3 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten VERSLAG AAN DE KONING Sire, De richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (hierna MiFID-richtlijn of de richtlijn) dient in het Belgisch recht omgezet te worden. Hetzelfde geldt voor de richtlijn van de Commissie 2006/73/EG van 10 augustus 2006 tot uitvoering van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (hierna: de uitvoeringsrichtlijn). Tevens dienen de nodige aanpassingsmaatregelen te worden getroffen ingevolge de verordening 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (hierna de verordening). De MiFID-richtlijn komt in de plaats van de beleggingsdienstenrichtlijn 93/22/EEG, die door de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs (en diens uitvoeringsbesluiten) in Belgisch recht was omgezet. De inwerkingtreding van MiFID is voorzien op 1 november 2007. Het U ter ondertekening voorgelegd besluit strekt er inzonderheid toe de voor de omzetting van MiFID noodzakelijke aanpassingen en wijzigingen op reglementair vlak door te voeren. Het sluit aan bij het koninklijk besluit van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten3 tot omzetting van de Europese richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten, waarin de wetgevende wijzigingen zijn vervat. Voor nadere toelichting bij deze werkwijze en voor een schets van de Europees kader wordt verwezen naar het Verslag aan de Koning bij laatstgenoemd besluit. Er wordt voor geopteerd om de reglementaire bepalingen zoveel mogelijk in één besluit te groeperen. Een reglement van de CBFA zal wel nog een aantal organisatorische vereisten voor instellingen die beleggingsdiensten verstrekken, preciseren. Het ontwerp sluit zo getrouw mogelijk bij de Europese voorschriften aan. Op een beperkt aantal punten wordt wel gebruik gemaakt van opties die de richtlijn laat of worden nationale specificaties van de richtlijnbepalingen gepreciseerd. In een paar domeinen werd gebruikt gemaakt van de vrijheid die de richtlijn aan de lidstaten laat om reglementerend op te treden. De verschillende onderdelen van dit besluit worden hierna nader toegelicht. De volgende onderwerpen komen achtereenvolgens aan bod: - de definities van onder meer professionele cliënten en tegenpartijen (titel I en bijlage A); - de gedragsregels (titel II); - de markttransparantie en de multilaterale handelsfaciliteiten (MTF'
- s)(titel III); - de transactiemelding aan de CBFA (titel IV); - de organisatorische vereisten voor instellingen die beleggingsdiensten verstrekken (titel V); - de buitenlandse beleggingsondernemingen (titel VI); - de overgangs- en slotbepalingen (titel VII). TITEL I. - Algemene bepalingen Artikelen 1 tot 5. De in deze titel opgenomen artikelen 2 tot 5 bevat de voor dit besluit dienstige definities. Conform de delegaties in artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten omschrijven artikel 2 en bijlage A het begrip professionele cliënt. Artikel 3 preciseert het begrip « in aanmerking komende tegenpartij ». Artikel 5 strekt tot omzetting van artikel 3 van de uitvoeringsrichtlijn en bepaalt een aantal voorwaarden in verband met het verstrekken van informatie. TITEL II - Door gereglementeerde ondernemingen in acht te nemen voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening in uitvoering van artikelen 27 en 28 van de wet Artikel 6. Deze bepaling omschrijft het toepassingsgebied ratione personae van de gedragsregels bepaald in de artikelen 7 tot 30. De door deze bepalingen geviseerde instellingen worden aangeduid als gereglementeerde ondernemingen. Zoals in de MiFID vormen de gedragsregels voor deze ondernemingen voorwaarden voor hun bedrijfsuitoefening. Ze strekken tot nadere invulling van de artikelen 27, 28 en 28bis, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten. De niet-naleving ervan kan aanleiding zijn tot prudentiële herstelmaatregelen (zie o.m. artikel 57, § 4 van de bankwet van 22 maart 1993) en tot administratieve geldboetes (zie artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten). Artikel 7. Deze bepaling vult artikel 27, § 1, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten aan dat voorschrijft dat de gereglementeerde ondernemingen zich bij het voor cliënten verrichten van beleggingsdiensten en nevendiensten, op loyale, billijke en professionele wijze moeten inzetten voor de belangen van hun cliënten. De bepaling preciseert de voorwaarden waaronder gereglementeerde ondernemingen voordelen (« inducements ») mogen ontvangen of toekennen. Ondernemingen mogen dergelijke voordelen (« inducements ») geven of ontvangen, voornamelijk in twee soorten gevallen. Het eerste geval betreft voordelen gegeven door de cliënt of door personen die namens de cliënt handelen. De tweede categorie betreft andere omstandigheden waarin de cliënt wordt ingelicht, het voordeel de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten behoeve van de cliënt ten goede komt en geen afbreuk wordt gedaan aan de plicht van de onderneming om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt. Essentieel is dat de betaling of verschaffing van de vergoeding of het niet-geldelijke voordeel (« soft commissions ») de kwaliteit van de desbetreffende dienst ten behoeve van de cliënt ten goede komt en geen afbreuk doet aan de plicht van de onderneming om zich in te zetten voor de belangen van de cliënt. Voor nadere toelichting bij deze bepaling kan worden verwezen naar de werkzaamheden van CESR (Committee of European Securities Regulators), het Europees netwerk van de effectentoezichthouders (waaronder de Commissie voor het Bank, -Financie- en Verzekeringswezen). Zo heeft CESR twee consultatiedocumenten « Inducements under MiFID » (CESR, 06/687 en 07/228) uitgebracht, waarin het een gemeenschappelijke aanpak over dit thema aanbeveelt. Op grond van een considerans bij de richtlijn kan reeds worden gepreciseerd dat voor de toepassing van de bepalingen die betrekking hebben op inducements, de aanneming door een gereglementeerde onderneming van een vergoeding in verband met beleggingsadvies of algemene aanbevelingen wanneer het advies of de aanbevelingen daardoor niet negatief worden beïnvloed, kan worden geacht de kwaliteit van het beleggingsadvies aan de cliënt ten goede te komen. Artikelen 8 tot 14. Conform de artikelen 27 tot 34 van de uitvoeringsrichtlijn regelen deze bepalingen de aan (potentiële) cliënten te verstrekken informatie. De bedoeling bestaat erin passende en evenredige informatievoorschriften vast te stellen waarin rekening wordt gehouden met de status van een cliënt als niet-professionele dan wel professionele cliënt. Er wordt beoogd een passend evenwicht te waarborgen tussen enerzijds bescherming van de belegger en anderzijds de informatieverplichtingen van gereglementeerde ondernemingen. Om die reden zijn er ten aanzien van professionele cliënten minder stringente informatievereisten opgenomen dan ten aanzien van niet-professionele cliënten. Professionele cliënten moeten immers behoudens beperkte uitzonderingen zelf kunnen uitmaken welke informatie zij voor een goed gefundeerde beslissing nodig hebben, en moeten de gereglementeerde onderneming alsnog kunnen verzoeken deze informatie te verstrekken. Wanneer dergelijke informatieverzoeken redelijk en evenredig zijn, moeten gereglementeerde ondernemingen aanvullende informatie verstrekken (zie considerans 44 bij de uitvoeringsrichtlijn). Gereglementeerde ondernemingen moeten (potentiële) cliënten toereikende informatie verstrekken over de aard van financiële instrumenten en de daaraan verbonden beleggingsrisico's zodat zij hun beleggingsbeslissingen met kennis van zaken kunnen nemen. Het niveau van detail van deze informatie kan variëren al naargelang de indeling van de cliënt in de categorie niet-professionele cliënt dan wel professionele cliënt en al naargelang de aard en het risicoprofiel van de aangeboden financiële instrumenten, maar de informatie mag nooit zo algemeen zijn dat essentiële elementen worden weggelaten. Zo kan bij sommige financiële instrumenten alleen de informatie over het soort instrument al voldoende zijn terwijl bij andere instrumenten de informatie op het specifieke product gericht moet zijn. De voorwaarden waaraan informatie van gereglementeerde ondernemingen aan (potentiële) cliënten moet voldoen om als correct, duidelijk en niet-misleidend te worden aangemerkt, moeten op een passende en evenredige wijze worden toegepast op mededelingen aan niet-professionele cliënten, waarbij rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld het communicatiemiddel en de informatie die met de mededeling aan de cliënten wordt overgebracht. Met name zou het niet passend zijn om dergelijke voorwaarden toe te passen op publicitaire mededelingen die slechts bestaan uit één of meer van de volgende elementen: de naam van de onderneming, haar logo, een contactadres, of een verwijzing naar de door de onderneming verrichte beleggingsdiensten of naar haar vergoedingen en provisies. Voor de toepassing van deze afdeling moet informatie als misleidend worden aangemerkt als deze van aard is de personen tot wie ze is gericht of die deze waarschijnlijk ontvangen, te misleiden, ongeacht of de informatieverstrekker zelf deze misleidend acht of misleiding beoogt. Om uit te kunnen maken wanneer informatie tijdig wordt verstrekt, moet een gereglementeerde onderneming rekening houden met de urgentie van de situatie en met de tijd die de cliënt nodig heeft om de informatie in kwestie in zich op te nemen en daarop te reageren, alsook met de behoefte van de cliënt aan voldoende tijd om deze informatie door te nemen en te begrijpen voordat deze een beleggingsbeslissing neemt. Cliënten zullen informatie over eenvoudige en gestandaardiseerde producten en diensten of over producten en diensten die zij al eerder hebben gekocht, immers sneller kunnen doornemen dan informatie over meer ingewikkelde of hun onbekende producten en diensten. Wanneer een gereglementeerde onderneming een cliënt vóór de verrichting van een dienst informatie moet verschaffen, hoeft elke afzonderlijke transactie in hetzelfde soort financiële instrument niet te worden aangemerkt als de verrichting van een nieuwe of andere dienst. Wanneer een gereglementeerde onderneming die vermogensbeheerdiensten verstrekt, aan niet-professionele cliënten informatie moet verstrekken over de soorten financiële instrumenten die mogen worden opgenomen in de portefeuille van de cliënt, en over de soorten transacties die mogen worden verricht in deze instrumenten, moet in deze informatie afzonderlijk worden aangegeven of de gereglementeerde onderneming gemachtigd wordt om te beleggen in financiële instrumenten die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, in derivaten en in niet-liquide of zeer volatiele instrumenten, dan wel om short sales of aankopen met geleende middelen, effectenfinancieringstransacties, of transacties die margebetalingen, het stellen van zekerheden of valutarisico's meebrengen, te verrichten. Als een gereglementeerde onderneming aan een cliënt een exemplaar verstrekt van een prospectus dat is opgesteld en gepubliceerd overeenkomstig de prospectusrichtlijn 2003/71/EG mag dit niet worden gezien als de verstrekking door de onderneming van informatie aan een cliënt voor de toepassing van de gedragsregels die betrekking hebben op de kwaliteit en inhoud van deze informatie, indien de onderneming in het kader van die richtlijn zelf niet verantwoordelijk is voor de informatie die in het prospectus wordt gegeven. De door een gereglementeerde onderneming aan een niet-professionele cliënt te verstrekken informatie over de kosten en bijbehorende lasten bevat ook nadere gegevens over de regelingen voor betaling of uitvoering van de overeenkomst voor de verrichting van beleggingsdiensten. In dit verband zijn betalingsregelingen gewoonlijk van belang wanneer een contract inzake een financieel instrument wordt beëindigd middels afwikkeling in contanten. Uitvoeringsregelingen zijn gewoonlijk van belang wanneer bij beëindiging van het contract inzake een financieel instrument aandelen, obligaties, een warrant, een ander instrument of een grondstof moeten worden geleverd. Het vereenvoudigde prospectus inzake ICBE's verschaft voldoende informatie over de kosten en bijbehorende lasten met betrekking tot de ICBE zelf. Gereglementeerde ondernemingen die rechten van deelneming in ICBE's distribueren, moeten hun cliënten wel aanvullende informatie verstrekken over alle andere kosten en bijbehorende lasten van de door hen verleende beleggingsdiensten in verband met rechten van deelneming in icbe's. Artikel 8, § 9 in verband met aanbevelingen die niet voldoen aan de voorwaarden om als research te worden voorgesteld, strekt tot omzetting van artikel 24, lid 2, van de uitvoeringsrichtlijn. Artikelen 15 tot 19. Deze bepalingen sluiten getrouw aan bij de voorschriften opgenomen in de uitvoeringsrichtlijn (artikelen 35 tot 38) die betrekking hebben op de beoordeling van het geschikt karakter (« suitability ») van de diensten van vermogensbeheer en beleggingsadvies of van de passendheid (« appropriateness ») van andere aan de cliënt verstrekte diensten. Er wordt aan herinnerd dat voor de toetsing van de geschiktheid als bedoeld in artikel 19, lid 4, van MiFID (artikel 27, § 4, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten) en de toetsing van de passendheid als bedoeld in artikel 19, lid 5, van die richtlijn (artikel 27, § 5, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten) aparte regelingen moeten worden getroffen. Deze toetsingen verschillen immers in die zin dat ze niet worden toegepast op dezelfde beleggingsdiensten en evenmin dezelfde functies en kenmerken hebben. Overeenkomstig artikel 19, lid 4, van Richtlijn (artikel 27, § 4, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten) hoeft een onderneming alleen te toetsen of bepaalde beleggingsdiensten en financiële instrumenten voor een cliënt geschikt zijn als zij aan deze cliënt beleggingsadvies verleent of diens vermogen beheert. Deze bepaling geldt ten aanzien van alle cliënten, zonder uitzondering voor « in aanmerking komende tegenpartijen ». Bij andere beleggingsdiensten moet de onderneming op grond van artikel 19, lid 5, van die richtlijn (artikel 27, § 5, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten) toetsen of een beleggingsdienst of -product voor een cliënt passend is, maar alleen als het product niet wordt aangeboden op louter uitvoerende basis (« execution only ») in de zin van artikel 19, lid 6, van die richtlijn (artikel 27, § 6, van de wet), met dien verstande dat deze laatste bepalingen alleen van toepassing zijn op niet-complexe producten. Dit besluit herneemt niet de reeds in de wet opgenomen bepaling - die artikel 35, lid 5, van de uitvoeringsrichtlijn omzet - dat geen diensten van vermogensbeheer of beleggingsadvies mogen worden verstrekt wanneer niet de vereiste informatie van de cliënt is ontvangen (zie artikel 27, § 4, tweede lid, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten, als ingevoerd via het KB van 27 april 2007 tot omzetting van de richtlijn). Een transactie kan ongeschikt zijn voor de cliënt of potentiële cliënt vanwege de aan het desbetreffende financiële instrument verbonden risico's, het soort transactie, de kenmerken van de order of de frequentie van de handel. Een reeks transacties die ieder afzonderlijk beschouwd geschikt zijn, kan ongeschikt zijn als de aanbeveling of de handelsbeslissingen (in het kader van vermogensbeheer) op elkaar volgen in een frequentie die niet in het belang van de cliënt is. Bij vermogensbeheer kan een transactie ook ongeschikt zijn als deze resulteert in een ongeschikte portefeuille. Omwille van de rechtszekerheid wordt de considerans 59 van de uitvoeringsrichtlijn (over de draagwijdte van de passendheidstest waarvan sprake in artikel 27, § 5, van de wet) in artikel 16 van het besluit zelf opgenomen. Voor diensten inzake niet-complexe producten die op « execution only » basis worden aangeboden, dient geen profiel van de cliënt te worden opgemaakt. Artikel 18 preciseert nader wat onder niet-complexe producten dient te worden verstaan. Deze bepaling herneemt tevens de considerans 61 bij de uitvoeringsrichtlijn die in dit verband relevant is. Er kan worden aangestipt dat instrumenten die worden verhandeld op niet-gereglementeerde markten zoals Alternext en de Vrije Markt in beginsel ook als niet-complexe producten zijn te beschouwen. « Execution only »-dienstverlening veronderstelt dat de dienst wordt verricht op het initiatief van de cliënt. In het verlengde van considerans 30 van de MiFID, geeft artikel 19 nuttige elementen van interpretatie van dit criterium. Artikel 20. Deze bepaling preciseert de inhoud van het contract met niet-professionele cliënten aan wie vermogensbeheerdiensten worden verstrekt. Er kan worden aan herinnerd dat de bestaande regelgeving (Koninklijk besluit van 5 augustus 1991 over het vermogensbeheer en beleggingsadvies) reeds de inhoud van het vermogensbeheercontract reglementeerde. Bestaande contracten dienen aan de nieuwe regels te worden aangepast tegen uiterlijk eind 2008 (zie artikel 103). Artikelen 21 tot 23. Deze bepalingen regelen de rapportering aan de cliënten. Artikelen 24 tot 26. Deze bepalingen preciseren de in artikel 28 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten opgenomen verplichtingen inzake optimale uitvoering van cliëntenorders (« best execution »). Ze strekken tot omzetting van de artikelen 44 tot 46 van de uitvoeringsrichtlijn. Voor nadere toelichting bij deze bepaling kan worden verwezen naar de werkzaamheden van CESR. Zo heeft CESR een consultatiedocument « Best execution under MIFID » (CESR, 07-047) uitgebracht, waarin het een gemeenschappelijke aanpak over dit thema aanbeveelt. Bij de vaststelling van haar uitvoeringsbeleid moet een gereglementeerde onderneming het relatieve gewicht van de in artikel 28, § 1 van de wet genoemde factoren (zoals o.m. prijs en kosten) bepalen, of in ieder geval vastleggen hoe zij het relatieve gewicht van deze factoren bepaalt om het best mogelijke resultaat voor haar cliënten te kunnen behalen. Ter uitvoering van dit beleid moet een gereglementeerde onderneming de plaatsen van uitvoering uitkiezen die haar in staat stellen om consistent het best mogelijke resultaat bij de uitvoering van orders van cliënten te behalen. Een gereglementeerde onderneming moet haar uitvoeringsbeleid op elke order van een cliënt die zij uitvoert, zodanig toepassen dat voor de cliënt overeenkomstig dit beleid het best mogelijke resultaat wordt behaald. Op grond van het voorschrift van artikel 28 om alle redelijke maatregelen te nemen om het best mogelijke resultaat voor de cliënt te behalen, wordt een gereglementeerde onderneming niet verplicht in haar uitvoeringsbeleid alle beschikbare plaatsen van uitvoering op te nemen. Om ervoor te zorgen dat een gereglementeerde onderneming bij de uitvoering van een order van een niet-professionele cliënt voor deze cliënt het best mogelijke resultaat behaalt als er geen specifieke instructies zijn gegeven, moet de onderneming rekening houden met alle factoren die haar in staat stellen het best mogelijke resultaat te behalen met betrekking tot de totale tegenprestatie, die bestaat uit de prijs van het financiële instrument en de uitvoeringskosten. Snelheid, waarschijnlijkheid van uitvoering en afwikkeling, omvang en aard van de order, markteffect en eventuele andere impliciete transactiekosten mogen alleen voorrang krijgen boven de directe prijs- en kostenoverwegingen voor zover ze ertoe bijdragen dat voor de niet-professionele cliënt het best mogelijke resultaat wordt behaald gelet op de totale tegenprestatie. Wanneer een gereglementeerde onderneming een order volgens specifieke instructies van de cliënt uitvoert, moet zij alleen voor het deel of het aspect van de order waarop de instructies van de cliënt betrekking hebben, geacht worden haar verplichtingen inzake optimale uitvoering te zijn nagekomen. Het feit dat de cliënt specifieke instructies heeft gegeven die gelden voor een deel of aspect van de order, mag de gereglementeerde onderneming niet ontslaan van haar verplichtingen inzake optimale uitvoering voor andere delen of aspecten van de order waarvoor deze instructies niet gelden. Een gereglementeerde onderneming mag een cliënt er niet toe aanzetten om een instructie te geven om een order op een bepaalde wijze uit te voeren, door de inhoud van de instructie expliciet of impliciet aan de cliënt kenbaar te maken, wanneer de onderneming redelijkerwijs zou moeten weten dat zij door een instructie van die strekking wordt belet het best mogelijke resultaat voor de cliënt te behalen. Dit hoeft een onderneming echter niet te beletten een cliënt te vragen een keuze te maken tussen twee of meer specifieke handelsplatforms, mits deze platforms stroken met het uitvoeringsbeleid van de onderneming. Wanneer een gereglementeerde onderneming voor eigen rekening met cliënten handelt, moet dit worden aangemerkt als de uitvoering van orders van cliënten en daarom onderworpen zijn aan de gedragsregels en met name de voorschriften voor een optimale uitvoering (considerans 69 bij de uitvoeringsrichtlijn). Als een gereglementeerde onderneming echter aan een cliënt een koers afgeeft en deze koers voldoet aan de verplichtingen van de onderneming uit hoofde van artikel 27, § 1, van de wet als de onderneming bij het afgeven van de koers de order tegen deze koers uitvoert, voldoet de onderneming aan deze zelfde verplichtingen als zij de order tegen haar koers uitvoert nadat de cliënt deze heeft aanvaard, tenzij de koers gezien de wisselende marktomstandigheden en de tijd die verstreken is tussen opgave en aanvaarding van de koers, duidelijk niet meer actueel is. De verplichting om bij de uitvoering van orders van cliënten het best mogelijke resultaat te behalen, geldt voor alle soorten financiële instrumenten. Wel kan het gezien de onderling uiteenlopende structuren van markten en financiële instrumenten moeilijkheden opleveren om voor een optimale uitvoering een uniforme, voor alle categorieën instrumenten geldende, effectieve standaard en procedure vast te stellen. Daarom moeten de voorschriften voor een optimale uitvoering zodanig worden toegepast dat rekening wordt gehouden met het feit dat de omstandigheden per soort financieel instrument waarvoor een order wordt uitgevoerd, verschillen. Zo zijn transacties in een financieel OTC-instrument op maat in het kader van een bijzondere contractuele relatie die op de situatie van de cliënt en de gereglementeerde onderneming toegesneden is, vanuit het oogpunt van optimale uitvoering mogelijkerwijs niet vergelijkbaar met transacties in aandelen die op gecentraliseerde plaatsen van uitvoering worden verhandeld. De bepalingen van de uitvoeringsrichtlijn en van dit besluit die voorschrijven dat de uitvoeringskosten de eigen provisies of vergoedingen van een gereglementeerde onderneming moeten omvatten die de cliënt voor het verrichten van een beleggingsdienst in rekening worden gebracht, mogen niet worden toegepast om te bepalen welke plaatsen van uitvoering voor de toepassing van artikel 28 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten in het uitvoeringsbeleid van de onderneming moeten worden opgenomen Om te bepalen wanneer er bij de uitvoering van orders van niet-professionele cliënten sprake is van een optimale uitvoering, moeten - voor welbepaalde doeleinden - de kosten van uitvoering de eigen provisies of vergoedingen van een gereglementeerde onderneming omvatten die aan de cliënt in rekening worden gebracht, wanneer meer dan één in het uitvoeringsbeleid van de onderneming genoemd platform in staat is een bepaald order uit te voeren. In dergelijke gevallen moet met de eigen provisies en vergoedingen van de onderneming voor de uitvoering van de order op elk van de in aanmerking komende plaatsen van uitvoering rekening worden gehouden om een analyse en vergelijking te verrichten van de resultaten die bij uitvoering van de order op elk van deze plaatsen voor de cliënt zouden worden behaald. Het is echter niet de bedoeling dat een onderneming de op basis van haar eigen uitvoeringsbeleid en haar eigen provisies en vergoedingen voor haar cliënt behaalde resultaten moet vergelijken met resultaten die een andere gereglementeerde onderneming op basis van een ander uitvoeringsbeleid of een andere opbouw van provisies of vergoedingen voor dezelfde cliënt zou kunnen behalen. Evenmin is het de bedoeling dat een onderneming de verschillen in haar eigen provisies die te maken hebben met verschillen in de aard van de diensten die de onderneming aan de cliënt aanbiedt, onderling moet vergelijken. De uitvoeringsrichtlijn en dit besluit willen voorkomen dat in het kader van een optimale uitvoering dubbel werk wordt verricht, namelijk door de gereglementeerde onderneming die orders ontvangt en doorgeeft of vermogen beheert en de gereglementeerde onderneming waaraan deze gereglementeerde onderneming haar orders ter uitvoering doorgeeft (zie in dit verband: de consultatiedocumenten en het advies van CESR voorafgaand aan de latere uitvoeringsrichtlijn). Artikelen 27 tot 29. Deze bepalingen strekken tot omzetting van artikelen 48 en 49 van de uitvoeringsrichtlijn. Onverminderd de marktmisbruikrichtlijn 2003/6/EG mogen, voor de toepassing van de in de uitvoeringsrichtlijn en dit besluit neergelegde bepalingen inzake de verwerking van orders van cliënten, orders van cliënten die langs verschillende dragers worden ontvangen en niet in volgorde van ontvangst kunnen worden afgehandeld, niet als overigens vergelijkbaar worden beschouwd Artikel 30. Deze bepaling strekt tot omzetting van artikel 20 van de MiFID. TITEL III. - Martktransparantie en MTF's Artikelen 31 tot 48. Deze titel strekt er toe nadere regels te bepalen in uitvoering van de MiFID-richtlijn op het vlak van enerzijds de markttransparantie en anderzijds de multilaterale handelsfaciliteiten. Deze titel dient te worden samengelezen met de in uitvoering van MiFID getroffen verordening 1287/2006 die rechtstreeks toepasselijk is. Achtereenvolgens worden hierna de door deze titel bepaalde transparantieregels en de voorschriften van toepassing op multilaterale handelsfaciliteiten (MTF'
- s)toegelicht. I. Transparantieregime voor tot een gereglementeerde markt toegelaten aandelen (artikelen 31 tot 38) 1. Algemene beginselen De regels inzake markttransparantie dienen te worden gesitueerd in het kader van de door MiFID beoogde hervorming van de organisatie van de financiële markten in de EU.Deze nieuwe marktorganisatie berust op het bevorderen van de concurrentie tussen de verschillende platformen waarop effectentransacties kunnen worden verricht. MiFID laat de lidstaten niet meer toe hun beleggingsondernemingen te verplichten om effectentransacties uitsluitend op een gereglementeerde markt uit te voeren. Dergelijke op motieven van efficiënte prijsvorming berustende verplichting bestaat in tal van landen waaronder België en zal ingevolge de richtlijn niet langer kunnen gehandhaafd worden. In België was deze evolutie reeds in het vooruitzicht gesteld door de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten (zie de toelichting tijdens de parlementaire voorbereiding van deze wet, Kamer, Parl. St. nr 1842/001, 2001-2002, p. 50-51). De concurrentie tussen executieplatformen is echter geen doel op zich. De richtlijn beoogt deze concurrentie te bevorderen teneinde aan beleggers een betere kwaliteit van orderuitvoering te verschaffen (inzonderheid door lagere kosten). Tegelijk beoogt de richtlijn bij te dragen tot deugdelijke prijsvormingsmechanismen, door een doorgedreven transparantieregime en door aangescherpte fiduciaire verplichtingen voor de marktdeelnemers (in het bijzonder het beginsel van « best execution », d.w.z. de optimale behartiging van de cliëntenbelangen bij de orderuitvoering). Teneinde beleggers of marktdeelnemers te allen tijde in staat te stellen de voorwaarden van een door hen overwogen aandelentransactie te beoordelen en achteraf te verifiëren onder welke voorwaarden deze transactie is uitgevoerd, bepaalt dit besluit, in uitvoering van de MiFID, regels voor de openbaarmaking van bijzonderheden over uitgevoerde aandelentransacties en voor de verstrekking van bijzonderheden over de op een gegeven moment bestaande handelsmogelijkheden. Deze regels zijn noodzakelijk om de effectieve integratie van de aandelenmarkten van de lidstaten te waarborgen, de efficiëntie van het algemene koersvormingsproces van aandelentransacties te bevorderen en tot de effectieve nakoming van de verplichtingen inzake "optimale uitvoering" bij te dragen. Een hoge graad van markttransparantie is in het bijzonder relevant om een level playing field tussen de verschillende handelsplatformen te waarborgen, zodat het prijsvormingsmechanisme voor individuele aandelen niet in het gedrang komt door de fragmentatie van de liquiditeit, waardoor beleggers zouden kunnen worden gepenaliseerd. De transparantieregeling geldt voor alle tot een gereglementeerde markt toegelaten aandelen. Voor deze aandelen gelden de regels in beginsel voor alle transacties, ongeacht of deze via een gereglementeerde markt, een MTF, een systematische internaliseerder of daarbuiten worden uitgevoerd. De richtlijn geldt niet voor andere financiële instrumenten dan aandelen. De richtlijn preciseert wel dat het de lidstaten vrij staat de eisen inzake transparantie vóór en na de handel toe te passen op andere financiële instrumenten dan aandelen. In dit besluit wordt hiertoe niet overgegaan. In dit verband worden de werkzaamheden van de Europese Commissie afgewacht die verslag zal uitbrengen over de al dan niet opportuniteit om communautaire regels terzake voor te stellen (zie in dit verband: CESR/07-108 « « Non-equity markets transparency, Call for evidence »). Dit besluit bevat dan ook geen bepalingen inzake markttransparantie in verband met andere financiële instrumenten dan aandelen. Dit doet geen afbreuk aan de specifieke regels die krachtens artikel 14 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten voor transacties in overheidseffecten kunnen worden bepaald. Er dient te worden gepreciseerd dat de door dit besluit krachtens MiFID geldende vereisten om bepaalde koersen, orders of transacties openbaar te maken, er gereglementeerde markten en MTF's niet van mag weerhouden van hun leden of deelnemers te verlangen andere soortgelijke informatie openbaar te maken. Conform de richtlijn en de in uitvoering ervan getroffen verordening 1287/2006 maakt dit besluit een onderscheid tussen enerzijds de transparantie vóór de handel en anderzijds de transparantie na de handel. 2. Transparantie vóór de handel De artikelen 33 en 34 regelen de transparantie vóór de handel, d.w.z. de informatieverstrekking aan de beleggers over de bestaande mogelijkheden tot verhandeling. Terwijl voor de gereglementeerde markten en de MTF's dezelfde regels gelden inzake transparantie vóór de handel (zie artikel 33), gelden er voor de daarbuiten afgesloten transacties enkel verplichtingen voor systematische internaliseerders en niet voor andere transacties die bemiddelaars buiten een extern platform afsluiten. Bovendien houden de verplichtingen voor de systematische internaliseerders rekening met de risico's inherent aan de uitoefening van de activiteiten van systematische internalisatie (zie artikel 34 en de hierna volgende toelichting). Het besluit maakt gebruik van de mogelijkheid om, voor transacties op gereglementeerde markten en MTF's, bepaalde orders (bv. gelet op hun omvang) vrij te stellen van bekendmaking (zie artikel 33, § 2). Deze ontheffing van de verplichtingen inzake transparantie vóór de handel maakt het beleggingsondernemingen echter niet mogelijk zich aan deze verplichtingen te onttrekken met betrekking tot transacties in liquide aandelen die zij - conform de regels van een gereglementeerde markt of een MTF - op bilaterale basis sluiten wanneer voor deze transacties, mochten zij niet volgens de regels van een gereglementeerde markt of een MTF worden uitgevoerd, de in artikel 34 van dit besluit (artikel 27 van MiFID) neergelegde verplichting zou gelden om koersen openbaar te maken (zie overweging 14 bij de verordening). Voor nadere toelichting bij de activiteiten die onder het begrip systematische internalisatie vallen, wordt verwezen naar de toelichting bij het besluit van 27 april 2007 dat er toe strekt de vereiste wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten aan te brengen in het kader van de omzetting van MiFID. De koersaffichageplicht van de systematische internaliseerders wordt gedetailleerd geregeld in artikel 34. Krachtens deze bepaling dienen systematische internaliseerders voor de aandelen, waarvoor ze systematisch internaliseren, een bindende prijs (aankoop en/of verkoop) publiek te maken voor een door hen gekozen volume zonder meer te moeten bedragen dan een bepaald transactievolume (dit volume wordt aangeduid als de standaard marktomvang). Nadere regels in dit verband worden in de verordening bepaald. Hierbij kan worden aangestipt dat systematische internaliseerders kunnen besluiten toegang tot hun koersen te verlenen aan uitsluitend niet-professionele beleggers, uitsluitend professionele beleggers of aan beide categorieën cliënten. Binnen die categorieën cliënten mogen zij niet discrimineren. Artikel 34 verplicht systematische internaliseerders er niet toe bindende koersen openbaar te maken voor transacties met een omvang die groter is dan het voornoemde transactievolume (standaard marktomvang). Systematische internaliseerders die uitsluitend boven voornoemd transactievolume handelen, zijn niet geviseerd door de prijsaffichageplicht. De voornoemde prijsaffichageplicht geldt enkel voor liquide aandelen, vermits voor deze aandelen de mogelijkheden tot indekking groter zijn dan voor illiquide aandelen. De verordening preciseert de criteria om de liquide aandelen te bepalen. Het gaat in wezen om aandelen, hetzij met minstens 500 transacties per dag, hetzij met een dagelijkse omzet van minstens 2 miljoen EUR. Dit besluit maakt geen gebruik van de door de verordening geboden mogelijkheid voor de lidstaten om de definitie van het begrip « liquide aandelen » in te perken door de voornoemde criteria cumulatief toe te passen. In de Belgische context zijn er geen omstandigheden die het gebruik van deze optie rechtvaardigen. Niet dagelijks verhandelde aandelen kunnen niet worden aangemerkt als aandelen waarvoor een liquide markt in de zin van MiFID bestaat. Indien de handel in een aandeel wordt opgeschort om uitzonderlijke redenen die met het behouden van een ordelijke markt of overmacht samenhangen en een aandeel bijgevolg gedurende een aantal handelsdagen niet wordt verhandeld, mag dit er evenwel niet toe leiden dat het betrokken aandeel niet kan worden aangemerkt als een aandeel waarvoor een liquide markt bestaat. Elke internaliseerder zal de lijst van de aandelen waarvoor hij wenst te internaliseren vrij kiezen en zal deze moeten bekendmaken. De verplichtingen die beleggingsondernemingen op grond van de MiFID hebben tot het vermelden van een bied- en/of laatkoers en tot het uitvoeren van een order tegen de vermelde prijs, ontslaan de beleggingsonderneming niet van de verplichting een order om te leiden naar een andere plaats van uitvoering, wanneer een dergelijke interne afhandeling zou kunnen verhinderen dat de onderneming de verplichtingen inzake optimale uitvoering nakomt. 3. Transparantie na de handel Het besluit bepaalt voorts de algemene regels betreffende de transparantie na de handel voor resp.gereglementeerde markten, MTF's (artikel 35) en beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (artikel 36). Het besluit maakt gebruik van de mogelijkheid die de richtlijn biedt dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen bloktransacties met vertraging mogen bekendmaken (artikel 35, § 2 en 36, vierde lid). Aldus erkent de richtlijn dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen die voor hun cliënten liquiditeit verstrekken voor grote transacties in de mogelijkheid moeten zijn om hun daaruit voortvloeiende positie in de markt af te wikkelen zonder een aanzienlijke marktimpact te veroorzaken. Dit wordt aanzien als een noodzakelijke bescherming om een activiteit die bijdraagt tot de globale marktliquiditeit te faciliteren. In het verlengde van het advies van CESR hierover kan de onderneming enkel van uitgestelde bekendmaking genieten, wanneer ze met cliënten handelt, vermits er anders geen sprake is van een dienst van liquiditeitsverschaffing die het uitstel van bekendmaking rechtvaardigt. 4. Limietorderpublicatie Artikel 37 van het besluit zet artikel 22 § 2.van de richtlijn om die voorziet in een regime van limietorderpublicatie. Andersluidende cliënteninstructies zijn echter mogelijk. Bovendien worden bloktransacties uitgesloten van deze regel. 5. Gemeenschappelijke voorschriften voor transparantie vóór de handel en na de handel Conform de verordening wordt de vóór en na de handel te verstrekken informatie beschouwd als zijnde openbaar gemaakt of voor het publiek beschikbaar gesteld wanneer zij via een van de volgende kanalen algemeen beschikbaar is gesteld voor beleggers in de Gemeenschap:
- a)de voorzieningen van een gereglementeerde markt of een MTF;
- b)de voorzieningen van een derde partij;
- c)eigen regelingen. Elke regeling voor de openbaarmaking van informatie dient aan een aantal kwaliteitsvereisten te voldoen. De verordening bepaalt inzonderheid dat dergelijke regelingen alle redelijke maatregelen moeten omvatten die nodig zijn om te waarborgen dat de openbaar te maken informatie betrouwbaar is, voortdurend op fouten wordt gecontroleerd en wordt gecorrigeerd zodra fouten worden ontdekt. De informatie moet tegen niet-discriminerende commerciële voorwaarden en redelijke kosten beschikbaar worden gesteld voor het publiek. Bovendien dient de samenvoeging van de gegevens met soortgelijke gegevens uit andere bronnen te worden vergemakkelijkt. In dit verband zijn werkzaamheden aan de gang van het Committee of European Securities Regulators (CESR), het netwerk van EU-effectentoezichthouders. Om een efficiënte prijsvorming te bewerkstellingen en om bij te dragen tot de effectieve nakoming van de verplichtingen inzake "optimale uitvoering" dient de via verschillende kanalen bekendgemaakte marktinformatie immers betrouwbaar te zijn en samengebracht te worden op een wijze die prijsvergelijking toelaat. CESR formuleerde een aantal voorstellen om de hinderpalen tot de consolidatie van de marktinformatie te verminderen (CESR, « CESR Guidelines and Recommendations on Publication and consolidation of market data », Februari 2007, CESR/07-043). Deze voorstellen sluiten aan bij de verplichting voor de lidstaten om de bestaande belemmeringen voor de consolidatie op Europees niveau wegnemen (zie overweging 34 van de MiFID). Informatie die openbaar moet worden gemaakt binnen een tijdsspanne die real time zo dicht mogelijk benadert, dient zo prompt mogelijk beschikbaar te worden gesteld als technisch haalbaar is, uitgaande van een redelijke mate van efficiëntie en een redelijke omvang van de uitgaven inzake systemen van de zijde van de betrokken persoon. De openbaarmaking van de informatie mag alleen dichtbij de maximumgrens van drie minuten plaatsvinden in uitzonderlijke gevallen waarin de beschikbare systemen geen openbaarmaking binnen een kortere tijdsspanne mogelijk maken (overweging 18 van de verordening). 6. Bevoegde autoriteit Dit besluit herneemt niet de in de verordening 1287/2006 opgenomen technische voorschriften in verband met markttransparantie, gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van de verordening.Gelet op de leesbaarheid van de regelgeving, zal de verordening wel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt. Artikel 38 van dit besluit duidt tevens de CBFA aan als de autoriteit die de door de verordening bepaalde taken zal verrichten. II. Multilaterale handelsfaciliteiten (artikelen 39 tot 48) Multilaterale handelsfaciliteiten (MTF'
- s)zullen voortaan kunnen worden uitgebaat door kredietinstellingen, daartoe vergunde beleggingsondernemingen en exploitanten van gereglementeerde markten. De richtlijn bepaalt voor MTF's een aantal regels met het oog op hun goede werking, integriteit en transparantie. Een deel van deze regels zijn bepalingen die gemeenschappelijk zijn voor alle categorieën van beleggingsondernemingen. Deze laatste voorschriften zijn grotendeels terug te vinden in de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, zoals gewijzigd in het kader van de omzetting van MiFID. Dit besluit regelt enerzijds de meer marktgebonden regels voor MTF's en anderzijds de grensoverschrijdende activiteiten van MTF's. De MiFID regelt niet de markttransparantie voor aandelen die op een MTF worden verhandeld, maar niet tegelijk op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. In het verlengde hiervan wordt in dit stadium niet voorgesteld om in de Belgische regelgeving gedetailleerde dwingende bepalingen in dit verband op te nemen. In uitvoering van artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten bepaalt artikel 40 van dit besluit niettemin dat de marktregels van de MTF's passende transparantievoorschriften dienen vast te stellen voor uitsluitend op een MTF verhandelde effecten. Deze regel zal met name van toepassing zijn op de aandelen die uitsluitend tot de Alternext-markt of tot de Vrije Markt (beide georganiseerd door door Euronext Brussels) worden verhandeld. Deze bepaling past binnen de vereiste dat de marktregels een billijke en ordelijke handel moeten waarborgen. De CBFA zal over het adequaat karakter van de door MTF's voorgeschreven markttransparantie waken, rekening houdend met de aard van de deelnemers op de betrokken markt. Voornoemd artikel 40 slaat enkel op aandelentransacties en niet op andere financiële instrumenten. Er wordt ook aan herinnerd dat voor aandelen die zowel op een MTF als op een gereglementeerde markt worden verhandeld de desbetreffende bepalingen van dit besluit die hoger werden toegelicht, van toepassing zijn. De artikelen 41 tot 46 van het besluit zijn de loutere omzetting in Belgisch recht van specifieke marktgebonden bedrijfsuitoefeningsvoorschriften voor (exploitanten van) MTF's die er toe strekken een hoge mate van level playing field met de gereglementeerde markten te realiseren. Artikel 47 van het besluit regelt de vrije dienstverlening door Belgische exploitanten van MTF's in andere lidstaten. Om de CBFA in staat te stellen aan toezichthouders van leden op afstand van Belgische MTF's de identiteit van die leden mee te delen, voert artikel 47, § 2, eerste lid, een verplichting in voor de Belgische MTF's om de CBFA in te lichten over de identiteit van haar leden. Artikel 48 regelt de markttoegang van buitenlandse MTF's in België inzonderheid door hen toe te staan in België schermen te plaatsen. Het zet ook artikel 62, § 3, van MiFID om dat de CBFA toelaat om t.a.v. dergelijke MTF's maatregelen te treffen ingeval de goede werking van de markten in gevaar is. De regels voor het oprichten in België van bijkantoren door kredietinstellingen of beleggingsondernemingen, die MTF's uitbaten, worden geregeld in resp. de bankwet van 22 maart 1993 en in de bepalingen getroffen krachtens de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. TITEL IV. - De transactiemelding Artikelen 49 tot 59. Om bij te dragen tot de financiële stabiliteit, de beleggersbescherming en de integriteit van de financiële markten, versterkt de Europese richtlijn 2004/39/EG de bevoegdheden van de administratieve autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten en de financiële transacties. De in artikel 25 van deze richtlijn opgenomen verplichting voor de beleggingsondernemingen en banken om hun transacties in financiële instrumenten, die tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten, aan de toezichthouder te melden vormt een kernaspect van deze aangescherpte toezichtsbevoegdheden. In een context van toenemende internationalisering van de financiële markten en van concurrentie tussen verschillende handelsplatformen (gereglementeerde markten, multilaterale verhandelingsfaciliteiten en bemiddelaars die transacties intern afwikkelen) is de transactiemelding van groot belang om de toezichthouders toe te laten hun taken te vervullen. In vergelijking met de regeling die voorheen (op grond van de beleggingsdienstenrichtlijn) gold, voorziet de MiFID bovendien in een uitwisseling van transactiemeldingen tussen bevoegde autoriteiten. Zo zullen alle EU-toezichthouders aan de toezichthouder van de meest liquide markt in een welbepaald financieel instrument de door hen ontvangen meldingen van transacties in dat instrument doorsturen. Dit biedt als pluspunt dat minstens één autoriteit in de Gemeenschap een volledig zicht zal hebben op alle transacties die hebben plaatsgevonden in het betrokken instrument. Transactiemelding vormt een onmisbaar instrument in het kader van de opsporing en beteugeling van marktmisbruik. Ze kan ook dienstig zijn om mogelijke inbreuken op bepaalde gedragsregels door bemiddelaars op te sporen. De artikelen 49 tot 59 van dit besluit strekken er toe om de Belgische regelgeving aan te passen aan de desbetreffende communautaire teksten. Dit besluit zet in de eerste plaats de bepalingen inzake transactiemelding om van de richtlijn 2004/39/EG van 21 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende markten voor financiële instrumenten. Met toepassing van de MiFID heeft de Commissie bovendien een verordening getroffen die de nadere regels bepaalt inzake transactiemelding. Deze verordening is rechtstreeks toepasselijk, maar vergt niettemin een aantal aanpassingen van de nationale regelgeving, zoals de aanduiding van de CBFA als de bevoegde Belgische autoriteit aan wie de meldingen dienen te geschieden. Voorts dient de handhaving van de uit de verordening voortvloeiende verplichtingen te worden verzekerd. Voor nadere toelichting bij een aantal aspecten van de richtlijnbepalingen kan worden verwezen naar de werkzaamheden van CESR (Committee of European Securities Regulators). Zo heeft CESR een consultatiedocument « Transaction reporting » (CESR/07-047) uitgebracht, waarin het een gemeenschappelijke aanpak over een aantal thema's aanbeveelt. Conform de richtlijn viseert het besluit de Belgische kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, alsook de in België gevestigde bijkantoren van communautaire kredietinstellingen en beleggingsondernemingen voor hun transacties op het Belgisch grondgebied. Deze laatste bijkantoren dienen hun transacties buiten het Belgisch grondgebied aan de toezichthouder van hun land van oorsprong te melden. De te melden transacties betreffen in de eerste plaats de tot een EER- gereglementeerde markt toegelaten financiële instrumenten, zoals de richtlijn vereist. Het speelt daarbij geen rol of de transacties in deze financiële instrumenten op de betrokken markt werden uitgevoerd of daarbuiten. Met betrekking tot financiële instrumenten die tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten dienen derhalve ook te worden gemeld : transacties op een multilaterale handelsfaciliteit of MTF; geïnternaliseerde transacties; andere buitenbeurstransacties. Daarnaast breidt het besluit het toepassingsgebied ratione personae uit tot de Belgische derivatenspecialisten en de in België gevestigde bijkantoren van niet-communautaire beleggingsondernemingen en kredietinstellingen. Dit sluit aan bij de bestaande regeling als vervat in het koninklijk besluit van 31 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten1 over de melding van transacties in financiële instrumenten en over de bewaring van gegevens. Met toepassing van artikel 15 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten breidt artikel 59 de meldplicht bovendien uit tot de transacties in financiële instrumenten die tot Alternext (een multilaterale handelsfaciliteit uitgebaat door Euronext Brussels) zijn toegelaten. Dit is noodzakelijk om de CBFA in staat te stellen om haar toezichtsopdrachten op die markt naar behoren te vervullen. Deze mogelijke uitbreiding werd voorzien in de overweging 45 van de MiFID die bepaalt dat de lidstaten de verplichting uitgevoerde transacties te melden ook kunnen toepassen op financiële instrumenten die niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. Instrumenten die enkel tot een niet-EU markt zijn toegelaten, zijn echter door het besluit niet geviseerd. Het besluit preciseert voorts de regels inzake de melding van de transacties, de wijze van melding en de inhoud van de melding, met dien verstande dat de lijst van de gegevens niet wordt hernomen vermits ze in de verordening is opgenomen. De naleving van deze regels wordt gecontroleerd door de CBFA met toepassing van de artikelen 33 e.v. van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten. Artikelen 53 tot 55 regelen voorts de uitwisseling van de informatie over de transacties tussen bevoegde autoriteiten. Naar verwachting zal het Committee of European Securities Regulators (CESR) een belangrijke rol spelen bij de nadere coördinatie van deze informatie-uitwisseling (zie overweging 9 bij de Verordening). De uit te wisselen gegevens zijn terug te vinden in de verordening zelf. Tenslotte bevat artikel 57 een bijzondere regeling voor de melding van transacties in lineaire obligaties, gesplitste effecten en schatkistcertificaten. De door de CBFA terzake ontvangen informatie (vanwege Belgische bemiddelaars of via het CESR-netwerk van buitenlandse autoriteiten) zal ter beschikking worden gesteld van het Rentenfonds. Deze overmaking van relevante informatie ligt in het verlengde van de taakverdeling tussen de CBFA en het Rentenfonds inzake het toezicht op de secundaire markten in overheidseffecten, zoals geregeld krachtens artikel 14 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten. TITEL V. - Organisatorische vereisten voor instellingen die beleggingsdiensten verstrekken (artikelen 60 tot 92) Hoofdstuk I - Beschermingsregels voor cliëntentegoeden Afdeling 1. - Algemene bepalingen Artikel 60. Bij wijze van inleiding legt artikel 60 van het ontwerp een aantal definities vast die de tekst uit legistiek oogpunt moeten vereenvoudigen. Op te merken valt dat de definitie van financieel instrument in het 4° geënt is op de definitie in artikel 3, 1° van de wet van 15 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2004 pub. 01/02/2005 numac 2005003036 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten sluiten betreffende financiële zekerheden, in zoverre expliciet wordt verwezen naar een recht op of ten aanzien van een financieel instrument. De bepaling handelt aldus over de rechten - van zakelijke aard (« een recht op ») of contractuele aard (« een recht ten aanzien van ») - die ontstaan door het deponeren van financiële instrumenten op een rekening bij een bemiddelaar. Om redenen van efficiëntie worden de effecten van beleggers door de bemiddelaars-bewaarders doorgaans op vervangbare basis aangehouden. De bemiddelaars die optreden als bewaarder maken daartoe gebruik van gezamenlijke cliëntenrekeningen (omnibus account) bij een centrale depositaris (al dan niet via een lokale bemiddelaar) bij wie de onderliggende effecten worden gedeponeerd of aangehouden. Het rechtstreekse eigendomsrecht van een deponent op de effecten die hij in bewaring heeft gegeven, verwordt bijgevolg in principe tot een louter vorderingsrecht, i.e. het recht om een welbepaalde hoeveelheid gelijkaardige effecten op te vragen, tenzij de toepasselijke wetgeving uitdrukkelijk voorziet in een zakelijk recht (meestal een recht van mede-eigendom in het geheel van de aldus samengebrachte effecten). Dit is de oplossing waarvoor in het Belgische recht is geopteerd voor de financiële instrumenten die op basis van vervangbaarheid in bewaring worden gehouden bij vereffeningsinstellingen of hun aangesloten leden (zie artikel 2, derde lid van het koninklijk besluit nr. 62), voor de gedematerialiseerde effecten van de overheidsschuld (zie artikel 3 en artikel 11 van de wet van 2 januari 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/01/1991 pub. 15/02/2018 numac 2018030379 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten), voor de thesaurie- en depositobewijzen die in gedematerialiseerde vorm zijn uitgegeven (zie artikel 7 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen, dat een aantal bepalingen van de wet van 2 januari 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/01/1991 pub. 15/02/2018 numac 2018030379 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten van toepassing verklaart), alsook voor de gedematerialiseerde effecten als bedoeld in de artikelen 468 en volgende van het Wetboek van vennootschappen. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de toepassing van de regels inzake wetsconflicten die toelaten uit te maken welke de toepasselijke wetgeving is die de aard bepaalt van het toepasselijke recht dat ontstaat door het deponeren van financiële instrumenten op een rekening (voor een beschrijving van de communautaire regeling en de bijdrage van het Verdrag van Den Haag van 5 juli 2006 inzake het recht dat van toepassing is op bepaalde rechten ten aanzien van effecten die via een bemiddelaar worden gehouden, zie J.-P. DEGUEE en D. DEVOS, « La loi applicable aux titres intermédiés : l'apport de la Convention de La Haye de décembre 2002 », Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht, 2006/1, p. 5). Daar waar afdeling II betrekking heeft op deposito's van cliëntengelden, handelt afdeling III over deposito's van financiële instrumenten en bevat afdeling IV de regels die gemeenschappelijk zijn voor beide categorieën van tegoeden. Afdeling 2. - Deposito's van cliëntengelden Artikel 61. Artikel 61 van het ontwerp zet artikel 16, lid 1,
- e)van richtlijn 2004/39/EG om door te stellen dat cliëntengelden die worden gedeponeerd bij een entiteit als bedoeld in artikel 77, § 2 van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, moeten worden geplaatst op rekeningen die strikt gescheiden zijn van de rekeningen die de beursvennootschap voor eigen rekening bij dezelfde instelling heeft geopend. In het tweede lid van deze ontwerpbepaling is bepaald dat deze afzonderlijke rekeningen waarop de cliëntengelden worden gedeponeerd, gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekeningen mogen zijn. Dit houdt in dat het rekeningen met subrubrieken op naam van individuele cliënten mogen zijn, alsook rekeningen die rechtstreeks op naam van individuele cliënten zijn geopend. Artikel 62. Artikel 62 van het ontwerp neemt het verbod over dat voorheen was opgelegd door artikel 3, derde lid van het ministerieel besluit van 31 december 1995 tot goedkeuring van het reglement op de belegging van cliëntengelden, en verbiedt de beursvennootschappen aldus om een valutarisico te lopen op de gelddeposito's die zij conform artikel 77, § 1, tweede lid van de wet in ontvangst nemen. Artikel 63. Artikel 63 van het ontwerp zet artikel 18, lid 2 van richtlijn 2006/73/EG om en definieert daarbij, voor de toepassing van artikel 77, § 2 van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, het begrip geldmarktfonds. Wanneer een beleggingsonderneming gelden die zij namens een cliënt aanhoudt, bij een erkend geldmarktfonds deponeert, moeten de rechten van deelneming in dit geldmarktfonds worden aangehouden overeenkomstig de vereisten inzake het aanhouden van financiële instrumenten die aan cliënten toebehoren. Voor de toepassing van deze bepaling wordt een ratingbureau competent geacht als het periodiek op professionele basis ratings voor geldmarktfondsen opstelt en het een externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) is die voldoet aan de voorwaarden van artikel V.12 van het Besluit van de CBFA van 17 oktober 2006 over het reglement op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen. Artikel 64 Artikel 64 van het ontwerp zet artikel 18, lid 3 van richtlijn 2006/73/EG om door een waakzaamheidsplicht op te leggen bij de keuze van de bemiddelaar bij wie de beursvennootschap cliëntengelden deponeert. Het tweede lid van deze bepaling in ontwerpvorm verplicht de beursvennootschap om rekening te houden met de beschermingsregeling die is ingesteld door de toepasselijke wetgeving voor de bemiddelaar bij wie de gelden zijn gedeponeerd, inzonderheid met een gelijkaardig wettelijk voorrecht als bedoeld in artikel 77, § 3 van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten waarin de buitenlandse wetgeving zou voorzien. Artikel 18, lid 3, derde alinea van richtlijn 2006/73/EG bepaalt dat de cliënt van een beursvennootschap het recht heeft om bezwaar aan te tekenen tegen de storting van zijn geld bij een erkend geldmarktfonds. Om te kunnen aantonen dat rekening wordt gehouden met een dergelijke weigering, bepaalt het derde lid van de ontwerpbepaling dat de contanten van de cliënten die een weigering te kennen hebben gegeven, gedeponeerd moeten worden op geïndividualiseerde cliëntenrekeningen of op specifiek aan deze cliënten toebehorende gezamenlijke cliëntenrekeningen. Afdeling 3. - Deposito's van financiële instrumenten van cliënten Artikel 65. Artikel 65 van het ontwerp zet artikel 17, lid 1 van richtlijn 2006/73/EG om door toe te staan dat beursvennootschappen en kredietinstellingen financiële instrumenten van hun cliënten deponeren bij derde bemiddelaars. Conform de richtlijn verplicht deze bepaling hen daarbij de nodige voorzichtigheid en waakzaamheid aan de dag leggen, meer bepaald bij de selectie, aanwijzing en periodieke beoordeling van deze derde bemiddelaars. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de zowel wettelijke als contractuele bepalingen die het aanhouden en bewaren van deze financiële instrumenten regelen, inzonderheid met de bepalingen die de aard bepalen van de rechten die ontstaan door het deponeren van financiële instrumenten op een rekening (doorgaans op basis van vervangbaarheid). Dit is een essentieel aspect aangezien de aard van het recht ten aanzien van de derde bemiddelaar bepalend is voor de beschermingsregeling van de betrokken financiële instrumenten, met name in geval van deficiëntie van de derde bemiddelaar. Artikel 66. Voor de omzetting van artikel 16, lid 1,
- d)van richtlijn 2006/73/EG, bepaalt artikel 66 van het ontwerp dat indien de bemiddelaar van een cliënt financiële instrumenten van cliënten deponeert bij een derde bemiddelaar, hij erop dient toe te zien dat de financiële instrumenten van de cliënten duidelijk worden onderscheiden van de financiële instrumenten die aan hun bemiddelaar toebehoren, alsook van de financiële instrumenten die aan de derde bemiddelaar zelf toebehoren. Indien de gebruikelijke manier om de financiële instrumenten te onderscheiden erin bestaat afzonderlijke rekeningen te hanteren waarop de financiële instrumenten van cliënten worden geplaatst (in dit geval mogen deze afzonderlijke rekeningen gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekeningen zijn), stelt het tweede lid van deze ontwerpbepaling, om in overeenstemming te zijn met de richtlijn, dat ook andere vergelijkbare maatregelen mogen worden gebruikt waarmee hetzelfde beschermingsniveau wordt bereikt. Artikel 67. Artikel 67 van het ontwerp verplicht de bemiddelaar (beursvennootschap of kredietinstelling) om bij de selectie van een derde bemiddelaar rekening te houden met het al dan niet bestaan van een voor deze derde bemiddelaar geldende reglementering die deze derde bemiddelaar verbiedt om aldus gedeponeerde financiële instrumenten zonder uitdrukkelijke toestemming van de cliënt te gebruiken. Rekening houdend met de harmonisatie die artikel 13, lid 7 van richtlijn 2004/39/EG en artikel 19 van richtlijn 2006/73/EG op dit punt verwezenlijken, heeft deze bepaling betrekking op de gevallen waarin de geselecteerde derde bemiddelaar ressorteert onder een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte. In aansluiting op artikel 65 van het ontwerp, bepaalt het tweede lid van deze ontwerpbepaling eveneens dat indien de bemiddelaar de keuze heeft tussen verschillende derde bemiddelaars, hij de derde bemiddelaar moet trachten te bevoorrechten bij wie de rechten die ontstaan door de plaatsing van financiële instrumenten op een rekening, uit hoofde van hun aard toelaten om de financiële instrumenten terug te vorderen ook al wordt een insolventieprocedure geopend die een weerslag heeft op deze derde bemiddelaar. Artikel 68. Met artikel 68 van het ontwerp wordt artikel 17, lid 2 en 3 van richtlijn 2006/73/EG omgezet. Paragraaf 1 verplicht de bemiddelaar om een derde bemiddelaar te selecteren die onderworpen is aan een specifieke regelgeving en een specifiek prudentieel toezicht die een kader vormen voor het aanhouden van financiële instrumenten voor rekening van derden. Van deze verplichting kan volgens paragraaf 2 enkel worden afgeweken indien dit vereist is gezien de aard van de betrokken financiële instrumenten of de met deze financiële instrumenten verband houdende beleggingsdiensten, of indien de financiële instrumenten worden aangehouden namens een professionele cliënt die dit uitdrukkelijk heeft gevraagd. Artikel 69. Conform artikel 19 van richtlijn 2006/73/EG preciseert artikel 69 van het ontwerp de verplichting om de uitdrukkelijke toestemming van de cliënt te verkrijgen teneinde de financiële instrumenten te mogen gebruiken die hij heeft gedeponeerd. Paragraaf 1 van deze ontwerpbepaling maakt een onderscheid in het gebruik dat van de financiële instrumenten wordt gemaakt naargelang het niveau waarop zij in bewaring worden genomen, namelijk, enerzijds, het gebruik van financiële instrumenten die worden aangehouden in de boeken van de bemiddelaar (beursvennootschap of kredietinstelling) van de cliënt (eerste niveau van geïntermedieerde bewaarneming), en, anderzijds, het gebruik van financiële instrumenten die de bemiddelaar van de cliënt, voor rekening van de cliënt, aanhoudt bij een derde bemiddelaar (tweede niveau van geïntermedieerde bewaarneming). Voor dit tweede niveau van bewaarneming waarvan uitdrukkelijk sprake is in de richtlijn (artikel 19, lid 2), regelt § 2 van de ontwerpbepaling het geval van financiële instrumenten die op een gezamenlijke rekening worden aangehouden. Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de deposito's van cliëntengelden en de deposito's van financiële instrumenten van cliënten Teneinde herhalingen in de vorige afdelingen te vermijden, zijn in afdeling IV de regels opgenomen die gemeenschappelijk zijn voor de deposito's van gelden en de deposito's van financiële instrumenten. In de eerste onderafdeling wordt artikel 16, leden 1, f), 2 en 3 omgezet. De tweede onderafdeling handelt over de regels inzake informatieverstrekking aan de cliënten, die voortvloeien uit de artikelen 29, lid 2 en 3, 32 en 43 van richtlijn 2006/73/EG. Artikel 70. Paragraaf 2 van artikel 70 van het ontwerp leunt nauw aan bij artikel 9 van het voormelde ministerieel besluit van 31 december 1995. Met paragraaf 3 wordt artikel 16, lid 2 van richtlijn 2006/73/EG omgezet door het nemen van maatregelen op te leggen om de rechten van de cliënten te vrijwaren. Aldus kunnen de bemiddelaars een analyse maken van de geldende wetgevingen wat betreft het recht op terugvordering van bij een derde bemiddelaar gedeponeerde tegoeden en de insolventieprocedures die tegen deze derde bemiddelaar kunnen worden geopend, en dit zowel in het licht van de geldende internationaal privaatrechtelijke regels als van de materieelrechtelijke regels. Indien de bescherming die door deze regels wordt verleend, beperkter blijkt te zijn dan de bescherming die door artikel 77 van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten wordt geboden, is het enkel toegestaan tegoeden van cliënten bij een derde bemiddelaar te deponeren indien de bemiddelaar de passende maatregelen neemt om de rechten van zijn cliënten te vrijwaren, met name door passende informatie te verstrekken. Artikel 71. Met artikel 71 van het ontwerp wordt artikel 16, lid 3 van richtlijn 2006/73/EG omgezet. Artikel 72. Met artikel 72 van het ontwerp worden artikel 32, leden 1 tot 4 en artikel 29, lid 2 van richtlijn 2006/73/EG omgezet. Het eerste tot vierde lid zetten respectievelijk de leden 1 tot 4 van het voornoemde artikel 32 om. Artikel 73. Met artikel 73 van het ontwerp wordt artikel 32, lid 5 omgezet. Artikel 74. Met artikel 74 van het ontwerp worden artikel 32, lid 6 en artikel 29, lid 2 van richtlijn 2006/73/EG omgezet. Artikel 75. Met artikel 75 van het ontwerp worden artikel 32, lid 7 en artikel 29, lid 2 van richtlijn 2006/73/EG omgezet. Artikel 76. Artikel 76 van het ontwerp zet artikel 43 van richtlijn 2006/73/EG om, wat de verplichting betreft om de cliënten een overzicht van de aangehouden tegoeden te bezorgen. Deze bepaling geldt ten aanzien van alle cliënten, zonder uitzondering voor « in aanmerking komende tegenpartijen ». Paragraaf 1, 2° van deze ontwerpbepaling handelt over de specifieke informatie die moet worden verstrekt over het gebruik dat werd gemaakt van de financiële instrumenten van cliënten. Paragraaf 2 laat, ingeval diensten van vermogensbeheer worden verleend, toe het overzicht van de tegoeden van de cliënt op te nemen in het periodieke overzicht dat met toepassing van ontwerpartikel 22 wordt overgelegd. Hoofdstuk II. - Specifieke organisatorische vereisten voor instellingen die beleggingsdiensten verrichten Afdeling 1. - Algemene bepalingen Artikel 77. Dit artikel definieert het toepassingsgebied van de specifieke organisatorische vereisten die aan de instellingen worden opgelegd die beleggingsdiensten verrichten. Wat de beleggingsondernemingen betreft zullen deze bepalingen steeds gelden. De kredietinstellingen zijn enkel onderworpen aan deze regels in de mate ze beleggingsdiensten verrichten. Aangezien de beheervennootschappen van ICB's zowel aan collectief beheer doen als aan beleggingsdiensten werd ervoor geopteerd de bepalingen van dit hoofdstuk onverkort op hen van toepassing te verklaren. Voor de autonoom beheerde ICB's werd ervoor geopteerd om enkel de bepalingen van toepassing te verklaren die betrekking hebben op de persoonlijke transacties van de medewerkers. De regels gelden tenslotte eveneens voor de in België gevestigde bijkantoren van beleggingsondernemingen die ressorteren onder het recht van landen die geen lid zijn van de Europees Economische Ruimte. Artikel 78. Dit artikel definieert een aantal begrippen die door de richtlijn worden gebruikt bij de behandeling van de regels inzake de persoonlijke verrichtingen van medewerkers van de instellingen en bij de regels inzake het onderzoek op beleggingsgebied. Afdeling 2. - Belangenconflicten Artikel 79. Dit artikel dient te worden gelezen tegen de achtergrond van artikel 62bis van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en artikel 20bis van de bankwet. Deze bepalingen verplichten de verstrekkers van beleggingsdiensten om passende maatregelen van organisatorische en administratieve aard te nemen om te voorkomen dat belangenconflicten de belangen van de cliënten zouden schaden. Onderhavig artikel voert de hieraan voorafgaande verplichting in om redelijke maatregelen te treffen om gebeurlijke belangenconflicten tussen de instelling en haar cliënten of tussen haar cliënten onderling te onderkennen. De omstandigheden die moeten worden behandeld als omstandigheden die een belangenconflict doen ontstaan, moeten betrekking hebben op gevallen waarin er een conflict bestaat tussen enerzijds de belangen van de onderneming of bepaalde personen die verbonden zijn met de onderneming of de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt, en anderzijds de plicht van de onderneming ten aanzien van de cliënt, dan wel tussen de belangen van twee of meer van haar cliënten ten aanzien van wie de onderneming een plicht heeft. Dergelijke plicht kan een plicht zijn onder de uit MiFID volgende regels, maar ook een andere fiduciaire plicht. Het feit dat een onderneming een voordeel kan behalen zonder dat daar een mogelijk nadeel voor een cliënt tegenover staat, of dat een cliënt ten aanzien van wie de onderneming een plicht heeft, een voordeel kan behalen zonder dat daar een verlies voor een van haar andere cliënten tegenover staat, is op zich niet voldoende. De belangenconflictenregeling geldt ongeacht het soort van cliënten (tegenpartij, professionele of niet-professionele cliënt) waarmee de onderneming handelt. Er wordt gepreciseerd dat de ondernemingen een verplichting hebben om redelijke maatregelen te treffen om belangenconflicten te onderkennen en te beheersen, en geen absolute verplichting. Artikel 80. Dit artikel is het derde luik van de belangenconflictenregeling die er in bestaat dat de instellingen de belangenconflicten dienen te identificeren (zie artikel 79), te beheersen (zie de hierboven vermelde wettelijke bepalingen) en, desgevallend, aan de cliënten bekend te maken. Indien de administratieve en organisatorische maatregelen tot beheersing van de belangenconflicten ontoereikend zouden zijn, dient de instelling de cliënt steeds voorafgaandelijk in te lichten over de aard en de bronnen van het belangenconflict. De bekendmaking van belangenconflicten door een instelling mag haar niet vrijwaren van de verplichting om de vereiste doeltreffende organisatorische en administratieve regelingen te treffen en te handhaven. Een overmatige nadruk op openbaarmaking zonder voldoende aandacht voor de wijze waarop de conflicten op organisatorisch en administratief vlak het best kunnen worden beheerd, is dan ook niet toegestaan. M.a.w. het is niet toereikend dat ondernemingen hun belangenconflictenbeleid baseren op de bekendmaking van de soorten van mogelijke belangenconflicten waarvoor ze geen maatregelen ter beheersing zouden nemen. Artikel 81. Dit artikel voegt conform de richtlijn een aantal niet-exhaustieve criteria in van situaties die de instellingen dienen te onderkennen als mogelijke belangenconflicten. Artikel 82. Dit artikel voert de verplichting in voor de instellingen om een belangenconflictenbeleid uit te werken. Het artikel geeft conform de richtlijn een inventaris weer van de minimale inhoud van dit beleid. Zo dient dit beleid onder meer de omstandigheden te omschrijven die een belangenconflict vormen of kunnen doen ontstaan. Daarbij moet de beleggingsonderneming bijzondere aandacht besteden aan: onderzoek op beleggingsgebied; de verlening van beleggingsadvies; handel voor eigen rekening; vermogensbeheer; activiteiten op het gebied van bedrijfsfinanciering, met inbegrip van het overnemen of verkopen bij een aanbieding van effecten; de advisering over fusies en overnames. Speciale aandacht is vereist wanneer de onderneming of een persoon die direct of indirect met haar verbonden is door een zeggenschapsband, een combinatie van twee of meer van deze activiteiten verricht. De instellingen moeten zich verder ten doel stellen de belangenconflicten die zich in de afzonderlijke afdelingen en bij de activiteiten van hun groep voordoen, te onderkennen en te beheren in het kader van een alomvattend belangenconflictenbeleid binnen de instelling of de groep. Er kan tenslotte worden verwezen naar de bestaande wettelijke regeling in verband met de externe functies van leiders (zie artikel 70 van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten en artikel 27 van de bankwet) die er eveneens toe strekt bij te dragen tot een effectief belangenconflictenbeleid. Artikel 83. Dit artikel heeft betrekking op de modaliteiten van de door artikel 80 voorgeschreven informatieverstrekking aan de cliënten over belangenconflicten. Artikel 84. Dit artikel voert de verplichting in voor de instelling om tot registratie over te gaan van de potentiële of reële belangenconflicten waarbij er een wezenlijk risico bestaat dat de belangen van de cliënten worden geschaad. Afdeling 3. - Persoonlijke verrichtingen Artikel 85. Dit artikel voert overeenkomstig de richtlijn regels in met betrekking tot de persoonlijke verrichtingen van de medewerkers, de relevante personen, die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten. De wettelijke basis van deze regels is inzonderheid te vinden in artikel 62bis van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Het artikel gaat uit van een principieel verbod tot persoonlijke verrichtingen indien deze in strijd zou zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit de Richtlijn 2003/6/EG inzake marktmisbruik of de Richtlijn 2004/39/EG of die gepaard gaan met misbruik of ongeoorloofde bekendmaking van vertrouwelijke informatie. Artikel 86. Dit artikel voorziet in een strenger regime voor de persoonlijke verrichtingen van financiële analisten en andere relevante personen die betrokken zijn bij onderzoek op beleggingsgebied (« research »). Deze regels doen geen afbreuk aan de regels voor de financiële analisten en relevante personen betrokken bij het onderzoek op beleggingsgebied voorzien bij het koninklijk besluit van 5 maart 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten2 betreffende de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten. Conform de richtlijn bevat dit artikel naast de verbodsbepalingen een uitzonderingsregime waarin de betrokken personen toch persoonlijke verrichtingen mogen verrichten, mits schriftelijke toestemming van de compliance functie of van een persoon van de juridische dienst van de instelling. Hieronder mogen bijvoorbeeld de situaties worden gerekend waarin de financiële analist of een andere relevante persoon zich om persoonlijke, met financiële moeilijkheden verband houdende redenen gedwongen ziet een positie te liquideren. Artikel 87. Dit artikel voorziet in een specifieke melding- en registratieplicht van alle persoonlijke verrichtingen van de relevante personen die onderworpen zijn aan het specifieke regime van de persoonlijke verrichtingen. Daarbij hebben de instellingen de keuze de betrokken relevante personen te verplichten al hun persoonlijke verrichtingen te melden of zij kunnen een systeem uitwerken waarbij zij in staat zijn alle persoonlijke verrichtingen te onderkennen. Hierbij wordt met name gedacht aan de locatieverplichting, wat inhoudt dat de betrokken relevante personen verplicht worden al hun persoonlijke verrichtingen te doen op een rekening waar de instelling zicht op heeft. Dit kan zowel gaan om een rekening bij de betrokken instelling zelf als om een rekening bij een andere instelling waarmee de betrokken instelling een specifieke overeenkomst heeft afgesloten. Instellingen kunnen hun relevante personen een verklaring laten ondertekenen waarin deze verklaren zich bewust te zijn van de inzake hun persoonlijke transacties toepasselijke beperkingen. Wanneer achtereenvolgende persoonlijke verrichtingen namens een persoon worden uitgevoerd conform vooraf door deze persoon gegeven instructies hoeven de verplichtingen inzake persoonlijke verrichtingen niet te gelden voor elk van deze achtereenvolgende verrichtingen als de desbetreffende instructies ongewijzigd van kracht blijven. Ook hoeven deze verplichtingen niet te gelden voor de intrekking of herroeping van dergelijke instructies voor zover de financiële instrumenten die eerder in het kader van de instructies waren verworven, niet tegelijk met de intrekking of herroeping van de instructies van de hand worden gedaan. Wel moeten deze verplichtingen gelden bij een persoonlijke verrichting of bij aanvang van achtereenvolgende persoonlijke verrichtingen die namens een en dezelfde persoon worden uitgevoerd indien deze instructies worden gewijzigd of nieuwe instructies worden gegeven. Artikel 88. Dit artikel voorziet conform de richtlijn in een uitzonderingsregime voor de regels inzake persoonlijke verrichtingen. Het betreft de gevallen waarin de persoonlijke verrichtingen gebeuren in het kader van een overeenkomst voor vermogensbeheer of waar deze verrichtingen betrekking hebben op ICB's die voldoen aan de voorwaarden van de wet van 20 juli 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2004 pub. 09/03/2005 numac 2005003063 bron federale overheidsdienst financien Wet betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles sluiten betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles. Afdeling 4. - Specifieke organisatorische vereisten bij onderzoek op beleggingsgebied Onderzoek op beleggingsgebied wordt in deze afdeling als een subcategorie gedefinieerd van het soort informatie dat in artikel 25bis, § 3 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten en het koninklijk besluit van 5 maart 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten2 betreffende de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten, gedefinieerd wordt als een aanbeveling, maar het is van toepassing op alle financiële instrumenten. Voor zover het bij dit soort aanbevelingen niet om onderzoek op beleggingsgebied gaat in de zin van deze afdeling, blijven ze onderworpen aan de bepalingen van artikel 25bis, § 3 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten en het koninklijk besluit van 5 maart 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten2 betreffende de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten. Tot de verspreiding van onderzoek op beleggingsgebied onder cliënten of het publiek dient niet te worden gerekend: de verspreiding uitsluitend onder personen binnen de groep waarvan de beleggingsonderneming deel uitmaakt. Onverminderd de bepalingen opgenomen in deze afdeling inzake de productie of verspreiding van onderzoek op beleggingsgebied zouden ook andere producenten van onderzoek op beleggingsgebied dan beleggingsondernemingen moeten overwegen een intern beleid en interne procedures vast te stellen die ervoor zorgen dat de in dit besluit neergelegde beginselen betreffende de bescherming van de onafhankelijkheid en objectiviteit van dit onderzoek worden nageleefd. Artikel 89. Dit artikel vergt dat de specifieke regels en procedures inzake belangenconflicten voorzien bij artikel 82 van toepassing zijn op de financiële analisten en de andere relevante personen betrokken bij het onderzoek op beleggingsbeleid. Deze getroffen maatregelen en regelingen moeten toereikend zijn om de objectiviteit en onafhankelijkheid te beschermen van de financiële analisten en van het door hen geproduceerde onderzoek op beleggingsgebied. Deze maatregelen en regelingen moeten ervoor zorgen dat financiële analisten voldoende afstand nemen van de belangen van degenen van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hun verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd zijn met de belangen van degenen onder wie het onderzoek op beleggingsgebied wordt verspreid. Tot degenen van wie redelijkerwijze mag worden aangenomen dat hun verantwoordelijkheden of zakelijke belangen in strijd zijn met de belangen van de personen onder wie onderzoek op beleggingsgebied wordt verspreid moeten onder meer worden gerekend: de medewerkers die actief zijn op het gebied van bedrijfsfinanciering, alsmede degenen die in naam van cliënten of de onderneming verkopen en handelen. Artikel 90. Dit artikel gaat verder in op de concrete inhoud van de maatregelen die moeten worden getroffen om de objectiviteit van de financiële analisten te verzekeren en om het risico op belangenconflicten die de belangen van cliënten kunnen schaden, te voorkomen. Financiële analisten mogen zich volgens de richtlijn niet inlaten met andere activiteiten dan de productie van onderzoek op beleggingsgebied wanneer een dergelijke betrokkenheid onverenigbaar is met de waarborging van hun objectiviteit. Als onverenigbaar met de waarborging van hun objectiviteit moet gewoonlijk worden aangemerkt: medewerking aan zakenbankactiviteiten als bedrijfsfinanciering en overneming, aan "pitches" voor nieuwe bedrijven, aan roadshows voor nieuwe emissies van financiële instrumenten of aan andere vormen van marketing ten behoeve van uitgevende instellingen. Kleine giften of kleine gunsten in natura van een lagere waarde dan gespecificeerd in het kader van het door de onderneming gevoerde beleid inzake belangenconflicten en genoemd in de samenvatting van dit beleid die aan cliënten ter beschikking gesteld wordt, hoeven voor de toepassing van de voorschriften voor onderzoek op beleggingsgebied niet te worden aangemerkt als « voordelen » in de zin van artikel 7 van dit besluit. Artikel 91. Dit artikel voorziet in een uitzonderingsregime voor de instellingen die gebruik maken van het onderzoek op beleggingsgebied dat door derden wordt geproduceerd. Als voorwaarde wordt daarbij onder meer gesteld dat de instelling geen ingrijpende wijzigingen mag aanbrengen aan dit onderzoek. Indien dit het geval zou zijn, gelden dezelfde eisen als die welke gelden voor de productie van dergelijk onderzoek zelf. TITEL V. - Buitenlandse beleggingsondernemingen Artikelen 92 tot 100. De artikelen 92 tot 100 bevatten de wijzigingen in het koninklijk besluit van 20 december 1995 betreffende de buitenlandse beleggingsondernemingen. Artikel 93 vervangt integraal Titel II van voornoemd besluit dat betrekking heeft op de bijkantoren en dienstverrichtingen in België van beleggingsondernemingen die onder het recht van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte ressorteren. Het betreft in hoofdzaak een herformulering om rekening te houden met de bepalingen van de Europese richtlijn 2004/39/EG. De publicatie door de CBFA in het Belgisch Staatsblad van de lijst van de buitenlandse beleggingsondernemingen wordt voortaan vervangen door een bekendmaking op de website van de CBFA (nieuw artikel 4, derde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1995). Het vereiste (van het bestaande artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 1995) dat de naam van de beleggingsondernemingen die hun bedrijf in België uitoefenen, dient voorafgegaan of gevolgd te worden door de melding van hun land van herkomst en, desgevallend, hun zetel wordt voortaan weggelaten. De bepalingen ter uitvoering van artikel 30 van de uitvoeringsrichtlijn leggen de beleggingsondernemingen immers op dit vlak uitgebreide informatieverplichtingen op. De bestaande bepaling (artikel 8 van het voornoemde besluit) die preciseert dat geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving, bij de uitoefening van de beleggings- en nevendiensten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen, met inbegrip van de gedragsregels die in België van toepassing zijn op de beleggingsondernemingen en hun verrichtingen, om redenen van algemeen belang, wordt opgeheven, evenals de eraan gekoppelde verplichting voor de CBFA om mee te delen welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn. De oplegging van dergelijke regels is niet langer mogelijk ingevolge het niveau van harmonisatie dat door de MiFID-richtlijn is gerealiseerd, in de door de richtlijn bestreken materies. Een en ander doet geen afbreuk aan de verplichting voor buitenlandse beleggingsondernemingen tot naleving van de bepalingen die tot de bevoegdheid van de CBFA blijven behoren. Er kan worden verwezen naar de bevoegdheid van de CBFA inzake het toezicht op de naleving door de in België gevestigde bijkantoren van bepaalde gedragsregels, wat hun transacties op het Belgisch grondgebied betreft. In afwijking van het beginsel dat in het kader van de vestiging van bijkantoren de lidstaat van herkomst verantwoordelijk is voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van de verplichtingen, is het immers aangewezen dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de naleving van bepaalde verplichtingen met betrekking tot diensten via een bijkantoor binnen het grondgebied waar het bijkantoor gevestigd is, aangezien deze autoriteit het dichtst bij het bijkantoor staat en derhalve in een betere positie verkeert om inbreuken op voor de werkzaamheden van het bijkantoor geldende regels op te sporen en aan te pakken. Deze toewijzing van bevoegdheden belet niet dat tussen toezichthouders praktische afspraken over taakverdeling kunnen worden gemaakt om te komen tot een gestroomlijnde en efficiënte controleaanpak (zie in dit verband de CESR-werkzaamheden en in het bijzonder het consultatiedocument « The Passport under MiFID », December 2006, CESR 06-669). De CBFA kan dergelijke afspraken met buitenlandse toezichthouders maken met toepassing van artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom. 02/08/2002 pub. 04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom. 02/08/2002 pub. 22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen sluiten. Overeenkomstig het nieuwe artikel 6, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 december 1995 kan de CBFA de bijkantoren gelasten om aan haar gegevens mee te delen van dezelfde aard als worden gevraagd van de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht omtrent aspecten die niet behoren tot de bevoegdheid van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst. Deze bepaling, die vroeger voorkwam in artikel 9, tweede lid, viseert bijvoorbeeld het jaarlijkse verslag van de onderneming over de toepassing van de witwasreglementering. Er kan immers worden herinnerd aan het feit dat de witwaswetgeving van 11 januari 1993 zich, conform de witwasrichtlijn, eveneens uitstrekt tot de in België gevestigde bijkantoren van communautaire beleggingsondernemingen. Het in het voornoemde besluit bepaalde regime voor de werkzaamheden in België van niet-communautaire beleggingsondernemingen blijft grotendeels ongewijzigd, behoudens een aantal aanpassingen van verwijzingen. Er wordt aan herinnerd dat krachtens het communautair recht de bijkantoren van niet EU ondernemingen niet meer gunstig mogen worden gehandeld dan de communautaire ondernemingen. Deze bijkantoren uit derde landen genieten niet van het Europees paspoort. TITEL VII. - Overgangs-, wijzigings- en slotbepalingen (artikelen 101 tot 106) Deze artikelen regelen de inwerkingtreding van het besluit (conform MiFID op 1 november 2007) en voorziet in een aantal overgangsbepalingen. Tevens worden de bestaande besluiten opgeheven die betrekking hebben op de voortaan door dit besluit geregelde materies. Gegeven te Brussel, 3 juni 2007. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. RENDERS 3 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot bepaling van nadere regels tot omzetting van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, inzonderheid op artikel 20bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten3; Gelet op de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/1995 pub. 29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, inzonderheid op artikel 62bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten3, op artikel 77, gewijzigd bij de wet van 30 januari 1996 en de koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 27 april 2007, op artikel 77bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten3, op artikel 77ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State type wet prom. 02/04/2003 pub. 16/04/2003 numac 2003000298 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, en van het Kieswetboek sluiten3, op artikel 110 en op artikel 111; Gelet op de wet van 2 augustus