogelrichtlijn en artikel 22.b) van de Habitatrichtlijn. Het comité dat vermeld wordt in dit laatste artikel is het zogenaamde « Habitats-comité », een orgaan waarin vertegenwoordigers van de Lidstaten en de Europese Commissie samen zitten in verband met de opvolging van de uitvoering en de interpretatie van de Habitatrichtlijn; dit comité wordt voorgezeten door de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 22 Het opzet van dit artikel is om de procedure vast te leggen op grond waarvan afwijkingen kunnen toegestaan worden van de beschermingsbepalingen van afdeling 2 van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe worden de aanvraag geregeld (§ 1), de beslissingstermijnen (§ 2), de componenten van een beslissing over een afwijking (§ 3), de betekening van de beslissing (§ 4) en de beroepsmogelijkheid (§ 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich onder meer bij artikel 19, 20 en 21 (afwijkingsregelingen waarvoor nu de procedure geschapen wordt) en artikel 26, § 2 (deels analoge vereisten voor een soortenbeschermingsprogramma).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving situeert dit artikel zich als volgt : - Artikel 9.2. van de Vogelrichtlijn legt op : « In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld : (-) voor welke soorten mag worden afgeweken, (-) welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, (-) onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, (-) welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen, (-) welke controles zullen worden uitgevoerd. ». - Artikel 16.2. van de Habitatrichtlijn gebiedt : « De Lidstaten zenden de Commissie om de twee jaar een verslag toe conform het door het comité opgestelde model over de op grond van lid 1 toegestane afwijkingen. » en artikel 16.3. bepaalt : « In het verslag moet het volgende worden vermeld : (a) voor welke soorten en om welke reden de afwijking is toegestaan, met inbegrip van de aard van het risico, met in voorkomend geval een opgave van de alternatieve oplossingen die niet zijn gekozen en van de gebruikte wetenschappelijke gegevens; (b) welke middelen, inrichtingen of methoden mogen worden gebruikt voor het vangen of doden en om welke redenen; (c) waar en wanneer dergelijke afwijkingen worden toegestaan; (d) welke autoriteit de bevoegdheid heeft om te verklaren en te controleren dat aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan en om te beslissen welke middelen, inrichtingen of methoden mogen worden gebruikt, door welke diensten en binnen welke grenzen, en wie met de uitvoering belast zijn; (e) welke controlemaatregelen er zijn genomen en welke resultaten er zijn verkregen. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afwijkingsregime of een concrete afwijking waarin er geen voorwaarden opgenomen zijn, is niet aanvaardbaar. Het Hof van Justitie heeft dit bevestigd met betrekking tot de nood aan voorwaarden inzake tijd en plaats (37).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zijn volgende toelichtingen belangrijk. In § 1 wordt er bepaald dat de aanvraag gebeurt door middel van een aangetekend schrijven, via standaardaanvraagformulieren die het Agentschap daartoe ter beschikking stelt. Op die manier wordt er voor gezorgd dat aanvragen op de juiste plaats terechtkomen, en dat zij alle informatie bevatten die nodig is om tot een adequate beoordeling te kunnen overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 2 worden er beslissingstermijnen vastgesteld. - De standaardtermijn om een aanvraag te beoordelen bedraagt 20 werkdagen. Dat is een redelijke termijn om te oordelen of aan voorwaarden voor het toekennen van een afwijking al dan niet is voldaan. In bepaalde gevallen levert het beoordelen van een aanvraag weinig problemen op; in andere gevallen kan een aanvraag echter een uitgebreide afweging en het inwinnen van bijkomende informatie vergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe groter de impact die een afwijking op een bepaalde soort zou kunnen hebben en hoe complexer de aanvraag is, hoe meer tijd zal nodig zijn om tot een degelijk oordeel te komen. Om het mogelijk maken dit te doen op een zo goed mogelijk onderbouwde wijze kan het nodig zijn om de standaardtermijn te verlengen met nogmaals 20 werkdagen. - In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat het Agentschap sneller dan gewoonlijk tot een beslissing komt. Hierbij moet met name gedacht worden aan gevallen waar een bepaalde beschermde soort acuut verantwoordelijk is voor belangrijke schade aan gewassen. In die gevallen moet de beslissing genomen worden binnen de vijf werkdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daartoe voorziene snelle procedure vormt dus de uitzondering op de regel van 20 werkdagen. Het beroep willen doen op de snelle procedure moet dan ook duidelijk gemotiveerd worden in de aanvraag. De hoogdringendheid moet verband houden met het probleem of de situatie die men wil oplossen. De mogelijkheid om bij hoogdringendheid af te wijken omwille van de reden weergegeven in 2° van artikel 20, § 1 (« in het kader van dwingende van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale en economische aard, en voor het milieu gunstige effecten ») wordt niet voorzien om de reden dat een dergelijke zwaarwichtige reden niet van een plotse en onvoorziene aard kan zijn, zoals dat wel het geval is voor 1°, 3° en 4° van artikel 20, § 1. - Aan het andere eind van het spectrum zijn er de afwijkingsaanvragen betreffende het vrijzetten van uitheemse soorten. Voor deze vragen wordt er een beslissingstermijn van drie maanden voorzien, eenmaal verlengbaar. De lengte van deze termijnen wordt hierdoor verantwoord dat een belangrijk deel van het overleg met de Benelux en de Europese Commissie zal plaatsvinden nadat de afwijkingsaanvraag ingediend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit neemt niet weg dat er een aanzienlijke verkorting is in vergelijking met de regeling in het Besluit van de Vlaamse regering van 21 april 1993 betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse soorten (38).</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 3 wordt er bepaald dat een beslissing van het Agentschap waarin een afwijking wordt toegestaan een aantal onderdelen dient te bevatten : - Logischerwijze moet er uitdrukkelijk worden opgenomen ten aanzien van welke soorten mag worden afgeweken. - Tevens moet er duidelijk worden vermeld welke personen de afwijkingen kunnen uitoefenen. Dat kan zowel de aanvrager zelf zijn, als een persoon die ertoe gemachtigd wordt om dit voor rekening van de aanvrager te doen. - Indien relevant moet er worden vermeld op welke wijze men precies de afwijking mag uitoefenen, door weer te geven welke middelen, installaties en methoden men mag gebruiken. Een afwijking die bestrijding toestaat om belangrijke schade aan gewassen te vermijden zal bijvoorbeeld inhouden dat daarvoor gebruik moet worden gemaakt van vuurwapens die voldoen aan de geldende regelgeving inzake jacht. - Een afwijking dient steeds een beperking in tijd en ruimte te bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet er worden weergegeven op welke locatie en in welke periode (binnen welke data) deze afwijking betrekking heeft. Een afwijking die bestrijding toestaat om belangrijke schade aan gewassen te vermijden zal bijvoorbeeld inhouden dat deze bestrijding enkel kan gebeuren in een straal van 200 meter rond de percelen waar men de schade wil voorkomen. - Afhankelijk van de reden waarom een afwijking wordt verleend, zal het in veel gevallen aangewezen zijn om bepaalde voorwaarden op te leggen die moeten worden in acht genomen bij het uitoefenen van de afwijking. Een afwijking die toestaat dat er in het kader van een bepaald wetenschappelijk onderzoek specimens van een beschermde soort worden gevangen zal bijvoorbeeld veelal bepalen dat deze specimens na het stellen van de nodige onderzoekshandelingen onmiddellijk terug worden vrijgelaten op de plaats van bemachtiging. - Er moet alleszins bepaald worden door wie controle kan worden uitgevoerd op de uitoefening van de afwijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder die een afwijking verkrijgt dient uiteraard zijn medewerking te verlenen aan de personen die instaan voor het uitvoeren van deze controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de inhoud van deze onderdelen mag worden afgeleid dat een alomvattende afwijking, die als een soort van algemene « carte blanche » kan worden gebruikt, in principe niet mogelijk is. Een afwijking dient steeds voldoende specifiek te zijn, gericht op een specifiek probleem of situatie, zodat er ook op een afdoende wijze controle kan worden uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 4 wordt er bepaald dat de beslissing kenbaar gemaakt wordt door betekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 5 wordt er in een beroepsmogelijkheid voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 23 Het opzet van dit artikel is om het mogelijk te maken dat de beslissing tot het verlenen van een afwijking geïntegreerd zou worden in andere vergunningen, afwijkingen, ontheffingen of plannen, zodat een en ander in één beslissing kan vastgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er een lijst van dergelijke beslissingstypes geïntroduceerd : de natuurvergunning, de ontheffing van bepalingen uit het gebiedsgericht natuurbeleid, het natuurrichtplan, de vaststelling van een beheerplan van een erkend of een Vlaams natuurreservaat of van een bosreservaat, de natuurinrichting en het natuurrichtplan, de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning. Deze beslissingsakten kunnen maar geacht worden de afwijking van de verbodsbepalingen uit dit besluit te bevatten, als in deze akten het gepaste beoordelingskader speelt en als de beslissing de gepaste elementen bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich onder meer bij de artikelen 20 en 21, alsook artikel 22, waarvan het een reeks varianten biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met de Europese regelgeving wordt behouden doordat het telkens over concrete, specifieke beslissingen gaat, en doordat er in de aanhef van artikel 23 verwezen wordt naar de te hanteren beoordelingskaders - met name deze die ontwikkeld werden in artikel 20 en 21 en naar de beslissingselementen die opgesomd worden in artikel 22, § 3 - alle zaken die voortspruiten uit relevante Europese regelgeving, zoals bij die artikelen aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als duiding kan er op gewezen worden dat de rechtsonderhorigen, bij het uitoefenen van hun activiteiten, geconfronteerd worden met diverse regelgevingen, die er hen toe verplichten om afwijkingen aan te vragen en vergunningen te verkrijgen. Voor eenzelfde activiteit moet men niet zelden meerdere afwijkingen of vergunningen verzamelen. Dit artikel beoogt, vanuit het beginsel van administratieve vereenvoudiging, aan deze beslommering tegemoet te komen. In totaal worden er aldus negen types vergunningen, afwijkingen, ontheffingen en plannen onder dit artikel ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze integratieoefening brengt met zich mee dat, in gevallen waarbij één van deze andere vergunningen, afwijkingen, ontheffingen en plannen nodig zijn, en voor zover men bij de beoordeling rekening heeft gehouden met dit besluit, er geen afzonderlijke specifieke afwijking meer verleend moet worden volgens de procedure van artikel 22 van dit besluit. In de gevallen waarbij er voor het verkrijgen van deze vergunningen, afwijkingen, ontheffingen en plannen al een advies van het Agentschap nodig was, moet er wel met dit advies rekening worden gehouden bij de beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de vergunningen, afwijkingen, ontheffingen of plannen. Afdeling 3. - Soortenbehoud Het opzet van deze afdeling is om een juridische basis te leggen voor een « actieve » soortenbescherming, i.e. door de overheid ondernomen, gesteunde, gebillijkte of aangeprezen initiatieven, maatregelen en acties die moeten leiden tot een betere staat van instandhouding van beschermingswaardige soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 24 Het opzet van dit artikel is om de instrumenten van « bijkomende maatregelen » en « soortenbeschermingsprogramma's » in het leven te roepen en te duiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe worden deze bijkomende, actieve beschermingsmaatregelen mogelijk gemaakt. In principe is het de minister die deze kan nemen ten aanzien van de beschermde soorten uit Bijlage 1, met name ten aanzien van de beschermde soorten voor zover die op een rode lijst aangemerkt zijn als uitgestorven », « met uitsterven bedreigd », « bedreigd » of « kwetsbaar », en dit met het oog op een goede staat van instandhouding ervan, of met het oog op het tegengaan van significant negatieve weerslag op populaties van strikt beschermde soorten, vanuit bijvangsten of toevallige dodingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de verbanden aangaat met andere bepalingen in dit besluit moet vooreerst verwezen worden naar artikel 1, 1°, 10° en 11° (definities van « soort », « rode lijst » en van « soortenbeschermingsprogramma »), vervolgens naar artikel 5 (rode lijsten) en artikel 6 (registratie van significante bijvangst), naar de eerste drie categorieën van Bijlage 1 en ten slotte naar de artikelen 25 tot en met 27, waarin het actieve soortenbeleid zijn beslag krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving is er een verband met artikel 2 van de Vogelrichtlijn : « De Lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de populatie van de in artikel 1 bedoelde soorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen. », met artikel 2.2 van de Habitatrichtlijn : « De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen » en met artikel 12.4. van het Habitatrichtlijn : « [...] In het licht van de verkregen gegevens verrichten de Lidstaten de verdere onderzoekwerkzaamheden of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval vangen en doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten. ». De laatste geciteerde bepaling betreft de soorten die vermeld zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn : wanneer er sprake is van een significante negatieve impact als gevolg van bijvangst, is er weinig andere keuze dan het nemen van actieve beschermingsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is als duiding belangrijk dat er tot dusverre geen wettelijk aanknopingspunt bestond voor actief soortenbeleid als dusdanig. De meest verregaande bepaling was artikel 8, § 3 van het K.B. van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest : « De minister kan tijdelijk verdergaande beschermingsmaatregelen treffen. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 25 Het opzet van dit artikel is om de bijkomende, actieve beschermingsmaatregelen op te sommen die potentieel genomen kunnen worden, hetzij afzonderlijk, hetzij samengebracht in een soortbeschermingsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er bepaald dat de minister alleszins kan overgaan tot sensibiliseringsacties, tot specifieke verwervings-, inrichtings- of beheeractiviteiten, tot het toekennen van facultatieve subsidies of tot het afsluiten van overeenkomsten met provinciale of lokale overheden of met particulieren, gericht op beschermingsinitiatieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het maatregelenpakket de vorm aanneemt van een soortenbeschermingsprogramma, kunnen daar ook afwijkingen in opgenomen worden die analoog zijn aan deze van artikel 20 tot en met 22 (i.e. de afwijkingsregeling met betrekking tot de verbodsbepalingen van afdeling 2 in hetzelfde hoofdstuk). Wanneer dat soortenbeschermingsprogramma ook extra verbodsbepalingen zou bevatten, boven degene uit afdeling 2, dan wordt er een vaststelling door de Vlaamse Regering vereist. Dit laatste kan alleen met betrekking tot soorten die aangekruist zijn onder categorie 3 van bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verbanden met volgende bepalingen in dit besluit : artikel 19 en 20 voor wat de mogelijkheid van afwijkingen aangaat, en artikel 24, 26 en 27, zijnde de andere bepalingen inzake « actief » soortenbehoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de Europese regelgeving moet melding gemaakt worden, in verband met de mogelijkheid tot sensibiliseringsacties, van artikel 22 van de Habitatrichtlijn : « Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de Lidstaten : [...] (c) zich in te zetten voor bevolkingseducatie en algemene voorlichting aangaande de noodzaak wilde dier- en plantensoorten te beschermen en hun habitats alsmede de natuurlijke habitats in stand te houden. » Verder is volgende toelichting of duiding nuttig. In het eerste lid worden er een aantal types bijkomende maatregelen van actieve soortenbescherming opgesomd. Het gaat om volgende types : - Ten eerste is er sprake van het uitvoeren van sensibiliseringsacties, daarbij inbegrepen van codes van goede praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee worden acties bedoeld die de bevolking die met beschermde soorten te maken krijgt of die impact heeft of kan hebben op de staat van instandhouding van deze soorten bewust wordt gemaakt van het voorkomen van en de noden van deze soorten. Activiteiten die een negatieve impact hebben op een soort vloeien in een aantal gevallen voort uit onwetendheid. Een beperkte verandering van houding of gedrag kan soms leiden tot beduidend gunstiger situaties voor bepaalde soorten. Zo is het bvb. mogelijk eigenaars van bepaalde gebouwen, die geschikt zijn als voortplantings- of rustplaats voor vleermuizen, ertoe te motiveren te voorzien in invliegmogelijkheden voor deze soorten. Ook moet het mogelijk zijn om via een code van goede praktijk duidelijk te maken welke bouwactiviteiten of welke bouwwijzen zonder al te veel risico's voor bepaalde soorten kunnen doorgevoerd worden. - Ten tweede is er sprake van het verrichten van specifieke verwervings-, inrichtings- en beheeractiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen ten gunste van beschermde soorten komen vaak neer op het uitvoeren van een bepaalde inrichting of een bepaald beheer, zoals het inrichten van een fort ten behoeve van vleermuizen en beheren van een grasland ten behoeve van een bepaalde soort dagvlinder. Het is hierbij niet de bedoeling een substituut te ontwikkelen voor de normale verwervings- en inrichtingsactiviteiten van het gebiedsgericht natuurbeleid, maar wel om punctuele ingrepen mogelijk te maken waar dat nodig is. - Ten derde wordt er melding gemaakt van facultatieve subsidies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien men bepaalde rechtsonderhorigen er wil toe brengen om in het kader van actieve soortenbescherming een bepaalde handeling te stellen ten voordele van een soort, of in bepaalde gevallen een handeling net niet te stellen ten behoeve van een soort, zal er vaak een financiële aansporing nodig zijn. Een voorbeeld is het aanleggen van poelen ten behoeve van een beschermde amfibieënsoort. In sommige gevallen kan het ook meer dan louter een financiële aansporing zijn, maar kan het toekennen van subsidies ook betrekking hebben op het tegemoet komen aan een verlies van inkomsten. Een voorbeeld hiervan is het braak laten liggen van een deel van een akkerperceel ten behoeve akkervogels. Dergelijke subsidies zijn voor een belangrijk deel al in het leven geroepen, in de vorm van beheersovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan evenwel nodig zijn in specifieke gevallen voor specifieke vergoedingen te zorgen - bvb. ter vrijwaring van de Europese hamster in akkerland is er een dergelijk initiatief nodig geweest. - Tot slot wordt er een aanknopingspunt geschapen voor het afsluiten van overeenkomsten met »administratieve overheden » (voor definitie hiervan, zie artikel 2, 22° van het Natuurdecreet) of met rechtsonderhorigen, organisaties of verenigingen, met het oog op het aanmoedigen van regionale of plaatselijke beschermingsinitiatieven. Er zijn immers al heel wat spelers die actief zijn of potentieel zouden kunnen zijn op het vlak van actieve soortenbescherming. Bepaalde provincies, gemeenten en natuurverenigingen hebben hier zelfs een ware voortrekkersrol opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het subsidiariteitsbeginsel is dit ook wenselijk. De noden aan en de mogelijkheden voor het nemen van actieve beschermingsmaatregelen zijn bovendien uitgebreid, en het is ondenkbaar dat één enkele instantie alleen de rol zou kunnen opnemen om voor de volledige actieve beschermingspolitiek in te staan. Om die reden is samenwerken tussen de diverse instanties en partijen noodzakelijk. Samenwerking is tot slot ook zeer belangrijk in het licht van het creëren van een zo groot mogelijk draagvlak, met zo veel mogelijk betrokkenen. De lokale en regionale spelers zijn bovendien vaak veel beter op de hoogte van de lokale situatie, en kunnen daardoor veel beter met de gevoeligheden die er eventueel aan verbonden zijn, rekening houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor al deze maatregelen geldt dat ze maar genomen kunnen worden « binnen de perken van de daartoe voorziene begrotingsmiddelen ». Indien er dus weinig begrotingsmiddelen voorzien zijn, zal het Agentschap voor Natuur en Bos vooral moeten inzetten op sensibiliseringsacties en samenwerkingsverbanden en de rol van regisseur moeten opnemen, veeleer dan van actor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt de mogelijkheid geschapen om te komen tot afwijkingen van de verbodsbepalingen uit afdeling 2, op analoge wijze als de afwijkingsregeling van de artikelen 19 en volgende. Dit kan via een soortenbeschermingsprogramma. Het komt er op neer dat het onder bepaalde omstandigheden zinnig kan zijn om bepaalde verboden handelingen toe te laten ten einde tot een meer adequate bescherming van de betrokken soort te komen. Deze bepaling kan op twee manieren uitwerking krijgen. - Vooreerst is er de situatie waarbij actieve beschermingsmaatregelen ten behoeve van de ene soort verboden handelingen impliceren ten aanzien van een andere soort. Bijvoorbeeld : het herstellen of creëren van heidevegetatie in een bepaald gebied, ten behoeve van Europees prioritaire soorten zoals nachtzwaluw of boomleeuwerik, kan er toe noodzaken dat een aantal hectaren bos moeten worden gekapt waarin er eveneens beschermde soorten voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval komt het neer op een afweging, waarbij maatregelen voor soorten met een Europees prioritaire status of soorten met een bedreigde status (de klassen « met uitsterven bedreigd », « bedreigd » en « kwetsbaar » in een volgens dit besluit opgemaakte rode lijst) op Vlaams niveau wellicht voorrang zullen krijgen boven meer algemene soorten. - Er is nog een situatie waarbij gebruik kan worden gemaakt van deze paragraaf. Het gaat om gevallen waarbij beschermde soorten, met name Europees prioritaire soorten en/of soorten met een bedreigde status (de klassen « met uitsterven bedreigd », « bedreigd » en « kwetsbaar » in een vastgestelde rode lijst) op Vlaams niveau, in gebieden voorkomen waar dat voorkomen leidt tot conflicten met andere belangen, niet in het minst economische belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een concreet voorbeeld is de situatie van de Rugstreeppad in het Antwerpse Havengebied. Deze amfibieënsoort heeft, gelet op haar opname in de lijst van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, op Europees niveau de zwaarste beschermingsstatus die een diersoort kan hebben. Het is een soort die het moet hebben van pionierssituaties, met een afwisseling van voortplantingspoelen en landbiotopen, op zandige grond. Het dynamische grondgebruik in het Antwerpse Havengebied, met een voortdurend ontstaan van pionierssituaties, vormt een uitgelezen habitat voor deze soort. Een belangrijk deel van de Vlaamse populatie is dan ook te vinden in het Havengebied. Dat creëert uiteraard een probleem : het voorkomen van de rugstreeppad vormt een belemmering voor de economische ontwikkeling van het Havengebied, doordat de Habitatrichtlijn bepaalt dat de Lidstaat aan deze dieren (en hun rust- en voortplantingsplaatsen) een strikte bescherming moet toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om een beschermingsregime waar bovendien slechts onder strenge voorwaarden, die niet steeds zullen kunnen worden ingevuld in het Havengebied, kan worden van afgeweken. De Europese Commissie (39) bestempelt soortenbeschermingsprogramma's als een mogelijke uitweg uit deze tegenstelling tussen ecologie en economie. Concreet : wanneer een dergelijke programma voor de rugstreeppad, hetzij op lokaal niveau voor de Antwerpse haven, hetzij voor heel het Vlaamse Gewest, kan garanderen dat er op elk moment in de toekomst voldoende leefgebied voorhanden is om de gunstige staat van instandhouding te behouden of herstellen, dan geeft dat ook enige speling om bepaalde individuele poelen waar de soort voorkomt niet zo restrictief als nodig te gaan beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog concreter : bepaalde poelen kunnen vernietigd op voorwaarde dat de populatie in haar geheel er op vooruitgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen : ten aanzien van beschermde soorten kunnen verboden handelingen worden gesteld wanneer zij uiteindelijk de populatie van deze soort op een hoger niveau ten goede zullen komen. Een soortbeschermingsprogramma moet er dan op gericht zijn om de populatie van de soort(en) in kwestie in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te krijgen, zowel op lokaal niveau als op Vlaams niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen soortenbeschermingsprogramma opgemaakt wordt, dan kan er nog steeds een afwijking toegestaan worden in het kader van bijkomende initiatieven voor soortenbehoud, maar dat dient dan te gebeuren op basis van artikel 19 en volgende. In artikel 20 wordt als expliciete afwijkingsgrond immers « doeleinden ter bescherming van de wilde fauna en flora vermeld en van de instandhouding van de natuurlijke habitats » vermeld. Dit vereist echter het doorlopen van een administratieve procedure, die uiteindelijk moet uitmonden in een formele individuele afwijking. De hier besproken bepaling laat toe om op een meer omvattende, generieke manier in afwijkingen te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt de mogelijkheid voorzien om extra verbodsbepalingen te introduceren, bovenop deze die bepaald worden in artikel 10 tot en met 18. Deze mogelijkheid is gericht op specifieke handelingen die doding of bijvangst kunnen genereren ten aanzien van soorten die aangeduid zijn in categorie 3 van Bijlage 1 (i.e. Bijlage IV soorten van de Habitatrichtlijn). Dergelijke extra verbodsbepalingen worden vastgesteld door de Vlaamse Regering en kunnen desgevallend al of niet geïntegreerd worden in het soortenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 26 Het opzet van dit artikel is om de inhoudelijke kwaliteitsvereisten te beschrijven waaraan voldaan moet worden vooraleer er sprake kan zijn van een soortenbeschermingsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er bepaald dat zo'n soortenbeschermingsprogramma opgevat moet worden als een samenhangende verzameling van acties, opgemaakt op basis van een rapport dat tien onderdelen moet bevatten : 1° een synthese van de kennis over de soort, 2° de concrete doelstellingen voor het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort - indien er instandhoudingsdoelen opgemaakt zijn voor de betrokken soort, dan vormen die de basis, 3° de bedreigingen voor de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort, 4° de mogelijkheden om een gunstige staat van instandhouding in het Vlaamse Gewest te bereiken, 5° een beschrijving van de relevante actoren in het Vlaamse Gewest, 6° een beschrijving van de concrete acties en maatregelen die kunnen worden ondernomen, 7° een verslag van het overleg dat gevoerd is met de relevante actoren, 8° een voorstel van begroting, planning en prioritering van de acties en maatregelen, 9° een beschrijving van de voorziene opvolging en evaluatie van het programma, met het oog op een eventuele bijsturing van de maatregelen;en 10° een sensibilisatie- en communicatiestrategie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het soortenbeschermingsprogramma afwijkingen bevat van de verbodsbepalingen onder afdeling 2, onderafdelingen 1 tot en met 4, dan moet bovendien het beoordelingskader zoals vastgelegd in artikel 20 in acht wordt worden genomen en dan moet de beslissing over het programma de elementen bevatten die opgesomd zijn in artikel 22, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het soortenbeschermingsprogramma met betrekking tot inheemse soorten afwijkingen bevat van het introductieverbod dat ingesteld wordt onder afdeling 2, onderafdeling 5, dan moeten er bijkomende elementen opgenomen worden, met name een effectinschatting, een evaluatie van de potentieel geschikte leefgebieden, een bepaling van het geschikte genetische profiel en de vaststelling dat er kan gesteund worden op geschikte kweek- en uitzetprogramma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere bepalingen in het besluit waarmee er een verband bestaat zijn de volgende : artikel 1, 2° (definitie « inheemse soort »), artikel 1, 12° (definitie van « introduceren in het wild »), de artikelen 10, 12, 14, 16 en 17 (verbodsbepalingen waarvan er kan worden afgeweken in het kader van een soortenbeschermingsprogramma), de artikelen 20, 21 en 22 (inhoudelijke en procedurele garanties die eveneens in het kader van een soortenbeschermingsprogramma moeten gerespecteerd worden, vooraleer men de beoogde afwijkingen er in kan integreren). De verbanden met de Europese regelgeving bestaan, voor wat de afwijkingsregeling betreft, er in dat er verwezen wordt naar de artikelen in het besluit waar deze afwijkingsregeling op een Europeesrechtelijk conforme manier wordt uitgewerkt. Voor de (her-)introductie van inheemse soorten, zoals ontwikkeld onder § 3, kan er verwezen worden naar artikel 22 van de Habitatrichtlijn : « Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de Lidstaten : (a) na te gaan of herintroductie van de inheemse soorten van bijlage IV wenselijk is, wanneer die kan bijdragen tot de instandhouding van die soorten, op voorwaarde dat een onderzoek, waarbij ook rekening wordt gehouden met de ter zake in andere Lidstaten of elders opgedane ervaring, heeft uitgewezen dat die herintroductie een doeltreffende bijdrage is tot het herstel van een gunstige staat van instandhouding voor die soorten en eerst na passende raadpleging van de belanghebbenden plaatsvindt; [...] ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : een soortbeschermingsprogramma wordt opgesteld voor een bepaalde soort of een groep van soorten, die zich in een precaire, ongunstige staat van instandhouding bevinden of het risico lopen daarin terecht te komen, en met als doel het behouden of herstellen van een gunstige staat van instandhouding voor deze soort(en). Het bevat een beschrijving van de situatie waarin de soort zich bevindt en de maatregelen die kunnen worden genomen om het doel te bereiken. Het programma dient te worden gezien als een plan van aanpak. In dat plan wordt weergegeven met welke onderling samenhangende maatregelen er gestreefd zal worden naar een verbetering van de staat van instandhouding van de betrokken soort(en). Een plan kan zowel op één soort, op een soortengroep of op een groep van soorten betrekking hebben. Het komt geregeld voor dat bepaalde soorten, die voorkomen in een zelfde habitat, aan dezelfde bedreigingen blootstaan, en zich daardoor in een zelfde precaire situatie bevinden. Het spreekt voor zich dat er in dat geval geen afzonderlijke programma's worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid worden de componenten van een rapport dat aan de basis kan liggen van een concreet soortenbeschermingsprogramma ontwikkeld : - In de eerste plaats is er een beschrijving nodig van de status van de soort. Hierbij is het aanbevolen in te gaan op het historische en het huidige voorkomen van de betrokken soort(en) in het Vlaamse Gewest en in Europa. Ook het actuele beschermingsniveau van de betrokken soort(en), zowel op Vlaams als op internationaal niveau, moet beschreven worden. Naast de internationaalrechtelijke bepalingen waarop dit besluit gebaseerd is, zijn er nog een reeks internationale normen die betrekking hebben op de bescherming van specifieke soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld is de Bonn-Conventie, inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (opgemaakt te Bonn, op 23 juni 1979). Deze conventie biedt een kapstok voor het opmaken van overeenkomsten, gericht op bepaalde (trekkende) diersoorten die specifieke bescherming behoeven. Een belangrijk voorbeeld van een dergelijke overeenkomst is de « Overeenkomst voor de bescherming van Afrikaans-Euraziatische migrerende watervogels », opgesteld in De Haag op 16 juni 1995, gericht op de grensoverschrijdende bescherming van trekkende watervogels. Tot slot en niet in het minst is er een ecologische beschrijving nodig, inclusief de habitatvereisten van de soort. - Ten tweede moet ingegaan worden op de concrete doelstellingen voor het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort in het Vlaamse Gewest. Deze doelstellingen moeten zo concreet en zo meetbaar mogelijk zijn. Hier dient de aandacht te worden gevestigd op de figuur van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen, die opgemaakt worden op basis van artikel 36ter, § 1 van het Decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/10/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/11/1997 numac 1997036367 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende afschaffing van het goedkeuringstoezicht op de beslissingen van de intercommunale verenigingen inzake de informatisering van hun diensten sluiten op het Natuurbehoud en het Natuurlijk Milieu. Voor soorten waarvoor dergelijke gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen zijn opgemaakt, moeten de concrete doelstellingen van het soortbeschermingsprogramma de voor de soort vastgestelde instandhoudingsdoelen bevatten. - Ten derde is het nodig inzicht te verschaffen in de bedreigingen voor de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder kennis van deze bedreigingen is het vrijwel onmogelijk om relevante maatregelen te kunnen nemen om de soort opnieuw in een gunstige staat van instandhouding te brengen. - Als vierde moeten de mogelijkheden verkend worden om de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort te bereiken. In dit onderdeel wordt met andere woorden beschreven op welke manier men de bedreigingen zou kunnen aanpakken. - Een vijfde noodzakelijke component betreft de beschrijving van de relevante actoren. De precaire status waarin een soort zich bevindt is vrijwel steeds het gevolg van een bepaalde menselijke invloed, zeker in een dichtbevolkte regio als het Vlaamse Gewest. Dat betekent dat er onvermijdelijk diverse personen of instanties, hier samengevat onder de term « actoren », in meer of mindere mate te maken hebben met deze soort, en op één of andere manier een invloed hebben of zouden kunnen hebben op de staat van instandhouding van de soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze actoren moeten worden beschreven in het soortbeschermingsprogramma : op welke manier hebben zij een (potentiële) invloed op de soort. - De zesde component van een soortenbeschermingsrapport betreft de concrete acties en maatregelen, die kunnen worden genomen met het oog op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort : wat is het dat men precies zou willen gaan doen en op welke manier, om de staat van instandhouding van de soort gunstig te laten evolueren? - In een zevende onderdeel in het rapport moet verslag gedaan worden van het gevoerde overleg met de relevante actoren over de concreet voorziene maatregelen. Dit is bvb. een noodzakelijke component in het geval men overweegt inheemse diersoorten te herintroduceren. - Als achtste component in het rapport is er een voorstel nodig van begroting, planning en prioritering van de acties en maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van een soortbeschermingsprogramma zal wellicht enige financiële inspanningen vergen. De begroting daarvan moet worden gebaseerd op de voorziene acties en maatregelen. Daarbij moet ook in prioritering worden voorzien. Het is immers aannemelijk dat om diverse redenen bepaalde acties veel dringender moeten plaats vinden dan andere, of dat bepaalde acties niet zo snel kunnen plaatsvinden als andere. Voor dergelijke gevallen moet men aangeven welke acties voorrang zullen hebben op andere. - Als negende is er een beschrijving nodig van de voorziene evaluatie van het soortbeschermingsprogramma, met inbegrip van monitoring, met het oog op een eventuele bijsturing van de maatregelen. Men moet bijvoorbeeld door middel van tellingen kunnen nagaan of het aantal exemplaren van de betrokken soort effectief toeneemt als gevolg van de genomen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ultieme doel van het programma bestaat immers niet in de maatregelen op zich, maar wel in het effect dat ervan verhoopt wordt op de populaties van de betrokken soort. Een bepaald programma bijvoorbeeld, dat voorziet in de aanleg van x aantal poelen voor een bepaalde amfibieënsoort, zonder dat wordt nagegaan of de soort vervolgens ook effectief in die poelen voorkomt, is onvolledig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is overigens de bedoeling dat via deze evaluatie niet alleen de uitwerking van het programma wordt opgevolgd, maar ook dat er, indien nodig, snel kan worden bijgestuurd. - Tot slot is er in de meeste gevallen een sensibilisatie- en communicatiestrategie van doen. Het slagen van de uitvoering van een soortbeschermingsprogramma kan in veel gevallen staan of vallen met de medewerking van diverse maatschappelijke actoren. Om deze actoren en het publiek in te lichten en mee over de brug te krijgen zijn sensibilisatie en communicatie onontbeerlijk. Programma's waarvan men op de hoogte is, en die men kent, zal men veel makkelijker aanvaarden dan onbekende programma's die plots uit het niets opduiken en een bepaalde impact blijken te hebben op normale activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid worden er, met betrekking tot de afwijkingsmogelijkheden, gelijkaardige garanties ingebouwd als deze die voorzien zijn in artikel 23 betreffende de integratie van afwijkingsmogelijkheden in andere vergunningen, afwijkingen, ontheffingen of plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt de mogelijkheid ontwikkeld om, in afwijking van artikel 17, inheemse soorten te gaan introduceren. Voor inheemse soorten kan introductie van specimens gezien worden als een potentieel belangrijke manier om bij te dragen tot de actieve bescherming van de betrokken soorten en het herstellen van een gunstige staat van instandhouding. Het is de bedoeling dat verdwenen of kwijnende populaties van de betrokken wilde soorten op deze manier worden gerecreëerd of aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet worden opgemerkt dat de term « introduceren » enige verfijning nodig heeft. Bij inheemse soorten kan het inderdaad gaan om een herintroductie in de strikte zin van het woord : een inheemse soort wordt terug in het wild vrijgelaten in een gebied waar ze vroeger voorkwam, maar waar ze inmiddels door omstandigheden is verdwenen. Daarnaast is er evenwel ook de mogelijkheid van « restocking » : het aanvullen van een nog bestaande, maar kwijnende populatie in een gebied met exemplaren uit een ander gebied - in recente jaren werd dit voor de Europese hamster toegepast. Er is ook nog de term « translocatie » : het overbrengen of vervoeren van specimens van een soort van het ene gebied naar een ander gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een introductie van een inheemse soort moet wenselijk zijn, in de zin dat ze kan bijdragen tot de instandhouding van de soort, de levensgemeenschap en het ecosysteem, in de eerste plaats doordat ze er voor zorgen dat de populatie van de soort in kwestie zelf er gunstig door wordt beïnvloed, maar daarnaast ook doordat andere soorten en de werking van het hele ecosysteem er baat kunnen bij hebben. Het introduceren van een sterk bedreigde amfibieënsoort, waarvan de Vlaamse populatie beperkt is tot nog slechts enkele tientallen exemplaren op enkele vindplaatsen, kan een voorbeeld zijn van een introductie die een nuttige, en zelfs noodzakelijke bijdrage zou leveren. Het introduceren in het wild van exemplaren van een algemene soort, die nog in grote aantallen in grote delen van Vlaanderen voorkomt zou een voorbeeld zijn van een introductie die weinig of geen nuttige bijdrage levert aan het voortbestaan van de soort of aan de werking van het ecosysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooraleer er in het kader van een soortenbeschermingsprogramma kan worden beslist tot de introductie van een inheemse soort, moet er aldus voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Een van de centrale voorwaarden is vervat in een component van soortenbeschermingsprogramma's in het algemeen : onder § 1, 7° wordt er opgelegd dat er een passende raadpleging moet zijn gebeurd met de betrokkenen. Daarnaast zijn er volgende specifieke voorwaarden : - Ten eerste is er een effectinschatting nodig, mede op basis van ervaringen uit andere Europese Lidstaten. Deze voorwaarde spreekt voor zich. - Ten tweede is er een evaluatie nodig van de potentieel geschikte leefgebieden. Deze moeten worden geëvalueerd op de vraag of ze werkelijk geschikt zijn om de soort in kwestie te huisvesten. Daarbij gaat het niet louter om individuele specimens, maar om levensvatbare populaties van de soort. Slechts wanneer er herintroductie gebeurt in dergelijke gebieden, kan er effectief worden bijgedragen tot de gunstige staat van instandhouding van de soort. Het vrijlaten van specimens in voor de soort ongeschikte gebieden is nutteloos. - Ten derde moet het genetische profiel bepaald worden. Bij heel wat soorten is er sprake van een aanzienlijke genetische diversiteit doorheen het verspreidingsgebied. Het aantal ondersoorten dat een bepaalde soort telt is een voorbeeld van deze genetische diversiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat bij het introduceren gebruik wordt gemaakt van specimens die zo goed mogelijk aansluiten bij het lokale genetische profiel. - Ten vierde moet er kunnen vastgesteld worden dat er teruggevallen kan worden op geschikte kweek- en uitzetprogramma's. Het soortbeschermingsprogramma moet duidelijk weergeven hoe het kweken van specimens in gevangenschap en het vervolgens vrijlaten van specimens in het wild praktisch in zijn werk zal gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 27 Het opzet van dit artikel is om aan te geven op welke wijze er tot een legitiem soortenbeschermingsprogramma kan worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt eerst bepaald op wiens initiatief er tot een ontwerp kan zo'n programma kan worden gekomen : ofwel wordt het opgemaakt door of in opdracht van het Agentschap, ofwel wordt een beschermingsinitiatief van externen, onder bepaalde voorwaarden, opgewaardeerd tot een dergelijk ontwerp. In principe stelt de minister een ontwerp van soortenbeschermingsprogramma vast, daarbij rekening houdende met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met relevante regionale en lokale bijzonderheden. Een soortenbeschermingsprogramma moet, na vaststelling, worden medegedeeld aan de Vlaamse Regering. Als het ontwerp echter bijkomende verbodsbepalingen bevat - een mogelijkheid die aangegeven is in artikel 25, derde lid - dan is het de Vlaamse Regering die het dient vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich onder meer bij de artikelen 24 tot en met 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met de Europese regelgeving situeert zich onder meer bij artikel 2 van de Habitatrichtlijn : « In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : in § 1, tweede lid, wordt er onder meer de voorwaarde opgelegd dat een extern initiatief ten minste betrekking moet hebben op een functionele ecologische eenheid, vooraleer het opgewaardeerd kan worden tot soortenbeschermingsprogramma (en dus afwijkingen kan bevatten enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit impliceert dat het gebied over de vereiste kwalitatieve en kwantitatieve garanties moet beschikken om op lange termijn een op zichzelf staande populatie in stand te kunnen houden, zonder dat het noodzakelijk is dat de populatie in verbinding staat met andere populaties om zich in stand te houden. Met deze voorwaarde moet er worden voor gezorgd dat het initiatief betrekking heeft op voldoende grote gebieden. Hoe groot een functionele ecologische eenheid is moet per soort moeten worden bekeken. Initiatieven die op basis van dit artikel de waarde krijgen van een soortbeschermingsprogramma, en die betrekking hebben op een levensvatbare populatie van de betrokken soort, kunnen effectief bijdragen tot de gunstige staat van instandhouding van de soort op Vlaams niveau, in tegenstelling tot initiatieven die geen betrekking kunnen hebben op een levensvatbare populatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 2 wordt er bepaald dat de minister een ontwerp van soortenbeschermingsprogramma kan vaststellen. Hierbij zal er gewaakt moeten worden op de onderlinge samenhang tussen dergelijke programma's. Het is mogelijk dat er een Vlaams programma wordt opgemaakt voor een soort of een soortengroep, terwijl er voor een bepaald gebied reeds een initiatief de waarde van een programma had gekregen. In dat geval spreekt het voor zich dat de minister, door voorwaarden op te leggen en met respect voor het subsidiariteitbeginsel, er voor zal moeten zorgen dat de samenhang tussen het regionale en het Vlaamse programma bewaard blijft. In geval een soortenbeschermingsprogramma extra verbodsbepalingen bevat met betrekking tot soorten die aangekruist zijn onder categorie 3 in bijlage 1, moet er advies gevraagd worden aan de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij en de Strategische Adviesraad Minaraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 3 wordt een maximumduurtijd van een soortenbeschermingsprogramma bepaald, met name vijf jaar. Dit heeft vooral relevantie voor het geval er afwijkingsregelingen in opgenomen zijn, vermits deze in de tijd beperkt moeten zijn. Er wordt ook voorzien in een mogelijkheid tot fundamentele koerswijzigingen, wanneer het programma niet naar behoren lijkt te functioneren. HOOFDSTUK 4. - Soortenbeheer Het opzet van dit hoofdstuk is om het mogelijk te maken de hinder te vermijden, te milderen of te herstellen die uitgaat van populaties van soorten - zelfs beschermde soorten - ten aanzien van de burgers die met de hinder te maken krijgen. In het geval van Europeesrechtelijk te beschermen soorten moeten de beschermingsbepalingen gerespecteerd worden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 3, al is het via analoge bepalingen als de er aan toegevoegde afwijkingsregelingen. Het volstaat dus niet dat een administratieve of wetenschappelijk overheid bij eenvoudige administratieve beslissingen afwijkende regelingen kan instellen ten aanzien van op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn te beschermen soorten. Afwijkingsregelingen moeten wettelijk verankerd zijn, met daarbij inbegrepen de waarborgen die geboden worden door de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (40).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 28 Het opzet van dit artikel is om de figuur van de beheerregeling in het leven te roepen, en de procesmatige verantwoordelijkheden in deze vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er bepaald dat de minister, op voorstel van het Agentschap, een beheerregeling. Voor zover deze beheerregeling een of meerdere afwijkingen bevat van het beschermd statuut, is deze op te vatten als een afwijking conform artikel 56 van het Natuurdecreet. Een beheerregeling kan over een viertal types actie gaan : (1) communicatie en handreiking door codes van goede praktijk, (2) beheers- en bestrijdingsacties, (3) overeenkomsten met derden met het oog op dergelijke acties, (4) ingrepen in handelsactiviteiten voor zover het gaat om de voorkoming van invasieve exoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt de beheerregeling vast, maar er dient steeds wel advies gegeven te worden door de Strategische adviesraad Minaraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermits een deel van de beheerregelingen voorspruit uit de zorg schade te voorkomen aan landbouwgewassen, wordt er hier voorzien in een structurele betrokkenheid - zelfs initiatiefrecht - van de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij en van de Vlaamse minister bevoegd voor Landbouwbeleid. Tot slot wordt er bepaald dat een beheerregeling vooraf medegedeeld wordt aan de Vlaamse Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de beheerregeling afwijkingen bevat die er toe strekken op een eenvoudiger of grootschaliger wijze beschermde soorten te gaan bestrijden dan wat op basis van artikel 19 mogelijk is, dan dient deze beheerregeling vastgesteld te worden door de Vlaamse Regering. In dat geval zit er in de beheerregeling vervat (1) ofwel dat er afwijkingen zullen toegestaan worden op vraag, conform artikel 19, (2) ofwel dat bijlage 3 bij het besluit bijgesteld wordt, ten einde in een meldingsplichtige bestrijdingsmogelijkheid te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit moet gelegd worden met artikel 1, 4° en 5° (definitie van « invasieve soorten » en van « specimen »), artikel 1, 6° (definitie « eieren ») en bij artikel 1, 9°, met de artikelen 19 tot en met 23, met de artikelen 28 tot en met 31 en met bijlage 1 (beschermde soorten) en bijlage 3 (bestrijding op basis van melding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving moet aangegeven worden dat er in die regelgeving geen dergelijke figuur als dusdanig voorzien is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel moet bewaakt worden dat de afwijkingen op bvb. het dodingsverbod ten aanzien van Europeesrechtelijk beschermde soorten, die in het kader van een beheerregeling toegestaan zouden worden, conform zouden zijn aan de bepalingen ter zake uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : met deze figuur van de beheerregeling wordt het mogelijk op een meer rationele wijze beslissingen te nemen inzake het al of niet voorkomen of bestrijden van hinderlijke of risicovolle soorten, en wordt het mogelijk deze acties op een rationele wijze uit te voeren. Hiermee wordt er een equivalent geboden met wat nu vervat is in het K.B. van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest en in het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 1993 betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijke maatregelen die kunnen opgenomen of toegelaten worden in een beheerregeling verdienen enige toelichting : - Een eerste mogelijk - en misschien voldoende - onderdeel van een beheerregeling bestaat in het uitvoeren van sensibiliseringsacties en codes van goede praktijk. Daarmee wordt gedoeld op acties die de bevolking of relevante doelgroepen bewust maken van de risico's die verbonden zijn aan de vrijzetting en de aanwezigheid van uitheemse soorten in de natuur, alsook op codes van goede praktijk, die duidelijk maken hoe handelingen of activiteiten die meestal wel schadelijk zijn voor bepaalde dier- of plantensoorten, toch uitgevoerd kunnen worden met een minimum aan schade. Wat de uitheemse soorten betreft moet er in de eerste plaats zo veel als mogelijk worden voorkomen dat er in de toekomst nog specimens van bepaalde uitheemse soorten in de natuur terecht komen. - Als tweede is er het verrichten, het toelaten te verrichten, of het opleggen te verrichten, van specifieke beheer- of bestrijdingsacties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat het Agentschap voor Natuur en Bos aangaat zullen dergelijke acties in hoofdzaak betrekking hebben op de eigen domeinen van het Agentschap. Daarnaast zal deze bestrijding een meer algemene afwijking kunnen impliceren van de beschermingsbepalingen van dit besluit. - Als derde maatregel kan een beheerregeling een machtiging bevatten - ten behoeve van het Agentschap - om overeenkomsten af te sluiten met provinciale of lokale overheden of met rechtsonderhorigen, organisaties of verenigingen, met het oog op het opzetten van regionale of plaatselijke beheer- of bestrijdingsacties. Uitheemse soorten komen in heel het Vlaamse Gewest voor. Daarom is het noodzakelijk een mogelijkheid te voorzien dat overeenkomsten kunnen worden afgesloten met andere partijen, voor het uitvoeren van beheer en bestrijding van uitheemse soorten. - Een vierde mogelijke maatregel die opgenomen kan worden in een beheerregeling bestaat in het beperken of verbieden van het in bezit hebben, het vervoeren, het verhandelen of het ruilen, te koop of in ruil aanbieden van specimens of eieren van de betrokken soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een verregaande maatregel, die echter wel noodzakelijk kan zijn om het blijvend in het wild terecht komen van uitheemse soorten aan banden te leggen. Deze maatregel is niet overdreven wanneer de afweging wordt gemaakt met de kosten die het gevolg kunnen zijn van het voorkomen van bepaalde uitheemse soorten in het wild. Als voorbeeld kan het bestrijden van de muskusrat worden aangehaald, weliswaar een voorbeeld dat ver terug gaat in de tijd : de kosten voor deze bestrijding zijn zeer hoog. Indien er toen een verbod was geweest op het houden of verhandelen van deze soort, dan zou dat tot gevolg gehad kunnen hebben dat dergelijke kosten nooit gemaakt hadden hoeven te worden. Preventie is vrijwel steeds veel goedkoper dan remediërende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het buitenland zijn gelijkaardige voorbeelden bekend, waarbij landen als preventiemaatregel de verhandeling en het bezit van uitheemse soorten verboden hebben. In elk geval zal het opnemen van deze maatregel in een beheerregeling steeds nauwkeurig moeten worden afgetoetst zowel aan het principe van het vrij verkeer van goederen (een van de vier basisprincipes van de vrije markt binnen de Europese Unie) als aan de intra-Belgische bevoegdheidsverdeling (in-, uit- en doorvoer van uitheemse soorten kunnen niet geregeld worden door het Vlaamse Gewest - de andere aspecten van bezit en handel wél).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 29 Het opzet van dit artikel is om er voor te zorgen dat elke beheerregeling opgemaakt wordt op basis van een bij dit besluit aansluitende visie, en op basis van feiten en cijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er opgelijst welke onderdelen een beheerregeling steeds moet bevatten : de soorten waarop de beheerregeling van toepassing is evenals de personen die er toe gemachtigd worden om, met het oog op het uitvoeren van deze beheerregeling, af te wijken van de relevante beschermingsbepalingen. Ook moeten de beheermaatregelen opgesomd worden die mogen of moeten worden uitgevoerd, de middelen en methoden die daarbij mogen worden gebruikt, de omstandigheden van tijd en plaats waaronder deze beheermaatregelen mogen worden uitgevoerd en, in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder de beheermaatregelen mogen worden uitgevoerd. Tot slot moet aangegeven worden welke controles er zullen worden uitgevoerd en welke de communicatiestrategie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere artikelen in dit besluit bestaat er in en met de artikelen 28, 30 en 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving situeert het verband zich hierin dat de Vogelrichtlijn in artikel 9.2. bepaalt : « In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld : (-) voor welke soorten mag worden afgeweken, (-) welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, (-) onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, (-) welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen, (-) welke controles zullen worden uitgevoerd. ». In de Habitatrichtlijn staan er, zoals eerder al geciteerd, vergelijkbare waarborgen opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdere toelichting moet gegeven worden met betrekking tot de sensibilisatie- en communicatiestrategie. Een beheerregeling loopt steeds het risico controverses te veroorzaken. Vandaar dat er steeds goed moet nagedacht worden over de wijze waarop een dergelijke regeling aan het publiek kenbaar gemaakt zal worden en verantwoord zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzake de niet-toelaatbare (en dus eventueel toelaatbare) methoden moet verwezen worden naar bijlage 2 van het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 30 Het opzet van dit artikel is om inhoudelijke voorwaarden of krijtlijnen te omschrijven, waaraan een beheerregeling steeds moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er de plicht opgelegd om te zorgen voor een motiveringsnota. Hierin moet er aangetoond worden dat de voorgestelde maatregelen niet disproportioneel zijn, en geen betekenisvol negatieve impact hebben op de biodiversiteit of inheemse soorten. Er moet, met betrekking tot beschermde soorten, bovendien aangetoond worden dat er geen alternatief is, dat de voorgestelde oplossing adequaat is, en dat de populaties van de besproken soort niet in het gedrang worden gebracht. Er wordt, ten aanzien van Eurpeesrechtelijk te beschermen soorten, bovendien vereist dat er verwezen kan worden naar het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid, naar het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, naar de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren en andere goederen in eigendom of gebruik (« schade aan andere goederen in eigendom of gebruik » kan niet ingeroepen worden in verband met vogelsoorten), of naar de bescherming van de wilde fauna en flora en de instandhouding van de natuurlijke habitats, vooraleer tot een dergelijke beheerregeling te kunnen beslissen. Een beheerregeling voor niet-beschermde inheemse soorten of van uitheemse soorten kan worden vastgesteld wanneer dat is om de negatieve ecologische of economische impact tegen te gaan die deze soorten (of ondersoorten, of soortengroepen) kunnen hebben of vanwege hun feitelijk of potentieel invasief karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich onder meer bij artikel 28, 29 en 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving zijn de extra voorwaarden die toegepast worden op eventuele beheerregelingen met betrekking tot beschermde soorten noodzakelijk. Bovendien is er artikel 13 van de Vogelrichtlijn, dat bepaalt : « De toepassing van de krachtens deze richtlijn getroffen maatregelen mag niet leiden tot verslechtering van de huidige situatie met betrekking tot de instandhouding van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is als duiding nuttig dat de zgn. motiveringsnota, als onderdeel van de vaststellingsbeslissing door de minister, maakt dat ook deze nota onderworpen is aan de waarborgen van de wetgeving op de openbaarheid van bestuur. Dit maakt dat onvoldoende onderbouwde beslissingen als zodanig kunnen opgevraagd worden door belanghebbenden en voor de rechter ter discussie kunnen worden gesteld. Inhoudelijk kan er op gewezen worden dat deze voorwaarden equivalent zijn met deze van de artikelen 19 tot en met 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 31 Het opzet van dit artikel is om er voor te zorgen dat een beheerregeling voldoende specifiek is in de tijd, ten einde conform te zijn met de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er bepaald dat een dergelijke beheerregeling een looptijd heeft van vijf jaar. Daarna kan ze verlengd worden, maar dat impliceert in principe een evaluatie. Ook tussentijds kan er geëvalueerd worden inzake het al of niet goed verlopen van de beheerregeling, en kan deze worden bijgesteld of afgesteld indien een en ander niet naar wens verloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich onder meer bij de artikelen 28, 29 en 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving situeert het verband zich hierin dat, volgens het Hof van Justitie, een Lidstaat faalt bij de omzetting van een verbod (in dit geval op handel enz.) wanneer de afwijkingsregeling breder is dan wat in de Habitatrichtlijn staat, doordat er bvb. geen temporele begrenzing aan verbonden is (41). HOOFDSTUK 5. - Werking van opvangcentra voor wilde dieren Het opzet van dit hoofdstuk is om een continuering te bieden van het Besluit van 4 juni 2004 houdende de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies, alsook te voorzien in een integratie ervan in het algemene soortenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds een aantal jaren bestaan er in Vlaanderen opvangcentra voor wilde dieren. Het betreft centra die zich bezig houden met het opvangen van zieke of gekwetste wilde dieren, met het oog om deze dieren vervolgens terug vrij te laten in het wild. Deze centra zijn beter bekend onder de afkorting « VOC », ofwel « vogelopvangcentra », of voluit « opvangcentra voor vogels en wilde dieren » - de evolutie in de naamgeving volgt uit de feitelijke evolutie. Deze centra zijn in meerdere opzichten nuttig. - Ten eerste kan het verzorgen van exemplaren van zeldzame of bedreigde soorten een belangrijke bijdrage leveren aan het behouden of herstellen van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten. - Ten tweede is er het educatieve en sensibiliserende aspect : burgers kunnen zieke of gewonde wilde dieren aanbrengen bij een centrum, met het oog op verzorging. Ze worden zich daarbij bewust van de intrinsieke waarde van wilde dieren en de nood die bestaat om deze dieren te beschermen. - Ten derde vormen deze centra een plaats waar men terecht kan met in beslag genomen specimens van beschermde soorten. In het kader van handhaving van de regelgeving inzake soortenbescherming worden met enige regelmaat specimens in beslag genomen die illegaal in bezit worden gehouden. In heel wat gevallen is het, om diverse redenen, niet mogelijk deze specimens dadelijk terug in het wild vrij te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggend hoofdstuk is ingedeeld in twee afdelingen. De eerste afdeling heeft betrekking op de erkenning van de centra en de werking die mogelijk is al gevolg van deze erkenning. De tweede afdeling slaat op de subsidiemogelijkheden waarop de centra aanspraak kunnen doen. Afdeling 1. - Erkenning van opvangcentra voor wilde dieren Toelichting bij artikel 32 Het opzet van dit artikel is een erkenningsregeling in het leven te roepen met betrekking tot opvangcentra voor wilde dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt er een erkenning mogelijk gemaakt voor een periode van maximaal drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbanden met andere bepalingen in dit besluit liggen, behalve bij artikel 1, 13° (definitie van « opvangcentrum »), in de eerste plaats bij de overige bepalingen van deze afdeling en dit hoofdstuk. Er moet ook een verband gelegd worden met artikel 57, tweede lid van dit besluit. Momenteel zijn er tien centra erkend op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/08/2004 numac 2004036372 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/09/2004 numac 2004036419 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend met betrekking tot het VESOC-actieplan voor acties rond de man/vrouw-problematiek type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2004 numac 2004036308 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid RWO - VLAANDEREN sluiten, voor de periode 2006-2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de vrijwel identieke erkenningsvoorwaarden in dit nieuwe besluit blijft de bestaande erkenning geldig tot het aflopen van de lopende driejaarlijkse periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is op zich geen verband met de Europese regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig. De erkenning van opvangcentra in het kader van dit besluit gebeurt door het Agentschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat aanvragen tot erkenning moeten worden ingediend bij het Agentschap. De periode van erkenning bedraagt maximaal drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beperking in tijd moet toelaten dat op regelmatige basis kan worden geverifieerd of de betrokken verenigingen nog steeds aan de voorwaarden tot erkenning voldoen. De regeling is een continuering van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/08/2004 numac 2004036372 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/09/2004 numac 2004036419 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend met betrekking tot het VESOC-actieplan voor acties rond de man/vrouw-problematiek type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2004 numac 2004036308 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid RWO - VLAANDEREN sluiten houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra (enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 33 Het opzet van dit artikel is om enkele centrale punten van de erkenningsregeling betreffende opvangcentra voor wilde dieren vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe worden de basisvoorwaarden worden opgelijst voor een dergelijke erkenning : het moet gaan om een vereniging zonder winstoogmerk, met maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest, die voldoet aan een reeks werkingsvoorwaarden die vervat zijn in Bijlage 4. De elementen worden opgesomd die noodzakelijk zijn voor een volwaardige erkenningsaanvraag : coördinaten van opvangcentrum en van de beheerder ervan, statuten, beslissing van het daartoe geëigende beslissingsorgaan om de erkenning aan te vragen, bewijs van drie jaar relevante werking, bewijs van kwalificaties en ervaring van de beheerder, opsomming en plan van de aanwezige accommodatie en tot slot een schriftelijke overeenkomst met een dierenarts waarin die zich ertoe verbindt regelmatig toezicht te houden en alle nodige diergeneeskundige handelingen op zich te nemen.Er wordt voorzien in de mogelijkheid van een verlenging van de erkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit zit hem vooral in het gegeven dat dit artikel de voorwaarden bepaalt waaronder de erkenning van artikel 32 kan bekomen worden. Eenmaal erkend, kunnen de afwijkingsmogelijkheden van artikel 35 en 36 in werking treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is de referentie naar Bijlage 4, waarin de werkingsvoorwaarden voor een erkend opvangcentrum worden uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting bij deze bijlage is te vinden aan het einde van dit verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen onmiddellijk verband met Europese regelgeving, behalve dat de werkingsvoorwaarden voor een deel een weerspiegeling zijn van wat vereist is om aanspraak te kunnen maken te kunnen maken op de afwijkingen van de verbodsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : de bepalingen van dit artikel zijn in belangrijke mate een continuering van artikel 2, 3 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/08/2004 numac 2004036372 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/09/2004 numac 2004036419 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend met betrekking tot het VESOC-actieplan voor acties rond de man/vrouw-problematiek type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2004 numac 2004036308 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid RWO - VLAANDEREN sluiten houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra (enz.). Om de tekst van het besluit zelf niet overmatig te belasten, werden de concrete werkingsvoorwaarden opgenomen in Bijlage 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een centrum dient reeds tenminste drie jaar ervaring te hebben met het opvangen en revalideren van wilde dieren. Om te kunnen werken gedurende minstens drie jaar tussen het opstarten van het centrum en het aanspraak kunnen maken op een erkenning volgens dit besluit, zal een centrum een bijzondere afwijking moeten aanvragen bij het Agentschap, conform artikel 19 en volgende van dit besluit. In geval van een opvangcentrum zullen de ter gelegenheid van deze afwijking opgelegde voorwaarden minstens dezelfde zijn als de werkingsvoorwaarden die gelden volgens de bepalingen van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de kwalificaties en ervaring van de beheerder moeten worden medegedeeld, is belangrijk omdat de beheerder de verantwoordelijke is van het centrum. Aangezien er evenwel geen specifieke opleiding bestaat die is gericht op het opvangen, revalideren en terug vrijlaten van wilde dieren, is het vrijwel onmogelijk hier in algemene termen nog concrete voorwaarden aan te hechten. De volgende kwalificaties en ervaring strekken tot aanbeveling : studies dierenarts of een langdurige stage of opleiding in een reeds erkend opvangcentrum of bij een dierenarts of in een dierenkliniek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De centra moeten minstens drie maanden voor het aflopen van een lopende erkenning via een aanvraag bij het Agentschap te kennen geven dat zij een verlenging van de erkenning wensen te bekomen. Deze periode geeft het Agentschap voldoende tijd om na te gaan of het centrum nog steeds voldoet aan de voorwaarden voor een verlenging van de erkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 34 Het opzet van dit artikel is de wettelijkheid van de dagdagelijkse werkzaamheden van het erkende opvangscentrum blijvend te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt de beheerder van het opvangcentrum aangewezen als degene die er voor in moet staan staat dat de werkzaamheden in het centrum gebeuren in overeenstemming met alle wettelijke verplichtingen, inzonderheid de regelgeving inzake het natuurbehoud en het dierenwelzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sanctie wordt meteen ook duidelijk gemaakt : de erkenning kan, mits het voorafgaandelijk horen van de beheerder van het opvangcentrum, op elk ogenblik worden ingetrokken wanneer blijkt dat deze werd verkregen op grond van valse verklaringen of documenten, of wanneer blijkt dat de beheerder de opgelegde voorwaarden niet naleeft of het opvangcentrum er niet langer aan voldoet, dan wel wanneer de beheerder veroordeeld wordt wegens inbreuken op de regelgeving in verband met soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verband met andere bepalingen in dit besluit situeert zich in de eerste plaats bij artikel 1, 14° (definitie van « beheerder »), en daarnaast vooral bij artikel 35, 36 en 37 en volgende, waarin de mogelijkheden en voordelen ten gevolge van en erkenning als opvangcentrum uiteengezet worden. Deze mogelijkheden en voordelen vervallen in geval de erkenning moet ingetrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving bestaat er in dat het voor het Vlaamse Gewest ook noodzakelijk is om zeer snel op te kunnen treden met de sanctie van intrekking van de erkenning, in geval een erkend opvangcentrum overtredingen begaat van de geldende wetgeving die meteen ook overtredingen van de Europeesrechtelijke verplichtingen uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : de bepalingen in dit artikel zijn een continuering van artikel 8, resp. artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/08/2004 numac 2004036372 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/09/2004 numac 2004036419 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend met betrekking tot het VESOC-actieplan voor acties rond de man/vrouw-problematiek type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2004 numac 2004036308 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid RWO - VLAANDEREN sluiten houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra (enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder is de eindverantwoordelijke van het opvangcentrum, en moet er dus voor instaan dat de werkzaamheden in het centrum gebeuren in overeenstemming met alle wettelijke verplichtingen, inzonderheid de regelgeving inzake het natuurbehoud, de jacht, de riviervisserij en het dierenwelzijn. De beheerder moet met andere woorden niet enkel toezien dat de werkzaamheden gebeuren conform dit besluit, maar ook de regelgeving inzake dierenwelzijn, die een federale bevoegdheid vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erkenning kan onder bepaalde omstandigheden op elk ogenblik worden ingetrokken, naar aanleiding van een of meerdere op voorhand gedefinieerde feiten. Daarbij moet het centrum wel eerst gecontacteerd en gehoord worden, met het oog op het zich kunnen verdedigen tegen het voornemen van het Agentschap om de erkenning in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 35 Het opzet van dit artikel is te voorzien in algemene afwijkingsmogelijkheden van de ten aanzien van beschermde soorten geldende verbodsbepalingen van artikel 10, 12 en 17, en van een aantal verbodsbepalingen uit het Jachtdecreet, ten einde een volwaardig functioneren van erkende opvangcentra voor wilde dieren mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt aan erkende opvangcentra de mogelijkheid verschaft specimens van deze soorten te vangen, tijdelijk onder zich te houden, te doden, te vervoeren of terug vrij te laten, op voorwaarde dat het gekwetste of hulpbehoevende dieren betreft waarvoor er geen andere bevredigende oplossing bestaat en voor zover voldaan wordt aan een aantal werkingsvoorwaarden. Het vangen en vervoeren van dieren van en naar een opvangcentrum kan maar gebeuren door medewerkers van het opvangcentrum die in het bezit zijn van een persoonlijk identificatiebewijs uitgegeven door het opvangcentrum, opgemaakt volgens een modelformulier zoals bepaald in Bijlage 5 en vastgelegd in een register van het opvangcentrum. Een bijkomende afwijkingsmogelijkheid betreft het uitvoeren van opgevangen dieren naar een geschikte bestemming buiten het Vlaamse Gewest. Dit wordt toegelaten indien er in het Vlaamse Gewest geen geschikte of onvoldoende opvangmogelijkheid bestaat om de dieren te verzorgen of daarna vrij te laten in een geschikte biotoop in hun natuurlijk verspreidingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbanden met andere bepalingen in het besluit, naast deze met de artikelen van dit hoofdstuk, zijn gelegen in artikel 1, 5° (definitie « specimen ») en in de artikelen 10, 12 en 17, waarvan er, in uitvoering van het beheer van een erkend opvangcentrum, kan worden afgeweken. Vermeldenswaard zijn vervolgens : - De referentie naar Bijlage 4. - De referentie naar Bijlage 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Europese regelgeving is er een verband doorheen de werkingsvoorwaarden van Bijlage 4, die moeten garanderen dat de afwijkingen op de verbodsbepalingen waartoe een erkend opvangcentrum gemachtigd wordt, conform zijn aan de Europese regelgeving inzake soortenbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is volgende toelichting of duiding nuttig : - In afdeling 2 van hoofdstuk 3 van dit besluit worden er een aantal handelingen verboden ten aanzien van specimens van beschermde diersoorten. Wanneer het centrum zijn taak ten volle wil uitoefenen, ook met betrekking tot beschermde diersoorten, is er onvermijdelijk een algemene afwijking nodig op de vermelde verbodsbepalingen. Deze afwijkingsregeling is een continuering van het bepaalde in artikel 4, § 1 van het K.B. van 22 september 1980 houdende maatregelen [...] ter bescherming van bepaald in het wild levende inheemse diersoorten [...], van artikel 8, § 4 en artikel 9, § 1, derde lid van het K.B. van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest, en van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/08/2004 numac 2004036372 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren en houdende toekenning van subsidies type besluit van de vlaamse regering prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/06/2004 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/09/2004 numac 2004036419 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap</p></div>", "next": 239209}