{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur moet ertoe leiden dat de volgende percentages van hergebruik en recycling, worden behaald : 1° voor het ferrometaal : 95 %;2° voor het non-ferrometaal : 95 %;3° voor de kunststoffen;20 %; 4° voor batterijen : 65 %. De kunststoffen worden nuttig toegepast De voormelde doelstellingen gelden voor elk van de categorieën, vermeld in artikel 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzake hergebruik en recycling worden globale doelstellingen gehaald van 90 % voor grote huishoudelijke apparaten en 70 % voor de andere apparatuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalpreventie- en afvalbeheerplan en de milieubeleidsovereenkomst, genoemd in artikel 3.1.1.4, § 1, regelen inzonderheid en in voorkomend geval : 1° de verplichting van de eindverkopers van elektrische en elektronische apparatuur om elk afgedankt elektrisch of elektronisch apparaat in ontvangst te nemen dat door de consument wordt aangeboden naar aanleiding van de aankoop van een elektrisch of elektronisch apparaat van een overeenstemmende soort als het afgedankte apparaat;2° de verplichting van de eindverkopers van elektrische en elektronische apparatuur die een elektrisch of elektronisch apparaat bij de consument aan huis leveren, om bij de levering het overeenstemmende afgedankte apparaat ter plaatse bij de consument in ontvangst te nemen;3° de verplichting van de tussenhandelaars in elektrische en elektronische apparatuur om alle afgedankte elektrische of elektronische apparatuur die met toepassing van dit besluit in ontvangst is genomen, op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers van elektrische en elektronische apparatuur in te zamelen en aan de producent of de invoerder van de elektrische of elektronische apparatuur aan te bieden;4° de verplichting van de producenten of de invoerders van de elektrische of elektronische apparatuur om alle aanvaarde afgedankte apparatuur bij de tussenhandelaar in elektrische en elektronische apparatuur, of bij gebrek daaraan bij de eindverkoper van elektrische en elektronische apparatuur, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe vergunde inrichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eindverkoper van elektrische en elektronische apparatuur moet op een duidelijk zichtbare plaats en wijze in elk van zijn verkooppunten een bericht aanbrengen waarop onder de titel \"AANVAARDINGSPLICHT AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE APPARATUUR\" is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.5.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De eindverkoper van elektrische en elektronische apparatuur stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, uitgedrukt in kilogram;2° de soorten en aantallen afgedankte elektrische en elektronische apparaten, die in het kader van de aanvaardingsplicht in ontvangst werden genomen, met minstens de aparte vermelding van de hoeveelheden die : - voor hergebruik geselecteerd werden, inclusief de overbrenger en de bestemming; - aan de tussenhandelaars, respectievelijk producent/invoerder werden overhandigd; - een andere bestemming kregen. § 2 De tussenhandelaar in elektrische en elektronische apparatuur stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, uitgedrukt in kilogram;2° de soorten en aantallen afgedankte elektrische en elektronische apparaten, die in het kader van de aanvaardingsplicht in ontvangst werden genomen, met minstens de aparte vermelding van de hoeveelheden die : - voor hergebruik geselecteerd werden, inclusief de overbrenger en de bestemming; - aan de producent/invoerder werden overhandigd; - een andere bestemming kregen. § 3. De producent of de invoerder van elektrische of elektronische apparatuur stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid elektrische en elektronische apparatuur, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in Vlaanderen op de markt werd gebracht;2° de totale hoeveelheid afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld;3° de inrichting(en) waar en de wijze waarop de ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur werd verwerkt;4° de inrichting(en) waar en de hoeveelheid ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die in hergebruik werd gebracht; 5° de totale hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per groep van afvalstof als bedoeld in artikel 3.5.3 en per categorie, vermeld in 3.5.1, die : a) werden gerecycleerd;b) op een andere wijze nuttig werden toegepast;c) werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;d) werden verwijderd door storten. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eindverkoper, tussenhandelaar, producent en invoerder van elektrische en elektronische apparatuur verschaffen aan de OVAM alle andere informatie die de OVAM nuttig acht voor de beoordeling van de overeenkomstig artikel 3.5.3 te bereiken doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling VI. - Afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen Art. 3.6.1. De aanvaardingsplicht, zoals beschreven in artikel 3.1.1.1 en 3.1.1.2, heeft tot doel, enerzijds preventieve acties te stimuleren en anderzijds de nuttige toepassing van de afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen te maximaliseren, met het oog op het behalen van de volgende doelstellingen : 1° afvalloodstartbatterijen : a) een inzamelpercentage van meer dan 90 %, en van meer dan 95 % vanaf 1 januari 2005;b) voor de afvalstoffen, die voortkomen uit de verwerking van de afvalloodstartbatterijen : 1) 95 % recyclage van lood;2) 100 % nuttige toepassing van de kunststoffen of 30 % recyclage;3) volledige nuttige toepassing of neutralisatie van het elektrolyt;2° andere afvalbatterijen : a) inzamelpercentage van 75 % van de hoeveelheden afvalbatterijen, met uitzondering van de afvalbatterijen die deel uitmaken van een afgedankt apparaat of gebruiksgoed;b) de producenten en invoerders van batterijen verzamelen en verwerken na gebruik of afdanking ervan alle verpakkingen en andere middelen die ter beschikking worden gesteld van de burger voor de inzameling van afvalbatterijen;c) de producenten en invoerders van batterijen, of de personen die door hen zijn aangesteld, halen op verzoek van de exploitant gratis alle afvalbatterijen op die in het Vlaamse Gewest ontstaan in inrichtingen, vergund voor de ontmanteling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of andere gebruiksgoederen;d) een recyclingpercentage van 65 %;3° preventieve acties : a) inspanningen met het oog op het verhogen van de gemiddelde kwaliteit van de loodstart- en andere batterijen die op de markt worden gebracht, te meten aan de capaciteit, de levensduur en de houdbaarheid;b) de vermindering van de hoeveelheid cadmium in zink-bruinsteenbatterijen en in alkali-mangaanbatterijen tot maximaal 0,002 gewichtsprocent;c) de vermindering van de hoeveelheid lood in zink-bruinsteenbatterijen en in alkali-mangaanbatterijen tot maximaal 0,2 gewichtsprocent;d) het opstellen en actief communiceren van duidelijke richtlijnen ten behoeve van de consumenten en de fabrikanten van apparatuur over welke types van loodstart- en andere batterijen binnen het gamma het meest geschikt zijn voor bepaalde toepassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De preventieve acties hebben uiteindelijk als doel om het gebruik van herlaadbare batterijen te bevorderen ter vervanging van het gebruik van niet-herlaadbare batterijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalpreventie- en afvalbeheerplan en de milieubeleidsovereenkomst, genoemd in artikel 3.1.1.4, § 1, regelen inzonderheid en in voorkomend geval : 1° de verplichting van de eindverkopers van loodstart- of andere batterijen om elke afvalbatterij en afvalloodstartbatterij in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden;2° de verplichting van de tussenhandelaars in loodstart- of andere batterijen om alle afvalbatterijen of afvalloodstartbatterijen die met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen zijn, op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers in te zamelen en aan de producent of de invoerder van loodstart- of andere batterijen aan te bieden;3° de verplichting van de producenten of de invoerders van loodstart- of andere batterijen om alle aanvaarde afvalbatterijen of afvalloodstartbatterijen bij de tussenhandelaar van loodstart- of andere batterijen, of bij gebrek daaraan bij de eindverkoper van loodstart- of andere batterijen, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daarvoor vergunde inrichting;4° de manier waarop het gebruik van herlaadbare batterijen werd aangemoedigd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eindverkoper van loodstart- of andere batterijen moet op een duidelijk zichtbare plaats en wijze in elk van zijn verkooppunten een bericht aan brengen waarop onder de titel \"AANVAARDINGSPLICHT AFVALBATTERIJEN » of « AANVAARDINGSPLICHT AFVALLOODSTARTBATTERIJEN\" is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.6.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De producent of de invoerder van loodstart- en andere batterijen stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid loodstart- en andere batterijen, uitgedrukt in kilogram, die in het Vlaamse Gewest werd verbruikt, opgesplitst naar elk van de volgende soorten : a) zink-bruinsteenbatterijen;b) alkali-mangaanbatterijen;c) kwikoxidebatterijen;d) zilveroxidebatterijen;e) zink-luchtbatterijen; f ) nikkel-cadmiumbatterijen; g) loodstartbatterijen;h) overige batterijen;2° de totale hoeveelheid afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen, uitgedrukt in kilogram, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld, opgesplitst naar de soorten vermeld in 1°;3° de inrichting(en) waar en de wijze waarop de ingezamelde afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen werden verwerkt;4° de hoeveelheid gerecycleerde afvalstoffen;5° een overzicht van de preventieve acties. § 2. De eindverkoper, tussenhandelaar, producent en invoerder van loodstart- of andere batterijen verschaffen aan de OVAM alle andere informatie die de OVAM nuttig acht voor de beoordeling van de overeenkomstig dit besluit te bereiken doelstelling Afdeling VII. - Afgewerkte olie Art. 3.7.1 § 1. De aanvaardingsplicht, zoals beschreven in artikel 3.1.1.1 en 3.1.1.2, voor afgewerkte olie moet ertoe te leiden dat de potentieel beschikbare hoeveelheid afgewerkte olie wordt ingezameld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling van de potentieel beschikbare hoeveelheid afgewerkte olie wordt rekening gehouden met de hoeveelheid olie die op de markt werd gebracht en de verliezen die ontstaan door de consumptie. § 2. De ingezamelde afgewerkte olie moet worden verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken. Vanaf 1 januari 2004 wordt minstens 85 % van de ingezamelde afgewerkte olie verwerkt door middel van regeneratie, herraffinage of ander hergebruik, en wordt maximaal 15 % van de ingezamelde afgewerkte olie verbrand met terugwinning van energie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.7.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalpreventie- en afvalbeheerplan en de milieubeleidsovereenkomst, genoemd in artikel 3.1.1.4, § 1, regelen inzonderheid en in voorkomend geval : 1° de verplichting van de eindverkopers van olie om de afgewerkte olie in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden bij de aankoop van olie van een overeenstemmende soort;2° de verplichting van de eindverkopers van olie om bij levering aan huis bij de consument, de ter plaatse vrijkomende afgewerkte olie in ontvangst te nemen;3° de verplichting van de tussenhandelaar in om alle afgewerkte olie die met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen is, op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers van olie in te zamelen en aan de producent of invoerder van olie aan te bieden;4° de verplichting van producenten of invoerders van olie om alle aanvaarde afgewerkte olie bij de tussenhandelaar van olie, of bij gebreke daaraan bij de eindverkoper van olie, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in daartoe vergunde inrichtingen. Art. 3.7.3. De eindverkoper van olie moet op een duidelijk zichtbare plaats en wijze in elk van zijn verkooppunten een bericht aan brengen waarop onder de titel « AANVAARDINGSPLICHT AFGEWERKTE OLIE » is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan dit besluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 3.7.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De eindverkoper en de tussenhandelaar van olie stellen vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : de totale hoeveelheid afgewerkte olie, uitgedrukt in liter, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen. § 2. De producent of invoerder van olie stelt vóór 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM : 1° de totale hoeveelheid olie, uitgedrukt in liter, die in het Vlaamse Gewest werd verbruikt;2° de totale hoeveelheid afgewerkte olie, uitgedrukt in liter, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld.Hij geeft daarbij op een gemotiveerde wijze aan wat de verliezen zijn die ontstaan door de consumptie; 3° de inrichting(en) waar en de wijze waarop de ingezamelde afgewerkte olie werd verwerkt;4° de totale hoeveelheden aan stoffen, die voortkomen uit de verwerking van afgewerkte olie, uitgedrukt in liter, die : a) opnieuw werden gebruikt als olie;b) opnieuw geraffineerd werden;c) op een andere wijze nuttig werden toegepast;d) werden verwijderd. § 3. De eindverkoper, tussenhandelaar, producent en invoerder van olie verschaffen aan de OVAM alle andere informatie die de OVAM nuttig acht voor de beoordeling van de overeenkomstig artikel 3.7.1 te bereiken doelstellingen HOOFDSTUK IV. - Aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen Afdeling I. - Algemene bepalingen Art. 4.1.1. § 1. Bijlage 4.1 bevat de lijst met afvalstoffen die als secundaire grondstoffen mogen worden gebruikt op voorwaarde dat ze voldoen aan de voorwaarden, bepaald in afdeling 4.2. Een afvalstof verliest het statuut afvalstof en wordt secundaire grondstof vanaf het ogenblik dat ze voldoet aan de vastgestelde voorwaarden. § 2. De Vlaamse regering kan in afwijking van de lijst in bijlage 4.1 en mits alle andere voorwaarden voor het gebruik als secundaire grondstof worden gerespecteerd, het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof toelaten binnen de gebruiksgebieden « gebruik in of als meststof of als bodemverbeterend middel, gebruik in of als bouwstof, gebruik als bodem ». De houder van de afvalstof dient hiertoe een aanvraag in bij de OVAM. De houder maakt hiervoor gebruik van het standaardformulier, waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4.3. De procedure verloopt overeenkomstig afdeling III. Elke afvalstof dient individueel te beantwoorden aan de voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden mogen niet worden bekomen door een menging van afvalstoffen. § 3. De afvalstoffen, opgesomd in bijlage 4.1, en de afvalstoffen die overeenkomstig § 2 een toelating hebben gekregen, mogen alleen als secundaire grondstoffen gebruikt worden als ze geen grotere hoeveelheid van de volgende stoffen bevatten dan die welke bij oordeelkundig gebruik van deze afvalstoffen een gevaar voor de gezondheid van de mens of betekenisvolle nadelige gevolgen voor het milieu kunnen inhouden : 1° geen gevaarlijke stoffen zoals bepaald in de EG-Richtlijn 67/584/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en de kenmerken van gevaarlijke stoffen;2° geen andere schadelijke stoffen dan de genormeerde stoffen in dit hoofdstuk;3° geen schadelijke organismen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 7 januari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/01/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/06/1998 numac 1998016030 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten sluiten betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten. § 4. Voor het gebruik van bepaalde afvalstoffen uit de lijst, zoals bepaald in de kolom voorwaarden inzake samenstelling of gebruik in bijlage 4.1, als secundaire grondstof en voor alle afvalstoffen met toepassing van § 2 is een gebruikscertificaat noodzakelijk. De procedure voor het verkrijgen van een gebruikscertificaat is beschreven in afdeling III. In afwijking van de lijst in bijlage 4.1 bij dit besluit mogen afvalstoffen gebruikt worden als secundaire grondstof in bodemsaneringswerken als ze voldoen aan de voorwaarden inzake samenstelling of gebruik, vastgesteld in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject, overhandigd door de OVAM conform de bepalingen van artikel 17 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering en mits alle andere voorwaarden voor het gebruik als secundaire grondstof worden gerespecteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake productverantwoordelijkheid is de houder van afvalstoffen die ze als secundaire grondstoffen in de handel brengt, verantwoordelijk voor de kwaliteit zoals bepaald in artikel 4.1.1 en stelt hij de OVAM onverwijld in kennis indien hij over informatie beschikt waaruit kan worden besloten dat een partij potentiële secundaire grondstoffen niet meer in aanmerking komt voor het beoogde gebruik als secundaire grondstof. § 2. De afvalstoffen die gebruikt worden als secundaire grondstoffen, worden minstens eenmaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd. De OVAM kan de frequentie nader specificeren. Het monster moet representatief zijn voor de productie in een bepaald tijdsinterval. Afhankelijk van de herkomst kan in overleg met de OVAM de parameterlijst, zoals bepaald in bijlage 4.2.1 en 4.2.2 beperkt worden. De conformiteit van de secundaire grondstof met de geldende criteria moet worden verzekerd op basis van een representatieve bemonstering en analyse. De houder van de afvalstof die ze als secundaire grondstof in de handel brengt, is daarvoor verantwoordelijk. § 3. De analysegegevens worden bij de houder van afvalstoffen die als secundaire grondstof mogen worden gebruikt gedurende 5 jaar ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaren Afdeling II. - Voorwaarden inzake samenstelling of gebruik Onderafdeling I. - Voorwaarden voor het gebruik als meststof, of als bodemverbeterend middel Art. 4.2.1.1. § 1. Onverminderd de voorwaarden van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en de voorwaarden van federale wetgeving betreffende de handel in meststoffen, bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten, bepaald in de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt met haar uitvoeringsbesluiten, zijn de volgende voorwaarden om afvalstoffen als secundaire grondstof te gebruiken als meststof of als bodemverbeterend middel van toepassing : 1° de voorwaarden inzake samenstelling, namelijk de maximale gehalten aan verontreinigende stoffen, bepaald in bijlage 4.2.1.A; 2° de voorwaarden inzake gebruik, namelijk de maximaal toelaatbare dosering, bepaald in bijlage 4.2.1.B; als meer dan een secundaire grondstof gebruikt wordt, mag de som van de toegevoegde individuele verontreinigingen de maximaal toelaatbare dosering niet overschrijden. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van een driejarig teeltplan mag om de drie jaar het drievoud gebruikt worden van de dosis, berekend op basis van de samenstelling en de gebruiksvoorwaarden, bepaald in bijlage 4.2.1.B. § 3. Bij het gebruik van composten en digestaten voor de heraanleg van de bouw voor groenvoorziening, infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken mag een veelvoud van de maximaal toelaatbare bodemdosering gebruikt worden, berekend op het aantal jaar dat geldt als normale levensduur van de heraangelegde bouwvoor. De maximaal toelaatbare doseringen, bepaald in bijlage 4.2.1.B, worden in dit geval verminderd met de waarden van de eenmalige compostdosering, gedeeld door de normale levensduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4212\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.2.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De producenten van behandeld zuiveringsslib verstrekken aan de gebruikers alle informatie over de zuiveringsslibanalyse, bepaald in bijlage 4.2.1.C. De bemonstering en analyse van behandeld zuiveringsslib gebeurt volgens de bepalingen, vastgesteld in bijlage 4.2.1.C. § 2. Het gebruik van behandeld zuiveringsslib is enkel toegelaten als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° de concentraties in de bodem, bepaald volgens de punten 4 en 5 van bijlage 4.2.1.C, overschrijden voor geen enkel metaal de concentraties, bepaald in bijlage 4.2.1.D; 2° de bodem bezit een pH-waarde die hoger is dan 6;3° bij toepassing op grasland of akkerland wordt injectie in de bodem toegepast of wordt onmiddellijk ondergeploegd. § 3 Het gebruik van behandeld zuiveringsslib is verboden : 1° op weideland dat wordt beweid of op velden voor de teelt van voedergewassen als die voedergewassen worden geoogst vóór het verstrijken van een wachttermijn van ten minste 6 weken;2° op groente- en fruitaanplant, met uitzondering van de aanplant van fruitbomen gedurende de groeiperiode;3° op bodems die bestemd zijn voor de teelt van groenten of vruchten die normaliter in rechtstreeks contact met de bodem staan en die normaliter rauw worden geconsumeerd, gedurende een periode van 10 maanden, voorafgaand aan de oogst en tijdens de oogst zelf;4° in gebieden die volgens de vigerende plannen van aanleg overeenstemmen met een van de bestemmingen, opgesomd onder bestemmingstype I van het Vlarebo, stadstuinen en alle verstedelijkte plaatsen die toegankelijk zijn voor publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Voorwaarden voor het gebruik in of als bouwstof Art. 4.2.2.1. Rekening houdend met de geldende voorwaarden voor werken of bouwstoffen moeten de volgende voorwaarden om afvalstoffen als secundaire grondstof te gebruiken in of als bouwstof worden nageleefd : 1° de maximale totaalconcentratie aan organische verbindingen, voor gebruik in of als bouwstoffen bepaald in bijlage 4.2.2.A, is een dwingende waarde; 2° de maximale totaalconcentratie aan metalen, voor gebruik in of als bouwstoffen, bepaald in bijlage 4.2.2.A, is een richtwaarde. Voor de metalen waarbij de totaalconcentraties lager zijn dan de respectievelijke achtergrondwaarden voor een standaardbodem, zoals opgenomen in Vlarebo, moet de uitloogbaarheid niet bepaald worden; 3° de maximale uitloogbaarheidswaarden van metalen voor gebruik als NV-bouwstof, bepaald in bijlage 4.2.2.B, zijn dwingende waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale uitloogbaarheid geldt voor een standaardgebruik waarbij de toepassingshoogte van de NV-bouwstof, gemeten loodrecht op het aardoppervlak, 0,7 m bedraagt, het soortelijk gewicht 1550 kg/m3 is en de effectieve infiltratie in het bouwwerk 300 mm/j bedraagt. Bij afwijkende uitloogbaarheid, soortelijk gewicht en beoogde toepassingshoogte moet de berekende immissiegrenswaarde voor de bodem voldoen aan bijlage 4.2.2.C; 4° afvalstoffen die voldoen aan de voornoemde eisen voor gebruik als NV-bouwstof, kunnen in V-bouwstof gebruikt worden; 5° de uitloogbaarheid van metalen, voor gebruik in of als V-bouwstoffen moet resulteren in berekende immissiegrenswaarden die voldoen aan bijlage 4.2.2.C; 6° voor afvalstoffen, gebruikt in V-bouwstoffen, moet de dosering van de afvalstof gebaseerd zijn op de technische eigenschappen van de afvalstof en op de technische vereisten van de V-bouwstof en geenszins op de concentraties, bepaald in bijlage 4.2.2.A.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4222\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.2.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afvalstoffen die niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.2.1, kunnen in welbepaalde specifieke toepassingen en mits er aanvullend onderzoek is, toch als secundaire grondstof voor het gebruik in of als bouwstof worden toegelaten Aan de eisen inzake maximale immissie in de bodem, vermeld in bijlage 4.2.2.C, moet steeds worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sloopmateriaal van de voornoemde specifieke toepassing moet volledig gerecycleerd worden in vormgegeven bouwstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4223\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.2.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Afvalstoffen uit bijlage 4.1, afdeling 2, kunnen als NV- bouwstoffen of in V-bouwstoffen gebruikt worden op voorwaarde dat : 1° ze voldoen aan de bepalingen van artikel 4.2.2.1 en 4.2.2.2, behalve voor de parameter minerale olie in gebroken of gefreesd niet-teerhoudend asfaltpuin, puinzeefzand en puinbreekzand, afkomstig van het zeven of breken van niet-teerhoudend asfaltpuin, alsook voor bitumineuze dakmaterialen; 2° het massa- en volumepercentage niet-steenachtige materialen, zoals gips, rubber, kunststoffen, isolatie, roofing of andere verontreinigingen maximaal 1 % bedraagt;3° het massa- en volumepercentage organisch materiaal, zoals hout, plantenresten of andere verontreinigingen maximaal 0,5 % bedraagt;4° ze geen vrije asbestvezels of asbeststof bevatten. § 2. Teerhoudend asfalt kan enkel in geïnventariseerde werken met een minimale omvang van 1500 m; op een koude wijze gebruikt worden in een fundering die bestaat uit asfaltgranulaatcement, op voorwaarde dat ze voldoet aan de bepalingen van artikel 4.2.2.3, § 1, behalve voor de maximale concentraties aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen en minerale olie Onderafdeling III. - Voorwaarden voor het gebruik als bodem Art. 4.2.3.1. Voor het gebruik van afvalstoffen als bodem gelden de overeenkomstige definities en voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem, zoals bepaald in hoofdstuk X van het Vlarebo met uitzondering van de bepalingen die verband houden met de administratieve opvolging via technische verslagen en bodembeheerrapporten. Aanvullend worden voor bagger- en ruimingsspecie de chloorhoudende bestrijdingsmiddelen en de polychloorbifenylen genormeerd als volgt : 1° gebruik als bodem op een ontvangende grond die binnen bestemmingstype I gelegen is : a) chloorhoudende bestrijdingsmiddelen, meer bepaald aldrin + dieldrin, chloordaan (cis en trans), DDT + DDE + DDD, lindaan (g-isomeer), lindaan (a-isomeer), lindaan (b-isomeer) en endosulfan (a, b en sulfaat) : 0,1 mg/kg droge stof per verbinding, overeenkomstig met de detectielimiet;b) PCB's (som 7 congeneren) : 0,002 mg/kg droge stof per congeneer, overeenkomstig met de detectielimiet;2° gebruik als bodem op een ontvangende grond die binnen bestemmingstype II, III, IV of V gelegen is : a) Chloorhoudende bestrijdingsmiddelen, meer bepaald de som van aldrin + dieldrin, chloordaan (cis en trans), DDT + DDE + DDD, lindaan (g-isomeer), lindaan (a-isomeer), lindaan (ss-isomeer)en endosulfan (a, b en sulfaat) : 0,2 mg/kg droge stof;b) PCB's (som 7 congeneren) : 0,004 mg/kg droge stof;c) zowel voor chloorhoudende bestrijdingsmiddelen als voor PCB's worden bij het berekenen van de som enkel de resultaten van de de meetbare componenten ingebracht, dit is met een meetwaarde boven de detectielimiet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4232\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.2.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Bagger- en ruimingsspecie kan worden uitgespreid in een vijfmeterstrook op de oevers langs de waterloop waaruit de specie afkomstig is, of in een oeverzone voor zover deze uitzondering bepaald is in het definitief goedgekeurd bekkenbeheerplan of het definitief goedgekeurd deelbekkenbeheerplan mits een code van goede praktijk nageleefd wordt, die tegemoetkomt aan de volgende doelstellingen : 1° een representatieve monstername en analyse van de bagger- en ruimingsspecie;2° een werkwijze voor het ontwateren en gecontroleerd afvoeren van specie die niet aan de normen voldoet zodat betekenisvolle schade aan het milieu en verontreiniging van de bodem zo veel mogelijk wordt voorkomen De Vlaamse minister stelt de algemene code van goede praktijk vast inzake bagger- en ruimingsspecie en stelt hierbij de marges vast van verbijzonderingen in functie van specifieke gebieden en projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze algemene code bevat een regeling over het al dan niet beschouwen van de vijfmeterstrook en de oeverzone samen met de waterloop als één kadastrale werkzone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien men moet rekening houden met de specifieke omstandigheden in bepaalde gebieden, verfijnt de waterloopbeheerder de algemene code van goede praktijk. De verfijnde code van goede praktijk moet ter goedkeuring aan de OVAM worden voorgelegd en geldt tot ze door de OVAM na overleg met de waterloopbeheerder wordt herroepen. § 2. Voorafgaand aan de bagger- of ruimingswerken wordt de te ruimen bagger- of ruimingsspecie bemonsterd en geanalyseerd volgens de goedgekeurde code van goede praktijk. De gegevens inzake herkomst, inclusief de analyseresultaten, de geschatte hoeveelheid en de bestemming van de bagger- of ruimingsspecie worden uiterlijk 30 kalenderdagen voor de aanvang van ieder bagger- of ruimingswerk bezorgd aan de OVAM en aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de bagger- of ruimingsspecie zal worden uitgespreid, en zijn ter inzage van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geplande aanvangsdatum wordt daarbij uitdrukkelijk vermeld. § 3. De in § 1 en § 2 vermelde werkwijze en procedure gelden uitsluitend voor bagger- en ruimingsspecie die voldoet aan de normen, bepaald in bijlage 8 van Vlarebo, voor het gebruik als bodem op een ontvangende grond die binnen het bestemmingstype II, III, IV of V gelegen is, respectievelijk aan de normen, bepaald in bijlage 7 van Vlarebo, voor het gebruik als bodem op een ontvangende grond die binnen het bestemmingstype I gelegen is, en op voorwaarde dat het gebruik als bodem gebeurt binnen een strook van 5 meter langs de waterloop waaruit de specie afkomstig is, of in de oeverzone. Voor het gebruik van bagger- en ruimingsspecie als bodem die niet voldoet aan de voormelde normen voor gebruik als bodem, evenals voor het gebruik van bagger- en ruimingsspecie op een andere plaats dan de voormelde vijfmeterstrook of oeverzone is steeds een gebruikscertificaat verplicht. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De code van goede praktijk met inbegrip van de monsterneming en analyseprocedure is niet nodig voor bagger- en ruimingsspecie, afkomstig uit oppervlaktewateren die uitsluitend als hemelwaterafvoer fungeren en waarin geen enkele lozing van afvalwater of verontreinigende stoffen gebeurt, is gebeurd of wordt verwacht sedert de laatste ruiming. § 5. Bagger- en ruimingsspecie die niet voldoet aan de in de code van goede praktijk opgenomen normen voor het gebruik als bodem, maar waarvan de verontreiniging lager is dan 80 % van de geldende saneringsnormen, bepaald in bijlage 4 van het Vlarebo, mag met het oog op de ontwatering ervan en in afwachting van de afvoer ervan op de oevers van de waterloop worden gedeponeerd op voorwaarde dat de nodige maatregelen worden getroffen opdat de bagger- en ruimingsspecie niet vermengd wordt met de onderliggende bodem en op voorwaarde dat de specie binnen twee maanden vanaf de bagger- of ruimingswerken wordt afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkwijze daartoe moet deel uitmaken van de code van goede praktijk, bedoeld in § 1. Een concreet voorstel van werkwijze maakt deel uit van de informatie die voor de aanvang van de bagger- of ruimingswerken aan de OVAM moet worden bezorgd, zoals bepaald in § 2 hierboven. § 6. De voormelde code van goede praktijk, alsmede de gegevens, bedoeld in § 2, inclusief de analyseresultaten, zijn ter inzage van het publiek, zowel bij de beheerder van de waterloop als bij de OVAM en het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de ruimingsspecie zal worden uitgespreid. Op eenvoudig verzoek wordt een afschrift ervan bezorgd aan de persoon die erom vraagt. Uiterlijk 30 kalenderdagen voor de aanvang van de ruimingswerken en tot de beëindiging ervan worden de geplande bagger- en ruimingswerken en het ter inzage zijn van de in § 2 vermelde gegevens en de de regeling ervoor bekendgemaakt door aanplakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanplakking gebeurt op het gemeentehuis van de gemeente op het grondgebied waarvan de specie zal worden uitgespreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanplakking gebeurt op een wijze die zo goed mogelijk de aandacht trekt en in duidelijk leesbare letters op een gele achtergrond. De beheerder van de waterloop is verantwoordelijk voor het maken van de aanplakbiljetten en voor het bezorgen ervan aan de gemeentebesturen in kwestie. § 7. Voor een groot waterbouwkundig infrastructuurwerk waarbij grote hoeveelheden bagger- of ruimingsspecie vrijkomen of voor waterbouwkundige werken waarbij de Vlaamse minister dat beslist, wordt de perimeter van de kadastrale werkzone of kadastrale werkzones vastgelegd in de milieuvergunning en/of in de stedenbouwkundige vergunning en dit op basis van de in het tweede lid van deze paragraaf bedoelde studie. De kadastrale werkzone kan alle kadastrale percelen of gronden zonder kadastraal perceelsnummer bevatten waarbinnen het infrastructuurproject plaatsvindt en waar de stedenbouwkundige vergunning betrekking op heeft voor zover het om gronden gaat gelegen in bestemmingstype V en voor zover de gehalten aan verontreinigende stoffen in de bagger- of ruimingsspecie lager zijn dan 40 % van de bodemsaneringsnormen die voor bestemmingstype V zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwheer moet door middel van een studie, uitgevoerd door een erkende bodemsaneringsdeskundige, volgens een code van goede praktijk, het bewijs leveren dat het gebruik van bagger- of ruimingsspecie als bodem geen betekenisvolle verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater kan veroorzaken en dat mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen extra betekenisvol risico oplevert. In de studie worden de milieukenmerken van de bagger- of ruimingsspecie geëvalueerd op basis van de milieukenmerken van de ontvangende grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het vermelde bewijs wordt geleverd, wordt op basis hiervan een gebruikscertificaat afgeleverd. In ieder geval moet voor de toplaag, meer bepaald de bovenste 70 cm van de ingebrachte bagger- of ruimingsspecie, in toepassing van het standstillbeginsel de actuele milieukwaliteit worden gerespecteerd. § 8. De procedure voor noodruimingen wordt beschreven in de algemene code van goede praktijk, evenals de eventuele verfijning ervan. De procedure moet aan volgende bepalingen voldoen. Specie die ontstaat ten gevolge van noodruimingen of noodzakelijke waterbeheersingswerken die ter voorkoming of terugdringing van de risico's op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten de overstromingsgebieden, onmiddellijk dienen uitgevoerd te worden mag op de vijfmeterstrook langsheen de waterloop gedeponeerd worden onder de volgende voorwaarden : -de nodige maatregelen worden getroffen opdat de specie niet vermengd wordt met de onderliggende bodem; - onmiddellijk worden representatieve monsters genomen zoals beschreven in de code van goede praktijk; - er wordt onmiddellijk een proces-verbaal van monsterneming overgemaakt aan de OVAM en aan de betrokken gemeentebesturen; - specie die niet voldoet aan de gestelde voorwaarden inzake samenstelling, wordt binnen de twee maanden afgevoerd naar een daartoe vergunde inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Voorwaarden voor het gebruik in of als diervoeder Art. 4.2.4.1. Alle afvalstoffen die voldoen aan de voorwaarden van de federale wetgeving betreffende de handel en het gebruik van stoffen, bestemd voor dierlijke voeding en die rechtstreeks gebruikt worden in of als diervoeder, worden van rechtswege aangeduid als secundaire grondstoffen, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling III. - Gebruikscertificaat Art. 4.3.1. De houder die een afvalstof als een secundaire grondstof, waarvoor volgens de lijst als bijlage 4.1 een gebruikscertificaat verplicht is, wil gebruiken of laten gebruiken, stuurt met een aangetekende brief een aanvraag tot het verkrijgen van een gebruikscertificaat naar de OVAM. De houder maakt gebruik van het standaardformulier, waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4.3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 4.3.1 genoemde aanvraag bevat ten minste de volgende stukken en gegevens : 1° het volledig ingevulde standaardformulier;2° een kopie van de milieuvergunning en/of stedenbouwkundige vergunning voor het proces of het werk waaruit de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing;3° een overzicht van het productieproces met aanduiding van de stappen waarbij de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing;4° een bemonsterings- en analyseverslag van een representatief monster van de afvalstof, als de afvalstof niet voldoet aan de eisen voor gebruik als NV-bouwstof maar met andere stoffen verwerkt wordt tot een V-bouwstof, is een aanvullend bemonsterings- en analyseverslag van de V-bouwstof noodzakelijk;5° een opsomming van de gebruiksmogelijkheden van de afvalstof als secundaire grondstof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Uiterlijk 30 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag, verklaart de OVAM de aanvraag al dan niet ontvankelijk en volledig en betekent dat aan de aanvrager. Wanneer de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen binnen 45 kalenderdagen na het versturen van de aanvraag, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk en volledig te zijn. § 2. Als de OVAM bij een onvolledige aanvraag om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn van § 1 geschorst vanaf de verzending van de aanvraag tot aanvullingen door de OVAM. De aanvullingen worden opnieuw met een aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De termijn overeenkomstig § 1 begint opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de aanvullingen. § 3. Als de aanvraag ontvankelijk en volledig is, doet de OVAM uitspraak en betekent die uiterlijk 90 kalenderdagen na de datum van de betekening van de ontvankelijk- en volledigverklaring. § 4. De OVAM verleent het gebruikscertificaat voor een periode van maximaal 5 jaar of weigert het gebruikscertificaat. De OVAM betekent de beslissing aan de aanvrager. De aanvrager kan een nieuwe aanvraag indienen indien hij kan bewijzen dat de afvalstof zodanig is gewijzigd dat aan de voorwaarden is voldaan. De procedure voor het verkrijgen van het gebruikscertificaat wordt hernomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.3.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruikscertificaat bevat de volgende vermeldingen : 1° dossiernummer;2° identificatie van de houder;3° naam van de secundaire grondstof en beschrijving van het productieproces of het werk waaruit de oorspronkelijke afvalstof ontstaat;4° gebruiksgebied voor de secundaire grondstof;5° voorwaarden voor het gebruik;6° geldigheidstermijn. Art. 4.3.5. § 1. Een kopie van het gebruikscertificaat begeleidt altijd de secundaire grondstof. § 2. Voor niet-verpakte secundaire grondstoffen legt de gebruiker, op verzoek, een kopie van het gebruikscertificaat voor aan de toezichthoudende ambtenaren. § 3. Voor verpakte secundaire grondstoffen staan de gegevens van het gebruikscertificaat op de verpakking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als rekening houdend met alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en de analyse samen, de toezichthoudende ambtenaar vaststelt dat de secundaire grondstof niet voldoet aan de voorwaarden van dit besluit, schorst de OVAM het gebruikscertificaat, op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar. De OVAM betekent de schorsingsbeslissing met een aangetekende brief aan de houder van het gebruikscertificaat. § 2. Vanaf de ontvangst van de schorsingsbeslissing beschikt de houder van het gebruikscertificaat over 30 kalenderdagen om zijn verweermiddelen aangetekend aan de OVAM te sturen. Bij overschrijding van deze termijn heft de OVAM het gebruikscertificaat op. De OVAM betekent de opheffingsbeslissing met een aangetekende brief aan de houder van het gebruikscertificaat. § 3. De OVAM maakt de schorsing ongedaan of heft het gebruikscertificaat op en betekent de beslissing met een aangetekende brief binnen 60 kalenderdagen na de ontvangst van de verweermiddelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verleende, geschorste en opgeheven gebruikscertificaten worden vermeld in het register van de gebruikscertificaten dat ter inzage ligt bij de OVAM. Art. 4.3.8. Voor de gevallen bedoeld in artikel 4.1.1, § 2 bezorgt de OVAM een voorstel aan de Vlaamse minister HOOFDSTUK V. - Inzameling, vervoer en verwerking van afvalstoffen Afdeling I. - Vervoeren van afvalstoffen Art. 5.1.0. Afdeling I is niet van toepassing op dierlijke afvalstoffen zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1995 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling I. - Voorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen Art. 5.1.1.1. De voorwaarden van artikel 5.1.1.2, § 2, 4° tot en met 8°, artikel 5.1.1.3 en artikel 5.1.1.4 zijn niet van toepassing op : 1° de particulier die zijn afvalstoffen naar inzamelpunten van huishoudelijke afvalstoffen brengt;2° de zelfstandige of kleine ondernemer die zijn afvalstoffen naar inzamelpunten van afvalstoffen brengt;3° de producent van afvalstoffen die de afvalstoffen die zijn ontstaan uit verleende onderhoudsdiensten bij derden, naar zijn bedrijfsterrein of naar een verwerkingsinrichting brengt;4° de leverancier van goederen die in het kader van de terugnameplicht, van de aanvaardingsplicht of van vrijwillige terugname, ter gelegenheid van een levering van goederen, lege verpakkingen of afgedankte goederen naar zijn bedrijfsterrein of naar een inzamelpunt voor afgedankte goederen brengt;5° de houder van afvalstoffen, die in het kader van de terugnameplicht, van de aanvaardingsplicht of van vrijwillige terugname, de afvalstoffen terugbrengt naar zijn leverancier van soortgelijke goederen;6° een erkend kringloopcentrum of de exploitant van een inrichting die de door hem ingezamelde afvalstoffen overbrengt naar die inrichting, waar afgedankte goederen die in aanmerking komen voor producthergebruik worden opgeslagen, gesorteerd, gereinigd of hersteld, en waar de scheiding in herbruikbare goederen en niet-herbruikbare afvalstoffen plaatsvindt, evenals het transport van de niet-herbruikbare afvalstoffen na deze scheiding naar inzamelpunten van afvalstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De opdrachtgever voor het vervoer moet bekend zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als opdrachtgever voor het vervoer van afvalstoffen komt in aanmerking de producent van afvalstoffen, de erkende overbrenger van afvalstoffen of de kennisgever zoals bedoeld in Verordening (EEG) 259/93 van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, de actoren zoals vermeld in artikel 5.1.1.1 en de gemeentelijke overheid of de vereniging van gemeenten belast met het afvalstoffenbeheer als het over huishoudelijke afvalstoffen of afvalstoffen zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1, § 2, 82° gaat. § 2. 1° De afvalstoffen moeten bij het vervoer deugdelijk zijn verpakt. 2° Het is verboden afvalstoffen te mengen.3° Het is verboden afvalstoffen te verdunnen.4° De vervoersmiddelen en de recipiënten moeten technisch geschikt zijn voor de afvalstoffen die worden vervoerd en moeten eventueel over de nodige keuringsattesten beschikken.Ze moeten in goede staat van werking worden gehouden. 5° De vervoersmiddelen en de recipiënten moeten op het juiste moment in- en uitwendig worden gereinigd om vermenging van afvalstoffen te vermijden.6° Bij calamiteiten moeten onmiddellijk efficiënte maatregelen worden genomen om hinder en schade voor mens en milieu zo veel mogelijk te beperken.Daartoe zijn de nodige kennis, richtlijnen en middelen beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afvalstoffen mogen geenszins rechtstreeks naar het grondwater, de openbare riolering of het oppervlaktewater worden afgevoerd. Ze moeten worden verzameld en verwerkt overeenkomstig de aard van de afvalstoffen. 7° De reglementering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen blijft onverminderd van kracht.8° De reglementering voor het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding blijft onverminderd van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voor het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen en KGA moet de opdrachtgever in het bezit zijn van een geldig verzekeringscontract. § 2. Het verzekeringscontract moet de schade dekken die veroorzaakt wordt aan derden door een incident dat zich heeft voorgedaan tijdens het vervoer van afvalstoffen. § 3. Onder schade wordt het volgende begrepen : 1° schade ten gevolge van overlijden of lichamelijk letsel;2° verlies van of schade aan eigendom, die niet aan de aansprakelijke persoon toebehoort;3° inkomstenverlies dat rechtstreeks voortvloeit uit een economisch belang in het gebruik van het milieu, ten gevolge van een aantasting van het milieu, rekening houdend met besparingen en kosten;4° kosten van maatregelen tot herstel van het aangetaste milieu, beperkt tot de kosten die effectief gemaakt worden of zullen gemaakt worden;5° kosten van preventieve maatregelen, met inbegrip van elk verlies of elke schade veroorzaakt door deze maatregelen, voorzover de schade voortvloeit uit of het resultaat is van de eigenschappen van de afvalstoffen die betrokken zijn bij het vervoer. § 4 De hoogte van de dekking bedraagt per schadegeval minstens 5.000.000 euro voor het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen en KGA die onder de ADR-reglementering, respectievelijk RID-of IMDG-reglementering vallen. § 5. De hoogte van de dekking bedraagt per schadegeval minstens 2.500.000 euro voor het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen en KGA, die niet vermeld worden in § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de dekking bedraagt per schadegeval minstens 250.000 euro voor het vervoer van : 1° - afgedankte voertuigen die vloeistoffen of gevaarlijke onderdelen bevatten;2° - afgedankte elektrische of elektronische apparatuur die CFK's, HCFK's en/of HFK's bevat;3° - afgedankte elektrische of elektronische apparatuur die gevaarlijke onderdelen bevat, andere dan vrije asbestvezels of PCB's;4° - afval van asbestcement. § 6. De hoogte van de dekking, bepaald in § 4 en 5, kan worden gehalveerd wanneer de ingezette vervoersmiddelen een laadvermogen van minder dan 3,5 ton hebben. § 7. De verzekeraar brengt de OVAM binnen 7 dagen op de hoogte van iedere beslissing van de verzekeraar tot opzegging, schorsing, beëindiging of enigerlei andere handeling, toestand of situatie, waarvan de verzekeraar kennis neemt en die de dekking uit de overeenkomst in het gedrang brengt. Iedere schorsing of beëindiging heeft slechts uitwerking drie maanden na deze mededeling aan de OVAM. § 8. De OVAM kan jaarlijks aan de verzekeraars informatie opvragen betreffende de schadegevallen die zich hebben voorgedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5114\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.1.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een identificatieformulier vergezelt het vervoer van alle afvalstoffen, met uitzondering van huishoudelijke afvalstoffen, van afvalstoffen zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1, § 2, 82° en van niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen die in één ophaalronde ingezameld worden. § 2. Het identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen bevat ten minste de volgende gegevens : 1° oplopend volgnummer dat door de opdrachtgever is toegekend;2° datum van vervoer;3° naam en adres van de opdrachtgever voor het vervoer van afvalstoffen met aanduiding of hij producent of erkend overbrenger is, en indien hij erkend overbrenger is, ook het registernummer;4° naam en adres van de producent (enkel als de opdrachtgever een erkend overbrenger is) en de plaats van verzending van de afvalstoffen;5° naam en adres van de geregistreerde vervoerder(s) (enkel in te vullen als het transport niet door de opdrachtgever zelf gebeurt); 6° naam en adres van de bestemeling met aanduiding van de aard van de verwerking (R- of D-code, zoals bepaald in artikel 1.3.1 en 1.4.1); 7° omschrijving, hoeveelheid en code van de afvalstof(fen), overeenkomstig bijlage 1.2.1.B. § 3 Het identificatieformulier voor gevaarlijke afvalstoffen bevat ten minste de volgende gegevens : 1° oplopend volgnummer dat door de opdrachtgever is toegekend;2° datum van vervoer;3° naam en adres van de opdrachtgever voor het vervoer van afvalstoffen met aanduiding of hij producent of erkend overbrenger is, en indien hij erkend overbrenger is, ook het registernummer;4° naam en adres van de producent (enkel als de opdrachtgever een erkend overbrenger is) en de plaats van verzending van de afvalstoffen;5° naam en adres van de geregistreerde vervoerder(s) (enkel in te vullen als het transport niet door de opdrachtgever zelf gebeurt);6° naam en adres van de bestemeling en geldigheidsduur van de vergunning; 7° aard van de verwerking (R- of D-code, zoals bepaald in artikel 1.3.1 en 1.4.1) en de gebruikte techniek van de verwerking; 8° omschrijving, hoeveelheid, chemische samenstelling en code van de afvalstof(fen), overeenkomstig bijlage 1.2.1.B; 9° fysische eigenschappen van de afvalstoffen;10° aantal van de colli;11° indien van toepassing : speciale instructies voor het transport. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al die gegevens moeten ingevuld worden vóór het vervoer aanvangt en ze moeten worden ondertekend en gedateerd door de opdrachtgever en voor gevaarlijke afvalstoffen ook door de producent. Als de hoeveelheid niet kan bepaald worden vóór het vertrek, mag de hoeveelheid ingevuld worden op de plaats van de bestemming. § 5. Een model van identificatieformulier is opgenomen in bijlage 5.1.1.4. § 6. Als de Verordening (EEG) 259/93 van 1 februari 1993 van toepassing is, geldt voor de overbrenging van afvalstoffen het overbrengingsformulier als identificatieformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij invoer van groenelijstafvalstoffen voor nuttige toepassing in het Vlaamse Gewest volstaan de bepalingen van artikel 11 van Verordening (EEG) 259/93. § 7. De producent ontvangt een kopie van het tot zover ingevulde identificatieformulier. § 8. Op de plaats van bestemming wordt het identificatieformulier door de bestemmeling gedateerd, eventueel aangevuld met de hoeveelheid, en voor ontvangst ondertekend. Hij ontvangt ter plaatse een kopie van het volledig ingevulde identificatieformulier. § 9. De opdrachtgever houdt de originele volledig ingevulde identificatieformulieren gedurende een periode van minimaal tien jaar bij. De producent en de bestemmeling houden de kopieën bij van de identificatieformulieren die zij hebben ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Erkenning en registratie van overbrengers Art. 5.1.2.1. § 1. De overbrenger van afvalstoffen moet beschikken over een erkenning en opgenomen zijn in het register van overbrengers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en verenigingen van gemeenten die huishoudelijke afvalstoffen en afvalstoffen zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1, § 2, 82° inzamelen, zijn van rechtswege erkend, net als de personen, opgesomd in artikel 5.1.1.1. § 2. De erkenning wordt opgenomen in het register van de overbrengers van afvalstoffen dat ter inzage ligt bij de OVAM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De erkende overbrenger van afvalstoffen moet voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° voldoende solvabel zijn om de overbrengingsactiviteiten te kunnen uitvoeren;2° de laatste vijf jaar geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de wetgeving op het vlak van milieuhygiëne;3° over voldoende deskundigheid beschikken om de overbrengingsactiviteiten te kunnen uitvoeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De aanvraag voor een erkenning als overbrenger van afvalstoffen moet de volgende gegevens bevatten. 1° vak I : administratieve gegevens : a) naam, adres, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, telefaxnummer, contactpersoon en e-mailadres van de maatschappelijke zetel en van elke exploitatiezetel waarop de aanvraag betrekking heeft;b) de aanduiding van de zetel of zetels waar het afvalstoffenregister conform artikel.6.2.2 ter inzage ligt; 2° vak II : vervoermiddelen : de aanduiding of de overbrenger eigen vervoermiddelen wil inschakelen bij de overbrenging;3° vak III : afvalstoffen : a) voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, andere dan KGA, de aanduiding of het gaat om papier en karton, voertuigbanden, glas, metalen of metaalschroot, kunststoffen, elektrische of elektronische toestellen en onderdelen, bouw- en sloopafval, huisvuil, grofvuil, gemeentevuil, textiel, groenafval of tuinafval of GFT, hout, bak-, braad- en frituuroliën en -vetten, of andere afvalstoffen.Als andere afvalstoffen worden aangeduid moet gespecificeerd worden op welke afvalstoffen de aanvraag betrekking heeft, overeenkomstig bijlage 1.2.1.B; b) voor gevaarlijke afvalstoffen, andere dan KGA de aanduiding van de code en de omschrijving van de afvalstoffen, overeenkomstig bijlage 1.2.1.B; c) voor KGA, de aanduiding en de omschrijving van de afvalstoffen, overeenkomstig artikel 5.5.2.1; 4° vak IV : bijlagen : Als de aanvraag betrekking heeft op gevaarlijke afvalstoffen of KGA moeten de volgende bijlagen worden toegevoegd : a) bijlage in verband met de deskundigheid : naam, voornaam, adres, functie en deskundigheid van de natuurlijke persoon die zorgt voor het dagelijkse toezicht over, en de dagelijkse leiding van de overbrengingsactiviteiten, door die laatste gedateerd en voor akkoord ondertekend;b) bijlage in verband met de moraliteit : 1) bij een aanvraag door een vennootschap : een bewijs van goed zedelijk gedrag van de personen die de vennootschap kunnen verbinden en van de personen die instaan voor het dagelijks toezicht, dat aantoont dat deze personen de laatste vijf jaar die voorafgaan aan de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving, als het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn, mogen ze de milieuwetgeving niet overtreden hebben in de staat waarvan zij onderdaan zijn.Een afschrift van de oprichtingsakte en van de eventuele wijzigingen hiervan in verband met de personen die deel uitmaken van organen die de vennootschap kunnen verbinden; 2) bij een aanvraag door een natuurlijke persoon : een bewijs van goed zedelijk gedrag van deze persoon, en in voorkomend geval van de personen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijkse toezicht, dat aantoont dat deze personen de laatste vijf jaar die voorafgaanaan de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving.Als het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn,mogen ze de milieuwetgeving niet overtreden hebben in de staat waarvan zij onderdaan zijn; c) bijlage in verband met de solvabiliteit : een bewijs van de verzekeraar, waarin aangetoond wordt dat de aanvrager op het ogenblik van de aanvraag een contract heeft gesloten dat minstens voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5.1.1.3; d) bijlage in verband met de activiteiten van de aanvrager : een overzicht en omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager, met inbegrip van zijn huidige vergunnings- en erkenningstoestand ten aanzien van de milieuwetgeving;5° verklaring : De aanvraag voor een erkenning als overbrenger van afvalstoffen moet ondertekend en gedateerd zijn, waarbij de ondertekenaar verklaart dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig en correct zijn.Naam en functie van de ondertekenaar worden vermeld. § 2</p>\n<p class=\"lf-p\">Een model van aanvraagformulier voor de erkenning als overbrenger van afvalstoffen is opgenomen in bijlage 5.1.2.3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De overbrenger van afvalstoffen vraagt zijn erkenning aan door het aanvraagformulier opgenomen in bijlage 5.1.2.3, aangevuld met de vereiste bijlagen, aangetekend te versturen naar de OVAM. Art. 5.1.2.5. § 1. Als de erkenningsaanvraag betrekking heeft op de overbrenging van niet-gevaarlijke afvalstoffen en ze volledig en correct is ingevuld, wordt de erkenning door de OVAM verleend. § 2. Als de erkenningsaanvraag betrekking heeft op de overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen of KGA, en als ze volledig en correct is ingevuld en conform wordt bevonden met artikel 5.1.2.2, wordt de erkenning door de OVAM verleend. § 3. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar en wordt opgenomen in het register van overbrengers. § 4. De OVAM stuurt de erkenning op naar de aanvrager, met een aangetekende brief, binnen een termijn van 40 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag en stuurt gelijktijdig een uittreksel uit het register van de overbrengers op. § 5. Als de erkenning wordt verleend voor een aanvraag overeenkomstig § 2, wordt eveneens een kopie van de erkenning gestuurd naar de verzekeraar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als de aanvraag onvolledig is of niet correct is ingevuld, meldt de OVAM dat met een aangetekende brief aan de aanvrager binnen een termijn van 40 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag. De melding bevat de motieven waarop de aanvraag onvolledig of niet correct werd bevonden. § 2. Als de aanvraag, ingediend volgens artikel 5.1.2.5, § 2, niet conform wordt bevonden met artikel 5.1.2.2, wordt de erkenning door de OVAM geweigerd. De OVAM stuurt met een aangetekende brief, de gemotiveerde weigering op naar de aanvrager binnen een termijn van 40 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5127\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.2.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De erkende overbrenger die zijn erkenning wil verlengen, moet uiterlijk 40 dagen voor het verstrijken van zijn erkenning een nieuwe aanvraag indienen. Als de erkenningsperiode verstreken is en zolang de erkenning niet is vernieuwd, wordt de erkende overbrenger automatisch uit het register van de overbrengers van afvalstoffen geschrapt. § 2. Elke formele wijziging van de administratieve gegevens van de erkende overbrenger wordt aan de OVAM meegedeeld en wordt in het register aangepast De OVAM stuurt een aangepast uittreksel uit het register van de overbrengers op. § 3. Elke andere wijziging of elke toevoeging wordt behandeld als een nieuwe erkenningsaanvraag. § 4. De erkenning kan niet aan derden worden doorgegeven. § 5. Bij stopzetting van de activiteiten kan de houder van een erkenning als overbrenger van afvalstoffen op zijn verzoek worden geschrapt uit het register.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elk misbruik van de erkenning, elke overtreding van de erkenningsvoorwaarden en elke overtreding van de voorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen, kan leiden tot het schrappen uit het register van de overbrengers van afvalstoffen. § 2. Behalve bij een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens of milieu wordt de houder van de erkenning, met een aangetekende brief door de OVAM op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schrapping en de motieven daartoe. De houder van de erkenning beschikt over een termijn van 14 dagen om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde werden gebracht Hij kan vragen om gehoord te worden. § 3. Het schrappen wordt door de OVAM met een aangetekende brief aan de overtreder meegedeeld met vermelding van de motieven die tot het schrappen hebben geleid. § 4. Een schrapping uit het register van de overbrengers van afvalstoffen blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de erkenning. Als door de erkende overbrenger intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schrapping niet meer bestaat, kan de schrapping ongedaan worden gemaakt zodat de erkende overbrenger opnieuw kan worden opgenomen in het register van de overbrengers van afvalstoffen tot de einddatum van de oorspronkelijke erkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Registratie van vervoerders Art. 5.1.3.1. § 1. De vervoerder van afvalstoffen moet beschikken over een registratie en opgenomen zijn in het register van vervoerders. § 2. De erkende overbrenger van afvalstoffen die eigen vervoermiddelen inschakelt, wordt automatisch geregistreerd als vervoerder van afvalstoffen. § 3. De registratie als vervoerder van afvalstoffen wordt opgenomen in het register van vervoerders van afvalstoffen dat ter inzage ligt bij de OVAM. Art. 5.1.3.2. § 1. De aanvraag voor een registratie als vervoerder van afvalstoffen moet de volgende gegevens bevatten : 1° vak I : administratieve gegevens : a) naam, adres, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon en e-mailadres van de maatschappelijke zetel en van elke exploitatiezetel waarop de aanvraag betrekking heeft, 2° vak II : verklaring : a) de aanvraag van een registratie als vervoerder van afvalstoffen moet ondertekend en gedateerd zijn, waarbij de ondertekenaar verklaart dat het vervoer van afvalstoffen verricht wordt in opdracht van een opdrachtgever en dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig en correct zijn.Naam en functie van de ondertekenaar worden vermeld. § 2. Een model van aanvraagformulier voor de registratie als vervoerder van afvalstoffen is opgenomen in bijlage 5.1.3.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5133\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vervoerder van afvalstoffen vraagt zijn registratie aan door het aanvraagformulier, opgenomen in bijlage 5.1.3.2., aangetekend te versturen naar de OVAM. Art. 5.1.3.4. § 1. Als de aanvraag volledig en correct is ingevuld, wordt de vervoerder geregistreerd en wordt hij opgenomen in het register van vervoerders. De geregistreerde vervoerder krijgt van de OVAM een uittreksel uit het register van de vervoerders van afvalstoffen met een aangetekende brief binnen een termijn van 20 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag. § 2. De registratie als vervoerder geldt voor een periode van 5 jaar. § 3. Als de aanvraag onvolledig is of niet correct is ingevuld, meldt de OVAM dat met een aangetekende brief aan de aanvrager binnen een termijn van 20 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag. De melding bevat de motieven waarop de aanvraag onvolledig of niet correct werd bevonden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5135\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.3.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De geregistreerde vervoerder die zijn registratie wil verlengen, moet uiterlijk 20 dagen voor het verstrijken van de registratie, een nieuwe aanvraag indienen. Bij verstrijken van de registratieperiode en zolang de registratie niet is vernieuwd, wordt de vervoerder automatisch uit het register van de vervoerders van afvalstoffen geschrapt. § 2. Elke wijziging in de geregistreerde gegevens wordt aan de OVAM meegedeeld en wordt in het register aangepast. Het gewijzigde uittreksel uit het register wordt per aangetekend schrijven aan de aanvrager opgestuurd. § 3. De registratie kan niet aan derden worden doorgegeven. § 4. Bij stopzetting van de activiteiten kan de geregistreerde vervoerder van afvalstoffen op zijn verzoek worden geschrapt uit het register</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5136\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.1.3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen, kan leiden tot het schrappen uit het register van de vervoerders van afvalstoffen. § 2. Behalve in het geval van een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens en/of milieu wordt de registreerde vervoerder, per aangetekend schrijven, door de OVAM op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schrapping en de motieven daartoe. De registreerde vervoerder beschikt over een termijn van 14 dagen om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde werden gebracht. Hij kan vragen om gehoord te worden. § 3. Het schrappen wordt door de OVAM met een aangetekende brief aan de overtreder meegedeeld met vermelding van de motieven die tot het schrappen hebben geleid. § 4. Een schrapping uit het register van de vervoerders van afvalstoffen blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de registratie. Indien door de geregistreerde vervoerder intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schrapping niet meer bestaat, kan de schrapping ongedaan worden gemaakt zodat de geregistreerde vervoerder opnieuw kan worden opgenomen in het register van de vervoerders van afvalstoffen tot de einddatum van de oorspronkelijke registratie Afdeling II. - Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen Onderafdeling I. - Afzonderlijke inzameling van huishoudelijke afvalstoffen Art. 5.2.1.1. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van onderafdeling 5.5.2 moeten ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling : 1° klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong;2° glasafval;3° papier- en kartonafvalstoffen;4° grofvuil met het oog op sortering, hergebruik of recyclage;5° groenafval;6° textielafvalstoffen;7° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;8° afvalbanden;9° steenachtige fracties van bouw- en sloopafval. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van onderafdeling 5.5.2 moeten ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling, of naderhand uitgesorteerd worden : 1° houtafvalstoffen;2° metaalafvalstoffen. Onderafdeling II. - Afzonderlijke inzameling van bedrijfsafvalstoffen Art. 5.2.2.1. § 1. Ten minste de volgende bedrijfsafvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling : 1° klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong;2° glasafval;3° papier- en kartonafvalstoffen;4° afval van plantaardige en dierlijke oliën en vetten;5° groenafval; 6°- textielafval; 7° afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;8° afvalbanden;9° steenachtige fracties van bouw- en sloopafval;10° afgewerkte olie;11° gevaarlijke afvalstoffen;12° asbestcementhoudende afvalstoffen;13° afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van onderafdeling II moeten ten minste de volgende afvalstoffen gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling, of naderhand uitgesorteerd worden : 1° houtafvalstoffen;2° metaalafvalstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om een afvalstof te mengen met een of meer andere stoffen met het oogmerk om door de lagere concentratie van een of meer in de afvalstof aanwezige stoffen, 1° voor de aldus verdunde afvalstof een verwijderingsmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-verdunde afvalstof niet is toegelaten;2° een afvalstof die moet worden verwijderd, alsnog nuttig te kunnen toepassen;3° een afvalstof die niet in aanmerking komt om te worden aangewend als of omgevormd tot een secundaire grondstof, alsnog te kunnen aanwenden als en/of om te vormen tot een secundaire grondstof. Afdeling III. - Algemene regels inzake verwerking van afvalstoffen Art. 5.3.1. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van dit besluit over het toegelaten gebruik als secundaire grondstof, is de toepassing van de volgende verwijderingshandelingen verboden Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 5.3.2. § 1. In appartementsgebouwen met ten minste 3 verdiepingen boven de grond mogen stortkokers voor de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen niet meer gebruikt worden. § 2. In de in § 1 omschreven gebouwen, die een lokaal hebben waar de stortkokers in uitkomen, moet dit lokaal gebruikt worden om er huishoudelijk afval op te slaan. Dit lokaal kan eventueel vervangen worden door een ander lokaal in hetzelfde gebouw of door containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval moeten dit lokaal of deze containers minstens dezelfde opslagcapaciteit bieden. § 3. Binnen zes maanden nadat de stortkokers buiten gebruik zijn gesteld, moeten ze zo worden behandeld dat er geen hinder meer wordt ondervonden ten gevolge van het vroegere gebruik ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling IV. - Stort- en verbrandingsverboden Art. 5.4.1. Het is verboden om de volgende afvalstoffen te storten : 1° ongesorteerde huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen;2° afvalstoffen die met het oog op nuttige toepassing afzonderlijk werden ingezameld;3° afvalstoffen die in aanmerking komen voor nuttige toepassing onder meer door hun aard, hoeveelheid en homogeniteit;4° de brandbare restfractie van het sorteren van huishoudelijke afvalstoffen of ermee vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen;5° oude en vervallen geneesmiddelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om de volgende afvalstoffen te verwerken door verbranding in een in het Vlaamse Gewest gelegen inrichting : 1° selectief ingezamelde stromen die in aanmerking komen voor materiaalrecyclage; In afwijking van deze bepaling geldt het verbod niet voor de verbranding van volgende afvalstoffen, mits een calorische inhoud &gt; 11.500 kJ/kg, voor de opwekking van hernieuwbare energie : a) plantaardig afval van land- en bosbouw;b) plantaardig afval van de voedingsmiddelenindustrie;c) vezelachtig plantaardig afval afkomstig van het sorteren, ziften en wassen bij de rauwe pulp en de papierproduktie;d) houtafval;e) kurkafval;2° a) ongesorteerde bedrijfsafvalstoffen;b) ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Vlaamse minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan op de verbodsbepalingen van artikel 5.4.1 en 5.4.2. § 2. Deze afwijkingen kunnen maar worden toegestaan voor maximaal twee jaar. § 3. De in § 1 bedoelde individuele afwijkingsaanvraag moet schriftelijk worden aangevraagd door de exploitant van de stortplaats of afvalverbrandingsinstallatie. De aanvraag moet de volgende elementen bevatten : 1° de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;2° de technische redenen die de afwijking motiveren, inzonderheid in het licht van de aard en de hoeveelheden van de aangevoerde afvalstromen enerzijds en de beschikbare verwerkingscapaciteit anderzijds. § 4 De Vlaamse minister doet binnen een termijn van drie maanden na de indiening ervan, uitspraak over de afwijkingsaanvraag. Voorafgaand aan deze uitspraak wint de Vlaamse minister het advies in van de OVAM. Afdeling V. - Bijzondere afvalstoffen Onderafdeling I. - Afvalstoffen die ontstaan bij onderhouden, herstellen en slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun aanhorigheden Art. 5.5.1.1. § 1. De in artikel 2.3.1, 2° vermelde groepen van bijzondere afvalstoffen mogen niet met elkaar worden vermengd. § 2. De afvalstoffen die ontstaan tijdens het slopen en tijdens de herstellings- of onderhoudswerkzaamheden, moeten volgens de in artikel 2.3.1, 2° vermelde groepen van bijzondere afvalstoffen gescheiden worden opgeslagen en ingezameld, met als doel een efficiënte en milieuvriendelijke verwerkingswijze te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5512\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Bij het aanwenden van de in artikel 2.3.1, 2° vermelde groepen van bijzondere afvalstoffen voor nuttige toepassing, moet volgende hiërarchie gevolgd worden : 1° hergebruik van onderdelen en componenten;2° hergebruik van materialen of recycling;3° terugwinning van grondstoffen of chemische feedstock door pyrolyse of hydrolyse;4° verbranding met energieterugwinning. Een lagere vorm van nuttige toepassing is enkel toegelaten wanneer de hogere vormen door de afwezigheid van beste beschikbare technieken niet kunnen worden gerealiseerd. § 2. Betreffende de verwerking van de in artikel 2.3.1, 2° vermelde groepen van bijzondere afvalstoffen geldt dat de volgende afvalstoffen, onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen, moeten worden hergebruikt of gerecycleerd : 1° loodstart- en andere batterijen;2° synthetische remvloeistof;3° katalysatoren;4° koelvloeistoffen;5° koelmiddelen die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten Onderafdeling II. - Klein gevaarlijk afval A. Definities Art. 5.5.2.1. De volgende afvalstoffen worden als KGA beschouwd : 1° resten van verven, inkten, lijmen, harsen : a) verf, lak, vernis;b) houtbeschermingsmiddelen, carbolineum, black varnish, creoline;c) lijm, hars, siliconen;d) filmafval;e) kleurstoffen, toner, inkten, drukinkten, stempelkussens;2° olie en vet a) plantaardige en dierlijke oliën en vetten;b) meubelolie, boenwas;c) minerale olie;d) brandstoffen;3° solventen : a) ontvetters, droogkuisproducten, vlekkenwater, decapeermiddelen en beitsmiddelen;b) gechloreerde koolwaterstoffen : trichloorethyleen, tetrachloorethyleen, chloroform;c) ontvlambare oplosmiddelen : petroleumether, ether, wasbenzine, brandspiritus, benzine, aceton, methanol, ethanol, hexaan, tolueen, xyleen;d) verdunners : white spirit, lijnolie, terpentijn, terpentine, cellulose-verdunners;e) gefluoreerde schoonmaakmiddelen;f) glycol, antivries;g) formol;4° zuren : a) zoutzuur, middelen die kalk en cement verwijderen;b) zwavelzuur, accuzuur;c) salpeterzuur, chroomzuur, fosforzuur;d) fixeervloeistoffen en stopbadvloeistoffen;5° basen : a) ontvetters, ontstoppers, bijtende soda, natronloog, kaliloog, ammoniak;b) bijtende schoonmaakmiddelen, beits- en decapeermiddelen, bleekwater, hypochlorieten, hypochloraten;c) fotografische ontwikkelaars, activators en additieven;6° schoonmaakmiddelen : a) zepen, waspoeders, wc-reinigers, glansmiddelen voor de vaatwas;b) metaalpoets, roestverwijderingsmiddelen;c) autowax;7° loodstart- en andere batterijen : a) loodstartbatterijen;b) nikkelcadmiumbatterijen;c) kwikoxidebatterijen;d) andere;8° stoffen of producten met kwik : a) tl-lampen;b) kwikthermometers;9° KGA van gemengde samenstelling : a) restanten met onbekende samenstelling;b) cosmetica;c) ongebruikte, afgedankte chemicaliën;d) pesticiden;e) brandblusmiddelen;f) fotografisch zilver;g) ontplofbare stoffen van huishoudelijke en vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong, vuurwerk;h) rookdetectoren;10° verpakkingen met of zonder restanten van KGA, genoemd in 1°, 2°, b), c) en d), 3°, 4°, 5°, 6°, b), 9°, c) en d);11° insulinespuiten, pennaalden, gebruikt door particulieren om zichzelf geneesmiddelen en bloedlancetten toe te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Algemene bepaling Art. 5.5.2.2. § 1. Het is verboden om zich van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong te ontdoen op een andere wijze dan die, welke omschreven wordt in dit besluit. § 2. Het door of in opdracht van de gemeente ingezamelde KGA mag in geen geval verwerkt worden met als bestemming of eindbestemming de voedselketen van mens of dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Selectieve inzameling Art. 5.5.2.3. § 1. De gemeenten zijn verplicht om op hun kosten, het klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong op regelmatige wijze gescheiden in te zamelen. Die financieringsplicht geldt niet voor klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong dat onderworpen is aan een aanvaardingsplicht, milieubeleidsovereenkomst of terugnameplicht in het kader van het samenwerkingsakkoord van 30 mei 1996 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval. § 2. De gemeenten kunnen klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong inzamelen op kosten van de producent, waarbij de inzameling van het klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong niet mag worden gehinderd. § 3. De gescheiden inzameling moet, naar keuze, ten minste gebeuren door : 1° bij bestaande of op te richten containerparken een inrichting te bestemmen voor de aanvoer en aanvaarding van KGA;2° het KGA regelmatig te laten ophalen door daartoe erkende overbrengers, per wijk of straat of, huis aan huis;3° een combinatie van voormelde inzamelwijzen. § 4. De producenten en invoerders van de producten zoals vermeld onder artikel 5.5.2.1,11° moeten tegen 1 januari 2004 een systeem opzetten dat over geheel Vlaanderen in een inzameling voorziet van gebruikte injectienaalden, rekening houdend met de verplichtingen die gelden in hoofde van de professionele gebruiker krachtens onderafdeling 5.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij dragen hiervan de volledige kosten, ongeacht de kosten in hoofde van de particuliere patiënt ingevolge artikel 5.5.2.4, § 3. Zij zetten communicatiecampagnes op die ervoor zorgen dat de particulieren aan patiënten de naalden meegeven in de daarvoor opgezette inzamelkanalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Inzameling via containerparken Art. 5.5.2.4. § 1. De aanvoer en aanvaarding van KGA in de inrichting bij het containerpark is enkel toegelaten tijdens vooraf vastgestelde periodes. § 2. Het KGA moet, afzonderlijk van andere afvalstoffen, aangeboden worden in een daartoe geschikte recipiënt. § 3. KGA, zoals omschreven in artikel 5.5.2.1, 11°, moet worden aangeboden in een naaldcontainer die voldoet aan de constructieregels, vermeld in artikel 5.5.3.3, § 1, 3°, tweede gedachtestreepje. § 4. De afvalstoffen die als KGA overeenkomstig dit artikel worden ingezameld, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2.4 van dit besluit, zolang de afvalstoffen op de inrichting bij het containerpark zijn opgeslagen en door die inrichting niet zijn afgegeven aan een erkende overbrenger.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Inzameling via ophaling Art. 5.5.2.5. § 1. De gescheiden ophaling gebeurt per wijk of straat, huis aan huis, en uitsluitend met daartoe geschikte voertuigen. § 2. Het KGA moet aan het ophaalvoertuig worden aangeboden in een daartoe geschikte recipiënt. De afvalstoffen die als KGA overeenkomstig dit artikel worden ingezameld, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2.4 van dit besluit, zolang die afvalstoffen niet zijn afgegeven aan een erkende overbrenger. § 3. KGA, zoals omschreven in artikel 5.5.2.1, 11°, moet worden aangeboden in een naaldcontainer die voldoet aan de constructieregels, vermeld in artikel 5.5.3.3, § 1, 3°, tweede gedachtestreepje. § 4. Het KGA wordt door de begeleider van het ophaalvoertuig gecontroleerd en gesorteerd op een manier die elk risico vermijdt. § 5. Het gesorteerde KGA wordt opgeslagen in de daartoe gereserveerde compartimenten van het ophaalvoertuig, dat verlucht moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Medisch afval A. Algemene bepalingen Art. 5.5.3.1. § 1. Medische afvalstoffen worden onderverdeeld in : 1° risicohoudende medische afvalstoffen : afvalstoffen die een bijzonder risico inhouden doordat ze een microbiologische of virale besmetting, een vergiftiging of een verwonding met zich mee kunnen brengen, of afvalstoffen die om ethische redenen een bijzondere behandeling vereisen;2° niet-risicohoudende medische afvalstoffen : afvalstoffen die geen bijzonder risico inhouden en die door hun aard vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, maar door hun samenstelling of waardebeleving niet vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen. § 2. Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in § 1, en elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in § 1, 1°, met huishoudelijke afvalstoffen of met bedrijfsafvalstoffen die door hun aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen tot risicohoudende medische afvalstoffen worden gerekend en overeenkomstig beheerd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in § 1, 2°, met huishoudelijke afvalstoffen of met bedrijfsafvalstoffen die door hun aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen tot de niet-risicohoudende medische afvalstoffen worden gerekend en overeenkomstig beheerd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste de volgende niet-risicohoudende medische afvalstoffen die door hun aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, moeten afzonderlijk worden opgehaald of ingezameld : 1° glasafval;2° papier en karton. § 3. Een lijst van de verschillende, onder § 1 vermelde medische afvalstoffen, wordt opgenomen in bijlage 5.5.3.2. A bij dit besluit. § 4. Medische afvalstoffen die niet voorkomen op de in § 3 genoemde lijst, moeten door de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk ingedeeld worden bij de risicohoudende of niet-risicohoudende medische afvalstoffen. § 5. Medische afvalstoffen die niet voorkomen op de in § 3 genoemde lijst en waarover twijfel kan bestaan met betrekking tot het risicohoudend karakter ervan, moeten beheerd worden als risicohoudende medische afvalstoffen. § 6. Een lijst van medische afvalstoffen als bedoeld in § 3, aangevuld met alle aanvullende risicohoudende en niet-risicohoudend medische afvalstoffen als bedoeld in § 4 en § 5, moet binnen elke instelling voor geneeskunde en elke geneeskundige praktijk ter beschikking worden gesteld van de toezichthoudend ambtenaar en van elke persoon die betrokken is bij de productie en de behandeling van medische afvalstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5532\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere stoffen, vloeistoffen en producten, met uitzondering van steriliseerbare en herbruikbare medische instrumenten of producten die rechtstreeks in aanraking komen met risicohoudend medisch afval, moeten als zodanig worden beheerd B. Verpakking Art. 5.5.3.3. § 1. Risicohoudend medisch afval moet worden verpakt in recipiënten die voorzien zijn van een UN-kenmerk, als bedoeld in het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, ondertekend op 30 september 1957 in Genève en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960 (hierna ADR-reglementering te noemen), en die voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° vloeibare en pasteuze afvalstoffen, met inbegrip van het afval, omschreven in punt 1.7 van de bijlage 5.5.3.2.A bij dit besluit, worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënt van maximaal 60 liter, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort met een maximaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënt is ondoorzichtig en, ongeacht elke mogelijke manipulatie, lekvrij en scheur- en schokbestendig, heeft een vloeistofdichte sluiting en kan na sluiting niet meer heropend worden zonder beschadigd te worden; 2° vaste afvalstoffen worden opgeborgen in de voormelde eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënt, vervaardigd uit kunststof, of in een eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënt, vervaardigd uit karton dat een maximaal gehalte aan gerecycleerde vezels bevat, aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud, schokbestendig, met een inhoud van maximaal 50 liter, goed afsluitbaar, veilig manipuleerbaar en uitgerust met een eenmalig te gebruiken, gele binnenzak die is vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort met een maximaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen, met dubbele lasnaden, aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud, scheurbestendig, goed afsluitbaar, lekvrij en met vermelding van het logo van risicohoudend medisch afval, zoals weergegeven in bijlage 5.5.3.2.B bij dit besluit; 3° alle scherpe voorwerpen en glasafval worden op een van de volgende manieren op : a) in een eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënt van maximaal 60 liter, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort.De recipiënt is ondoorzichtig en, ongeacht elke mogelijke manipulatie, snij- en prikbestendig, lekvrij en scheur- en schokbestendig, heeft een vloeistofdichte sluiting en kan na sluiting niet meer heropend worden zonder beschadigd te worden; b) in een eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënt van maximaal 10 liter, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort.De recipiënt is ondoorzichtig en, ongeacht elke mogelijke manipulatie, snij- en prikbestendig, lekvrij in verticale stand, scheur- en schokbestendig, en kan na sluiting niet meer heropend worden zonder beschadigd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die recipiënt wordt dan opgeborgen in de eenmalig te gebruiken, vormvaste kunststof recipiënt, vermeld 1° van dit artikel, of in de eenmalig te gebruiken, vormvaste kartonnen recipiënt, vermeld 2° van dit artikel, met de kunststof binnenzak. § 2. In afwijking van § 1, 2° van dit artikel, kunnen voor het vast risicohoudend medisch afval recipiënten met een grotere maximale inhoudsmaat, maar met dezelfde eigenschappen en etikettering, uitsluitend gebruikt worden in welbepaalde gevallen waarbij de voorgeschreven maximale inhoudsmaat van 50 liter niet volstaat voor de desbetreffende afvalstoffen. Op die recipiënten met een grotere maximale inhoudsmaat moet de fabrikant duidelijk het maximaal toegelaten gewicht vermelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5534\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op elke recipiënt van risicohoudend medisch afval, met uitzondering, van de recipiënten bedoeld in § 5 van dit artikel, wordt door de fabrikant van de recipiënt de vermelding \"RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL\" aangebracht, samen met het logo van risicohoudend medisch afval, bedoeld in bijlage 5.5.3.2.B bij dit besluit. De vermelding \"RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL\" is waterbestendig en wordt, in zwarte drukletters van minimaal 2 centimeter hoog, gekleefd, gedrukt of in reliëf gezet op een gele achtergrond van minimaal een A4-formaat. Het logo wordt overeenkomstig de ADR-reglementering aangebracht op een witte achtergrond in een ruit met een zijde van 10 cm. § 2. Op elke recipiënt van risicohoudend medisch afval wordt door de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk de naam, het adres en het telefoonnummer van de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk in kwestie aangebracht. § 3 De naam, het adres en het telefoonnummer van de ophaler wordt door de ophaler aangebracht op elke transportverpakking van risicohoudend medisch afval die bij dezelfde producent van medisch afval wordt opgehaald. § 4. De datum van de ophaling wordt door de instelling voor geneeskunde, door de geneeskundige praktijk of door de ophaler onder toezicht van de instelling voor geneeskunde of van de geneeskundige praktijk aangebracht op elke transportverpakking van risicohoudend medisch afval. § 5. Op eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënten van maximaal 10 liter, zoals bedoeld in artikel 5.5.3.3., § 1, 3°, wordt door de fabrikant van de recipiënten de vermelding \"RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL\" aangebracht, samen met het logo van risicohoudend medisch afval, zoals bedoeld in bijlage 5.5.3.2.B bij dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding \"RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL\" is waterbestendig en wordt, in zwarte duidelijk leesbare drukletters, gekleefd, gedrukt of in reliëf gezet op een gele achtergrond. Het logo wordt overeenkomstig de ADR-reglementering aangebracht op een witte achtergrond in een ruit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recipiënt waarin die recipiënten van maximaal 10 liter worden opgeborgen, wordt geëtiketteerd zoals beschreven in § 1, § 2, § 3 en § 4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5535\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-risicohoudend medisch afval kan, afhankelijk van de fysische toestand ervan, verpakt worden overeenkomstig artikel 5.5.3.3 en 5.5.3.4 en moet minstens als volgt verpakt worden : 1° vloeibare en pasteuze afvalstoffen worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken, vormvaste recipiënt van maximaal 60 liter, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort met een maximaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen.De recipiënt is ondoorzichtig en, ongeacht elke mogelijke manipulatie, lekvrij en scheur- en schokbestendig. De recipiënt heeft een vloeistofdichte sluiting en kan na sluiting niet meer heropend worden zonder beschadigd te worden; 2° vaste afvalstoffen worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken, blauwe zak, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort met een maximaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen.De zak heeft dubbele lasnaden, is weinig doorzichtig, scheurbestendig, goed afsluitbaar, lekvrij en aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5536\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op elke recipiënt of elke zak van niet-risicohoudend medisch afval wordt door de fabrikant van de recipiënt of van de zak de vermelding \"NIET-RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL\" aangebracht. Die vermelding is waterbestendig en wordt in zwarte drukletters van minimaal 2 centimeter hoog, gekleefd, gedrukt of in reliëf gezet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5537\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 5.5.3.5 en 5.5.3.6 zijn niet van toepassing op vast niet-risicohoudend medisch afval dat voortkomt uit de geneeskundige praktijk</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5538\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kan nadere regels vaststellen voor de recipiënten en zakken van medisch afval en het gebruik ervan</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5539\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke recipiënt of elke zak wordt na volledige vulling onmiddellijk en definitief gesloten, conform de instructies van de fabrikant van de recipiënt of van de zak C. Interne inzameling bij de instelling voor geneeskunde Art. 5.5.3.10. Gevulde en definitief gesloten recipiënten van medisch afval moeten elke werkdag, met aangepaste middelen, om elke beschadiging van de verpakking te voorkomen, van de afdeling of plaats van productie naar een centrale, interne inzamelplaats worden overgebracht. De daartoe aangewende transportmiddelen, die desinfecteerbaar zijn, moeten geregeld gereinigd en, indien nodig, gedesinfecteerd worden om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55311\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van titel II van het Vlarem alsook van de vergunningsvoorwaarden die in de met toepassing van titel I van het Vlarem verleende milieuvergunning terzake kunnen worden opgelegd, moet de centrale, interne inzamelplaats van medisch afval voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° voor risicohoudend medisch afval : a) de inzamelplaats kan uitsluitend worden ingericht in een gesloten en overdekte, koele opslagruimte of in een gesloten container buiten het eventuele beddengebouw;b) de inzamelplaats is niet toegankelijk voor onbevoegden en voor dieren;c) de inzamelruimte en de container moeten gemakkelijk bereikbaar zijn, zowel met de interne transportmiddelen als met de externe transportmiddelen die worden ingezet voor de ophaling;d) de grootte van de inzamelruimte en van de container moet aangepast zijn aan de periodieke aanvoer van de afvalstoffen;de inzamelruimte moet op regelmatige tijdstippen geledigd worden, conform de bepalingen van dit besluit om elke overlading en elke vorming van microbiologische broeihaarden of geurhinder te voorkomen Hetzelfde geldt voor de container die evenwel in zijn geheel kan worden opgehaald; e) elke recipiënt in de inzamelruimte en in de container moet intact blijven.Beschadigde recipiënten moeten op veilige wijze worden overgebracht in aangepaste oververpakkingen. Die oververpakkingen moeten altijd in voldoende mate aanwezig zijn; f) de inzamelruimte en de container zijn slechts beperkt toegankelijk voor de bevoegde personen.Ze zijn vrij van ongedierte en worden verlucht, na lediging worden ze gereinigd en indien nodig gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen; g) de recipiënten moeten zo gestapeld worden dat ze niet omvallen en dat ze gemakkelijk, snel, veilig en met een minimum aan manipulatie door de ophaler kunnen worden geladen;h) de inzamelruimte en de container moeten voldoen aan de volgende technische vereisten : 1) ze zijn eenvoudig en efficiënt te reinigen, te desinfecteren en te verluchten;2) de vloeren en de wanden ervan zijn vloeistofdicht, bestand tegen ontsmettingsmiddelen, voldoende effen en gemakkelijk afwasbaar;3) ze zijn aan de buitenzijde voorzien van de vermelding \"INZAMELRUIMTE VOOR RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL - TOEGANG VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN\", samen met het logo van risicohoudend medisch afval; die vermelding is in zwarte, duidelijk leesbare drukletters op een gele achtergrond aangebracht; 2° voor niet-risicohoudend medisch afval : a) de opslag van vloeibare en pasteuze afvalstoffen moet gebeuren conform het onder 1° bepaalde, al dan niet samen met het daar vermelde risicohoudend medisch afval;b) de opslag van vaste afvalstoffen moet gebeuren in een inzamelruimte of in lekvrije containers of perscontainers, binnen het terrein van de instelling, op een of meer vaste, aan het zicht onttrokken locaties die gemakkelijk bereikbaar zijn voor de interne en externe transportmiddelen en waarvan de toegang voor onbevoegden verboden is;c) het volume van de inzamelruimte, van de containers en de perscontainers moet aangepast zijn aan de periodieke aanvoer van de afvalstoffen.Ze moeten op regelmatige tijdstippen geledigd worden, conform de bepalingen van dit besluit, om elke overlading, vorming van microbiologische broeihaarden of geurhinder te voorkomen; d) elke locatie waar de containers of perscontainers zich bevinden, wordt na ophaling van de containers of perscontainers gereinigd en, indien nodig, gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55312\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke instelling voor geneeskunde is verantwoordelijk voor het opmaken en het aan de betrokken personeelsleden en de toezichthoudend ambtenaar ter beschikking stellen van de richtlijnen over het opslaan van medisch afval. Elke opslag van die afvalstoffen, de reiniging en eventuele desinfectie van de interne transportmiddelen, de opslagruimten, de containers of de perscontainers, alsmede de regelmatige, tijdige afvoer ervan en het toezicht daarop gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de instelling voor geneeskunde D. Interne inzameling bij de geneeskundige praktijk Art. 5.5.3.13. De opslag van risicohoudend en van vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval in de geneeskundige praktijk gebeurt in de beschikbare recipiënten, conform de bepalingen van artikel 5.5.3.3 tot en met 5.5.3.9. De definitief gesloten recipiënten worden, in afwachting van hun verwijdering, opgeslagen, in de geneeskundige praktijk, of in een lokaal dat gescheiden is van elke woon- of leefruimte en dat niet toegankelijk is voor onbevoegden. Elke recipiënt moet intact blijven, beschadigde recipiënten moeten op veilige wijze worden overgebracht in aangepaste oververpakkingen die in voldoende mate aanwezig moeten zijn. De recipiënten worden op regelmatige tijdstippen verwijderd voor verwerking. Het lokaal waar de recipiënten zich bevinden, wordt op regelmatige tijdstippen gereinigd en indien nodig gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55314\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vast niet-risicohoudend medisch afval kan in de geneeskundige praktijk samen met de bedrijfsafvalstoffen die door hun van aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, worden verzameld en afgegeven E. Sectorale voorwaarden ophaling Art. 5.5.3.15. Het vervoermiddel van de beoefenaar van een geneeskundig beroep moet bij het vervoer van risicohoudend medisch afval niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.5.3.16.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55316\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorbehoud van de toepassing van elke andere wettelijke en reglementaire bepaling, gelden voor de afzonderlijke ophaling en het vervoer van medisch afval de volgende voorwaarden : 1° voor risicohoudend medisch afval en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval : a) de ophaling en het vervoer van de afvalstoffen moet gebeuren met gesloten en goed verluchte transportmiddelen, ADR-uitgerust;b) lekkende recipiënten moeten onmiddellijk in een aangepaste oververpakking worden overgebracht;c) als er bij een volgende ophaling gevaar bestaat voor vervuiling of besmetting van de lading, moet de laadruimte van de transportmiddelen worden gereinigd in een daartoe vergunde inrichting die na de reiniging een reinigingsattest verstrekt.Indien nodig moet de laadruimte gedesinfecteerd worden om het ontstaan van microbiële broeihaarden te voorkomen; d) elke manuele behandeling van de recipiënten moet bij de ophaling tot een minimum beperkt worden;e) de ophaler stelt duidelijke, schriftelijke richtlijn en op zowel voor de ophaling en het vervoer van de afvalstoffen als voor noodgevallen.Hij stelt die richtlijnen ter beschikking van de bestuurder, de houder van de afvalstoffen en de toezichthoudend ambtenaar Die richtlijnen zijn ook steeds te vinden in het transportmiddel, op een duidelijk zichtbare en aangeduide plaats; f) de transportmiddelen voldoen minstens aan de volgende technische vereisten : 1) de laadruimte is voorzien van lekvrije, metalen wanden of wanden met vergelijkbare eigenschappen;2) de laadruimte is uitgerust met een verluchtings- en een verlichtingssysteem;indien de laadruimte gecompartimenteerd is, moet elk afzonderlijk compartiment voorzien zijn van een verluchtings- en een verlichtingsysteem; 3) de binnenbekleding en de wanden van de laadruimte hebben afgeronde hoeken en zijn effen en goed afwasbaar, alsmede gemakkelijk desinfecteerbaar;4) de laadruimte heeft een minimale hoogte van 1 m en is gescheiden van de bestuurderscabine door een voldoende stevige scheidingswand;5) de achterste laaddeuren hebben dezelfde hoogte als de laadruimte, ze zijn goed afsluitbaar en weerstaan een lichte aanrijding;6) de laadruimte moet zodanig zijn ontworpen of ingericht dat eventuele lekvloeistoffen, zelfs na een aanrijding, niet naar buiten kunnen sijpelen;7) een gemakkelijk toegankelijke, afgescheiden ruimte binnen of buiten de laadruimte bevat voldoende beschermende kleding, reinigingsmateriaal, desinfecterende middelen, absorptiemateriaal en aangepaste oververpakkingen voor noodgevallen;8) maatregelen moeten getroffen worden opdat de niet-gebruikte recipiënten in de laadruimte niet in contact kunnen komen met eventuele lekvloeistoffen, afkomstig van de afval;9) de bestuurderskabine bevat voldoende materiaal voor het wassen en ontsmetten van de handen van de bestuurder;g) tijdens het laden en lossen van de recipiënten met risicohoudend medisch afval en met vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval, evenals tijdens het vervoer, moeten de recipiënten zo gestapeld worden dat ze niet omvallen en dat ze gemakkelijk, veilig en met een minimum aan manipulatie verplaatst kunnen worden; 2° voor de container met risicohoudend en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval, bedoeld in artikel 5.5.3.11 : a) de ophaling en het vervoer van de container moet gebeuren met aangepaste transportmiddelen, ADR-uitgerust; b) als er bij een volgende ophaling gevaar bestaat voor vervuiling of besmetting van de lading, moet de container worden gereinigd in een daartoe vergunde inrichting die na de reiniging een reinigingsattest verstrekt.Indien nodig moet de container gedesinfecteerd worden om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen; c) de ophaler stelt duidelijke, schriftelijke richtlijnen op zowel voor de ophaling en het vervoer van de afvalstoffen als voor noodgevallen.Hij stelt die richtlijnen ter beschikking van de bestuurder, de houder van de afvalstoffen en de toezichthoudend ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zijn die richtlijnen steeds te vinden in het transportmiddel, op een duidelijk zichtbare en aangeduide plaats; d) de bestuurderscabine bevat voldoende beschermende kleding, reinigingsmateriaal, desinfecterende middelen, absorptiemateriaal en aangepaste oververpakkingen voor noodgevallen alsmede voldoende materiaal voor het wassen en ontsmetten van de handen van de bestuurder;e) tijdens het laden en lossen van de recipiënten met risicohoudend medisch afval en met vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval, evenals tijdens het vervoer, moeten de recipiënten zo gestapeld worden dat ze niet omvallen en dat ze gemakkelijk, veilig en met een minimum aan manipulatie verplaatst kunnen worden;3° voor vast niet-risicohoudend medisch afval : a) bij het persen van de afvalstoffen moet het vrijkomen van lekvloeistoffen tot een minimum beperkt worden;b) elke manuele behandeling van de recipiënten moet bij de ophaling tot een minimum beperkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Inzamelplaats buiten de instelling voor geneeskunde en buiten de geneeskundige praktijk Art. 5.5.3.17. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van titel II van het Vlarem alsook van de vergunningsvoorwaarden die in de met toepassing van titel I van het Vlarem verleende milieuvergunning terzake kunnen worden opgelegd moet elke inzamelplaats van medisch afval buiten de instelling voor geneeskunde en buiten de geneeskundige praktijk voldoen aan de bepalingen van artikel 5.5.3.11 van dit besluit met dien verstande dat de afvalstoffen binnen 72 uur afgevoerd moeten worden naar de verwerkingsinrichting om daar verwerkt te worden. Medisch afval, afkomstig uit de geneeskundige praktijk, dat enkel bestaat uit naalden en scherpe voorwerpen moet binnen 14 dagen afgevoerd worden naar de verwerkingsinrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Verwerking van medisch afval Art. 5.5.3.18. Het storten van medisch afval, afkomstig van de instelling voor geneeskunde, en van risicohoudend medisch afval, afkomstig van de geneeskundige praktijk, is verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55319\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval moet verbrand worden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55320\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.3.20</span><span class=\"lf-art-t\">De verwerking van niet-risicohoudend medisch afval is eveneens onderworpen aan de bepalingen van artikel 5.4.1. en 5.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Afgedankte voertuigen Art. 5.5.4.1. Vanaf 1 januari 2005 moet elke persoon die afgedankte voertuigen depollueert of moet depollueren, een erkenning bezitten als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Het centrum dient de aangenomen afgedankte voertuigen te depollueren, te ontdoen van de verplicht te ontmantelen onderdelen en te vernietigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5542\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Alle afgedankte voertuigen moeten binnen de termijnen, bepaald in § 3, worden ingeleverd bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, met uitzondering van : 1° oldtimers die ingeschreven zijn in het repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens;2° voertuigen die als verzamelobject bewaard worden;3° voertuigen waarvoor een bewijs van uitvoer bestaat;4° voertuigen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek of een inbeslagname en die nog niet vrijgegeven werden;5° voertuigen die gebruikt worden om didactische doeleinden. § 2. De houder moet zich ontdoen van een voertuig : 1° dat niet is voorzien van de volgende boorddocumenten of waarvan de eigenaar die niet binnen een maand kan voorleggen : a) het inschrijvingsbewijs D.I.V.; b) het gelijkvormigheidsattest;c) het keuringsbewijs;2° waarvan de geldigheidsduur van het laatste reglementair keuringsbewijs, uitgereikt door een instelling van de technische keuring van een lidstaat van de Europese Unie, meer dan een jaar verstreken is;3° vanaf 1 jaar na datum waarop het voertuig voor de eerste keer had gekeurd moeten zijn als het in gebruik was gebleven;4° waarvan het chassisnummer geblokkeerd is in het repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens op basis van een melding van totaal verlies. § 3 De termijnen waarbinnen de afgedankte voertuigen moeten worden ingeleverd bij een erkend centrum, bedragen : 1° 1 maand vanaf het verstrijken van de termijn waarbinnen de ontbrekende documenten, bedoeld in § 2, 1°, moeten worden voorgelegd;2° 2 jaar vanaf het verlopen van de geldigheidsdatum van het keuringsbewijs, uitgereikt door een instelling van de technische keuring van een EU-lidstaat;3° 2 jaar vanaf de datum waarop de wagen voor de eerste keer gekeurd had moeten zijn als hij in gebruik was gebleven;4° 2 jaar vanaf de datum van blokkering in het repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens op basis van een melding van totaal verlies.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5543\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het is verboden afgedankte voertuigen te vernietigen, met inbegrip van indrukken, behalve door de erkende centra. § 2. Elk erkend centrum vereist de volgende technische capaciteiten van de uitbater en van zijn materieel en infrastructuur : 1° een geijkt weegtoestel, een infrastructuur die depollutie en demontage van onderdelen of materialen (ook de gassen) toelaat, en een mogelijkheid tot het vernietigen van de afgedankte voertuigen.Bij wijze van uitzondering kan een contract gelden met een bedrijf dat over de voornoemde vernietigingsmogelijkheid beschikt en dat zich op een aanpalend terrein bevindt; 2° het nodige rollend materieel voor enerzijds het intern verplaatsen van afgedankte voertuigen, opslagbakken, enzovoort en anderzijds, als wordt geopteerd voor vervoer in eigen beheer, de aan- en afvoer van de afgedankte voertuigen;3° het nodige personeel om de operationele taken van het erkende centrum te kunnen vervullen;4° zodra een afgedankt voertuig of onderdelen van voertuigen bij een erkend centrum ingeleverd worden, is het centrum volledig verantwoordelijk voor een zo degelijk mogelijke verwerking ervan, vanuit technisch en markteconomisch oogpunt en op een milieuvriendelijke wijze.Het erkende centrum moet zijn efficiëntie terzake gestadig verhogen en verbeteren, onder meer door de ontwikkeling van meer efficiënte verwerkingsmethoden. § 3 De erkende centra moeten het bewijs leveren van de bestemming van de materialen. Als er geen vergunning vereist is, dan worden de materialen afgeleverd aan bedrijven die uitgerust zijn met de beste beschikbare technieken. § 4. Het erkende centrum verleent alle informatie, die in het kader van de aanvaardingsplicht moet worden bijgehouden of verstrekt, aan de producenten, invoerders of aan degene die door hen is aangesteld. Als de eindverkopers, tussenhandelaars, producenten en invoerders voor de nakoming van hun aanvaardingsplicht, overeenkomstig artikel 3.1.1.4, een beroep doen op een beheersorganisme in het kader van de milieubeleidsovereenkomst, zullen de gegevens ter beschikking gesteld worden van een geüniformiseerd, geïnformatiseerd datacommunicatiesysteem met de centrale databank van het beheersorganisme, volgens een door dit organisme vast te leggen procedure en periodiciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het chassisnummer van een afgedankt voertuig dat het erkend centrum verlaat, wordt voorafgaandelijk meegedeeld aan het beheersorganisme. Op elk moment moet op verzoek van de toezichthoudend ambtenaar een geactualiseerde lijst kunnen worden voorgelegd van de afgedankte voertuigen evenals van de afvalstoffen en materialen die aanvaard werden of van de hand gedaan werden, en die aanwezig zijn op de inrichting. § 5. Het erkende centrum bezorgt aan de eigenaar een certificaat van vernietiging naar het voorbeeld, opgenomen in bijlage 5.5.4.1 van dit besluit.Het erkende centrum stuurt een afgestempelde verklaring van vernietiging op naar de dienst Wegverkeer bij het ministerie van Verkeer en Infrastructuur, met vermelding van de datum van vernietiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het erkende centrum deponeert een stempel, die aangebracht wordt op het certificaat van vernietiging, bij de OVAM. § 6. Het erkende centrum bezorgt jaarlijks aan de OVAM een rapport van de doorlichting van de bedrijfsactiviteiten door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van EN 45004. Dit rapport geeft aan of het erkende centrum al dan niet voldoet aan de wettelijke bepalingen. § 7. Het erkende centrum verleent op uitdrukkelijk verzoek van de OVAM de volgende overzichten in verband met de materialenstroom, waarbij het gewicht wordt uitgedrukt in kg : 1° een overzicht van de aangevoerde afgedankte voertuigen (aantal, totaalgewicht per categorie M1 of N1, lijsten van de chassisnummers);2° een overzicht van de afgevoerde afgedankte voertuigen (aantal, totaalgewicht per categorie M1 of N1, lijsten van de chassisnummers);3° een overzicht van de afgevoerde materialen (volgens hun gewicht, totaal per bestemming). § 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de depollutie, ontmanteling en verwerking van de materialen en onderdelen van de voertuigwrakken of afgedankte voertuigen moeten de doelstellingen inzake hergebruik en nuttige toepassing in uitvoering van de aanvaardingsplicht voertuigwrakken of afgedankte voertuigen worden behaald. De producenten/invoerders of diegene die door hen is aangesteld in uitvoering van de aanvaardingspicht voertuigwrakken of afgedankte voertuigen, verstrekt aan het erkend centrum de informatie over de bereikte percentages inzake nuttige toepassing van deze materialen en onderdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5544\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om als centrum erkend te zijn, moet voldaan worden aan de volgende vereisten : 1° natuurlijke personen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden : a) de burgerlijke en politieke rechten bezitten;b) de laatste vijf jaar geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving;c) een inrichting uitbaten of beroep doen op een inrichting, vergund voor de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken;d) nuttige kennis of ervaring kunnen aantonen met betrekking tot de verwerking van afgedankte voertuigen;e) zich ertoe verbinden bij een financiële instelling een bankgarantie te stellen op basis van de geraamde kosten van een ambtshalve verwijdering van de afgedankte voertuigen;2° rechtspersonen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden : a) opgericht zijn overeenkomstig de Belgische vennootschapswetgeving of de overeenstemmende wetgeving van een andere EU-lidstaat, met maatschappelijke zetel binnen de EU;b) de natuurlijke personen, die de vennootschap kunnen verbinden, bezitten hun burgerlijke en politieke rechten;c) een inrichting uitbaten of een beroep doen op een inrichting, vergund voor de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken;d) de natuurlijke personen, die de vennootschap kunnen verbinden, hebben, de laatste vijf jaar voor de aanvraag, geen effectieve strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving;e) ten minste een lid van het orgaan of een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, moet nuttige kennis of ervaring kunnen aantonen met betrekking tot de verwerking van afgedankte voertuigen;f) zich ertoe verbinden bij een financiële instelling een bankgarantie te stellen op basis van de geraamde kosten van een ambtshalve verwijdering van de afgedankte voertuigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5545\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot erkenning als centrum moet met een aangetekende brief ingediend worden bij de OVAM en moet ten minste de volgende gegevens bevatten : 1° administratieve gegevens : naam, adres, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon en e-mailadres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop de aanvraag betrekking heeft;2° bijlage in verband met de deskundige persoon : naam, voornaam, adres, functie en deskundigheid van de natuurlijke persoon.Die laatste dateert de bijlage en ondertekent ze voor akkoord. Hij is verantwoordelijk voor het dagelijkse toezicht over, en de dagelijkse leiding van het centrum, en hij kan, op verzoek van elke ambtenaar van de bevoegde overheid, op elk moment een actuele lijst meedelen van de afgedankte voertuigen, evenals van de materialen die aanvaard werden, van de hand gedaan werden en aanwezig zijn op de inrichting; 3° bijlage in verband met de moraliteit : a) bij een aanvraag door een vennootschap : 1) een bewijs van goed zedelijk gedrag van de personen die de vennootschap kunnen verbinden en van de personen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijkse toezicht, dat aantoont dat deze personen de laatste vijf jaar voor de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving;als het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn, mogen ze de milieuwetgeving niet overtreden hebben in de staat waarvan zij onderdaan zijn; 2) een afschrift van de oprichtingsakte en van de eventuele wijzigingen hiervoor in verband met de personen die deel uitmaken van organen die de vennootschap kunnen verbinden;b) bij een aanvraag door een natuurlijke persoon;een bewijs van goed gedrag en zeden van deze persoon, en in voorkomend geval van de personen die instaan voor het dagelijks toezicht, dat aantoont dat deze personen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving noch, wanneer het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn, in de staat waarvan zij onderdaan zijn; 4° bijlagen in verband met de solvabiliteit : a) een bewijs van de verzekeraar, waarin aangetoond wordt dat de aanvrager een voldoende verzekering burgerlijke aansprakelijkheid heeft aangegaan of zal aangaan die de schade dekt, met inbegrip van milieuschade, die kan ontstaan door de activiteiten van het erkende centrum; b) een schriftelijke verbintenis, gedateerd en ondertekend door de aanvrager, of in voorkomend geval door de natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, tot het stellen van een bankgarantie zoals bedoeld in artikel 5.5.4.4; 5° bijlage in verband met de activiteiten van de aanvrager : een overzicht en omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager, met inbegrip van zijn huidige vergunnings- en erkenningstoestand ten aanzien van de milieuwetgeving;6° bijlage in verband met de conformiteit van het erkende centrum : een technisch rapport, gebaseerd op een doorlichting door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van EN 45004, dat de conformiteit van het erkende centrum met de wettelijke bepalingen attesteert</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet ondertekend en gedateerd zijn, waarbij de ondertekenaar verklaart dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig en correct zijn. De naam en de functie van de ondertekenaar worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5546\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als de erkenningsaanvraag volledig en correct is opgesteld en conform wordt bevonden met artikel 5.5.4.4, wordt de erkenning door de OVAM verleend. In de erkenningsbeslissing kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd, onder meer met betrekking tot het bedrag van de bankgarantie. § 2. De erkenning wordt verleend voor een periode van 5 jaar. § 3. De OVAM stuurt de erkenning op naar de aanvrager, met een aangetekende brief, binnen een termijn van 40 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag. § 4. De houder van de erkenning is ertoe verplicht om, binnen 30 dagen na het verlenen van de erkenning : 1. het bewijs over te maken dat een bankgarantie zoals bedoeld in artikel 5.5.4.4, werd gesteld; 2. de stempel waarvan sprake in artikel 5.5.4.3, te bezorgen aan de OVAM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5547\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als de aanvraag onvolledig is of niet correct is opgesteld, meldt de OVAM dat met een aangetekende brief aan de aanvrager binnen een termijn van 40 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag. De melding bevat de motieven waarop de aanvraag onvolledig of niet correct werd bevonden. § 2. Als de aanvraag niet conform wordt bevonden met artikel 5.5.4.4, wordt de erkenning door de OVAM geweigerd. De OVAM stuurt met een aangetekende brief, de gemotiveerde weigering op naar de aanvrager binnen een termijn van 40 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5548\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het erkende centrum dat zijn erkenning wil verlengen, moet uiterlijk 40 dagen voor het verstrijken van zijn erkenning een nieuwe aanvraag indienen. § 2. Elke wijziging van de administratieve gegevens van het erkende centrum wordt aan de OVAM meegedeeld. Elke andere wijziging wordt behandeld als een nieuwe erkenningsaanvraag. § 3. De erkenning kan niet aan derden worden doorgegeven. § 4. Bij stopzetting van de activiteiten wordt de erkenning als centrum opgeheven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5549\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.4.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elk misbruik van de erkenning, elke overtreding van de erkenningsvoorwaarden, elke overtreding van de voorwaarden van de milieuvergunning van het centrum en een negatieve evaluatie van het jaarlijkse doorlichtingsrapport zoals bedoeld in artikel 5.5.4.3, § 6, kan leiden tot het opheffen van de erkenning. Het erkende centrum is gehouden onverwijld de OVAM op de hoogte te brengen van elke inbreuk die zich voordoet op de erkenningsvoorwaarden tijdens de looptijd van de erkenning. § 2. Behalve bij een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens of milieu wordt de houder van de erkenning, met een aangetekende brief door de OVAM op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot opheffing en de motieven daartoe. De houder van de erkenning beschikt over een termijn van 14 dagen om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde werden gebracht Hij kan vragen om gehoord te worden. § 3. Het opheffen wordt door de OVAM met een aangetekende brief aan de overtreder meegedeeld met vermelding van de motieven die tot het opheffen hebben geleid. § 4. Een opheffing blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de erkenning. Als intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot opheffing niet meer bestaat, kan de opheffing ongedaan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling V. - Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur Art. 5.5.5.1. De ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische toestellen worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen en met volgende technische voorschriften : - op een ondoorlatende ondergrond van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en indien nodig olie- en vuilafscheiders; - voorzien van weerbestendige afdekking van geschikte terreinen; - koel- en vriestoestellen worden droog, rechtopstaand en zodanig geplaatst dat het koelcircuit niet kan beschadigd worden; - beeldschermen worden in intacte toestand opgeslagen; - gescheiden van gedemonteerde reserveonderdelen en/of herbruikbare toestellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5552\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden niet-herbruikbare afgedankte elektrische of elektronische apparatuur of resten hiervan te verwerken zonder dat voorafgaandelijk enige bewerking plaatsvond zoals beschreven in artikel 5.2.2.5.2, § 8 van titel II van het Vlarem die gericht is op de gehele of gedeeltelijke recycling van de apparatuur Onderafdeling VI. - Afvalbanden Artikel 5.5.6.1. § 1. Het is verboden afvalbanden en versnipperde rubberbanden te storten. Het is tevens verboden afvalbanden te verwerken zonder dat voorafgaandelijk enige bewerking plaatsvond, die gericht is op de gehele of gedeeltelijke nuttige toepassing van deze afvalbanden. § 2. De verwerking van afvalbanden in daarvoor vergunde inrichtingen moet zo gebeuren dat de afvalbanden die noch in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands afvalbanden, noch voor loopvlakvernieuwing, afgehaald of behandeld zullen worden op een selectieve wijze met het oog op een nuttige toepassing ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling VII. - Afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen Art. 5.5.7.1. Het is verboden afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen te verwerken zonder dat voorafgaandelijk enige bewerking plaatsvond, die gericht is op de gehele of gedeeltelijke recycling van de afvalbatterijen en de afvalloodstartbatterijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5572\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het is verboden het zuur uit afvalloodstartbatterijen te verwijderen buiten een inrichting, vergund voor de verwerking van afvalloodstartbatterijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling VIII. - PCB's Art. 5.5.8.0. Voor de bepalingen van deze onderafdeling wordt onder verwijdering verstaan : de handelingen D8, D9, D10, D12 (alleen veilige, diepe, ondergrondse opslag in een droge rotsformatie en uitsluitend voor apparaten die PCB's bevatten en niet kunnen worden gereinigd) en D15 als bedoeld in artikel 1.3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5581\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.8.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De OVAM houdt een inventaris bij van apparaten die meer dan 1 liter PCB's bevatten. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel. § 2. Voor de opstelling van de in § 1 bedoelde inventaris maakt de OVAM inzonderheid gebruik van : 1° de kennisgevingen die zijn gebeurd met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten; 2° de kennisgevingen die zijn gebeurd met toepassing van de bepalingen in artikel 5.5.8.6</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5582\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.8.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De in artikel 5.5.8.1, § 1 bedoelde inventaris bevat ten minste de volgende gegevens : 1° naam en adres van de houder;2° plaats en omschrijving van de apparaten;3° hoeveelheid PCB's in deze apparaten;4° data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen;5° datum van aangifte. § 2. Voor de apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten PCB's bevatten, moeten de in § 1, 3° en 4° bedoelde gegevens niet worden opgenomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5583\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.5.8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Bedrijven die PCB's verwijderen, delen de hoeveelheid, de oorsprong en de aard van de aan hen geleverde PCB's, mee aan de OVAM. § 2. De in § 1 bedoelde gegevens worden door de bedrijven die PCB's verwijderen ter inzage gehouden van de plaatselijke overheid en de bevolking</p></div>", "next": 239044}