{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Tevens wordt er in de laatste paragraaf met het oog op de versterking van het publiek toezicht een wettelijke basis gegeven aan een vaststaande praktijk dat jaarlijks door de Raad van het Instituut het verslag over de werkzaamheden van het Instituut tijdens het verlopen jaar, de jaarrekening op 31 december en het verslag van de commissarissen wordt overgemaakt aan de Minister die bevoegd is voor Economie alsook aan de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze informatie zal binnen de maand na de algemene vergadering worden overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag over de werkzaamheden van het Instituut bevat onder andere de toelatingen en de registerinschrijvingen alsmede de tuchtbeslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien dit verslag wordt overgemaakt aan de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris, geschiedt er derhalve een publiek toezicht op de toelatingen en de registerinschrijvingen alsmede op de tuchtbeslissingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 38</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van het opschrift van hoofdstuk V van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 Art. 39 Wijziging van artikel 16 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 27 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel van overname van het vroegere artikel 16, met uitzondering van het derde lid dat wordt geherformuleerd teneinde te benadrukken dat er een mogelijkheid bestaat om de duur van de stage van drie jaar te verkorten. In het licht van de harmonisatie werden de woorden « zowel voor de Belgen als voor de vreemdelingen » weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woorden « advies van de Raad » worden geschrapt in verband met de verkorting van de stageduur. De beslissing tot verkorting van de stageduur is voortaan een bevoegdheid van de Stagecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De modaliteiten inzake de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor, door de Koning te bepalen overeenkomstig artikel 29, kunnen in een verkorting van de duur van de stage voorzien, zoals reeds het geval was onder de vorige wetgeving en reglementering (art. 24 van het koninklijk besluit van 13 october 1987). Deze machtiging aan de Koning laat toe om de bepalingen voorzien in de artikelen 11 en 12 van de Richtlijn, die toelaten om in de door haar bepaalde situaties de duur van de stage te beperken, om te zetten. Zoals blijkt uit het advies van de Raad van State 42.226/1 van 23 maart 2007, spreekt het voor zich dat het uitvoeringsbesluit slechts in een verkorting van de duur van de stage kan voorzien binnen de beperkingen voorzien in de artikelen 11 en 12 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord « gedeeltelijk » werd weggelaten, aangezien een totale verkorting van de stage in bepaalde gevallen kan worden toegekend en dit de betrokkene niet vrijstelt van het bekwaamheidsexamen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 40</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 17 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 28 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid inzake de toelating van een kandidaat tot de stage van bedrijfsrevisor wordt voortaan toevertrouwd aan de Stagecommissie en niet langer aan de Raad van het Instituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van het vroegere artikel 18 betreffende het beroep tegen een weigering van toelating tot de stage wordt middels wijziging van de woorden « de Raad van het Instituut » door de woorden « de Stagecommissie » en middels toevoeging van de beroepsmodaliteiten verplaatst naar de tweede paragraaf van artikel 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van de maximumleeftijd van 65 jaar voorzien in artikel 5, 7° van de wet (al voorzien door art.4, 2°, van de huidige wet van 1953), is het logisch dat een persoon slechts tot uiterlijk de leeftijd van 60 jaar tot de stage wordt toegelaten. In antwoord op de vraag opgeworpen door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, heeft men ervoor gekozen deze verduidelijking met betrekking tot de leeftijdsgrens van 60 jaar te voorzien, teneinde rekening te houden met de bepalingen voorzien in de artikelen 10 tot 12 van de Richtlijn betreffende de duur van de stage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzingen naar de andere artikelen van de wet opgenomen in artikel 28 worden hernummerd in functie van de nieuwe nummering van de artikelen van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 41</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 18 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 29 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wordt volledig geherformuleerd in de zin dat de modaliteiten inzake de toelating tot het beroep van bedrijfsrevisor door de Koning worden bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van het opschrift van hoofdstuk VI van de wet van 22 juli 1953. Dit hoofdstuk bevat acht afdelingen. Art. 43 Invoeging van een nieuwe eerste afdeling betreffende de normen en aanbevelingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 44</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 18bis van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 30 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 26 en overwegingen 13 en 14 van de Richtlijn hebben betrekking op de te realiseren auditwerkzaamheden overeenkomstig de internationale controlestandaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 30 beschrijft uitvoerig de bevoegdheid van de Raad van het Instituut op het vlak van het opstellen van de normen en aanbevelingen, behoudens in materies die door de internationale controlestandaarden, in om het even welk wetgevingsinstrument van de Europese Commissie goedgekeurd en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, worden geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 30, § 1, derde lid bepaalt dat de normen en aanbevelingen slechts uitwerking hebben na goedkeuring door de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en de Minister bevoegd voor Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt het publiek toezicht versterkt, aangezien voor het eerst wordt voorgesteld om in de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 de Hoge Raad voor de Economische Beroepen uitdrukkelijk te noemen als instantie die samen met de Minister bevoegd voor Economie de verordenende bevoegdheid heeft om nieuwe normen en aanbevelingen goed te keuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen goedkeuring is vanwege beide instanties, komen er geen normen of aanbevelingen tot stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt voorzien dat de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (Hoge Raad), voor wat betreft de specifieke bepalingen betreffende de organisaties van openbaar belang in de normen, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) kan raadplegen. Het betreft een mogelijkheid en geen verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze raadpleging van de CBFA is overeenkomstig artikel 30, § 1 wel verplicht voor de normen inzake de kwaliteitscontrole, waarvan sprake is in artikel 33, § 5. Er wordt voorzien dat de specifieke bepalingen betreffende de organisaties van openbaar belang van de normen inzake kwaliteitscontrole worden vastgesteld na raadpleging van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. De ISQC-1 worden hier niet beoogd, vermits deze standaard de door de kantoren zelf te nemen maatregelen beoogt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vereiste vergemakkelijkt het bekomen van de gelijkwaardigheid van de Belgische kwaliteitscontroles met deze in andere lidstaten en derde landen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is moeilijk een raadpleging van de CBFA voor te schrijven voor alle normen aangezien er ook gemeenschappelijke normen bestaan met het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en deze gemeenschappelijke normen geenszins door de Richtlijn worden beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van drie maanden of, bij speciaal gemotiveerde hoogdringendheid, van één maand waarbinnen de Hoge Raad zijn goedkeuring verleent, wordt gedurende de termijn van de raadpleging van de CBFA opgeschort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens te delibereren over de ontwerpnorm of aanbeveling wordt voorgeschreven dat de Hoge Raad een vertegenwoordiger van de Raad van het Instituut hoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn advies onderstreept de Raad van State de noodzaak om de procedure van het uitwerken van de normen en aanbevelingen te verduidelijken. In antwoord op deze bemerking is het passend te onderstrepen in onderhavig Verslag aan de Koning dat, in de praktijk, de ontwerpnormen of aanbevelingen onderworpen zijn aan de volgende procedure : a) het Instituut formuleert een ontwerpnorm en -aanbeveling;b) het Instituut legt het ontwerp ter goedkeuring voor aan de Hoge Raad voor de Economische Beroepen die over een termijn van drie maanden beschikt (eventueel opgeschort tijdens de periode van raadpleging van de CBFA);c) het ontwerp, na goedkeuring door de Hoge Raad voor de Economische Beroepen, krijgt slechts uitwerking na goedkeuring door de Minister van Economie;geen termijn is voorzien betreffende de goedkeuring door de Minister, hetgeen impliceert dat deze goedkeuring (of weigering) zal moeten tussenkomen binnen een redelijke termijn, onderworpen aan de beoordeling en onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure beantwoordt aan de vereisten van een publieke toezicht op het aannemen van normen voorzien in artikel 32.4. b) van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf heeft betrekking op de uitzonderlijke situatie dat de Minister bevoegd voor Economie de normen of aanbevelingen wenst aan te passen. Deze wijzigingsbevoegdheid beperkt zich enkel tot een aanpassing wegens het gebrek aan conformiteit met de wettelijke of reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de internationale auditstandaarden. De Minister kan enkel bestaande normen wijzigen, maar er geen op eigen initiatief vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gemeenschappelijke normen met het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, houdt deze paragraaf derhalve een afwijking in van artikel 54, vierde lid van de wet van 22 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999016119 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/08/2010 numac 2010000464 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999016118 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/09/2013 numac 2013000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen waarbij er niet kan worden afgeweken van een advies van de Hoge Raad dat op meer dan één beroep of hoedanigheid betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nieuwe standard setting due process is van toepassing op het geheel van normen en aanbevelingen; en gaat derhalve verder dan de vereisten van de Richtlijn die enkel statutory audits van handelsvennootschappen beoogt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde paragraaf onderstreept dat normen bindend zijn voor de bedrijfsrevisoren. Van aanbevelingen kan door de bedrijfsrevisor mits motivering worden afgeweken. Dit geeft een wettelijke basis aan de huidige reglementaire bepalingen (art. 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de modaliteiten inzake de bekendmaking van de normen en aanbevelingen bepaalt de vierde paragraaf dat ze worden gepubliceerd onder papieren vorm en op de websites van het Instituut en de Hoge Raad. De goedkeuring door de Minister bevoegd voor Economie en de latere wijzigingen aan de normen en aanbevelingen maken het voorwerp uit van een advies dat in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de toename van wetgevende en reglementerende teksten inzake de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor zowel op internationaal niveau (bv. International Standards on Auditing) als op Belgische vlak (bv. de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/11/2002 numac 2002009820 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/09/2002 numac 2002009809 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot aanvulling van artikel 33, § 1, eerste lid van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis sluiten (Corporate Governance wet), de nieuwe vzw-wet), is het overeenkomstig de nieuwe vijfde paragraaf opportuun dat de Raad van het Instituut onder de vorm van adviezen, mededelingen of omzendbrieven de doctrine ontwikkelt inzake de audittechnieken en alle adviezen formuleert die nuttig zijn voor de goede toepassing door zijn leden van het wettelijk, reglementerend en normatief kader dat de uitoefening van hun beroep regelt. De Raad van het Instituut kan zijn doctrine enkel via adviezen, omzendbrieven of mededelingen ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State, is het passend de draagwijdte en het eventueel bindend karakter van de adviezen, omzendbrieven en mededelingen te verduidelijken : a) de adviezen, die geen bindend karakter hebben, weerspiegelen het standpunt van de Raad van het Instituut en laten in het bijzonder de bedrijfsrevisoren toe om de standpunten vooraf te kennen die de Raad zal nemen naar aanleiding van individuele dossiers;b) de omzendbrieven bevatten algemene deontologische aspecten en hebben geen bindend karakter in hoofde van de bedrijfsrevisoren;c) de mededelingen hebben een informatief karakter en hebben geen bindend karakter. Het overmaken van de adviezen, mededelingen of omzendbrieven aan de Hoge Raad gebeurt gelijktijdig met de verzending ervan aan de bedrijfsrevisoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad gaat de onverenigbaarheid van deze adviezen, mededelingen of omzendbrieven met andere bepalingen na.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte bevat het nieuwe artikel 30 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 bepalingen die het artikel 54 van de wet van 22 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999016119 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/08/2010 numac 2010000464 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999016118 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/09/2013 numac 2013000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten aanvullen (en soms daarvan afwijken) (lex specialis derogat legi generali en een latere wet wijkt af van een voorafgaande wet). Naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State, lijkt het niettemin verkieselijk deze bepalingen in de wet van 1953 te behouden, veeleer dan in de wet van 22 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999016119 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/08/2010 numac 2010000464 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/05/1999 numac 1999016118 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/09/2013 numac 2013000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten, teneinde de transparantie en de coherentie van het systeem van publiek toezicht op het verloop van goedkeuring van normen en aanbevelingen te behouden, overeenkomstig de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang te vermelden dat, indien de Hoge Raad in een bepaalde materie tekortkomingen vaststelt inzake de normatieve en reglementaire teksten die niet gedekt zijn door maatregelen op Europees niveau, de Raad van het Instituut ertoe gehouden is om het aspect, zoals door de Hoge Raad geïdentificeerd, binnen een redelijke termijn te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In antwoord op een vraag van de Raad van State, is het passend te verduidelijken dat de « stellingname » van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen bedoeld in het nieuwe artikel 30, § 5, derde lid, van de wet van 1953, betreffende de adviezen, omzendbrieven en mededelingen, geen bindend karakter hebben, in tegenstelling tot de goedkeuringsbevoegdheid die de Hoge Raad heeft met betrekking tot de normen en aanbevelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 45</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe tweede afdeling betreffende de permanente vorming</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 46</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 18ter, § 1, 1° van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 31 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Instituut ziet er op toe dat de bedrijfsrevisoren natuurlijke personen hun verplichtingen inzake permanente vorming in toepassing van artikel 14, § 4 op continue wijze voortzetten. De opvolging van de permanente vorming is een element van de kwaliteitscontrole.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 47</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe derde afdeling betreffende het toezicht en de kwaliteitscontrole</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 48</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 18ter van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat artikel 32 van die wet wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf wordt geherformuleerd in die zin dat het Instituut toeziet op de uitoefening van de door de bedrijfsrevisoren toevertrouwde opdrachten overeenkomstig onder andere de in de artikelen 13, 14, § 1 tot § 3 en § 5, 15, 16 en 17 opgenomen principes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een versterking van het toezicht door het Instituut op de goede uitvoering van de hun toevertrouwde opdrachten, wordt het opportuun geacht de omvang van de op te vragen informatie alsook van het voorwerp van de onderzoeken uit te breiden. Bijgevolg wordt in de tweede paragraaf een verruimde bevoegdheid van het Instituut vastgelegd, met name dat het Instituut de voorlegging kan eisen door zijn leden van elke informatie, verklaring of document, en meer in het bijzonder van de overzichten van de door hen aanvaarde revisorale opdrachten, hun werkprogramma's en werkpapieren, hun verbanden met andere personen die deel uitmaken van hun netwerk en die al dan niet in een lidstaat van de Europese Unie of in een derde land, de hoedanigheid van wettelijke auditor, auditkantoor, auditor of auditorganisatie van een derde land bezitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde paragraaf geeft een machtiging aan de Koning teneinde de modaliteiten van de organisatie van toezicht op de bedrijfsrevisoren vast te stellen. Het doel bestaat erin om aan de huidige Commissie van Toezicht een reglementair karakter te verlenen en de afwikkeling van de procedure meer te verduidelijken en dit ter versterking van het extern toezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 49</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuw artikel 33 dat de basisprincipes van de kwaliteitscontrole uiteenzet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitscontrole wordt onder andere georganiseerd krachtens de nieuwe artikelen 33, 34, 46, § 1, f), en 50 van de wet van 1953. In tegenstelling tot het vorig systeem, wordt het nieuwe systeem aldus door de wet geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 onderlijnd, voorziet artikel 29.1. a) van de Richtlijn dat « het kwaliteitsborgingsstelsel is op zodanige wijze opgezet dat het onafhankelijk is van de wettelijke auditors en auditkantoren die in het kader ervan worden beoordeeld, en dat het onderworpen is aan publiek toezicht als bedoeld in hoofstuk VIII (van de Richtlijn) ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijkt duidelijk uit de bepalingen betreffende het nieuwe systeem dat dit aan de vereisten van de Richtlijn beantwoordt : a) De door de wet georganiseerde kwaliteitscontrole is onafhankelijk van de gecontroleerde revisoren, overeenkomstig artikel 29.1. a) van de Richtlijn. In ieder geval, is deze Kamer, onder andere, bevoegd om de jaarlijkse lijst van de te verrichten kwaliteitscontroles goed te keuren (art. 46, § 2, van de wet van 1953) en om de conclusies van de kwaliteitscontroles te beoordelen, overeenkomstig artikel 50 van de wet van 1953. De Kamer van verwijzing en instaatstelling kan bovendien een expert aanduiden om de kwaliteitscontrole rechtstreeks te verwezenlijken. b) In ieder geval is de kwaliteitscontrole onderworpen aan het toezicht van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, overeenkomstig artikel 29.1. a) van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 29 en overweging 17 van de Richtlijn worden, in de eerste paragraaf bedrijfsrevisoren ten minste om de zes jaar aan een kwaliteitscontrole onderworpen en gaat het Instituut bij hen over tot alle onderzoeken over hun werkmethodes, hun organisatie, de uitgevoerde werkzaamheden en de manier waarop ze hun opdrachten uitoefenen. De kwaliteitscontrole heeft onder andere betrekking op de naleving van de verplichting inzake permanente vorming. De term « bedrijfsrevisor » beoogt ofwel de natuurlijke persoon, ofwel het bedrijfsrevisorenkantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van State werpt de noodzaak op om de rol van het toezicht te verduidelijken dat uitgeoefend wordt door de Kamer van verwijzing en instaatstelling omtrent de verplichting inzake permanente vorming van bedrijfsrevisoren naar aanleiding van de kwaliteitscontrole. In dit opzicht is het passend te verduidelijken dat in onderhavig Verslag aan de Koning naar aanleiding van de kwaliteitscontrole, één van de aan het nazicht onderworpen verplichtingen de permanente vorming betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uitdrukkelijk uit het nieuwe artikel 33, § 1, tweede lid van de wet van 1953. In de praktijk zal de bedrijfsrevisor, naar aanleiding van een kwaliteitscontrole, zijn naleving van de verplichting inzake permanente vorming moeten kunnen verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de nieuwe artikelen 46, § 1, f) en 50 van de wet van 1953 worden alle resultaten van de kwaliteitscontrole (hierin begrepen het nazicht van de verplichting inzake permanente vorming) vervolgens onderworpen aan de beoordeling van de Kamer van verwijzing en instaatstelling in naleving van artikel 32.4. c) van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overweging 17 van de Richtlijn wordt onderlijnd dat regelmatige inspecties een goed instrument vormen om tot wettelijke controles van de jaarrekeningen te komen die constant van degelijke kwaliteit zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke auditors en auditkantoren dienen daarom onderworpen te zijn aan een kwaliteitsborgingsstelsel dat op zodanige wijze is opgezet dat het los staat van de wettelijke auditors en auditkantoren die in het kader ervan worden beoordeeld. Met het oog op de toepassing van artikel 29 van de Richtlijn inzake kwaliteitsborgingsstelsels kunnen de lidstaten beslissen dat wanneer afzonderlijke wettelijke auditors een gezamenlijk kwaliteitsborgingsbeleid hebben, alleen de vereisten ten aanzien van auditkantoren in aanmerking hoeven te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lidstaten kunnen het kwaliteitsborgingsstelsel zodanig opzetten dat elke afzonderlijke wettelijke auditor ten minste om de zes jaar aan een kwaliteitsbeoordeling wordt onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In toepassing van artikel 43 van de Richtlijn dienen in de derde paragraaf de bedrijfsrevisoren, die onder hun cliënten organisaties van algemeen belang hebben zoals genoteerde vennootschappen, kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen, ten minste om de drie jaar een kwaliteitscontrole te ondergaan. De term « bedrijfsrevisor » beoogt ofwel de natuurlijke persoon, ofwel het bedrijfsrevisorenkantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de mogelijkheid voor de lidstaten in overweging 17 dat wanneer afzonderlijke wettelijke auditors een gezamenlijk kwaliteitsborgingsbeleid hebben, alleen de vereisten ten aanzien van auditkantoren in aanmerking hoeven te worden genomen, zijn de bedrijfsrevisoren natuurlijke personen die deel uitmaken van een bedrijfsrevisorenkantoor onderworpen aan de kwaliteitscontrole op grond van voorwaarden die geformuleerd zijn voor het kantoor. Er gebeurt derhalve geen systematische kwaliteitscontrole van alle natuurlijke personen vennoten van het bedrijfsrevisorenkantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitscontrole wordt uitgevoerd overeeenkomstig de in deze materie uitgevaardigde normen, hetzij door bedrijfsrevisoren natuurlijke personen, hetzij door aan het beroep externe inspecteurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laatstgenoemden zullen door het Instituut worden gecontracteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst ofwel door een samenwerkingsovereeenkomst verbonden zijn met het Instituut. Deze personen zullen onderworpen zijn aan het beroepsgeheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde paragraaf voorziet dat de algemene resultaten van de kwaliteitscontroles jaarlijks op anonieme basis en via alle gepaste middelen (jaarverslag, website,...) moeten worden openbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de zevende paragraaf is de Raad bevoegd om de besluiten van de kwaliteitscontrole aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De modaliteiten inzake organisatie van de kwaliteitscontrole worden door de Koning bepaald. De verantwoording is identiek aan deze opgenomen in het voorgaande artikel inzake toezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw artikel 34 geeft aan de Koning de machtiging om organen aan te wijzen in de schoot van het Instituut die belast zijn met het organiseren van de kwaliteitscontrole en met het toezicht houden op de uitoefening van het beroep. Deze organen zijn respectievelijk de Commissie Kwaliteitscontrole en de Commissie van Toezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 51</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe vierde afdeling betreffende het beroepsgeheim van het Instituut</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw artikel 35 voorziet dat, in toepassing van artikel 36.2 van de Richtlijn, het Instituut, zijn organen, de leden van zijn organen en zijn personeelsleden onderworpen zijn aan het beroepsgeheim Overeenkomstig het advies 42.226/1 van de Raad van State van 23 maart 2007, werden de bepalingen omtrent de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten uitgebreid, overeenkomstig artikel 36 van de Richtlijn, en, voor de leesbaarheid, werden ze verplaatst naar een afzonderlijke afdeling, die specifiek is gewijd aan de samenwerking (artikel 77 van de wet van 1953, waarnaar artikel 35 van dezelfde wet verwijst).</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde paragraaf preciseert dat, in het kader van de uitoefening van zijn opdracht van toezicht en tucht of in geval van internationale verplichtingen, het Instituut gemachtigd is om aan een beroepsorganisatie die in België of in Europa een statuut en een functie heeft die vergelijkbaar is met die van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, informatie over een bedrijfsrevisor en zijn activiteit mede te delen of van die organisatie te ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste paragraaf geeft een wettelijke basis aan het feit dat informatie die wordt bekomen in het kader van een aan het Instituut voorbehouden opdracht ook in het kader van een andere opdracht kan worden gehanteerd. Dit beoogt de inlichtingen verkregen door de Raad of door ieder ander orgaan van het Instituut dat een opdracht uitvoert in delegatie van de Raad of op autonome wijze.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 53</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe vijfde afdeling betreffende de injunctie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 54</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 18quater van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 36 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een overname van het vroegere artikel 18quater waarbij door de hernummering en de volledige reorganisatie van de hoofdstukken en artikelen de nummers van de in dit artikel vermelde bepalingen zijn aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast worden in dit artikel de bevoegdheden van de Raad uitgebreid in het geval de betrokken bedrijfsrevisor op onvoldoende wijze gevolg geeft aan de verplichting die hem door de Raad wordt opgelegd om hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de Kamer van verwijzing en instaatstelling binnen een vastgestelde termijn een einde te stellen aan een gedrag dat strijdig is met de verplichtingen omschreven in artikel 14, § 3 of met de correcte toepassing van artikel 32, § 2 of artikel 33, § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de suggestie van de Raad van State, wordt het nieuwe artikel 46, § 1, van de wet van 1953 aangevuld met een punt g) dat een referentie bevat naar de bevoegdheid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling inzake injuncties, voorzien in artikel 36, § 1, van dezelfde wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het advies van de Raad van State, wordt artikel 36, § 1, aangevuld met een tweede lid volgens hetwelke de injunctie kan worden opgelegd, onverminderd de eventuele verwijzing van de bedrijfsrevisor naar de tuchtinstanties voor dezelfde feiten als deze die aan de basis liggen van de injunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan de injunctie door de bedrijfsrevisor binnen de hem toegemeten termijn op onvoldoende wijze gevolg wordt gegeven, kunnen voorlopige ordemaatregelen zoals voorzien in de artikelen 38 tot 40 worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet-naleving van de injunctie kan als dusdanig het voorwerp uitmaken van een tuchtsanctie. In antwoord op de vraag vanwege de Raad van State, kan worden opgemerkt dat : a) de injunctie kan worden opgelegd op initiatief van zowel de Raad als de Kamer van verwijzing en instaatstelling, die deel uitmaakt van het systeem van het publiek toezicht;b) de niet-naleving van de injunctie bovendien het voorwerp kan uitmaken van een tuchtsanctie die wordt opgelegd door een tuchtinstantie, die deel uitmaakt van het systeem van het publiek toezicht;c) de voorlopige ordemaatregelen die door de Raad worden opgelegd in geval van niet-naleving van de injunctie het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep voor de Commissie van beroep, die deel uitmaakt van het systeem van het publiek toezicht (nieuw artikel 38, § 3, van de wet van 1953). De aldus ingestelde procedure voldoet aan de vereisten van de Richtlijn met betrekking tot het systeem van het publiek toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfs indien de bedrijfsrevisor een gunstig gevolg geeft aan de injunctie, kan de Raad beslissen om de zaak over te maken aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling met het oog op een tuchtverwijzing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 55</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe zesde afdeling betreffende de terechtwijzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de bemerking van de Raad van State, wordt verduidelijkt, in het nieuwe artikel 37, § 1, dat deze terechtwijzing kan beslist worden, onverminderd de eventuele verwijzing van deze bedrijfsrevisor naar de tuchtinstanties voor dezelfde feiten als deze die aan de basis liggen van de terechtwijzing. Bovendien vertrouwt artikel 37 aan de Commissie van beroep, die deel uitmaakt van het systeem van publiek toezicht, de bevoegdheid toe van volledige rechtsmacht ingeval van beroep tegen de terechtwijzing. Deze bepalingen komen tegemoet aan de door de Raad van State geformuleerde bemerking met betrekking tot de vereisten van publiek toezicht, zoals door de Richtlijn voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de terechtwijzing, behoudt de Kamer van verwijzing en instaatstelling al haar bevoegdheden betreffende de tuchtverwijzing, met inbegrip van de verwijzingen voor dezelfde feiten als deze die aan de basis liggen van de terechtwijzing. In antwoord op een andere vraag van de Raad van State, gelet op het feit dat de bevoegdheden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling bepaald zijn door het nieuwe artikel 46, § 1, van de wet van 1953, waarbij de bevoegdheden van voormelde Kamer worden opgesomd, past het deze bepaling ongewijzigd te behouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 56</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuw artikel 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bedrijfsrevisor kan terechtgewezen worden door de Raad, hetzij ambsthalve, hetzij op verzoek van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, wanneer de feiten die de bedrijfsrevisor kunnen verweten worden, geen enkele van de in artikel 73 voorziene sancties verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het advies van de Raad van State, bepaalt artikel 37, § 1, van de wet van 1953 niet meer dat de Kamer van verwijzing en instaatstelling niet wordt geadieerd in geval van een terechtwijzing zoals door de Raad beslist. Bovendien wordt deze paragraaf aangevuld met een tweede lid, volgens hetwelke de Raad de Kamer van verwijzing en instaatstelling informeert over de beslissing tot terechtwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze informatieverplichting laat toe tegemoet te komen aan de opmerking van de Raad van State volgens dewelke de terechtwijzing onderworpen moet zijn aan een publiek toezicht zoals voorzien in de Richtlijn. De Kamer van verwijzing en instaatstelling, die aldus geïnformeerd is, zal in staat zijn om de bevoegdheden die haar zijn toevertrouwd uit te oefenen, onder meer de bevoegdheid inzake het beslissen van een onderzoek of een tuchtverwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokken bedrijfsrevisor beschikt over het recht om in beroep te gaan voor de Commissie van Beroep. De betrokken revisor geniet bijgevolg van een beroepsmogelijkheid met volledige rechtsmacht, die hem de waarborgen biedt die een tuchtprocedure kenmerken. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de bemerking van de Raad van State in dit verband. Het beroep moet binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de terechtwijzing ingediend worden en dit met het oog op een tegensprekelijk debat. Dit beroep werkt opschortend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie van Beroep heeft volle rechtsmacht. Zij kan immers beslissen om de terechtwijzing te hervormen of te bevestigen; zij kan ook beslissen om aan de betrokken bedrijfsrevisor één van de sancties voorzien in artikel 73 op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere definitief geworden terechtwijzing wordt gedurende vijf jaren vermeld in het dossier van de bedrijfsrevisor, waarna deze automatisch wordt uitgewist. Indien gedurende deze termijn de bedrijfsrevisor het voorwerp is van een aanhangigmaking of een nieuwe aanhangigmaking bij de tuchtinstanties, dan worden deze speciaal geïnformeerd over de beslissing tot terechtwijzing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 57</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe zevende afdeling betreffende de voorlopige ordemaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Art. 58 De artikelen 38 tot 40 bevatten een andere nieuwigheid, met name de installatie van een mechanisme van voorlopige ordemaatregelen door het uitvoerend comité hetzij ambtshalve door een unanieme beslissing in zijn schoot, hetzij op verzoek van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, voor de gevallen waarin het algemeen belang vereist dat een bedrijfsrevisor onmiddellijk doch voorlopig wordt beroofd van het recht om beroepsmatige handelingen te stellen. De Kamer van verwijzing en instaatstelling wordt geïnformeerd door de Raad wanneer er een ordemaatregel wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ordemaatregel is van toepassing gedurende de termijn bepaald door het Uitvoerend Comité. In het belang van de rechtszekerheid houden de effecten van de voorlopige ordemaatregel van rechtswege op, indien de Tuchtcommissie niet binnen de zes maanden van deze maatregel is geadieerd met aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen die deze rechtvaardigen. Hetzelfde geldt wanneer de beslissing van de tuchtinstanties inzake deze aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen in kracht van gewijsde is gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 38, § 2 bevat de algemene regel dat geen enkele ordemaatregel kan worden genomen indien de betrokken bedrijfsrevisor niet ten minste 15 dagen op voorhand per aangetekende brief werd uitgenodigd om zich daaromtrent te verantwoorden voor het Uitvoerend Comité van het Instituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedrijfsrevisor die het voorwerp uitmaakt van een ordemaatregel kan aan de Commissie van Beroep vragen om deze maatregel op te heffen. Dit beroep werkt niet opschortend. De Commissie van Beroep heeft geen volle rechtsmacht. Immers, ze kan slechts beslissen om de maatregel te bevestigen of stop te zetten. Daarenboven heeft de beslissing van de Commissie van Beroep slechts effecten voor de toekomst : ze heeft geen terugwerkende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Commissie van Beroep geen gevolg geeft aan het verzoek van de bedrijfsrevisor, kan deze laatste geen nieuw verzoek formuleren binnen de twee maanden die volgen op het verwerpen van zijn voorgaand verzoek. Bovendien zal hij, ter gelegenheid van zijn nieuw verzoek, het bestaan moeten aantonen van nieuwe omstandigheden die volgens hem de stopzetting van de maatregel rechtvaardigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 39 voorziet een uitzondering, namelijk in geval van hoogdringendheid of klaarblijkelijkheid kan de Voorzitter van het Instituut een voorlopige ordemaatregel nemen zonder voorafgaand verhoor van de betrokkene. Onder « klaarblijkelijkheid » wordt verstaan : « op het ogenblik van de feiten, of nog : feiten die aanzien worden als zijnde vastgesteld op het ogenblik van de realisatie van de schending »</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan een bevestiging vanwege het Uitvoerend Comité binnen de vijftien dagen na zijn kennisgeving en bij unanimiteit van zijn leden aanwezig tijdens de beraadslaging, houdt de door de Voorzitter van het Instituut uitgesproken ordemaatregel op gevolgen te hebben bij het verstrijken van deze termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 39, § 3, van de wet van 1953 werd aangepast aan de formele bemerking van de Raad van State.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 40 bepaalt dat, zelfs wanneer het onderzoek van een tuchtdossier nog niet zou zijn afgesloten, er in het belang van het beroep tot voorlopige ordemaatregelen kan worden besloten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 61</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuwe achtste afdeling betreffende informatieverstrekking inzake procedures en sancties en raadpleging door overheden van de Raad</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 41 herneemt de tekst van het vroegere artikel 18quinquies en voegt er aan toe dat, onverminderd artikel 14, § 3, de bedrijfsrevisor, tegen wie een gerechtelijke, tuchtrechtelijke of administratieve procedure werd ingeleid die betrekking heeft op de uitoefening van zijn beroep, de Raad van het Instituut hierover inlicht binnen de maand na de inleiding van de procedure en eveneens het Instituut op de hoogte brengt van de beslissingen die werden genomen in het kader van deze procedures door de geadieerde rechtsmachten of autoriteiten en dit binnen de maand na deze beslissingen. Hetzelfde geldt voor de definitief geworden beslissingen In geval van een strafprocedure brengt de bedrijfsrevisor de Raad daarvan op de hoogte vanaf het ogenblik dat hij in staat van beschuldiging is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is voormelde verplichting ook van toepassing op de functies die de bedrijfsrevisor uitoefent in de hoedanigheid van lid van een beroepsorganisatie die in België of in het buitenland gelijkaardige functies heeft als deze van het Instituut.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een zo efficiënt mogelijk toezicht door het Instituut op de goede uitvoering door de bedrijfsrevisoren van de hun toevertrouwde opdrachten, bepaalt artikel 42 dat het opportuun is dat het Instituut wordt geraadpleegd omtrent de beslissingen die in België en in het buitenland in het kader van een bepaalde procedure tegen hen worden genomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 64</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuw hoofdstuk VII met als opschrift « Publiek toezicht »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 65</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeging van een nieuw artikel 43 met betrekking tot het publiek toezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 32 en overweging 20 van de Richtlijn stipuleren dat de lidstaten een doeltreffend stelsel dienen op te zetten voor de uitoefening van publiek toezicht op wettelijke auditors en auditkantoren. Dit stelsel dient gebaseerd te zijn op het beginsel dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. De op het publiek toezicht van toepassing zijnde wettelijke regelingen dienen een doeltreffende samenwerking op Gemeenschapsniveau van de toezichtsactiviteiten van de lidstaten mogelijk te maken. Het stelsel van publiek toezicht dient te worden beheerd door personen die zelf geen beroepsbeoefenaars zijn, maar voldoende bekend zijn met de vakgebieden die verbonden zijn met de wettelijke controle van jaarrekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het systeem van publiek toezicht rust de eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op : a) de inschrijving in het openbaar register van een bedrijfsrevisor overeenkomstig artikel 9;b) de goedkeuring van de normen overeenkomstig artikel 30;c) de permanente vorming overeenkomstig artikel 31;d) de kwaliteitscontrole overeenkomstig artikel 33;en e) het toezicht en de tuchtregelingen overeenkomstig artikel 32. Zoals door de Raad van State voorgesteld in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, zijn de tuchtinstanties begrepen in het systeem van publiek toezicht, overeenkomstig artikel 32.4. c) van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit impliceert onder andere dat de tuchtinstanties in meerderheid moeten worden samengesteld uit niet-bedrijfsrevisoren, dat de werkprogramma's en activiteitenverslagen van de tuchtinstanties jaarlijks moeten bekendgemaakt worden, en dat de tuchtinstanties moeten worden gefinancierd op een manier gevrijwaard van ongewenste beïnvloeding door bedrijfsrevisoren, krachtens respectievelijk het artikel 32.3, 32.6 en 32.7 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals voorgesteld door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, werd de transparantie van het systeem van toezicht versterkt door het invoegen van een tweede lid in artikel 43, § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens deze bepaling, worden de werkprogramma's en de activiteitenverslagen van de organen van publiek toezicht jaarlijks gepubliceerd volgens de door het in het artikel 77, § 1, bedoelde orgaan bepaalde modaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de artikelen 32 en 34 van de Richtlijn bepalen met name de nieuwe artikelen 43 en 44 van de wet van 1953 modaliteiten inzake : a) de benoeming van de leden (non-practioners) (art.32.3. van de Richtlijn); de leden mogen geen bedrijfsrevisoren, accountants of boekhouders zijn; indien ex-bedrijfsrevisor dan geldt een cooling-off periode van 3 jaar; zoals voorgesteld de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 en overeenkomstig artikel 2, 15°, van de Richtlijn, wordt dit verbod uitgebreid tot degenen die sinds minder dan drie jaar voorafgaand aan hun betrokkenheid bij het beheer van het stelsel van publiek toezicht wettelijke controles van jaarrekeningen hebben verricht, stemrecht in een auditkantoor hebben bezeten, lid zijn geweest van het bestuursorgaan van een auditkantoor en in dienst zijn geweest van of verbonden zijn geweest met een auditkantoor; zoals voorgesteld door de Raad van State en overeenkomstig de artikelen 2, 15°, en 32.4. c) van de Richtlijn, worden deze onverenigbaarheden uitgebreid tot de leden niet-bedrijfsrevisoren van de tuchtinstanties die, overeenkomstig de Richtlijn, de meerderheid van de leden van de tuchtinstanties vormen (nieuw art. 58, § 2, van de wet van 1953 en artikel 63, § 2, lid 2, van dezelfde wet); overeenkomstig het advies van de Raad van State, voorziet het nieuwe artikel 43, § 2, van de wet van 1953 dat de Minister van Economie, omwille van het feit dat hij deel uitmaakt van het systeem van publiek toezicht (in tegenstelling tot andere Ministers en Staatssecretarissen), is onderworpen aan dezelfde onverenigbaarheden; b) de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot zijn eindverantwoordelijkheid (art.32.4. van de Richtlijn); c) het onderzoeksrecht (art.32.5. van de Richtlijn); d) de jaarlijkse publicatie van werkprogramma's en activiteitenverslagen (art.32.6. van de Richtlijn); e) de financiering (art.32.7. van de Richtlijn); f) de wederzijdse erkenning van wettelijke regelingen van publiek toezicht tussen lidstaten (o.a. home country control) (art. 34 van de Richtlijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het advies van de Raad van State, is het derde lid van het nieuwe artikel 43, § 1, van de wet van 1953 zoals aanvankelijk voorgesteld, dat een machtiging aan de Koning bevatte die diende gepreciseerd te worden, weggelaten en vervangen door wettelijke bepalingen in de wet van 1953 (bij voorbeeld met betrekking tot de financiering van de tuchtinstanties (art. 71, § 2, van de wet van 1953) en de aanduiding van het orgaan belast met de samenwerking (art. 77, § 1, van de wet van 1953)).</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf somt de organen van het systeem van publiek toezicht op, met name de Minister bevoegd voor Economie, de Procureur-generaal, de Kamer van verwijzing en instaatstelling, de Hoge Raad voor de Economische Beroepen, het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris en de tuchtinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is passend te preciseren dat de andere geldende wettelijke bepalingen betreffende de organen van het systeem van publiek toezicht van toepassing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf beschrijft de onverenigbaarheden in hoofde van de leden van de organen van publiek toezicht. De Richtlijn laat toe dat een minderheid van de leden van de public oversight uit het beroep komen. Deze hypothese werd echter niet weerhouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 66</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van het opschrift van hoofdstuk VII van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0, dat hoofdstuk VIII wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 67</span><span class=\"lf-art-t\">Het hoofdstuk VIII wordt onderverdeeld in vier afdelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eerste afdeling van hoofdstuk VIII handelt over de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oprichting van een Kamer van verwijzing en instaatstelling beoogt een betere afsplitsing van de procedure inzake het vooronderzoek van een dossier van de eventuele beslissing tot verwijzing van een bedrijfsrevisor naar de Tuchtcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie met de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris bezit de Kamer van verwijzing en instaatstelling rechtspersoonlijkheid teneinde de autonomie van de Kamer te versterken en de relaties tussen de Kamer en het Instituut te verduidelijken in het licht van de wederzijdse contacten, alsook op administratief en budgettair vlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit beantwoordt aan de noodzaak om de rol van de organen van toezicht te verduidelijken en de transparantie en onafhankelijkheid van deze organen ten aanzien van de bedrijfsrevisoren te versterken, zoals onderlijnd door de Raad van State.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot verwijzing van een bedrijfsrevisor naar de Tuchtcommissie wordt genomen door de Kamer van verwijzing en instaatstelling, volledig samengesteld uit verslaggevers die extern zijn aan het beroep, dit teneinde tegemoet te komen aan de vereisten gesteld door de Europese Richtlijn inzake public oversight.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 1. - De samenstelling en financiering Een eerste onderafdeling omvat de artikelen 44 en 45 waarin de samenstelling en de financiering van de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar luid van een nieuw artikel 44 wordt een Kamer van verwijzing en instaatstelling opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens voorziet voormeld artikel dat de Kamer van verwijzing en instaatstelling is samengesteld uit verslaggevers die buiten het beroep van bedrijfsrevisor staan en beoogt aldus volledig tegemoet te komen aan de vereiste van een externe controle op het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten hoogste twee derde van de verslaggevers behoort tot dezelfde taalrol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de verslaggevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de bemerking van de Raad van State, kan bevestigd worden dat de wijze van benoeming van de leden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling op een gedetailleerde wijze beschreven wordt in het nieuwe artikel 44, § 3, van de wet van 1953. Deze bepalingen die in de wet voorgesteld worden, komen tegemoet aan de doelstelling van transparantie zoals vereist door de Richtlijn en hebben in bijzonder betrekking op : a) de autoriteiten, die onfhankelijk zijn van het beroep (de Koning op voorstel van de Minister van Economie en van de Minister van Justitie), die de leden van voornoemde Kamer benoemen;b) de benoemingsvoorwaarden, met inbegrip van deze betreffende de vereiste bekwaamheden; c) de onverenigbaarheden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 32.3 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkingsmodaliteiten van de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden geregeld door de Koning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koning benoemt een lid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling op voorstel van de Minister van Economie, een ander lid op voorstel van de Minister van Justitie en de Voorzitter op gezamenlijk voorstel van de Minister van Economie en van de Minister van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 43, § 2 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 voorziet onder andere dat de de Procureur-generaal, en de leden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en van het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris geen bedrijfsrevisor mogen zijn en evenmin lid zijn van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten of van het Beroepsinstituut van de erkende Boekhouders en Fiscalisten. Dit verbod is van toepassing op de oud-bedrijfsrevisoren die het beroep sinds minder dan drie jaar hebben verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 44, § 5, laatste lid van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 wijzigt de voormelde regel van artikel 43, § 2 niet. Een oud-bedrijfsrevisor kan derhalve geen lid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden, indien hij minder dan drie jaar geleden het beroep heeft verlaten. Deze bepaling vloeit voort uit de Europese Richtlijn van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 43, § 2 bevestigt dat de hoedanigheid van lid van het IBR onverenigbaar is met de functie van verslaggever (lid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling). De bedoeling hiervan is de onafhankelijkheid van de Kamer ten opzichte van het beroep van bedrijfsrevisor te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien voorziet dit artikel dat de hoedanigheid van lid van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en van lid van het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris onverenigbaar is met de functie van verslaggever. De bedoeling hiervan is verwarring tussen de bevoegdheden van de organen van publiek toezicht te vermijden, te weten : a) de functie die erin bestaat om normen met een algemene draagwijdte aan te nemen (Hoge Raad voor de Economische Beroepen);b) de adviesfunctie inzake onafhankelijkheid, de afwijking van de « one-to-one »-regel en van onverenigbaarheden (Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris) in bijzondere dossiers;c) de functie van verwijzing naar tucht in bijzondere dossiers (Kamer van verwijzing en instaatstelling). Artikel 44, § 5, vierde lid, werd aangepast aan de formele bemerking van de Raad van State.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de onafhankelijkheidswaarborgen voorziet artikel 43, § 2 dat de verslaggevers de door de Europese Richtlijn van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen vereiste bekwaamheden aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de bemerking van de Raad van State, werd ervoor geopteerd, teneinde de leesbaarheid van het artikel 44, § 5, van de wet van 1953 te behouden, om niet in de wet zelf, de lange lijst op te sommen van de negentien vakgebieden reeds opgesomd in artikel 8 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden vermoed vermelde bekwaamheden aan te tonen : a) magistraten, b) advocaten, c) bedrijfsjuristen, d) notarissen. Andere houders van een masterdiploma die een nuttige ervaring in de door voormelde Europese Richtlijn beoogde materies aantonen, worden eveneens vermoed vermelde bekwaamheden aan te tonen. Deze nuttige ervaring kan voortvloeien uit functies uitgeoefend bij organen die met een toezichtsfunctie zijn bekleed, ongeacht of deze publiek of privaat zijn (zoals bijvoorbeeld auditcomités).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 45 wordt de financiering van de Kamer van verwijzing en instaatstelling volledig door het Instituut ten laste genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verslaggevers van de Kamer van verwijzing en instaatstelling zetelen geenszins voltijds en hebben recht op een vaste maandelijkse bezoldiging (art. 44, § 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de maximale bezoldiging, wordt de anciënniteit voor alle verslaggevers vastegelegd op 35 jaar en niet per verslaggever afzonderlijk (art. 45, § 2). Gelet op het statuut van mandataris, is het niet wenselijk individuele anciënniteit vast te leggen, aangezien de individuele anciënniteitregels veeleer eigen zijn aan het statuut van bedienden en ambtenaren, terwijl de verslaggevers het statuut van mandataris hebben ter garantie van hun onafhankelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De infrastructuur die nodig is met het oog op de goede werking van de vergaderingen en van de Kamer van verwijzing en instaatstelling wordt ter beschikking gesteld door het Instituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten en honoraria van de speciaal overeenkomstig artikel 49, tweede paragraaf aangeduide expert worden gedragen door het Instituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweede onderafdeling die de nieuwe artikelen 46 tot 51 omvat beschrijft de bevoegdheden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 46, § 1 en § 2 somt de bevoegdheden op die uitgewerkt worden in de daarop volgende bepalingen. De bevoegdheden voorzien in § 1 zijn nauw verweven met het disciplinair recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is de Kamer van verwijzing en instaatstelling gelast met het in staat stellen van dossiers waarin het vooronderzoek door de Raad van het Instituut werd gevoerd (art. 46, § 1, a).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien kan de Kamer van verwijzing en instaatstelling de Raad (of de speciaal daartoe overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert) gelasten om een toezichtsdossiers lastens een bedrijfsrevisor te openen en in vooronderzoek te nemen (art. 46, § 1, b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kan de Raad (of de speciaal daartoe overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert in de hypothese dat deze expert belast is met het vooronderzoek) eveneens gelasten om bijkomende onderzoeken uit te voeren (art. 46, § 1, c).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling doet uitspraak over het aan een klacht voor te behouden lot na afloop van het vooronderzoek (art. 46, § 1, d). Zij kan zelf ook klachten in ontvangst nemen in welk geval zij een onderzoek beveelt aan de Raad (art. 46, § 1, e).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde bepalingen zijn van toepassing in het geval dat de Raad vervangen wordt door een speciaal daartoe door de Kamer van verwijzing en instaatstelling aangeduide expert overeenkomstig artikel 49, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De versie van het nieuwe artikel 49, § 2 voorgelegd voor advies van de Raad van State voorzag dat de Kamer van verwijzing en instaatstelling « in specifiek met redenen omklede omstandigheden » een expert kan aanduiden die het dossier in vooronderzoek zal nemen. Zoals door de Raad van State voorgesteld, werd de voorwaarde volgens dewelke de aanduiding diende te gebeuren « in specifiek met redenen omklede omstandigheden » te worden opgeheven, teneinde beter te beantwoorden aan de vereisten voorzien in artikel 32.5 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In antwoord op de door de Raad van State gestelde vraag, volstaat het dat één van de organen van het systeem van toezicht deze bevoegdheid uitoefent die erin bestaat om, waar nodig, onderzoeken met betrekking tot bedrijfsrevisoren te verrichten, ten einde artikel 32.5 van de Richtlijn om te zetten, zonder dat het nodig (en evenmin wenselijk) is om deze bevoegdheid uit te breiden tot alle andere organen van het systeem van toezicht (Minister, enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling is eveneens bevoegd om de beslissingen, genomen door de Raad na afloop van een kwaliteitscontrole, te beoordelen (art. 46, § 1, f).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling zou ook de frequentie van de kwaliteitscontroles kunnen nagaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de suggestie van de Raad van State, wordt het nieuwe artikel 46, § 1, van de wet van 1953 aangevuld met een punt g) dat een referentie bevat naar de bevoegdheid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling inzake injuncties, voorzien in artikel 36, § 1, van dezelfde wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus, indien de Kamer van verwijzing en instaatstelling de Raad (of de speciaal daartoe overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert) « gelast » om over te gaan tot bijkomende onderzoeksmaatregelen overeenkomstig artikel 46, § 1, c), betreft het beoogde doel enkel het bijkomende onderzoek, en niet de modaliteiten volgens dewelke dit bijkomend onderzoek door de Raad (of de speciaal daartoe overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert) zal worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld, indien de Kamer van verwijzing en instaatstelling beslist dat de Raad (of de speciaal daartoe overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert) dient over te gaan tot een plaatsbezoek, zal de Raad (of de speciaal daartoe overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert) beslissen over de datum, het uur en alle andere praktische modaliteiten omtrent de organisatie van dit plaatsbezoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ratio legis is het duidelijk opsplitsen van de fase van vooronderzoek in een dossier van de tuchtrechtelijke procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf van het nieuwe artikel 46 voorziet een algemene bevoegdheid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling om enerzijds de jaarlijkse lijst van de uit te voeren kwaliteitscontroles, zoals deze werd goedgekeurd door de Raad, en anderzijds de leidraden van de aangeduide bedrijfsrevisoren en inspecteurs goed te keuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling beschikt niet over enige tuchtrechtelijke bevoegdheid ten aanzien van de stagiairs. Deze wordt uitdrukkelijk geregeld door artikel 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 32, 5° van de Richtlijn, heeft de Kamer van verwijzing en instaatstelling als orgaan van publiek toezicht ten allen tijde inzagerecht in het onderzoeksdossier. Het Instituut beschikt over een termijn van vijf werkdagen om de aldus gevraagde informatie over te maken. In voorkomend geval kan de Kamer van verwijzing en instaatstelling aan één van zijn leden delegatie verlenen om de door de Raad geleide onderzoeken bij te wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling is derhalve een essentieel element van het nieuwe systeem van « public oversight » en speelt een actieve rol in het bijzonder inzake de volgende elementen : 1) het aanduiden van een expert overeenkomstig artikel 49, § 2, 2) het kennis nemen, ten allen tijde, van de stand van zaken van de dossiers, 3) het gelasten van de Raad om een toezichtsdossier te openen lastens een bedrijfsrevisor, 4) het verplichten van de Raad zijn tuchtverslag aan te passen. De Kamer van verwijzing en instaatstelling kan ten allen tijde kennis nemen van de stand van zaken van het onderzoek van een klacht. De aldus gevraagde inlichtingen zullen binnen een termijn van hoogstens vijf werkdagen door de Voorzitter aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 32, 6° van de Richtlijn, publiceert de Kamer van verwijzing en instaatstelling jaarlijks zijn werkprogramma's en activiteitenverslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 47 werkt de bevoegdheid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling uit voorzien in artikel 46, § 1 a).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van het Instituut heeft initiatief en kan een vooronderzoek tegen een bedrijfsrevisor voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Raad van oordeel is, na afloop van het vooronderzoek, dat een verwijzing naar de tuchtinstanties aangewezen is, wordt het dossier overgemaakt aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling die zal beslissen over de tuchtverwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgekeerde geval, indien de Raad van oordeel is in deze hypothese van het ambtshalve opstarten van een dossier, dat er geen aanleiding is voor een tuchtverwijzing, dient hij de Kamer van verwijzing en instaatstelling niet te vatten. Dit heeft als voordeel dat de Kamer van verwijzing en instaatstelling niet nodeloos wordt overladen met alle dossiers geopend door de Raad in het kader van zijn wettelijke opdracht tot toezicht op het beroep (bijvoorbeeld, het openen van een dossier door de Raad als gevolg van een persartikel waarvan nadien blijkt dat de inhoud niet juist was; of nog, het automatisch openen van een dossier als gevolg van een verklaring in faillissement van een gecontroleerde vennootschap).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze laatst bedoelde hypothese komt bovendien overeen met de mogelijkheid voor de Procureur des Konings om een dossier te seponeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 48 definieert het geheel van overheden en personen die over de mogelijkheid en het belang beschikken om de Kamer van verwijzing en instaatstelling of de Raad van het Instituut met een klacht lastens een bedrijfsrevisor te vatten. Het gaat om de Procureur-generaal en een klacht van elke derde belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-generaal beschikt over de mogelijkheid om de Kamer van verwijzing en instaatstelling te vatten met een klacht of feiten waarvan hij kennis heeft met het oog op het voeren van een onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-generaal kan eveneens, in geval de zaak geen onderzoeksdaden vereist, rechtstreeks de Tuchtcommissie vatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-generaal die aldus beschikt over de mogelijkheid om ofwel de tuchtinstanties, ofwel de Kamer van verwijzing en instaatstelling te vatten, kan niet voor dezelfde feiten de twee mogelijkheden benutten. Dit houdt eveneens in dat de Procureur-generaal niet de Kamer van verwijzing en instaatstelling kan vatten nadat hij reeds de tuchtinstanties voor dezelfde eis heeft gevat en vice versa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de klacht rechtstreeks aan de Raad werd gericht, zal deze het onderzoek voeren. Zelfs in het geval de Raad van oordeel is dat een verwijzing naar de tuchtinstanties niet aangewezen is, maakt hij deze conclusie, opgenomen in een verslag waarin de feiten zijn opgenomen met verwijzing naar de wettelijke, reglementaire en disciplinaire bepalingen, over aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling na zijn onderzoek (nieuw artikel 53). Op deze manier doet de Kamer van verwijzing en instaatstelling, samengesteld uit verslaggevers extern aan het beroep, uitspraak over het lot dat dient gegeven te worden aan de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het nieuwe artikel 49 wordt een klacht die werd ingediend bij de Kamer van verwijzing en instaatstelling doorgezonden naar de Raad van het Instituut, met het oog op het vooronderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inderdaad, met het oog op het opsplitsen van de onderzoeksfase en de eigenlijke tuchtprocedure, is de Kamer van verwijzing en instaatstelling niet bevoegd om materieel daden te stellen die verbonden zijn aan het vooronderzoek van een klacht waarover zij nadien uitspraak zal dienen te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vooronderzoek van een klacht komt toe aan de Raad tenzij de klacht klaarblijkelijk onontvankelijk of ongegrond zou zijn. Indien de Kamer van verwijzing en instaatstelling van oordeel is, onder meer rekening houdend met de identiteit van de vervolgde partij, dat de Raad het vooronderzoek niet kan voeren, zal zij een expert aanduiden die belast is met het vooronderzoek en die zich aldus in de plaats zal stellen van de Raad die normalerwijze deze rol vervult. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een zaak betrekking heeft op de Voorzitter of Ondervoorzitter van het Instituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">De expert die aangeduid wordt door de Kamer van verwijzing en instaatstelling middels een gemotiveerde en unaniem genomen beslissing, dient hetzij een lid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, hetzij een bedrijfsrevisor die voldoet aan de voorwaarden van verkiesbaarheid van de Raad of erebedrijfsrevisor te zijn. Hij mag geen lid zijn van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, met het oog op de naleving van de scheiding van de onderzoeksfase, enerzijds, en de tuchtfase, anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hypothese van de aanstelling van een speciaal aangeduide expert is niet enkel van toepassing bij een klacht, doch, in het algemeen, voor elk dossier waar de Kamer van verwijzing en instaatstelling kan aantonen dat het vooronderzoek niet door de Raad gevoerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te beantwoorden aan de vereisten van de Europese Richtlijn, voorziet een nieuw artikel 50 dat de Kamer van verwijzing en instaatstelling, bestaande uit verslaggevers die extern zijn aan het beroep van bedrijfsrevisor, bevoegd is om de conclusies van de kwaliteitscontroles, die werden aangenomen door de Raad, te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt gepreciseerd dat de Raad op kwartaalbasis de conclusies van de kwaliteitscontroles zal overmaken aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de conclusies van de kwaliteitscontroles die geen tuchtverwijzing betreffen. Deze beslissingen tot tuchtverwijzing worden immers door de Raad meegedeeld overeenkomstig de nieuwe regels inzake de tuchtprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling heeft de bevoegdheid om het dossier terug te sturen naar de Raad van het Instituut indien zij de aangenomen conclusies niet goedkeurt (art. 50, § 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 51 is een uitwerking van de bevoegdheid van de Kamer van verwijzing en instaatstelling voorzien in artikel 46, § 2 met betrekking tot goedkeuring van de lijst van de kwaliteitscontroles.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijst bevat ondermeer een overzicht van de in het komende jaar uit te voeren kwaliteitscontroles, zoals voorzien door de Raad. Deze lijst wordt door de Raad aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling meegedeeld die deze goedkeurt in haar hoedanigheid van orgaan van public oversight.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede paragraaf wordt gepreciseerd dat de Kamer van verwijzing en instaatstelling de Raad kan gelasten om over te gaan tot een vervroegde kwaliteitscontrole ten aanzien van één (of meerdere) bedrijfsrevisor(en) die niet in de in de eerste paragraaf bedoelde lijst is opgenomen. Gezien de ganse procedure voor de Kamer van verwijzing en instaatstelling schriftelijk verloopt, zal de betrokken bedrijfsrevisor niet gehoord worden door de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 68 De tweede afdeling van hoofdstuk VIII behandelt het vooronderzoek en de instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar luid van een nieuw artikel 52 is de Raad bevoegd voor het onderzoeken van de zaken die betrekking hebben op bedrijfsrevisoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het onderzoek kan de Raad de partijen horen en beschikt hij over de mogelijkheid om zich documenten en informatie vanwege de bedrijfsrevisoren ter hand te laten stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek dat gevoerd wordt door de Raad gebeurt à charge en à décharge.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig een nieuw artikel 53 stelt de Raad, indien hij van oordeel is dat het vooronderzoek volledig en afgerond is, een in feite en in rechte gemotiveerd verslag op, waarin de feitelijke elementen van de zaak worden opgenomen, alsook de juridische kwalificatie die volgens hem weerhouden dient te worden. Dit verslag, ondertekend door de Voorzitter of Ondervoorzitter van het Instituut, wordt overgemaakt aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling. In de hypothese voorzien in artikel 49, § 2, zal de redactie van het verslag toekomen aan de speciaal aangeduide expert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst in het Nederlands van het nieuwe artikel 53, tweede lid, van de wet van 1953 werd aangepast aan de formele opmerking van de Raad van State.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van de Raad kan aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling voorstellen om de bedrijfsrevisor te verwijzen naar de tuchtinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verslag kan onder andere een beschrijving bevatten van het niet gewiste tuchtrechtelijke verleden van de betrokken bedrijfsrevisor alsook een voorstel tot sanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenwel, indien de Raad een verslag overmaakt waarin besloten wordt tot de afwezigheid van tenlasteleggingen die een tuchtverwijzing verantwoorden of wanneer de Kamer van verwijzing en instaatstelling het verslag opgesteld door de Raad niet (volledig) goedkeurt, kan zij de Raad gelasten om dit verslag op te stellen of te wijzigen. De Raad dient zich te voegen naar deze beslissing van de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar hoedanigheid van bevoegde rechtsinstantie om uitspraak over de afsluiting van het vooronderzoek en het bestaan van tenlasteleggingen, is de Kamer van verwijzing en instaatstelling niet bevoegd om het inleidend verslag op te stellen, dat aan de Tuchtcommissie zal worden gericht en waarin de feiten worden weergegeven met verwijzing naar de wettelijke, reglementaire of disciplinaire bepalingen die worden overgemaakt aan de Tuchtcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval komt het toe aan de Raad om dit verslag op te stellen, zelfs indien hij initieel van mening was dat de feiten die ten grondslag liggen aan de zaak geen aanleiding konden geven tot een tuchtverwijzing. De Raad is ertoe gehouden zich neer te leggen bij de beslissing van de Kamer van verwijzing en instaatstelling en, desgevallend, het verslag aan te passen, rekening houdende met de beslissing genomen door de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze veronderstelling is analoog aan deze waar in strafzaken de Kamer van verwijzing en instaatstelling beslist tot doorverwijzing van een verdachte naar het vonnisgerecht, terwijl de Procureur des Konings de buitenvervolgingstelling heeft gevraagd. In dat geval is de Procureur des Konings eveneens bevoegd en ertoe gehouden om een dagvaarding op te stellen om voor het vonnisgerecht te verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middels de eerste kennisgeving van het verslag van de Raad wordt de Kamer van verwijzing en instaatstelling gevat, hetgeen tevens de aanvang van de tuchtrechtelijke procedure inluidt teneinde zo duidelijk mogelijk de grens aan te geven tussen de procedure van vooronderzoek en de tuchtprocedure gedurende dewelke de waarborgen, verbonden aan de uitoefening van de rechten van verdediging en het beginsel van een eerlijk proces in hoofde van de vervolgde partij, noodzakelijkerwijze dienen in acht genomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure voor de Kamer van verwijzing en instaatstelling verloopt schriftelijk. Het tegensprekelijk debat wordt gevoerd voor de tuchtinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig een nieuw artikel 54 doet de Kamer van verwijzing en instaatstelling na afloop van het vooronderzoek uitspraak omtrent het al dan niet bestaan van mogelijke tenlasteleggingen tegen de bedrijfsrevisor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling spreekt zich niet uit over het bestaan van bewijzen inzake de materialiteit van de inbreuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opdracht toegewezen aan de Kamer van verwijzing en instaatstelling om uitspraak te doen omtrent het voorhanden zijn van tenlasteleggingen of aanwijzingen van een inbreuk is verwant met de taak die is toegewezen aan de raadkamer in de Rechtbank van eerste aanleg in correctionele zaken binnen het kader van de regeling van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, vergezeld van het verslag van de Raad of de speciaal daartoe aangeduide expert, wordt door de Kamer van verwijzing en instaatstelling overgemaakt aan de Tuchtcommissie die door deze akten gevat wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar luid van een nieuw artikel 55 wordt de beslissing van de Kamer van verwijzing en instaatstelling betekend met het oog op de kennisgeving aan partijen van de inhoud van de beslissing. De betekening houdt tevens de aanvang in van de termijn voor het instellen van een voorziening in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nieuwe artikelen 56 en 57 wordt er voor geopteerd om niet in de mogelijkheid tot hoger beroep of verzet te voorzien tegen de beslissingen genomen door de Kamer van verwijzing en instaatstelling teneinde de looptijd van de procedure, in de afsluitende fase van het onderzoek, niet te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling doet uitspraak over het voorhanden zijn van tenlasteleggingen, en niet over het voorhanden zijn van bewijzen. De rechtscolleges die ten gronde beslissen, zijn op geen enkele wijze gehouden aan de beslissing genomen door de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettegenstaande de afwezigheid van de mogelijkheid tot hoger beroep of verzet tegen een beslissing van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, worden de rechten van verdediging niettemin geëerbiedigd doordat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, het onderzoek betreffende de grond van de zaak wordt voorgelegd in dubbele aanleg aan de Tuchtcommissie en nadien aan de Commissie van Beroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span><span class=\"lf-art-t\">Een nieuwe afdeling, getiteld « Afdeling III : De tuchtinstanties » wordt ingevoegd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze omvat vier onderafdelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span><span class=\"lf-art-t\">Een eerste onderafdeling betreft « de Tuchtcommissie »</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 71</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 19 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 58 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel herneemt grotendeels de tekst van het vroegere artikel 19 en voegt er, met het oog op een meer doeltreffende rechtsbedeling die voeling houdt met de praktijk, aan toe dat de Voorzitter van de Tuchtcommissie een rechter in functie dient te zijn op het ogenblik van zijn benoeming, en dat er voor elk effectief lid van de Tuchtcommissie minstens een plaatsvervanger dient te zijn aangewezen en dat het mandaat van elk lid blijft voortlopen tot in de herbenoeming of de benoeming van een opvolger is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikel voorziet dat de tuchtcommissie wordt samengesteld uit een magistraat, die de voorzitter is, uit een lid onafhankelijk van het beroep van bedrijfsrevisor, en van een bedrijfsrevisor (in plaats van een magistraat en twee bedrijfsrevisoren). De terminologie ivm de onafhankelijk lid van het beroep wordt geinspireerd door art. 133. W. Venn. Betreffende de samenstelling van het ACCOM. Het woord « minstens » wordt toegevoegd in paragraaf 2 in het licht van een betere organisatie van de tuchtprocedure in geval bijvoorbeeld van wraking van een magistraat of van het bestaan van een belangenconflict in hoofde van de leden bedrijfsrevisoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de derde paragraaf, worden de leden van de Tuchtcommissie benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 72</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 20, § 2, van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 59 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 59 regelt de wijze waarop de Tuchtcommissie wordt gevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Tuchtcommissie kan gevat worden door de Kamer van verwijzing en instaatstelling en door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-generaal bij het Hof van Beroep kan rechtstreeks de Tuchtcommissie vatten indien hij van oordeel is dat voor de zaak geen vooronderzoek dient gevoerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijk geval kan zich ondermeer voordoen in de hypothese dat de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep aan de tuchtinstanties een definitieve uitspraak van de Hoven en Rechtbanken in correctionele zaken mededeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven aangegeven in het kader van de commentaren met betrekking tot artikel 48, kan de Procureur voor dezelfde feiten lastens dezelfde bedrijfsrevisor niet de twee mogelijkheden aanwenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Tuchtcommissie gevat wordt door de Kamer van verwijzing en instaatstelling, maakt laatstgenoemde haar het originele exemplaar van haar beslissing over, alsook het verslag van de Raad (of van de speciaal daartoe aangeduide expert overeenkomstig artikel 49, § 2) waarin de feiten, de aanklacht en de juridische argumentatie lastens de bedrijfsrevisor zijn opgenomen. Het gaat hier om het verslag opgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer zij gevat wordt door de Kamer van verwijzing en instaatstelling, wordt de Tuchtcommissie in feite en in rechte gevat door de beslissing van de Kamer van verwijzing en instaatstelling. De Tuchtcommissie kan geen kennis nemen van feiten of inbreuken die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een debat of van een beslissing vanwege de Kamer van verwijzing en instaatstelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 73</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 20, §§ 3 en 5, van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 60 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een overname van het vroegere artikel 20, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het vroegere artikel 20, § 5 betreffende de openbaarheid van de procedure wordt geherformuleerd in de zin dat, daar waar de tuchtprocedure thans slechts openbaar is op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken bedrijfsrevisor, wordt voorgesteld om als principe voorop te stellen dat de tuchtprocedure openbaar is, behoudens tegengestelde uitdrukkelijke vraag van de betrokken persoon of - zoals reeds op dit moment - wanneer de openbaarheid een aantasting uitmaakt op de goede zeden, de openbare orde, de nationale veiligheid, het belang van minderjarigen, de bescherming van het privé-leven, het belang van de rechtspraak of het beroepsgeheim in de zin van artikel 79 van onderhavige wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst in het Nederlands van het nieuwe artikel 60, § 4, van de wet van 1953 werd aangepast aan de formele opmerking van de Raad van State.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 74</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 20, § 4, van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 61 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf voorziet in het beginsel van de motivering van de beslissingen van de Tuchtcommissie en van hun betekening aan verschillende personen en instanties. De betekening gebeurt door de tuchtinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt, met het oog op een meer doeltreffende tuchtrechtspleging, een tweede paragraaf aan dit artikel toegevoegd, met name dat de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep, de Raad van het Instituut en de Kamer van verwijzing en instaatstelling inzage kunnen vragen van het volledige dossier van de procedure aanhangig voor de Tuchtcommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 75</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 20bis van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 wordt hernummerd in artikel 62 van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 76</span><span class=\"lf-art-t\">In hoofdstuk VIII, afdeling III, wordt een onderverdeling II ingevoegd die handelt over de Commissie van Beroep</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 21, § 1 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 63 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel herneemt de tekst van het vroegere artikel 21, § 1 met de precisering dat om dezelfde reden als vermeld in artikel 58 met betrekking tot de zetelende rechters in de Tuchtcommissie ook de rechter in de Commissie van Beroep, op het ogenblik van zijn benoeming, rechter in functie dient te zijn en dat zijn mandaat blijft voortlopen tot in de herbenoeming of de benoeming van een opvolger is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord « minstens » wordt toegevoegd in paragraaf 2 met het oog op een betere organisatie van de tuchtprocedure in geval van bijvoorbeeld de wraking van een magistraat of van het bestaan van een belangenconflict in hoofde van de leden bedrijfsrevisoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 78</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 21, §§ 2 en 4 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 64 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst in het Nederlands van het artikel 78 van onderhavig besluit werd aangepast aan de formele opmerking van de Raad van State.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 1 en 2 van artikel 64 worden herschreven en houden een uitsplitsing in van de procedure inzake hoger beroep al naargelang het door de betrokken revisor, de Procureur-generaal of de Raad van het Instituut werd ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de termijn voor het aantekenen van hoger beroep aangaat tegen een beslissing van de Tuchtcommissie, wordt voorgesteld dat de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep over een termijn van 40 dagen - 30 dagen voorheen - beschikken om tegen de beslissing van de Tuchtcommissie beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kamer van verwijzing en instaatstelling kan de Raad of, in voorkomend geval, de speciaal overeenkomstig artikel 49, § 2 aangeduide expert gelasten om beroep aan te tekenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span><span class=\"lf-art-t\">Een nieuw artikel 65 vervangt het artikel 21, § 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het voorziet dat het artikel 60 dat meer bepaald enkele bepalingen omvat inzake de procedure voor de Tuchtcommissie, mutatis mutandis van toepassing is op de procedure voor de Commissie van Beroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw artikel 66 voorziet in het beginsel van de motivering van de beslissingen door de Commissie van Beroep, alsook hun betekening aan verschillende personen en instanties De tweede paragraaf voorziet dat de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep, de Raad van het Instituut en de Kamer van verwijzing en instaatstelling inzage kunnen vragen van het volledige dossier van de rechtspleging voor de Commissie van Beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gelijkluidend met artikel 61 dat betrekking heeft op de Tuchtcommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 22 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 wordt opgeheven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw artikel 67 wordt ingevoegd waarbij gesteld wordt dat artikel 62, dat enkele bepalingen omvat inzake de procedure voor de Tuchtcommissie, mutatis mutandis van toepassing is op de procedure voor de Commissie van Beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 83</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 23 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat artikel 68 wordt van genoemde wet. Bijna letterlijke herhaling van het oude artikel 23.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de afdeling III, hoofdstuk VII, wordt een nieuwe onderafdeling ingevoegd. Het gaat om de onderafdeling III die handelt over de bepalingen die gemeenschappelijk zijn aan de tuchtinstanties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging van een nieuw artikel 69 waarbij de bepalingen uit het gerechtelijk wetboek over de tucht bij de magistraten, met het oog op een meer efficiënte tuchtprocedure, toepasselijk worden verklaard op de effectieve en plaatsvervangende leden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling, de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging van een nieuw artikel 70 waarin met het oog op een doeltreffende tuchtrechtspleging wordt bepaald dat de Raad van het Instituut steeds door de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep binnen de vijftien dagen op de hoogte wordt gehouden van de zaken die bij hen aanhangig zijn gemaakt alsook van akten en procedurestukken die bij hen zouden zijn neergelegd. Bovendien kan de Raad op elk ogenblik beslissen om bij hen tussenbeide te komen met het oog op het kenbaar maken van zijn standpunt omtrent de zaken die in het geding zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw artikel 71 wordt ingevoegd waarbij wordt voorzien dat de modaliteiten van de organisatie van de tuchtinstanties en de procedure voor deze instanties, worden vastgelegd door de Koning. Bovendien worden de modaliteiten van de gevolgen en van de publicatie van de sancties, tevens vastgelegd door de Koning Zoals door de Raad van State voorgesteld in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, zijn de tuchtinstanties begrepen in het systeem van publiek toezicht, overeenkomstig artikel 32.4. c) van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit impliceert onder andere dat de tuchtinstanties moeten worden gefinancierd op een gevrijwaarde manier tegen ongewenste beïnvloeding van bedrijfsrevisoren, krachtens het artikel 32.7 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgevolg werd artikel 71 aangepast ten einde te bepalen, zonder mogelijke beïnvloeding door de bedrijfsrevisoren, dat de leden van de tuchtinstanties elk 150 euros aan zitpenningen per zitting en 150 euros aan vacatievergoeding per halve dag besteed aan andere prestaties ontvangen. Deze vergoedingen worden door het Instituut betaald. De Koning kan deze bedragen aanpassen rekening houdend met de werklast en kan de betalingsmodaliteiten bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 88</span><span class=\"lf-art-t\">Een onderafdeling IV die betrekking heeft op de tuchtsancties, wordt ingevoegd in hoofdstuk VIII, afdeling III. Art. 89 Wijziging van artikel 19bis van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 72 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt het toepassingsgebied voor tuchtsancties uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt de tekst van het vroegere artikel 19bis hernomen, maar wordt de mogelijkheid om tuchtsancties inzake tekortkomingen aan de verplichtingen van bedrijfsrevisoren op te leggen niet beperkt tot tekortkomingen aan hun verplichtingen in de uitoefening van hun opdrachten van bedrijfsrevisor of daarmee verenigbare werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wijziging heeft als doelstelling om bijvoorbeeld bij de niet-naleving van de verplichtingen inzake permanente vorming tuchtsancties te kunnen opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt er een grond voor het opleggen van tuchtsancties toegevoegd in 3° met name tekortkomingen aan de rechtmatige achting die verschuldigd is ten overstaan van het Instituut of zijn organen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte wordt er in een nieuwe alinea gestipuleerd dat, in het geval van de verwijzing van een bedrijfsrevisor natuurlijke persoon naar de Tuchtcommissie, het bedrijfsrevisorenkantoor dat door de bedrijfsrevisor wordt vertegenwoordigd, in voorkomend geval slechts kan worden doorverwezen wegens een onderscheiden fout. Dit lid bevat derhalve de invoering van de notie tuchtrechtelijke fout in hoofde van een bedrijfsrevisorenkantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst in het Nederlands van het nieuwe artikel 72, § 1, van de wet van 1953 werd aangepast aan de formele opmerking van de Raad van State.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 van hetzelfde artikel werd eveneens aangepast aan de opmerking van de Raad van State met het oog op de verbetering van de tekst.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van artikel 20, § 1 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in artikel 73 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt voorzien in de bekendmaking op de website van het Instituut gedurende de duur van de sanctie, van een schorsing van ten minste 1 maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien en ter aanvulling van het vroegere artikel 20, § 1, werd toegevoegd dat een schorsing ook het verbod inhoudt om lid te zijn van de tuchtinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt een paragraaf 3 toegevoegd die betrekking heeft op de schorsing, en wel in die zin dat, wanneer er een schorsing van maximum één maand wordt opgelegd aan een bedrijfsrevisorenkantoor, deze haar beroepsactiviteiten kan voortzetten, indien ze uiterlijk de dag waarop de schorsing een aanvang moet nemen, een bedrag aan het Instituut heeft overgemaakt van zoveel maal vijfhonderd euro als ze vennoten die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor hebben, telt, vermenigvuldigd met het aantal kalenderdagen van de schorsing. Het bedrag van vijfhonderd euro kan door de Raad van het Instituut worden aangepast in functie van de evolutie van de index van de consumptieprijzen en wordt als definitief verworven door het Instituut beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze nieuwe paragraaf beoogt de invoering van een alternatief voor de schorsingen voor korte duur die bedrijfsrevisorenkantoren treffen, rekening houdend met de onredelijke gevolgen die dergelijke sancties, in bepaalde gevallen, zouden kunnen hebben voor vennoten die niet persoonlijk een tuchtrechtelijke fout hebben begaan, alsook voor de medewerkers en het personeel van het betrokken kantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze alternatieve maatregel eerbiedigt het gelijkheidsbeginsel tussen bedrijfsrevisorenkantoren en bedrijfsrevisoren natuurlijke personen, gelet op het feit dat laatstgenoemden zich in een verschillende situatie bevinden. Immers, indien een tuchtrechtelijke sanctie een bedrijfsrevisor natuurlijke persoon treft, heeft deze sanctie geen direct gevolg op de vennoten of medewerkers van het kantoor (in de veronderstelling dat het kantoor geen afzonderlijke fout heeft begaan). Tevens wordt het algemeen belang niet geschonden omwille van het feit dat de vennoten, hun medewerkers en het personeel van het kantoor, die geen tuchtrechtelijke fout hebben begaan, geen risico tegenover de klanten, derden en het beroep vertegenwoordigen en dus toch hun activiteiten kunnen verder zetten. Bovendien zal een schorsing van één maand een vergoeding omvatten van 500 euro maal gemiddeld 20 werkdagen, zijnde 10.000 euro per vennoot die de hoedanigheid heeft van bedrijfsrevisor. Ten slotte behoudt de tuchtinstantie haar appreciatiebevoegdheid en kan steeds een schorsing uitspreken van meer dan één maand wanneer zij van oordeel is dat de alternatieve maatregel (boete) niet gerechtvaardigd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 91</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging van een nieuw artikel 74 dat voorziet dat het Instituut de nodige maatregelen zal nemen met het oog op het op passende wijze openbaar maken van de sancties voorzien in artikel 73. Deze bepaling weerspiegelt de inhoud van artikel 30, § 3 van de Richtlijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw artikel 75 wordt ingevoegd welk voorziet dat de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep een administratieve geldboete kunnen opleggen overeenkomstig artikel 22 van de wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten4 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelstel voor het witwassen van geld en de financiering van het terrorisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kunnen beslissen tot de openbaarmaking van hun beslissing en de modaliteiten ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 75 van de wet van 1953 werd aangepast overeenkomstig de bemerkingen van de Raad van State.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuwe afdeling « Beroepstucht betreffende stagiairs » wordt ingevoegd in hoofdstuk VIII. Art. 94 Een nieuw artikel 76 behandelt het tuchtrecht van de stagiairs</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 95</span><span class=\"lf-art-t\">Een nieuw hoofdstuk IX « Nationale en internationale samenwerking » wordt ingevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span><span class=\"lf-art-t\">Een nieuw artikel 77 betreffende de nationale en internationale samenwerking wordt ingevoegd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 33 van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten erop toezien dat de op de stelsels van publiek toezicht van lidstaten van de Europese Unie toepasselijke wettelijke regelingen een effectieve samenwerking op internationaal niveau met betrekking tot de toezichtactiviteiten van de lidstaten mogelijk maken. Te dien einde wijst elke lidstaat één entiteit aan die specifiek verantwoordelijk is voor de samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van State stelt, in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, voor om, in een wettelijke bepaling, veeleer dan door middel van een uitvoeringsbesluit, het orgaan aan te duiden dat belast is met de internationale samenwerking overeenkomstig artikel 33 van de Richtlijn. Zoals voorgesteld door de Raad van State, duidt artikel 77 de Hoge Raad voor de Economische Beroepen aan als orgaan belast met de internationale samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals door de Raad van State voorgesteld in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007 en overeenkomstig artikel 36.1. van de Richtlijn, werken het Instituut, de Minister die bevoegd is voor Economie, de Procureur-generaal, de Kamer van verwijzing en instaatstelling, de Hoge Raad voor de Economische Beroepen, het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris en de tuchtinstanties samen met de bevoegden autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze autoriteiten verlenen onderling assistentie. Meer in het bijzonder wisselen zij informatie uit en werken ze samen bij onderzoeken die op de uitvoering van wettelijke controles van jaarrekeningen betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals voorgesteld door de Raad van State in zijn advies 42.226/1 van 23 maart 2007, wordt er gepreciseerd dat hetzelfde geldt ten aanzien van de bevoegde autoriteiten van een derde land « in geval van een internationaal akkoord mits dit een clausule van wederkerigheid bevat ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koning kan de modaliteiten bepalen inzake de uitwisseling van vertrouwelijke informatie en de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten bedoeld in paragrafen 2 en 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span><span class=\"lf-art-t\">Een nieuw hoofdstuk X « Strafbepalingen » wordt ingevoegd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span><span class=\"lf-art-t\">Het vroegere artikel 27, tweede en derde lid werd recentelijk gewijzigd door artikel 63 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 23 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/12/2005 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/12/2005 numac 2005021170 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten houdende diverse bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van artikel 27 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 dat wordt hernummerd in de artikelen 78, 79 en 80 van die wet en als volgt wordt gestructureerd : a) leden 1 en 2 worden ondergebracht in een nieuw artikel 78, § 1 en § 2;b) leden 3 en 4 worden ondergebracht in een nieuw artikel 79, § 1 en § 2;c) lid 5 wordt ondergebracht in een nieuw artikel 80. Art. 99 In de eerste paragraaf, lid 1, 1° van artikel 78, worden de woorden « artikel 7 » vervangen door de woorden « artikel 11 » overeenkomstig de nieuwe nummering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 100</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 79 bevat de wettelijke bepaling inzake het beroepsgeheim van de bedrijfsrevisor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In punt c) van de eerste paragraaf van artikel 79 worden de woorden « zoals bepaald door de Koning » weggelaten, aangezien de term « revisorale opdracht » wordt gedefinieerd in artikel 2, 17° van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw punt d) wordt aan de eerste paragraaf toegevoegd. Hierin wordt voorzien in een bijkomende uitzondering op het beroepsgeheim teneinde toe te laten dat de bedrijfsrevisor die het werk of de attestering van een andere bedrijfsrevisor in het gedrang wil brengen contact kan opnemen met laatstgenoemde, behalve in geval van verzet van de persoon die hem met de opdracht heeft belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw punt e) wordt aan de eerste paragraaf toegevoegd waarbij wordt voorzien dat de bedrijfsrevisor ten aanzien van het Instituut en zijn organen en in het bijzonder ten aanzien van de Commissie van Toezicht en van Kwaliteitscontrole ontheven is van zijn beroepsgeheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede paragraaf wordt in die zin vervangen dat de beroepsbeoefenaar niet door het beroepsgeheim is gehouden in het kader van een consolidatie met een persoon die in een rechtspersoon naar buitenlands recht een gelijkaardige functie als de commissaris uitoefent. Tevens wordt met de commissaris gelijkgesteld de bedrijfsrevisor die, zelfs zonder het mandaat van commissaris uit te oefenen, de controle over de geconsolideerde jaarrekening uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een hypothese die in de praktijk weliswaar weinig voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 100, vierde lid, van onderhavig koninklijk besluit werd aangepast overeenkomstig de formele opmerking van de Raad van State.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk II. - Slotbepalingen Art. 101 Dit artikel stipuleert dat artikel 5, 4° van de</h3>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren, zoals het bestond vóór zijn wijziging door onderhavig koninklijk besluit, van toepassing blijft op de houders van diploma's afgeleverd overeenkomstig de wettelijke en decretale bepalingen voorafgaand aan de invoering in België van de masterdiploma's.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat voor de natuurlijke personen die de leeftijd van vierenzestig jaar hebben bereikt maar nog niet de leeftijd van zevenenzestig jaar hebben overschreden op de dag van de inwerkingtreding van onderhavig koninklijk besluit tot wijziging van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren de zevenzestigste verjaardag voorzien in artikel 8 wordt vervangen door de zeventigste verjaardag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de natuurlijke personen die de leeftijd van zevenenzestig jaar hebben overschreden op de dag van de inwerkingtreding van onderhavig koninklijk besluit tot wijziging van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren, wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor drie jaar na de inwerkingtreding van onderhavig koninklijk besluit ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 103 De artikelen 28 tot 33 van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren, zoals ze bestonden vóór de wijziging van deze wet door onderhavig koninklijk besluit, worden opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 33 stipuleerde dat een vennootschap de hoedanigheid van bedrijfsrevisor kon verkrijgen op voorwaarde dat haar rechtsvorm een BVBA, CVBA of VOF is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3 in fine van de Richtlijn kunnen lidstaten enkel bijkomende voorwaarden stellen met betrekking tot het bestuur van een auditkantoor. Dit impliceert dat lidstaten geen eisen mogen stellen qua rechtsvorm van het auditkantoor. Alle in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen vermelde rechtsvormen zijn derhalve toegelaten op voorwaarde dat de aandelen op naam zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 103 van onderhavig besluit werd aangevuld met paragrafen 2 tot 9 overeenkomstig de formele opmerking van de Raad van State.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 104 De tuchtorganen die bevoegd zijn vóór de inwerkingtreding van de artikelen 66 tot 94 van onderhavig besluit, blijven bevoegd voor de tuchtzaken die bij hen nog aanhangig waren op de dag van de inwerkingtreding van deze bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 105 De bepalingen van onderhavig koninklijk besluit treden in werking op de datum of de data door de Koning bepaald, en uiterlijk op 31 augustus 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister van Economie, M. VERWILGHEN Advies 42.226/1 van de afdeling wetgeving van de Raad van State De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 31 januari 2007 door de Minister van Economie verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 23 maart 2007, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « genomen in uitvoering van artikel 102 van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten en houdende omzetting van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad », heeft op 15 maart 2007 het volgende advies gegeven : STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP 1. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot het wijzigen van de wet van 22 juli 1953Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten0 houdende oprichting van een Instituut der Bedrijfsrevisoren, hierna « de wet » genoemd.Met die wijzigingen wordt meer in het bijzonder de omzetting in het interne recht beoogd van bepalingen van richtlijn 2006/43/EG (1) (de zogeheten « Auditrichtlijn ») - hierna « de richtlijn » genoemd - of wordt beoogd de wettelijke grondslag tot stand te brengen voor de omzetting ervan door middel van de daartoe noodwendige uitvoeringsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voornoemde richtlijn streeft, in essentie, twee belangrijke doelstellingen na zijnde, enerzijds, het instellen van een regime waarbij er meer externe controle tot stand wordt gebracht ten aanzien van de beroepsgroep van de wettelijke auditors en de auditkantoren in de zin van de richtlijn en, anderzijds, het reguleren van de auditfunctie zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn valt niet zonder meer letterlijk te integreren in de interne rechtsorde, want blijft er in hoofdzaak toe beperkt, met het oog op de harmonisering, een aantal fundamentele beginselen te verwoorden die nader dienen te worden ingevuld door de verschillende lidstaten bij het implementeren ervan. Dat heeft niet enkel tot gevolg dat het verband tussen de omzetting in het interne recht en de richtlijnbepalingen minder uitgesproken en afgebakend is, maar ook dat de omzetting veelal een delegatie van appreciatiebevoegdheid impliceert aan de daartoe bevoegde internrechtelijke overheid. Deze dubbele vaststelling heeft - zoals hierna zal blijken - belangrijke consequenties voor het beoordelen van de rechtsgrond van de ontworpen regeling. 2. Het ontwerp vindt in beginsel rechtsgrond in de artikelen 102 en 103, § 1, van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten houdende diverse bepalingen. Uit de betrokken wetsbepalingen valt af te leiden dat deze aan de Koning de bevoegdheid verlenen om « de maatregelen (te) nemen met het oog op de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en richtlijnen die uitgevaardigd zijn in toepassing van artikel 44.2, g), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/08/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/04/1999 numac 1999015017 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het verdag van Amsterdam houdende wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijhorende akten, Bijlage, Protocollen A, B, C en D, en slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (2) sluiten » (2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 103, § 1, van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten bepaalt dat de krachtens artikel 102 van die wet genomen besluiten « de van kracht zijnde wettelijke bepalingen (kunnen) opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omzetten in het interne recht van de richtlijn moet worden geacht in de voornoemde wetsbepalingen te kunnen worden ingepast - ook al wordt erin niet expliciet van die richtlijn melding gemaakt -, gelet op het feit dat deze precies is gesteund op de voornoemde verdragsbepaling (3). Aan de andere kant is het al dan niet voorhanden zijn van een rechtsgrond afhankelijk van het noodzakelijke verband met de implementatie van de betrokken richtlijn, hetgeen in het licht van het reeds onder 1 vermelde, veeleer algemene karakter van die richtlijn, niet steeds op een duidelijke wijze kan worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 102, § 2, van de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/2006 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten somt weliswaar op een niet-limitatieve wijze de maatregelen op die de Koning kan nemen, maar die maatregelen dienen overeenkomstig de bewoordingen van de inleidende zin van de betrokken paragraaf steeds te worden genomen « in het kader van de uitvoering van de in § 1 vermelde verordeningen en richtlijnen » (4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat dat betreft, moet worden opgemerkt dat het verband tussen sommige bepalingen van het ontwerp en de omzetting van de richtlijn niet duidelijk is en dat derhalve kan worden betwijfeld of ervoor een deugdelijke rechtsgrond bestaat. Dat is met name het geval voor : -artikel 13 van het ontwerp (ontworpen artikel 5, 7°, van de wet), in de mate dat erin een leeftijdsgrens wordt opgelegd voor het verkrijgen van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor (5); - artikel 30 van het ontwerp (ontworpen artikel 19, eerste lid, van de wet), in de mate dat die bepaling het stemrecht in de algemene vergadering beperkt tot de natuurlijke personen, vermits alleen zij een beslissende stem hebben; - artikel 36 van het ontwerp (ontworpen artikel 26, § 2, van de wet), in de mate dat erdoor het controleregime ten aanzien van de jaarrekeningen wordt gewijzigd zoals aangegeven in het ontwerp; - artikel 39 van het ontwerp (ontworpen artikel 28, § 1, van de wet), in de mate dat aan de Stagecommissie de betrokken beslissingsbevoegdheid wordt gegeven en de leeftijdsgrens voor toelating tot de stage op zestig jaar wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMENE OPMERKINGEN 1. Niet alle bepalingen van de richtlijn worden omgezet met de ontworpen regeling.Zo dient de omzetting van de richtlijn in het interne recht nog te worden vervolledigd door middel van koninklijke besluiten (6). Daarnaast vereist de omzetting ook nog de wijziging van andere wetgeving, zoals het Wetboek van vennootschappen (7) of zal, zoals door de gemachtigde ambtenaar is bevestigd, nog in een regeling worden voorzien door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit wat voorafgaat volgt dat de omzetting van de richtlijn in het interne recht, wil ze volkomen zijn, een gediversifieerde normering veronderstelt die uiteraard haar beloop zal moeten kennen vóór de uiterste datum van omzetting, zoals vermeld in artikel 53, lid 1, van de richtlijn, zijnde vóór 29 juni 2008. In ieder geval verdient het aanbeveling dat naar aanleiding van de ontworpen regeling wordt nagegaan welke bepalingen van de richtlijn niet worden omgezet met het ontwerp en of dit laatste niet dient te worden aangevuld, rekening houdende met het gegeven of op dit ogenblik al dan niet is geweten op welke andere wijze de omzetting van sommige richtlijnbepalingen alsnog zal gebeuren (9). 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige bepalingen van de richtlijn of onderdelen ervan worden niet correct of slechts onvolledig omgezet in het interne recht.In dat verband valt melding te maken van : - artikel 15 van het ontwerp (ontworpen artikel 7, § 1, van de wet), in de mate dat de erin bedoelde « wederkerigheid » niet als een absolute voorwaarde wordt beschouwd, zoals in artikel 44, lid 1, van de richtlijn het geval is (10); - artikel 38 van het ontwerp (ontworpen artikel 27, derde lid, van de wet), waar het bepaalt dat « de modaliteiten (lees : nadere regelen) betreffende de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor (nochtans) kunnen voorzien in een verkorting van de stageduur », terwijl artikel 10 van de richtlijn voorziet in een praktijkopleiding van ten minste drie jaar, zonder in dat verband op algemene wijze van een mogelijke inkorting van die termijn te gewagen.</p></div>", "next": 238658}