{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ingeval deze kast op slot wordt gehouden, dient ofwel : 1° de desbetreffende vergrendelingssleutel in de onmiddellijke nabijheid van de kast bewaard achter een beschermglas dat in geval van nood met een hamertje kan worden gebroken, 2° de kast afgesloten te zijn met een beschermglas dat in geval van nood met een hamertje kan worden gebroken. § 4. Van de voorwaarden, vermeld in § 2 en § 3, mag worden afgeweken indien in een alternatief systeem voorzien wordt, aanvaard door de afdeling Milieuvergunningen, dat op gebied van informatie minstens dezelfde waarborgen biedt. § 5. De nodige voorzieningen moeten worden aangebracht om de inrichting ontoegankelijk te maken voor onbevoegden. § 6. De bepalingen van § 5 zijn niet van toepassing op opslagplaatsen van vloeibare brandstoffen die deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51714\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De dichtheid van de leidingen, de koppelingen, de kranen en de toebehoren is verzekerd. Zij dienen op een doeltreffende manier tegen corrosie te worden beschermd. § 2. De niet-toegankelijke leidingen dienen aangelegd in een met fijnkorrelig inert materiaal aangevulde greppel. Deze greppel dient vloeistofdicht te zijn en af te hellen naar een vloeistofdichte opvangput Dit systeem mag vervangen worden door een alternatief systeem dat naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging dezelfde waarborgen biedt als dit systeem. Het alternatief systeem dient te worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. Een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige. Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar. Een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieuvergunningen. § 3. Het is verboden leidingen voor vervoer van P1- en/of P2-producten aan te leggen in lokalen, behalve als deze leidingen uit één stuk zijn (geen verbindingen met dichtingen), of als de lokalen ingericht en gezoneerd zijn overeenkomstig de voorschriften van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties, in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51715\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd verdere bepalingen dienen de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen te worden om te vermijden dat producten met elkaar in contact komen waarbij : 1° gevaarlijke chemische reacties kunnen plaatsvinden;2° producten met elkaar kunnen reageren onder vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen en dampen;3° producten samen ontploffingen en/of branden kunnen veroorzaken. § 2. Indien in de inrichting producten met verschillende hoofdeigenschappen worden opgeslagen, dient de opslagplaats verdeeld in verschillende compartimenten, waarbij in elk compartiment enkel producten met dezelfde hoofdeigenschap mogen worden opgeslagen Deze compartimenten dienen aangegeven te worden door middel van wanden, veiligheidsschermen, markeringen op de grond, kettingen of vaste afbakeningen op 1 m hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Producten met verschillende hoofdeigenschappen mogen echter wel samen in éénzelfde compartiment worden opgeslagen indien volgens bijlage 5.17.1 de minimum scheidingsafstand 0 m bedraagt. § 3. In de opslagplaatsen en in de zones die begrensd zijn door de scheidingsafstanden en/of de schermen voorgeschreven in bijlage 5.17.1. is het verboden enige fabricatie- of andere behandelingsoperatie uit te voeren die geen betrekking heeft op de opslag en overslag van de producten. § 4. De producten mogen niet buiten de daartoe bestemde opslagruimte worden opgeslagen. De verplaatsbare lege gecontamineerde recipiënten die gevaarlijke producten hebben bevat, dienen opgeslagen te worden op een hiervoor voorbehouden plaats die duidelijk is aangegeven Art. 5.17.1.6. § 1. Ten opzichte van bovengrondse compartimenten voor producten met een bepaalde hoofdeigenschap dienen minimale scheidingsafstanden te worden gerespecteerd zoals aangegeven in bijlage 5.17.1. § 2. De afstanden, aangegeven in § 1, mogen verminderd worden door de constructie van een veiligheidsscherm, op voorwaarde dat de horizontaal omheen dit scherm gemeten afstand tussen het beschouwde compartiment en de elementen vermeld in bijlage 5.17.1. minstens gelijk is aan de in § 1 voorgeschreven minimale scheidingsafstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het veiligheidsscherm is ofwel van metselwerk met een dikte van tenminste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van tenminste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een zodanige dikte dat een equivalente brandweerstandscoëfficiënt verkregen wordt. Het scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en moet de maximale hoogte van de opgeslagen recipiënten of houders met minimaal 0,5 m overschrijden. § 3. In de milieuvergunning kan worden afgeweken van voormelde minimale scheidingsafstanden, desgevallend en inzonderheid steunend op de resultaten van het veiligheidsrapport of op basis van een risicoanalyse opgesteld door een deskundige erkend in de discipline externe veiligheid - risico's zware ongevallen. § 4. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning zijn de afstandsregels niet van toepassing op : 1° de producten opgeslagen in laboratoria;2° producten waarvan de totale opslagcapaciteit voor een bepaalde hoofdeigenschap, per opslagplaats lager is dan de ondergrens vermeld in klasse 3 van de overeenkomstige indelingsrubriek; 3° de opslagplaatsen bedoeld in rubriek 17.4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51717\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De nodige maatregelen (bv. aarding) dienen getroffen te worden om de vorming van gevaarlijke elektrostatische ladingen te voorkomen bij de opslag en behandeling van ontplofbare, zeer licht en licht ontvlambare en ontvlambare producten. § 2. De verwarming van de lokalen waar gevaarlijke producten worden opgeslagen, mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen. § 3. In de lokalen waar gevaarlijke producten worden opgeslagen : 1° mogen geen werkzaamheden worden verricht die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken, tenzij voor onderhouds- en/of herstellingswerken op voorwaarde dat hiervoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen en mits schriftelijke instructies opgesteld en/of geviseerd door het diensthoofd Preventie en Bescherming of door de exploitant;2° is het verboden te roken;dit rookverbod dient in goed leesbare letters of met reglementaire pictogrammen op de buitenwand van de toegangsdeuren en binnen de lokalen aangeplakt te worden; de verplichting tot het aanbrengen van het voorgeschreven pictogram \"rookverbod\" is niet van toepassing wanneer dit pictogram is aangebracht bij de ingang van het bedrijf en wanneer dit vuur- en rookverbod geldt voor het hele bedrijf; 3° dienen de schoorstenen en lozingskanalen van de opgezogen dampen en uitwasemingen van onbrandbare of zelfdovende materialen te zijn. § 4 Het is verboden : 1° te roken, vuur te maken of brandbare stoffen op te slaan boven of nabij de houders, bij de pompen, de leidingen, de verdeelzuilen, de vulplaatsen en de losplaats voor de tankwagen binnen de grenzen van de gezoneerde plaatsen zoals weergegeven in het zoneringsplan, bepaald volgens het Algemeen Reglement op de elektrische installaties;2° op de plaatsen niet toegankelijk voor het publiek, schoenen of klederen te dragen die aanleiding tot vonkoverslag kunnen geven.3° ontvlambare producten op te slaan op iedere plaats binnen de inrichting waar de temperatuur 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong § 5.De verbodsbepalingen, vermeld in § 4, dienen verduidelijkt te worden aan de hand van veiligheidspictogrammen overeenkomstig de Codex over het Welzijn op het Werk, voorzover zij beschikbaar zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51718\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de andere wettelijke of reglementaire bepalingen ter zake treft de exploitant de vereiste maatregelen om de buurt in voldoende mate te beschermen tegen de risico's van brand en ontploffing Dit houdt ondermeer in dat er in de nodige brandbestrijdingsmiddelen dient voorzien te worden. Het bepalen en het aanbrengen van de brandbestrijdingsmiddelen gebeurt onafhankelijk van de milieuvergunning in overleg met de bevoegde brandweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De brandbestrijdingsmiddelen dienen in goede staat van onderhoud te verkeren, beschermd te zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. De brandbestrijdingsmiddelen moeten onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht. § 2. In de inrichting dienen in overleg met de bevoegde brandweer de nodige voorzieningen aanwezig te zijn om het wegvloeien van met gevaarlijke producten verontreinigd bluswater naar bodem, openbare riool, oppervlakte- of grondwater te voorkomen. Het opgevangen verontreinigd bluswater dient op een aangepaste manier verwijderd te worden. De bepaling van de opvangcapaciteit voor verontreinigd bluswater dient te gebeuren in overleg met de bevoegde brandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51719\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De elektrische installaties, toestellen en verlichtingstoestellen dienen te beantwoorden aan de voorschriften van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming of van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties, in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan. § 2. Onverminderd de reglementaire bepalingen dienen de elektrische installaties in zones waar gevaar bestaat voor brand en ontploffing door de toevallige aanwezigheid van een ontplofbaar mengsel, ontworpen en uitgevoerd te worden volgens de vereisten van een zoneringsplan. § 3. Voor installaties waarop het Algemeen Reglement op de elektrische installaties nog niet van toepassing is, geschiedt de zone-indeling overeenkomstig de bepalingen van artikel 105 van dit Algemeen Reglement</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Houders, bestemd voor de opslag van zeer giftige, giftige, schadelijke of corrosieve vloeistoffen die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C, moeten voorzien zijn van een doeltreffend systeem, zoals een dampterugvoersysteem, een vlottend dak, of een gelijkwaardig systeem, zodat zowel bij de opslag als bij de behandeling luchtverontreiniging tot een minimum wordt beperkt. § 2. Bij het laden en lossen van opslaghouders en/of bevoorradende tankwagens, tankwagons of tankschepen met de in § 1 bedoelde vloeistoffen, dient luchtverontreiniging tot een minimum te worden beperkt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de verplichtingen uit artikel 7 van Titel I van het Vlarem dient de exploitant van een in klasse 1 ingedeelde inrichting, een register of een alternatieve informatiedrager bij te houden waarin, per hoofdeigenschap, ten minste de aard en hoeveelheden van de opgeslagen gevaarlijke producten worden vermeld Deze gegevens dienen zo opgeslagen te worden dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden gevaarlijke producten te bepalen. § 2. Het in § 1 bedoelde register of de alternatieve informatiedrager wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar en dit gedurende een periode van ten minste 1 maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517112\"><span class=\"lf-art-num\">Art 5.17.1.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De personen tewerkgesteld in de inrichting dienen op de hoogte te zijn van de aard en de gevaaraspecten van de opgeslagen gevaarlijke producten en van de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden De exploitant moet kunnen aantonen dat hij hiertoe de nodige en actuele instructies heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste éénmaal per jaar dienen deze instructies door de exploitant geëvalueerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, moeten vaste producten, die gevaarlijk zijn omwille van de concentratie aan uitloogbare stoffen van bijlage 2B en/of van bijlage 7 van Titel I van het Vlarem, worden opgeslagen op een vloeistofdichte ondergrond, voorzien van een opvangsysteem voor het mogelijk verontreinigd hemelwater Zeer giftige en giftige producten, voor zelfontbranding vatbare producten, producten die met water brandbare gassen ontwikkelen en ontplofbare producten dienen opgeslagen te worden in een lokaal of onder een afdak op een ondoordringbare vloer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval dienen de nodige maatregelen getroffen te worden om te beletten dat het product in de openbare riolering, een grondwaterlaag of een oppervlaktewater terecht komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517114\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.14</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Er dienen maatregelen getroffen te worden om een effectief toezicht over de verschillende lokalen en opslagplaatsen van de inrichting te verzekeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf een totale opslagcapaciteit in de inrichting van 1 miljoen liter P1- en P2-producten, dient het toezicht voortdurend uitgevoerd te worden door speciale bewakers of een permanent bewakingssysteem, uitgerust met een doeltreffende rook-, gas- of vlamdetectie die een alarm geeft bij een permanent bemande bewakingsdienst, in overleg met de bevoegde brandweer en een deskundige, erkend voor de discipline externe veiligheid en risico's voor zware ongevallen. § 2. De gebouwen, houders, indijkingen, toestellen, enz., dienen in volmaakte staat van onderhoud behouden. Elke gebrekkigheid die de bescherming van mens en milieu in het gedrang brengt, moet onverwijld worden verholpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517115\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Vooraleer aan een houder die P1- en/of P2-producten heeft bevat herstellingen of inwendige onderzoeken uit te voeren, dient de inrichting te beschikken over een door de exploitant of het diensthoofd Preventie en Bescherming geviseerde procedure om dergelijke werkzaamheden uit te voeren. De procedure moet inhouden dat de houder moet worden gereinigd volgens een reinigingsmethode die zowel op gebied van brand- en explosiebeveiliging, als op gebied van milieubescherming voldoende waarborgen biedt. § 2. In de werkplaats voor herstelling van houders voor P1- en/of P2-producten mogen geen P1- en/of P2-producten opgeslagen worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het aftappen van P1- en/of P2-producten in verplaatsbare recipiënten dient te geschieden hetzij in open lucht, hetzij in een goed geventileerd lokaal opgetrokken uit niet-brandbare materialen. De nodige maatregelen moeten worden getroffen om gevaarlijke elektrostatische ladingen bij het aftappen te voorkomen Deze plaats of dit lokaal zijn voorzien van pictogrammen volgens het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming die wijzen op het brandgevaar. § 2. De vloer van het lokaal, bedoeld in § 1, moet vloeistofdicht en niet-brandbaar zijn en derwijze uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden. De bedoelde opvanginrichting mag op geen enkele wijze, noch onrechtstreeks noch rechtstreeks, in verbinding staan met een openbare riolering, een oppervlaktewater, een verzamelbekken voor oppervlaktewater, een gracht of een grondwaterlaag. § 3. Wanneer de P1- en/of P2-producten in bovengrondse houders zijn opgeslagen dient het vullen van de verplaatsbare recipiënten te geschieden op een geschikte vulplaats gelegen op ten minste 10 meter van de houders of volledig buiten de inkuiping. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behandelen van de P1- en/of P2-producten moet derwijze geschieden dat het morsen van de vloeistoffen op de vloer vermeden wordt. § 5. De P1- en/of P2-producten moeten worden opgeslagen in gesloten recipiënten die alle dichtheidswaarborgen bieden. Deze dichtheid dient daarenboven onmiddellijk na het vullen gecontroleerd te worden. Defect bevonden recipiënten moeten onmiddellijk worden geledigd en uit het lokaal, waar het vullen geschiedt, verwijderd worden. § 6. In de milieuvergunning kan de maximumhoeveelheid P1- en/of P2-producten (aantal verplaatsbare recipiënten, enz.) die mag voorhanden zijn in de lokalen waar het vullen van de verplaatsbare recipiënten geschiedt, worden beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het vullen van de vaste houders en tankwagens gelden de volgende regels : 1° de nodige maatregelen moeten worden getroffen om het morsen van vloeistoffen en verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen;2° de soepele slang die dient voor het bevoorraden moet door een toestel met schroefkoppeling of een gelijkwaardig systeem met de opening van de houder of van de kanalisatie worden verbonden;3° elke vulverrichting moet gebeuren onder het toezicht van de exploitant of zijn aangestelde;dit toezicht moet derwijze worden georganiseerd dat de vuloperatie kan gecontroleerd worden en in geval van een incident onverwijld kan worden ingegrepen. 4° om overvulling te voorkomen moet bij de vaste houders een overvulbeveiliging worden voorzien, zijnde : a) ofwel een waarschuwingssysteem, waarbij een akoestisch signaal, dat steeds op de vulplaats hoorbaar moet zijn voor de leverancier en deze verwittigt zodra de te vullen houder voor 95 % is gevuld;dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn; b) ofwel een beveiligingssysteem, waarbij de vloeistoftoevoer automatisch wordt afgesloten zodra de te vullen houder voor maximum 98 % is gevuld;dit systeem kan zowel mechanisch als elektronisch zijn; bij opslagplaatsen deel uitmakend van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen moet het beveiligingssysteem, vermeld in b), worden voorzien; 5° elke houder moet worden voorzien van een mogelijkheid tot peilmeting;6° de standplaats van de tankwagen, de zones waar de vulmonden van de vulleidingen gegroepeerd zijn en de vulzones bij de verdeelinstallatie moeten zich steeds op het terrein van de inrichting bevinden en moeten : a) voldoende draagkrachtig en vloeistofdicht zijn;b) voorzien zijn van de nodige hellingen en eventueel opstaande randen, zodat alle gemorste vloeistoffen afvloeien naar een opvangsysteem;de verwijdering van de opgevangen vloeistoffen gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen, inzonderheid inzake de verwijdering van afvalstoffen; voor P1- en/of P2-producten moeten deze standplaats en deze zones zich steeds in open lucht of onder een luifel bevinden; onder de voormelde standplaats en zones mogen geen groeven, kruipkelders of lokalen worden ingericht; in geval van weegbruggen worden doeltreffende voorzieningen aangebracht om de verspreiding van lekken te begrenzen en om explosiegevaar te voorkomen; de bepalingen van dit punt zijn niet van toepassing voor opslagplaatsen uitsluitend bestemd voor de verwarming van gebouwen. 7° tijdens het vullen met P1- of P2-producten moeten maatregelen getroffen tot het afvoeren van statische elektriciteit;de elektrische verbinding tussen de tankwagen en de houder dient tot stand gebracht alvorens de vuloperatie wordt aangevangen en mag slechts worden verbroken nadat de vulslang na het vullen is afgekoppeld; 8° afdoende maatregelen dienen getroffen voor het handhaven van de opslag bij atmosferische druk; het ondergronds verluchtings- en dampterugvoerleidingwerk dient aan dezelfde eisen te voldoen als het overige leidingwerk; het bovengronds geïnstalleerd verluchtingsleidingwerk dient bovendien mechanisch voldoende sterk te zijn; 9° het is verboden een houder te vullen met een andere vloeistof dan deze waarvoor de houder is ontworpen, tenzij na onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige is bewezen dat hij hiervoor geschikt is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De overvulbeveiliging zoals beschreven in bijlage 5.17.7 moet worden vervaardigd overeenkomstig een code van goede praktijk, aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen De controle op de bouw moet worden uitgevoerd overeenkomstig de gekozen code van goede praktijk, door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle op de bouw voor in serie vervaardigde overvulbeveiligingen mag worden beperkt tot één prototypekeuring. De prototypekeuring moet worden uitgevoerd volgens bijlage 5.17.7 door een voormelde milieudeskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van de keuring vermeldt de uitgevoerde controles en dient ondertekend te worden door voormelde deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant moet voor elke overvulbeveiliging beschikken over een door de constructeur ondertekend attest. Dit attest moet het nummer van het prototype- keuringsattest vermelden en ook de milieudeskundige (en zijn erkenningsnummer) die het keuringsattest heeft afgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens bevestigt de constructeur in het attest dat de overvulbeveiliging gebouwd en gecontroleerd werd overeenkomstig de bepalingen van titel II van het VLAREM. Art. 5.17.1.19. § 1. Organische peroxiden die zeer heftig thermisch kunnen exploderen en/of kunnen detoneren dienen in de inrichting bewaard te worden op een temperatuur lager dan de op basis van de aard van de stof uit veiligheidsoogpunt toelaatbare maximumtemperatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze maximumtemperatuur bedraagt voor : 1° acetylcyclohexaansulfonylperoxide : - 10 °C;2° barnsteenzuurperoxide : + 10 °C;3° ter-butylperoxyisopropylcarbonaat : kamertemperatuur;4° ter-butylperoxypivalaat : - 10 °C;5° dibenzoylperoxide : kamertemperatuur;6° dicyclohexyperoxidicarbonaat : + 5 °C;7° diïsopropylperoxidicarbonaat : - 15 °C. § 2. De peroxiden die uit veiligheidsoogpunt op een temperatuur lager dan de kamertemperatuur in de inrichting moeten worden bewaard, moeten worden opgeslagen in : 1° ofwel koel- of diepvrieskasten opgesteld in het fabricatiegebouw, in welk geval per kast een hoeveelheid van maximum 30 kg niet-gekoelde organische peroxiden mag worden bewaard;2° ofwel koel- of diepvrieskasten opgesteld in een vrijstaand opslaggebouw waarin uitsluitend bedoelde peroxide worden opgeslagen, in welk geval per kast een hoeveelheid van maximum 150 kg niet-gekoelde organische peroxiden mag worden bewaard;3° ofwel in een vrijstaand uitsluitend daartoe bestemd koelgebouw, in welk geval, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, in één koelgebouw een hoeveelheid van maximum 500 kg niet-gekoelde organische peroxiden mag worden bewaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517120\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant dient aangaande de door dit hoofdstuk voorgeschreven bouwbewijzen, keuringen en beproevingen te beschikken over attesten waarin de gebruikte codes van goede praktijk, de uitgevoerde controles en de relevante vaststellingen duidelijk vermeld zijn. Hij houdt de bedoelde attesten steeds ter beschikking van de toezichthoudende ambtenaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517121\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.1.21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk moet het transport, de plaatsing en de aansluiting van houders gebeuren volgens de geldende Belgische of Europese normen. Afdeling 5.17.2. - Opslag van gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse houders Art. 5.17.2.1. § 1. De vereiste maatregelen dienen getroffen te worden om de houders maximaal tegen mechanische beschadiging en corrosie te beschermen. § 2. Het is verboden houders bestemd voor de opslag van P1- en/of P2-producten rechtstreeks onder een gebouw te plaatsen of onder de vertikale projectie ervan. Een luifel wordt niet als een gebouw beschouwd. § 3. De afstand tussen de houder en de grenzen van de percelen van derden dient ten minste 3 meter te bedragen. De afstand tussen de houder en de kelderruimte van eigen bedrijfsgebouwen, dient tenminste 2 m te bedragen. De afstand tussen de houder en de muur van eigen bedrijfsgebouwen dient tenminste 0,75 m te bedragen. De onderlinge afstand tussen de houders dient tenminste 0,5 m te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen de houder voor P3- en/of P4-producten die geen deel uitmaken van een verdeelinstallatie, en de grenzen van de percelen van derden dient tenminste 1m te bedragen. § 4. Bij gevaar voor overstroming of hoge waterstand dienen de nodige voorzieningen te worden aangebracht om te beletten dat de ledige houders zouden worden opgelicht. § 5. Onverminderd de voorschriften van deze afdeling dienen de opslagplaatsen voor benzine en de bijbehorende installaties te voldoen aan de bepalingen van afdeling 5.17.4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51722\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op een duidelijk zichtbare en goed bereikbare plaats bij de houder, dient een kenplaat aangebracht overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.17.2. § 2. Nabij de vulopening en nabij het mangat dienen de volgende aanduidingen aangebracht : 1° het nummer van de houder;2° de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen vloeistof;3° de gevaarsymbolen;4° het waterinhoudsvermogen van de houder. De aanduidingen moeten duidelijk leesbaar zijn De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op opslagplaatsen voor P3- en/of P4- producten die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51723\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De ontluchtingsleiding dient uit te monden in de open lucht op ten minste 3 meter hoogte boven het maaiveld en op minstens 3 meter van elke opening in een lokaal en de grenzen van de percelen van derden De plaatsing van de monding van ontluchtingspijpen onder constructiegedeelten, zoals bv. dakoversteken, is verboden. § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de ontluchtingsleidingen behorende bij opslagplaatsen van P3- en/of P4-producten die geen deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen. Voor deze opslagplaatsen dient er voor gezorgd dat door de plaatsing en de hoogte waarop de ontluchtingsleidingen uitmonden de buurt niet overdreven gehinderd wordt, meer in het bijzonder ten gevolge van het vullen van de houders § 3. Voor de opslag van P1- en/of P2- producten dient het luchttoevoer- en het luchtafvoersysteem afgesloten met een toestel dat vlamoverslag belet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51724\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De opslag in rechtstreeks in de grond ingegraven houders is enkel toegelaten in : 1° dubbelwandige metalen houders die vervaardigd zijn volgens de bepalingen van bijlage 5.17.2; 2° houders uit gewapende thermohardende kunststoffen die vervaardigd zijn volgens de bepalingen van bijlage 5.17.2; 3° houders uit roestvrij staal die vervaardigd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk die aanvaard is door een milieudeskundige, erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige;4° een opslagsysteem dat naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen biedt als voormelde houders; dit opslagsysteem moet worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar; een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieuvergunningen. § 2 Alle houders dienen uitgerust te zijn met een permanent lekdetectiesysteem. Deze verplichting geldt niet voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen of uit roestvrij staal die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individueel waterinhoudsvermogen minder dan 5.000 l bedraagt, of minder dan 10.000 l indien deze houders bestemd zijn voor de opslag van P3- en/of P4-producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lekdetectiesysteem dient een lek te detecteren binnen een interstitiële ruimte gevormd, hetzij door een bijkomende, vaste of flexibele vloeistofdichte binnen- of buitenmantel, hetzij door een vloeistofdichte bekleding van de wanden en de bodem van de uitgraving en dient te beantwoorden aan de overeenkomstige bepalingen van bijlage 5.17.3. § 3. Vóór de plaatsing van een metalen houder met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 5.000 l, of voor de opslag van P3- en/of P4- producten vanaf 10.000 l, en de erbij horende leidingen : 1° binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I of II, of 2° in de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen kunnen aanwezig zijn, dient de corrosiviteit van de bodem en van de opvulgrond bepaald en gecategoriseerd te worden door een milieudeskundige erkend in de discipline bodemcorrosie, volgens de werkwijzen vermeld in bijlage 5.17.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt de corrosiviteit van de grond op het diepste punt van de plaats waar de metalen houder komt te liggen, of de opvulgrond, gecategoriseerd als \"weinig corrosief\", \"matig corrosief\", \"corrosief\" of \"sterk corrosief\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van de corrosiviteit mag niet geschieden onder extreme omstandigheden van droogte of bij vorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de bepalingen van deze paragraaf mag afgezien worden wanneer de corrosiviteit van de bodem en opvulgrond reeds werd bepaald tijdens de laatste vijf jaar of wanneer zonder voorafgaand bodemcorrosiviteitsonderzoek kathodische bescherming wordt aangebracht. Het aanbrengen van deze kathodische bescherming dient te gebeuren onder toezicht van een milieudeskundige erkend in de discipline bodemcorrosie. § 4. Kathodische bescherming : 1° indien het resultaat van het onderzoek, vermeld in § 3, \"corrosief\" of \"sterk corrosief\" is, moet kathodische bescherming worden aangebracht;2° indien het resultaat van het onderzoek, vermeld in § 3, 'matig corrosief' is, mag er in eerste instantie voor geopteerd worden geen kathodische bescherming te plaatsen.In dit geval dient een corrosiemonitoring aan de hand van een permanente of periodieke potentiaalmeting uitgevoerd te worden; bij een potentiaalmeting meer positief dan -500 mV ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie-elektrode, wijzend op mogelijke corrosie of zwerfstromen, dient kathodische bescherming aangebracht te worden; 3° indien het resultaat van het in § 3 vermelde onderzoek 'weinig corrosief\" is en de houder is adequaat bekleed, is kathodische bescherming niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kathodische bescherming moet het gehele oppervlak van de houder, met inbegrip van de metalen leidingen (indien nodig), op een potentiaal brengen van -850 mV of een grotere negatieve waarde gemeten ten opzichte van een Cu/CuSO4 referentie- elektrode. In anaërobe gronden moet deze potentiaal ten minste -950 mV bedragen. § 5. De houders dienen met een ten minste 50 cm dikke laag aard e, zand of een ander aangepast inert materiaal bedekt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dienen maatregelen getroffen te worden om de doorgang van voertuigen of het opslaan van vrachten boven de houders te beletten, tenzij deze door een niet-brandbare en voldoende weerstand biedende vloer worden beschut.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51725\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De opslag in houders geplaatst in een groeve is enkel toegelaten in : 1° enkel- of dubbelwandige metalen houders die vervaardigd zijn volgens de bepalingen van bijlage 5.17.2; 2° houders uit gewapende thermohardende kunststoffen die vervaardigd zijn volgens de bepalingen van bijlage 5.17.2; 3° houders uit roestvrij staal die vervaardigd zijn overeenkomstig een code van goede praktijk die aanvaard is door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige;4° een opslagsysteem dat naar voorkoming van bodem- en/of grondwaterverontreiniging toe dezelfde waarborgen biedt als voormelde houders;dit opslagsysteem moet worden aanvaard door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen; een attest van deze aanvaarding wordt opgesteld en ondertekend door de voormelde milieudeskundige; dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar; een kopie van het attest wordt door de exploitant bezorgd aan de afdeling Milieuvergunningen. § 2 Alle houders moeten worden uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem. Deze verplichting geldt niet voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen of uit roestvrij staal die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone en waarvan het individuele waterinhoudsvermogen minder dan 5.000 l bedraagt, of minder dan 10.000 l indien deze houders bestemd zijn voor de opslag van P3- en/of P4-producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lekdetectiesysteem moet beantwoorden aan de bepalingen van bijlage 5.17.3. § 3. De groeve moet worden gebouwd volgens de bepalingen van bijlage 5.17.6. De wanden mogen niet raken aan gemeenschappelijke eigendomsmuren. § 4. In het laagste punt van de groeve moeten de nodige voorzieningen worden aangebracht om eventuele lekvloeistof of water te kunnen vaststellen en verwijderen. § 5. Het is verboden aan de groeve een andere bestemming te geven dan die voor de opslagruimte van de houders. Enkel de leidingen vereist voor de exploitatie van de erin geplaatste houders mogen doorheen de groeve worden gevoerd. § 6. Wanneer de houder een inhoud heeft die groter is dan 2.000 l dient er rondom de houder een vrije ruimte te zijn van ten minste 50 cm breed om het onderzoek van de houder mogelijk te maken. § 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning is de opvulling van de groeve verplicht voor de opslag van P1- en/of P2-producten Indien de groeve wordt opgevuld, moet er tussen de houder en de wand van de groeve een minimale afstand van 30 cm zijn en dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van bijlage 5.17.6. bij dit besluit. § 8. Er dienen maatregelen getroffen te worden om de doorgang van voertuigen of het opslaan van vrachten boven de groeve te beletten, tenzij deze door een niet-brandbare en voldoende weerstand biedende vloer worden beschut. § 9. Een prefabconstructie, bestaande uit een betonnen cilindrische houder waarin een enkelwandige metalen houder is geplaatst, is enkel toegelaten voor de opslag van P3- en/of P4-producten bestemd voor de verwarming van gebouwen met een waterinhoudsvermogen van max. 5.300 l en mits de metalen houder en de prefab betonnen cilindrische houder worden gebouwd volgens een door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige aanvaard prototype.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51726\"><span class=\"lf-art-num\">Art.5.17.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De controle op de bouw dient te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.17.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De controle van afzonderlijk gebouwde houders wordt uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, of door een bevoegd deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot één prototype. De prototypekeuring wordt uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen waarvan de erkenning toelaat prototypekeuringen uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van deze keuring vermeldt de uitgevoerde controles en dient ondertekend te worden door voormelde deskundige. § 2. De exploitant dient voor elke houder te beschikken over een door de constructeur ondertekende \"verklaring van conformiteit van de houder\", opgemaakt overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houders dienen te zijn voorzien van de door de constructeur aangebrachte kenplaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51727\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vóór het plaatsen van de houder, hetzij rechtstreeks in de grond, hetzij in een groeve, dient gecontroleerd of de houder en in voorkomend geval ook de groeve beantwoorden aan de voorschriften van dit reglement Na de installatie maar vóór de ingebruikname van de houder, dient gecontroleerd te worden of de houder, de leidingen en de toebehoren, het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling, het lekdetectiesysteem en, in voorkomend geval, de kathodische bescherming en de aanwezige voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie, voldoen aan de voorschriften van dit reglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermelde controles dienen uitgevoerd te worden onder toezicht van een milieudeskundige erkend in de dicipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4-producten, bestemd voor de verwarming van gebouwen van een erkend technicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle van de eventuele kathodische bescherming dient te gebeuren in samenwerking met een milieudeskundige erkend in de discipline bodemcorrosie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51728\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Ten minste om het jaar voor de houders gelegen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones en om de twee jaar voor de houders gelegen in de andere gebieden wordt de installatie onderworpen aan een beperkt onderzoek, omvattende indien relevant : 1° de inzage van het vorig rapport of attest;2° de controle op de goede staat van de overvulbeveiliging; 3° de controle op de aanwezigheid van water en slib in de enkelwandige houder voor vloeibare brandstoffen (bijlage 5.17.4.); 4° een onderzoek naar zichtbare of organoleptisch waarneembare verontreiniging aan de oppervlakte buiten de houder (bijlage 5.17.4.); 5° een onderzoek van de staat van de uitwendige zichtbare delen van de houder, de afsluiters, leidingen, pompen, e.a.; 6° de controle op de doeltreffendheid van de eventuele aanwezige kathodische bescherming of corrosiemonitoring,;7° de controle op de doeltreffendheid van het lekdetectiesysteem;8° de controle op de doeltreffendheid van de voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie; § 2 Behalve voor houders uit gewapende thermohardende kunststoffen dient ten minste om de 10 jaar, voor de houders gelegen in de waterwingebieden en de beschermingszones, en om de 15 jaar voor de houders gelegen in de andere gebieden, de installatie onderworpen aan een algemeen onderzoek, omvattende : 1° het beperkt onderzoek zoals bepaald in § 1;2° de staat van de binnenwand bij een vastgestelde belangrijke aanwezigheid van water of slib;indien een inwendige inspectie vereist is wordt de houder inwendig gereinigd; voorzover technisch mogelijk, worden de binnenwand en de inwendige delen van de houder onderzocht en wordt waar nodig een niet-destructief onderzoek uitgevoerd om de wanddikte van de houder te bepalen; 3° de staat van de buitenbekleding, voorzover technisch mogelijk en zonder dat de houder daarvoor dient blootgelegd; 4° in voorkomend geval, met name de situatie als beschreven in artikel 5.17.2.4, § 3, de detectie van eventueel optredende corrosie aan de hand van een potentiaalmeting en een meting van de corrosiviteit van de aanpalende bodem; 5° een dichtheidsbeproeving op rechtstreeks in de grond ingegraven enkelwandige houders bij een overdruk van minstens 30 kPa gedurende minimum 1 uur of bij een onderdruk van hoogstens 30 kPa;beproeving bij een overdruk van meer dan 30 kPa mag enkel geschieden indien de houders daartoe volledig worden gevuld met water; niet toegankelijke enkelwandige leidingen moeten worden beproefd bij een overdruk van tenminste 30 kPa gedurende 1 uur; een gelijkwaardige dichtheidsbeproeving, uitgevoerd overeenkomstig een door de afdeling Milieuvergunningen aanvaarde code van goede praktijk, is eveneens toegelaten. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periodieke onderzoeken, bedoeld in § 1 en § 2, moeten worden uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor opslagplaatsen van P3- en/of P4- producten bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkend technicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle met betrekking tot corrosie en kathodische bescherming dient te gebeuren in samenwerking met een milieudeskundige erkend in de discipline bodemcorrosie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51729\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de in artikel 5.17.2.7 bedoelde controle bij de plaatsing en/of de in artikel 5.17.2.8 bedoelde periodieke onderzoeken stellen de deskundigen of de erkend technicus een attest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit reglement. Voormeld conformiteitsattest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkend technicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd Zij brengen op de vulleiding een duidelijk zichtbare en leesbare klever of plaat aan, waarop zijn erkenningsnummer, het jaartal en de maand van de controle bij de plaatsing en het laatste uitgevoerde onderzoek vermeld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klever of plaat dient volgende kleur te hebben : 1° groen, wanneer de houder en de installatie voldoen aan de bepalingen van dit reglement;2° oranje, wanneer de houder en de installatie niet voldoen aan de bepalingen van dit reglement doch de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder;3° rood, wanneer de houder en de installatie niet voldoen aan de bepalingen van dit reglement en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder. Art. 5.17.2.10. Alleen houders waarvan de vulleiding voorzien is van een groene klever of plaat, bedoeld in artikel 5.17.2.9, mogen worden gevuld, bijgevuld en geëxploiteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een oranje klever of plaat, bedoeld in artikel 5.17.2.9, mogen nog worden gevuld of bijgevuld tijdens een overgangsperiode van maximum 6 maanden die ingaat de eerste van de maand volgend op de maand vermeld op de bedoelde oranje klever of plaat. In dit geval dient een nieuwe controle uitgevoerd vóór het verstrijken van voormelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een rode klever of plaat, bedoeld in artikel 5.17.2.9, mogen in geen enkel geval nog gevuld of bijgevuld worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517211\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als bestaande houders voor de opslag van P1-, P2-, P3 of P4-producten worden beschouwd : 1° houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 januari 1993 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid;2° houders die op 1 september 1991 reeds in gebruik waren genomen en niet in toepassing van titel I van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming als gevaarlijk, ongezond of hinderlijke inrichting waren ingedeeld;3° houders waarvoor vóór 1 juli 1993 de melding is geschied overeenkomstig de bepalingen van titel I van het VLAREM. Deze houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning. § 2. Als bestaande houders voor de opslag van andere dan P1-, P2-, P3 of P4-producten worden beschouwd de houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 augustus 1995 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid Deze houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning. § 3. De afstands- en verbodsregels alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen en het vulpunt zijn niet van toepassing op bestaande houders. § 4. Het algemeen onderzoek als bedoeld in artikel 5.17.2.8, § 2 dient een eerste maal uitgevoerd te worden uiterlijk op de data vemeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard van de opgeslagen vloeistof en de klasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in werking worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dezelfde data dient een corrosiviteitsonderzoek overeenkomstig artikel 5.17.2.4, § 3, uitgevoerd op de volgende ingegraven metalen houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 5.000 l of voor de opslag van P3-en/of P4-producten vanaf 10.000 l evenals de erbij horende leidingen : 1° enkelwandige houders;2° dubbelwandige houders binnen een waterwingebied of een beschermingszone type I en II;3° dubbelwandige houders binnen de omgeving van elektrische geleiders waar belangrijke zwerfstromen aanwezig kunnen zijn. Vanaf de datum van het eerste algemeen onderzoek moeten de periodieke onderzoeken worden uitgevoerd volgens de bepalingen van artikel 5.17.2.8. en 5.17.2.9. § 5. Onverminderd de in de milieuvergunning opgelegde bijzondere voorwaarden moeten de houders uiterlijk op de data vermeld in onderstaande tabel voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk inzake : 1° het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling;2° de lekdetectie;3° de kathodische bescherming. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 6. Bij vervanging van de in § 1 of § 2 bedoelde houders dient de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit reglement te voldoen, behalve voor wat betreft de afstandsregels. § 7. Voor de opslagplaatsen die deel uitmaken van een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen kan afgeweken worden van de bepalingen van § 5 volgens de bepalingen van artikel 5.53.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517212\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.2.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien lekken worden vastgesteld treft de exploitant alle nodige maatregelen om explosiegevaar te voorkomen en verdere bodem- en grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken. § 2. Na vakkundige herstelling mag de houder slechts terug in gebruik worden genomen mits deze een geslaagde dichtheidsbeproeving zoals bepaald in artikel 5.17.2.8 heeft ondergaan. § 3. Bij definitieve buitengebruikstelling van houders, al dan niet omwille van lekken, dient de houder geledigd, gereinigd en binnen een termijn van 36 maanden verwijderd te worden onverminderd de bepalingen van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten Bij materiële onmogelijkheid tot verwijderen, dient binnen dezelfde termijn, in overleg met een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, met een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4 producten bestemd voor de verwarming van gebouwen met een erkend technicus, de houder geledigd, gereinigd en gevuld te worden met zand, schuim of een gelijkwaardig inert materiaal. Hierbij dienen de nodige maatregelen inzake explosiebeveiliging en voorkoming van grondwaterverontreiniging getroffen te worden. § 4. Vloeistoflekken die aanleiding hebben gegeven tot bodemverontreiniging of tot verspreiding in de riolering, de oppervlaktewateren, de grondwaters of op naburige eigendommen dienen onmiddellijk door de exploitant aangegeven te worden aan de afdeling Milieu-inspectie, aan de Gouverneur van de Provincie en aan de Burgemeester. Afdeling 5.17.3. - Opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders Art. 5.17.3.1. § 1. De houders dienen in of boven een inkuiping geplaatst te worden teneinde brandverspreiding, bodem- en/of grondwaterverontreiniging te voorkomen. Gelijkwaardige opvangsystemen kunnen in de milieuvergunning worden toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem dienen niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden. § 2. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning is de opslag van P1- en/of P2-producten in vaste houders in kelders of bovengrondse lokalen verboden. Het is verboden opslagplaatsen voor P1- en/of P2-producten in verplaatsbare recipiënten aan te leggen in kelderverdiepingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51732\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De vaste houders moeten worden gebouwd volgens de bepalingen van bijlage 5.17.2. § 2. Alle metalen gedeelten van de houders, bestemd voor de opslag van P1- en/of P2-producten, het vlottend dak van de houders inbegrepen, dienen op equipotentiaal gebracht te worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51733\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1 De controle op de bouw van vaste houders moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.17.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De controle van afzonderlijk gebouwde houders dient uitgevoerd te worden door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle van in serie gebouwde houders mag beperkt worden tot één prototype; de prototypekeuring wordt uitgevoerd door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen waarvan de erkenning toelaat prototypekeuringen uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van deze keuring vermeldt de uitgevoerde controles en dient ondertekend te worden door voormelde deskundige. § 2. De exploitant dient voor elke houder te beschikken over een door de constructeur ondertekende \"verklaring van conformiteit van de houder\", opgemaakt overeenkomstig het modelformulier in bijlage 5.17.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houders moeten zijn voorzien van de door de constructeur aangebrachte kenplaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51734\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vóór het plaatsen van de vaste houder dient gecontroleerd of de houder en/of de funderingen beantwoorden aan de voorschriften van dit reglement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de installatie, maar vóór de in gebruikname van de houder, dient gecontroleerd te worden of de houder, de leidingen en de toebehoren, het waarschuwings- of beveiligingssysteem tegen overvulling, de inkuiping en de brandbestrijdingsmiddelen en in voorkomend geval, het lekdetectiesysteem en de aanwezige voorzieningen ten behoeve van damprecuperatie voldoen aan de voorschriften van dit reglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermelde controles dienen uitgevoerd te worden onder toezicht van een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4-producten, bestemd voor de verwarming van gebouwen, van een erkend technicus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51735\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op de vaste houder dient op een zichtbare en goed bereikbare plaats een kenplaat aangebracht, overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.17.2. § 2. Nabij de vulopening en op een goed zichtbare plaats op de vaste houder worden de volgende aanduidingen duidelijk leesbaar aangebracht : 1° het nummer van de houder;2° de naam of de codenummers of -letters van de opgeslagen vloeistof;3° de gevaarsymbolen;4° het waterinhoudsvermogen van de houder. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op opslagplaatsen voor P3- en/of P4-producten die uitsluitend bestemd zijn voor de verwarming van gebouwen. § 3. Op verplaatsbare recipiënten dient de naam van het product met vermelding van de hoofdeigenschap aangebracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51736\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De inkuiping en de fundering voor vaste houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 10.000 l dienen gebouwd te worden volgens een code van goede praktijk onder het toezicht en volgens de richtlijnen van een architect, een burgerlijk ingenieur architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur of een industrieel ingenieur in de bouwkunde Voor in klasse 1 of 2 ingedeelde opslagplaatsen bevestigt voormelde deskundige in een attest dat hij de aangewende code van goede praktijk aanvaardt en dat deze werd nageleefd § 2. Vaste houders dienen op een steunblok of -vlak van voldoende afmetingen geplaatst te worden om te beletten dat de belasting ongelijke inzakkingen veroorzaakt, waaruit een gevaar voor kanteling of voor breuk zou kunnen ontstaan. Voor de opstelling van houders met een individueel waterinhoudsvermogen vanaf 50.000 l wordt een stabiliteitsstudie gemaakt door de in §1 vermelde deskundige. § 3. De inkuiping dient bestand te zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en dient vloeistofdicht te zijn. De inkuiping dient een voldoende sterkte te hebben om te weerstaan aan de vloeistofmassa die bij breuk uit de grootste in de inkuiping geplaatste houder kan ontsnappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vloer dient zodanig aangelegd te zijn dat de verspreiding van de lekvloeistoffen minimaal blijft en dat de lekvloeistoffen gemakkelijk kunnen worden verwijderd. § 4. In geval de inkuiping wordt gemaakt van aarden afdammingen dienen deze afdammingen te bestaan uit zeer kleiachtige, vaste en stevig verdichte aarde, waarvan de hellingen max. 4/4 en de dikte op de bovenkant minstens 50 centimeter bedragen. De vloer mag uit dezelfde materialen worden vervaardigd. De dammen moeten met gras worden bezaaid. Aan de basis mogen evenwel zorgvuldig berekende steunmuren, van maximum één meter hoogte, opgetrokken worden. § 5. Het doorvoeren van leidingen doorheen de inkuiping is enkel toegelaten als de dichtheid van de inkuiping verzekerd blijft. § 6. Indien de inkuiping breder is dan 30 meter dienen de reddingsladders of -trappen zo geplaatst te worden dat een persoon die vlucht geen grotere afstand moet afleggen dan de halve breedte van de inkuiping plus 15 meter om een reddingsladder of -trap te bereiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51737\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voor opslagplaatsen in vaste houders of verplaatsbare recipiënten gelegen binnen een waterwingebied en/of beschermingszone, dient de minimale capaciteit van de inkuiping gelijk te zijn aan het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders en/of recipiënten. § 2. Voor opslagplaatsen in vaste houders, gelegen buiten een waterwingebied en/of beschermingszone dient de minimale capaciteit van de inkuiping als volgt te worden bepaald (dubbelwandige houders uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem hoeven niet in rekening te worden gebracht) : 1° voor de opslag van P1-, P2-, zeer giftige, giftige en explosieve producten, de grootste van de volgende waarden : a) het waterinhoudsvermogen van de grootste houder, vermeerderd met 25 % van het totale waterinhoudsvermogen van de andere in de inkuiping geplaatste houders;b) de helft van het totale waterinhoudsvermogen van de erin geplaatste houders;2° voor de opslag van P3-, schadelijke, irriterende, oxiderende, corrosieve en milieugevaarlijke producten: het waterinhoudsvermogen van de grootste houder;3° voor de opslag van P4-producten en extra zware stookolie, ongeacht het vlampunt : enkel de aanwezigheid van een opstaande rand is vereist;4° voor de opslag van P1- en/of P2-producten in bovengrondse lokalen en kelders : het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders Bij opslag van producten met verschillende hoofdeigenschappen dienen de strengste voorschriften nageleefd. Hierbij dient eveneens rekening gehouden met het ontvlammingspunt. § 3. Voor de opslagplaatsen gelegen buiten een waterwingebied en/of beschermingszone van producten, andere dan P1- en/of P2-producten, in verplaatsbare recipiënten mag de capaciteit van de inkuiping worden beperkt tot 10 % van het totale waterinhoudsvermogen van de erin opgeslagen recipiënten. In ieder geval dient de capaciteit van de inkuiping minstens gelijk te zijn aan het inhoudsvermogen van het grootste recipiënt geplaatst in de inkuiping. § 4. Voor de opslagplaatsen gelegen buiten een waterwingebied en/of beschermingszone van P1- en/of P2-producten in verplaatsbare recipiënten moet de capaciteit van de inkuiping 25 % van het totale waterinhoudsvermogen van de erin opgeslagen recipiënten bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De capaciteit mag tot 10% worden teruggebracht indien, in overleg met de bevoegde brandweer, een aangepaste brandblusinstallatie is aangebracht. In ieder geval dient de capaciteit van de inkuiping minstens gelijk te zijn aan het inhoudsvermogen van het grootste recipiënt geplaatst in de inkuiping.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51738\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning bedraagt de afstand tussen de houders onderling ten minste 0,5 m en tussen de houders en de binnenwanden van de inkuiping of de onderkant van de dammen ten minste de helft van de hoogte van de houders Deze laatste verplichting vervalt : 1° bij opslag van gevaarlijke vloeistoffen in dubbelmantelhouders of houders met ringmantel of een gelijkwaardige afscherming, die er voor zorgt dat eventuele lekvloeistof binnen de inkuiping terechtkomt, of 2° bij opslag van P4-producten of extra zware stookolie, ongeacht het vlampunt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51739\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd andere bepalingen van dit reglement moeten opslagplaatsen voor P1- en/of P2-producten in verplaatsbare recipiënten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de opslag moet tegen de nadelige gevolgen van de inwerking van zonnestraling of de uitstraling van gelijk welke warmtebron worden beschermd;2° opslag van P1- en/of P2-producten samen met andere vloeistoffen is toegelaten mits deze laatste vloeistoffen het risico op of bij ongeval niet verhogen;3° opslagplaatsen in een gebouw worden gebouwd zoals voorgeschreven in artikel 52 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming;4° opslagplaatsen buiten gebouwen die speciaal worden gebouwd voor de opslag van deze vloeistoffen en die niet beantwoorden aan de bepalingen van artikel 52 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming moeten zich op ten minste 10 m afstand bevinden van elk naburig gebouw;5° de deuren van gesloten opslagplaatsen gaan open in de vluchtzin en zijn zelfsluitend;bij dubbele deuren moet 1 deur continu vergrendeld blijven; de andere deur moet zelfsluitend zijn; de deuren mogen tijdelijk geopend blijven indien dit om bedrijfstechnische redenen vereist is. In geval van brand moeten ze evenwel automatisch sluiten Het gebruik van schuifwanden is toegelaten op voorwaarde dat deze wanden, of het opslaglokaal, een of meer deuren tellen die aan bovenstaande voorschriften beantwoorden; 6° alle opslagplaatsen moeten op afdoende wijze, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig geventileerd worden. Art. 5.17.3.10. § 1. De constructie van alle ruimten voor de behandeling van gevaarlijke producten is zodanig uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen of lekvloeistoffen kunnen opgevangen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om brandverspreiding te voorkomen moet de constructie van alle ruimten voor de behandeling van P1-producten zodanig worden uitgevoerd dat accidenteel gemorste stoffen en lekvloeistoffen in een opvanginrichting terechtkomen en vervolgens via opvanggoten naar één of meerdere opvangputten geleid worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoelde opvanginrichting mag op geen enkele manier, noch onrechtstreeks noch rechtstreeks, in verbinding staan met een openbare riolering, een oppervlaktewater, een verzamelbekken voor oppervlaktewater, een gracht of een grondwaterlaag. § 2. De inhoud van een lekkende houder dient onverwijld in een andere geschikte houder overgepompt of overgeladen. Gemorste vloeistoffen dienen onverwijld geïmmobiliseerd te worden en in een speciaal daartoe bestemd vat gebracht. In de inrichting dienen de nodige interventiemiddelen, zoals absorptie- en neutralisatiemateriaal, overmaatse vaten, beschermingsmiddelen, enz., aanwezig te zijn om in geval van lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken. § 3. De opvanginrichtingen en de opvangputten moeten regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, worden geledigd. De verkregen afvalstroom moet op een aangepaste manier worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517311\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Alle nodige maatregelen dienen getroffen te worden om het hemelwater dat zich eventueel in de inkuiping bevindt regelmatig te verwijderen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens het hemelwater te verwijderen, verzekert de exploitant zich van de afwezigheid van het opgeslagen product in het water. Ingeval het water opgeslagen producten bevat, treft hij alle maatregelen om verontreiniging van bodem, grond- of oppervlaktewater te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517312\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In de omgeving van tankenparken gelegen binnen een waterwingebied en/of een beschermingszone dienen op oordeelkundige wijze, in overleg met de lokale waterbedelingsmaatschappij of een milieudeskundige erkend in de disciplines grondwater of bodem, waarnemingsbuizen (peilputten) aangebracht te worden overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.17.3. aangaande de detectie van lekken onder gas- of vloeistofvorm buiten de opslaghouder De waarnemingsbuizen (peilputten) bestaan uit een materiaal dat door de opgeslagen vloeistoffen niet kan worden aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbuizing is over de volledige lengte uitgevoerd als filterbuis; ze heeft een inwendige diameter van minimum 5 cm, reikt minimaal 1 m dieper dan het laagste niveau van de freatische grondwatertafel en is van boven afgedicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning dienen tenminste drie waarnemingsbuizen aangebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoeringsplans en de boorverslagen dienen ter inzage te zijn van de toezichthoudende ambtenaar. § 2. Regelmatig controleert de exploitant in de peilputten het grondwater op de aanwezigheid van verontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tankenparken dient, ten minste om de 2 jaar, een grondwateronderzoek uitgevoerd, hetzij door de exploitant, met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline grondwater, hetzij door voormelde milieudeskundige zelf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517313\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Minimale blus- en koelvoorzieningen Een tankenpark voor de opslag van P1- en/of P2-producten dient voorzien te zijn van een doeltreffende, aan de omstandigheden aangepaste, vaste schuiminstallatie en/of van een blus-of koelinstallatie in overleg met de bevoegde brandweer De inrichting beschikt over een hoeveelheid water om de houders gedurende een voldoende tijd te kunnen besproeien en/of te koelen. De werking van de blus-, of koelinstallaties dient bij uitval van de normale elektrische voorziening automatisch verzekerd door noodgroepen of gelijkwaardige noodinstallaties. § 2. Inrichtingen met houders voor de opslag van P1-producten ingedeeld in klasse 1 die niet of slechts tijdens de gewone werkuren bemand zijn, moeten in overleg met de bevoegde brandweer worden uitgerust met een doeltreffende rook-, gas- of vlamdetectie die een alarm geeft bij een bemande bewakingsdienst. § 3. Voor de opslag van P1- en/of P2-producten in tankenparken dienen de brandbestrijdingsmiddelen bij de ingebruikname onderzocht te worden door een deskundige erkend voor de discipline externe veiligheid en risico's voor zware ongevallen of door een bevoegd deskundige, tenzij dit onderzoek geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd door de bevoegde brandweer of door het diensthoofd Preventie en Bescherming of door zijn aangestelde in overleg met de bevoegde brandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517314\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bereikbaarheid van het tankenpark moet zodanig worden opgevat dat : 1° het verkeer in de zones waar redelijkerwijze brand- en ontploffingsgevaar bestaat tot een minimum wordt beperkt;2° het tankenpark op een gemakkelijke wijze toegankelijk is;3° een gemakkelijke toegang bestaat voor het interventiematerieel.4° de voertuigen waarmee de producten worden af- of aangevoerd zich tijdens het laden of lossen, voorzover dit technisch mogelijk is, bevinden op een laad-losplaats gelegen buiten de reglementaire grootte van de rijbaan. Art. 5.17.3.15. § 1. De exploitant van een tankenpark houdt op oordeelkundige plaatsen in de inrichting een dossier ter beschikking van de bevoegde brandweer, met ten minste de volgende gegevens : 1° een plan van het tankenpark en de toegangswegen;2° een beschrijving van de brandbestrijdingsmiddelen met aanduiding ervan op een plan;3° een beschrijving van de opgeslagen producten met de voornaamste fysische en chemische eigenschappen (gevarenkaarten) met de vermelding van de catalogering van de EG-richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 of 88/379/EEG van 7 juni 1988, van het UN-nummer en van de ADR-code;4° het waterinhoudsvermogen van de houders;5° de samenstelling van de eventuele eigen brandweerdienst. Elke andere evenwaardige manier van informatieverstrekking is toegelaten mits het akkoord van de toezichthoudende ambtenaar en van de bevoegde brandweer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517316\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Ten minste om de 3 jaar, zonder dat de periode tussen twee opeenvolgende onderzoeken 40 maanden mag overschrijden, moeten de installaties aan een beperkt onderzoek worden onderworpen Dit onderzoek omvat indien relevant : 1° de inzage van het vorig rapport of attest;2° de controle op de goede staat van de overvulbeveiliging; 3° een onderzoek naar zichtbare of organoleptisch waarneembare verontreiniging aan de oppervlakte buiten de houder volgens de bepalingen van bijlage 5.17.4; 4° het onderzoek van de algemene staat van de installatie, omvattende : a) het opsporen van lekken en lekaanwijzingen;b) het onderzoek van de staat van de platen, de verbindingen en de stompen van de houder;c) het onderzoek van de staat van de toebehoren als: afsluiters, temperatuur-, druk-, niveaumeting en aarding;d) het onderzoek van de drukbeveiligings- en alarmtoestellen;e) het onderzoek van de staat van de buitenbekleding, hetzij de schildering en/of de isolatie;f) het onderzoek van de funderingen en/of steunblokken met het oog op de stabiliteit en de afwatering;g) het onderzoek van de inkuiping voor wat betreft inhoud, dichtheid, verontreiniging, peilputten;h) het onderzoek van de staat van de leidingen en de toebehoren binnen de inkuiping. bovendien moet voor verticale houders : a) waar nodig, een niet-destructief onderzoek uitgevoerd worden op de mantel en de dakplaten van de houders om de plaatdikte en eventuele corrosie, zowel in- als uitwendig te bepalen;b) op vraag van de milieudeskundige of de bevoegde deskundige de zetting bepaald worden, door de hoogte te meten van een aantal gelijkmatig over de omtrek van de bodemrand verdeelde punten. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste om de 20 jaar moeten de installaties aan een algemeen onderzoek worden onderworpen. Voorafgaand aan dit onderzoek moet de houder inwendig worden gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderzoek omvat : 1° het beperkt onderzoek, bedoeld in § 1;2° het onderzoek op de staat van de binnenwand;3° voor verticale houders omvat het onderzoek bovendien : a) het onderzoek van de staat van het vakwerk en de inwendige toebehoren zoals afsluiters, verwarmingsspiralen, dak- en bodemwateraflaten en afdichtingen van de vlottende daken;b) het onderzoek van de bodemplaten voor het opsporen van in- en uitwendige corrosie;c) het onderzoek van bodemvervorming en eventueel het opmeten van het profiel;4° een drukproef op de eventuele verwarmingspijpen. Voor in klasse 3 ingedeelde opslag van P3- en/of P4-producten moet enkel het beperkt onderzoek, vermeld in § 1, worden uitgevoerd. § 3. De periodieke onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4-producten bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkend technicus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517317\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de in artikel 5.17.3.4 bedoelde controle bij de plaatsing en/of de in artikel 5.17.3.16 bedoelde periodieke onderzoeken stellen de deskundigen of de erkend technicus een attest op waaruit ondubbelzinnig moet blijken of de houder en de installatie al dan niet voldoen aan de voorschriften van dit reglement. Het bovengenoemde attest vermeldt bovendien de naam en het erkenningsnummer van de deskundige of erkend technicus, die het onderzoek heeft uitgevoerd Behalve in het geval van een tankenpark brengen zij op of nabij de vulleiding een duidelijk zichtbare en leesbare klever of plaat aan, waarop zijn erkenningsnummer, het jaartal en de maand van de controle bij de plaatsing en het laatste uitgevoerde onderzoek vermeld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klever of plaat heeft volgende kleur : 1° groen, wanneer de houder en de installatie voldoen aan de bepalingen van dit reglement;2° oranje, wanneer de houder en de installatie niet voldoen aan de bepalingen van dit reglement doch de vastgestelde gebreken geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder;3° rood, wanneer de houder en de installatie niet voldoen aan de bepalingen van dit reglement en de vastgestelde gebreken aanleiding kunnen geven of hebben gegeven tot verontreiniging buiten de houder. Art. 5.17.3.18. Alleen houders waarvan de vulleiding voorzien is van een groene klever of plaat, bedoeld in artikel 5.17.3.17, derde lid, 1°, mogen worden gevuld, bijgevuld en geëxploiteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een oranje klever of plaat, bedoeld in artikel 5.17.3.17, derde lid, 2°, mogen nog worden gevuld of bijgevuld tijdens een overgangsperiode van maximum zes maanden. Die gaat in op de eerste van de maand die volgt op de maand, vermeld op de bedoelde oranje klever of plaat. In dit geval dient een nieuwe controle te worden uitgevoerd vóór het verstrijken van voormelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houders waarvan de vulleiding voorzien is van een rode klever of plaat, bedoeld in artikel 5.17.3.17, derde lid, 3°, mogen in geen enkel geval nog gevuld of bijgevuld worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517319\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als bestaande houders voor de opslag van P1-, P2-, P3- of P4-producten worden beschouwd : 1° houders waarvan de exploitatie is vergund op 1 januari 1993 of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid;2° houders die op 1 september 1991 reeds in gebruik waren genomen en niet in toepassing van titel I van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming als gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichting waren ingedeeld;3° houders waarvoor vóór 1 juli 1993 de melding werd gedaan overeenkomstig de bepalingen van titel I van het VLAREM. Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning. § 2 Als bestaande houders voor de opslag van andere dan P1-, P2-, P3- of P4-producten worden beschouwd de houders waarvan de exploitatie is vergund op datum van inwerkingtreding van dit besluit of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op voornoemde datum in behandeling was bij de bevoegde overheid. Die houders blijven bestaande houders, ook bij hernieuwing van de milieuvergunning. § 3. De afstands- en verbodsregels alsmede de bepalingen van deze afdeling betreffende de constructie- en de installatiewijze van de houders, de bijhorende leidingen en het vulpunt gelden niet voor bestaande houders. § 4. Het algemeen onderzoek bedoeld in artikel 5.17.3.16 dient, voorzover technisch mogelijk, een eerste maal uitgevoerd te worden uiterlijk op de data, vermeld in onderstaande tabel, afhankelijk van de ligging, de aard, de opgeslagen vloeistof en de klasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld In afwachting van dit algemeen onderzoek mogen de houders in werking worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de datum van het eerste algemene onderzoek dienen de periodieke onderzoeken uitgevoerd te worden volgens de bepalingen van artikel 5.17.3.16 en 5.17.3.17. § 5. Onverminderd de in de milieuvergunning opgelegde bijzondere voorwaarden dienen de houders uiterlijk op de data vemeld in onderstaande tabel te voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, met uitzondering van de voorschriften inzake : 1° de constructie en de plaatsing van de houders en van de leidingen mits evenwel voldaan aan de bepalingen van § 4;2° de bouw en de vloeistofdichtheid van de inkuiping van tankenparken. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 6. Bij vervanging van de houders, bedoeld in § 1 en § 2, dient de nieuwe houder aan alle voorschriften van dit hoofdstuk te voldoen, behalve voor wat betreft de afstandsregels. § 7. In afwijking van de bepalingen van § 5 dienen bestaande houders, die geen deel uitmaken van een tankenpark, uiterlijk op 1 januari 2003 te voldoen aan de bepalingen van artikel 5.17.3.6, 5.17.3.7 en 5.17.3.8. § 8. In bestaande tankenparken voor de opslag van P1-, P2-, P3- of P4-producten die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone dienen uiterlijk op 1 augustus 1997, waarnemingsbuizen geplaatst te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.17.3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bestaande tankenparken voor de opslag van andere dan P1-, P2-, P3- of P4-producten die gelegen zijn binnen een waterwingebied of een beschermingszone moeten uiterlijk binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit waarnemingsbuizen geplaatst te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.17.3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verplichtingen gelden eveneens binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het afbakeningsbesluit van een waterwingebied en/of een beschermingszone. § 9. In bestaande tankenparken die niet beschikken over een vloeistofdichte inkuiping en die gelegen zijn buiten een waterwingebied of een beschermingszone dienen binnen een termijn van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit waarnemingsbuizen geplaatst te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.17.3.12.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517320\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.3.20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien lekken worden vastgesteld treft de exploitant de nodige maatregelen om explosiegevaar te voorkomen en om verdere bodem- en grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken. § 2. Na vakkundige herstelling mag de houder slechts opnieuw in gebruik worden genomen indien een attest werd afgeleverd door een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of door een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4-producten bestemd voor de verwarming van gebouwen door een erkend technicus. Hieruit moet ondubbelzinnig blijken dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit. § 3. Bij definitieve buitengebruikstelling van houders, al dan niet wegens lekken, dient de houder geledigd, gereinigd en binnen een termijn van 36 maanden verwijderd te worden onverminderd de bepalingen van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten Wanneer het onmogelijk is om de houder te verwijderen dient binnen dezelfde termijn, in overleg met een milieudeskundige erkend in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen of met een bevoegd deskundige of voor de opslag van P3- en/of P4 - producten bestemd voor de verwarming van gebouwen met een erkend technicus, de houder te worden geledigd, gereinigd en gevuld met zand, schuim of een gelijkwaardig inert materiaal. Hierbij dienen de nodige maatregelen getroffen te worden voor explosiebeveiliging en om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. § 4. Vloeistoflekken die aanleiding hebben gegeven tot bodemverontreiniging of tot verspreiding in de openbare riolering, in de oppervlaktewateren, in de grondwaters of op naburige eigendommen dienen onmiddellijk door de exploitant aangegeven te worden aan de afdeling Milieu-inspectie, aan de gouverneur van de provincie en aan de burgemeester. Afdeling 5.17.4. - Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) bij de opslag en verlading van benzine Art. 5.17.4.1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen als bedoeld in de subrubriek 17.3.4 en de inrichtingen als bedoeld in subrubriek 17.3.9 van de indelingslijst, voorzover deze inrichtingen betrekking hebben op het ontvangen, opslaan en overslaan van benzine.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51742\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de overige voorschriften van dit reglement dienen de opslaginstallaties te beantwoorden aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, § 2. § 2. In afwijking van § 1 moeten bestaande opslaginstallaties aan de bepalingen van § 1 voldoen : 1° vanaf 1 januari 1999 voor opslaginstallaties met een doorzet groter dan 50.000 ton per jaar, gemeten tijdens de jaren 1996 en 1997; 2° vanaf 1 januari 2002 voor opslaginstallaties met een doorzet groter dan 25.000 ton per jaar, gemeten tijdens de jaren 1996 tot en met 2000; indien evenwel de doorzet gemeten tijdens de jaren 1998 tot en met 2000 de grens van 50.000 ton per jaar zou overschrijden zijn de bepalingen van §1 van dit artikel van toepassing vanaf 1 januari van het tweede jaar na het jaar waarvoor de grenswaarde werd overschreden; 3° vanaf 1 januari 2005 voor de overige opslaginstallaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51743\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de overige voorschriften van dit reglement dienen de overslaginstallaties van mobiele tanks bij terminals te beantwoorden aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, § 3. § 2. Alle terminals met overslaginstallaties voor het laden van tankwagens dienen uitgerust te zijn met minstens één laadportaal dat beantwoordt aan de specificaties voor installaties voor vulling aan de onderzijde van bijlage 5.17.9, § 5. § 3. In afwijking van § 1 van dit artikel moeten bestaande overslaginstallaties voor het laden van tankwagens, tankwagons en/of schepen aan de bepalingen van § 1 en § 2 voldoen : 1° vanaf 1 januari 1999 voor overslaginstallaties met een doorzet groter dan 150.000 ton per jaar, gemeten tijdens de jaren 1996 en 1997; 2° vanaf 1 januari 2002 voor overslaginstallaties met een doorzet groter dan 25.000 ton per jaar, gemeten tijdens de jaren 1996 tot en met 2000; indien evenwel de doorzet gemeten tijdens de jaren 1998 tot en met 2000 de grens van 150.000 ton per jaar zou overschrijden zijn de bepalingen van § 1 van dit artikel van toepassing vanaf 1 januari van het tweede jaar na het jaar waarvoor de grenswaarde werd overschreden; 3° vanaf 1 januari 2005 voor de overige overslaginstallaties van terminals. § 4 Uiterlijk drie maanden na de datum van ingebruikneming en vervolgens minstens éénmaal per jaar dient een milieudeskundige erkend in de discipline lucht, een verslag op te stellen. Hierin worden de resultaten van de metingen uitgevoerd ter bepaling van de gemiddelde concentratie van dampen in de afvoer van de dampterugwinningseenheid weergegeven, besproken en getoetst aan de emissievoorwaarde vermeld in bijlage 5.17.9, § 3. De termijn tussen twee controlemetingen mag in geen geval 15 maanden overschrijden. Dit verslag moet worden gestuurd naar de afdeling Milieuvergunningen, de afdeling Milieu-inspectie en de Vlaamse Milieumaatschappij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51744\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.4.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de overige voorschriften van dit reglement moeten de verdeelinstallaties voor benzine beantwoorden aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, § 4. § 2. In afwijking van § 1 van dit artikel moeten bestaande verdeelinstallaties aan de bepalingen van § 1 voldoen : 1° vanaf 1 januari 1999 voor verdeelinstallaties met een doorzet groter dan 1.000 m3 per jaar, gemeten tijdens de jaren 1996 en 1997, alsmede voor installaties, ongeacht hun doorzet, die onder permanente woonruimten of werkruimten liggen; 2° vanaf 1 januari 2002 voor verdeelinstallaties met een doorzet groter dan 500 m3 per jaar, gemeten tijdens de jaren 1996 tot en met 2000;indien evenwel de doorzet gemeten tijdens de jaren 1998 tot en met 2000 de grens van 1000 m3 per jaar zou overschrijden zijn de bepalingen van § 1 van dit artikel van toepassing vanaf 1 januari van het tweede jaar na het jaar waarvoor de grenswaarde werd overschreden; 3° vanaf 1 januari 2005 voor de overige verdeelinstallaties. § 3 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op verdeelinstallaties met een doorzet van minder dan 100 m3 per jaar. § 4. Opslaginstallaties, die deel uitmaken van verdeelinstallaties voor benzine die volgens de bepalingen van dit artikel moeten voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 5.17.9, § 4, mogen enkel gevuld worden door mobiele tanks die beantwoorden aan de federale reglementering ter uitvoering van de EG-richtlijn 94/63/EG van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar verdeelinstallaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51745\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">De exploitant dient een register bij te houden waarin de doorzetgegevens worden vermeld. Dit register is ter beschikking van de toezichthoudende ambtenaren</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51746\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.4.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant van een dampterugwinningsinstallatie dient een register bij te houden waarin elke periode van buitengebruikstelling van deze installatie nauwkeurig wordt vermeld, alsmede de reden daarvan en de getroffen maatregelen. Dit register ligt ter inzage op de plaats van exploitatie. De hierin vermelde gegevens kunnen steeds door de toezichthoudende ambtenaren worden opgevraagd en/of ingekeken. Afdeling 5.17.5. - Brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51751\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 17.3.9 van de indelingslijst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51752\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorschriften van dit reglement dienen de nodige maatregelen getroffen te worden om het morsen van vloeibare brandstoffen, verontreiniging van de bodem, het grond- en oppervlaktewater te voorkomen In geval van een incident moeten onmiddellijk doeltreffende maatregelen getroffen worden om de verspreiding van vloeibare brandstoffen te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51753\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De elektrische installaties dienen te beantwoorden aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties, in het bijzonder de artikelen die handelen over ruimten waarin een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan. Deze installaties moeten vanuit een veilige en steeds gemakkelijk te bereiken plaats manueel kunnen worden stilgelegd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51754\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Het bevoorraden van eender welk voertuig geschiedt slechts na het stilleggen van de motoren van dit voertuig</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51755\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevoorradingsstandplaats van de motorvoertuigen bevindt zich steeds in de open lucht en op het terrein van de inrichting. De vloer van de voormelde standplaats is vloeistofdicht en voldoende draagkrachtig. Deze vloer is voorzien van de nodige hellingen en eventueel opstaande randen, zodat alle gemorste vloeibare brandstoffen afvloeien naar een collector en overeenkomstig de reglementaire bepalingen worden verwijderd Onder de voormelde standplaats mogen geen groeven, kruipkelders of lokalen worden ingericht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51756\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Elke vaste houder die deel uitmaakt van een verdeelinstallatie voor de bevoorrading van motorvoertuigen moet worden voorzien van een eigen vulleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vulpunt : 1° bevindt zich in horizontale projectie op ten minste 2 m afstand van de rand van de houder;2° mag zich niet in een gesloten of open gebouw bevinden;3° moet gelegen zijn op ten minste 3 m van elke kelderruimte en van de grenzen van de percelen van derden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51757\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.17.5.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voor wat betreft de bestaande brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen mag de in artikel 3.2.1.2, § 3, b) bepaalde overgangstermijn voor de in artikel 5.17.5.5 en 5.17.1.17, 6° vermelde constructie-eisen worden gebracht op : 1° 1 januari 1999 voor alle verdeelinstallaties die uitgerust zijn met rechtstreeks in de grond ingegraven enkelwandige metalen houders gelegen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones;2° 1 januari 2002 voor alle verdeelinstallaties, andere dan deze vermeld sub 1°, uitgerust met rechtstreeks in de grond ingegraven enkelwandige metalen houders die gebouwd zijn vóór 1975, waarbij wordt verondersteld dat de houders gebouwd zijn vóór 1975 indien de ouderdom niet kan worden aangetoond;3° 1 januari 2005 voor alle overige verdeelinstallaties Voor bestaande houders respectievelijk bestaande lozingen van bedrijfsafvalwater kan op dezelfde wijze afgeweken worden van artikel 5.17.1.4, § 2, artikel 5.17.2.11, § 5 en artikel 3.2.1.2, § 3, b, voor wat betreft de realisatie van de eisen gesteld in bijlage 5.3.2, 52°, c). § 2. De exploitant kan de afwijking, bedoeld in § 1, evenwel enkel krijgen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij, uiterlijk op 1 januari 1998, bij aangetekend schrijven naar de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie, zich ertoe verbindt : 1° ervoor te zorgen dat de houders vóór de in § 1 gestelde datum zullen voldoen aan de voorschriften van dit reglement voor nieuwe houders, behalve voor wat betreft de vestigingsregels (met name de verbods- en afstandsregels);2° de verdere exploitatie van de brandstofverdeelinstallatie definitief stop te zetten vanaf de in § 1 gestelde datum in het geval de verbintenis sub 1° niet is gerealiseerd.»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-150\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 150</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 5.18.1.2, § 3, 2° van hetzelfde besluit worden de woorden \"te voorkomen en/of beperken\" vervangen door de woorden \"te voorkomen en/of te beperken\"</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 151</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.18.2.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden \"de datum en uur dat\" vervangen door de woorden \"datum en uur waarop\";2° in § 4, 3° worden de woorden \"met een minimum van 5.» vervangen door de woorden \"met een minimum van 5 m. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 152</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.19.1.2 van hetzelfde besluit wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning is de exploitatie van een inrichting verboden, die overeenkomstig rubriek 19 van de indelingslijst is ingedeeld in de eerste klasse en die gelegen is in een woongebied. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.19.1.4, § 2 van hetzelfde besluit worden in de tabel de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1°, b) wordt het tweede streepje vervangen door wat volgt : \"in het afvalgas van droogovens : 50 mg/Nm3 (nat gas);2° een 2° en een 3° worden toegevoegd die luiden als volgt : « 2° stofdeeltjes totaal in direct gestookte spaandrogers met een vermogen van : a) minder dan 50 MW : 50 mg/Nm3 (17 % O2);b) 50 MW of meer : 50 mg/Nm3 (17 % O2); voor bestaande inrichtingen geldt een overgangsperiode die eindigt op 31 december 2004; voor deze bestaande inrichtingen geldt tot deze datum een emissiegrenswaarde van 150 mg stof/Nm3 gemeten bij 17 % O2; 3° CO-concentraties in direct gestookte spaandrogers, ongeacht het vermogen : 250 mg/Nm3 (11 % O2).»</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 154</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 5.20.2.1 van hetzelfde besluit worden de woorden \"subrubriek 20.1.2\" vervangen door de woorden \"subrubrieken 1.1 en 20.1.2\"</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.20.2.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden : a) de woorden \"5.7.8.1 (behalve wat de emissiegrenswaarden voor stof betreft)\" vervangen door de woorden \"hoofdstukken 5.31 en 5.43\"; b) de woorden \",tenzij anders vermeld,\" geschrapt;c) de woorden \"stook- en de procesinstallaties\" vervangen door de woorden \"stookinstallaties, inbegrepen de STEG-installaties, en de procesinstallaties\";2° aan § 1, eerste lid, wordt een 3° toegevoegd die luidt als volgt : « 3° vanaf 1 januari 1999 : - voor Ni en zijn verbindingen : 2 mg/Nm3 uitgedrukt in Ni; - voor V en zijn verbindingen : 7 mg/Nm3 uitgedrukt in V. » ; 3° in § 1, tweede lid, worden de woorden \"zijn begrepen\" en \"NOx\" respectievelijk vervangen door de woorden \"zijn ondermeer begrepen\" en \"NOx, CO\"; 4° aan § 1 wordt een derde en vierde lid toegevoegd die respectievelijk luiden als volgt : « Voor nieuwe grote stookinstallaties gelden de bepalingen van afdeling 5.43.2, behalve wat de erin opgenomen emissie-grenswaarden betreft Deze worden vervangen door de in bijlage 5.20.2 opgenomen emissiegrenswaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 3.2.1.2, § 3, a) gelden voor bestaande inrichtingen de strengere emissiegrenswaarden bedoeld in het derde lid, met ingang van 1 januari 2005. » ; 5° in § 3, 2° worden de woorden \"en CO\" vervangen door de woorden \", CO, Ni en V\";6° in § 3, 2°, eerste streepje, wordt het woord \"stookinstallaties\" vervangen door de woorden \"stookinstallaties, inbegrepen de machines met inwendige verbranding,\";7° in § 3, 3°, tweede streepje, wordt het woord \"NOx\" vervangen door de woorden \"NOx en CO\";8° in § 3, 3°, vierde streepje, wordt het woord \"CO\" vervangen door de woorden \"Ni en V\";9° een § 4 wordt toegevoegd die luidt als volgt : « § 4.Afvalgassen die bij procesinstallatie discontinu vrijkomen, zoals afvalgassen die bij het regenereren van katalysatoren, bij inspectie- en bij schoonmaakwerkzaamheden voorkomen, moeten naar een verbrandingsinstallatie of een fakkel worden geleid of gelijkwaardige maatregelen tot emissievermindering moeten worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalgassen die bij het opstarten of stilleggen van de installatie vrijkomen, moeten zoveel mogelijk via een opvangsysteem voor afvalgas worden teruggeleid of in processtookinstallaties worden verbrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dit niet mogelijk is moeten de gassen naar een fakkel worden geleid waarin voor organische stoffen een emissiegraad van 1 %, ten opzichte van het totale koolstofgehalte, niet mag worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalgassen uit ontzwavelingsinstallaties of andere bronnen met een volumegehalte aan zwavelwaterstof van meer dan 0,4 % en een massastroom aan zwavelwaterstof van meer dan 2 ton/dag moeten verder worden verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalgassen die niet verder worden verwerkt, moeten naar een naverbrandingsinstallatie worden geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 4.4 mogen de emissies aan zwavelwaterstof in het geloosde afvalgas niet meer bedragen dan 10 mg/Nm3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwavelwaterstof-houdend water mag slechts zo worden verwerkt, dat vermeden wordt dat hieruit afvalgas in de atmosfeer terechtkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het overladen van uitgangs-, tussen en eindproducten moeten de emissies aan organische stoffen met een dampdruk van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C door passende maatregelen worden verminderd, zoals door gaspendel, afzuigen en overbrengen naar een afvalgaszuiveringsinrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceswater mag pas na ontgassen in een open systeem worden geleid. De hierbij opgevangen afvalgassen moeten door wassen of verbranden worden gereinigd. » ; 10° een § 5 wordt toegevoegd die luidt als volgt : « § 5.In afwijking van § 1 mag de emissie in het afvalgas van installaties voor het katalytisch kraken volgens het 'fluïd bed'-procedé bij het regenereren van de katalysator de volgende emissiegrenswaarde voor stof niet overschrijden : 1° tot 1 januari 2005 : 300 mg/Nm3 als maandgemiddelde;2° vanaf 1 januari 2005 : 50 mg/Nm3 als maandgemiddelde.» ; 11° een § 6 wordt toegevoegd die luidt als volgt : « § 6.De concentratie van polychloordibenzodioxines (PCDD's) en polychloordibenzofuranen (PCDF's), berekend overeenkomstig artikel 5.2.3.1.5, § 6, uitgedrukt als nanogram dioxine toxisch equivalent per Nm3 (ng TEQ/Nm3), mag een grenswaarde van 0,5 ng TEQ/Nm3 niet overschrijden op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden. Als emissierichtwaarde geldt 0,1 ng TEQ/Nm3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de bepalingen van het eerste lid geldt voor bestaande inrichtingen : - een emissierichtwaarde van 0,4 ng TEQ/Nm3; - een emissiegrenswaarde van 2,5 ng TEQ/Nm3 met ingang van 1 januari 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voormelde richtwaarden moeten worden nagestreefd door toepassing van beste beschikbare technieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De massaconcentratie aan PCDD's en PCDF's wordt gemeten volgens de voorschriften van de Belgische norm T95-R-NBN EN 1948-1, 2 of 3. Deze concentratie wordt ten minste éénmaal per jaar gemeten door een voor deze meting erkend milieudeskundige. Deze meting is evenwel niet verplicht voor deelstromen die niet, of niet significant, bijdragen tot de emissies. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning wordt het weglaten van de metingen op bepaalde deelstromen enkel aanvaard mits dit voorafgaandelijk is goedgekeurd door de toezichthoudende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke meting uitgevoerd volgens bovenvermelde methode moet, na verrekening van de nauwkeurigheid bedoeld in artikel 4.4.4.2, § 5, voldoen aan de voorgeschreven emissiegrenswaarde. Indien de gemeten concentratie, na verrekening van voormelde nauwkeurigheid, de emissiegrenswaarde overschrijdt, wordt binnen de drie maand een nieuwe monstername en analyse verricht. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 156</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 5.20.2.3, § 3 en 4 van hetzelfde besluit wordt het woord \"NOx\" telkens vervangen door het woord \"NO2\"</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 157</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 5.20.3.1, § 3 van hetzelfde besluit worden de woorden \"best beschikbare technieken\" vervangen door de woorden \"beste beschikbare technieken\"</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 158</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 5.20.3.9, 2°, van hetzelfde besluit worden de woorden \"vercokest materiaal\" vervangen door de woorden \"vercookst materiaal\"</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 159</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan artikel 5.20.4.2.1 van hetzelfde besluit wordt een § 3 toegevoegd die luidt als volgt : « § 3. Voor bestaande inrichtingen, bedoeld in rubriek 30.9 van de indelingslijst, gelden tevens de bepalingen van hoofdstuk 5.30. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan hoofdstuk 5.20 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 5.20.5 toegevoegd die luidt als volgt : \"Afdeling 5.20.5. - Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie alsook installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie Art. 5.20.5.1. § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de subrubrieken 20.1.5 en 20.1.6 van de indelingslijst. § 2. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 4.5 zijn in dit geval geen geluidsnormen van toepassing. In de milieuvergunning kunnen geluidsemissiegrenswaarden worden opgelegd in functie van de omgevingssituatie. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 161</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.23.01 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 5.23.0.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubrieken 23.1 en 23.2 van de indelingslijst. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 162</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan hoofdstuk 5.23 van hetzelfde besluit wordt een artikel 5.23.1.1 toegevoegd dat luidt als volgt : « Art. 5.23.1.1. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning en in afwijking van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in hoofdstuk 4.4, gelden de hierna genoemde emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3. Ze hebben betrekking op de geleide emissies in de volgende omstandigheden : temperatuur 0 °C, druk 101,3 kPa, droog gas De luchthoeveelheden die naar een onderdeel van de installatie worden toegevoerd om het afvalgas te verdunnen of af te koelen, blijven bij de bepaling van de emissiegrenswaarden buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 163.In artikel 5.28.1.2, § 1, 2°, worden de woorden \"afstand van een van een woongebied\" vervangen door de woorden \"afstand van een woongebied\". Art. 164.In artikel 5.28.1.3, 3°, van hetzelfde besluit worden de woorden \"van onderhoud zijn bevonden\" vervangen door de woorden \"van onderhoud is bevonden\". Art. 165.In artikel 5.28.1.7, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden \"dienen de opslagplaatsen voorzien van een dichte wand\" vervangen door de woorden \"dienen de opslagplaatsen een dichte wand te hebben\". Art. 166.In artikel 5.28.2.1 van hetzelfde besluit wordt het woord \"§ 1\" geschrapt. Art. 167.Aan hoofdstuk 5.28 van hetzelfde besluit wordt een Afdeling 5.28.3 \"Verwerking van dierlijke mest\" toegevoegd dat luidt als volgt : Afdeling 5.28.3. - Verwerking van dierlijke mest Onderafdeling 5.28.3.1. - Toepassingsgebied Art. 5.28.3.1.1. § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in subrubriek 28.3 van de indelingslijst met uitzondering evenwel van mestbewerkingsinstallaties. § 2. Wanneer in de in § 1 bedoelde inrichting tevens afvalstoffen mee worden verwerkt, gelden eveneens de toepasselijke voorwaarden uit hoofdstuk 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5.28.3.2. - De aanvaarding van dierlijke mest en nutriëntenstroom Art. 5.28.3.2.1. § 1. De aanvoer, de aanvaarding, de opslag, de verwerking en de afvoer van dierlijke mest en/of de verwerkte eindproducten zijn enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid. § 2. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens en/of tractoren en aanhangwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug. § 3. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning mag de normale aanvoer van dierlijke mest niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52832\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.28.3.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>§ 1. In de inrichting voor de verwerking van dierlijke mest mag alleen die dierlijke mest worden aanvaard waarvoor de milieuvergunning werd verleend. § 2. De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding van dierlijke mest. Hij controleert de aangevoerde dierlijke mest op zijn herkomst, oorsprong, aard, hoeveelheid en de gehalten aan stikstof en P2O5. Elke vracht dient minstens visueel geïnspecteerd te worden</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.28.3.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>§ 1. De exploitant houdt een register bij. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning noteert de exploitant in dit register ten minste : 1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type(droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;f) de gehalten aan stikstof en P2O5;g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.2° gegevens over de eventueel afgevoerde onverwerkte dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte,); c) de bestemming van de dierlijke mest;d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;f) de gehalten aan stikstof en P2O5;g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing) : a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;b) de aard van de afgewerkte producten;c) de bestemming van de afgewerkte producten;d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;f) de gehalten aan stikstof en P2O5;4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest : a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest met vermelding van de referenties van de eventuele weegbon;f) de gehalten aan stikstof en P2O5;g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting. § 2</div>\n<p class=\"lf-p\">De luiken D (bewijs van ontvangst) van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument die betrekking hebben op de aangevoerde dierlijke mest, moeten samen met het register bewaard worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de luiken C (bewijs van afzet) van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument die betrekking hebben de afgevoerde onverwerkte dierlijke mest. § 3. Het register, bedoeld in § 1, alsook de luiken, bedoeld in § 2, liggen ter inzage van de toezichthoudende ambtenaren alsook van de ambtenaren van de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.28.3.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>§ 1. De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde dierlijke mest moet in het register, bedoeld in artikel 5.28.3.2.3, worden getotaliseerd respectievelijk per dag, per maand en per kalenderjaar en dit voor elk van de types van dierlijke mest. Op eenvoudig verzoek worden deze gegevens meegedeeld aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. § 2. De exploitant dient jaarlijks een nutriëntenbalans voor N en P2O5 van de inrichting op te stellen en te sturen aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij, en dit vóór 15 maart van het jaar volgend op het jaar waarop de balans betrekking heeft Bedoelde nutriëntenbalans moet de hoeveelheid nutriënten aangeven die tijdens het beschouwde jaar in de inrichting werden aangevoerd, onder de vorm van afgewerkte producten werden afgevoerd, werden geloosd in oppervlaktewater en in de omgevingslucht. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.28.3.5.1 tot en met 5.28.3.5.3 mag het percentage geëmitteerde stikstof (N2 uitgezonderd) naar de milieucompartimenten omgevingslucht en water nooit meer bedragen dan 15 % van de totale hoeveelheid aangevoerde stikstof. Het percentage geëmitteerde P2O5 naar de milieucompartimenten omgevingslucht, water en bodem mag nooit meer bedragen dan 1 % van de totale hoeveelheid aangevoerde P2O5.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5.28.3.3. - Het Werkplan Art. 5.28.3.3.1. § 1. De exploitant beschikt bij de aanvang der activiteiten over een werkplan dat, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, omvat : 1° een overzichtelijke en duidelijke handleiding over de exploitatie van de inrichting;2° de organisatie van de aanvoer en afvoer van onverwerkte dierlijke mest;3° de organisatie van de verwerking van de aangevoerde dierlijke mest;4° een plan van de opslag- en behandelingsruimte(n) met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse mestsoorten;5° de organisatie van de afvoer van de afgewerkte produkten;6° de verwerkingswijze van de dierlijke mest indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;7° het afwateringsplan omvattende het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen inzake de afwatering van de inrichting en/of het terrein;8° de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder. § 2. Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthoudende ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5.28.3.4. - Uitbating Art. 5.28.3.4.1. § 1. Om geurhinder te voorkomen, moeten de volgende maatregelen worden getroffen : 1° het laden en lossen van de mest gebeurt in afgesloten ruimten;2° de ontvangstruimte, de mengkelder en de voorraadtank zijn in gesloten uitvoering;3° de mestverwerkingsoperaties zijn maximaal overkapt en ingeperkt om tot een efficiënte afzuiging en behandeling van luchtemissies te komen;4° de afgezogen ventilatielucht wordt behandeld door middel van filtratie over een biobed en zure wassers;elke alternatieve methode met een gelijkaardig of beter rendement voor geur en emissiereductie is evenwel toegelaten. § 2. De opslag van dierlijke mest moet beantwoorden aan de voorwaarden van bijlage 5.9 bij dit besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52834\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.28.3.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In zoverre deze technieken worden toegepast, moeten, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, de volgende voorschriften in acht worden genomen : 1° algenkweek : de belasting moet zodanig worden ingesteld dat het ammoniakgehalte in de vijver laag is om te voorkomen dat door de hoge pH-waarde de emissie van ammoniak aanzienlijke vormen aanneemt;2° ammoniak strippen en absorberen : a) de pH-waarde in de absorptievloeistof moet voldoende laag worden ingesteld om de verwijdering van ammoniak te maximaliseren;b) maatregelen moeten worden genomen om de schuimvorming te beheren;c) de deeltjes moeten voldoende worden verwijderd om de verstopping van pakkingmateriaal te voorkomen;d) de temperatuur moet optimaal geregeld worden;3° biologische behandeling dunne mest : a) de temperatuur in het beluchtingsbassin moet voldoende hoog worden gehouden (g 10°C), ook tijdens de winter, in relatie tot de slibbelasting;b) er moet een voldoende beluchtingscapaciteit aanwezig zijn;c) er moet voldoende BZV beschikbaar worden gehouden voor denitrificatie;d) er moet voldoende rekening worden gehouden met de slechte bezinkbaarheid van het actieve slib bij varkensmest;zo nodig moet kalk of een ander vlokmiddel worden toegevoegd; 4° composteren : a) de beluchting en/of omzetting moet voldoende zijn om stankemissies te beperken;b) kiemdoding is te maximaliseren door een hoge temperatuur te realiseren in combinatie met een voldoende lange verblijftijd; ongelijke behandelingsomstandigheden moeten worden vermeden; c) de ammoniakemissie is te verminderen door de verhouding C/N in het grondstofmengsel te verhogen, zure stoffen of absorptiemiddelen, zoals bentoniet en zeoliet, toe te voegen;d) bij gesloten compostering moet de ammoniakemissie worden geminimaliseerd met zure wassing van de uitgaande lucht;een biofilter wordt vervolgens voorzien om de geur en ammoniak verder te verwijderen; 5° drogen : a) zo nodig moet gedroogd materiaal worden bijgemengd gelet op de plakkerigheid bij drogestofgehaltes van ongeveer 40 tot 60 %;b) hoogwaardige staalsoorten moeten worden gebruikt in het licht van de sterke corrosie;c) om de gasvormige emissies te beperken moeten de afvalgassen van de thermische drogers worden behandeld met technieken als stofwassing, zure wassing, biofiltratie en naverbranding;d) bij droging van pluimveemest met ventilatielucht moet binnen enkele dagen het gewenste drogestofgehalte worden bereikt, om de vorming van ammoniak en urinezuur te beperken;e) het product moet een drogestofgehalte bereiken van meer dan 90 %;6° indampen : a) maatregelen moeten worden genomen om de schuimvorming en vervuiling van het verwarmende oppervlak te beheren;b) de niet-condenseerbare afvalgassen worden behandeld met technieken zoals zure wassing, biofiltratie en naverbranding om de gasvormige emissies te beperken;7° kalkbehandeling : maatregelen moeten worden genomen om te vermijden dat door een verhoging van de pH-waarde een sterke uitstoot van ammoniak ontstaat; zo nodig kan door een nabehandeling met een zure wassing de emissie sterk worden verminderd; 8° mechanische scheiding : a) maatregelen moeten worden genomen om de schuimvorming bij gebruik van centrifuges te beheren;b) bij open scheidingssystemen met een relatief lange verblijftijd, met name strofiltratie, moet de ammoniakemissie onder controle worden gebracht;c) de inzet van een bodemfilter als scheidingsmethode mag niet leiden tot een verzadiging van de bodemfilter;9° membraanfiltratie : a) onopgeloste delen in mest moeten vooraf verregaand worden verwijderd om verstopping van de membranen te beperken;bij omgekeerde osmose moet er aldus steeds een microfiltratie als voorbehandeling zijn; b) de keuze van het membraantype (keramisch, polymeer) en van de membraanconfiguratie (buisvormig, holle vezel) moet aan de doelstellingen zijn aangepast;10° oxidatie : de installatie moet ontworpen zijn rekening houdend met de sterke corrosie en erosie bij hoge temperatuur en druk;11° productvormgeving : ingeval van pelletiseren moet erover gewaakt worden dat : - het product een drogestofgehalte heeft van meer dan 90 %; - de stof- en geuremissies maximaal worden beperkt, zo nodig door stofvangers aangevuld met biofiltratie; 12° verbranden : a) de samenstelling van de aangevoerde mest en de verbrandingstemperatuur moeten zo constant mogelijk worden gehouden;b) wanneer katalysatoren worden ingezet voor de rookgasreiniging, moeten deze regelmatig op hun goede werking worden gecontroleerd;c) bij wervelbedverbranding van pluimveemest moeten maatregelen worden genomen om een verstoring van de goede werking ingevolge het smelten van de as te vermijden;13° vergisten : a) maatregelen moeten worden genomen om een verstoring van de goede werking ingevolge een te hoog ammoniakgehalte te vermijden;b) maatregelen moeten worden getroffen om de zwavelverbindingen in het gevormde biogas verregaand te verwijderen;c) de verblijftijd moet voldoende lang zijn om een maximaal resultaat te behalen ten aanzien van gasproductie, kiemdoding en vermindering van vluchtige vetzuren en geur</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5.28.3.5. - Emissiegrenswaarden Art. 5.28.3.5.1. Elke inrichting met een verbrandings-, pyrolise-, thermolise- of een gelijkaardige techniek, moet, wanneer ze in bedrijf is, aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° wat betreft de concentratie van verontreinigende stoffen in de rookgassen, gelden de voorwaarden voor verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen zoals vastgesteld in artikel 5.2.3.3.4, 5.2.3.3.5 en 5.2.3.3.6 van dit besluit, behalve voor de volgende parameters : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld wat metingen betreft gelden de bepalingen van artikel 5.2.3.1.8; 2° de geloosde afvalwaters moeten voldoen aan de sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater, vastgesteld in punt 24bis, a) van bijlage 5.3.2 bij dit besluit; inzake meetstrategie gelden de bepalingen van subafdeling 4.2.5.4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52835\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.28.3.5</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In een inrichting met een mestdrogings- of een gelijkaardige techniek, moet de afgezogen ventilatielucht voldoen aan de algemene emissiegrenswaarden voor lucht, vastgesteld in bijlage 4.4.2 bij dit besluit, aangevuld met de volgende sectorale emissiegrenswaarde bij een massastroom van 5 kg/uur of meer : ammoniak NH3 : 10 mg/Nm3</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.28.3.5</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In een inrichting met een biologische en/of fysico-chemische behandeling van de dierlijke mest of een gelijkaardige techniek, moeten de geloosde afvalwaters voldoen aan de sectorale lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater, vastgesteld in punt 24bis, b) van bijlage 5.3.2 bij dit besluit. » Art. 168.In artikel 5.29.0.6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 1° worden de woorden \"op een van milieu-oogpunt\" vervangen door de woorden \"op een vanuit milieu-oogpunt\"; 2° aan § 1 wordt een 3° toegevoegd die luidt als volgt : « 3° Voor installaties ingedeeld in de eerste klasse in de subrubrieken 20.2 en 29.4, moet de concentratie van polychloordibenzodioxines (PCDD's) en polychloordibenzofuranen (PCDF's), berekend overeenkomstig artikel 5.2.3.1.5, § 6, uitgedrukt als nanogram dioxine toxisch equivalent per Nm3 (ng TEQ/Nm3) voldoen aan : a) nieuwe inrichtingen : - emissierichtwaarde : 0,1 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; - emissiegrenswaarde : 0,5 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; b) bestaande inrichtingen : - emissierichtwaarde : 0,4 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; - emissiegrenswaarde : vanaf 1 januari 2003 1 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden;</div>\n<p class=\"lf-p\">De richtwaarde dient nagestreefd door toepassing van de beste beschikbare technieken zowel op het vlak van de ingezette grond- en hulpstoffen, wijziging of optimalisatie van de procesvoering als door het gebruik van efficiënte rookgasbehandelingssystemen. » ;</p>\n<p class=\"lf-p\">De massaconcentratie aan PCDD's en PCDF's wordt gemeten volgens de voorschriften van de Belgische norm T95-R-NBN EN 1948-1, 2 of 3. Deze concentratie wordt ten minste éénmaal per jaar gemeten door een voor deze meting erkend milieudeskundige. Deze meting is evenwel niet verplicht voor deelstromen die niet, of niet significant, bijdragen tot de emissies. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning wordt het weglaten van de metingen op bepaalde deelstromen enkel aanvaard mits dit voorafgaandelijk is goedgekeurd door de toezichthoudende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke meting uitgevoerd volgens bovenvermelde methode moet, na verrekening van de nauwkeurigheid bedoeld in artikel 4.4.4.2, § 5, voldoen aan de voorgeschreven emissiegrenswaarde. Indien de gemeten concentratie, na verrekening van voormelde nauwkeurigheid, de emissiegrenswaarde overschrijdt, wordt binnen de drie maand een nieuwe monstername en analyse verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de bepalingen van het eerste lid gelden voor de afvalgassen afkomstig van sinterinstallaties de volgende emissiewaarden voor polychloordibenzodioxines (PCDD's) en polychloordibenzofuranen (PCDF's), uitgedrukt als nanogram dioxine toxisch equivalent per Nm3 (ng TEQ/Nm3) en betrekking hebbend op een volumegehalte aan zuurstof in de afvalgassen van 16 % : a) nieuwe inrichtingen : - emissierichtwaarde : 0,1 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; - emissiegrenswaarde : 0,5 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; b) bestaande inrichtingen : - emissierichtwaarde : 0,4 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden; - emissiegrenswaarde : vanaf 1 januari 2002 2,5 ng TEQ/Nm3 op alle in een bemonsteringstijd van minimum 6 en maximum 8 uur gemeten gemiddelde waarden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtwaarde dient nagestreefd door toepassing van de beste beschikbare technieken zowel op het vlak van de ingezette grond- en hulpstoffen, wijziging of optimalisatie van de procesvoering als door het gebruik van efficiënte rookgasbehandelingssystemen. » ; 3° in § 2, 1°, a), worden de woorden \"stilstand van de sinterband vinden artikel 4.4.3.1. § 2\" vervangen door de woorden \"stilstand van de sinterband vindt artikel 4.4.3.1. § 2\"; 4° in § 2, 6° worden de woorden \"omsmeltinstallaties voor slakken gasvormige\" vervangen door de woorden \"omsmeltinstallaties voor slakken : gasvormige\";5° in § 2, 8°, a), worden de woorden \"stofhoudende afgassen\" vervangen door de woorden \"stofhoudende afvalgassen\", wordt het woord \"raffinageinstallaties\" telkens vervangen door het woord \"raffinage-installaties\" en wordt het woord \"massastroom-stroom\" vervangen door het woord \"massastroom\";6° in § 2, 9°, a), worden de woorden \"de best beschikbare technieken\" vervangen door de woorden \"de beste beschikbare technieken\";7° in § 2, 9°, b), wordt het woord \"ijzefabrieken\" vervangen door het woord \"ijzerfabrieken\";8° in § 2, 10°, a), ii), worden de woorden \"0,5 kg/H\" vervangen door de woorden \"0,5 kg/u\";9° in § 2, 11°, a) worden de woorden \"waarin vloeibaar metaal worden toegepast\" vervangen door de woorden \"waarin vloeibaar metaal wordt toegepast\" en wordt het woord \"afgas\" vervangen door het woord \"afvalgas\";10° in § 2, 11°, c) worden de woorden \"(als HCL)\" vervangen door de woorden \"(als HCI)\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-169\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 169</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.29.0.7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1° worden de woorden \"moet gebeuren zoalng\" vervangen door de woorden \"moet gebeuren zolang\";2° in 4°, b) worden de woorden \"aanmerkelijke grote\" vervangen door de woorden \"aanmerkelijk grote\"; 3° in 5° wordt de eerste zin vervangen door wat volgt : « De bepalingen van 1° en 2° van dit artikel zijn niet van toepassing op het stralen van volumineuze constructies (scheepsrompen, boven- en onderbouw van schepen, kunstwerken, masten e.d.), met staalkorrels, -grit en aanverwante producten als dat noodzakelijkerwijs in de openlucht dient uitgevoerd te worden. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 170</span><span class=\"lf-art-t\">In artikel 5.29.0.8, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden \"schijven viltbekleding\" vervangen door de woorden \"schijven, viltbekleding\"</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 171</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.29.0.9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1° wordt het woord \"elektrolytische\" vervangen door het woord \"elektrolytisch\";2° in 3°, d), worden de woorden \"veiligheid waarborgt\" vervangen door de woorden \"veiligheid waarborgen\";3° in 7°, tweede lid, worden de woorden \"verantwoorde wijze ongedaan maken\" vervangen door de woorden \"verantwoorde wijze ongedaan worden gemaakt\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-172\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 172</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 5.30 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° voor artikel 5.30.0.1 wordt een afdelingstitel ingevoegd die luidt als volgt : \"Afdeling 5.30.0. - Algemene bepalingen\"; 2° een artikel 5.30.0.7, een afdeling 5.30.1 en een afdeling 5.30.2 worden toegevoegd die luiden als volgt : « Art. 5.30.0.7. Bij hoogovenslakgranulatieprocessen met geleide emissie, inzonderheid volgens het INBA-procédé, zijn de algemene emissiegrenswaarden, vastgesteld in artikel 4.4.3.1, niet van toepassing In de milieuvergunning kunnen, met toepassing van de beste beschikbare technieken, voorwaarden inzake de emissies worden opgelegd op basis van de door dit reglement vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor lucht. Afdeling 5.30.1. - Inrichtingen voor de fabricage van keramische producten Art. 5.30.1.1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubriek 30.9 van de indelingslijst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53012\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.30.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">De afstandsregels vermeld in artikel 5.30.0.2, § 1, 2°, zijn van toepassing, tenzij anders bepaald in de vergunning</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53013\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.30.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de luchtverontreiniging gelden de volgende bepalingen : 1° referentiezuurstofgehalte : de emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentievolumegehalte aan zuurstof in het afgewerkte gas van 18 % O2;2° voor bestaande inrichtingen geldt tot en met 31 december 2002 de volgende overgangsregeling : a) alvorens beste beschikbare reinigingstechnieken voor rookgasreiniging in te zetten, en voorzover de kwaliteit van het keramische eindproduct het toelaat, moeten procesgeïntegreerde maatregelen worden verkozen teneinde de luchtemissie te beperken; b) in afwijking van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in afdeling 4.4.3, moeten de rookgassen afkomstig van verhittingsinstallaties van bestaande inrichtingen voldoen aan de volgende emissiegrenswaarden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld c) in afwijking van de algemene emissiegrenswaarden voor organische stoffen bepaald in afdeling 4.4.3, wordt voor de rookgassen afkomstig van verhittingsinstallaties van bestaande inrichtingen enkel het totale gehalte aan organische stoffen, uitgedrukt in massa-eenheden C per volume rookgas, in aanmerking genomen; bij een totale massastroom van 5 kg/u of meer mag de massaconcentratie in de rookgassen 200 mg/Nm3 niet overschrijden; d) meetstrategie : in afwijking van de bepalingen van de afdeling 4.4.4 worden de rookgassen afkomstig van de bakovens van bestaande inrichtingen gemeten volgens de volgende meetfrequentie : de concentraties in de rookgassen van de parameters dienen jaarlijks gemeten te worden en dit tijdens een periode van normale bedrijvigheid; de resultaten van voormelde emissiemetingen dienen ter inzage gehouden van de met het toezicht gelaste ambtenaar. \"Afdeling 5.30.2. - Asfaltbetoncentrales Art. 5.30.2.1 In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden van hoofdstuk 4.4 geldt voor de asfaltbetoncentrales bedoeld in de subrubriek 30.4 van de indelingslijst voor de parameter \"CO\" een emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm3 en een richtwaarde van 100 mg/Nm3. »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het hoofdstuk 5.31 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : \"HOOFDSTUK 5.31. - Machines met inwendige verbranding Art. 5.31.0.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de motoren met inwendige verbranding opgesteld op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken, zijnde een niet vast opgestelde motor die niet onder toepassing van titel I van het VLAREM valt. Afdeling 5.31.1. - Vast opgestelde machines met 360 of meer bedrijfsuren per jaar Art. 5.31.1.1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op vast opgestelde machines, al dan niet met elektriciteitsproductie, ingedeeld in subrubriek 31.1 van de indelingslijst, inzonderheid gasmotoren, dieselmotoren, gasturbines- en stoom- en gasturbine-installaties, met een aantal bedrijfsuren van 360 u. per jaar of meer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.31.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden bepaald in hoofdstuk 4.4, moeten de rook- en uitlaatgassen afkomstig van de installaties, bedoeld in artikel 5.31.1.1, voldoen aan : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld * de emissiegrenswaarden mogen worden vermenigvuldigd met een factor x2 bij uitbating van de gasturbine-installatie beneden 60 % van zijn capaciteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.31.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De lozingen van rook-en uitlaatgassen uit machines met inwendige verbranding, bedoeld in artikel 5.31.1.1, moeten op een gecontroleerde wijze via een schoorsteen geschieden. § 2. De concentraties in de rookgassen van stof, zwaveldioxide, stikstofoxiden, CO en zuurstof moeten continu worden gemeten met meetapparatuur goedgekeurd door een erkend milieudeskundige De meetresultaten dienen ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaren van de afdeling Milieu-inspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voormelde continue metingen zijn niet vereist : 1° voor SO2, wanneer het gaat om een in hoofdzaak met aardgas of andere zeer zwavelarme brandstoffen gevoede stookinstallatie;2° wanneer het SO2-gehalte wordt berekend op basis van het zwavelgehalte van de brandstof;3° voor stof, wanneer het gaat om een in hoofdzaak met gasvormige brandstoffen gevoede stookinstallatie. § 3. De continue metingen, bedoeld in § 2, kunnen vervangen worden door discontinue metingen en/of berekeningen (minimum jaarlijks) volgens een code van goede praktijk. § 4. De schoorsteenhoogte mag niet meer dan 200 m bedragen.</p></div>", "next": 238313}