{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Immers, wanneer er één of meer overlevenden zijn, zijn die er in principe toe gehouden de uitvoering van de opdracht voort te zetten, onafhankelijk van het feit of er ook rechthebbenden zijn van de overledene die zich hiertoe geroepen zouden kunnen voelen. Op basis van de stand van de opdracht die tegensprekelijk wordt opgesteld, oordeelt de aanbestedende overheid dan of de opdracht al dan niet moet worden verbroken, rekening houdend met de draagkracht van één of meer van de overlevenden en eventueel dus ook van de rechthebbenden van de overledenen. Art. 62.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 21, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de verbreking van de opdracht door de aanbestedende overheid wanneer één van de daarin voormelde situaties zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze situaties die zich voordoen in de loop van de uitvoering, maken het onmogelijk of in elk geval moeilijk om de contractuele band te behouden omdat de opdrachtnemer niet meer bekwaam is om zijn verbintenissen na te komen of veroordeeld is wegens deelname aan sommige misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de diverse opgesomde gevallen betreft, zijn die bedoeld in punt 1° ruimer omdat ze alle uitsluitingssituaties omvatten en niet enkel het faillissement of een vergelijkbare situatie in de nationale wetgevingen en reglementeringen. Inzake het faillissement of een vergelijkbare situatie moet worden opgemerkt dat een opdrachtnemer die onderworpen zou zijn aan de wetgeving betreffende de continuïteit van de ondernemingen, niet tot dit toepassingsgebied behoort. Elke overdracht die zou plaatsvinden in het kader van deze wetgeving, dient vanzelfsprekend te gebeuren met inachtneming van de bepalingen van dit besluit betreffende de overdracht van opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien bevat deze bepaling geen punt 6° meer betreffende de schrapping van de registratie van de opdrachtnemer. De programmawet van 27 april 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/05/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/1997 numac 1997021155 bron diensten van de eerste minister 5 MEI 1997 Wet betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling sluiten0 heeft het systeem van de registratie en van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale en fiscale schulden immers grondig hervormd. Zo is de verplichting om afhoudingen te verrichten niet langer verbonden aan een registratie als dusdanig maar wel aan het feit dat de onderneming, in het kader van de registratie, daadwerkelijk sociale en fiscale schulden heeft. Art. 63.Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm artikel 21, § 5, van de Algemene aannemingsvoorwaarden over, betreffende de vereffening van de opdracht in geval van verbreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende aanpassingen worden evenwel aangebracht : - in het eerste lid zijn de ingeroepen verbrekingsgronden die van de artikelen 61 en 62 van dit ontwerp en niet meer alleen die van artikel 21, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, die vermeld zijn in artikel 62 van dit ontwerp. Bovendien wordt de bepaling vereenvoudigd zodat één enkele zin zowel de opdrachten voor werken als die voor leveringen en diensten omvat; - het tweede lid vormt een nieuwe precisering die een oplossing moet bieden wat de raamovereenkomst betreft. Volgens de bepaling zijn de artikelen 61 en 62 zowel van toepassing op de raamovereenkomst als op de latere opdrachten die op basis van die overeenkomst zijn gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende overheid heeft evenwel het recht om te beslissen dat de verbreking van de raamovereenkomst geen gevolgen heeft voor deze latere opdrachten. Deze bepaling strekt ertoe een soepeler beheer van deze opdrachten mogelijk te maken ten opzichte van de raamovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opleveringen en waarborgen Art. 64.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 19, § 1, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de oplevering van de prestaties, een begrip dat gedefinieerd is in artikel 2, 15°, van dit ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel herinnert in de eerste plaats aan het principe dat de prestaties slechts worden opgeleverd nadat de controles, de keuringen en de voorgeschreven proeven voldoening schenken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst maakt een onderscheid tussen de voorlopige oplevering na afloop van de uitvoering van de prestaties en de definitieve oplevering bij het verstrijken van de waarborgtermijn. Dit doet geen afbreuk aan de eventuele toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemers en architecten overeenkomstig de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek voor de zware gebreken die de stevigheid van een bouwwerk in gevaar brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid strekt ertoe het einde van de raamovereenkomst te bepalen die met één enkele opdrachtnemer is gesloten. Dit is immers noodzakelijk om sommige formaliteiten te kunnen vervullen zoals de vrijgave van de borgtocht of de aanvangsdatum van sommige in dit ontwerp vastgestelde termijnen, met name voor de indiening van klachten of verzoeken. Deze bepaling heeft slechts zin indien de raamovereenkomst met één enkele opdrachtnemer is gesloten. Een globale borgstelling is immers ondenkbaar indien de raamovereenkomst met meerdere opdrachtnemers is gesloten. Art. 65.Dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, de inhoud over van artikel 19, § § 2, tweede en derde lid, en 3 tot 7, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is gewijd aan de door de opdrachtnemer verstrekte waarborg die, in voorkomend geval, ook geregeld wordt in de aanvullende bepalingen van de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de eventuele bijkomende commerciële waarborgen die de opdrachtnemer kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de tweede paragraaf moet de aanbestedende overheid een proces-verbaal opmaken voor elke beschadiging of buitendienststelling en dit vóór het verstrijken van de waarborgtermijn. Bovendien moet de opdrachtnemer binnen dertig dagen bij aangetekende brief worden ingelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde paragraaf behandelt de vervanging op kosten van de opdrachtnemer van de producten die geen gebruik toelaten dat in overeenstemming is met de voorwaarden van de opdracht of die buiten dienst geraken, alsook de gevolgen in geval van niet-vervanging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf bevat de modaliteiten voor de herstelling van de beschadigingen die tijdens de waarborgtermijn zijn opgetreden. De zin « Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de aanbestedende overheid herstellingswerken doen uitvoeren door een derde op kosten van de opdrachtnemer, die behoorlijk verwittigd wordt door middel van een proces-verbaal. » is geschrapt omdat die een herhaling is van artikel 47 van dit ontwerp dat overeenstemt met artikel 20 van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vijfde paragraaf handelt over de waarborgtermijn die van toepassing is op de producten die ter vervanging worden geleverd. Afdeling 11. - Algemene betalingsvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel groepeert enkele bepalingen van artikel 4, § § 2 en 3, drie eerste zinnen, van het koninklijk besluit van 26 september 1996 en artikel 15, § 5, eerste lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden De eerste paragraaf bepaalt de verschillende wijzen waarop de prijs wordt betaald. De betaling kan in één keer plaatsvinden na de volledige uitvoering van de opdracht, maar ook met betalingen in mindering naargelang de uitvoering van de opdracht vordert, volgens de voorwaarden van de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid van dezelfde paragraaf kan de betaling slechts plaatsvinden indien twee voorwaarden vervuld zijn : de aanbestedende overheid moet een proces-verbaal opmaken en de opdrachtnemer een schuldvordering indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf gaat nader in op de gevolgen inzake betaling wanneer de uitvoering van de opdracht wordt onderbroken op bevel of door toedoen van de aanbestedende overheid. Indien de onderbreking in dat geval minstens dertig dagen duurt, ontvangt de opdrachtnemer een betaling in mindering naar rato van de uitgevoerde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschotten Art. 67.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 september 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de betalingen in mindering, vertegenwoordigen de voorschotten bedragen die aan de opdrachtnemer worden gestort alvorens de prestaties verstrekt en aanvaard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 7, tweede lid, van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten en artikel 8 van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, al naargelang, bepaalt de Koning de voorwaarden waarin voorschotten kunnen worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf somt de gevallen op waarin de betaling van voorschotten mogelijk is. De bepalingen onder 3° en 4° vermelden twee bijkomende gevallen voor de opdrachten voor leveringen en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds hebben ze betrekking op de diensten van luchtvervoer van passagiers en, anderzijds, op de opdrachten voor leveringen en diensten die, volgens de gebruiken, op basis van een abonnement worden gesloten of die een voorafbetaling vereisen, zoals bijvoorbeeld sommige bestellingen van boeken via internet of het kopen van jetons voor de car-wash. Wat bijvoorbeeld de diensten voor luchtvervoer betreft, factureren de luchtvaartmaatschappijen immers de reis alvorens die heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien blijkt uit het tweede lid van dezelfde paragraaf dat het plafond van vijftig procent niet moet worden gerespecteerd in voormelde nieuwe gevallen. Hetzelfde geldt voor de gevallen van de bepaling onder 2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf doet geen afbreuk aan de bepalingen ter uitvoering van artikel 134 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991. Dit artikel bevat immers een specifieke regeling voor de betaling van voorschotten door de Staatsbedrijven, die van toepassing blijft zonder dat ernaar moet worden verwezen in het dispositief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf regelt de recuperatie van de voorschotten door afhoudingen op de betalingen in mindering volgens de voorwaarden van de opdrachtdocumenten. Hij voorziet ook in de schorsing en de recuperatie van de voorschotten indien de opdrachtnemer zijn verplichtingen niet nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling in geval van verzet tegen betaling of van derdenbeslag Art. 68.Dit artikel stemt overeen met artikel 15, § 3, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, mits twee preciseringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats wordt verduidelijkt, wat momenteel impliciet vermeld is, dat de betalingstermijn geschorst wordt in geval van verzet tegen de betaling of van bewarend derdenbeslag ten laste van de opdrachtnemer. Volgens een tweede precisering eindigt de schorsing op de dag dat de aanbestedende overheid verwittigd wordt dat het beletsel tegen de betaling is opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrest voor laattijdige betaling en vergoeding voor invorderingskosten Art. 69.Paragraaf 1 van dit artikel neemt de inhoud over van artikel 15, § 4, eerste lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, dat de bepalingen bevat betreffende de te betalen verwijlintresten wanneer de vastgestelde betalingstermijnen worden overschreden. De opdrachtnemer heeft recht op deze verwijlintresten zonder ingebrekestelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgevolg dient de aanbestedende overheid die te berekenen en ze hem automatisch te storten. Er weze opgemerkt dat de huidige bepaling van artikel 15, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden die erin voorziet dat de intrest alleen verschuldigd is indien hij ten minste vijf euro bedraagt per betaling, is geschrapt voor de opdrachten die zullen worden gesloten vanaf 16 maart 2013. De aan die vrijstelling ten gronde liggende bepaling van artikel 6, derde lid, c), van Richtlijn 2000/35/EG is immers niet overgenomen in de nieuwe Richtlijn 2011/7/EU. Verder moet eraan worden herinnerd dat de einddatum van de vertragingstermijn die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de intrest, overeenstemt met de dag waarop de verschuldigde bedragen werkelijk op de rekening, waarop de betaling moet gebeuren, worden gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woorden « per maand of per gedeelte van een maand vertraging » zijn geschrapt gezien de verwarring die ze al eens veroorzaken bij sommige aanbestedende overheden die soms denken dat het om een maandelijkse intrestvoet gaat. Het gaat nochtans wel degelijk om een jaarlijkse rentevoet die periodiek wordt aangepast en van toepassing is op de periode waarvoor een betalingsachterstand wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekening houdend met Richtlijn 2011/7/EU wordt de vermeerdering van de intrestvoet verhoogd van zeven naar acht procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van het tweede lid van artikel 15, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden is evenwel niet overgenomen. Volgens deze bepaling is het in bepaalde omstandigheden immers mogelijk om het vermeerderingspercentage, waarvan sprake in het eerste lid, te verminderen. Deze mogelijkheid, die vermeld is in de vorige Richtlijn 2000/35/EG, wordt niet vermeld in Richtlijn 2011/7/EU. Paragraaf 2 is een nieuwe bepaling die gebaseerd is op artikel 6 van Richtlijn 2011/7/EU. Deze voorziet in een forfaitaire vergoeding van veertig euro voor de eigen invorderingskosten wanneer de intresten voor achterstallige betalingen opeisbaar zijn. Naast dat bedrag kan de opdrachtnemer, volgens deze bepaling, aanspraak maken op een redelijke schadeloosstelling voor alle andere invorderingskosten die ontstaan zijn door de betalingsachterstand. Daartoe kunnen onder meer de kosten worden gerekend die worden gemaakt voor het inschakelen van een advocaat of een incassobureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van de richtlijn citeert in dat verband de gemaakte kosten voor het inschakelen van een advocaat of incassobureau. In geval van betwisting komt het aan de rechter toe om de redelijke schadeloosstelling te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderbreking of vertraging van de uitvoering door de opdrachtnemer Art. 70.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 15, § 6, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het bepaalt dat wanneer de betaling niet verricht is binnen dertig dagen na het verstrijken van de betalingstermijn en dit door de schuld van de aanbestedende overheid, de opdrachtnemer het uitvoeringstempo kan vertragen of de uitvoering kan onderbreken, na zijn beslissing te hebben gemeld overeenkomstig de in het derde lid vermelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beslissing moet evenwel gerechtvaardigd zijn op grond van de omvang van de achterstallige betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval heeft de opdrachtnemer recht op een termijnverlenging en eventueel een schadevergoeding, volgens de voorwaarden van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Korting wegens minderwaarde Art. 71.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 20, § 9, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om prestaties te aanvaarden die minieme afwijkingen vertonen ten opzichte van de niet-essentiële voorwaarden van de opdracht, tegen korting wegens minderwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie Art. 72.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 20, § 7, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de aanrekening van de bedragen die de opdrachtnemer verschuldigd is aan de aanbestedende overheid, met name in geval van meerkosten die voortvloeien uit de toepassing van ambtshalve maatregelen. De draagwijdte van deze bepaling wordt verruimd tot alle aan de aanbestedende overheid verschuldigde bedragen in het kader van de uitvoering van de opdracht. Afdeling 12. - Rechtsvorderingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 18, § § 1, 2 en 3, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het is gewijd aan de vervaltermijnen van de rechtsvorderingen Tot het werd gewijzigd bij artikel 2 van het ministerieel besluit van 8 oktober 1985, voorzag artikel 18, § 2, van de vroegere Algemene aannemingsvoorwaarden in een tweeledige regeling voor het instellen van rechtsvorderingen door de opdrachtnemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans diende elke rechtsvordering betreffende een opdracht, op straffe van rechtsverval, door de opdrachtnemer te worden ingesteld uiterlijk één jaar na de volledige voorlopige oplevering van alle leveringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke rechtsvordering die haar oorsprong vindt in feiten of omstandigheden die zijn opgedoken tijdens de waarborgperiode, diende evenwel uiterlijk één jaar na het verstrijken van de waarborgperiode te worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijnen werden in voormeld ministerieel besluit vervangen door één enkele termijn die op twee jaar werd gebracht vanaf het proces-verbaal van definitieve oplevering van de volledige opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de ervaring werd het noodzakelijk geacht om de huidige regeling aan te passen rekening houdend met de volgende overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds wordt artikel 18, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden nagenoeg niet meer toegepast gezien de zeer lange termijnen die het oplegt, rekening houdend met de algemene vijfjarige verjaringstermijn vastgesteld bij artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, althans wanneer het om overheidsopdrachten gaat waarvoor een aanbestedende overheid bevoegd is die onder deze wet valt. Deze uiteenlopende regelingen voor de aanbestedende overheden leiden ook tot rechtsonzekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds verhindert de verlenging van de termijnen voor het instellen van de rechtsvorderingen en voor de geschillenbeslechting die daaruit voortvloeit, een correct beheer van het uitstaande begrotingsbedrag ten laste van de aanbestedende overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die redenen zal de algemene vervaltermijn van de rechtsvorderingen dertig maanden zijn en niet meer ingaan vanaf het proces-verbaal van definitieve oplevering, maar wel vanaf dat van voorlopige oplevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat evenwel de rechtsvorderingen betreft die hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zijn opgedoken tijdens de waarborgperiode, zal de termijn voor het instellen ervan voortaan dertig maanden bedragen vanaf het proces-verbaal van definitieve oplevering. HOOFDSTUK 3. - Specifieke bepalingen opdrachten voor werken Afdeling 1. - Bepalingen toepasselijk op alle opdrachten voor werken Toelatingen Art. 74.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 25, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden betreffende de principiële toelatingen die nodig zijn voor de uitvoering van de opdracht, zoals een bouwvergunning of de realisatie van effectenstudies. Deze moeten door de aanbestedende overheid worden bezorgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nodige vergunningen voor de uitvoering van de opdracht, zoals de toelating om de openbare weg te gebruiken, om uitrustingen te installeren of materiaal op te slaan, moeten daarentegen door de aannemer worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leiding en controle Art. 75.Dit artikel bevat een vereenvoudigde versie van de inhoud van artikel 26 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de leiding en controle van de werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf ervan stemt overeen met de tweede paragraaf van voormeld artikel 26 en bevat de regel dat de aanbestedende overheid de controle uitoefent op de werken. Daartoe maakt ze gebruik van dienstbevelen, processen-verbaal en andere akten of documenten die aan de aannemer worden betekend, onverminderd het bijhouden van het in artikel 83 bedoelde dagboek van de werken. Deze betekening gebeurt bij aangetekende brief of via een schriftelijk stuk waarvan de aannemer de ontvangst bevestigt op datzelfde document of via een afzonderlijk document. De formaliteit van de betekening bij deurwaardersexploot is daarentegen afgeschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf van artikel 75 bevat de eerste paragraaf van artikel 26 van de Algemene aannemingsvoorwaarden en verduidelijkt dat de aannemer of zijn gemachtigde de leiding van en het toezicht op de werken op zich neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte blijkt uit de bepaling dat de aanbestedende overheid gerechtigd is de gemachtigde te doen vervangen, om redenen die vanzelfsprekend gegrond moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herinnering dat de aannemer in elk geval verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van de opdracht, wordt daarentegen niet overgenomen uit voormeld artikel 26 omdat die hier overbodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de bepaling volgens dewelke de gemachtigde van de aannemer door de aanbestedende overheid moet worden erkend en voor die waaruit blijkt dat de woonplaats van die gemachtigde ambtshalve de werkelijke of de gekozen woonplaats van de aannemer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringstermijnen Art. 76.De eerste paragraaf van dit artikel vormt een nieuwe bepaling. Hij verduidelijkt de wijze waarop de uitvoeringstermijnen moeten worden gestructureerd. In de huidige reglementering wordt deze problematiek immers enkel behandeld in artikel 48, § 2, 3° en 4°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden waarin de toepassingsmodaliteiten van de vertragingsboetes worden bepaald. Er wordt een onderscheid gemaakt naargelang de uitvoeringstermijn betrekking heeft op de volledige opdracht of afzonderlijke termijnen zijn bepaald wanneer de opdracht uit verschillende delen of fasen bestaat. Het deel heeft betrekking op een ruimtelijke opdeling van de opdracht en de fase op een opdeling in de tijd. Zoals delen elkaar kunnen overlappen kunnen ook fases in de tijd elkaar overlappen. Bovendien kunnen de opdrachtdocumenten gedeeltelijke uitvoeringstermijnen vermelden die al dan niet bindend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 2 tot 5 van artikel 76 nemen, in een gewijzigde vorm, de inhoud over van artikel 28, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de vaststelling van de aanvang van de werken en de berekeningsmodaliteiten van de uitvoeringstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bepaalt de termijn waarbinnen de aanbestedende overheid de aanvang van de werken moet vaststellen. Dit begrip heeft uitsluitend betrekking op het oorspronkelijke bevel om het bouwwerk aan te vatten en niet op de eventuele studiefasen die voorafgaan aan de uitvoering van de werken. In de bepalingen onder 1° en 2° werden de uiterste data respectievelijk verlengd tot de zestigste en de vijfenzeventigste dag en dit hoofdzakelijk om rekening te houden met de evolutie van de reglementering, met name die betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen en de tussenkomst van de veiligheidscoördinator voor de opdrachten met onderaanneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvangsdatum van de werken kan eveneens worden bepaald in onderling overleg tussen de aanbestedende overheid en de aannemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbestedende arbeid dient rekening te houden met de sluitingsperiode van de onderneming van de aannemer voor de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en de inhaalrustdagen die op reglementaire wijze of in een algemeen bindende collectieve arbeidsovereenkomst zijn bepaald. Indien de opdrachtdocumenten dit vereisen, worden deze periodes vermeld en bewezen in de offerte of worden zij, zodra zij bekend zijn, onmiddellijk aan de aanbestedende overheid medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid van dezelfde paragraaf moeten minstens vijftien dagen verlopen tussen de verzending van de brief waarin de aanvang van de werken wordt vastgesteld en de hiervoor bepaalde datum. Naast de uitzonderingen op deze regel in geval van behoorlijk gemotiveerde dringendheid en voor elke andere dan de eerste fase van eenzelfde opdracht, is nu in een bijkomende uitzondering voorzien voor de opdrachten die volgen op de eerste opdracht gesloten op basis van een raamovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de gevallen waarin de aanbestedende overheid lang talmt om de aanvangsdatum van de werken vast te stellen, verbindt de derde paragraaf aan het verzoek tot verbreking bijkomende voorwaarden ten opzichte van het artikel 54 en wijkt er in die zin van af. De termijnen van vijfenveertig en zestig dagen worden verlengd tot honderdtwintig respectievelijk honderdvijftig dagen. Deze termijnverlenging maakt het mogelijk om rekening te houden met de ernst van de impact van een verbreking van de opdracht op de continuïteit van de openbare dienstverlening. Er dient te worden opgemerkt dat de regeling van artikel 54 geldt voor de verzoeken tot herziening of schadevergoeding in die gevallen, in tegenstelling tot de huidige situatie volgens artikel 28 van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf bevat de berekeningsmodaliteiten van de uitvoeringstermijn die uitgedrukt is in werk- of in kalenderdagen. De volgorde van de tekst van het ontwerp is enigszins aangepast met het oog op een betere samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vijfde paragraaf herinnert eraan dat indien de aannemer buiten de wettelijke perken moet werken, hij de aanbestedende overheid over de gegrondheid van deze toestand moet laten oordelen en daarvoor de toelatingen moet aanvragen bij de bevoegde overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter beschikking stellen van gronden en lokalen Art. 77.Dit artikel vereenvoudigt en verduidelijkt de bepalingen van artikel 32, § 1, eerste lid, en § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 77 bepaalt dat het terrein dat door de werken of het bouwwerk wordt ingenomen, door de aanbestedende overheid gratis ter beschikking gesteld wordt van de aannemer. Deze precisering bleek nuttig om een bepaalde praktijk tegen te gaan waarbij de aannemer verplicht wordt voor deze terbeschikkingstelling te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten het terrein dat door het werk wordt ingenomen, zorgt de aannemer er zelf voor dat hij de beschikking krijgt over de gronden die hij voor de uitvoering nodig acht. Indien de aanbestedende overheid deze gronden wil verschaffen, dan moeten de opdrachtdocumenten dit vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt de verplichtingen van de aannemer wanneer hem lokalen ter beschikking worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden betreffende het personeel Art. 78.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 36 van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het handelt met name over de naleving door de aannemer van de regels inzake algemene arbeidsvoorwaarden, veiligheid en hygiëne, te betalen lonen, de verplichting om dagelijks de lijst bij te werken van het personeel dat tewerkgesteld is op de bouwplaats en de andere door de aanbestedende overheid opvraagbare informatie. Het op de bouwplaats tewerkgestelde personeel omvat niet alleen het personeel van de aannemer maar ook dat van de eventuele onderaannemers of van elke persoon die personeel ter beschikking stelt op de bouwplaats. Het tweede lid van paragraaf 1 is aangepast in die zin dat de documenten via alle momenteel beschikbare communicatiemiddelen kunnen worden geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie van de bouwplaats Art. 79.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 30, § 1, eerste lid, en § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de verplichtingen van de aannemer inzake de orde op de bouwplaats en de bescherming van de bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verduidelijkt dat deze bepaling van toepassing is onverminderd de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers. Artikel 22, 6°, van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/08/1996 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt immers dat de coördinator inzake veiligheid en gezondheid ook als opdracht heeft de nodige maatregelen te treffen opdat alleen bevoegde personen de bouwplaats kunnen betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het begrip derden, wordt eraan herinnerd dat de onderaannemers ten aanzien van de aanbestedende overheid als derden dienen te worden beschouwd. Derhalve is door deze bepaling de bescherming van het personeel van onderaannemers en het ter beschikking gesteld personeel eveneens gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen aan de opdracht Art. 80.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 42, § 1, tweede tot vierde lid, en § § 2 tot 5 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de wijzigingen aan de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf van artikel 80 verduidelijkt de regels betreffende de door de aanbestedende overheid gegeven wijzigingsbevelen. De termijn binnen dewelke de aanbestedende overheid een mondeling bevel kan weerleggen, bedraagt voortaan drie werkdagen in plaats van drie kalenderdagen, wat realistischer is. De bepaling die momenteel te vinden is op het einde van het eerste lid van paragraaf 1 van artikel 42 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, volgens dewelke de aannemer niet verplicht is om bijkomende werken uit te voeren wanneer de totale waarde ervan meer bedraagt dan vijftig procent van het oorspronkelijke opdrachtbedrag, is geschrapt. Deze bepaling stemt immers niet meer overeen met de gekozen oplossing in artikel 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede en derde paragraaf bevatten de regels betreffende de berekening van de prijs van de wijzigende of gewijzigde werken en de herziening van de eenheidsprijzen in geval van werken. In paragraaf 2, tweede lid, 2°, wordt het huidige bedrag van 1.350 euro verhoogd tot 2.000 euro, rekening houdend met de muntontwaarding. In paragraaf 3 wordt de indieningstermijn van de aanvraag om herziening verhoogd van vijftien naar dertig dagen omdat de huidige termijn te kort werd geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf regelt de eventuele termijnverlenging met betrekking tot een wijzigingsbevel in geval van bijkomende werken of wijzigingen aan het voorziene werk. Om redenen van samenhang vermeldt de tekst voortaan de verrekening, naast het geschreven bevel en de bijakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vijfde paragraaf, ten slotte, bepaalt dat de aannemer recht heeft op een forfaitaire vergoeding wanneer de verrekeningen in hun geheel een vermindering van het oorspronkelijke opdrachtbedrag veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 53 bevat de indieningsmodaliteiten van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spel van de vermoedelijke hoeveelheden Art. 81.Dit artikel betreffende het spel van de vermoedelijke hoeveelheden dient te worden onderscheiden van de in artikel 80 vermelde gevallen van wijzigingen aan de opdracht. Het neemt de inhoud over van artikel 42, § 6, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de herziening van de oorspronkelijke eenheidsprijzen en uitvoeringstermijnen, wanneer de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden van een post volgens prijslijst het drievoudige overtreffen of minder bedragen dan de helft van de vermoedelijke hoeveelheden. Zelfs wanneer deze gewijzigde hoeveelheden niet bereikt zijn, kan een aanpassing van de uitvoeringstermijn gerechtvaardigd zijn, rekening houdend met de omvang van de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden. Wat de ontvankelijkheid van de aanvragen betreft bevat het vierde lid een specifieke bepaling voor het geval waarin het drievoudige van de hoeveelheden is bereikt of wanneer de werkelijk uitgevoerde hoeveelheid minder dan de helft bedraagt. De vastgestelde termijn voor deze aanvragen wordt verhoogd van vijftien naar dertig dagen, zoals in artikel 80 en om dezelfde redenen. Bijgevolg is artikel 53 van toepassing in de andere gevallen, zowel op de aanvraag tot herziening van de termijnen als op die van de prijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende leden verduidelijken de regels betreffende de kennisgeving hieromtrent tussen de aanbestedende overheid en de aannemer alsook de oplossing die moet worden gevolgd wanneer de partijen geen akkoord bereiken. In dat laatste geval worden de prijzen ambtshalve vastgesteld door de aanbestedende overheid, met behoud van de rechten van de aannemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Controlemiddelen Art. 82.Dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, de inhoud over van artikel 27, § 2, 1°, § 4, § 5, eerste, vierde, zesde, zevende en elfde lid, § § 6 en 7, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de regels voor de keuring van de producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf van artikel 82 neemt de regel over volgens dewelke de aannemer de aanbestedende overheid de juiste plaats moet mededelen van de uitvoering van de werken en die volgens dewelke laatstgenoemde de keuze heeft om de proeven en controles voor de keuring te laten verrichten volgens één van de vier opgesomde modaliteiten. In het tweede lid, 3°, van deze paragraaf werd de verwijzing naar de door de aanbestedende overheid erkende laboratoria vervangen door een verwijzing naar de door haar aanvaarde laboratoria. De erkenning verwijst immers veeleer naar situaties die onder de bepaling onder 4° vallen, betreffende de accreditatie van instellingen voor conformiteitsbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf voorziet ook in de vrije toegang tot de plaatsen van uitvoering voor controledoeleinden, met inbegrip van de plaatsen van productie van de producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf gaat nader in op het geval waarin de resultaten van de proeven door één van de partijen worden aangevochten. In dat geval wordt een tegenproef uitgevoerd waarvan de uitkomst beslissend is. De bepaling verduidelijkt de gevolgen inzake de tenlasteneming van de kosten en de eventuele verlenging van de uitvoeringstermijn naargelang de partij die in het gelijk wordt gesteld. Ter herinnering, de bepalingen inzake de tenlasteneming van de controlekosten zijn opgenomen in het artikel 19 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/05/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/1997 numac 1997021155 bron diensten van de eerste minister 5 MEI 1997 Wet betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling sluiten2, in het artikel 20 van het koninklijk besluit van 23 januari 2012 en in het artikel 19 van het koninklijk besluit van 16 juli 2012, al naargelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de derde paragraaf verwerft de aanbestedende overheid de eigendom van de voor verwerking op de bouwplaats aangevoerde producten zodra deze producten voor betaling zijn aanvaard. Deze producten blijven evenwel onder toezicht van de aannemer tot de voorlopige oplevering en mogen niet van de bouwplaats worden verwijderd zonder toestemming van de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf handelt over de geweigerde producten en de verwijdering en afvoer ervan buiten de bouwplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagboek van de werken Art. 83.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 37 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de principiële verplichting om op elke bouwplaats een dagboek van de werken bij te houden. Dit artikel heeft enkele wijzigingen ondergaan in vergelijking met de huidige tekst van voormeld artikel 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf van artikel 83 bepaalt dat dit dagboek, dat door de aannemer wordt geleverd, uitsluitend wordt bijgehouden door de aanbestedende overheid. Deze paragraaf verduidelijkt welke inlichtingen het moet bevatten. Wanneer de reglementering betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen van toepassing is, gaat het om de gegevens en opmerkingen die overeenstemmen met de inhoud van het coördinatiedagboek als bedoeld in die reglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de tweede paragraaf en onverminderd het eventueel bijhouden van het in paragraaf 1, 3°, bedoelde coördinatiedagboek, kan de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten vermelden dat zij geen dagboek van de werken of een gedeelte ervan zal bijhouden. Zelfs in dat geval moeten evenwel de gedetailleerde notities worden bijgehouden voor de opdrachten tegen andere dan globale prijzen. Deze bevatten immers de op de bouwplaats controleerbare elementen die nuttig zijn voor het berekenen van de aan de aannemer te verrichten betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde paragraaf verduidelijkt van wie de vermeldingen in het dagboek van de werken en in de notities afkomstig kunnen zijn en wie ze ondertekent en medeondertekent. Voortaan wordt ook verwezen naar de coördinator inzake veiligheid en gezondheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 regelt de te volgen procedure wanneer de aannemer niet akkoord gaat met bovengenoemde vermeldingen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid van de aannemer Art. 84.Dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, de inhoud over van de artikelen 39, § 1, en 41 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de verplichtingen van de aannemer tot de definitieve oplevering respectievelijk de omvang van de verantwoordelijkheid van de aannemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens de eerste paragraaf van artikel 84 is de aannemer aansprakelijk voor de werken die door hem of door zijn onderaannemers zijn uitgevoerd en dit tot de definitieve oplevering. Gedurende de waarborgtermijn die voorafgaat aan de definitieve oplevering, voert de aannemer de noodzakelijke herstellings- of onderhoudswerken uit. Zo is hij verplicht tot de uitvoering van alle herstellings-, herbouw-, bagger- en andere werken die noodzakelijk zijn ten gevolge van verzakkingen, verschuivingen, afkalvingen, aanslijkingen, breuken, ontaardingen of beschadigingen van om het even welke aard. Vanaf de voorlopige oplevering is de aannemer evenwel niet meer aansprakelijk voor de schade waarvan de schuld niet bij hem ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bepaalt dat de tienjarige aansprakelijkheid die voortvloeit uit de artikelen 1792 et 2270 van het Burgerlijk Wetboek, begint te lopen vanaf de voorlopige oplevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen van optreden Vermoeden van bedrog of slecht werk Art. 85.Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm de inhoud over van artikel 45 van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertragingsboetes Art. 86.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 48, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de berekening van de vertragingsboetes. De aandacht moet worden gevestigd op drie wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het laatste lid van paragraaf 1 van de nieuwe bepaling werden de basisgegevens van de berekening aangepast. Zo werd het bedrag van vierenvijftig duizend euro dat vermeld is in de huidige Algemene aannemingsvoorwaarden, verhoogd tot vijfenzeventig duizend euro, rekening houdend met de inflatie. Bovendien werd de waarde van term N teruggebracht van twee honderd naar honderdvijftig dagen om de berekening nauwer te doen aansluiten bij de realiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van de Algemene aannemingsvoorwaarden worden ook aangevuld in het ontwerp met twee preciseringen die vermeld zijn in de paragrafen 2 en 6 van artikel 86, rekening houdend met het geval waarin de uitvoeringstermijn een gunningscriterium van de opdracht was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bepaalt immers dat in dat geval de berekeningswijze van de boetes wordt vastgesteld in de opdrachtdocumenten en dat de formule van de eerste paragraaf alleen buiten dat geval van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de bedoeling om de aanbestedende overheid toe te laten om hogere boetes op te leggen zonder een afwijking van de algemene uitvoeringsregels te moeten rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de zesde paragraaf volgens dewelke de opdrachtdocumenten het totaalbedrag van de boetes kunnen verhogen van vijf naar tien procent van het oorspronkelijke opdrachtbedrag wanneer de uitvoeringstermijn een gunningscriterium vormt. Deze nieuwe bepaling is noodzakelijk geacht om een eerlijke mededinging te waarborgen. Indien de aanbestedende overheid een gunningscriterium bepaalt dat verband houdt met de uitvoeringstermijn van de opdracht en de inschrijvers vraagt in hun offerte een termijn voor te stellen, is het normaal dat het maximumbedrag van de eventuele vertragingsboetes wordt verhoogd. Deze verhoging zal de inschrijvers bestraffen die gespeculeerd hebben op de termijn en de opdracht in de wacht hebben kunnen slepen, met name dankzij het voorstel van een kortere termijn, terwijl ze weten dat deze termijn niet zal worden gerespecteerd en het bedrag van de toekomstige boetes in de ingediende prijs hebben ingecalculeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve maatregelen Art. 87.Dit artikel neemt, in een gewijzigd vorm, de inhoud over van artikel 48, § 3, 2° tot 4°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de toepassing van de ambtshalve maatregelen binnen het specifieke kader van de werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van paragraaf 1 is een nieuwe bepaling volgens dewelke het uitblijven van een bevel om de werken aan te vatten, de toepassing van artikel 87 niet in de weg staat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij faillissement van de aannemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is op het einde van de eerste paragraaf een nieuwe bepaling toegevoegd die de vormvereisten bevat voor de betekening aan de in gebreke gebleven aannemer, van de plaats en datum voor de oplevering van het voor zijn rekening uitgevoerde werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudingen voor niet betaalde lonen, sociale lasten en belastingen die zijn verschuldigd Art. 88.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 48, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. De enige wijziging die in de tekst is aangebracht, betreft de schrapping van de verwijzing naar een uitleenbureau van arbeidskrachten voor de terbeschikkingstelling van personeel omdat deze verwijzing de draagwijdte van de bepaling te veel beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenten bij de uitvoering Art. 89.Dit artikel neemt artikel 29, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vondsten tijdens de werken Art. 90.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 29, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de vondsten tijdens de werken en de regels inzake de verplichting voor de aannemer om de aanbestedende overheid hierover in te lichten. De woorden « alle andere elementen » werden toegevoegd om rekening te houden met andere elementen die een wetenschappelijke waarde hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten zijn de in het derde lid opgesomde voorwerpen ter beschikking van de aanbestedende arbeid, in afwachting van het bepalen van de eigendomsrechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opleveringen en waarborg Art. 91.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 40 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de inbezitneming van het bouwwerk door de aanbestedende overheid. In dit artikel werden geen inhoudelijke noch formele wijzigingen aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maakt een onderscheid tussen, enerzijds, de terbeschikkingstelling van het bouwwerk bij de voorlopige oplevering en, anderzijds, die welke plaatsvindt vóór de voorlopige oplevering naarmate de werken worden voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de voorlopige oplevering beschikt de aanbestedende overheid over heel het door de aannemer uitgevoerde bouwwerk. Deze oplevering heeft tot gevolg dat de zichtbare gebreken worden gedekt, de waarborgtermijn en die van de tienjarige aansprakelijkheid beginnen te lopen, de risico's aan de aanbestedende overheid, worden overgedragen de boetes wegens laattijdige uitvoering worden vastgesteld en de aannemer de mogelijkheid krijgt om een aanvraag tot betaling van het saldo van de werken en tot vrijgave van de helft van de borgtocht in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terbeschikkingstelling van het bouwwerk aan de aanbestedende overheid naarmate het wordt uitgevoerd, leidt daarentegen niet tot bovenvermelde gevolgen en geldt niet als voorlopige oplevering. Deze terbeschikkingstelling impliceert dat een plaatsbeschrijving wordt opgemaakt. Vanaf de inbezitneming is de aannemer immers niet meer verplicht de aan het gebruik te wijten beschadigingen te herstellen. Art. 92.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 43 van de Algemene aannemingsvoorwaarden. In de tekst is slechts een lichte formele wijziging aangebracht en geen inhoudelijke wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf van artikel 92 handelt over het bouwwerk dat niet kan worden aanvaard en bijgevolg moet worden gesloopt en herbouwd. Het spreekt vanzelf dat wanneer aan de eisen kan worden voldaan zonder het bouwwerk te slopen en te herbouwen, deze maatregelen niet nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bevat de regels voor de voorlopige oplevering van het bouwwerk, wat tot de in de commentaar bij artikel 91 opgesomde gevolgen leidt. De tekst blijft hoofdzakelijk ongewijzigd onder voorbehoud van enkele formele aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde paragraaf bevat de regels voor de definitieve oplevering bij het verstrijken van de waarborgtermijn. De tekst blijft ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf bevat enkele bepalingen die gemeenschappelijk zijn voor de voorlopige en de definitieve oplevering, met name betreffende de oproeping van de aannemer en de termijn voor de vaststelling van het voltooide bouwwerk. De tekst blijft ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijgave van de borgtocht Art. 93.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 9, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de vrijgave van de borgtocht in geval van werken. De tekst blijft ongewijzigd onder voorbehoud van enkele tekstverbeteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdrachtprijs bij vertraging van de uitvoering Art. 94.Deze bepaling neemt gedeeltelijk de tekst over van artikel 13, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Ze werd opgenomen in het specifieke gedeelte betreffende de opdrachten voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 126 en 159 van dit ontwerp bevatten voortaan immers een bepaling die de gevolgen van vertraging bij de uitvoering voor de herzieningsformule bij opdrachten voor leveringen en diensten regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betalingen Art. 95.Dit artikel neemt, in een aangepaste vorm, de inhoud over van artikel 15, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de betalingsmodaliteiten van de werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 verduidelijkt de inhoud van de gedetailleerde staat van de gerealiseerde werken die de gevraagde betalingen rechtvaardigt. De bepaling onder punt 1° verwijst naar de uitgevoerde hoeveelheden op grond van de posten van de samenvattende opmeting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 is aangepast rekening houdende met artikel 4, § 3, a, iv), § 5 en § 6, van Richtlijn 2011/7/EU, volgens dewelke de voorafgaande verificatietermijn maximaal dertig dagen mag bedragen. Deze termijn kan nochtans worden verlengd op voorwaarde dat de opdrachtdocumenten (met inbegrip van de overeenkomst) daartoe een uitdrukkelijke bepaling bevatten en mits die verlenging jegens de aannemer geen kennelijke onbillijkheid behelst als bedoeld in artikel 9, § 2. Evenwel is niet voorzien in een sanctie waardoor de termijn zou vervallen. De verificatietermijn is dus niet bepaald op straffe van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens paragraaf 3 bedraagt de betalingstermijn maximaal zestig dagen voor de opdrachten gesloten vóór 16 maart 2013 en dertig dagen voor de opdrachten gesloten vanaf die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijze van uitzondering en overeenkomstig artikel 4, § 4, van Richtlijn 2011/7/EU blijft de maximale betalingstermijn van zestig dagen behouden voor de aanbestedende overheden die gezondheidszorg verstrekken, zij het enkel voor de werken verbonden aan die specifieke activiteit. Deze uitzondering wordt in overweging 25 van de richtlijn als volgt verantwoord : « De situatie met betrekking tot betalingsachterstanden in de gezondheidszorg is in een groot aantal lidstaten bijzonder zorgwekkend. De stelsels van gezondheidszorg, die een essentieel onderdeel vormen van de sociale infrastructuur van Europa, zien zich naarmate de bevolking van Europa vergrijst, er meer van hen wordt verwacht en de geneeskunde zich steeds verder ontwikkelt, vaak gedwongen individuele behoeften en beschikbare financiële middelen met elkaar te verzoenen. Alle stelsels zien zich geconfronteerd met de uitdaging om in de gezondheidszorg op zodanige wijze prioriteiten vast te stellen dat er een evenwicht ontstaat tussen de behoeften van individuele patiënten en de financiële middelen die ter beschikking staan. Daarom moeten de lidstaten de overheidsorganisaties in de gezondheidssector een zekere mate van flexibiliteit kunnen bieden om aan hun verplichtingen te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve moet de lidstaten onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan de wettelijke betalingstermijn tot maximaal 60 kalenderdagen te verlengen. Niettemin moeten de lidstaten alles in het werk stellen om te garanderen dat betalingen in de gezondheidssector binnen de wettelijke termijnen worden uitgevoerd. » .</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de aanbestedende overheden die gezondheidszorg verstrekken, kan worden verwezen naar artikel 2, n), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 2004 waarin dit begrip 'zorgverlener' wordt omschreven als « de beoefenaars van de geneeskunde (de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen), de paramedische medewerkers, de verplegingsinrichtingen, de inrichtingen voor revalidatie en herscholing en de andere diensten en instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden voor de toepassing van de artikelen 73bis en 142 gelijkgesteld met zorgverleners, de natuurlijke of rechtspersonen die hen tewerkstellen die de zorgverlening organiseren of die de inning van de door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging verschuldigde bedragen organiseren. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 4, wordt een nieuwe bepaling toegevoegd volgens dewelke ook de verificatietermijn met het aantal dagen wordt verlengd dat nodig is om het antwoord van de aannemer te ontvangen, wanneer deze moet worden geïnterpelleerd over het werkelijke bedrag van zijn sociale of fiscale schuld als bedoeld in de regelgeving betreffende de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aannemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5 is een nieuwe bepaling dat de maximale betalingstermijn bepaalt ingeval voor een bepaald opdracht niet in een verificatie als bedoeld in paragraaf 2 zou zijn voorzien. Deze bepaling voorziet in de omzetting van artikel 4, § 3, a, i), ii) en iii), van Richtlijn 2011/7/EU. Afdeling 2. - Aanvullende bepalingen promotieopdrachten van werken Toepasselijke bepalingen Art. 96.Dit artikel is een nieuwe bepaling die, met het oog op de rechtszekerheid, de artikelen opsomt die niet toepasselijk zijn op de promotieopdrachten, gezien de bijzonderheden van dit soort opdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat respectievelijk om : - artikel 25 betreffende de borgtocht; - artikel 66 betreffende de algemene betalingsvoorwaarden; - artikel 76, § 2, betreffende het bevel om de werken aan te vangen; - de artikelen 86 en 87, betreffende de vertragingsboetes respectievelijk de ambtshalve maatregelen; - van artikel 91, betreffende de terbeschikkingstelling van het bouwwerk; - en artikel 95 betreffende de betaling van de werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aspecten komen aan bod in de specifieke bepalingen van deze afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de promotor bovendien eigenaar is van de gronden die als zate dienen voor het bouwwerk, zijn de artikelen 74, 77, eerste lid, en 90 niet van toepassing, die betrekking hebben op de toelatingen voor de uitvoering van de werken respectievelijk het ter beschikking stellen van gronden en de vondsten tijdens de werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechten van de partijen op de gronden Art. 97.Dit artikel verduidelijkt de bepalingen die momenteel vervat zijn in artikel 13, § § 3 en 4, van het koninklijk besluit van 26 september 1996. Deze bepalingen handelen respectievelijk over de terbeschikkingstelling van de promotor van de gronden die eigendom zijn van de aanbestedende overheid en als zate dienen voor het bouwwerk, de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om afstand te doen van het recht van natrekking en het verbod voor de promotor om de rechten en plichten betreffende het zakelijk recht over te dragen zonder voorafgaande instemming van de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen van de aanbestedende overheid Art. 98.Dit artikel bevat de bepalingen van artikel 21 van het koninklijk besluit van 26 september 1996, betreffende de verplichtingen van de aanbestedende overheid bij promotieopdrachten van werken. Deze bepalingen blijven ongewijzigd. Net zoals in de huidige reglementering wordt een onderscheid gemaakt naargelang de promotieopdracht, enerzijds, betrekking heeft op huur, huur met aankoopoptie, eigendomsoverdracht op termijn of erfpacht en, anderzijds, op het verwerven van het bouwwerk vanaf de terbeschikkingstelling ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen van de promotor Art. 99.Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 28 van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten en artikel 28 van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, al naargelang en bevat de bepalingen van de artikelen 22, § 1, 1°, 2°, 4° tot 6°, en 23, § 1, van het koninklijk besluit van 26 september 1996, betreffende de verplichtingen van de promotor. Het blijft hoofdzakelijk ongewijzigd met uitzondering van de bepalingen betreffende de erkenning die momenteel vervat zijn in artikel 22, § 1, 3°. De erkenning komt nu immers aan bod in de bepalingen betreffende de kwalitatieve selectie van de koninklijke besluiten van 15 juli 2011, 23 januari 2012 en 16 juli 2012 al naargelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt met name het probleem van de aansprakelijkheid van de promotor van werken. Ongeacht of hij aannemer is, is de promotor er ten opzichte van de aanbestedende overheid toe gehouden de verantwoordelijkheid te dragen die krachtens de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek op de aannemer rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit opzicht is het nuttig om in het koninklijk besluit de voorwaarden te verduidelijken tot toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid van de promotor, rekening houdend met de verschillende gevallen van promotieopdrachten waarin de reglementering voorzag. Men mag inderdaad niet uit het oog verliezen dat het op het spel zetten van de aansprakelijkheid van de promotor met toepassing van artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek slechts zin heeft in de mate waarin de eigendom van het bouwwerk aan de aanbestedende overheid is overgedragen op het ogenblik dat het probleem zich voordoet. Indien het vruchtgebruik van de aanbestedende overheid gehinderd wordt door zware fouten die het gehuurde goed aantasten en die van die aard zijn dat zij de aansprakelijkheid van de promotor op het spel zetten, bij gebrek aan een dergelijke eigendomsoverdracht tijdens de huurtermijn van het bouwwerk, staat deze er in zijn hoedanigheid van verhuurder in elk geval borg voor, zoals overigens ook wordt voorzien door de 8° van het huidige artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werd nodig geacht te verduidelijken dat de aansprakelijkheid van de promotor in toepassing van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek eveneens de herstellings- of inrichtingswerken bedoelt die minder dan tien jaar vóór de eigendomsoverdracht aan het gebouw werden uitgevoerd. Een dergelijke verduidelijking kan worden verklaard door het feit dat het huren van het bouwwerk betrekking kan hebben op een relatief lange periode in de loop waarvan het werk belangrijke herstellingswerken zou kunnen ondergaan om de goede werking ervan te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de mate waarin de bedoelde grote herstellingswerken aanleiding geven tot werkzaamheden die vermoedelijk binnen het toepassingsveld van de voormelde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zullen vallen, zal de promotor er dus tegenover de aanbestedende overheid verantwoording moeten voor afleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel omschrijft eveneens de verplichtingen van de promotor inzake verzekeringen en legt hem op, alvorens de werken aan te vatten, de aanbestedende overheid een gewaarmerkt afschrift te bezorgen van alle bedoelde polissen. Dit wil zeggen zowel de polissen betreffende de verzekeringen ten laste van de promotor, als die van de aannemers en de architecten op wie de promotor een beroep doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel somt daarenboven de bijkomende verplichtingen op die aan de promotor opgelegd worden. De promotor moet, wanneer het gaat om een promotie van werken, het geplande bouwwerk oprichten en het binnen de voorgeschreven tijd ter beschikking stellen van de aanbestedende overheid of, in voorkomend geval, van de derden die door de aanbestedende overheid aangeduid werden, en ten slotte, bepaalde voorwaarden vervullen in geval het bouwwerk aan de aanbestedende overheid of aan derden verhuurd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient te worden opgemerkt dat indien het werk verhuurd wordt aan derden, de promotor voor verbouwingen binnen of buiten het bouwwerk, het schriftelijk en voorafgaand akkoord zal moeten hebben van zowel de huurder als van de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aldus verhuurde bouwwerk werd immers opgericht op gronden die toebehoren aan de aanbestedende overheid die een recht van erfpacht of van opstal heeft afgestaan voor een bepaalde periode en die bij het verstrijken van die periode er de eigendom zal van terug krijgen. Het is dus normaal dat de aanbestedende overheid een recht van controle behoudt dat bepaald moet zijn in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terbeschikkingstelling van het bouwwerk Art. 100.Dit artikel neemt de bepaling over van artikel 24, § 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1996, betreffende de terbeschikkingstelling van het bouwwerk en de voorlopige oplevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze preciseringen zijn aangebracht om te vermijden dat de terbeschikkingstelling de kwestie van de voorlopige oplevering zou verhullen, ja zelfs dat de clausules zouden bepalen dat de terbeschikkingstelling de aanvaarding van de werken met zich brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo wordt erin voorzien dat het door de aanbestedende overheid opgestelde proces-verbaal tegelijkertijd een proces-verbaal van voorlopige oplevering en van terbeschikkingstelling zou vormen. Deze aanpassing laat toe het beginsel van de betaling van de overheidsopdrachten na verstrekte en aanvaarde diensten beter na te leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te merken valt dat de opdracht in fasen kan verlopen en dus verschillende gedeeltelijke terbeschikkingstellingen kan omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd en vrijgave van de borgtocht Art. 101.Deze nieuwe bepaling is ingevoegd om te bepalen wat met de borgtocht moet gebeuren in de gevallen waarin overheidsopdrachten voor werken niet volgens een klassiek schema verlopen. In de vermelde gevallen dient de aanbestedende overheid immers over een waarborg te beschikken tijdens de periode na de eigenlijke werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actiemiddelen aanbestedende overheid Art. 102.Dit artikel neemt de bepalingen over van artikel 27 van het koninklijk besluit van 26 september 1996, met uitzondering van de laatste zin die nu paragraaf 3 van artikel 103 van het ontwerp vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel handelt over een aantal rechten van de aanbestedende overheid ingeval van verzuim vanwege de promotor, en dit zowel tijdens de uitvoeringsperiode van het bouwwerk als bij of na de terbeschikkingstelling aan de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens de derde paragraaf en behoudens toepassing van de regels betreffende de waarborgtermijn en de tienjarige aansprakelijkheid, is de promotor, zoals ook bepaald in de huidige reglementering, niet meer verplicht om kosten te dragen nadat de eigendomsoverdracht van het bouwwerk aan de aanbestedende overheid plaatsgehad heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betalingen Art. 103.Dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, de bepalingen over van artikel 24 en, in de derde paragraaf ervan, de laatste zin van paragraaf 3 van artikel 27 van het koninklijk besluit van 26 september 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net zoals in de huidige reglementering bepaalt paragraaf 1 van het becommentarieerde artikel de wijze waarop de prijs van de promotieopdracht betaald wordt. Dit gebeurt hetzij in annuïteiten, hetzij door kwijting van de huur of de vergoedingen voor opstal of van de erfpachtrente of door betaling van het saldo indien de aankoopoptie wordt gelicht. In geval van huur die op termijn gevolgd wordt door een eigendomsoverdracht, dekken de huurgelden de prijs van de opdracht, en gebeurt de eigendomsoverdracht zonder andere betaling door de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van paragraaf 1 bevat de betalingsvoorschriften. Deze moeten in de opdrachtdocumenten staan. De betalingstermijnen worden bepaald op basis van twee hypothesen : de eerste is toepasselijk op de huurgelden, de vergoedingen voor opstal, de annuïteiten of de erfpachtrente, die een betaling met een vaste factor impliceren; de tweede omvat de andere gevallen van prijsvereffening, namelijk de betaling van de prijs van het bouwwerk vanaf de terbeschikkingstelling en de betaling van het saldo van de opdracht in geval van lichting van de aankoopoptie of overdracht op termijn van de eigendom. In het eerste geval wordt de einddatum in de opdrachtdocumenten bepaald. In het tweede geval moet de betalingstermijn van dertig dagen voor de opdrachten voor werken, worden gerespecteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde en vierde lid van paragraaf 1 leggen de termijnen vast waarbinnen de betalingen moeten gebeuren en bepalen dat geen enkele opdracht mag betalingen bedingen vóór de terbeschikkingstelling van het opdracht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 bepaalt de begindatum van de termijnen waarover de aanbestedende overheid beschikt om de betalingen te verrichten.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de derde paragraaf is de aanbestedende overheid geen huur, vergoeding voor opstal, annuïteit of erfpachtrente verschuldigd voor de periode waarin zij het bouwwerk niet kan gebruiken ten gevolge van een tekortkoming van de promotor. HOOFDSTUK 4. - Specifieke bepalingen concessies voor openbare werken Toepasselijke bepalingen Art. 104.Dit nieuwe artikel vermeldt terwille van de rechtszekerheid de bepalingen van dit ontwerp die van toepassing zijn in geval van een concessie voor openbare werken. Er is immers voor deze aanpak gekozen omdat tal van bepalingen van de hoofdstukken 2 en 3 niet aangepast zijn aan dit soort overeenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechten op de in concessie gegeven gronden Art. 105.Dit artikel bevat de bepalingen die overeenstemmen met die van artikel 31, § § 1, tweede lid, 2 en 4, van het koninklijk besluit van 26 september 1996. Er werden evenwel belangrijke wijzigingen in aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo moeten, volgens paragraaf 1 van dit artikel, de gronden die deel uitmaken van het openbaar domein en die bestemd zijn voor het oprichten door de concessiehouder van werken die verbonden zijn aan de uitbating van de concessie, niet meer noodzakelijk vooraf het voorwerp uitmaken van een beslissing tot desaffectatie zodat de gronden niet langer tot het openbaar domein behoren en ze met zakelijke rechten kunnen worden bezwaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de ganse duur van de concessie is er geen verplichting meer om een recht van opstal te vestigen ten voordele van de concessiehouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer hem dit recht wordt toegekend, geniet hij evenwel niet de rechten bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten op het recht van opstal. Dat betekent dat de concessiehouder de gebouwen en andere werken niet mag afbreken noch de aanplantingen mag vernielen of rooien, terwijl bij het verstrijken van het recht van opstal de gebouwen, werken en aanplantingen de eigendom worden van de aanbestedende overheid zonder dat die ertoe gehouden is de huidige waarde van die goederen aan de concessiehouder terug te betalen, wat trouwens vermeld wordt in paragraaf 2. Deze bepalingen zijn behouden in het ontwerp ondanks de opmerking van de Raad van State, volgens dewelke hij, noch in de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten, noch in die van 13 augustus 2011, een bepaling ziet die het de Koning mogelijk zou maken om af te wijken van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten over het recht van opstal. Artikel 8 van voormelde wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten luidt immers als volgt : « De verordeningen van dezen titel zullen alleen van kracht zijn, voor zoo verre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken, voorbehoudens echter de bepaling van artikel 4 ». Bijgevolg hebben de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten een aanvullend karakter, waardoor de Koning wel degelijk kan afwijken van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen aan het einde van paragraaf 2 strekken ertoe te vermijden dat de concessiehouder aan derden zakelijke rechten toekent op opgerichte werken waarvan de eigendom bij het verstrijken van de concessie moet overgedragen worden aan de aanbestedende overheid, vrij van welke rechten ook. Een hypothecaire inschrijving mag evenwel toegestaan worden, mits de aanbestedende overheid hiermee instemt teneinde de concessiehouder met name in de mogelijkheid te stellen de te verwezenlijken gebouwen als borg voor een lening aan te bieden die hij daarvoor zou moeten aangaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en het derde lid van dezelfde paragraaf 2 moeten zo worden gelezen dat wettelijke hypotheken en openbare erfdienstbaarheden, dit wil zeggen die welke zouden ontstaan buiten de wil om van de concessiehouder, niet uitgesloten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 regelt het probleem van de overdracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de concessie. Die overdracht kan slechts gebeuren bij schriftelijk en voorafgaand akkoord van de aanbestedende overheid. Een nieuwe bepaling zegt dat de aanbestedende overheid er in geen enkel geval toe gehouden is een overdracht te aanvaarden die een splitsing van de concessie tot gevolg zou hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die splitsing druist immers in tegen het doel dat door het toekennen van een concessie van openbare werken nagestreefd wordt, te weten de aanwijzing van één enkele concessiehouder die ten opzichte van de aanbestedende overheid verantwoordelijk is voor het beheer van het geheel van de concessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van de concessie Art. 106.Dit artikel stemt overeen met het tweede lid van artikel 29 van het koninklijk besluit van 26 september 1996. De maximumduur van de concessie, die vijftig jaar bedraagt, werd evenwel geschrapt. Deze schrapping is gerechtvaardigd omdat de concessie niet noodzakelijk meer verband houdt met de toekenning van een recht van opstal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzekeringen Art. 107.Deze bepaling die, in een gewijzigde vorm, de inhoud overneemt van artikel 36 van het koninklijk besluit van 26 september 1996, bevat de verplichtingen betreffende de verzekeringen die de concessiehouder moet afsluiten tijdens en na de uitvoering van de werken. Deze bepaling doet evenwel geen afbreuk aan die van artikel 24 van dit ontwerp, dat eveneens betrekking heeft op de verzekeringen en op de termijn waarin de documenten moeten worden overgelegd aan de aanbestedende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Borgtocht Art. 108.Dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, de inhoud over van artikel 30 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 en legt de modaliteiten betreffende de borgtocht vast die moet beantwoorden aan de verplichtingen van de concessiehouder tijdens de hele duur van de concessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een nieuwe bepaling die de twee berekeningswijzen van de waarde van de concessie in het kader van de borgtocht verduidelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalt bovendien dat de concessiedocumenten de borgtocht kunnen vervangen door andere gelijkwaardige waarborgen. Deze waarborg kan bijvoorbeeld een hypotheek van eerste rang op de door de concessiehouder opgerichte gebouwen zijn, zodat de borgtocht geheel of gedeeltelijk kan vrijgegeven worden na uitvoering en oplevering van de werken ten laste van de concessiehouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er werd een vierde lid toegevoegd volgens hetwelke de concessiedocumenten de regels voor de vrijgave van de borgtocht bepalen. Deze toevoeging is noodzakelijk omdat artikel 93 niet toepasselijk werd gemaakt op de concessies. Dit artikel kan in elk geval niet als dusdanig worden toegepast naargelang de erin bedoelde gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Continuïteit openbare dienst Art. 109.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 32 van het koninklijk besluit van 26 september 1996, betreffende de verplichtingen inzake de continuïteit van de openbare dienst die ten laste zijn van de concessiehouder. Ze omvatten het onderhoud en de herstelling van het bouwwerk, alsook de betaling van de directe en indirecte belastingen die van toepassing zijn op het werk. Hetzelfde geldt voor de betaling van de rechten en kosten, behoudens andersluidende bepaling in de concessiedocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tienjarige aansprakelijkheid Art. 110.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 37 van het koninklijk besluit van 26 september 1996. Het bepaalt dat de concessiehouder ten opzichte van de aanbestedende overheid de aansprakelijkheid draagt die voortvloeit uit de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft enkel nut in de veronderstelling dat de concessie afloopt minder dan tien jaar na de datum van de voorlopige oplevering van het werk en van de andere werken die absoluut noodzakelijk zijn voor de uitbating van de concessie. Tijdens de gehele duur van de concessie bezit de concessiehouder immers het volle eigendomsrecht van het werk. In de loop van deze periode is de kwestie van zijn tienjarige aansprakelijkheid dus niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien bevat artikel 107 van het ontwerp een bepaling die de concessiehouder verplicht de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemers en de architecten te doen verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concessie met te betalen prijs Art. 111.Het eerste lid van dit artikel neemt de inhoud van artikel 38, § 1, over van het koninklijk besluit van 26 september 1996, betreffende de betalingsmodaliteiten wanneer de concessie gepaard gaat met een door de aanbestedende overheid te betalen prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst bepaalt nu evenwel dat de betaling van de prijs door de aanbestedende overheid periodiek en niet meer jaarlijks moet gebeuren, zoals dat het geval is in de huidige reglementering. Het kan immers financieel voordelig zijn om te voorzien in annuïteiten die, naargelang het geval, gedeeltelijk of volledig betaalbaar zijn, met maandelijkse provisies, of om te voorzien in degressieve betalingen, waarbij de eerste betalingen toelaten de investeringen vlugger af te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid stemt hoofdzakelijk overeen met artikel 39, tweede lid, van hetzelfde besluit. Het verduidelijkt dat deze prijs slechts opeisbaar is vanaf de datum waarop de werken ten laste van de concessiehouder zijn voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concessie met te betalen retributie Art. 112.Dit artikel neemt de inhoud over van de artikelen 38, § 2, en 39, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 september 1996, betreffende de berekenings- en betalingsmodaliteiten wanneer de concessie gepaard gaat met een retributie ten laste van de concessiehouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste zin van dat artikel 38, § 2, is evenwel geschrapt. Daaruit blijkt dat een aan de uitbating van de concessie eigen boekhouding moet worden gehouden volgens de regels van het Belgisch recht wanneer de retributie een percentage van het bruto omzetcijfer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net zoals artikel 111 vermeldt deze bepaling bovendien dat de betaling periodiek en niet meer jaarlijks plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Einde concessie Art. 113.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 40, § 1, van het koninklijk besluit van 26 september 1996. Het bepaalt de voorwaarden waaronder door elk van de partijen, zonder schadevergoeding, voortijdig een einde kan gesteld worden aan de concessie wanneer de duur van de concessie dertig jaar overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die mogelijkheid bestaat na dertig jaar mits een opzegging van een jaar gegeven wordt. Dit moet evenwel in de concessiedocumenten vermeld worden. Art. 114.Dit artikel neemt de inhoud over van de paragrafen 2 tot 5 van artikel 40 van het koninklijk besluit van 26 september 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 1 en 2 van artikel 114 bepalen de voorwaarden waaronder de aanbestedende overheid voortijdig een einde kan stellen aan de concessie, namelijk in geval van overmacht wat haar betreft (eerste paragraaf) en in geval de concessiehouder zijn verplichtingen ernstig verzuimt (tweede paragraaf).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 regelt de toestand indien de concessiehouder zich in een geval van overmacht bevindt.</h3>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen bedoeld in de eerste, tweede en derde paragrafen, wordt een forfaitaire schadevergoeding voor de concessiehouder bepaald op voorwaarde evenwel, wat de gevallen bedoeld in paragraaf 3 betreft, dat de aanbestedende overheid beslist het opgerichte werk te gebruiken op het ogenblik dat een einde gesteld wordt aan de concessie. Die schadevergoeding houdt rekening met verschillende elementen, namelijk de kostprijs van het door de concessiehouder opgerichte werk op het ogenblik dat een einde gesteld wordt aan de concessie en, in voorkomend geval, de waarde van de gronden die toebehoren aan de concessiehouder en waarop gebouwen opgericht werden die onontbeerlijk zijn voor de uitbating, evenals de werkelijke duur van de concessie op het ogenblik dat die ophoudt te bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient opgemerkt te worden dat voor de toepassing van paragraaf 3, het optreden van een geval van overmacht alleen tot gevolg heeft dat de concessiehouder ontslagen wordt van de opzeggingsplicht en geen enkele invloed heeft op de berekening van de schadevergoeding waarop hij eventueel recht zou hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf regelt het probleem van de eigendomsoverdracht van de opgerichte bouwwerken en van de gronden. Wanneer het de aanbestedende overheid is die beslist voortijdig een einde te stellen aan de concessie, hetzij in geval van overmacht, hetzij in geval van ernstig verzuim wat de concessiehouder betreft, wordt bepaald dat de eigendomsoverdracht gebeurt op het ogenblik dat de concessie ophoudt te bestaan en dat de goederen overgemaakt worden, vrij van welke rechten ook. Wanneer de concessie beëindigd wordt door de concessiehouder, gebeurt de eigendomsoverdracht ofwel onmiddellijk ofwel op een door de aanbestedende overheid gekozen tijdstip indien deze laatste beslist de opgerichte werken te gebruiken, ofwel bij het verstrijken van de overeenkomst in het tegenovergestelde geval. Er dient immers aan herinnerd te worden dat wanneer de aanbestedende overheid het bouwwerk niet gebruikt, zij geen enkele schadevergoeding moet betalen, zoals bepaald wordt in de derde paragraaf. HOOFDSTUK 5. - Specifieke bepalingen opdrachten voor leveringen Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen alle opdrachten voor leveringen Gedeeltelijke bestellingen Art. 115.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 52, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden betreffende de regels die op de gedeeltelijke bestellingen van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leveringstermijn Art. 116.Dit artikel herneemt de inhoud van artikel 52, § 3, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf vermeldt de regels voor de berekening van de leveringstermijnen naargelang die in kalenderdagen, -weken of -maanden, van datum tot datum of in werkdagen zijn uitgedrukt. Hij stemt overeen met artikel 52, § 3, 1°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden en heeft, in vergelijking met dat artikel, slechts enkele tekstverbeteringen ondergaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van dezelfde paragraaf verduidelijkt dat wanneer de uitvoeringstermijn een gunningscriterium voor de opdracht vormde, de in kalenderdagen, -weken of -maanden uitgedrukte termijnen noch tijdens de sluitingsdagen voor jaarlijkse vakanties, noch de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen worden geschorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf verduidelijkt dat de leveringstermijn aanvangt de dag volgend op de datum waarop de opdracht is gesloten of op de dag van de bestelling, naargelang het geval. De modaliteiten van artikel 52, § 3, 2°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, die ertoe strekken de datum vast te stellen die geldt als bewijs van het begin van de leveringstermijn (aangetekende brief of een ander communicatiemiddel dat binnen vijf dagen per aangetekende brief wordt bevestigd), zijn geschrapt. Het gaat hier om een administratieve vereenvoudiging die de aanbestedende overheid moet toelaten de modaliteiten te bepalen die het best aansluiten bij haar praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te leveren hoeveelheden Art. 117.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 52, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 117 handelt over de situatie waarin de opdrachtdocumenten vaste of minimale hoeveelheden vermelden. Zodra de opdracht is gesloten, heeft de leverancier het recht om die hoeveelheden te leveren. Indien de aanbestedende overheid die vaste of minimale hoeveelheden vermindert, kan de leverancier desgevallend aanspraak maken op een passende compensatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woorden « een passende compensatie » werden verkozen boven de woorden « de vergoeding van zijn schade » die momenteel van toepassing zijn. Deze uitdrukking is immers meer aangewezen omdat ze rekening houdt met het feit dat het, in geval van een vermindering van de hoeveelheden, niet enkel om de toekenning van schadevergoeding kan gaan, maar eventueel ook om de herziening van de betrokken opdracht of om een herziening van de eenheidsprijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leveringsmodaliteiten Art. 118.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 55, § § 1 tot 3, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, dat ongewijzigd blijft met uitzondering van enkele formele aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verpakkingen Art. 119.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 56 van de Algemene aannemingsvoorwaarden. De tekst blijft hoofdzakelijk ongewijzigd. Hij verduidelijkt dat de verpakkingen op kosten van de leverancier worden teruggezonden naar de in de offerte vermelde plaats van bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de eerste paragraaf worden de verpakkingen eigendom van de aanbestedende overheid zonder dat ze daarvoor een vergoeding verschuldigd is, tenzij de opdrachtdocumenten een andersluidende bepaling bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bevat de modaliteiten voor de terugbezorging van de verpakkingen door de aanbestedende overheid wanneer die eigendom blijven van de leverancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazicht van de levering Art. 120.Dit artikel neemt in zijn eerste, tweede en vierde lid de inhoud over van artikel 55, § 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende het nazicht van de producten op de leveringsplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid bepaalt de maximale termijn waarover de aanbestedende overheid beschikt om de verificaties te verrichten en de leverancier kennis te geven van het resultaat ervan. Evenwel is niet voorzien in een sanctie waardoor de termijn zou vervallen. De verificatietermijn is dus niet bepaald op straffe van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is nieuw en voorziet in een financiële sanctie in geval van niet-naleving door de aanbestedende overheid van de in het tweede lid vermelde termijn om de onderzoeksformaliteiten voor de leveringen te vervullen. Dit lid bevat een aangepaste versie van artikel 57, § 2, van de huidige Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het vierde lid moet de aanbestedende overheid de nodige maatregelen treffen om te beletten dat de afgekeurde producten opnieuw ter keuring of oplevering worden aangeboden of geleverd worden in de toestand waarin ze werden afgekeurd. De bepalingen blijven ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen aan de opdracht Art. 121.Dit nieuwe artikel voegt wat betreft de wijzigingen aan een opdracht voor leveringen specifieke bepalingen in, analoog aan die voor werken in artikel 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid van de leverancier Art. 122.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 55, § 5, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de aansprakelijkheid van de leverancier tot op het ogenblik dat de in artikel 120 vermelde onderzoeksformaliteiten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertragingsboetes Art. 123.Paragraaf 1 van dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, over van artikel 66, § 1, 2° en 3°, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van paragraaf 1 bevat de berekeningsmodaliteiten van de boetes. Deze modaliteiten worden gewijzigd. De berekening gebeurt nu naar rato van 0,1 procent per dag vertraging, met een maximum van 7,5 procent van de waarde van de goederen waarvan de levering met dezelfde vertraging gebeurde. Momenteel gaat het respectievelijk om 0,07 en vijf procent. Deze wijziging gebeurde om de berekeningswijze van de boetes beter af te stemmen op het werkelijk door de aanbestedende overheid geleden nadeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is evenwel nieuw en houdt rekening met het geval waarin de uitvoeringstermijn een gunningscriterium van de opdracht vormde. In dat geval bepalen de opdrachtdocumenten de berekeningswijze van de boetes die maximaal tien procent mogen bedragen van de waarde van de leveringen die met dezelfde vertraging gebeurd zijn. Is de berekeningswijze niet vermeld, dan zijn de in het eerste lid vermelde regels van toepassing. Het is de bedoeling dat de aanbestedende overheid hogere boetes kan opleggen in het bedoelde geval zonder een afwijking op de algemene uitvoeringsregels te moeten rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ratio legis van die nieuwe bepaling wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 86 dat dezelfde bepaling bevat voor de opdrachten voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te merken valt dat de vertragingsboetes uitsluitend worden berekend op basis van de waarde van de producten die met enige vertraging worden geleverd. Het is dus uitgesloten dat een boete zou worden berekend op basis van de volledige bestelling, behalve wanneer enkel de levering van alle bestelde producten in één keer interessant is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bijvoorbeeld, bij een opdracht voor de levering van kogelvrije vesten, honderdvijftig vesten op tweehonderd zonder beschermingsplaten worden geleverd, zal de boete op de volledige bestelling worden berekend ondanks een gedeeltelijke levering. Wanneer daarentegen honderdvijftig volledige vesten worden geleverd, zal de boete enkel op basis van de ontbrekende vijftig worden berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde en vierde lid stemmen overeen met artikel 66, § 1, 2°, tweede en derde lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het minimumbedrag voor de toepassing van de boetes bedraagt voortaan 75 euro in plaats van de huidige 55 euro, rekening houdend met de inflatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid, dat overeenstemt met artikel 66, § 1, 3°, tweede lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, bepaalt dat de leveringsdatum voor de toepassing van de vertragingsboetes de datum is waarop de leveringen voor de gedeeltelijke voorlopige oplevering ter beschikking van de aanbestedende overheid worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 neemt de bepalingen over van artikel 66, § 1, 4° en 5°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de berekening van de boetes wanneer een opdracht uit verschillende delen of fasen bestaat, ieder met een eigen uitvoeringstermijn en een eigen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve maatregelen Art. 124.Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm de inhoud over van artikel 66, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de toepassing van de ambtshalve maatregelen in het specifiek wat de leveringen betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf bepaalt de kosten voor rekening van de in gebreke gebleven leverancier die voortvloeien uit het sluiten van de opdracht voor rekening. Deze kosten zijn uitgedrukt in een percentage en zijn tevens geplafonneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit maximumbedrag wordt verhoogd van 11.000 euro naar 15.000 euro, rekening houdend met de inflatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten inzake oplevering Art. 125.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 65 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, zij het dat de woorden « Behoudens overmacht » zijn geschrapt. Deze worden immers overbodig geacht daar het om een algemeen principe gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdrachtprijs bij vertraging van de uitvoering Art. 126.Dit artikel stemt overeen met artikel 13, § 4, van de huidige Algemene aannemingsvoorwaarden. Het gaat om een specifieke tekst betreffende de opdrachten voor leveringen die de te gebruiken methode beschrijft om de kostprijs van de prestaties tijdens de vertragingsperiode te bepalen, wanneer de vertraging te wijten is aan de leverancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een opdracht voor leveringen zal de aanbestedende overheid met een eerste moeilijkheid worden geconfronteerd bij het bepalen, voor elk van de niet-tijdige leveringen, van het gedeelte van de prestaties dat werkelijk na de contractuele leveringsdatum werd uitgevoerd. Dit vereist immers dat het fabricageproces aan toezicht en controle wordt onderworpen, wat niet systematisch gebeurt omdat de meeste opdrachten voor leveringen verkoopovereenkomsten en geen aannemingsovereenkomsten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van artikel 126 werd opgesteld rekening houdend met voorgaande overwegingen. Het voorgestelde systeem is eenvoudig en sluit aan bij de filosofie van artikel 13, § 4, van de huidige Algemene aannemingsvoorwaarden. Het waarborgt de aanbestedende overheid dat ze nooit meer zal betalen in geval van niet-tijdige levering dan wanneer de opdracht normaal is uitgevoerd. Bovendien geniet ze de socio-economische voorwaarden van de vertragingsperiode wanneer die gunstiger zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betalingen Art. 127.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 15, § 2, 1°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, dat van toepassing is voor de betaling van de leveringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het eerste lid van dit artikel bedraagt de maximale betalingstermijn van de aan de leverancier verschuldigde sommen dertig dagen vanaf de datum van het verstrijken van de verificatietermijn bedoeld in artikel 120, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 4, § 4, van Richtlijn 2011/7/EU bedraagt de betalingstermijn maximaal zestig dagen voor de aanbestedende overheden die gezondheidszorg verstrekken, zij het enkel voor de leveringen verbonden aan die speciale activiteit. Voor de verantwoording van deze uitzondering wordt verwezen naar de commentaar van artikel 95. Afdeling 2. - Aanvullende bepalingen opdrachten voor leveringen met aankoop Voorlopige opleveringen Art. 128.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 59, § 3, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalt dat de aanvraag tot voorlopige oplevering afgewezen wordt door de aanbestedende overheid wanneer de aangeboden hoeveelheden merkelijk kleiner zijn dan aangekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leverancier moet dan een nieuwe aanvraag indienen. Art. 129.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 57 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de voorlopige oplevering van de leveringen in de vorm van aankoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf bevat de regels voor de voorlopige oplevering van de leveringen, waaronder het opmaken van een proces-verbaal. Hij heeft slechts enkele tekstverbeteringen ondergaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt een onderscheid tussen twee werkwijzen waarin de opdrachtdocumenten kunnen voorzien en die ook gelden als keuring a posteriori : ofwel een dubbele oplevering, gedeeltelijk op de plaats van productie en volledig op de plaats van levering, ofwel een volledige oplevering op de plaats van levering zonder gedeeltelijke oplevering op de plaats van productie. Deze beide werkwijzen worden respectievelijk behandeld in de artikelen 130 en 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bepaalt dat bij een overschrijding van de toegestane termijnen te wijten aan de aanbestedende overheid, zij gerechtigd blijft om de producten te aanvaarden of te weigeren, doch mits betaling aan de leverancier van een vergoeding volgens de berekeningsmodaliteiten vermeld in de bepaling. Deze modaliteiten werden herzien in vergelijking met die vermeld in de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dubbele voorlopige oplevering Art. 130.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 58 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de dubbele oplevering als bedoeld in artikel 129 van dit ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van paragraaf 2 van dit artikel 58 is voortaan evenwel vervat in artikel 123, § 1, laatste lid, van het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevat de nodige regels bij de uitvoering van deze dubbele oplevering, waaronder de opgelegde termijnen vanaf de aanvraag van de leverancier en de terbeschikkingstelling van de op te leveren goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledige oplevering op de leveringsplaats zonder gedeeltelijke oplevering op de productieplaats Art. 131.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 61, § § 1, 4 en 5, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de volledige voorlopige oplevering op de plaats van levering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf bepaalt de termijn waarover de aanbestedende overheid beschikt om het onderzoek uit te voeren en haar beslissing tot aanvaarding of weigering mede te delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf bepaalt de termijn binnen dewelke de geweigerde producten moeten worden verwijderd. Enkele mogelijkheden zoals het merk van verwerping of de door de aanbestedende overheid uitgeoefende retentiebevoegdheid komen aan bod in artikel 61, § 3, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Deze mogelijkheden werden niet behouden in dit ontwerp maar kunnen door de aanbestedende overheid worden gebruikt voor zover het in de opdrachtdocumenten voorzien is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 laat de aanbestedende overheid toe een uiterste datum te bepalen. Na deze datum zal een straf worden toegepast voor iedere dag vertraging indien de geweigerde producten niet worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigendomsoverdracht Art. 132.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 50 van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Daaruit blijkt dat, voor de leveringen in de vorm van aankoop, de eigendomsoverdracht aan de aanbestedende overheid van rechtswege plaatsvindt zodra deze leveringen voor betaling werden aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijgave borgtocht Art. 133.Dit artikel neemt, wat de leveringen betreft, ongewijzigd de inhoud van artikel 9, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalt dat de borgtocht ineens kan worden vrijgegeven na de voorlopige oplevering, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarborgtermijn Art. 134.Dit artikel herformuleert de inhoud van artikel 63, eerste lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. De bepalingen van artikel 63 van de Algemene aannemingsvoorwaarden overlappen immers gedeeltelijk met die van artikel 65, § 3, van dit ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van het tweede lid van artikel 63 van de Algemene aannemingsvoorwaarden is in deze bepaling niet meer overgenomen omdat artikel 65, § 5, van het ontwerp reeds bepaalt dat een nieuwe termijn van toepassing is op de producten die ter vervanging worden geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitieve oplevering Art. 135.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 64 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de definitieve oplevering van de leveringen op het einde van de waarborgtermijn. In deze bepaling werden slechts enkele formele wijzigingen aangebracht. Afdeling 3. - Aanvullende bepalingen opdrachten voor leveringen met huur, huurkoop of leasing Alle bepalingen van deze afdeling zijn nieuw. De Algemene aannemingsvoorwaarden bevatten immers geen specifieke regeling voor de uitvoering van de opdrachten voor leveringen met huur, huurkoop of leasing. Sommige van deze artikelen zijn overgenomen uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 september 1996 betreffende de promotieopdrachten voor leveringen. Andere artikelen zijn daarentegen volledig nieuw, in het bijzonder deze betreffende de opleveringen van de opdracht of, meer in het algemeen, het einde van de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen aanbestedende overheid Art. 136.Dit artikel vormt een nieuwe aanvullende bepaling voor de opdrachten voor leveringen als bedoeld in deze afdeling. Het bepaalt de verplichtingen van de aanbestedende overheid inzake het gebruik van de leveringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen leverancier Art. 137.Deze nieuwe aanvullende bepaling voor de opdrachten voor leveringen als bedoeld in deze afdeling, bepaalt de verplichtingen van de leverancier. Die omvatten de terbeschikkingstelling van de leveringen binnen de vastgestelde termijnen en, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten, het onderhoud en de herstelling ervan. Art. 138.Dit artikel is een nieuwe bepaling betreffende de verplichtingen van de leverancier in geval van volledige of gedeeltelijke vernieling van de leveringen tijdens de duur van de opdracht. Deze bepaling strekt ertoe de continuïteit van de dienstverlening door de leverancier te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigendomsoverdracht in geval van huurkoop Art. 139.Dit artikel bevat een nieuwe bepaling voor de opdrachten voor leveringen in de vorm van huurkoop. Ze bepaalt op welk moment de eigendomsoverdracht kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarborgtermijn in geval van huurkoop Art. 140.Dankzij deze invoeging kunnen de aanbestedende overheden over een waarborgtermijn beschikken in geval van lichting van de aankoopoptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling van de prijs Art. 141.Dit artikel bevat een aanvullende bepaling inzake betaling van huurgeld of huurvergoedingen voor de in deze afdeling bedoelde opdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijst naar de regels bepaald in de opdrachtdocumenten en verduidelijkt dat geen huurgeld of huurvergoedingen verschuldigd zijn voor de periode waarin de aanbestedende overheid de leveringen niet kan gebruiken ingevolge een tekortkoming van de leverancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitieve opleveringen Oplevering van de opdracht in geval van huur, huurkoop of leasing Art. 142 en 143. Deze artikelen bevatten afzonderlijke opleveringsmodaliteiten rekening houdend met de bijzonderheden van elk soort contract. In geval van leasing moeten de modaliteiten betreffende het einde van de opdracht immers rekening houden met het feit dat de aanbestedende overheid niet noodzakelijk de eigenaar van de levering wordt. Het begrip « leasing » uit Richtlijn 2004/18/EG valt onder het begrip « financieringshuur » of « leasing » in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijgave van de borgtocht Art. 144.Dit artikel voorziet eveneens in afzonderlijke regels voor de vrijgave van de borgtocht in geval van een opdracht van huur of leasing en in geval van een opdracht met huurkoop. HOOFDSTUK 6. - Specifieke bepalingen opdrachten voor diensten Belangenvermenging Art. 145.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 73 van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Het blijft hoofdzakelijk ongewijzigd met uitzondering van enkele formele aanpassingen. In een bepaling wordt evenwel de aanvangsdatum van de termijn vermeld binnen dewelke de opdrachtnemer zijn verweermiddelen kan doen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangaande de problematiek van de belangenvermenging kan, wat de federale overheid betreft, nog worden verwezen naar de omzendbrief die daaromtrent is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 juni 2010, blz. 38.457 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringsmodaliteiten Art. 146.Deze bepaling stemt overeen met artikel 69, § 2, van de huidige Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringstermijnen Art. 147.Om reden van administratieve vereenvoudiging zijn, ten opzichte van artikel 69, § § 3 en 4, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, een aantal specifieke regels geschrapt zodat de aanbestedende overheid de modaliteiten kan bepalen die het best aansluiten bij haar praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensten met vaste hoeveelheden of minimaal te verlenen diensten Art. 148.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 69, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woorden « een passende compensatie » werden verkozen boven de woorden « de vergoeding van zijn schade » die momenteel van toepassing zijn. Deze uitdrukking is immers meer aangewezen omdat ze rekening houdt met het feit dat het, in geval van een vermindering van de hoeveelheden, niet enkel om de toekenning van schadevergoeding kan gaan, maar eventueel ook om de herziening van de betrokken opdracht of om een herziening van de eenheidsprijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Modaliteiten inzake prestaties Art. 149.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 70 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, behoudens een formele aanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazicht diensten Art. 150.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 71 van de Algemene aannemingsvoorwaarden en heeft betrekking op het nazicht van de diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid worden de woorden « Indien de opdrachtdocumenten hierin voorzien » toegevoegd, omdat deze bepaling niet van toepassing is op opdrachten voor diensten zoals studie- of opleidingsdiensten of diensten voor de schoonmaak van lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van het derde lid houdt een wijziging in ten opzichte van artikel 71, derde lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Gelet op de nieuwe betalingsregels is de daarin bepaalde verificatietermijn meer bepaald teruggebracht tot dertig dagen. Evenwel is niet voorzien in een sanctie waardoor de termijn zou vervallen. De verificatietermijn is dus niet bepaald op straffe van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen aan de opdracht Art. 151.Dit nieuwe artikel voegt wat betreft de wijzigingen aan een opdracht voor diensten specifieke bepalingen in, analoog aan die voor werken in artikel 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid dienstverlener Art. 152.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 72, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de aansprakelijkheid van de dienstverlener voor de fouten en nalatigheden in de verleende diensten. In dit artikel zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Art. 153.Dit artikel neemt ongewijzigd de inhoud over van artikel 74, § 1, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertragingsboetes Art. 154.Dit artikel neemt, in een gewijzigde vorm, over van artikel 75, § 1, 2° en 3°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste lid bevat de berekeningsmodaliteiten van de boetes. Deze modaliteiten worden gewijzigd. De berekening gebeurt nu naar rato van 0,1 procent per dag vertraging, met een maximum van zevenenhalve procent van de waarde van de diensten waarvan de uitvoering met dezelfde vertraging gebeurde. Momenteel gaat het om 0,07 respectievelijk vijf procent. Er is nu bovendien voorzien dat de opdrachtdocumenten de berekeningsbasis van de boetes kunnen vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is immers mogelijk dat slechts een klein deel van de diensten met vertraging wordt uitgevoerd maar dat hierdoor het geheel van de diensten onbruikbaar wordt. In dat geval moet de vertragingsboete betrekking hebben op het geheel van de diensten, ook al werd enkel een klein deel van de diensten met vertraging uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is evenwel nieuw en houdt rekening met het geval waarin de uitvoeringstermijn een gunningscriterium van de opdracht vormt. In dat geval bepalen de opdrachtdocumenten de berekeningswijze van de boetes die maximaal tien procent mogen bedragen van de waarde van de diensten die met dezelfde vertraging uitgevoerd zijn. Is de berekeningswijze niet vermeld, dan zijn de in het eerste lid vermelde regels van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de bedoeling dat de aanbestedende overheid boetes kan opleggen die beter rekening houden met de bijzonderheden van de opdracht, zonder een afwijking op de algemene uitvoeringsregels te moeten rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ratio legis van die nieuwe bepaling wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 86 dat dezelfde bepaling bevat voor de opdrachten voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te merken valt dat de vertragingsboetes uitsluitend worden berekend op basis van de waarde van de diensten die met enige vertraging worden uitgevoerd. Het is dus uitgesloten dat een boete zou worden berekend op basis van de gezamenlijke diensten, behalve wanneer de bestelde diensten enkel interessant zijn als ze allemaal worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde en vierde lid stemmen overeen met artikel 75, § 1, 2°, tweede en derde lid, van de Algemene aannemingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve maatregelen Art. 155.Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm de inhoud over van artikel 75, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de toepassing van de ambtshalve maatregelen wat de diensten betreft. De inhoud ervan is ongewijzigd gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplevering opdracht Art. 156.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 74, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. De termijn van vijftien dagen werd evenwel verlengd tot dertig dagen waardoor tevens het derde lid van artikel 74, § 2, overbodig is geworden. Art. 157.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 65 van de Algemene aannemingsvoorwaarden, dat momenteel van toepassing is op de opdrachten voor leveringen. Het bepaalt de indieningstermijn en Bwijze van de bezwaren tegen de beslissingen van de aanbestedende overheid inzake opleveringen, behoudens in geval van overmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijgave van de borgtocht Art. 158.Dit artikel neemt, wat de diensten betreft, de inhoud over van artikel 9, § 2, van de Algemene aannemingsvoorwaarden. Aangezien er slechts één oplevering is, bepaalt het logischerwijze dat de borgtocht ineens na de oplevering van de gezamenlijke diensten kan worden vrijgegeven, behoudens andersluidende bepaling in de opdrachtdocumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdrachtprijs bij vertraging van de uitvoering Art. 159.Er wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betalingen Art. 160.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 15, § 2, 2°, van de Algemene aannemingsvoorwaarden, betreffende de regels voor de betaling van de diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig Richtlijn 2011/7/EU wordt nu voorzien in een termijn van dertig dagen voor het uitvoeren van de betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 4, § 4, van Richtlijn 2011/7/EU bedraagt de betalingstermijn maximaal zestig dagen voor de aanbestedende overheden die gezondheidszorg verstrekken, zij het enkel voor de diensten verbonden aan die specifieke activiteit. Voor de rechtvaardiging van deze uitzondering wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid bepaalt de maximale betalingstermijn ingeval niet in een verificatie is voorzien. HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen De artikelen 161 en 162 bevatten de slotbepalingen. De aandacht wordt erop gevestigd dat de datum van inwerkingtreding van dit besluit later door de Koning zal worden bepaald. Voor wat de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten betreft zou deze datum moeten samenvallen met de datum van inwerkingtreding van de andere uitvoeringsbesluiten van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Eerste Minister, E. DI RUPO Advies 51.586/1/V van 2 augustus 2012 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste vakantiekamer, op 22 juni 2012 door de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 10 augustus 2012, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken', heeft het volgende advies gegeven : 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking vanhet ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe de algemene uitvoeringsregels van overheidsopdrachten en van concessies voor openbare werken te bepalen.De ontworpen regeling is niet op alle overheidsopdrachten en concessies voor openbare werken van toepassing, doch enkel op welbepaalde categorieën ervan en bovendien is de toepassing van de ontworpen regeling in bepaalde gevallen afhankelijk van het geraamde bedrag van de opdracht. 2.1. De overheidsopdrachten in de zogeheten « klassieke sectoren » en in de zogeheten « speciale sectoren », bedoeld in respectievelijk de titels II en III van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten 'overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten' vallen in beginsel onder de toepassing van de ontworpen regeling. Dat is ook het geval voor de overheidsopdrachten, bedoeld in titel 2 van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten 'inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied'. (1) Opdrachten, zoals die welke worden bedoeld in titel IV van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten (2) en in titel 3 van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten (3) vallen daarentegen niet onder toepassing van de ontworpen regeling. 2.2. Het ontworpen koninklijk besluit is luidens artikel 5, § 2, van het ontwerp « in zijn geheel toepasselijk op de opdrachten waarvan het geraamde bedrag groter is dan 30.000 euro ». Voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag ligt tussen 8.500 en 30.000 euro, en voor de opdrachten die binnen het toepassingsgebied van titel III van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten vallen en waarvan het geraamde bedrag tussen 17.000 en 30.000 euro is gesitueerd, is het ontwerp niet in zijn geheel van toepassing, maar zijn enkel welbepaalde artikelen ervan van toepassing. (4) Het ontworpen besluit is niet toepasselijk op de opdrachten waarvan het geraamde bedrag kleiner is dan 8.500 euro, welk bedrag tot 17.000 euro wordt opgetrokken voor de opdrachten die onder het toepassingsgebied van titel III van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten vallen. (5) 3. Benevens algemene uitvoeringsregels bevat het ontwerp een aantal toepassingsregels die, ongeacht het geraamde bedrag van de opdracht, gelden voor specifieke types van overheidsopdracht.(6) 4. Het ontwerp bevat bepalingen die verplicht van toepassing zijn, benevens bepalingen die dat niet zijn.In het laatste geval kunnen de bepalingen waarvan niet op verplichte wijze toepassing moet worden gemaakt, door de opdrachtdocumenten toepasselijk worden gemaakt op een bepaalde opdracht. (7) 5. Het ontworpen besluit is bestemd om - mettertijd en in de hiervoren beschreven mate - in de plaats te komen van de regeling die momenteel is vervat in het koninklijk besluit van 26 september 1996 'tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken' dat is tot stand gebracht ter uitvoering van de wet van 24 december 1993 'betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in het verslag aan de Koning bij het ontwerp wordt verduidelijkt, hebben de stellers van het ontwerp zich bij het bepalen van de uitvoeringsregels in ruime mate laten inspireren door het voornoemde koninklijk besluit, maar hebben zij dat laatste niettemin ook op bepaalde punten herzien op zowel vormelijk als inhoudelijk vlak. 5.1. Vormelijk krijgt de ontworpen tekst een nieuwe structuur waarin de huidige opdeling van het koninklijk besluit van 26 september 1996 wordt verlaten. Het dispositief van het laatstgenoemde koninklijk besluit bevat, enerzijds, de basisbepalingen voor het uitvoeren van overheidsopdrachten in het algemeen en, anderzijds, een aantal aanvullende bepalingen inzake specifieke soorten overheidsopdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bevat het koninklijk besluit een bijlage met « Algemene aannemingsvoorwaarden » waarin de uitvoering van overheidsopdrachten meer in detail wordt geregeld. Anders dan wat in het koninklijk besluit van 26 september 1996 het geval is, krijgt het geheel van de uitvoeringsregels nu een plaats in het dispositief van het ontworpen besluit en wordt niet in een bijlage voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp bevat zeven hoofdstukken die bestaan uit een aantal algemene bepalingen (hoofdstuk 1), bepalingen toepasselijk op alle opdrachten (hoofdstuk 2), specifieke bepalingen voor opdrachten voor werken (hoofdstuk 3), voor concessies voor openbare werken (hoofdstuk 4), voor opdrachten voor leveringen (hoofdstuk 5) en voor opdrachten voor diensten (hoofdstuk 6), en ook nog uit de slotbepalingen (hoofdstuk 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de nieuwe structuur is ook de ordening van de in het koninklijk besluit van 26 september 1996 voorkomende bepalingen die in het ontwerp worden hernomen, gewijzigd. 5.2. Wat de inhoudelijke aanpassingen betreft, moet worden opgemerkt dat een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 26 september 1996 niet zijn hernomen. In het verslag aan de Koning wordt in dat verband verduidelijkt dat het de bedoeling is om inhoudelijk « enkel de regels over [te nemen] die een algemene draagwijdte hebben in de zin dat ze zonder onderscheid voor alle aan dit ontwerp onderworpen aanbestedende overheden en overheidsbedrijven principieel toepasselijk moeten zijn aangezien ze noodzakelijk worden geacht in het kader van de uitvoering van de overheidsopdrachten en de concessies voor openbare werken ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is het zo dat sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 26 september 1996 niet zijn hernomen in het ontwerp omdat het bepalingen betreft die reeds in acht zijn te nemen vóór de fase van de uitvoering van een overheidsopdracht en deze om die reden al zijn opgenomen in de zogeheten « plaatsingsbesluiten » van 15 juli 2011, 23 januari 2012 en 16 juli 2012. (8) Andere bepalingen van het koninklijk besluit van 26 september 1996 worden wel overgenomen, zij het in een gewijzigde vorm, of worden aangevuld. De reden daarvoor is onder meer dat met het ontwerp ook de omzetting in het interne recht wordt beoogd van sommige bepalingen van Richtlijnen 2000/35/EG (9) en 2011/7/EU (10) (11).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp bevat tot slot ook een aantal geheel nieuwe bepalingen. (12) 6. Overeenkomstig artikel 161 van het ontwerp zal het ontworpen besluit in werking treden op een door de Koning te bepalen datum.Het verslag aan de Koning doet ervan blijken dat « wat de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten betreft [Y] deze datum [zou] moeten samenvallen met de datum van inwerkingtreding van de andere uitvoeringsbesluiten van deze wet ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsgrond 7.1. Onder voorbehoud van hetgeen onder de volgende nummers zal worden opgemerkt in verband met de rechtsgrond van sommige bepalingen van het ontwerp, kan dit laatste worden geacht rechtsgrond te vinden in de artikelen 39 en 55, eerste lid, van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten, in de mate overheidsopdrachten worden beoogd die onder de toepassing vallen van de titels II of III van die wet. Artikel 35, eerste lid, van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten biedt rechtsgrond voor de bepalingen van het ontwerp die overheidsopdrachten betreffen als bedoeld in titel 2 van de betrokken wet. 7.2. Sommige bepalingen van het ontwerp vinden rechtsgrond in andere wetsbepalingen dan die welke worden vermeld onder 7.1, afhankelijk van de sectorale aard van de overheidsopdrachten in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo moet artikel 10 van het ontwerp worden geacht rechtsgrond te vinden in, al naargelang het geval, artikel 10 van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten of artikel 11 van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, welke bepalingen de Koning opdragen om de regels vast te stellen die van toepassing zijn op de communicatiemiddelen tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 67 van het ontwerp kan worden geacht rechtsgrond te vinden in, al naargelang het geval, artikel 7, tweede lid, van de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten of artikel 8, tweede lid, van de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, naar luid waarvan voorschotten kunnen worden toegestaan volgens de voorwaarden vastgesteld door de Koning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende bepalingen voor promotieopdrachten van werken, vervat in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van het ontwerp, kunnen worden geacht rechtsgrond te vinden in artikel 28 van zowel de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten als de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, waarin onder meer wordt bepaald dat de aanbestedende overheid of een overheidsbedrijf gebruik kan maken van een promotieopdracht van werken onder de door de Koning bepaalde voorwaarden. In de mate evenwel in de voornoemde aanvullende bepalingen wordt afgeweken van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten 'over het recht van erfpacht' en van de wet van dezelfde datum 'over het recht van opstal' (13), dient rekening te worden gehouden met artikel 28, derde lid, van zowel de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten als de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, die luiden : « Voor zover dit noodzakelijk is voor de organisatie en het beheer van de promotieopdracht, mag de Koning bij het vaststellen van de beoogde voorwaarden afwijken van de wetten van 10 januari 1824 over het recht van erfpacht en het recht van opstal. » Dergelijke afwijkingen kunnen weliswaar rechtsgrond vinden in de aangehaalde wetsbepaling, zij het enkel « voor zover dit noodzakelijk is voor de organisatie en het beheer van de promotieopdracht ». Het verdient aanbeveling dat die noodzakelijkheid in het verslag aan de Koning zou worden toegelicht, wat de bepalingen van het ontwerp betreft die een afwijking van de voornoemde wetten van 10 januari 1824 kunnen impliceren. 7.3. Het ontwerp bevat een aantal specifieke bepalingen inzake concessies voor openbare werken waarin op een expliciete (14) of op een impliciete wijze (15) wordt afgeweken van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten 'over het recht van opstal'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan wat ten aanzien van de promotieopdrachten, bedoeld in 7.2, het geval is, ziet de Raad van State, afdeling Wetgeving, noch in de wet van 15 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/02/2007 numac 2006021341 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten sluiten, noch in de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/08/2011 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten, een bepaling die het de Koning mogelijk zou maken om af te wijken van de wet van 10 januari 1824Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000362 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van opstal type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/01/1824 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/06/2009 numac 2009000361 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet over het recht van erfpacht sluiten 'over het recht van opstal'. De betrokken afwijkende bepalingen kunnen om die reden niet ongewijzigd in het ontwerp behouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormvereisten 8. Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/05/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/1997 numac 1997021155 bron diensten van de eerste minister</p></div>", "next": 239721}