{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Als het plafond, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, wordt de som van de vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard als vermeld in het eerste lid, verminderd tot het passende bedrag. Als vergoedingen, wedden en presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard dienen te worden begrepen : 1° vergoedingen ontvangen als lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement of het Europees Parlement;2° presentiegelden ontvangen als lid van de provincieraad, de gemeenteraad en als lid van de bestuursorganen van provinciaal of gemeentelijk extern verzelfstandigde agentschappen en hun filialen;3° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, als vermeld in het decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende de intergemeentelijke samenwerking;4° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van sociale huisvestingsmaatschappijen, als vermeld in het decreet houdende de Vlaamse Wooncode;5° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van de rechtspersonen als vermeld in artikel 195 van het Gemeentedecreet;6° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van rechtspersonen als vermeld in artikel 188 van het Provinciedecreet;7° presentiegelden ontvangen als lid van bestuursorganen van rechtspersonen als vermeld in titel VIII.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en de ondervoorzitter, het lid van het vast bureau of een bijzonder comité, dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit de personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat hij aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet en zich niet bevindt in een situatie als vermeld in artikel 20, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap ten aanzien van het lid met een handicap en een situatie als vermeld in artikel 24. § 2. Voor de toepassing van § 1 bepaalt de Vlaamse Regering de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn met een handicap. § 3. Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft voor elke vergadering eveneens recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Afdeling II. - Tucht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span><span class=\"lf-art-t\">Met behoud van de toepassing van artikel 22 van de organieke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1976 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan de Vlaamse Regering de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en, in voorkomend geval, een ondervoorzitter schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. De betrokken persoon wordt vooraf gehoord. De Vlaamse Regering stelt daarvoor de nadere procedureregels vast. De schorsing of afzetting van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft dezelfde gevolgen voor zijn mandaat van schepen en omgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgezette voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of ondervoorzitter kan pas na verloop van twee jaar opnieuw worden aangesteld als burgemeester, schepen of in de functies, vermeld in het eerste lid. Afdeling III. - Aansprakelijkheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Naar gelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, is de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de ondervoorzitter aan derden berokkent bij de normale uitoefening van zijn mandaat. Ingeval de voorzitter of de ondervoorzitter bij de normale uitoefening van zijn mandaat schade berokkent aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of aan derden, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. § 2 De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de ondervoorzitter tegen wie een vordering tot schadevergoeding is ingesteld voor de burgerlijke rechter of de strafrechter naar aanleiding van schade die hij bij de normale uitoefening van zijn mandaat aan derden heeft berokkend, brengt, naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn daarvan op de hoogte. Hij kan naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het geding betrekken. De federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen vrijwillig tussenkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er gehandeld werd als schepen van rechtswege, brengt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de gemeente op de hoogte en kan hij de gemeente in het geding betrekken of kan de gemeente vrijwillig tussenkomen. § 3. De vermelde rechtspersonen kunnen beslissen dat de schade slechts gedeeltelijk moet worden vergoed. Art. 72.Behalve in geval van herhaling is, naar gelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de ondervoorzitter wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn mandaat, en met uitzondering van de misdrijven, begaan door een persoonlijke inbreuk op de verkeersreglementering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regresvordering van de federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van de veroordeelde voorzitter of de ondervoorzitter is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelde rechtspersonen kunnen beslissen dat de geldboete slechts gedeeltelijk moet worden vergoed. Art. 73.§ 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de ondervoorzitter bij de normale uitoefening van zijn mandaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van het eerste lid. § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit tevens een verzekering af voor ongevallen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de ondervoorzitter, overkomen in het kader van de normale uitoefening van zijn mandaat. HOOFDSTUK V. - De diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn Afdeling I. - Algemene bepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de toepassing van artikel 218, § 3, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn het organogram van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vast Het organogram geeft de organisatiestructuur van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn weer, geeft de gezagsverhoudingen aan en duidt de functies aan waaraan het lidmaatschap van het managementteam is verbonden. Afdeling II. - De secretaris, de financieel beheerder en de maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en het managementteam Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 75.§ 1. Er is in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een financieel beheerder en ten minste één maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 2. De ambten, vermeld in § 1, worden uitgeoefend door personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 3. In afwijking van § 2 worden de volgende uitzonderingen gemaakt : 1° in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die 20 000 inwoners en minder tellen kan met toepassing van artikel 271, mits een beslissing met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en een beslissing met een volstrekte meerderheid van de stemmen van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitgeoefend worden door de gemeentesecretaris van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;2° in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die 20 000 inwoners en minder tellen kan met toepassing van artikel 271, mits een beslissing met een tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en een beslissing met een volstrekte meerderheid van de stemmen van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, het ambt van financieel beheerder uitgeoefend worden door de financieel beheerder van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;3° met behoud van de toepassing van punt 2° wordt in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die 5 000 inwoners en minder tellen en in de gevallen, bepaald door de Vlaamse Regering, het ambt van financieel beheerder uitgeoefend door een gewestelijk ontvanger. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarin het ambt van financieel beheerder wordt uitgeoefend door een gewestelijk ontvanger, dragen bij in de uitgaven die daaraan verbonden zijn, volgens de regels die de Vlaamse Regering vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering stelt het statuut van de gewestelijk ontvanger vast. Daarbij kan de Vlaamse Regering afwijken van de bepalingen van dit decreet die betrekking hebben op de rechtspositieregeling van de financieel beheerders van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Bij een vacature van financieel beheerder worden de gewestelijk ontvangers in statutair dienstverband vrijgesteld van de diplomavereisten. Die vrijstelling geldt enkel bij de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten die 20 000 inwoners of minder tellen. § 5. In een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat, als gevolg van een wijziging van het bevolkingscijfer, in een andere situatie terechtkomt, blijven de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder die in dienst zijn, hun ambt uitoefenen tot hun loopbaan of hun functie in dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn eindigt. Met akkoord van het betrokken personeelslid kan daarvan worden afgeweken. Art. 76.Voor ze het ambt opnemen, leggen de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder, tijdens een openbare vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, de volgende eed af in handen van de voorzitter : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Een personeelslid als vermeld in het eerste lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief uitgenodigd is om de eed af te leggen op de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. De weigering tot eedaflegging staat gelijk aan het afstand doen van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn ambt opneemt, legt hij de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Een personeelslid als vermeld in het derde lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. De weigering tot eedaflegging staat gelijk aan het afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt er een proces-verbaal opgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en van financieel beheerder is onverenigbaar met andere ambten binnen hetzelfde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 2. Het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en financieel beheerder is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid, belast met het bestuurlijk toezicht of met taken van externe audit bij de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is tevens onverenigbaar met de hoedanigheid van gemeenteraadslid in de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast. § 3. De hoedanigheid van personeelslid als vermeld in artikel 75 van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, is onverenigbaar met : 1° het mandaat van voorzitter van de gemeenteraad, burgemeester of schepen in de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, alsmede het lidmaatschap van een districtscollege van die gemeente;2° het lidmaatschap van het beheerscomité als afgevaardigde van de gemeente, die bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is voor de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder verboden zelf of door een tussenpersoon daden van koophandel te stellen als vermeld in artikel 2 van het Wetboek van koophandel, met uitzondering van de voogdij, de curatele over onbekwamen, en de opdrachten die in naam van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden uitgevoerd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden kan de raad voor maatschappelijk welzijn beslissen dat de ambten van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en van financieel beheerder deeltijds worden uitgeoefend In afwijking van het eerste lid en met behoud van de toepassing van artikel 75, § 3, wordt het ambt van financieel beheerder deeltijds uitgeoefend in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten tot en met 15 000 inwoners. De Vlaamse Regering stelt de maximale omvang van de dienstopdracht van de deeltijdse financieel beheerder vast. § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden een ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn laten vervullen door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente of door een gemeentesecretaris. § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden een ambt van financieel beheerder laten vervullen door de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente of door een financieel beheerder van een gemeente. § 4. In een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat, als gevolg van een wijziging van het bevolkingscijfer, in een andere situatie terechtkomt, blijven de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder die in dienst zijn, hun ambt uitoefenen met dezelfde prestatieomvang tot hun loopbaan of hun functie in dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn eindigt. Met akkoord van het betrokken personeelslid kan daarvan worden afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De raad voor maatschappelijk welzijn regelt de vervanging van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder. § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan een waarnemend secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een waarnemend financieel beheerder aanstellen om de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de financieel beheerder bij zijn afwezigheid of verhindering te vervangen In spoedeisende gevallen kan een waarnemend secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een waarnemend financieel beheerder door het vast bureau of als er geen vast bureau werd opgericht, door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn worden aangesteld. De aanstelling vervalt als de raad voor maatschappelijk welzijn ze in de eerstvolgende vergadering niet bekrachtigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gewettigde afwezigheid kunnen de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder, onder hun eigen verantwoordelijkheid, binnen drie dagen voorzien in hun vervanging en daartoe, voor een periode van maximaal zestig dagen, een door de raad voor maatschappelijk welzijn erkende plaatsvervanger aanstellen. Die maatregel kan voor eenzelfde afwezigheid eenmaal worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen, vermeld in het tweede en het derde lid, hoeft de eed niet in openbare vergadering te worden afgelegd. § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt een waarnemend secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een waarnemend financieel beheerder aan als de afwezigheid of de verhindering van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de financieel beheerder langer dan honderdtwintig dagen duurt of als het ambt vacant is verklaard. Art. 81.De waarnemend secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de waarnemend financieel beheerder voldoen aan de voorwaarden, met uitzondering van het doorlopen van de selectieprocedure, voor de uitoefening van het ambt dat zij waarnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van die regel kan alleen en slechts voor de duur vermeld in artikel 82 worden afgeweken als er bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen personeelslid is dat aan alle voorwaarden voldoet. De waarnemend secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de waarnemend financieel beheerder oefenen alle bevoegdheden uit die aan dat ambt verbonden zijn. Art. 82.De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder aan binnen zes maanden nadat het ambt vacant is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijn kan eenmaal worden verlengd met maximaal zes maanden, voor zover de wervings- en/of bevorderingsprocedure is opgestart of als deze procedure geen geslaagde kandidaat heeft opgeleverd. Art. 83.De raad voor maatschappelijk welzijn kan een nieuwe secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aanstellen voor de uittredende secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn ambt beëindigt. De nieuwe secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan op zijn vroegst zes maanden voor de beëindiging van het ambt van de uittredende secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in dienst treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn staat de uittredende secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij in de vervulling van zijn taken en de uitoefening van zijn bevoegdheden. Bij de beëindiging van het ambt van de uittredende secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt de nieuwe secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de financieel beheerder. Art. 84.Artikel 37, § 2, is van overeenkomstige toepassing op de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en op de financieel beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan geen vakbondsafgevaardigde zijn in de lokale besturen van de gemeente waar hij is tewerkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn Art. 85.De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met de algemene leiding van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve voor de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die tewerkgesteld zijn bij een intern verzelfstandigd agentschap van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, staat hij aan het hoofd van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en is hij bevoegd voor het dagelijkse personeelsbeheer. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt wat onder het begrip dagelijks personeelsbeheer moet worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij rapporteert aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Art. 86.§ 1. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met de werking van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn inzake de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedraagt zich naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en, in voorkomend geval, de ondervoorzitter, het vast bureau of de bijzondere comités, naargelang hun respectieve bevoegdheden, tenzij anders is bepaald in de afsprakennota, vermeld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is, met behoud van de toepassing van artikel 218, § 8, belast met de interne controle op de werking van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig artikelen 98, 99 en 100. § 2. Ten minste na iedere algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn sluit de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, mede namens het managementteam, een afsprakennota met de raad voor maatschappelijk welzijn over de wijze waarop hij en de overige leden van het managementteam met de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en, in voorkomend geval, de ondervoorzitter, het vast bureau of de bijzondere comités samenwerken om de beleidsdoelstellingen te realiseren, en over de omgangsvormen tussen bestuur en administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze afsprakennota wordt bepaald op welke wijze de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de bevoegdheden uitoefent die aan hem overeenkomstig artikel 52 door de raad voor maatschappelijk welzijn, of overeenkomstig artikel 161 werden gedelegeerd. § 3. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bereidt de zaken voor die aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of, in voorkomend geval, aan de ondervoorzitter, aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd. § 4. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zorgt, in overleg met het managementteam, voor het opstellen van het voorontwerp van : 1° het organogram;2° de personeelsformatie;3° de rechtspositieregeling van het personeel;4° de strategische nota van het meerjarenplan en de herziening ervan;5° de beleidsnota van het budget;6° de verklarende nota van een budgetwijziging;7° de verklarende nota van een interne kredietaanpassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn woont de vergaderingen bij van de raad voor maatschappelijk welzijn en van het vast bureau. Hij kan de vergaderingen van de bijzondere comités bijwonen. Hij kan aanwezig zijn op de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen gedurende de bespreking van de punten waarvoor overeenkomstig artikel 270 advies moet worden ingewonnen als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wenst. § 2. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn adviseert de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en, in voorkomend geval, de ondervoorzitter en het vast bureau en de bijzondere comités op beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch vlak. Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de door de regelgeving voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen. § 3. Op de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is artikel 37, § 1, van overeenkomstige toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn organiseert de behandeling van de briefwisseling. Met behoud van de toepassing van artikel 58, § 4, organiseert hij het beheer van het archief, waaronder de titels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn oefent de bevoegdheden uit die overeenkomstig artikel 52 of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen aan hem zijn toevertrouwd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan de uitoefening van het dagelijkse personeelsbeheer toevertrouwen aan de leidinggevende personeelsleden, van wie de functies zijn aangegeven in het organogram Onderafdeling III. - De financieel beheerder Art. 91.De financieel beheerder staat onder de functionele leiding van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in voor : 1° het opstellen, in overleg met het managementteam, van : a) het voorontwerp van de financiële nota van het meerjarenplan en van de jaarlijkse herziening ervan;b) het voorontwerp van de financiële nota van het jaarlijkse budget en van de budgetwijzigingen;c) het voorontwerp van de interne kredietaanpassingen;2° het voeren en het afsluiten van de boekhouding en het opmaken van de inventaris, de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekening;3° het verzorgen van financiële analyse en financiële beleidsadvisering in de ruimste zin;4° met behoud van de toepassing van artikel 99, § 3, het thesauriebeheer. De financieel beheerder rapporteert aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn over de taken, vermeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De financieel beheerder staat in volle onafhankelijkheid in voor : 1° de voorafgaande krediet- en wetmatigheidscontrole van de beslissingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met budgettaire en financiële impact, overeenkomstig de voorwaarden, vastgesteld in titel IV;2° het debiteurenbeheer, inzonderheid de invordering van de ontvangsten. Met het oog op de invordering van onbetwiste en opeisbare schuldvorderingen kan de financieel beheerder een dwangbevel uitvaardigen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de raad voor maatschappelijk welzijn. Een dergelijk dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring. Een bevel kan door de raad voor maatschappelijk welzijn alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief. Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel worden ingevorderd. Verzet kan tegen dat exploot worden ingediend binnen één maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde De financieel beheerder moet alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval verrichten, tot alle beslagleggingen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving, de vernieuwing, de doorhaling of de rangafstand van elke titel die daarvoor vatbaar is op het hypotheekkantoor vorderen, aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kennis geven van het vervallen van de huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vervulling van de opdrachten, vermeld in dit artikel rapporteert de financieel beheerder volledig onafhankelijk aan de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Art. 93.De financieel beheerder oefent de taken uit die door of krachtens de wet of het decreet aan de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn werden toevertrouwd. Hij is belast met de uitvoering van de betaling van de girale uitgaven, na uitdrukkelijke betalingsopdracht van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig artikel 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - De maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn Art. 94.§ 1. De maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/1976 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en in artikel 2, en ter uitvoering van de taken die aan hem opgedragen zijn door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, namens de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst, of namens de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of, in voorkomend geval, de ondervoorzitter inzake het verlenen van dringende steun, de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Daarvoor verricht hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt hij documentatie en raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen. § 2. De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en hij stelt maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijke van de sociale dienst neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau telkens als de problemen behandeld worden die de sociale dienst aanbelangen. § 3. Als de met het dossier belaste maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn er wegens bijzondere en uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst pas een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de betrokken maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehoord te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling V. - Het managementteam Art. 95.Er is in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een managementteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het managementteam bestaat uit de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder en, eventueel uit de personeelsleden die andere functies vervullen waaraan het organogram het lidmaatschap van het managementteam verbindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn maakt met raadgevende stem deel uit van het managementteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd voor de aanstelling en het ontslag van de leden van het managementteam, vermeld in het tweede lid, en treedt ten aanzien van hen op als tuchtoverheid. Art. 96.Het managementteam vergadert geregeld onder het voorzitterschap van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Art. 97.Het managementteam ondersteunt de coördinatie van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie. Het managementteam bewaakt de eenheid in de werking, de kwaliteit van de organisatie en de werking van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, alsook de interne communicatie. Afdeling III. - Interne controle</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span><span class=\"lf-art-t\">De openbare centra voor maatschappelijk welzijn staan in voor de interne controle op hun activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Interne controle is het geheel van maatregelen en procedures die ontworpen zijn om een redelijke zekerheid te verschaffen over : 1° het bereiken van de doelstellingen;2° het naleven van wetgeving en procedures;3° de beschikbaarheid van betrouwbare financiële en beheersinformatie;4° het efficiënte en economische gebruik van middelen;5° de bescherming van activa;6° het voorkomen van fraude. Art. 99.§ 1. Het interne controlesysteem wordt vastgesteld door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, na overleg met het managementteam. Het algemene kader van het interne controlesysteem is onderworpen aan de goedkeuring van de raad voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het interne controlesysteem bepaalt op welke wijze de interne controle wordt georganiseerd, met inbegrip van de te nemen controlemaatregelen en -procedures en de aanwijzing van de personeelsleden die ervoor verantwoordelijk zijn, en de rapporteringsverplichtingen van de personeelsleden die bij het systeem van interne controle betrokken zijn. § 2. Het interne controlesysteem beantwoordt minstens aan het principe van functiescheiding waar mogelijk en is verenigbaar met de continuïteit van de werking van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 3. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan, na eensluidend advies van de financieel beheerder, de kasverrichtingen opdragen aan een of meer personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen toevertrouwde bevoegdheden niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid of de personeelsleden belast met de kas beschikken onder de voorwaarden bepaald in het interne controlesysteem over de bevoegdheid om geld af te halen van de door de financieel beheerder aangewezen rekening of rekeningen als het interne controlesysteem in deze mogelijkheid heeft voorzien. Art. 100.Met behoud van de opdrachten inzake interne controle die krachtens dit decreet of door de raad voor maatschappelijk welzijn aan andere organen of personeelsleden worden opgedragen, is de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn belast met de organisatie en de werking van het interne controlesysteem. Hij rapporteert daarover jaarlijks aan de raad voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn brengt het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte van het interne controlesysteem, alsook van de wijzigingen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Art. 101.Deze titel is van toepassing op de leden van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met behoud van de toepassing van de bijzondere regelingen die in titel II, hoofdstuk V, of door of krachtens andere wettelijke of decretale bepalingen zijn vastgesteld. HOOFDSTUK II. - De personeelsformatie Art. 102.Met behoud van de toepassing van artikel 218, § 3, tweede lid, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de personeelsformatie vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsformatie bevat de opsomming van het aantal en de soorten betrekkingen, met uitzondering van de betrekkingen die in contractueel dienstverband ingesteld worden ter uitvoering van de werkgelegenheidsmaatregelen van hogere overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsformatie maakt in voorkomend geval een duidelijk onderscheid tussen het personeel dat in de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn werkt enerzijds en het kabinetspersoneel, vermeld in artikel 103, § 4, anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de gevallen vermeld in artikel 103, § 2, 1°, kan de raad voor maatschappelijk welzijn personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aanwerven buiten de personeelsformatie. HOOFDSTUK III. - De rechtspositie van het personeel Afdeling I. - Algemene bepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bestaat uit personeelsleden in statutair dienstverband. § 2. In afwijking van § 1 kunnen personeelsleden in contractueel verband in dienst worden genomen om : 1° aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen, voor in de tijd beperkte acties of voor een buitengewone toename van werk;2° personeelsleden te vervangen die hun betrekking niet of slechts deeltijds bekleden of die zolang afwezig zijn dat vervanging noodzakelijk is;3° aanvullende of specifieke opdrachten te vervullen;4° te voorzien in de personeelsbehoeften voor activiteiten die door een andere overheid gesubsidieerd worden;5° te voorzien in de personeelsbehoeften voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers;6° te voorzien in de uitvoering van taken die een bijzondere expertise vereisen;7° te worden tewerkgesteld in verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen en diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;8° te worden tewerkgesteld als maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;9° te worden tewerkgesteld als hulppersoneel en als meesters-, vak- en dienstpersoneel. § 3 In geval van een ramp kan worden afgeweken van de vastgestelde aanwervingsvoorwaarden, als dat noodzakelijk is om dringende en onvoorziene taken te vervullen. § 4. Binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn personeel in contractueel verband in dienst nemen om te voorzien in de personeelsbehoeften van het kabinet van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, behalve als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn als schepen recht heeft op kabinetspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de aanwerving of terbeschikkingstelling van het kabinetspersoneel. Afdeling II. - De rechtspositieregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 104</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, is ambtshalve van toepassing op een personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een betrekking bekleedt die ook bestaat bij de gemeente. § 2. Voor de personeelsleden die een betrekking bekleden die specifiek is voor een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, waaronder wordt verstaan dat ze niet bestaat bij de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de rechtspositieregeling vast. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt eveneens de rechtspositieregeling vast voor de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder. § 3 De rechtspositieregeling voor het specifieke personeel, vermeld in § 2, en de rechtspositieregeling voor de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en voor de financieel beheerder regelen de volgende aangelegenheden, op basis van en binnen het kader van de door de Vlaamse Regering vastgestelde minimale voorwaarden, vermeld in artikel 115, § 1 : 1° de bezoldiging van de personeelsleden en de salarisschalen die van toepassing zijn, rekening houdend met onder meer de gestelde bekwaamheidsvereisten en functievereisten;2° de toekenning van toelagen en vergoedingen. § 4. De rechtspositieregeling voor het specifieke personeel, vermeld in § 2, en de rechtspositieregeling voor de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en voor de financieel beheerder regelen minstens de volgende aangelegenheden, door overname van de overeenkomstige bepalingen uit de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, en rekening houdend met de eventuele afwijkende minimale voorwaarden vastgesteld door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel 115, § 2 : 1° de voorwaarden en procedures voor aanwerving en bevordering.Die procedures waarborgen de objectiviteit van de aanwervingen en bevorderingen en de gelijke behandeling van de kandidaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle personeelsleden worden steeds op proef aangesteld; 2° de bekendmaking van de vacatures en de proeftijd;3° de evaluatie, de wijze van aanwijzing van evaluatoren, de bijhorende procedures, de periodiciteit en de rechtsgevolgen ervan, rekening houdend met de aard van de functie;4° de organisatie van de loopbaan van de personeelsleden en van de interne mobiliteit;5° de arbeidsduur, het verlof en de afwezigheden;6° de onverenigbaarheden en de beperkingen en voorwaarden voor cumulatie van activiteiten in overheids- of in privédienst. § 5. De rechtspositieregeling voor het statutaire specifieke personeel, vermeld in § 2, en de rechtspositieregeling voor de statutaire secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en voor de statutaire financieel beheerder regelen minstens de volgende aangelegenheden, door overname van de overeenkomstige bepalingen uit de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, en rekening houdend met de eventuele afwijkende minimale voorwaarden vastgesteld door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel 115, § 2 : 1° de administratieve standen en de anciënniteit, alsook de dienstbeëindiging;2° de nadere regels voor het tuchtstelsel;3° de toepasselijkheid van de nieuwe regels voor het statutaire personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat al in dienst is;4° het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de ambtsneerlegging. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn kan op gemotiveerde wijze afwijken van de rechtspositieregelingen vermeld in § 1 en § 2, voor het voltallige personeel van de verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen en diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, waarvan de werking gebaseerd is op federale of gewestelijke financiering met bijbehorende werkings- en erkenningsregels en voor het voltallige personeel dat ingezet wordt voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers. Deze mogelijkheid tot gemotiveerde afwijking geldt niet voor de bezoldiging van de personeelsleden en de salarisschalen die van toepassing zijn, rekening houdend met onder meer de gestelde bekwaamheidsvereisten en functievereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eventuele afwijkingen mogen bovendien niet strijdig zijn met de minimale voorwaarden opgelegd door de Vlaamse Regering voor het specifieke personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vermeld in § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eventuele afwijkingen mogen evenmin strijdig zijn met de minimale voorwaarden die de Vlaamse Regering bijkomend kan bepalen voor het personeel vermeld in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste zin van het eerste lid, het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing op het personeel van de ziekenhuizen, vermeld in artikel 218. § 7. De rechtspositieregeling kan in een mandaatstelsel voorzien. Dit kan zowel voor betrekkingen die niet voorkomen bij de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend als voor betrekkingen die wel voorkomen bij deze gemeente, en in dit geval ook als de rechtspositieregeling van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend daarin niet voorziet. § 8. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt volgens welke regels de beoefenaars van de geneeskunde toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als die beoefenaars van de geneeskunde niet aangesteld noch bezoldigd worden als personeelslid, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de instelling of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst. Afdeling III. - Aanstelling, ontslag en eedaflegging van het personeel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 105</span><span class=\"lf-art-t\">De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd voor de aanstelling en het ontslag van de personeelsleden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn kan de uitoefening van die bevoegdheid toevertrouwen aan het vast bureau en aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, behalve voor de functies van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van financieel beheerder en van ombudsman. In voorkomend geval kan het vast bureau of de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die gedelegeerde bevoegdheid niet toevertrouwen aan andere personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leggen, met behoud van de toepassing van artikel 76, de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn : « Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen. ». De weigering tot eedaflegging staat gelijk met verzaking aan de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt er een proces-verbaal opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheid om de eed af te nemen, vermeld in het derde lid, toevertrouwen aan een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij eventuele delegatie van deze bevoegdheid aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan deze laatste de bevoegdheid verder delegeren aan een van de leden van het managementteam, vermeld in artikel 95, tweede lid. Afdeling IV. - Deontologische rechten en plichten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 106</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De personeelsleden oefenen hun ambt op een loyale en correcte wijze uit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden zetten zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 2. De personeelsleden respecteren de persoonlijke waardigheid van iedereen. Art. 107.§ 1. De personeelsleden hebben spreekrecht ten aanzien van derden met betrekking tot de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behoud van de toepassing van de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur is het voor hen verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op : 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;5° het medisch geheim;6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;7° het vertrouwelijke karakter van de beraadslagingen. Het is voor hen verboden feiten bekend te maken als de bekendmaking ervan een inbreuk vormt op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privéleven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om de gegevens die op hem betrekking hebben, openbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geldt eveneens voor personeelsleden die hun ambt hebben beëindigd. § 2. De personeelsleden die in de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststellen, brengen een hiërarchische meerdere daarvan onmiddellijk op de hoogte. Art. 108.De personeelsleden behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden mogen, zelfs buiten hun ambt, noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel dat verband houdt met het ambt, vragen, eisen of aannemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 109</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor : 1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;4° een belangenconflict ontstaat. De personeelsleden mogen geen vergoedingen, wedden, toelagen, presentiegelden of andere tegenprestaties ontvangen van de rechtspersonen waarin zij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen. § 2. De hoedanigheid van personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met inbegrip van de personen, vermeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, die ingevolge een beslissing van een van de organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in een van de instellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, is onverenigbaar met : 1° het mandaat van voorzitter van de gemeenteraad, burgemeester of schepen, in de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, alsmede het lidmaatschap van een districtscollege van die gemeente;2° het lidmaatschap van het beheerscomité van het ziekenhuis als afgevaardigde van de gemeente, die bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 3 Op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn artikel 37, § 1 en § 2, met uitzondering van 4°, en artikel 40, § 4, eveneens van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden hebben recht op informatie en vorming zowel met betrekking tot aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van hun functie als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten De personeelsleden houden zich op de hoogte van de ontwikkelingen en de nieuwe inzichten in de materies waarmee zij beroepshalve belast zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorming is een plicht als ze noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of voor het beter functioneren van een dienst, of als ze een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling, of van een implementatie van nieuwe werkmethodes en infrastructuur. Art. 111.De raad voor maatschappelijk welzijn stelt een deontologische code vast voor het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Die concretiseert de bepalingen van deze afdeling en kan bijkomende deontologische rechten en verplichtingen opnemen. Afdeling V. - De evaluatie van het personeel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie is de procedure waarbij een oordeel wordt geformuleerd over de manier waarop een personeelslid functioneert. Art. 113.Met behoud van toepassing van de nadere regeling van de gevolgen van de evaluatie in de rechtspositieregeling neemt de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn naar aanleiding van de evaluatie, in voorkomend geval, passende maatregelen met het oog op het verbeteren van de wijze waarop het betrokken personeelslid functioneert. Art. 114.De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden geëvalueerd op ambtelijk niveau De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel beheerder en de ombudsman worden echter geëvalueerd door de raad voor maatschappelijk welzijn. De evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid, en op basis van een verslag van het vast bureau of van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn als er geen vast bureau werd opgericht. Voormeld rapport en voormeld verslag zijn niet vereist bij de evaluatie van de ombudsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmen wordt het betrokken personeelslid geacht te voldoen. HOOFDSTUK IV. - Verdere uitvoeringsmaatregelen Art. 115.§ 1. De Vlaamse Regering stelt de minimale voorwaarden vast voor : 1° de personeelsformatie;2° de rechtspositieregeling van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 104, § 2, en voor de aangelegenheden vermeld in artikel 104, § 3;3° de toepassing van een mandaatstelsel, als vermeld in artikel 104, § 7. § 2. De Vlaamse Regering kan minimale voorwaarden vaststellen voor de rechtspositieregeling van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 104, § 2, en voor de aangelegenheden vermeld in artikel 104, § 4 en § 5, evenals voor het personeel vermeld in § 6. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de externe mobiliteit van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht Art. 116.§ 1. Met behoud van de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of wegens strijdigheid met het algemeen belang, overeenkomstig artikelen 254 tot en met 263, schorst de provinciegouverneur de uitvoering van de besluiten tot vaststelling of wijziging van de personeelsformatie als die worden aangenomen zonder dat de financiële haalbaarheid door middel van de financiële nota van het meerjarenplan of door middel van een beslissing van de gemeenteraad waarmee de gemeente zich verbindt om de meerkosten van de nieuwe personeelsformatie te dragen, wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegouverneur kan de schorsing beperken tot een of meer delen van het besluit, op voorwaarde dat het niet-geschorste deel nog op samenhangende wijze kan worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering kan die besluiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn rechtstreeks vernietigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 258 is van overeenkomstige toepassing. § 2. In geval van schorsing is artikel 259 van toepassing, met dien verstande dat de Vlaamse Regering besluit tot vernietiging van het aangepaste of gerechtvaardigde besluit tot vaststelling of wijziging van de personeelsformatie in de gevallen, vermeld in § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering kan de vernietiging beperken tot een of meer delen van het besluit, op voorwaarde dat het niet-vernietigde deel nog op samenhangende wijze kan worden uitgevoerd. HOOFDSTUK VI. - Tucht Afdeling I. - Toepassingsgebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de leden van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in contractueel dienstverband. Afdeling II. - De tuchtvergrijpen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook een overtreding van de rechtspositieregeling, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot een tuchtstraf. Afdeling III. - De tuchtstraffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd : 1° de blaam;2° de inhouding van salaris;3° de schorsing;4° het ontslag van ambtswege;5° de afzetting. Art. 120.§ 1. De tuchtstraf inhouding van salaris mag een termijn van zes maanden niet overschrijden. Er mag niet meer dan twintig procent van het jaarlijkse brutosalaris worden ingehouden. § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn garandeert aan de betrokkenen een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties. Art. 121.§ 1. De schorsing wordt uitgesproken voor maximaal zes maanden. De schorsing heeft, zolang ze duurt, verlies van salaris tot gevolg. § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn garandeert aan de betrokkenen een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon zoals dat bij wet wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties. Afdeling IV. - De tuchtoverheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 122</span><span class=\"lf-art-t\">De aanstellende overheid treedt op als tuchtoverheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de raad voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig artikel 52, de uitoefening van zijn bevoegdheid tot aanstelling van personeelsleden aan het vast bureau of de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toevertrouwd heeft, treedt het orgaan waaraan de uitoefening van die bevoegdheid is toevertrouwd, op als tuchtoverheid voor de personeelsleden die door de raad voor maatschappelijk welzijn zijn aangesteld, voor de feiten die dat orgaan vaststelt of waarvan het kennis heeft gekregen na de delegatie. Afdeling V. - De tuchtprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 123</span><span class=\"lf-art-t\">De tuchtoverheid start het tuchtonderzoek op</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de raad voor maatschappelijk welzijn als tuchtoverheid optreedt, belast hij de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier. Als er een tuchtvordering is tegen de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, wordt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn daarmee belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het vast bureau als tuchtoverheid optreedt, belast het de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tuchtoverheid optreedt, belast hij een leidinggevend personeelslid met het tuchtonderzoek, het opstellen van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het tuchtonderzoek is afgerond, wordt het tuchtverslag opgesteld dat minstens de ten laste gelegde feiten bevat. Het tuchtdossier bevat alle stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten. Art. 124.Een tuchtstraf kan pas worden opgelegd nadat het personeelslid, en in voorkomend geval zijn raadsman, de gelegenheid heeft gekregen om door de tuchtoverheid te worden gehoord in zijn middelen van verdediging, over alle feiten die hem ten laste worden gelegd. Art. 125.De betrokkene mag zich te allen tijde laten bijstaan en vertegenwoordigen door een raadsman van zijn keuze. Art. 126.Voor de hoorzitting wordt het personeelslid op de hoogte gebracht van het tuchtverslag en wordt aan hem, en desgevallend aan zijn raadsman, een kopie van het tuchtdossier bezorgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtoverheid kan ambtshalve, op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman, getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene of van zijn raadsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoorzitting, alsook de zittingen waarop de getuigen worden gehoord, zijn niet openbaar, tenzij het betrokken personeelslid er zelf om verzoekt. De getuige kan echter de beslotenheid van zijn getuigenverhoor op de hoorzitting vragen als het personeelslid de openbaarheid heeft gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtoverheid mag zich te allen tijde laten bijstaan door een raadsman, behalve bij de beraadslaging en de stemming. Art. 127.De betrokkene wordt van de beslissing van de tuchtoverheid op de hoogte gebracht met een aangetekende brief of met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs. In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid, vermeld in afdeling VIII, en van de termijn waarbinnen het beroep kan worden aangetekend. Art. 128.De Vlaamse Regering stelt de termijnen en de nadere procedureregels van de tuchtprocedure vast, met inbegrip van de wijze van de oproeping, het getuigenverhoor, de raadpleging van het tuchtdossier, de beraadslaging en de uitspraak. Afdeling VI. - De verjaring van de tuchtvordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek op te starten als vermeld in artikel 123. § 2. Als in verband met dezelfde feiten de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn, vermeld in § 1, gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan op de hoogte wordt gebracht dat er een beslissing werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan en die de strafvordering beëindigt. § 3. Het strafrechtelijk onderzoek doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken Als een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, kan het betrokken personeelslid binnen zestig dagen na de kennisneming ervan bij de tuchtoverheid een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie instellen. § 4. Als de tuchtstraf wordt vernietigd, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de kennisgeving van de vernietiging, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de termijn, vermeld in § 1, dat is overgebleven bij het instellen van de vervolging en minstens gedurende een termijn van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de tuchtstraf wordt ingetrokken, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de intrekking de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de termijn, vermeld in § 1, dat is overgebleven bij het instellen van de vervolging. Afdeling VII. - De preventieve schorsing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als tegen een personeelslid een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de tuchtoverheid het personeelslid preventief schorsen bij wijze van ordemaatregel, al dan niet met inhouding van salaris. Art. 131.De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van maximaal vier maanden. Als er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan de overheid die termijn voor perioden van maximaal vier maanden verlengen zolang de strafrechtelijke procedure duurt, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord Als binnen de vermelde termijnen geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen de gevolgen van de preventieve schorsing. Art. 132.§ 1. Als tegen een personeelslid een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt, kan de tuchtoverheid die de preventieve schorsing uitspreekt, beslissen tot een inhouding van salaris, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord. § 2. De inhouding van salaris mag niet meer dan de helft ervan bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarborgt aan het personeelslid een nettosalaris dat gelijk is aan het bedrag van het leefloon, zoals dat bij wet wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag berekend evenredig met de omvang van de prestaties. Art. 133.Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, geen tuchtstraf oplegt of de tuchtstraf blaam oplegt, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en betaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ingehouden salaris uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, de tuchtstraf inhouding van salaris, schorsing, ontslag van ambtswege of afzetting oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dat geval wordt het bedrag van het tijdens de schorsing ingehouden salaris in mindering gebracht van het bedrag van het salarisverlies, verbonden aan de tuchtstraf. Als het bedrag van het ingehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies, verbonden aan de tuchtstraf, dan betaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het verschil uit. Art. 134.Voor de tuchtoverheid beslist tot een preventieve schorsing, al dan niet met inhouding van salaris, hoort ze de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoogdringende gevallen kan de tuchtoverheid de preventieve schorsing, al dan niet met inhouding van salaris, onmiddellijk uitspreken, met de verplichting het personeelslid binnen acht dagen na de uitspraak te horen over de preventieve schorsing en, in voorkomend geval, over de inhouding van salaris. De preventieve schorsing vervalt als ze niet wordt bevestigd binnen vijftien dagen nadat de betrokkene is gehoord. Art. 135.De Vlaamse Regering stelt de termijnen en nadere procedureregels vast. Afdeling VIII. - Beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 136</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Beroepscommissie voor tuchtzaken, opgericht bij artikel 137 van het Gemeentedecreet, treedt ook op als beroepsinstantie voor tuchtsancties van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Art. 137.De Beroepscommissie voor tuchtzaken is een bestuurlijk orgaan. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling, de werking en de vergoeding van de leden ervan. Art. 138.Binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing over het opleggen van een tuchtstraf of een preventieve schorsing kan het personeelslid tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Beroepscommissie voor tuchtzaken. Behalve in geval van preventieve schorsing schorst het beroep de beslissing. Art. 139.De Beroepscommissie voor tuchtzaken mag pas uitspraak doen nadat aan het personeelslid en aan de tuchtoverheid en hun respectieve raadsman de gelegenheid werd geboden om te worden gehoord. Die hoorzittingen zijn niet openbaar, tenzij het betrokken personeelslid er zelf om verzoekt. Art. 140.De Beroepscommissie voor tuchtzaken beschikt over een hervormingsrecht. Art. 141.Binnen zestig dagen na de dag van de ontvangst van het tuchtdossier spreekt de Beroepscommissie voor tuchtzaken zich uit over het beroep. Ze kan evenwel de oorspronkelijke termijn met zestig dagen verlengen als ze, voor het verstrijken van de termijn, de tuchtoverheid en het personeelslid ervan op de hoogte brengt dat ze pas binnen de verlengde termijn kan beslissen De Beroepscommissie voor tuchtzaken deelt de datum waarop ze het tuchtdossier heeft ontvangen, mee aan de tuchtoverheid en de indiener van het beroep. Art. 142.De Vlaamse Regering stelt de nadere procedureregels vast. Afdeling IX. - De doorhaling van de tuchtstraf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 143</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtstraffen blaam, inhouding van salaris en schorsing worden in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald na verloop van een termijn van één jaar voor de blaam, drie jaar voor de inhouding van salaris en vier jaar voor de schorsing. Die termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken door de tuchtoverheid of, als beroep werd aangetekend overeenkomstig artikel 138, vanaf de datum van de uitspraak van de Beroepscommissie voor tuchtzaken. De doorhaling heeft enkel uitwerking voor de toekomst TITEL IV. - Financiering, planning en financieel beheer HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en financiering Art. 144.Het financiële boekjaar van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar. Art. 145.Als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die gemeentelijke bijdrage wordt in de uitgaven van het meerjarenplan en het budget van de gemeente ingeschreven. Tenzij de gemeente en het openbaar centrum anders hebben beslist, wordt maandelijks minstens een twaalfde van de bijdrage aan het centrum uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen overeenkomen dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde overschotten van de gemeentelijke bijdrage houdt voor bestedingen in een volgend financieel boekjaar. Die overschotten worden in de jaarrekening afgezonderd. De bestemming ervan wordt in het meerjarenplan en het budget bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt hoe die bijdrage geraamd en verrekend wordt. HOOFDSTUK II. - Strategische meerjarenplanning Art. 146.§ 1. Voor het einde van het jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen en voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende financiële boekjaar, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn een meerjarenplan vast. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het meerjarenplan start in het tweede jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen en loopt af op het einde van het jaar na de daaropvolgende gemeenteraadsverkiezingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn stemt over het meerjarenplan in zijn geheel. Elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen van het meerjarenplan die hij aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die aldus zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel lid van de raad voor maatschappelijk welzijn afzonderlijk wil stemmen, en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen. § 2. In de strategische nota worden de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties voor het extern en intern te voeren beleid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op elkaar afgestemd en geïntegreerd weergegeven. De beleidsdoelstellingen en beleidsopties worden afgestemd op het lokaal sociaal beleidsplan overeenkomstig het decreet van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende het lokaal sociaal beleid. § 3. In de financiële nota wordt de vermoedelijke gemeentelijke bijdrage opgenomen, wordt verduidelijkt hoe het financiële evenwicht wordt gehandhaafd en worden de financiële consequenties van de beleidsopties van de strategische nota weergegeven. § 4. Het ontwerp van meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen voor de vergadering waarop het wordt besproken, aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd. Art. 147.§ 1. De raad voor maatschappelijk welzijn past jaarlijks waar nodig het meerjarenplan aan voor hij beraadslaagt over het budget voor het volgende financiële boekjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassing van het meerjarenplan is facultatief bij de vaststelling van het budget met betrekking tot het laatste financiële boekjaar van de zesjaarlijkse periode, vermeld in artikel 146, § 1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn houdt bij de aanpassing van het meerjarenplan rekening met de termijn waarop het meerjarenplan betrekking heeft. Vanaf het voorlaatste financiële boekjaar van de zesjaarlijkse periode, vermeld in artikel 146, § 1, tweede lid, beschrijft de financiële nota de financiële consequenties voor ten minste drie boekjaren. Artikel 146, § 1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. § 2. Het ontwerp van de jaarlijkse aanpassing van het meerjarenplan wordt op zijn minst veertien dagen voor de vergadering waarop het wordt besproken, aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd. Art. 148.§ 1. Het meerjarenplan en de aanpassingen ervan worden aan de gemeente bezorgd. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het meerjarenplan of de aanpassingen ervan toe op de vergadering van de gemeenteraad waarop het geagendeerd is. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn geen deel uitmaakt van de gemeenteraad, wordt hij ten minste acht dagen voor de dag van die vergadering, door de voorzitter van de gemeenteraad daarvan verwittigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het meerjarenplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad, die een van de volgende beslissingen kan nemen : 1° goedkeuring van het meerjarenplan;2° niet-goedkeuring van het meerjarenplan;3° aanpassing van het meerjarenplan. De aanpassingen van het meerjarenplan, vermeld in artikel 147, worden enkel ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd als de bijdrage van de gemeente, vermeld in artikel 145, gedurende de resterende periode van de financiële nota van het meerjarenplan wordt verhoogd of als de strategische nota van het meerjarenplan inhoudelijk wijzigt. In die gevallen kan de gemeenteraad het plan desgewenst aanpassen. Als er geen goedkeuring is vereist, neemt de gemeenteraad enkel kennis van de aanpassingen van het meerjarenplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad neemt de beslissing, vermeld in het tweede lid, binnen een termijn van vijftig dagen die ingaat op de dag nadat de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de gemeente is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente bezorgt haar beslissing aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk de laatste dag van die termijn. Als binnen die termijn geen beslissing aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is bezorgd, wordt de gemeenteraad geacht aan het meerjarenplan of de aanpassingen ervan zijn goedkeuring te hebben verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad bezorgt de beslissing, vermeld in het tweede lid, aan de provinciegouverneur. § 2. Als de raad voor maatschappelijk welzijn van oordeel is dat een beslissing van de gemeenteraad, als vermeld in § 1, tweede lid, de normale werking van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zal schaden of in strijd is met een decreet of een wet, kan hij tegen die beslissing van de gemeenteraad beroep instellen bij de provinciegouverneur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat beroep schorst de uitvoerbaarheid van het aangevochten besluit niet en moet samen met een kopie van de bestreden beslissing en het meerjarenplan aan de provinciegouverneur en de gemeente worden verzonden. Het beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de gemeenteraad. § 3. Als het beroep ontvankelijk en gegrond is, stelt de provinciegouverneur het meerjarenplan of de aanpassingen vast en verzendt hij het gemotiveerde besluit tegelijk aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeente binnen de termijn, vermeld in artikel 258, § 1, eerste lid, die ingaat overeenkomstig artikel 258, § 2, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die termijn kan gestuit worden volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 258, § 3, met het oog op het opvragen van het dossier, bepaalde documenten of inlichtingen bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegouverneur verzendt een kopie van zijn besluit aan de Vlaamse Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan verzending van het besluit, vermeld in het eerste lid, binnen de voorgeschreven termijn wordt het beroep beschouwd als ingewilligd en wordt de provinciegouverneur geacht zijn goedkeuring te hebben verleend aan het meerjarenplan of de aanpassingen ervan, zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen het besluit van de provinciegouverneur of bij ontstentenis van een besluit van de provinciegouverneur kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de gemeente bij de Vlaamse Regering beroep instellen volgens de termijnen, vermeld in artikel 259. Bij ontstentenis van een besluit vangt de termijn aan na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering stelt het meerjarenplan of de aanpassingen vast en verzendt het gemotiveerde besluit aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de termijn, vermeld in artikel 259.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bezorgt tegelijk een kopie van haar besluit aan de provinciegouverneur, aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan verzending, binnen de voorgeschreven termijn, aan degene die het beroep heeft ingesteld, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. HOOFDSTUK III. - Het budget Art. 149.§ 1. Voor het begin van ieder financieel boekjaar stelt de raad voor maatschappelijk welzijn op basis van het meerjarenplan het budget van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vast. § 2. In afwijking van § 1 kan de raad voor maatschappelijk welzijn het budget voor het eerste volledige financiële boekjaar van de zesjaarlijkse periode waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn is verkozen, vaststellen in de loop van het eerste kwartaal van dat boekjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het budget voor het eerste volledige financiële boekjaar van de zesjaarlijkse periode hoeft niet te passen in het meerjarenplan. § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn stemt over het budget in zijn geheel. Elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn kan echter de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen van het budget die hij aanwijst. In dat geval mag over het geheel pas gestemd worden na de stemming over een of meer onderdelen die aldus zijn aangewezen. De stemming over het geheel heeft dan betrekking op de onderdelen waarover geen enkel lid van de raad voor maatschappelijk welzijn afzonderlijk wil stemmen, en op de onderdelen die al bij een afzonderlijke stemming zijn aangenomen. § 4. Het ontwerp van budget wordt op zijn minst veertien dagen vóór de vergadering waarop het wordt besproken, aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd. Art. 150.Het budget wordt aan de gemeente bezorgd. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn licht het budget toe op de vergadering van de gemeenteraad. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn geen deel uitmaakt van de gemeenteraad, wordt hij ten minste acht dagen voor de dag van die vergadering door de voorzitter van de gemeenteraad daarvan verwittigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een budget past binnen het meerjarenplan, neemt de gemeenteraad er kennis van. Als een budget niet past binnen het meerjarenplan, spreekt de gemeenteraad zich uit over de goedkeuring van het budget. De gemeenteraad kan evenwel in dat geval het budget in overeenstemming brengen met het meerjarenplan. Als de raad voor maatschappelijk welzijn geen meerjarenplan of budget heeft vastgesteld, stelt de gemeenteraad eenzijdig het budget vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad neemt de beslissingen, vermeld in het tweede lid, binnen een termijn van vijftig dagen, die ingaat op de dag nadat de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de gemeente is ingekomen. De gemeente verstuurt haar besluit naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk de laatste dag van die termijn. Als binnen die termijn geen beslissing naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is verstuurd, wordt de gemeenteraad geacht te hebben kennisgenomen van het budget, vermeld in het tweede lid, of er zijn goedkeuring aan te hebben verleend. De gemeenteraad bezorgt de beslissingen van goedkeuring, van niet-goedkeuring of van vaststelling van het budget, vermeld in het tweede lid, aan de provinciegouverneur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het budget is artikel 148, § 2 en § 3, van overeenkomstige toepassing. Art. 151.Het budget van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn omvat een beleidsnota en een financiële nota. Art. 152.De beleidsnota verwoordt het beleid dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende het financiële boekjaar zal voeren en concretiseert de beleidsdoelstellingen. De beleidsnota omvat een toelichting omtrent de financiële toestand van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en verwoordt de aansluiting bij de financiële nota. Art. 153.§ 1. De financiële nota bevat minstens het exploitatiebudget, het investeringsbudget, het liquiditeitenbudget en de gebudgetteerde gemeentelijke bijdrage. § 2. Het exploitatiebudget is een financieel plan van de exploitatie van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 3. Het liquiditeitenbudget is een financieel plan van de geldstromen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 4. Het investeringsbudget is een financieel plan van de uitgaven en ontvangsten, en van de kosten en opbrengsten die verbonden zijn aan de aanschaf, het gebruik en de vervreemding van duurzame middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een investeringsbudget bestaat uit een of meer investeringsenveloppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een investeringsenveloppe eenmaal in het budget werd goedgekeurd, blijft ze drie jaar geldig als de investering nog niet in uitvoering is. Als de investering eenmaal in uitvoering is, blijft het budget geldig tot en met 31 december van het financiële boekjaar na het jaar waarin de investering definitief opgeleverd wordt. Verlenging van die termijnen is mogelijk voor zover de raad voor maatschappelijk welzijn die verlenging goedkeurt. Art. 154.Tot het budget van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is vastgesteld, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alleen beschikken over voorlopige kredieten onder de voorwaarden en binnen de grenzen, bepaald door de Vlaamse Regering. Art. 155.§ 1. Als verscheidene openbare centra voor maatschappelijk welzijn betrokken zijn bij een uitgave die door of krachtens wettelijke of decretale bepalingen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is opgelegd, dragen ze allemaal daarin bij naar evenredigheid van het belang dat ze erbij kunnen hebben. In geval van weigering of van onenigheid over de verhouding van dat belang en van de te dragen lasten beslist de provinciegouverneur. § 2. Tegen het besluit van de provinciegouverneur kan de raad voor maatschappelijk welzijn beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering binnen dertig dagen na de verzending van het besluit aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering spreekt zich over het beroep uit binnen een termijn van vijftig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst ervan, en ze verstuurt haar besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de provinciegouverneur, in voorkomend geval de provinciegouverneurs en naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als binnen de vermelde termijn geen besluit naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is verstuurd, is het besluit van de provinciegouverneur uitvoerbaar. Art. 156.Budgetwijzigingen zijn die kredietaanpassingen aan het budget die niet door middel van een interne kredietaanpassing kunnen worden doorgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de budgetwijzigingen vast op basis van de voorgelegde cijfers en de verklarende nota ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp van budgetwijziging wordt uiterlijk samen met de agenda vóór de vergadering waarop het wordt besproken, aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de budgetwijzigingen is artikel 150 van overeenkomstige toepassing. Art. 157.De raad voor maatschappelijk welzijn beslist over de interne kredietaanpassingen, zoals die gedefinieerd zijn door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden daarvoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn brengt de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de betrokken budgethouders daarvan onverwijld op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie heeft toegang tot die beslissingen. Art. 158.Een verbintenis mag alleen worden aangegaan door de bevoegde budgethouder op grond van een goedgekeurde, op het budget voorkomende post of op grond van een voorlopig krediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden of de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité die in strijd daarmee verbintenissen hebben aangegaan, zijn daarvoor persoonlijk verantwoordelijk, behoudens in de gevallen die door of krachtens dit decreet worden bepaald en met behoud van de eventuele medeverantwoordelijkheid van andere organen of personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Art. 159.De raad voor maatschappelijk welzijn kan zonder voorafgaande budgetwijziging over de uitgaven beslissen die door dwingende en onvoorziene omstandigheden vereist zijn, op voorwaarde dat hij daartoe een met redenen omkleed besluit neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde omstandigheden en als het geringste uitstel onbetwistbare schade zou veroorzaken, kan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn op eigen verantwoordelijkheid over de uitgaven beslissen. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn brengt de raad voor maatschappelijk welzijn en de externe auditcommissie daarvan onverwijld op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om over de uitgaven te beslissen houdt de bevoegdheid in tot het vaststellen van de voorwaarden van overheidsopdrachten, het vaststellen van de wijze van gunning van overheidsopdrachten, het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van de overheidsopdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden de nodige kredieten onverwijld ingeschreven door een budgetwijziging en wordt de gemeente ingelicht. De betaling mag evenwel worden uitgevoerd zonder de budgetwijziging af te wachten. HOOFDSTUK IV. - Uitvoering van het budget, budgethouderschap en beheer van de middelen Afdeling I. - Budgethouderschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het budgethouderschap is de toegekende bevoegdheid tot beheer van een budget dat taakstellend is in die zin dat het een norm inhoudt waarvan de budgethouder de realisatie nastreeft. Art. 161.§ 1. Het budgethouderschap komt toe aan de raad voor maatschappelijk welzijn, behoudens de uitzonderingen, vermeld in dit decreet, en met behoud van de toepassing van § 2 en § 3. § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan het budgethouderschap voor aangelegenheden van dagelijks bestuur toekennen aan het vast bureau, een bijzonder comité van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering ervan De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt wat onder dagelijks bestuur wordt begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vast bureau en een bijzonder comité van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen, als de raad voor maatschappelijk welzijn daarvoor de machtiging geeft, die bevoegdheid met betrekking tot bepaalde budgetten delegeren aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheid met betrekking tot bepaalde budgetten delegeren aan andere personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de delegatie wordt rekening gehouden met het organogram van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap. § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan het budgethouderschap met betrekking tot bepaalde budgetten betreffende activiteitencentra of projecten delegeren aan het vast bureau of een bijzonder comité of, na advies van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan bepaalde personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ook voor aangelegenheden die het dagelijks bestuur te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij delegatie aan die personeelsleden houdt de raad voor maatschappelijk welzijn rekening met het organogram van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De betrokken personeelsleden kunnen de aan hen gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als hun functieomschrijving erin voorziet. Zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het aan hen gedelegeerde budgethouderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn brengt het advies, vermeld in het eerste lid, binnen dertig dagen na daarom te zijn verzocht, ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn. Bij gebrek aan kennisgeving van het advies binnen de voormelde termijn, kan aan het adviesvereiste worden voorbijgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke delegatie vervalt in ieder geval zes maanden na de algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn. Art. 162.§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 159, gaat de budgethouder de verbintenissen aan, in voorkomend geval binnen de perken van de delegatie, overeenkomstig het aan hem toevertrouwde budget. In voorkomend geval binnen de perken van de delegatie, bepaalt hij de wijze van gunnen met betrekking tot de procedures voor opdrachten van aanneming van werken, leveringen of diensten en stelt de voorwaarden ervan vast, voert de opdracht uit, wijst de opdracht toe en keurt de te betalen bedragen goed overeenkomstig het aan hem toevertrouwde budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de budgethouder, vermeld in artikelen 161 en 217, wordt beperkt overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van de voorwaarden en de wijze van gunnen, kunnen de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau bepalen dat indien een opdracht van aanneming van werken, leveringen of diensten waarvoor de raming paste binnen het voorziene budget, bij raadpleging van de mededinging het voorziene budget blijkt te overschrijden, de opdracht kan toegewezen worden mits de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau beslissen de noodzakelijke verhoging van het betrokken krediet op te nemen in de eerstvolgende budgetwijziging. § 2. De voorgenomen financiële verbintenissen die resulteren in een uitgaande nettokasstroom, zijn onderworpen aan een voorafgaand visum voordat enige verbintenis kan worden aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financieel beheerder onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van die voorgenomen verbintenissen in het kader van zijn opdracht als vermeld in artikel 92, eerste lid, 1°. Hij verleent zijn visum, als uit dat onderzoek de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenis blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt, na advies van de financieel beheerder, de nadere voorwaarden waaronder de financieel beheerder de controle, vermeld in het tweede lid, uitoefent. De raad voor maatschappelijk welzijn kan binnen de perken die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering, en na advies van de financieel beheerder, bepaalde categorieën van verrichtingen uitsluiten van de visumverplichting. De raad voor maatschappelijk welzijn kan, op eensluidend voorstel van de financieel beheerder, de bevoegdheid, vermeld in het tweede lid, delegeren aan een of meer personeelsleden, die werken onder de verantwoordelijkheid van de financieel beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrichtingen die door de raad voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig het derde lid zijn uitgesloten van de visumverplichting, kunnen, voordat enige verbintenis werd aangegaan door de betrokken budgethouder en, als de betrokken budgethouder de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of een bijzonder comité is, en het stemgedrag niet wordt genotuleerd door een van zijn leden, worden voorgelegd aan de financieel beheerder. In dat geval wordt gehandeld overeenkomstig het tweede lid. § 3. De budgethouder is verantwoordelijk voor de facturatie van de te ontvangen bedragen die betrekking hebben op het aan hem toevertrouwde budget. § 4. De raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en het bijzonder comité kunnen als bevoegde budgethouder beslissen, onder de door hen bepaalde voorwaarden, de goedkeuring van de te betalen bedragen toe te vertrouwen aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan die bevoegdheid niet delegeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 163</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de financieel beheerder, bij gemotiveerde beslissing, aan een door een budgethouder voorgenomen verbintenis weigert visum te verlenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn op eigen verantwoordelijkheid viseren. In dat geval bezorgt de raad voor maatschappelijk welzijn de gemotiveerde beslissing van de financieel beheerder aan de gemeenteraad en aan de provinciegouverneur, tegelijkertijd met het afschrift van zijn beslissing. De externe auditcommissie wordt van de beslissing op de hoogte gesteld De beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn is pas uitvoerbaar als de toezichtstermijn, vermeld in artikelen 257 en 258, is verstreken. Art. 164.§ 1. Om de betaling mogelijk te maken van geringe exploitatieuitgaven van het dagelijks bestuur, of de hulpverlening, vermeld in artikel 58, § 2 en § 3, die zonder uitstel of onmiddellijk moet worden gedaan voor de goede werking van de dienst, kan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, na advies van de financieel beheerder, beslissen aan bepaalde budgethouders of personeelsleden een provisie ter beschikking te stellen. Die beslissing van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt ter goedkeuring aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd als ze niet overeenstemt met het advies van de financieel beheerder dat hij in volle onafhankelijkheid heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid dat verantwoordelijk is voor de betalingen, overhandigt de voorgeschreven som tegen ontvangstbewijs aan de betrokken budgethouder of het betrokken personeelslid of stort het bedrag op een daartoe speciaal geopende rekening die nooit een debetsaldo kan vertonen. Die budgethouders of personeelsleden zijn persoonlijk verantwoordelijk voor het beheer ervan. De op de provisie gedane uitgaven van de gemachtigde personeelsleden worden periodiek op voorlegging van een staat van uitgaven en bijbehorende bewijsstukken opgenomen in de boekhouding van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Als de titularis van de provisie ervan wordt ontlast, stort hij het bedrag ervan terug, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de uitgaven die hij al regelmatig heeft verricht met de provisie, na voorlegging van de bewijsstukken betreffende de gedane uitgaven. § 2. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan, na advies van de financieel beheerder, onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die onder zijn gezag staan, belasten met de inning van geringe dagontvangsten. Die beslissing van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt ter goedkeuring aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd als ze niet overeenstemt met het advies van de financieel beheerder dat hij in volle onafhankelijkheid heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die personeelsleden storten op geregelde tijdstippen het totale bedrag van hun inningen in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en verantwoorden die bedragen door een nauwkeurige invorderingsstaat volgens de onderrichtingen van de financieel beheerder. De ontvangsten en de storting ervan in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden in een kasboekhouding geregistreerd. § 3. Minstens eenmaal per jaar verifieert de financieel beheerder of een door hem aangestelde persoon, onder zijn verantwoordelijkheid, de boekhouding en de geldvoorraad van de houders van de provisie, vermeld in § 1, en van de personeelsleden die belast zijn met de inning van de geringe dagontvangsten, vermeld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van zijn bevindingen wordt een proces-verbaal gemaakt dat aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan de bevoegde budgethouder of aan het betrokken personeelslid en, in geval van onregelmatigheden, aan de externe auditcommissie wordt bezorgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat proces-verbaal wordt zowel door het verantwoordelijke personeelslid als door de financieel beheerder of de door hem aangestelde persoon ondertekend. § 4. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van provisies en de voorwaarden waaronder personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen worden belast met de inning van geringe dagontvangsten. Afdeling II. - Uitvoering van de betalingen, inning van de ontvangsten en beheer van de kasmiddelen Art. 165.§ 1. De financieel beheerder is belast met de uitvoering van alle girale betalingen. Hij of zijn gemachtigde plaatst daarvoor als tweede een handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling. Betalingen ter uitvoering van uitgaven kunnen nooit door de financieel beheerder verricht worden zonder een uitdrukkelijke betalingsopdracht van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Die opdracht van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn blijkt uit een eerste handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of van zijn gemachtigde. De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bevestigt daarmee dat de uitgave wettig en regelmatig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financieel beheerder verricht de betalingen in verband met het thesauriebeheer autonoom. Hieronder vallen niet de betalingen naar de rekeningen vermeld in artikel 164.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bevoegdheid van de personeelsleden, vermeld in artikel 99, § 3, blijft de financieel beheerder bevoegd voor het verlenen van kwijting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de aansprakelijkheid van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn eveneens de personeelsleden, vermeld in dit artikel en de personeelsleden belast met de kas, rekenplichtig binnen de grenzen van de aan hen toevertrouwde bevoegdheid. § 2. Als de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een door hem met betalingsverrichtingen belast personeelslid weigert een betalingsopdracht aan een financiële instelling te ondertekenen of als de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of zijn gemachtigde weigert om een betaling via de kas wettelijk en regelmatig te verklaren, kan de raad voor maatschappelijk welzijn op eigen verantwoordelijkheid bevelen de betaling uit te voeren. Een dergelijk bevel kan niet worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval bezorgt de raad voor maatschappelijk welzijn een afschrift van zijn beslissing aan de gemeenteraad, aan de provinciegouverneur en aan de externe auditcommissie. De beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn is slechts uitvoerbaar zodra de toezichtstermijn, vermeld in artikelen 257 en 258, is verstreken. § 3. In afwijking van § 1 kunnen de opeisbare schulden door de personen, bepaald door de Vlaamse Regering, en in de gevallen en onder de voorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, in mindering worden gebracht van de rekeningen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK V. - Boekhouding, financiële rapportering en kascontrole Art. 166.Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voert een voor de aard en de omvang van zijn activiteiten passende boekhouding, volgens de methode van het dubbel boekhouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 167</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per jaar aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Dat rapport omvat minstens een overzicht van de thesaurietoestand, de liquiditeitenprognose, de beheerscontrole, alsook de evolutie van de budgetten. De financieel beheerder stelt tegelijkertijd een afschrift ter beschikking aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de externe auditcommissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De financieel beheerder rapporteert in volle onafhankelijkheid minstens eenmaal per jaar aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de uitvoering van zijn taak van voorafgaande controle van de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenissen Hij stelt tegelijkertijd een afschrift van dat rapport ter beschikking aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de externe auditcommissie. Art. 169.Met toepassing van artikel 161, § 2, rapporteren het vast bureau, het bijzonder comité en de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn minstens eenmaal per jaar aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de uitvoering van het budgethouderschap. Ze rapporteren tegelijk over de uitvoering van het budgethouderschap door de door hen met het budgethouderschap belaste personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het vast bureau, de bijzondere comités en de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met budgethouderschap belaste personeelsleden, rapporteren minstens eenmaal per jaar aan het vast bureau, de bijzondere comités en de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn over de uitvoering van hun budgethouderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met toepassing van artikel 161, § 3, rapporteren het vast bureau, het bijzonder comité en het met budgethouderschap belaste personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn minstens eenmaal per jaar aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de uitvoering van het budgethouderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie heeft toegang tot de rapporten, vermeld in dit artikel Art. 170.§ 1. Minstens eenmaal per jaar verifieert de externe auditcommissie de kas van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin haar opmerkingen, alsmede die van de personen, vermeld in het eerste lid, worden vermeld. Het proces-verbaal wordt ondertekend door een lid van de externe auditcommissie en door de personen, vermeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie bezorgt het proces-verbaal aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie stelt een aanvullend rapport op van de verificatie als een tekort werd vastgesteld dat te wijten is aan onregelmatigheden. Dat rapport bevat aanbevelingen betreffende de vereffening daarvan. Het rapport wordt uiterlijk tien dagen na de verificatie en tegelijkertijd met het proces-verbaal bezorgd aan de provinciegouverneur, de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165. § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn wijst een personeelslid aan dat belast wordt met de verificatie van de kas van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, in geval van een overschot of een tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies. Het betrokken personeelslid kan de aan hem gedelegeerde bevoegdheid niet weigeren als zijn functieomschrijving erin voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het interne controlesysteem bepaalt de gevallen waarin het personeelslid, aangewezen door de raad voor maatschappelijk welzijn, moet overgaan tot verificatie van de kas van de rekenplichtigen, bedoeld in artikel 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van zijn bevindingen wordt een proces-verbaal gemaakt dat aan de raad voor maatschappelijk welzijn, de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan het betrokken personeelslid en, in geval van onregelmatigheden, aan de provinciegouverneur wordt bezorgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat proces-verbaal wordt zowel door het verantwoordelijke personeelslid als door het personeelslid, aangewezen door de raad voor maatschappelijk welzijn, ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het personeelslid aangewezen door de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgt, in geval van onregelmatigheden, een afschrift van het proces-verbaal aan de externe auditcommissie. De externe auditcommissie stelt, in geval van onregelmatigheden, een aanvullend rapport op, met onder meer de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de betrokken rekenplichtige heeft genomen, en de aanbevelingen betreffende de vereffening van het tekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvullende rapport wordt uiterlijk tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal samen met dat proces-verbaal bezorgd aan de provinciegouverneur, de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de betrokken rekenplichtigen, vermeld in artikel 165. § 3. Als verificatie uitwijst dat het kastekort te wijten is aan onregelmatigheden, dan deelt de raad voor maatschappelijk welzijn binnen dertig dagen na de ontvangst van het proces-verbaal en het aanvullende rapport van de externe auditcommissie aan de provinciegouverneur zijn advies mee betreffende de mate waarin de betrokken rekenplichtige voor het tekort aansprakelijk gesteld moet worden en, in voorkomend geval, hoeveel het tekort bedraagt dat moet worden vereffend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegouverneur neemt een beslissing na kennisname van het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn, het proces-verbaal en het aanvullende rapport van de externe auditcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene wordt onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de provinciegouverneur. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten. Een afschrift van de beslissing van de provinciegouverneur wordt onverwijld bezorgd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 4. Binnen zestig dagen na die kennisgeving kan de betrokkene beroep instellen bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokken rekenplichtige en bepaalt het bedrag dat hem ten laste wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs als daartegen een beroep is ingesteld bij de Raad van State. Die beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep. § 5. Als het voor de rekenplichtige, vermeld in artikel 165, onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, daarbij opmerkingen te maken en het proces-verbaal van verificatie te ondertekenen, vermeld in § 1 en § 2, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. Art. 171.§ 1. Als het ambt van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel beheerder of de opdracht van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, een einde neemt, controleert de externe auditcommissie de juistheid en volledigheid van de boekhouding en wijst op ieder tekort. Ze brengt daarover verslag uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin haar opmerkingen en, in voorkomend geval, die van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van de financieel beheerder en van de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, of, in geval van overlijden, van hun erfgenamen worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal wordt, naargelang van het geval, ondertekend door een lid van de externe auditcommissie, door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel beheerder en door de rekenplichtigen of, in geval van overlijden, hun erfgenamen als die aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie bezorgt het proces-verbaal aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan de financieel beheerder en aan de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, of hun erfgenamen. § 2. De externe auditcommissie stelt een aanvullend rapport op van de verificatie als een onjuistheid of onvolledigheid werd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat rapport omvat aanbevelingen betreffende de vereffening daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport wordt uiterlijk dertig dagen na de verificatie en tegelijkertijd met het proces-verbaal bezorgd aan de provinciegouverneur, de raad voor maatschappelijk welzijn, de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel beheerder en aan de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, of aan hun erfgenamen. § 3. Als er onjuistheden of onvolledigheden werden vastgesteld, deelt de raad voor maatschappelijk welzijn binnen dertig dagen na de ontvangst van het proces-verbaal en het rapport van de externe auditcommissie aan de provinciegouverneur zijn advies mee betreffende de mate waarin de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel beheerder, of de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, aansprakelijk gesteld moeten worden voor de vastgestelde onregelmatigheden. In voorkomend geval wordt aangegeven welk bedrag in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn moet worden gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciegouverneur neemt een beslissing, na de kennisname van het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn, het proces-verbaal en het aanvullende rapport van de externe auditcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene of zijn erfgenamen, in geval van overlijden, als die bekend zijn, worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de provinciegouverneur. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten. Een afschrift van de beslissing van de provinciegouverneur wordt onverwijld bezorgd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 4. Als een van de personeelsleden, vermeld in § 1, of hun rechtverkrijgenden wordt verzocht een tekort te vereffenen, dan is artikel 170, § 4, van overeenkomstige toepassing. § 5. Als het voor de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de rekenplichtige, vermeld in artikel 165, of de financieel beheerder onmogelijk is om aanwezig te zijn bij de verificatie, daarbij opmerkingen te maken en het proces-verbaal van verificatie te ondertekenen, vermeld in § 1, kan hij zich daartoe laten vertegenwoordigen. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afwezigheid of verhindering die aanleiding geeft tot vervanging door de raad voor maatschappelijk welzijn, door het vast bureau of door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 80, met uitzondering van § 2, derde lid, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de financieel beheerder. § 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de waarnemend secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de waarnemend financieel beheerder, vermeld in artikel 80, met uitzondering van § 2, derde lid, als de vervanging een einde neemt. HOOFDSTUK VI. - Inventaris, jaarrekening en kwijting Art. 172.Onder leiding van de financieel beheerder en in overleg met het managementteam worden uiterlijk op 31 december van ieder jaar de nodige opnemingen, verificaties, opzoekingen en waarderingen gedaan om de inventaris op te maken van al de bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van welke aard ook.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 173</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering bepaalt de boekhoudkundige entiteiten die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden geconsolideerd en de wijze waarop ze worden geconsolideerd. § 2. De externe auditcommissie controleert of het ontwerp van de jaarrekening juist en volledig is, of het een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en of de erin opgenomen opbrengsten, kosten, ontvangsten en uitgaven wettelijk en regelmatig zijn. De externe auditcommissie rapporteert over haar bevindingen in een verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze deelt dat verslag mee aan de raad voor maatschappelijk welzijn binnen dertig dagen nadat het ontwerp van de jaarrekening haar voor controle werd bezorgd. Art. 174.§ 1. Na de kennisname van het verslag van de externe auditcommissie over het ontwerp van de jaarrekening spreekt de raad voor maatschappelijk welzijn zich in de loop van het eerste semester van het financiële boekjaar dat volgt op het financiële boekjaar waarop de rekening betrekking heeft, uit over de vaststelling van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde verrichtingen verworpen heeft, formuleert hij een advies over de aansprakelijkheid van de bij die verrichtingen betrokken actoren. Dat advies wordt als bijlage bij de jaarrekening gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn over de jaarrekening beraadslaagt, brengt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn verslag uit over de financiële toestand, over het gevoerde beleid en beheer tijdens het voorafgaande financiële boekjaar en over de uitvoering van het budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de provinciegouverneur en de externe auditcommissie. § 2. Een afschrift van de vastgestelde jaarrekening en het auditverslag wordt bezorgd aan de gemeenteraad, die binnen vijftig dagen na de overzending zijn opmerkingen ter kennis kan brengen van de provinciegouverneur. Art. 175.Op de stemming door de raad voor maatschappelijk welzijn over de jaarrekening, is artikel 149, § 3, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp van de jaarrekening wordt op zijn minst veertien dagen voor de vergadering waarop het wordt besproken, aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd. Art. 176.§ 1. Na de ontvangst van het afschrift van de jaarrekening, overeenkomstig artikel 174, § 1, vierde lid, rapporteert de externe auditcommissie binnen dertig dagen aan de provinciegouverneur over de door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde rekening ingeval de externe auditcommissie of de raad voor maatschappelijk welzijn van mening is dat een bepaalde persoon of bepaalde personen aansprakelijk zijn. Als de raad voor maatschappelijk welzijn geen rekening gehouden heeft met de bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, wordt dat door de externe auditcommissie expliciet vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe auditcommissie bezorgt een afschrift van dat rapport aan de raad voor maatschappelijk welzijn. § 2. Als de gemeenteraad geen opmerkingen heeft gemaakt binnen vijftig dagen en als de raad voor maatschappelijk welzijn geen verrichtingen verworpen heeft en de externe auditcommissie er in haar rapport als vermeld in § 1, geen melding van maakt dat de raad voor maatschappelijk welzijn met de bevindingen van de externe auditcommissie geen rekening heeft gehouden of als de externe auditcommissie niet binnen de termijn, vermeld in § 1, een verslag aan de provinciegouverneur heeft bezorgd, is de vaststelling van de jaarrekening door de raad voor maatschappelijk welzijn definitief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitieve vaststelling van de jaarrekening door de raad voor maatschappelijk welzijn houdt van rechtswege kwijting in van het beheer van de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de financieel beheerder, de rekenplichtigen, vermeld in artikel 165, en de budgethouders, voor zover de ware toestand niet werd verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening. § 3. Als de gemeenteraad opmerkingen heeft gemaakt binnen vijftig dagen, als de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde verrichtingen verworpen heeft of als de externe auditcommissie er in haar rapport als vermeld in § 1, melding van maakt dat de raad voor maatschappelijk welzijn geen rekening heeft gehouden met de bevindingen van de externe auditcommissie over de aansprakelijkheden voor onregelmatigheden of tekorten, beslist de provinciegouverneur over de aansprakelijkheid van de bij de betwiste verrichtingen betrokken actoren en beslist hij over de kwijting. Hij brengt, in voorkomend geval, de nodige wijzigingen aan in de jaarrekening en stelt de rekening definitief vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de provinciegouverneur zich niet uitgesproken heeft binnen honderd dagen na de ontvangst van de jaarrekening, wordt hij geacht de vaststelling van de jaarrekening door de raad voor maatschappelijk welzijn te bevestigen en, in voorkomend geval, wordt hij geacht aangaande de aansprakelijkheid van de bij verworpen verrichtingen betrokken actoren te hebben beslist overeenkomstig het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn. § 4. De betrokkenen worden onverwijld met een aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing van de provinciegouverneur. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in geval van toepassing van § 3, tweede lid, wordt onverwijld een afschrift van de beslissing van de provinciegouverneur bezorgd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, aan de Vlaamse Regering en aan de gemeente. § 5. Degenen aan wie kwijting is geweigerd, degenen die aansprakelijk worden gesteld, de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de Vlaamse Regering kunnen binnen zestig dagen na die kennisgeving beroep instellen bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, tegen de beslissingen van de provinciegouverneur, vermeld in § 3. Dat beroep heeft schorsende werking. Het rechtscollege doet uitspraak over de aansprakelijkheid van de betrokkene en bepaalt het bedrag dat hem ten laste wordt gelegd of verleent definitief kwijting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verwerping van bepaalde verrichtingen aanleiding heeft gegeven tot de definitieve afwijzing van bepaalde uitgaven, kan degene die beroep heeft ingesteld de personen die hij aansprakelijk of medeaansprakelijk acht, ter verantwoording roepen in het geding voor het rechtscollege om de beslissing van het rechtscollege voor hen bindend en tegenstelbaar te horen verklaren. In dat geval doet het rechtscollege mee uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van het rechtscollege is uitvoerbaar, zelfs als daartegen beroep is ingesteld bij de Raad van State. Die beslissing kan echter pas ten uitvoer worden gelegd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van dat beroep. HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht Art. 177.§ 1. Met behoud van de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot schorsing en vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang overeenkomstig artikelen 254 tot en met 263, schorst de provinciegouverneur binnen de termijnen, vermeld in artikel 258, de uitvoering van het meerjarenplan en de beslissing tot wijziging ervan als : 1° niet afdoende of slechts op basis van fictieve gegevens aangetoond wordt dat het financiële evenwicht gevrijwaard blijft in de financiële boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;2° bekende of verwachte opbrengsten of ontvangsten, of verplichte kosten of uitgaven, die krachtens de wet of het decreet gedurende de periode waarop het meerjarenplan betrekking heeft ten gunste of ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn komen, geheel of gedeeltelijk niet in het meerjarenplan worden opgenomen;3° bepaalde opbrengsten of ontvangsten die de raad voor maatschappelijk welzijn op het meerjarenplan heeft gebracht, geheel of gedeeltelijk niet aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toekomen of als het meerjarenplan in bepaalde kosten of uitgaven voorziet die strijdig zijn met het recht;4° het meerjarenplan niet of slechts gedeeltelijk rekening houdt met eerder vastgestelde investeringsenveloppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de redenen die aanleiding geven tot de schorsing het evenwicht van het meerjarenplan niet in gevaar brengen, kan de schorsing beperkt worden tot een of meer onderdelen van het meerjarenplan.</p></div>", "next": 238747}