{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">sluiten betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling alsook de proeflaboratoria en van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 en voorzover de certificering van de betrokken installateurs, installaties en/of materiaal bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de uitvoering van de installatie of het gebruik van het materieel : - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten gecertificeerd zijn door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van producten overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lidstaat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45011; - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten worden geplaatst door installateurs die gecertificeerd zijn door een certificeringsionstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van personen overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lidstaat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45013. 1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm NBN en gelijkwaardigheid in een andere lid-Staat van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wordt vastgesteld d.m.v. de noodzakelijke stukken dat een product opgenomen in deze bijlage voldoet aan de vereisten omgezet in een norm NBN volgens proef- en classificeringsmethodes die gelijkwaardig zijn in een andere lid-Staat van de Europese Unie, wordt dat product geacht te voldoen aan de technische voorschriften van deze bijlage. 1.9. Branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens zijn werking en belang moet elk gebouw uitgerust zijn met : - hetzij een installatie voor branddetectie d.m.v. puntdetectoren, conform met de NBN S21-100 « Opvatting van algemene installaties voor automatische branddetectie door puntdetectoren » en met de addenda bij die norm. - hetzij met autonome detectoren in de kamers, de gemeenschappelijke keuken of de naaste woonkamer, in de gangen en trappenhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat materieel moet het voorwerp uitmaken van een erkenning die zijn conformiteit met de normen bekendgemaakt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N.).</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moet het signaal van de branddetectie hoorbaar zijn in de wooneenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk II. - Bijkomende voorschriften toepasselijk op nieuwe gebouwen De volgende voorschriften zijn toepasselijk op de nieuwe gebouwen : 2.1. Dragende structuur : Het geheel van de dragende structuur van het gebouw heeft een brandweerstand van 1/2 uur voor gebouwen met één enkel niveau en 1 uur voor gebouwen met verschillende niveaus. 2.2 Trappenhuizen 2.2.1 Gebouwen met een niveau boven het evacuatieniveau : - Maatregelen moeten worden getroffen ter voorkoming van brandverspreiding naar het hogere niveau d.m.v. elementen Rf 1/2 h en zelfsluitende deuren Rf 1/2 h. - De trappen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h of worden gemaakt van metselwerk of beton. - De trappen hebben een verplichte toegang tot een evacuatieniveau. 2.2.2. Gebouwen met meer dan 1 niveau boven het evacuatieniveau : De trappenhuizen worden gemaakt van metselwerk of beton. Bij gebrek vertonen zen de volgende kenmerken : - De binnenwanden en de deuren van de trappenhuizen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h. De deuren van de trappenhuizen zijn zelfsluitend. - De trappen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trappenhuizen hebben een verplichte toegang tot een evacuatieniveau. - De voorschriften inzake trappenhuizen zijn niet van toepassing op de gebouwen waarvan de niveaus boven het gewone evacuatieniveau uitgerust zijn met een rechtstreekse en veilige uitgang naar de openbare weg. In dit geval moeten maatregelen worden getroffen ter voorkoming van brandverspreiding naar het hogere niveau d.m.v. elementen Rf 1/2 h en zelfsluitende deuren Rf 1/2 h. 2.3. Dakwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dakwerk heeft een brandweerstand van minstens 1/2 h of is beschermd door één of meerdere elementen met dezelfde weerstandsgraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de isolatie- en waterdichtheidsmaterialen dient men zich te schikken naar de bepalingen van bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997) tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk III. - Algemene voorschriften 3.1 Als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde installaties.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gebouw of het landgoed waarop het gebouwd is, installaties bevat die ingedeeld zijn als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk krachtens de gewestelijke regelgeving, bepaalt de bevoegde Dienst de eventuele veiligheidsmaatregelen om de veiligheid van de gebruikers te verzekeren rekening houdend met de risico's eigen aan die installaties. 3.2. Groep van gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende bepalingen zijn van toepassing wanneer binnen eenzelfde landgoed dat tot éénzelfde exploitant behoort, verschillende aparte gebouwen bestemd zijn voor de huisvesting van toeristen. 3.2.1. Vestiging : De bijgebouwen, luifels, uitspringende daken, delen in uitkraging of andere toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie en de veiligheid van de gebruikers noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 3.2.2. Toegangswegen : De gebouwen zijn voortdurend bereikbaar door de voertuigen van de brandweerdiensten. Er wordt voor gezorgd dat in de nabijheid van de gebouwen het stationeren, het in werking stellen en het maneuvreren van het materiaal voor brandbestrijding en van het reddingsmateriaal gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichtingen over de bereikbaarheid worden aan het oordeel van de bevoegde brandweerdienst overgelaten. 3.2.3. Bluswaterbevoorrading : De bluswaterbevoorrading moet voldoende zijn. De bevoorrading kan verzekerd worden met stromend of stilstaand water of met het openbaar waterleidingsnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bluswaterbevoorrading wordt bepaald door de bevoegde brandweerdienst. Die bepaling houdt rekening met het aantal gebouwen en hun vuurbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een signalisatie conform de omzendbrief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden is voorzien. 3.2.4. Opslag van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen : De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen en de recipiënten die verondersteld worden leeg te zijn moeten in open lucht in een gesloten ruimte of in een lokaal dat voldoende geventileerd is door een hoge en lage verluchting, opgeslagen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die ruimten en lokalen zijn voorbehouden voor dat gebruik en zijn niet toegankelijk voor de gehuisveste personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IV - Vereisten betreffende de brandweerstand De volgende voorschriften worden gegeven onverminderd de vaststelling van gevaarlijke toestanden wat betreft de brandreactie van de materialen door de territoriale bevoegde brandweerdienst. In dit geval moeten onverwijld gepaste maatgerelen getroffen worden. 4.1. Algemene bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vereisten opgenomen in volgende tabel moeten worden toegepast. De classificering van de bouwmaterialen is conform met de proefmethodes opgenomen in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4.2. Gebruik van houten plankjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van houten plankjes als versieringselement wordt toegelaten voor zover die plankjes worden geplaatst tegen een niet-brandbare drager A0 met de tussenplaatsing van een niet-brandbaar element A0 in de eventuele leegte tussen de drager en de plankjes. Hun gebruik is verboden in de evacuatiewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk V. - Evacuatie De plaats, de verdeling en de breedte van de trappen, evacuatiewegen en uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke evacuatie van de personen mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de aard en het belang van het risico kan de Gewestelijke brandweerdienst maatregelen opgleggen om die doelstelling te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van die maatregelen moet de Gewestelijke brandweerdienst rekening houden met de kosten van de uit te voeren werken i.v.t.de waarde van het gebouw en de daaruit voortvloeiende extra veiligheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk VI. - Verwarming, brandstof 6.1. Stookplaats.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Elke verwarmingsketel met een vermogen hoger dan 30 Kw bevindt zich in een stookplaats. De opslag van brandstoffen is daar verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stookplaats is niet toegankelijk voor de gehuisveste personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De muren, wanden, vloeren en plafonds van de stookplaatsen zijn ten minste Rf 1h. Elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw en tussen de stookplaats en de opslagplaats voor brandstoffen moet afgesloten zijn door een deurblok Rf 1/2 h. Die deuren zijn automatisch zelfsluitend. Ze zijn niet voorzien van een toestel om die open te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stookplaatsen moeten voldoende worden verlucht. 6.2. Verwarmingstoestellen en toestellen voor de productie van sanitair warm water. 6.2.1. De verwarmingstoestellen en de toestellen voor de productie van sanitair warm water moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden t.a.v. lokale omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze moeten conform zijn met de desbetreffende normen. 6.2.2. De verwarmingstoestellen en de toestellen voor de productie van sanitair warm water d.m.v. verbranding worden in goede staat gehouden, zijn verplicht verbonden aan een leiding met een goede trek en zijn zodanig ontworpen dat ze de totale en regelmatige evacuatie van de verbrandingsgassen verzekeren, zelfs bij maximale afsluiting van de regeltoestellen. 6.2.3. De schoorstenen en rookpijpen van de verwarmingstoestellen en de toestellen voor de productie van sanitair warm water moeten gebouwd zijn met niet-brandbare materialen en behoorlijk onderhouden zijn. 6.2.4. De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookpijpen moeten geïnstalleerd zijn op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen of daarvan worden verwijderd om het brandrisico te voorkomen. 6.2.5. De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten worden gebouwd volgens de regels der kunst en voldoen aan volgende voorwaarden : - de luchttemperatuur op de distributiepunten mag niet hoger zijn dan 80 °C; - de warmeluchtleidingen moeten volledig gebouwd zijn met niet-brandbare materialen. 6.2.6. Beweeglijke verwarmingsapparaten zijn verboden. 6.2.7. Het materieel van de elektrische verwarmingsinstallaties draagt het CEBEC- of EG-label. 6.3. Aardgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bandstof bestaat uit aardgas, moet de installatie volgens haar type conform zijn met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen », of met NBN D 51-004 \"Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De gasapparaten dragen het BENOR- of EG-label. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op de gasinstallatie zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels. 6.4. Vloeibaar gemaakt petroleumgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de brandstof bestaat uit vloeibaar gemaakt petroleumgas, moet de installatie conform zijn met de code van goede praktijk; de gasflessen worden buiten geplaatst. De gasapparaten dragen het BENOR- of EG-label. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op de gasinstallatie zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik en de opslag van beweeglijke recipiënten van vloeibaar gemaakt petroleumgas, zelfs leeg, is strikt verboden in alle lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gasflessen worden buiten de lokalen geplaatst en beschut tegen het onweer. 6.5. Vloeibare brandstof Indien de brandsftof vloeibaar is, moet de installatie conform zijn met de regels der kunst en voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle luchttanken zijn geplaatst in een waterdichte kuip met een capaciteit ten minste gelijk aan het opslagvolume.</p>\n<p class=\"lf-p\">De olietank is buiten geplaatst of in een lokaal dat voldoet aan de hierna bepaalde criteria wanneer zijn capaciteit gelijk of hoger is dan 3 000 l.</p>\n<p class=\"lf-p\">De muren, wanden, vloeren en plafonds van de stookplaatsen zijn ten minste Rf 1h. Elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw en tussen de stookplaats en de opslagplaats voor brandstoffen moet afgesloten zijn door een deurblok Rf 1/2 h. Die deuren zijn automatisch zelfsluitend. Ze zijn niet voorzien van een toestel om die open te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lokaal moet voldoende verlucht worden. 6.6. Hout, vaste brandstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de brandstof bestaat uit vloeibaar of vast hout, moet de installatie conform zijn met de regels der kunst wat betreft de isolatie van de rookpijp i.v.t. de rest van het gebouw. De centrale verwarmingsinstallaties moeten voldoen aan de bepalingen van voornoemd koninklijk besluit van 6 januari 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk VII. - Bijzondere voorschriften voor haarden en open haarden De installatie van haarden en open haarden is toegelaten mis de volgende voorwaarden worden vervuld : - de installatie van de vuurhaard en de schoorsteen wordt uitgevoerd overeenkomstig de regels der kunst, met name wat betreft de isolatie van de vuurhaard en de rookpijp i.v.t. de rest van het gebouw; de installatie is voorzien van een vonkenvanger; - gebruiks- en veiligheidsinstructies worden aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk VIII. - Signalisatie De plaats van elke uitgang en nooduitgang alsook de richting van de wegen, gangen en trappen naar die uitgangen zijn aangegeven d.m.v. reddingssignalen voorzien in het koninklijk besluit van 17 juni 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/10/1997 numac 1997012551 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde procedures in het kader van de fabricatie van machines, drukvaten van eenvoudige vorm en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/08/1997 numac 1997016167 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 juli 1996 betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/07/1997 numac 1997000508 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot toekenning van financiële hulp ter ondersteuning van de werking van de gemeentelijke politiekorpsen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/09/1997 numac 1997014163 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Regie der Luchtwegen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/09/1997 numac 1997012552 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk sluiten en zijn bijlagen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk IX. - Veiligheidsverlichting Een veiligheidsverlichting moet worden geïnstalleerd in de gangen, trappenhuizen, gemeenschappelijke woonruimten.</h3>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval moet de installatie conform zijn met de NBN C71-100 (Installatieregels en instructies voor de controle en het onderhoud), CEI-EN-60 598-2-22 (autonome blokken van veiligheidsverlichting) en NBN EN 1838 (Veiligheidsverlichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk X. - Bericht Bij gebrek aan publieke telefooncel in de omgeving van het gebouw moet de dienst 100 altijd kunnen worden bereikt d.m.v. een telefoonpost die ter beschikking van de huurders is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bericht aangeplakt in elk gebouw geeft de plaats van de telefoonpost aan alsook de oproepnummers. Die nummers bevinden zich ook op de telefoonposten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XI. - Alarm Die wordt verricht door de brandetectie.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk XII - Waarschuwingstoestellen Waarschuwingstoestellen moeten in voldoende aantal worden geïnstalleerd om de bewoners het evacuatiebevel te kunnen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waarschuwingstoestel moet hoorbaar zijn vanuit elk punt van gebouw en blijven werken bij stroomonderbreking tijdens 1/2 uur. Een bedieningspunt van het toestel is voorzien op elk niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk XIII. - Blusmiddelen Elk gebouw moet ten minste beschikken over : - een blusapparaat dat conform is met de vigerende normen van een halve bluseenheid per niveau toegankelijk voor gehandicapte personen; - een blusdeken conform met de norm NBN-EN-1869 in de keuken; - een automatische blusinstallatie ter bescherming van de oliebranders met stroomafsluiting en geluidssignalen bij inwerkingstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van de geplande uitrusting raadpleegt de exploitant de territoriaal bevoegde brandweerdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk XIX. - Onderhoud en controle 14.1. Algemeen. 14.1.1 De technische uitrusting wordt in goede staat gehouden. De exploitant is verantwoordelijk voor de periodieke controle van die uitrusting door bevoegde personen of instellingen. 14.1.2 De exploitant zorgt ervoor dat de inspecties, onderzoeken en controles, met name die waarvan sprake in artikel 14.2, worden uitgevoerd en dat een proces-verbaal daarvan wordt opgemaakt. De datums van de controles en de vaststellingen die in de loop daarvan werden gemaakt, worden opgenomen in een dossier dat ter beschikking van de Burgemeester of zijn afgevaardigde wordt gesteld. Dat verslag vermeldt de conformiteit met de regelgeving. 14.2. Periodieke controles. 14.2.1 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting van het gebouw voldoen aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (arrêté royalE.I.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorschriften van die regelingen worden bovenbedoelde elektrische installaties gecontroleerd door een instelling erkend door het Ministerie van Economische Zaken voor de controle op elektrische installaties : - bij hun indienststelling en telkens als belangrijke wijzigingen daaraan worden aangebracht of bij gebrek binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - om de 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van bovenbedoelde controles is de conformiteit van de installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting met de voorschriften van deze regeling te verifiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van de eventuele veiligheidsverlichting moet periodiek en minstens om de 6 maanden worden gecontroleerd door de exploitant. 14.2.2. Verwarmingsinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingan van het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof, worden de verwarmings- en airconditioningsinstallaties jaarlijks onderzocht door een erkende bevoegde technicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afvoerpijpen voor rook en verbrandingsgassen moeten altijd in goede staat worden gehouden. 12.2.3 Met brandbaar gas gevoede installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, wordt elke nieuwe of gedeeltelijk vernieuwde of herstelde installatie onderzocht vóór de in bedrijfstelling ervan, volgens de voorschriften van de Belgische normen en de regels van goede praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenvermelde controle wordt om de vijf jaar uitgevoerd door een daartoe uitgeruste instelling die onafhankelijk is van de installateur. Die controle bevat een waterdichtheidsproef met drukproef tijdens een minimumduur van 20 minuten met open afsluitkranen. 14.2.4. Onderhoud van de met brandbaar gas gevoede installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die installaties en de daarop aangesloten apparaten worden elk jaar onderhouden door een gekwalificeerde installateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat onderhoudt heeft o.a. als doel : - de verificatie en reiniging van de branders; - de verificatie van de beschermings- en regulatietoestellen; - de verificatie van de waterdichtheid van de installatie; - het bezoek en indien noodzakelijk de reiniging van de afvoerpijpen voor verbrandingsgassen. 14.2.5. Blusmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitbater draagt er zorg voor dat de blustoestellen jaarlijks nagezien en onderhouden worden door een gespecialiseerde firma. 14.2.6. Filters en afvoerwegen van keukenafzuigkappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant zorgt ervoor dar de vetfilters en afvoerwegen van de keukenafzuigkappen minstens jaarlijks worden onderhouden. 14.2.7. Schoorstenen en afvoerpijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schoorstenen en afvoerpijpen worden één keer per jaar schoongemaakt door een gekwalificeerde technicus. 14.2.8. Installatie voor branddetectie door punctuele voeler.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden in ontvangst genomen zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21-100 \"Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler\". De controles moeten echter betrekking hebben op het geheel van de installaties (voelers, centrales, versterkingstabellen, stuurinstallaties, enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden jaarlijks onderhouden, nagezien en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21-100 \"Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler\". 14.2.9. Alarminstallaties : Die installaties worden jaarlijks nagezien en onderhouden door een gekwalificeerde installateur. 14.2.10. Brandwerende deuren en deurtjes : De exploitant zorgt voor de goede werking van de zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren, deurtjes, Hij zorgt ook voor het regelmatig onderhoud ervan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XV. - Exploitatievoorschriften. 15.1. Algemeen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien van wat voorzien is in deze regelgeving, neemt de exploitant alle nodige maatregelen met het oog op de bescherming van alle personen tegen brand, paniek en ontploffingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opmerkingen die tijdens de periodieke controles werden geformuleerd, moeten zo spoedig mogelijk aanleiding geven tot de nodige verbeteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omtrek van de plaatsen waar brandbestrijdingsapparaten geïnstalleerd zijn, moeten steeds vrij blijven zodat die apparaten onverwijld kunnen worden gebruikt. 15.2. Autonome branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant zorgt voor de goede werking van de autonome rookdetectors minstens één keer voor elke huur. Tot dat einde houdt hij rekening met de aanwijzing van de fabrikant. 15.3. Kookapparaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kooktoestellen en vloeistofverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van elk brandbaar materiaal. Geen beweeglijk apparaat gevoed met brandbaar gas mag worden geplaatst of gebruikt binnen die lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebruik van een buigzame leiding voor de aansluiting van het fornuis op de gasdistributieinstallatie, moet die jaarlijks worden vervangen. Haar lengte wordt beperkt tot 1,5 meter. Elk uiteinde is uitgerust met spanringen. 15.4. Veiligheidsinstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant handelt als een goed huisvader en verbindt zich ertoe de gehuisveste personen op de hoogte te brengen van de werking van de installaties en de brandveiligheidsinstructies die in acht moeten worden genomen in het gebouw. Die hangen af van de capaciteit, de uitrusting en de organisatie van de kamers van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwezigheid van een haard of open haard worden gebruiks- en veiligheidsinstructies aangeplakt ten dienste van de gehuisveste personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidsinstructies in de drie nationale talen en in het Engels, eventueel vervangen door pictogrammen en duidelijk zichtbaar geplaatst in het gebouw geven de aan te nemen gedragslijn in geval van brand. Ze vermelden de naaste publieke of privé-telefoonpost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeel en in het bijzonder het nachtwachtpersoneel wordt getraind op de bediening van blusmiddelen en wordt ingelicht over de gebruiksvoorwaarden daarvan. Dat personeel krijgt ook een algemene opleiding inzake onheilpreventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor groeperingen van gebouwen moet een dossier bestemd om de hulpploegen te informeren de plaats vermelden van o.a. : - de trappen en evacuatiewegen; - de beschikbare blusmiddelen; - de algemene tabel van het brand- en alarmdetectiesysteem; - de stookplaats; - in voorkomend geval de installaties en lokalen met bijzondere risico's; - de algemene vestiging van de gebouwen, toegangswegen, waterhulpbronnen en stroomonderbrekingsapparaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dossier wordt bijgehouden. 15.5. Bescherming tegen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De putten, tanken, bekkens, reservoirs en een of andere openingen, wanneer ze gevarlijk zijn voor de gebruikers, moeten voldoende open zijn of omringd zijn met stevig vastgemaakte borstweringen, van minstens 1 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raam- en deuropeningen en andere openingen in de muren waarvan de drempel op minder dan 70 cm boven de vloer naar de binnenkant ligt en op meer dan 1,50 m boven de grond naar de buitenkant, moeten beschermd worden door stevig vastgemaakte borstweringen van minstens 1 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trappen moeten voorzien zijn van stevige leuningen die geplaatst zijn op een minimale hoogte van 0,75 m aan de kant met een eventueel valrisico. Wanneer de breedte van de trappen hoger is dan 1,50 m of wanneer een valrisico bestaat aan beide kanten, zijn de leuningen dubbel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leuningen moeten zo vervaardigd zijn dat de kinderen niet kunnen binnensluipen tussen de spijlen. Hetzelfde geldt voor de leuningen wanneer een valrisico bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 houdende uitvoering van het decreet van 18 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/12/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/2004 numac 2004200662 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen sluiten betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen, 9 december 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN Bijlage 7 Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen 2. Algemeen. Deze bepalingen zijn van toepassing onverminderd de toepasselijke normen en algemene of bijzondere bepalingen en met name : het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995); - de Codex over het welzijn op het werk (Codex); - het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming (A.R. A.B. ); - bijlage 9 bij dit besluit tot vaststelling van de normen voor het onderhoud, de controle en het gebruik; - het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning. 2.1. Doel van die bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vermelden de minimale maatregelen die van toepassing zijn in de gebouwen met het oog op : a) het voorkomen van branden;b) de veiligheid van personen;c) het voorkomen van problemen bij de tussenkomst van de brandweerdiensten. 2.2. Door de exploitant te treffen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant treft de gepaste maatregelen om : a) branden te voorkomen;b) elk begin van brand snel en efficiënt te bestrijden;c) in geval van brand : - de gehuisveste personen in staat te stellen de alarm te slaan; - de veiligheid van de personen te verzekeren en in voorkomend geval die snel en zonder gevaar te evacueren; - de territoriaal bevoegde brandweerdienst onmiddellijk te waarschuwen. 1.3. Toepassingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze normen zijn van toepassing voor zover ze bijzonderheden geven of hetzij meer dwingend zijn dan de basisnormen of specifiek zijn voor de gebouwen bestemd voor huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig bovenstaande tabel bepalen ze de voorwaarden betreffende het ontwerpen, de bouw en de inrichting van de gebouwen of gedeelten daarvan voor de opvang van een inrichting van type B met een maximale capaciteit hoger dan 9 personen of een inrichting van type A met een maximale capaciteit hoger dan 15 personen. 1.5. Terminologie. 1.4.1. De gebruikte terminologie is die welke staat vermeld in bijlage I bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.4.2. Deze terminologie wordt aangevuld als volgt : Positieve veiligheid : De installaties worden geacht in positieve veiligheid te werken als de veiligheidsfunctie van die installaties of apparaten blijft werken wanneer de energiebron en/of het voedings- en/of bedieningsapparaat gebrekkig is/zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Flat : Elke toeristische logiesverstrekkende inrichting met minstens één plaats voor de voorbereiding van maaltijden door de gehuisveste personen. 1.5. Nummering van de niveaus 1.5.1. Een ordenummer wordt toegekend aan elk niveau met inachtneming van volgende regels : - de verschillende niveaus vormen een ononderbroken opeenvolging; - één van de niveaus heeft het nummer 0; - de niveaus beneden het niveau 0 hebben een negatief ordenummer; - de niveaus boven het niveau 0 hebben een positief ordenummer. 1.5.2. Op elk niveau moet het ordenummer daarvan : - ingeschreven zijn ten minste op één van de wanden van de overlopen van de trappenhuizen en van de liften; - leesbaar zijn vanuit de liftkooi bij het stilstaan daarvan. 1.5.3. In de liften is het ordenummer van de niveaus ingeschreven naast de overeenstemmende bedieningsknop. Bovendien staan de woorden \"uitgang\" en \"nooduitgang\" vermeld naast de ordenummers van de niveaus met uitgangen en nooduitgangen. 1.6. Proef- en classificatiemethoden voor producten in een andere lid-Staat van de Europese Unie Indien het wordt vastgesteld d.m.v. bewijsstukken dat een product voldoet aan de vereisten van dit besluit volgens gelijkwaardige proef- en classificatiemethoden die geldig zijn in een andere lid-Staat van de Europese Unie, wordt dat product geacht te voldoen aan de in deze bijlage vastgestelde technische vereisten. 1.7. Certificering van materialen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling alsook de proeflaboratoria en van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 en voorzover de certificering van de betrokken installateurs, installaties en/of materiaal bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de uitvoering van de installatie of het gebruik van het materieel : - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten gecertificeerd zijn door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van producten overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45011; - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten worden geplaatst door installateurs die gecertificeerd zijn door een certificeringsionstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van personen overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lidstaat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk II. - Vestiging, bouw en uitrusting 2.1. Compartimentering van de lokalen 2.1.1. De oppervlakte van een gebouw, gemeten tussen de binnenkanten van de wanden die het afbakenen, is lager dan 1 250 m2. 2.1.2. Elk geheel van 20 kamers of van lokalen bestemd voor de huisvesting van maximum 40 personen verdeeld op éénzelfde niveau wordt omringd door binnenwanden met een graad Rf 1 h, behalve voor lage gebouwen met één enkel niveau waar Rf gelijk is aan 1/2 h.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wandopeningen zijn gesloten d.m.v. zelfsluitende deuren Rf 1/2 h. 2.2. Lokalen gelegen beneden het laagste evacuatieniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beneden het laagste evacuatieniveau : - mag geen individuele of collectieve slaapkamer gelegen zijn; - mag enkel het naaste niveau lokalen bevatten die bestemd zijn voor huisvesting. 2.3.Aantal trappenhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal trappenhuizen wordt vastgesteld met inachtneming van : - het aantal gehuisveste personen boven het naaste evecuatieniveau; - de voorschriften betreffende de maximale afstanden voor toegang tot het naaste trappenhuis of de naaste evacuatieweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de evacuatieniveaus leiden de trappen naar een uitgang hetzij rechtstreeks, hetzij via een zo kort mogelijke evacuatieweg die voldoet aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (gewijzigd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de benedenverdieping kunnen de ontvangsthal en haar directe bijgebouwen ingesloten zijn in het compartiment van één van de trappenhuizen of van de evacuatieweg : dit impliceert permanente beschermingsmaatregelen tegen brand. 2.4. Verticale binnenwanden De verticale binnenwanden die een kamer of een flat afbakenen, hebben een Rf van minstens 1/2 h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de binnenwanden van de evacuatiewegen en de deuren die ertoe leiden, zie het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (gewijzigd). 2.5. Deuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deuren van de evacuatiewegen alsook de deuren die leiden buiten het gebouw moeten altijd kunnen worden geopend met het oog op de evacuatie. Die deuren kunnen gegrendeld zijn met inachtneming van volgende voorwaarden : - Elektrische ontgrendeling vanuit een altijd toegankelijke plaats (wachtkantoor, onthaal, enz); - Automatische ontgrendeling in geval van branddetectie, alarm en stroomstoring; - Installatie uitgevoerd volgens de principes van de positieve veiligheid. 2.6. Niet-vlottende bekledingsmaterialen die gebruikt worden als thermische of geluidsisolatie of als versiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men dient zich te schikken naar de voorschriften van bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997). 2.7. Dakwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men dient zich te schikken naar de voorschriften van bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997). 2.8. Bouwvoorschriften betreffende de compartimenten en de doorgangen die bij evacuatie gebruikt moeten worden. 2.8.1. Aantal trappen In elk geval moet iedere bewoonde verdieping beschikken over ten minste twee verschillende evacuatiewegen die over de hele hoogte van het gebouw zelfstandig van elkaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval zijn de trappenhuizen zodanig en in zo'n hoeveelheid opgericht dat de voorschriften van het koninklijk besluit in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moeten de verdiepingen voorzien zijn van ten minste één binnentrap. Bijkomende trappen mogen buitentrappen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gebouwen van type 2 moet een compartiment voorzien zijn van ten minste twee trappenhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gebouwen van type 1, in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweerdienst, mogen de verdiepingen waar minder dan 20 bewoners ondergebracht worden, alleen voorzien zijn van één trappenhuis voorzover een tweede evacuatieweg bestaat. 2.8.2. Ventilatie van de binnentrappenhuizen Het handbedieningstoestel is duidelijk zichtbaar in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweerdienst. 2.9. Bouwvoorschriften betreffende sommige technische lokalen en ruimten. 2.9.1.Linnenkamers van meer dan 2 m2, washokken, archiefdepots en werkplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die lokalen zijn gelegen buiten de voor de bewoners toegankelijke compartimenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het onmogelijk is, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer en met inachtneming van volgende voorschriften, mogen die lokalen gelegen zijn in de voor de bewoners toegankelijke compartimenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betrokken lokaal wordt omringd door binnenwanden die aan volgende voorschriften voldoen : - Rf 1 h; - De openingen in die wanden worden gesloten door Rf 1/2 h-zelfsluitende deuren; - Als ze niet worden bewoond, worden die lokalen afgesloten. 2.9.2. Mantelbuizen Stortkokers en mantelbuizen voor de afvoer van linnen zijn verboden. 2.9.3. Gemeenschappelijke keukens 2.9.3.1. Bakovens en vloeistofverwarmers zijn gelegd op draagsteunen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 2.9.3.2. Afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De dichtheid van deze kanalen wordt verzekerd tot een temperatuur van 800 °C. De verbrandingsgassen en dampen worden langs deze kanalen, die niet mogen verbonden zijn met andere leidingen, uit het gebouw gedreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet-geïsoleerde kanalen liggen ten minste 45 cm van elk niet-afgeschermd brandbaar materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De binnenzijde van de kanalen is glad en weerstaat aan de werking van scheikundige produkten die normaal in de af te voeren verbrandingsgassen en dampen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kanalen moeten gemakkelijk kunnen worden gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te dien einde zijn er eventueel openingen in aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van de gemeenschappelijke keukens, zijn de kanalen die uit de keukens komen, ofwel aan de buitenkant van de gebouwen stevig vastgemaakt, hetzij in mantelbuizen gezet waarin geen andere leidingen lopen en waarvan de wanden een weerstand tegen brand hebben van ten minste twee uur. In dit laatste geval hebben de deurtjes of de toegangsdeuren voor het nazicht en de reiniging een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 2.9.4. Opslagplaats voor huisvuil Het lokaal is voorzien van een automatisch hydraulisch blussingssysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die voorschriften mogen niet van toepassing zijn op de instellingen onder de volgende voorwaarden : - het huisvuil wordt opgeslagen in een metalen container met een zelfsluitend deksel; - de container wordt alleen te dien einde gebruikt en is gelegen op minstens 5 m van elke opening van ieder gebouw. 2.10. Liften en goederenliften. 2.10.1. In geval van alarm worden de liften automatisch teruggeroepen naar het evacuatieniveau en worden ze stopgezet. De deuren van de liften met een automatische opening worden opengehouden. 2.10.2. Voor hydraulische liften wordt de informatie betreffende de uitschakeling van de installatie overgebracht naar de branddetector. 2.11. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie 2.11.1. De apparatuur en de gebruikstoestellen moeten voldoende veiligheidswaarborgen bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vereiste wordt als voldoende beschouwd wat betreft onder meer de apparatuur en de gebruikstoestellen die aan Belgische normen voldoen. 2.11.2. De toestellen die zorgen voor de normale kunstmatige verlichting van de bij evacuatie gebruikte ruimten, zijn vastgehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ze van een uurwerk afhangen, moet men zorgen voor een progressieve storing van de verlichting zodanig dat die opnieuw mag aangestoken worden zonder ooit in de duisternis te zijn. 2.12. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen 2.12.1 Algemeen 2.12.1.1. De installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen voldoen aan de desbetreffende voorschriften, normen, vakmanskunst, technische eisen en richtlijnen. 2.12.1.2. De hulpstukken zoals kranen, kleppen, deksels, veiligheidsventielen, ontspanners, enz., zijn geschikt voor het gebruik van vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 2.12.1.3. Het gebruik van commerciële butaan in verplaatsbare flessen is verboden. 2.12.1.4. In de gebouwen bedraagt de maximaal toegelaten bedrijfsdruk 1,5 bar. 2.12.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gebouwen is de installatie zodanig opgericht dat, zelfs per ongeluk, de druk in de leidingen de bedrijfsdruk niet overschrijdt met meer dan 50 %. 2.12.1.6. Een afsluitkraan ligt vlakbij de plaats waar de leiding het gebouw binnenkomt. Deze afsluitkraan moet buiten het gebouw en zijn ingangen liggen. De plaats waar deze kraan ligt is gemakkelijk te vinden. 2.12.1.7. De handelingen voor het plaatsen of vervangen van verplaatsbare recipiënten worden zo veilig mogelijk uitgevoerd. Na deze handelingen wordt de dichtheid van de buizen en koppelingen nagegaan. 2.12.2. Installaties die gas in vaste reservoirs gebruiken 2.12.2.1. Ongeacht hun inhoud, voldoen de opslagplaatsen met vaste reservoirs voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen aan de voorschriften van het desbetreffende koninklijk besluit van 21 oktober 1968. 2.12.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter toepassing van de regelgeving wordt bovendien een machtiging vereist voor opslagplaatsen met vaste reservoirs met een inhoud van 300 liter en meer (gemeten in liter water). Onverminderd de voorschriften van voormelde paragraaf, moeten deze opslagplaatsen ook voldoen aan de eventuele vereisten van de machtigingsbesluiten. 2.12.2.3. De gebouwen met lokalen die bestemd zijn voor bewoners, zijn zowel verwijderd of gescheiden van de eventuele verdampingsinfiltraties als van andere gebouwen of door derden bewoonde lokalen. 2.12.3. Installaties die gas in verplaatsbare recipiënten gebruiken 2.12.3.1. De verplaatsbare recipiënten voldoen aan de voorschriften van het \"Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming\". 2.12.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opslagplaatsen met verplaatsbare recipiënten met een totale inhoud (in liter water) van 500 liter of meer moeten gemachtigd zijn overeenkomstig het \"Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming\" en moeten voldoen aan de eventuele vereisten van de machtigingsbesluiten. 2.12.3.3. Veiligheidsmaatregelen voor verplaatsbare recipiënten 2.12.3.3.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet in de gebouwen gelegd worden met uitzondering van die waarvan de hoeveelheid grondstof niet hoger is dan 3 kilo's. Buiten de gebouwen zijn zij op minstens 1,5 m van vensters en 2,5 m van deuren gelegd. 2.12.3.3.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,5 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 2.12.3.3.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,5 m van de verplaatsbare recipiënten. 2.12.3.3.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mogen enkel vervaardigd zijn uit ontbrandbare materialen; - zijn voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. 2.12.3.3.5. Koppeling van de verplaatsbare recipiënten aan de distributieleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten einde het leeglopen van de leiding bij het vervangen van een leeg recipient door een vol te vermijden, is een afsluitsysteem aangebracht op de leiding van elke verplaatsbare recipiënt. Dit apparaat mag bestaan hetzij uit een klep of een terugslapklep, hetzij uit een omkeerklep als de voorziening langs twee recipiënten gebeurt. 2.12.4. Leidingen 2.12.4.1. De leidingen zijn vervaardigd uit buizen van naadloos staal, koper of koperlegering, sterk genoeg om te weerstaan aan een bedrijfsdruk van 20 bar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De buisstukken waaruit de distributieleiding bestaat, zijn aan elkaar gezet door : - autogeenlassing; - een soldeernaad waarvan het smeltpunt van het mengsel op minstens 500 °C ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans wordt het gebruik toegelaten van mechanische koppelingen die bestemd zijn voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen, in hoeverre dit nodig is voor het demonteren en hermonteren. 2.12.4.2. De distributieleidingen moeten binnen de gebouwen zo gelegd zijn, dat zij over hun ganse lengte kunnen geïnspecteerd worden, behalve daar waar zij in voeringen moeten gelegd zijn. Doeltreffende maatregelen zijn getroffen om deze leidingen te beschermen tegen corrosie. 2.12.4.3. De leidingen mogen niet gelegd zijn : - in de kanalen voor afvoer van rook of verbrandingsgassen, zelfs als deze niet gebruikt worden; - in de schachten van de liften, lasten- of bordenliften; - in de ventilatie- of verwarmingsmantelbuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij mogen evenmin door voormelde kanalisaties of mantelbuizen lopen, noch door watergoten of rioolmonden. De distributieleidingen zijn gelegd op minstens 5 cm afstand van andere kanalisaties en mogen niet in verbinding staan met de afvoerkanalen voor rook en verbrandingsgassen. 2.12.4.4. De distributieleidingen mogen niet door ruimten lopen waar een lek bijzonder gevaarlijk kan zijn, hetzij door de bestemming van deze ruimte, hetzij door hun onvoldoende ventilatie. Indien dit nochtans niet kan vermeden worden, mogen de buizen van geen enkel mechanisch koppelstuk voorzien zijn over heel de lengte waarvan sprake. 2.12.4.5. Voeringen De voeringen zijn uit één stuk en hebben een voldoende mechanische weerstand. Zij zijn verplicht voor alle leidingen die door wanden steken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voeringen voor de gasdistributie mogen geen andere leiding bevatten. 2.12.5. Gebruikstoestellen. 2.12.5.1. Voor de voorziening van de gebruikstoestellen worden enkel onbuigzame buizen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de aanvoerleiding van elk gebruikstoestel staat een stopkraan. Deze kraan moet gemakkelijk bereikbaar zijn en ligt vlakbij het bediende toestel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verdeelkraan is op de algemene voedingsleiding gelegd, wanneer meerdere gebruiksapparaten in één lokaal gegroepeerd zijn. Deze kraan is gemakkelijk te bereiken en ligt op minder dan 15 m van het eerste toestel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nodige maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen gebruikt worden. 2.12.5.2. Elk gebruikstoestel is aangepast aan de aard en druk van het gas. De toestellen komen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. Alle verwarmings- en kooktoestellen die zijn verbonden met de gasinstallatie, zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels. 2.12.5.3. In de lokalen waar één of meer toestellen zijn geïnstalleerd, zijn afdoende maatregelen getroffen, niet alleen voor een goede ventilatie, maar ook voor : - een voldoende aanvoer van verse lucht, om de lucht te vervangen die door de gasverbranding werd opgebruikt; - een voldoende afvoer van de verbrandingsgassen buiten de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvoerleidingen zorgen voor het uitdrijven van de verbrandingsproducten die voortkomen uit de in de keukens gebruikte toestellen. 2.13. Installaties bevoorraad met brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd 2.13.1. Aansluiting op het distributienet Op elke buis waarbij de instelling aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze kraan (kranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 2.13.2. Voeringen De voeringen zijn onafgebroken en hebben een voldoende mechanische weerstand. Ze zijn verplicht voor alle buizen in de wanddoorvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen andere leiding mag de voering van een gasbuis gebruiken. 2.13.3. Gebruikstoestellen De buisleiding van de gebruikstoestellen bestaat uitsluitend uit onbuigbare elementen. Zonder dat men daarom niet meer verplicht is een stopkraan op de aanvoerbuis van elk gebruiktoestel te plaatsen wanneer verschillende gebruikstoestellen in eenzelfde lokaal zijn geïnstalleerd, wordt een verdelingskraan gelegd op de buisleiding die het geheel van deze toestellen bevoorraadt. Deze gemakkelijk bereikbare kraan ligt op minder dan 15 m van het eerste bediende toestel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toestellen stemmen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. Alle verwarmings- en kooktoestellen die verbonden zijn met de gasinstallatie, zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels. 2.14. Installaties voor verwarming en klimaatregeling. 2.14.1. Algemeen. 2.14.1.1. Terminologie 2.14.1.1.1. Installatie van centrale verwarming : verwarmingsinstallatie waarvan de warmtebron(nen) de energie van een fluïdum opvoert, en deze vervolgens overbrengt naar de lokalen die moeten worden verwarmd. 2.14.1.1.2. Lokaal verwarmingsapparaat : toestel met een warmtebron dat geïnstalleerd is in het te verwarmen lokaal. 2.14.1.1.3. Centrale installatie voor klimaatregeling : regelingsinstallatie waarbij de verwerkte lucht vervoerd wordt naar de verschillende lokalen die moeten worden geklimatiseerd of verlucht. 2.14.1.1.4. De centrale verwarmings- of klimaatregelingsinstallaties voldoen aan de voorschriften, grondregels van de bouwkunst en technische richtlijnen betreffende de centrale verwarming, de ventilatie en de klimaatregeling, die op de datum van oprichting van de installaties van kracht zijn. 2.14.2. Centrale verwarmingsinstallaties. 2.14.2.1. De warmtebronnen zijn opgericht in stookplaatsen die voldoen aan de vereisten van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (gewijzigd). 2.14.2.2. De warmtebronnen met automatische ontsteking waarin een vloeibare brandstof gebruikt wordt, zijn uitgerust met veiligheidstoestellen overeenkomstig de norm EN 230 \"Verstuivingsstookoliebrander uit één stuk - veiligheids-, aandrijvings- en regelingsvoorschriften\" en EN 264 \"Veiligheidsvoorschriften voor verbrandingsinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken - veiligheidsvereisten - proeven\". 2.14.2.3. De warmtebronnen met een automatische ontsteking die een brandbaar gas gebruiken, zijn uitgerust met een toestel : - dat de toevoer van brandstof naar de brander automatisch afsluit bij het stilvallen van de brander, bij oververhitting of overdruk in de wisselaar; - dat alle toevoer van brandstof afsluit bij toevallig uitdoven van de waakvlam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toestellen stemmen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. 2.14.1.1. Centrale verwarmingsinstallaties met warme lucht. 2.14.2.4.1. In de warmtebronnen heeft de lucht voortdurend een hogere druk dan het gas dat circuleert in de ketelhaard. 2.14.2.4.2. Niet toegelaten worden : - de verwarming met rechtstreekse verbranding in de rond te stuwen lucht; - de verwarming met een uitwisseling van warmte met een vloeistof of stoom waarvan de temperatuur hoger is dan 180 °C. 2.14.3. Plaatselijke verwarmingstoestellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaatselijke toestellen die zorgen voor bijkomende of aanvullende verwarming, werken elektrisch en voldoen aan volgende vereisten : - er mag geen enkel contact zijn, zelfs toevallig, tussen om het even welk voorwerp en de verwarmende weerstanden; - de temperatuur van de lucht aan de uitlaat mag niet hoger zijn dan 80 °C; - de temperatuur van de uitwendige en bereikbare delen van het toestel mag in geen geval hoger zijn dan 70 °C. 2.14.4. Centrale installaties voor klimaatregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groepen voor de luchtbehandeling zijn geïnstalleerd in daarvoor bestemde lokalen en voldoen aan de voorschriften betreffende de stookplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zijn maatregelen getroffen om te vermijden dat dampen van de koelvloeistof rechtstreeks of onrechtstreeks andere lokalen van de inrichting zouden doordringen. 2.14.5. Gemeenschappelijke voorschriften : Die voorschriften zijn van toepassing op de installaties voor verwarming door warme lucht en op de centrale klimaatregelingsinstallaties. 2.14.5.1. De leidingen voor de luchtcirculatie zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 2.14.5.2. De gevoerde lucht mag niet voortkomen uit de stookplaatsen, noch uit lokalen waar bijzonder brandgevaar bestaat. 2.14.5.3. Om te vermijden dat, bij brand, de rook de nog niet door het vuur aangetaste lokalen zou doordringen langs de luchtleidingen, zijn aangepaste toestellen gelegd. 2.14.5.4. Waar de gebruikte leidingen de bediende lokalen doordringen, mag de temperatuur van de gevoerde lucht niet hoger zijn dan 80 °C. 2.14.5.5. Bij abnormale stijging van de temperatuur van het verwarmde fluïdum, legt een veiligheidstoestel de ventilatoren stil, en al naar gelang het geval : - dooft de warmtebron of zet de waakvlam aan van de warmtegeneratoren; - snijdt de elektrische stroom af van de groepen voor luchtbehandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit automatisch mechanisme is ontdubbeld door handbedieningen die oordeelkundig op ten minste twee plaatsen van de inrichting zijn gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze handbedieningen zijn gelegd buiten de lokalen waar de stookplaats of de groep voor luchtbehandeling zijn geïnstalleerd. Bovendien is één van de handbedieningen opgericht in een lokaal of ruimte die rechtstreeks van buitenuit kan betreden worden. Panelen in het wit met rode letters of tekens : - duiden de plaats aan waar de voornoemde handbedieningen liggen; - verstrekken de nodige inlichtingen om deze handbedieningen te kunnen gebruiken en om eventueel andere acties te kunnen verrichten. 2.14.5.6. De gedeelten van de luchtomloop in \"onderdruk\", zoals filterkamers, schachten, enz., zijn voldoende dicht om de insijpeling van rook en gassen te voorkomen uit de lokalen waarlangs de omloop is geleid. 2.14.5.7. De elektrische motoren zijn gemakkelijk bereikbaar voor onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een motor geïnstalleerd is in de luchtomloop, heeft hij ten minste een bescherming IP4 X (NBN C 20-001). Bovendien zijn de wikkelingen beschermd door een ingebouwde thermische beveiliging die de aanvoer van elektrische stroom naar de motor afsnijdt bij oververhitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingebouwde thermische beveiliging is niet vereist voor motoren van 0,36 kW en minder. 2.14.5.8. De mondingen voor het aanzuigen of afvoeren van lucht naar buiten zijn zodanig gelegd dat geen vast brandbaar bestanddeel kan indringen en dat het brandgevaar van buiten vermeden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mondingen worden beschermd door tralies of corrosievrij maaswerk. 2.14.5.9. Verwarmingsmonden, luchtverspreiders of afzuigmonden zijn op minstens 0,08 m boven de afgewerkte vloer gelegd. Deze mondingen zijn op dezelfde wijze beschermd als bedoeld in lid 2.14.5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van het vorig lid zijn echter niet van toepassing op de monden die, in vergaderzalen, toneelzalen en conferencielokalen, enz., in de afgewerkte planken vloer kunnen worden gelegd. Die monden zijn dan niet alleen uitgerust met het hiervoor beschreven tralie- of maaswerk maar ook met een metalen korf met dezelfde oppervlakte als de beschermde monden. 2.15 Installaties voor branddetectie, melding, waarschuwing, alarm en brandblusmiddelen 2.15.1. Algemeen Alle inrichtingen zijn uitgerust met een installatie voor detectie van brand alsook met toestellen of middelen voor melding, waarschuwing, alarm en brandblussing. 2.15.1.2. De detectie-installaties waarmee de inrichtingen zijn uitgerust, zijn veralgemeende installaties voor automatische branddetectie door punctuele voelers, die overeenstemmen met de Belgische norm NBN S 21-100 en haar addenda. 2.15.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandmelding Vanuit elk compartiment moet de ontdekking of de detectie van brand onverwijld aan de brandweer meegedeeld kunnen worden. 2.15.3. Waarschuwing De waarschuwingsberichten of -signalen zijn waarneembaar door elke betrokken persoon, onder meer door de leden van het waakpersoneel en het personeel van de eventuele inwendige veiligheidsdienst. Die signalen of berichten mogen geen verwarring veroorzaken met andere, in het bijzonder met de alarmsignalen of -berichten. 2.15.4. Alarm 2.15.4.1. De alarmsignalen of -berichten zijn waarneembaar door elke betrokken persoon. Die signalen of berichten mogen geen verwarring veroorzaken met andere, in het bijzonder met de waarschuwingssignalen of -berichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moten ze de bewoners kunnen wekken. 2.15.4.2. Vanwege de omvang van het gebouw, wordt het bevel waarbij die geheel of gedeeltelijk wordt geëvacueerd, gegeven door de alarminstallaties. 2.15.5. Blusapparaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De blusapparaten stemmen overeen, volgens hun type en capaciteit, met één van de vigerende Belgische normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een draagbare snelblusser is gelegd vlakbij elke haspel met axiale voeding, waarvan de installatie eventueel verplicht is. In alle gevallen moet elke verdieping beschikken over ten minste één draagbaar blusapparaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de bijzondere risico's die sommige lokalen, technische ruimten of installaties bieden, zoals stookplaatsen, hoogspanningskabines, machinekamers van liften, friteuses, enz., zijn een voldoende aantal blusapparaten gelegd of geïnstalleerd in oordeelkundig gekozen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De capaciteit en het type van de in deze paragraaf bedoelde snelblussers zijn aangepast aan de betrokken risico. 2.15.6. Vaste en automatische blusinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de stookplaatsen waar één of verschillende warmtebronnen in gebruik zijn die met een vloeibare brandstof gevoed worden, zijn deze bronnen uitgerust met een automatisch blussysteem gekoppeld aan toestellen die, als zij in werking treden, de aanvoer van brandstof en elke energiebron uitschakelen in de stookplaats waar brand is uitgebroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In keuken-restaurantcomplexen is elk vast frituurtoestel uitgerust met een vaste en automatische blusinstallatie die gekoppeld is aan een apparaat waarbij de voeding in warmte-energie van het frituurtoestel wordt onderbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel bedoelde automatische blussingsinstallaties zijn uitgerust met een waarschuwingssysteem dat gekoppeld is aan de branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 houdende uitvoering van het decreet van 18 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/12/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/2004 numac 2004200662 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen sluiten betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen, 9 december 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN Bijlage 8 Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen 3. Algemeen. Deze bepalingen zijn van toepassing onverminderd de toepasselijke normen en algemene of bijzondere bepalingen en met name : het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995); - de Codex over het welzijn op het werk (Codex); - het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming (A.R. A.B. ); - bijlage 9 bij dit besluit tot vaststelling van de onderhouds- en controlenormen en de bewoningsvoorschriften; - het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning. 3.1. Doel van die bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vermelden de minimale maatregelen die van toepassing zijn in de gebouwen met het oog op : a) het voorkomen van branden;b) de veiligheid van personen;c) het voorkomen van problemen bij de tussenkomst van de brandweerdiensten. 3.2. Door de exploitant te treffen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant treft de gepaste maatregelen om : a) branden te voorkomen;b) elk begin van brand snel en efficiënt te bestrijden;c) in geval van brand : - de gehuisveste personen in staat te stellen de alarm te slaan; - de veiligheid van de personen te verzekeren en in voorkomend geval die snel en zonder gevaar te evacueren; - de territoriaal bevoegde brandweerdienst onmiddellijk te waarschuwen. 1.3. Toepassingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze bepalingen zijn van toepassing op de volgende twee categorieën : 1.3.1 de gebouwen van het middelgrote of lage type die bestonden op 26 mei 1995 of van het lage type die bestonden op 31 december 1997 en bestemd voor de opvang van een toeristische logiesverstrekkende inrichting, die een gunstig veiligheidsattest hebben ontvangen overeenkomstig artikel 2 van het decreet van 9 november 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor die gebouwen, behalve wat betreft de structuurelementen van het gebouw (art. 31), zijn die maatregelen niet van toepassing op het gedeelte van het gebouw dat door de eigenaar of de exploitant bewoond is, op voorwaarde dat dat gedeelte gescheiden is van het gebouw, zoals voorzien in artikel 4.2. 1.3.2. Overeenkomstig bovenstaande tabel, alle andere bestaande gebouwen bestemd voor de opvang van een instelling van type B met een maximale capaciteit hoger dan 9 personen of een instelling van type A met een maximale capaciteit hoger dan 15 personen. 1.4. Terminologie. 1.4.1. De gebruikte terminologie is die welke staat vermeld in bijlage I bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.4.2. Die terminologie wordt aangevuld als volgt : Deur Rf : brandwerende deur. De bepalingen van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake de \"BENOR/ATG\"-erkenning en erkende plaatsers zijn enkel van toepassing op de deuren geplaatst of vervangen na de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van deze regeling. De plaatsers zijn erkend in de zin van het ministerieel besluit van 5 mei 1995 tot vaststelling van de voorwaarden en de procedure inzake de erkenning van de plaatsers van brandwerende deuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Positieve veiligheid : De installaties worden geacht in positieve veiligheid te werken als de veiligheidsfunctie van die installaties of apparaten blijft werken wanneer de energiebron en/of het voedings- en/of bedieningsapparaat gebrekkig is/zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deuren met massieve kern : deuren die ontworpen en gelegd zijn overeenkomstig de grondregels van de bouwkunst en die bestaan uit : - hetzij houtspaanderplaten met een soortelijke massa van ten minste 400 kg/m3 en met dezelfde dichtheid als het raam, - hetzij hardhout met een soortelijke massa van ten minste 400 kg/m3 die bestaat uit één kozijn en panelen. De panelen vertonen overal een minimumdichtheid van 12 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Flat : Elke toeristische logiesverstrekkende inrichting met minstens één plaats voor de voorbereiding van maaltijden door de gehuisveste personen. 1.5. Classificatie van de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen worden ingedeeld in drie categorieën : 1.5.1. Cat. 1. - Laagbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze worden onderverdeeld in twee subcategorieën : Cat. 1a. - gebouwen met één bewoond niveau boven de grond dat het gewone evacuatieniveau is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cat. 1b. - gebouwen met 2 of 3 gewoonde niveaus boven de grond waarvan respectievelijk 1 of 2 boven het gewone evacuatieniveau. 1.5.2 Cat. 2. - Middelbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de gebouwen omschreven in artikel 1.3.1., verstaat men onder middelbouw elk gebouw van minstens drie bewoonde niveaus boven het gewone evacuatieniveau dat niet valt onder categorie 3. 1.5.3. Cat. 3. - Hoogbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze worden onderverdeeld in twee subcategorieën : Cat. 3a. - gebouwen waarvan de bouwvergunning werd toegekend vóór 26 mei 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorschriften worden gegeven onverminderd het koninklijk besluit van 4 april 1972 tot vaststelling van de algemene voorwaarden opgenomen in de norm NBN 713.010 betreffende de bescherming tegen brand in hoogbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cat. 3b. - gebouwen waarvan de bouwvergunning werd toegekend vanaf 26 mei 1995. 1.6. Bewoningsvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen flat, individuele of collectieve kamer mag worden ingericht onder het laagste evacuatieniveau. 1.7. Gedrag bij brand van de elementen en van het constructiemateriaal. 1.7.1. Op het verzoek van de burgemeester of zijn afgevaardigde, is de exploitant verplicht het bewijs voor te leggen dat de voorschriften inzake gedrag bij brand van de elementen en het constructiemateriaal, opgenomen in deze reglementering, worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan hij dit bewijs niet voorleggen, is hij verplicht een schriftelijke beschrijving van de samenstelling van de elementen en het constructiemateriaal met de medeondertekening van een architect te geven waarvoor het voormelde bewijs niet kan geleverd worden. 1.7.2. Reactie bij brand - Testmethodes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het contructiemateriaal wordt ingedeeld volgens de klassering die opgenomen is in bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.7.3. Boringen in de wanden Rf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boringen en uithollingen in de wanden waarvoor een Rf vereist is, moeten afgesloten worden met elementen die een Rf-graad hebben die gelijk is met deze van de wand. 1.7.4. Elementen van metselwerk of beton zijn toegestaan voor de gebouwen bepaald in art. 1.3.1. Bij elke belangrijke inrichting (herstructurering, wijziging van een gedeelte, enz.) worden de noodzakelijke maatregelen getroffen om de vereiste Rf-graden na te leven. 1.8. Certificering van materialen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling alsook de proeflaboratoria en van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 en voor zover de certificering van de betrokken installateurs, installaties en/of materiaal bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de uitvoering van de installatie of het gebruik van het materieel : - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten gecertificeerd zijn door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van producten overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45011; - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten worden geplaatst door installateurs die gecertificeerd zijn door een certificeringsionstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van personen overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45013. 1.10. 1.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm NBN en gelijkwaardigheid in een andere lid-Staat van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wordt vastgesteld d.m.v. de noodzakelijke stukken dat een product opgenomen in deze bijlage voldoet aan de vereisten omgezet in een norm NBN volgens proef- en classificeringsmethodes die gelijkwaardig zijn in een andere lid-Staat van de Europese Unie, wordt dat product geacht te voldoen aan de technische voorschriften van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 5 Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen 4. Algemeen. Deze bepalingen zijn van toepassing onverminderd de toepasselijke normen en algemene of bijzondere bepalingen en met name : het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995); - de Codex over het welzijn op het werk (Codex); - het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming (A.R. A.B. ); - bijlage 10 bij dit besluit tot vaststelling van de bijkomende normen die toepasselijk zijn op gebouwen voor de opvang van meerdere toeristische instellingen met een maximale capaciteit van minder dan 10 personen en waarvan de opgetelde maximale capaciteit hoger is dan 15 personen; - het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning. 4.1. Doel van die bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vermelden de minimale maatregelen die van toepassing zijn in de gebouwen met het oog op : a) het voorkomen van branden;b) de veiligheid van personen;c) het voorkomen van problemen bij de tussenkomst van de brandweerdiensten. 4.2. Door de exploitant te treffen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant treft de gepaste maatregelen om : a) branden te voorkomen;b) elk begin van brand snel en efficiënt te bestrijden;c) in geval van brand : - de gehuisveste personen in staat te stellen de alarm te slaan; - de veiligheid van de personen te verzekeren en in voorkomend geval die snel en zonder gevaar te evacueren; - de territoriaal bevoegde brandweerdienst onmiddellijk te waarschuwen. 1.3. Toepassingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze bepalingen zijn van toepassing op het gebouw of gedeelte daarvan bestemd voor de opvang van een toeristische logiesverstrekkende inrichting met een maximale capaciteit van 9 personen overeenkomstig bovenstaande tabel. 1.6. Terminologie. 1.4.1. De gebruikte terminologie is die welke staat vermeld in bijlage I bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.4.2. Deze terminologie wordt aangevuld als volgt : Deur Rf : brandwerende deur. De bepalingen van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake de \"BENOR/ATG\"-erkenning en erkende plaatsers zijn enkel van toepassing op de deuren geplaatst of vervangen na de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van deze regeling. 1.5. Gebruiksvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een gebouw mogen enkel de volgende niveaus worden gebruikt : - het normale evacuatieniveau; - het niveau 1 boven het normale evacuatieniveau. 1.11. Gedrag bij brand van de elementen en van het constructiemateriaal. 1.6.1. Op het verzoek van de burgemeester of zijn afgevaardigde, is de exploitant verplicht het bewijs voor te leggen dat de voorschriften inzake gedrag bij brand van de elementen en het constructiemateriaal, opgenomen in deze reglementering, worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan hij dit bewijs niet voorleggen, is hij verplicht een schriftelijke beschrijving van de samenstelling van de elementen en het constructiemateriaal met de medeondertekening van een architect te geven waarvoor het voormelde bewijs niet kan geleverd worden. 1.6.2. Reactie bij brand - Testmethodes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het contructiemateriaal wordt ingedeeld volgens de klassering die opgenomen is in bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.6.3. Boringen in de wanden Rf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boringen en uithollingen in de wanden waarvoor een Rf vereist is, moeten afgesloten worden met elementen die een Rf-graad hebben die gelijk is met deze van de wand. 1.12. Certificering van materialen en installaties Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling alsook de proeflaboratoria en van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 en voor zover de certificering van de betrokken installateurs, installaties en/of materiaal bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de uitvoering van de installatie of het gebruik van het materieel : - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten gecertificeerd zijn door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van producten overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45011; - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten worden geplaatst door installateurs die gecertificeerd zijn door een certificeringsionstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van personen overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45013. 1.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm NBN en gelijkwaardigheid in een andere lid-Staat van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wordt vastgesteld d.m.v. de noodzakelijke stukken dat een product opgenomen in deze bijlage voldoet aan de vereisten omgezet in een norm NBN volgens proef- en classificeringsmethodes die gelijkwaardig zijn in een andere lid-Staat van de Europese Unie, wordt dat product geacht te voldoen aan de technische voorschriften van deze bijlage. 1.14. Branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens zijn werking en belang moet elk gebouw uitgerust zijn met autonome detectors in de volgende lokalen : - In elke kamer voorbehouden aan de gasten, - In haar toegangszone, met inbegrip van het trappenhuis. - In de gemeenschappelijke keuken voorbehouden aan de gasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat materieel moet het voorwerp uitmaken van een erkenning die zijn conformiteit met de normen bekendgemaakt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N.) bewijst.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk II. - Aanvullende voorschriften toepasselijk op nieuwe gebouwen Onverminderd de bepalingen van het</h3>\n<p class=\"lf-p\">koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, zijn de volgende voorschriften van toepassing op nieuwe gebouwen. 2.4. Dragende structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geheel van de dragende structuur van het gebouw heeft een brandweerstand van 1/2 uur. 2.5. Trappenhuizen. - Maatregelen moeten worden getroffen ter voorkoming van brandverspreiding naar het hogere niveau d.m.v. elementen Rf 1/2 h en zelfsluitende deuren Rf 1/2 h. - De trappen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h of worden gemaakt van metselwerk of beton. - De trappen hebben een verplichte toegang tot een evacuatieniveau. 2.6. Dakwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dakwerk heeft een brandweerstand van minstens 1/2 h of is beschermd door één of meerdere elementen met dezelfde weerstandsgraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De binnenbekleding van het dakwerk moet worden gemaakt van materialen van klasse A0. Het geheel van de bekleding voldoet aan het normontwerp EN- 1187. 1.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk III. - Algemene voorschriften 3.2 Als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde installaties.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gebouw of het landgoed waarop het gebouwd is, installaties bevat die ingedeeld zijn als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk krachtens de gewestelijke regelgeving, bepaalt de bevoegde Dienst de eventuele veiligheidsmaatregelen om de veiligheid van de gebruikers te verzekeren rekening houdend met de risico's eigen aan die installaties. 3.3. Groep van gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende bepalingen zijn van toepassing wanneer binnen eenzelfde landgoed dat tot éénzelfde exploitant behoort, verschillende aparte gebouwen bestemd zijn voor de huisvesting van toeristen. 3.2.1. Vestiging : De bijgebouwen, luifels, uitspringende daken, delen in uitkraging of andere toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie en de veiligheid van de gebruikers noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 3.2.2. Toegangswegen : De gebouwen zijn voortdurend bereikbaar door de voertuigen van de brandweerdiensten. Er wordt voor gezorgd dat in de nabijheid van de gebouwen het stationeren, het in werking stellen en het maneuvreren van het materiaal voor brandbestrijding en van het reddingsmateriaal gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichtingen over de bereikbaarheid worden aan het oordeel van de bevoegde brandweerdienst overgelaten. 3.2.3. Bluswaterbevoorrading : De bluswaterbevoorrading moet voldoende zijn. De bevoorrading kan verzekerd worden met stromend of stilstaand water of met het openbaar waterleidingsnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bluswaterbevoorrading wordt bepaald door de bevoegde brandweerdienst. Die bepaling houdt rekening met het aantal gebouwen en hun vuurbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een signalisatie conform de omzendbrief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden is voorzien. 3.2.4. Opslag van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen : De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen en de recipiënten die verondersteld worden leeg te zijn moeten in open lucht in een gesloten ruimte of in een lokaal dat voldoende geventileerd is door een hoge en lage verluchting, opgeslagen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die ruimten en lokalen zijn voorbehouden voor dat gebruik en zijn niet toegankelijk voor de gehuisveste personen 3.2.5. Groep van gebouwen met centrum voor gemeenschappelijke diensten : De volgende bepalingen zijn van toepassing wanneer verschillende gebouwen bestemd zijn voor de huisvesting van toeristen binnen éénzelfde landgoed dat toebehoort aan éénzelfde exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene en lokale regels alsook de grondprincipes van brandpreventie zijn van toepassing op het centrum voor gemeenschappelijke diensten Hoofdstuk IV. - Vereisten betreffende de brandweerstand De volgende voorschriften worden gegeven onverminderd de vaststelling van gevaarlijke toestanden wat betreft de brandreactie van de materialen door de territoriale bevoegde brandweerdienst. In dit geval moeten onverwijld gepaste maatgerelen getroffen worden. 4.1. Algemene bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vernieuwing van de bestaande bekledingen moeten de vereisten opgenomen in volgende tabel worden toegepast. De classificering van de bouwmaterialen is conform met de proefmethodes opgenomen in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4.2. Gebruik van houten plankjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vernieuwing van de bestaande bekledingen of bij de uitbreiding van een bestaand gebouw wordt het gebruik van houten plankjes als versieringselement toegelaten voor zover die plankjes worden geplaatst tegen een niet-brandbare drager A0 met de tussenplaatsing van een niet-brandbaar element A0 in de eventuele leegte tussen de drager en de plankjes. Hun gebruik is verboden in de evacuatiewegen; 4.3. Nieuwe lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij inrichting van nieuwe lokalen na de inwerkingtredingsdatum van deze regelgeving zijn de onder 4.2. en 4.3. omschreven regels onmiddellijk van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk V. - Evacuatie De plaats, de verdeling en de breedte van de trappen, evacuatiewegen en uitgangen moeten een snelle en gemakkelijke evacuatie van de personen mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk VI. - Verwarming - Brandstof 6.2. Verwarmingstoestellen en toestellen voor de productie van sanitair warm water. 6.1.3 De verwarmingstoestellen en de toestellen voor de productie van sanitair warm water moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden t.a.v. lokale omstandigheden. 6.1.4 De verwarmingstoestellen en de toestellen voor de productie van sanitair warm water d.m.v. verbranding worden in goede staat gehouden, zijn verplicht verbonden aan een leiding met een goede trek en zijn zodanig ontworpen dat ze de totale en regelmatige evacuatie van de verbrandingsgassen verzekeren, zelfs bij maximale afsluiting van de regeltoestellen. 6.1.7 De schoorstenen en rookpijpen van de verwarmingstoestellen en de toestellen voor de productie van sanitair warm water moeten gebouwd zijn met niet-brandbare materialen. 6.1.8 De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookpijpen moeten geïnstalleerd zijn op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen of daarvan worden verwijderd om het brandrisico te voorkomen. 6.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten worden gebouwd volgens de regels der kunst : - de luchttemperatuur op de distributiepunten mag niet hoger zijn dan 80 °C; - de warmeluchtleidingen moeten volledig gebouwd zijn met niet-brandbare materialen. 6.1.9 Beweeglijke verwarmingsapparaten zijn verboden. 6.1.10 Het materieel van de elektrische verwarmingsinstallaties draagt het CEBEC- of EG-label. 6.2. Aardgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bandstof bestaat uit aardgas, moet de installatie volgens haar type conform zijn met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen », of met NBN D 51-004 \"Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De gasapparaten dragen het BENOR- of EG-label. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op de gasinstallatie zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels. 6.3 Vloeibaar gemaakt petroleumgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de brandstof bestaat uit vloeibaar gemaakt petroleumgas, moet de installatie conform zijn met de code van goede praktijk; de gasflessen worden buiten geplaatst. De gasapparaten dragen het BENOR- of EG-label. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op de gasinstallatie zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik en de opslag van beweeglijke recipiënten van vloeibaar gemaakt petroleumgas, zelfs leeg, is strikt verboden in alle lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gasflessen worden buiten de lokalen geplaatst en beschut tegen het onweer. 6.4. Hout, vloeibare of vaste brandstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de brandstof bestaat uit vloeibaar of vast hout, moet de installatie conform zijn met de regels der kunst wat betreft de isolatie van de rookpijp i.v.t. de rest van het gebouw. De centrale verwarmingsinstallaties moeten voldoen aan de bepalingen van voornoemd koninklijk besluit van 6 januari 1978.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk VII. - Bijzondere voorschriften voor haarden en open haarden De installatie van haarden en open haarden is toegelaten mis de volgende voorwaarden worden vervuld : - de installatie van de vuurhaard en de schoorsteen wordt uitgevoerd overeenkomstig de regels der kunst, met name wat betreft de isolatie van de vuurhaard en de rookpijp i.v.t. de rest van het gebouw; de installatie is voorzien van een vonkenvanger; - gebruiks- en veiligheidsinstructies worden aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk VIII. - Signalisatie Indien noodzakelijk zijn de plaats van elke uitgang en nooduitgang alsook de richting van de wegen, gangen en trappen naar die uitgangen aangegeven d.m.v. reddingssignalen voorzien in het koninklijk besluit van 17 juni 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/10/1997 numac 1997012551 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde procedures in het kader van de fabricatie van machines, drukvaten van eenvoudige vorm en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/08/1997 numac 1997016167 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 juli 1996 betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/07/1997 numac 1997000508 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot toekenning van financiële hulp ter ondersteuning van de werking van de gemeentelijke politiekorpsen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/09/1997 numac 1997014163 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit houdende vaststelling van de personeelsformatie van de Regie der Luchtwegen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/06/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/09/1997 numac 1997012552 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk sluiten en zijn bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IX. - Veiligheidsverlichting Volgens de bijzondere inrichting van de plaats kan de bevoegde brandweerdienst de installatie van een veiligheidsverlichting vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk X. - Bericht Bij gebrek aan publieke telefooncel in de omgeving van het gebouw moet de dienst 100 altijd kunnen worden bereikt d.m.v. een telefoonpost die ter beschikking van de huurders is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bericht aangeplakt in elk gebouw geeft de plaats van de telefoonpost aan alsook de oproepnummers. Die nummers bevinden zich ook op de telefoonposten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk XI. - Blusmiddelen Elk gebouw moet ten minste beschikken over : - een blusapparaat dat conform is met de vigerende normen van een halve bluseenheid per niveau toegankelijk voor gehuisveste personen; - een blusdeken conform met de norm NBN-EN-1869 in de keuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk XII. - Onderhoud en controle voor instellingen van type A en B 12.3. Algemeen. 12.1.1.De technische uitrusting wordt in goede staat gehouden. De exploitant is verantwoordelijk voor de periodieke controle van die uitrusting door bevoegde personen of instellingen. 12.1.2 De exploitant zorgt ervoor dat de inspecties, onderzoeken en controles, met name die waarvan sprake in artikel 12.2, worden uitgevoerd en dat een proces-verbaal daarvan wordt opgemaakt. De datums van de controles en de vaststellingen die in de loop daarvan werden gemaakt, worden opgenomen in een dossier dat ter beschikking van de Burgemeester of zijn afgevaardigde wordt gesteld. 12.4. Periodieke controles. 12.2.1 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting van het gebouw voldoen aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (arrêté royalE.I.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorschriften van die regelingen worden bovenbedoelde elektrische installaties gecontroleerd door een instelling erkend door het Ministerie van Economische Zaken voor de controle op elektrische installaties : - bij hun indienststelling en telkens als belangrijke wijzigingen daaraan worden aangebracht of bij gebrek binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit; - om de 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van bovenbedoelde controles is de conformiteit van de installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting met de voorschriften van deze regeling te verifiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van de eventuele veiligheidsverlichting moet periodiek en minstens om de 6 maanden worden gecontroleerd door de exploitant. 12.2.2 Verwarmingsinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingan van het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof, worden de verwarmings- en airconditioningsinstallaties jaarlijks onderzocht door een erkende bevoegde technicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afvoerpijpen voor rook en verbrandingsgassen moeten altijd in goede staat worden gehouden. 12.2.3 Met brandbaar gas gevoede installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, wordt elke nieuwe of gedeeltelijk vernieuwde of herstelde installatie onderzocht vóór de in bedrijfstelling ervan, volgens de voorschriften van de Belgische normen en de regels van goede praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voormelde controle wordt om de vijf jaar uitgevoerd door een bevoegd organisme of installateur. De uitslagen ervan worden in een proces-verbaal opgetekend, dat de uitbater moet bewaren. 12.2.4 Onderhoud van de met brandbaar gas gevoede installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die installaties en de daarop aangesloten apparaten worden elk jaar onderhouden door een gekwalificeerde installateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat onderhoudt heeft o.a. als doel : - de verificatie en reiniging van de branders; - de verificatie van de beschermings- en regulatietoestellen; - de verificatie van de waterdichtheid van de installatie; - het bezoek en indien noodzakelijk de reiniging van de afvoerpijpen voor verbrandingsgassen. 12.2.5 Blusmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitbater draagt er zorg voor dat de blustoestellen jaarlijks nagezien en onderhouden worden door een gespecialiseerde firma. 12.2.6 Filters en afvoerwegen van keukenafzuigkappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant zorgt ervoor dar de vetfilters en afvoerwegen van de keukenafzuigkappen minstens jaarlijks worden onderhouden. 12.2.7 Schoorstenen en afvoerpijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schoorstenen en afvoerpijpen worden één keer per jaar schoongemaakt en gecontroleerd door een gekwalificeerde technicus.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XIII. - Bijkomend onderhoud en controle voor instellingen van type B 13.1. Installatie voor branddetectie door punctuele voeler.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden in ontvangst genomen en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21-100 \"Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler\". De controles moeten echter betrekking hebben op het geheel van de installaties (voelers, centrales, versterkingstabellen, stuurinstallaties, enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden jaarlijks onderhouden, nagezien en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21-100 \"Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler\". 13.2. Alarminstallaties : Die installaties worden jaarlijks nagezien en onderhouden door een gekwalificeerde installateur. 13.3. Brandwerende deuren en deurtjes : De exploitant zorgt voor de goede werking van de zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren, deurtjes, Hij zorgt ook voor het regelmatig onderhoud ervan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XIV. - Exploitatievoorschriften voor instellingen van type A en B 14.1. Algemeen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien van wat voorzien is in deze regelgeving, neemt de exploitant alle nodige maatregelen met het oog op de bescherming van alle personen tegen brand, paniek en ontploffingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opmerkingen die tijdens de periodieke controles werden geformuleerd, moeten zo spoedig mogelijk aanleiding geven tot de nodige verbeteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omtrek van de plaatsen waar brandbestrijdingsapparaten geïnstalleerd zijn, moeten steeds vrij blijven zodat die apparaten onverwijld kunnen worden gebruikt. 14.5. Autonome branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant zorgt voor de goede werking van de autonome rookdetectors minstens één keer voor elke huur. Tot dat einde houdt hij rekening met de aanwijzing van de fabrikant. 14.6. Kookapparaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kooktoestellen en vloeistofverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van elk brandbaar materiaal. Geen beweeglijk apparaat gevoed met brandbaar gas mag worden geplaatst of gebruikt binnen die lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebruik van een buigzame leiding voor de aansluiting van het fornuis op de gasdistributieinstallatie, moet die jaarlijks worden vervangen. Haar lengte wordt beperkt tot 1,5 meter. Elk uiteinde is uitgerust met spanringen. 14.4. Veiligheidsinstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant handelt als een goed huisvader en verbindt zich ertoe de gehuisveste personen op de hoogte te brengen van de werking van de installaties en de brandveiligheidsinstructies die in acht moeten worden genomen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwezigheid van een haard of open haard worden gebruiks- en veiligheidsinstructies aangeplakt ten dienste van de gehuisveste personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidsinstructies in de drie nationale talen en in het Engels, eventueel vervangen door pictogrammen en duidelijk zichtbaar geplaatst in het gebouw geven de aan te nemen gedragslijn in geval van brand. Ze vermelden de naaste publieke of privé telefoonpost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor groeperingen van gebouwen moet een dossier bestemd om de hulpploegen te informeren de plaats vermelden van o.a. : - de trappen en evacuatiewegen; - de beschikbare blusmiddelen; - de algemene tabel van het brand- en alarmdetectiesysteem; - de stookplaats; - in voorkomend geval de installaties en lokalen met bijzondere risico's; - de algemene vestiging van de gebouwen, toegangswegen, waterhulpbronnen en stroomonderbrekingsapparaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dossier wordt bijgehouden. 14.7. Bescherming tegen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De putten, tanken, bekkens, reservoirs en een of andere openingen, wanneer ze gevarlijk zijn voor de gebruikers, moeten voldoende open zijn of afgesloten zijn met stevig vastgemaakte borstweringen, van minstens 1 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raam- en deuropeningen en andere openingen in de muren waarvan de drempel op minder dan 70 cm boven de vloer naar de binnenkant ligt en op meer dan 1,50 m boven de grond naar de buitenkant, moeten beschermd worden door stevig vastgemaakte borstweringen van minstens 1 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trappen moeten voorzien zijn van stevige leuningen die geplaatst zijn op een minimale hoogte van 0,75 m aan de kant met een eventueel valrisico. Wanneer de breedte van de trappen hoger is dan 1,50 m of wanneer een valrisico bestaat aan beide kanten, zijn de leuningen dubbel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leuningen moeten zo vervaardigd zijn dat de kinderen niet kunnen binnensluipen tussen de spijlen. Hetzelfde geldt voor de leuningen wanneer een valrisico bestaat.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk XV. - Bijkomende exploitatievoorschriften voor instellingen van type B 15.1. Kookapparaten.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De gaskookplaten zijn voorzien van veiligheidsthermokoppels. 15.3. Veiligheidsinstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeel en in het bijzonder het nachtwachtpersoneel wordt getraind op de bediening van blusmiddelen en wordt ingelicht over de gebruiksvoorwaarden daarvan. Dat personeel krijgt ook een algemene opleiding inzake onheilpreventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 houdende uitvoering van het decreet van 18 december 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/12/2003 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/2004 numac 2004200662 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen sluiten betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen, 9 december 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN Bijlage 6 Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen 2. ALGEMEEN. Deze bepalingen zijn van toepassing onverminderd de toepasselijke normen en algemene of bijzondere bepalingen en met name : het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en wijzigingen aan dit besluit (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995); - de Codex over het welzijn op het werk (Codex); - het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming (A.R. A.B. ); - het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/03/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van die bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vermelden de minimale maatregelen die van toepassing zijn in de gebouwen met het oog op : a) het voorkomen van branden;b) de veiligheid van personen;c) het voorkomen van problemen bij de tussenkomst van de brandweerdiensten. Door de exploitant te treffen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant treft de gepaste maatregelen om : a) branden te voorkomen;b) elk begin van brand snel en efficiënt te bestrijden;c) in geval van brand : - de gehuisveste personen in staat te stellen de alarm te slaan; - de veiligheid van de personen te verzekeren en in voorkomend geval die snel en zonder gevaar te evacueren; - de territoriaal bevoegde brandweerdienst onmiddellijk te waarschuwen. 1.3. Toepassingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze bepalingen zijn van toepassing op het gebouw of gedeelte daarvan bestemd voor de opvang van een toeristische logiesverstrekkende inrichting met een maximale capaciteit begrepen tussen 10 en 15 personen overeenkomstig bovenstaande tabel. 1.4. Terminologie. 1.4.1. De gebruikte terminologie is die welke staat vermeld in bijlage I bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deur Rf : brandwerende deur. De bepalingen van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake de \"BENOR/ATG\"-erkenning en erkende plaatsers zijn enkel van toepassing op de deuren geplaatst of vervangen na de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van deze regeling. De plaatsers zijn erkend in de zin van het ministerieel besluit van 5 mei 1995 tot vaststelling van de voorwaarden en de procedure inzake de erkenning van de plaatsers van brandwerende deuren. 1.5. Gebruiksvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een gebouw mogen enkel de volgende niveaus worden gebruikt : - het normale evacuatieniveau; - het niveau 1 boven het normale evacuatieniveau; - het niveau 2 boven het normale evacuatieniveau mag enkel worden gebruikt indien het gebouw uitgerust is met een veralgemeende installatie voor branddetectie die conform is met de norm NBN S 21-100. 1.6. Gedrag bij brand van de elementen en van het constructiemateriaal. 1.6.1. Op het verzoek van de burgemeester of zijn afgevaardigde, is de exploitant verplicht het bewijs voor te leggen dat de voorschriften inzake gedrag bij brand van de elementen en het constructiemateriaal, opgenomen in deze reglementering, worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan hij dit bewijs niet voorleggen, is hij verplicht een schriftelijke beschrijving van de samenstelling van de elementen en het constructiemateriaal met de medeondertekening van een architect te geven waarvoor het voormelde bewijs niet kan geleverd worden. 1.6.2. Reactie bij brand - Testmethodes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het contructiemateriaal wordt ingedeeld volgens de klassering die opgenomen is in bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.6.3. Boringen in de wanden Rf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boringen en uithollingen in de wanden waarvoor een Rf vereist is, moeten afgesloten worden met elementen die een Rf-graad hebben die gelijk is met deze van de wand. 1.7.Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling alsook de proeflaboratoria en van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 en voorzover de certificering van de betrokken installateurs, installaties en/of materiaal bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de uitvoering van de installatie of het gebruik van het materieel : - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten gecertificeerd zijn door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van producten overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45011; - de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw moeten worden geplaatst door installateurs die gecertificeerd zijn door een certificeringsionstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van personen overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lid-Staat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45013. 1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm NBN en gelijkwaardigheid in een andere lid-Staat van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wordt vastgesteld d.m.v. de noodzakelijke stukken dat een product opgenomen in deze bijlage voldoet aan de vereisten omgezet in een norm NBN volgens proef- en classificeringsmethodes die gelijkwaardig zijn in een andere lid-Staat van de Europese Unie, wordt dat product geacht te voldoen aan de technische voorschriften van deze bijlage. 1.9. Branddetectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens zijn werking en belang moet elk gebouw uitgerust zijn met : - hetzij een installatie voor branddetectie d.m.v. puntdetectoren, conform met de NBN S21-100 « Opvatting van algemene installaties voor automatische branddetectie door puntdetectoren » en met de addenda bij die norm. - hetzij met autonome detectoren in de kamers, de gemeenschappelijke keuken of de naaste woonkamer, in de gangen en trappenhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat materieel moet het voorwerp uitmaken van een erkenning die zijn conformiteit met de normen bekendgemaakt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N.) bewijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval moet het signaal van de branddetectie hoorbaar zijn in de wooneenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk II. - Bijkomende voorschriften toepasselijk op nieuwe gebouwen De volgende voorschriften zijn toepasselijk op de nieuwe gebouwen : 2.1. Dragende structuur : Het geheel van de dragende structuur van het gebouw heeft een brandweerstand van 1/2 uur voor gebouwen met één enkel niveau en 1 uur voor gebouwen met verschillende niveaus. 2.2 Trappenhuizen 2.2.1 Gebouwen met een niveau boven het evacuatieniveau : - Maatregelen moeten worden getroffen ter voorkoming van brandverspreiding naar het hogere niveau d.m.v. elementen Rf 1/2 h en zelfsluitende deuren Rf 1/2 h. - De trappen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h of worden gemaakt van metselwerk of beton. - De trappen hebben een verplichte toegang tot een evacuatieniveau. 2.2.2. Gebouwen met meer dan 1 niveau boven het evacuatieniveau : De trappenhuizen worden gemaakt van metselwerk of beton. Bij gebrek vertonen zen de volgende kenmerken : - De binnenwanden en de deuren van de trappenhuizen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h. De deuren van de trappenhuizen zijn zelfsluitend. - De trappen hebben een brandstabiliteit van 1/2 h.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trappenhuizen hebben een verplichte toegang tot een evacuatieniveau. - De voorschriften inzake trappenhuizen zijn niet van toepassing op de gebouwen waarvan de niveaus boven het gewone evacuatieniveau uitgerust zijn met een rechtstreekse en veilige uitgang naar de openbare weg. In dit geval moeten maatregelen worden getroffen ter voorkoming van brandverspreiding naar het hogere niveau d.m.v. elementen Rf 1/2 h en zelfsluitende deuren Rf 1/2 h. 2.3. Dakwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dakwerk heeft een brandweerstand van minstens 1/2 h of is beschermd door één of meerdere elementen met dezelfde weerstandsgraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de isolatie- en waterdichtheidsmaterialen dient men zich te schikken naar de bepalingen van bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997) tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk III. - Algemene voorschriften 3.1 Als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde installaties.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gebouw of het landgoed waarop het gebouwd is, installaties bevat die ingedeeld zijn als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk krachtens de gewestelijke regelgeving, bepaalt de bevoegde Dienst de eventuele veiligheidsmaatregelen om de veiligheid van de gebruikers te verzekeren rekening houdend met de risico's eigen aan die installaties. 3.2. Groep van gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende bepalingen zijn van toepassing wanneer binnen eenzelfde landgoed dat tot éénzelfde exploitant behoort, verschillende aparte gebouwen bestemd zijn voor de huisvesting van toeristen. 3.2.1. Vestiging : De bijgebouwen, luifels, uitspringende daken, delen in uitkraging of andere toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie en de veiligheid van de gebruikers noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 3.2.2. Toegangswegen : De gebouwen zijn voortdurend bereikbaar door de voertuigen van de brandweerdiensten. Er wordt voor gezorgd dat in de nabijheid van de gebouwen het stationeren, het in werking stellen en het manoeuvreren van het materiaal voor brandbestrijding en van het reddingsmateriaal gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichtingen over de bereikbaarheid worden aan het oordeel van de bevoegde brandweerdienst overgelaten. 3.2.3. Bluswaterbevoorrading : De bluswaterbevoorrading moet voldoende zijn. De bevoorrading kan verzekerd worden met stromend of stilstaand water of met het openbaar waterleidingsnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bluswaterbevoorrading wordt bepaald door de bevoegde brandweerdienst. Die bepaling houdt rekening met het aantal gebouwen en hun vuurbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een signalisatie conform de omzendbrief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden is voorzien. 3.2.4. Opslag van verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen : De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen en de recipiënten die verondersteld worden leeg te zijn moeten in open lucht in een gesloten ruimte of in een lokaal dat voldoende geventileerd is door een hoge en lage verluchting, opgeslagen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die ruimten en lokalen zijn voorbehouden voor dat gebruik en zijn niet toegankelijk voor de gehuisveste personen Hoofdstuk IV. - Vereisten betreffende de brandweerstand De volgende voorschriften worden gegeven onverminderd de vaststelling van gevaarlijke toestanden wat betreft de brandreactie van de materialen door de territoriale bevoegde brandweerdienst. In dit geval moeten onverwijld gepaste maatgerelen getroffen worden. 4.1. Algemene bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vereisten opgenomen in volgende tabel moeten worden toegepast. De classificering van de bouwmaterialen is conform met de proefmethodes opgenomen in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/07/1994 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/03/2023 numac 2023040927 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken</p></div>", "next": 238896}