{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De bewaarder vergewist zich ervan dat : 1° de transacties met betrekking tot de activa van de instelling voor collectieve belegging, tijdig worden vereffend;2° de activa in bewaring overeenstemmen met de activa vermeld in de boekhouding van de instelling voor collectieve belegging;3° het aantal rechten van deelneming in omloop vermeld in zijn boekhouding overeenstemt met het aantal rechten van deelneming in omloop zoals vermeld in de boekhouding van de instelling voor collectieve belegging.4° de verkoop, de uitgifte, de inkoop, de terugbetaling en de intrekking van rechten van deelneming voor rekening van de instelling voor collectieve belegging overeenkomstig de wet, de uitvoeringsbesluiten,het beheerreglement of de statuten en het prospectus geschieden;5° de netto-inventariswaarde van de rechten van deelneming wordt berekend overeenkomstig de wet, de uitvoeringsbesluiten, het beheerreglement of de statuten en het prospectus;6° de beleggingsbeperkingen bepaald in de wet, de uitvoeringsbesluiten,het beheerreglement of de statuten en het prospectus worden gerespecteerd;7° de regels inzake provisies en kosten bepaald in de wet, de uitvoeringsbesluiten,het beheerreglement of de statuten en het prospectus worden gerespecteerd;8° de opbrengsten van de instelling voor collectieve belegging een bestemming krijgen en worden uitbetaald overeenkomstig de wet, de uitvoeringsbesluiten,het beheerreglement of de statuten en het prospectus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opdracht van de bewaarder kan slechts worden beëindigd wanneer de CBFA haar goedkeuring heeft verleend aan de vervanging van de bewaarder of wanneer de instelling voor collectieve belegging niet langer op de lijst is ingeschreven overeenkomstig artikel 31 van de wet. Afdeling II. - Prospectus over het openbaar aanbod van effecten en stukken met betrekking tot het openbaar aanbod van effecten Onderafdeling I. - Prospectus en vereenvoudigd prospectus Art. 11.Het prospectus bevat ten minste de gegevens die in de bij dit besluit gevoegde bijlage A, zijn opgenomen, voor zover deze informatie niet voorkomt in de stukken die overeenkomstig het derde lid bij het prospectus worden gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging compartimenten heeft, wordt het prospectus opgesteld per compartiment. In dit geval worden de bepalingen inzake de informatieverstrekking over de instelling voor collectieve belegging of de beleggingsvennootschap, voor zover mogelijk, toegepast op het betrokken compartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheerreglement of de statuten worden bij het prospectus gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens in het prospectus, die worden berekend op basis van gegevens die zijn opgenomen in het jaarverslag, worden binnen een maand na de publicatie van het jaarverslag bijgewerkt. Art. 12.Het vereenvoudigd prospectus bevat in beknopte vorm ten minste de gegevens die in de bij dit besluit gevoegde bijlage B, zijn opgenomen. Het vereenvoudigd prospectus kan als verwijderbare bijlage aan het prospectus worden gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging compartimenten heeft, wordt het vereenvoudigd prospectus opgesteld per compartiment. In dit geval worden de bepalingen inzake de informatieverstrekking over de instelling voor collectieve belegging of de beleggingsvennootschap, voor zover mogelijk, toegepast op het betrokken compartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens in het vereenvoudigd prospectus, die worden berekend op basis van gegevens die zijn opgenomen in het jaarverslag, worden binnen een maand na de publicatie van het jaarverslag bijgewerkt. Art. 13.Het vereenvoudigd prospectus moet vóór de sluiting van de overeenkomst kosteloos aan de inschrijver worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek moet de inschrijver het prospectus, het beheerreglement of de statuten alsmede het laatst gepubliceerde jaar- en halfjaarlijks verslag vóór de sluiting van de overeenkomst kosteloos kunnen verkrijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van de wet en van dit besluit, kunnen de volgende bijwerkingen aan het prospectus en/of het vereenvoudigd prospectus worden gepubliceerd zonder voorafgaande goedkeuring door de CBFA : 1° wijziging van de statutaire zetel en/of hoofdkantoor van de beheervennootschap of de beleggingsvennootschap binnen België;2° wijziging van de naam en/of het adres van de tussenpersonen die bij de werking van de instelling voor collectieve belegging zijn betrokken;3° wijziging van de gegevens over de niet-uitvoerende bestuurders van de beheervennootschap of de beleggingsvennootschap;4° voor de instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 46, § 3, tweede lid, of artikel 53, wijziging, overeenkomstig vooraf in het prospectus beschreven modaliteiten, van de samenstelling van de korf van waarden, onderliggend aan het instrument dat de instelling voor collectieve belegging hanteert om op vervaldag een bepaald rendement te verkrijgen;5° vermindering van de aan de deelnemers of aan de instelling voor collectieve belegging aangerekende provisies en kosten;6° wijziging van de frequentie waarmee provisies en kosten worden berekend en ingehouden;7° verhoging van de frequentie van uitvoering van aanvragen tot uitgifte of inkoop van rechten van deelneming dan wel compartimentwijziging en van de berekening van de netto-inventariswaarde van de rechten van deelneming;8° aanpassing van de gegevens die voortvloeien uit de schrapping van de rechten van deelneming, die waren toegelaten tot de verhandeling op een georganiseerde markt;9° wijziging van de synthetische risico-indicator;10° jaarlijkse actualisatie van de cijfergegevens die worden berekend op basis van informatie die is opgenomen in het jaarverslag en inzonderheid het historisch rendement en het totale kostenpercentage;11° aanpassing van verwijzingen naar de toepasselijke wetgeving;12° wijziging van het fiscaal regime toepasselijk op de deelnemers en/of de instelling voor collectieve belegging;13° niet wezenlijke wijzigingen van het beleggingsbeleid die voortvloeien uit de evolutie van de financiële markten, voor zover deze wijzigingen worden doorgevoerd vóór de aanvang van de initiële inschrijvingsperiode; 14° wijziging van de gegevens opgenomen in het prospectus overeenkomstig de punten I.2.3. en I. 3.3. van de bij dit besluit gevoegde bijlage A Onderafdeling II. - Berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging Art. 15.De bepalingen van onderhavige onderafdeling betreffen berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging, ongeacht het medium volgens het welke ze worden verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin kan de CBFA afwijkingen van de bepalingen van onderhavige onderafdeling toestaan in functie van het gebruikte medium. Art. 16.Belegt de instelling voor collectieve belegging voornamelijk in één van de categorieën activa, bedoeld in de artikelen 32, § 1, en 45, § 1, met uitzondering van effecten en geldmarktinstrumenten, of volgt zij een index van aandelen of obligaties overeenkomstig de artikelen 37 of 50, dan vestigen de berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van deze instelling voor collectieve belegging, op opvallende wijze de aandacht op dit beleggingsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de netto-inventariswaarde van de rechten van deelneming van de instelling voor collectieve belegging als gevolg van de samenstelling van de portefeuille of de beheertechnieken die gebruikt mogen worden, vermoedelijk een hoge volatiliteit zal hebben, wordt dat kenmerk van de instelling voor collectieve belegging op opvallende wijze vermeld in de berichten, reclame en andere stukken bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen voor collectieve belegging, bedoeld in de artikelen 38 en 51 voegen in alle berichten, reclame en andere stukken bedoeld in het eerste lid een zin in op een opvallende plaats, waarin de aandacht wordt gevestigd op de toelating bedoeld in de vermelde artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zij meer dan 35 % van hun activa gaan beleggen of hebben belegd in de effecten en geldmarktinstrumenten van bepaalde Staten, plaatselijke besturen en internationale publiekrechtelijke instellingen, vermelden zij in de berichten, reclame en andere stukken bedoeld in het eerste lid de betrokken Staten, plaatselijke besturen en internationale publiekrechtelijke instellingen. Art. 17.Alle berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging geven de informatie op een correcte en niet-misleidende manier weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk ontwerp van bericht, reclame of een ander stuk dat betrekking heeft op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging, moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de CBFA, in de vorm waarin het in het publiek zal worden verspreid. Art. 18.Alle berichten, reclame en andere stukken die specifiek betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging worden in naam en voor rekening van de instelling voor collectieve belegging opgesteld. Elke verwarring met de financiële groep die optreedt als promotor van de instelling voor collectieve belegging, met de beheervennootschap of een andere financiële bemiddelaar die beheertaken uitoefent voor instellingen voor collectieve belegging, moet worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berichten, reclame of andere stukken die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging, doch die niet zijn opgesteld in naam en voor rekening van de instelling voor collectieve belegging, maken geen melding van de individuele kenmerken van de betrokken instelling voor collectieve belegging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een instelling voor collectieve belegging vermeldt in de berichten, reclame of andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming enkel het bestaan van een aandelenklasse met dekking van het wisselkoersrisico, indien de dekking betrekking heeft op 100 % van de waarde van de activa in portefeuille</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van artikel 16, bevatten alle berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging minstens de volgende informatie : 1° de naam, de rechtsvorm en de nationaliteit van de instelling voor collectieve belegging;2° een korte aanduiding van het beleggingsbeleid;3° een verwijzing naar het prospectus, het vereenvoudigd prospectus en de laatste periodieke verslagen, alsook een aanduiding van de plaats waar deze documenten voor het publiek kosteloos verkrijgbaar worden gesteld of de wijze waarop zij voor het publiek toegankelijk zijn;4° de identiteit van de in artikel 73, § 2 van de wet bedoelde onderneming;5° de niet-recurrente kosten ten laste van de belegger;6° de roerende voorheffing van toepassing op de distributieaandelen;7° in voorkomend geval, het vereiste minimumbedrag bij de inschrijving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle informatie die is opgenomen in de berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging stemt overeen met de gegevens van het prospectus of van het laatste periodieke verslag of is minstens op dezelfde basis opgesteld; indien die informatie in latere berichten, reclame en andere stukken herhaald wordt, moet ze op een coherente manier worden weergegeven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging rendementen, het totale-kostenpercentage of een risico-indicator hernemen, worden deze gegevens vastgesteld overeenkomstig de preciseringen vervat in de bij dit besluit gevoegde bijlage C</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien in een bericht, reclame of een ander stuk dat betrekking heeft op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging een prijs, verkregen door de instelling voor collectieve belegging, wordt vermeld, bevat het bericht, de reclame of het stuk de volgende gegevens : de naam van de instelling die aan de rangschikking ten grondslag ligt, de schaal van de rangschikking, de datum van de bekendmaking, de plaats waar de bekendmaking gebeurde, de categorie van instellingen voor collectieve belegging die voor de prijs in aanmerking kwamen en het aantal instellingen voor collectieve belegging dat tot deze categorie behoort Indien de rangschikking wordt uitgedrukt aan de hand van symbolen, legt het bericht, de reclame of het andere stuk bedoeld in het vorige lid de betekenis van deze symbolen uit of bevatten ze een verwijzing naar een internetsite waarop deze informatie te vinden is, mits deze informatie ook bij de in artikel 73, § 2, van de wet bedoelde onderneming beschikbaar is. § 2. Indien in een bericht, reclame of een ander stuk dat betrekking heeft op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging, een rating wordt vermeld die door een ratingbureau aan de instelling voor collectieve belegging werd toegekend, bevat het bericht, de reclame of het stuk de ratingschaal en de betekenis van deze rating of wordt er verwezen naar een internetsite waarop deze informatie te vinden is, mits deze informatie ook bij de in artikel 73, § 2, van de wet bedoelde onderneming beschikbaar is. Art. 24.De berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 68, moet het bedrag per recht van deelneming waarop de garantie of kapitaalbescherming betrekking heeft, worden vermeld. Bovendien moet er worden verduidelijkt dat dit bedrag de provisies en kosten niet dekt die bij de inschrijving en de inkoop betaald worden of verschuldigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een kapitaalgarantie op de vervaldag wordt de identiteit van diegene die de waarborg verleent, vermeld. Art. 25.De berichten, reclame en andere stukken die zowel betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging als op een openbaar aanbod van andere financiële producten, maken vormelijk en inhoudelijk een duidelijk onderscheid tussen de rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging en de andere financiële producten. Art. 26.De berichten, reclame en andere stukken die betrekking hebben op een openbaar aanbod van rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 46, § 3, tweede lid, of artikel 53, verwijzen naar het (vereenvoudigd) prospectus waarin, op basis van drie passende hypotheses, een indicatie wordt gegeven van de impact van de evolutie van de waarde van de onderliggende activa van het instrument waarmee de instelling voor collectieve belegging een bepaald rendement beoogt te verwezenlijken op de vervaldag. HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening Afdeling I. - Beleggingsbeleid Onderafdeling I. - Algemeen Art. 27.Wanneer een beleggingsvennootschap verschillende compartimenten heeft, gelden de bepalingen van deze afdeling alsmede de artikelen 68 en 69 voor ieder van deze compartimenten. Art. 28.De beleggingen van een instelling voor collectieve belegging dienen te stroken met haar doel en haar beleggingsbeleid, zoals uiteengezet in het prospectus en het vereenvoudigd prospectus. Art. 29.Wanneer een effect of een geldmarktinstrument een derivaat omvat, dient dit derivaat te voldoen aan de bepalingen van artikel 32, § 1, 8°, of artikel 45, § 1, 8°. Art. 30.Een instelling voor collectieve belegging mag geen edele metalen of grondstoffen, noch financiële instrumenten die dergelijke metalen of grondstoffen vertegenwoordigen, verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Instellingen voor collectieve belegging die beantwoorden aan de voorwaarden van de Richtlijn 85/611/EEG Art. 31.De bepalingen van deze Onderafdeling gelden voor de instellingen voor collectieve belegging die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen, bedoeld bij artikel 7, eerste lid, 1°, van de wet. Art. 32.§ 1. De beleggingen van een instelling voor collectieve belegging bestaan uitsluitend uit : 1° effecten en geldmarktinstrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten;2° effecten en geldmarktinstrumenten die worden verhandeld op een andere secundaire markt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, mits deze markt gereglementeerd, regelmatig functionerend, erkend en open is en mits de keuze van deze markt voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;3° effecten en geldmarktinstrumenten die worden verhandeld a) hetzij op een markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte en die met betrekking tot deze markt gelijkwaardige bepalingen toepast als deze die zijn vastgesteld in de Richtlijn 2001/34/EG en mits de keuze van deze markt voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;b) hetzij op een andere secundaire markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, mits deze markt gereglementeerd, regelmatig functionerend, erkend en open is en mits de keuze van deze markt voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;4° nieuw uitgegeven effecten, onder voorbehoud dat : a) de emissievoorwaarden de verplichting inhouden dat toelating wordt aangevraagd tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten, een markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte en die met betrekking tot deze markt gelijkwaardige bepalingen toepast als deze die zijn vastgesteld in de Richtlijn 2001/34/EG of een andere secundaire markt, die gereglementeerd, regelmatig functionerend, erkend en open is, mits de keuze van deze markten voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;b) de toelating uiterlijk binnen een jaar na de uitgifte wordt verkregen;5° rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die beantwoorden aan de Richtlijn 85/611/EEG, mits deze instellingen voor collectieve belegging, volgens hun beheerreglement of statuten, maximaal 10 % van hun activa mogen beleggen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging;6° rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, die niet beantwoorden aan de Richtlijn 85/611/EEG, ongeacht of die al dan niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, mits : a) deze instellingen voor collectieve belegging uitsluitend de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken financieringsmiddelen in effecten of in andere in dit artikel bedoelde liquide financiële activa, met toepassing van het beginsel van risicospreiding, als doel hebben;b) de rechten van deelneming in deze instellingen voor collectieve belegging op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen voor collectieve belegging direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt ieder handelen van de instelling voor collectieve belegging om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde, gelijkgesteld; c) deze instellingen voor collectieve belegging zijn toegelaten overeenkomstig wetten waardoor zij worden onderworpen aan toezicht dat, naar het oordeel van de CBFA, gelijkwaardig is aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet, en mits de samenwerking tussen de autoriteiten genoegzaam is gewaarborgd;d) het niveau van bescherming van de deelnemers in deze instellingen voor collectieve belegging gelijkwaardig is aan dat van deelnemers in een instelling voor collectieve belegging die beantwoordt aan de Richtlijn 85/611/EEG.In het bijzonder zijn de regels inzake scheiding van de activa, opnemen en verstrekken van leningen en verkopen van effecten en geldmarktinstrumenten vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig aan de voorschriften van de Richtlijn 85/611/EEG; e) over de activiteiten van deze instellingen voor collectieve belegging halfjaarlijks en jaarlijks wordt gerapporteerd, zodat een evaluatie kan worden gemaakt van activa en passiva, inkomsten en bedrijfsvoering tijdens de verslagperiode;f) deze instellingen voor collectieve belegging volgens hun beheerreglement of statuten in totaal maximaal 10 % van hun eigen activa mogen beleggen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging;7° deposito's bij kredietinstellingen die onmiddellijk opeisbaar zijn of kunnen worden opgevraagd, en die binnen een periode van ten hoogste twaalf maanden vervallen, mits : a) de statutaire zetel van de kredietinstelling in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is;of, b) indien de statutaire zetel van de kredietinstelling niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen is, deze instelling onderworpen is aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld;8° financiële derivaten, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten, die op een onder 1°, 2°, of 3°, bedoelde markt worden verhandeld of OTC-derivaten, mits : a) de onderliggende activa bestaan uit onder deze paragraaf vallende instrumenten of één of meer essentiële en gelijkaardige elementen van deze instrumenten, financiële indexen, rentetarieven, wisselkoersen of valuta's, waarin de instelling voor collectieve belegging gemachtigd is te beleggen krachtens de beleggingsdoelstellingen omschreven in haar beheerreglement of statuten;b) de wederpartijen bij transacties in OTC-derivaten instellingen zijn die aan prudentieel toezicht zijn onderworpen en behoren tot de één van volgende categorieën : (i) kredietinstellingen waarvan de statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is;of, (ii) beursvennootschappen bedoeld in boek II, titel II, van de</p>\n<p class=\"lf-p\">wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/04/1995 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten; of, (iii) beleggingsondernemingen waarvan de statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is; of, (iv) kredietinstellingen waarvan de statutaire zetel niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen is, voor zover deze instellingen onderworpen zijn aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; of, (v) ondernemingen waarvan de statutaire zetel niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen is, voor zover deze ondernemingen onderworpen zijn aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld voor beleggingsondernemingen;c) de OTC-derivaten onderworpen zijn aan een betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering en te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer op initiatief van de instelling voor collectieve belegging kunnen worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie;9° geldmarktinstrumenten, die niet op een markt bedoeld in 1°, 2° of 3°, worden verhandeld, op voorwaarde dat : a) de emissie of de emittent van deze instrumenten zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden;en b) deze instrumenten (i) worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een staat die geen lidstaat van de Europese Economische Ruimte is of, bij een federale staat, door een van de deelstaten van de federatie, dan wel door een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen;of (ii) worden uitgegeven door ondernemingen waarvan effecten worden verhandeld op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten of een markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte en die met betrekking tot deze markt gelijkwaardige bepalingen toepast als deze die zijn vastgesteld in de Richtlijn 2001/34/EG;of (iii) worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die aan bedrijfseconomisch toezicht is onderworpen volgens criteria die door het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, of door een instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; (iv) worden uitgegeven door andere instellingen die behoren tot de categorieën die door de CBFA zijn goedgekeurd, mits voor de beleggingen in die instrumenten een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in (i), (ii) en (iii) en mits de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves ten minste 10 miljoen EUR bedragen en die haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig Richtlijn 78/660/EEG, een lichaam is dat binnen een groep ondernemingen waartoe een of meer ter beurze genoteerde ondernemingen behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een lichaam is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin mag een instelling voor collectieve belegging ten hoogste 10 % van haar activa beleggen in andere effecten en geldmarktinstrumenten dan de in § 1 bedoelde effecten of geldmarktinstrumenten. § 3. Een instelling voor collectieve belegging mag accessoir liquide middelen houden. § 4. Een beleggingsvennootschap mag steeds alle roerende en onroerende goederen verwerven die rechtsreeks noodzakelijk zijn voor haar bedrijfsuitoefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de beleggingsvennootschap een vastgoed bezit of verwerft, moet het overeenstemmende gedeelte van het kapitaal steeds worden gehouden door haar oprichters of de door hen aangewezen personen. Art. 33.§ 1. Het totale risico (maximum exposure) van een instelling voor collectieve belegging dat betrekking heeft op derivaten is beperkt tot 100 % van de netto-waarde van de activa. Voor de berekening van het totale risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder totaal risico (maximum exposure) : het hoogste tussen het resultaat van het hefboomeffect dat derivaten voor de portefeuille van de instelling voor collectieve belegging inhouden en het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging zou lijden in geval van negatieve evolutie van de markten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van het hefboomeffect (leverage) wordt de verhouding tussen de variaties van de reële waarde van de derivaten en de variaties van de reële waarde van de onderliggende activa bepaald, rekening houdend met de bijdrage van deze onderliggende activa aan het risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging. § 2. Voor de berekening van het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging zou lijden in geval van negatieve evolutie van de markten, kan de commitment approach worden gebruikt, indien deze methode, gelet op het beperkte en eenvoudige risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging, toelaat om dit verlies behoorlijk in te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de berekening overeenkomstig de commitment approach wordt onder meer rekening gehouden met de aard, het doel, het aantal en de frequentie van de door de instelling voor collectieve belegging aangegane contracten en de gehanteerde beheertechnieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen wordt het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging lijdt in geval van negatieve evolutie van de markten, berekend volgens een door de CBFA aanvaarde value-at-risk approach of een door de CBFA aanvaard intern risicometingsmodel, aangevuld met evaluaties die de impact nagaan van extreme omstandigheden van economische of financiële aard die de markt verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder « commitment approach » : de benadering waarbij de posities in derivaten van een instelling voor collectieve belegging worden omgezet in de equivalente positie in de onderliggende activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder « value-at-risk approach » : de benadering waarbij het mogelijk verlies wordt berekend dat een instelling voor collectieve belegging zou ondergaan binnen een aanhoudingsperiode van één maand en rekening houdend met een vertrouwensinterval van 99 %, gebaseerd op gegevens die niet ouder zijn dan één jaar. De CBFA kan, in functie van de specifieke kenmerken van de gehanteerde berekeningsmethode, afwijkingen toestaan op de in aanmerking te nemen aanhoudingsperiode en het vereiste vertrouwensinterval. § 3. Een instelling voor collectieve belegging mag, in het kader van haar beleggingsbeleid en binnen de in artikel 34 gestelde begrenzingen, beleggen in financiële derivaten mits het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal de beleggingsbegrenzingen, gesteld in artikel 34 niet overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging belegt in derivaten die gebaseerd zijn op een index die beantwoordt aan artikel 34 en die erkend is door de CBFA overeenkomstig artikel 37, § 1, moeten die beleggingen niet worden samengeteld voor de toepassing van de bovengrenzen, bepaald in artikel 34. § 4. Wanneer een effect of een geldmarktinstrument een derivaat omvat, wordt dat derivaat in aanmerking genomen voor de naleving van de in dit artikel gestelde eisen. Art. 34.§ 1. Een instelling voor collectieve belegging belegt maximaal 10 % van haar activa in effecten of geldmarktinstrumenten, die door eenzelfde emittent worden uitgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een instelling voor collectieve belegging belegt maximaal 20 % van haar activa in deposito's bij één en dezelfde instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegenpartijrisico van de instelling voor collectieve belegging bij een transactie met derivaten bedraagt maximaal : 1° wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is zoals bedoeld in artikel 32, § 1, 7° : 10 % van haar activa;of 2° in de overige gevallen : 5 % van haar activa. De beleggingslimieten omschreven in het derde lid zijn niet toepasselijk indien de derivaten worden genoteerd op een markt, bedoeld bij artikel 32, § 1, 1°, 2°, en 3°, voor zover een verrekeningsinstelling, die kan bogen op een passende honoreringsgarantie, tussenkomt en een dagelijkse marktwaardering van de derivatenposities tegen waarde evenals een dagelijkse vaststelling van de marginverplichtingen plaats vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het derde lid verstaat men onder het tegenpartijrisico van de instelling voor collectieve belegging bij een transactie in derivaten : het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging zou lijden in geval de tegenpartij in gebreke blijft, berekend overeenkomstig de methode vervat in de Richtlijn 2000/12/EG. § 2. De totale waarde van de effecten en geldmarktinstrumenten van emittenten waarin de instelling voor collectieve belegging voor meer dan 5 % van haar activa belegt, bedraagt maximaal 40 % van haar activa. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito's en transacties met OTC-derivaten met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de in § 1 bepaalde individuele begrenzingen, belegt een instelling voor collectieve belegging met betrekking tot één en dezelfde instelling maximaal 20 % van haar activa in een combinatie van : 1° effecten of geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door die instelling;2° deposito's bij die instelling;3° risico's uit transacties in OTC-derivaten met betrekking tot die instelling. § 3. De begrenzing, gesteld in § 1, eerste lid, wordt verhoogd tot 35 % indien de instelling voor collectieve belegging belegt in effecten of geldmarktinstrumenten die worden uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen, door een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte of een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing, gesteld in § 1, eerste lid, wordt verhoogd tot 25 % indien de instelling voor collectieve belegging belegt in bepaalde obligaties die worden uitgegeven door een kredietinstelling waarvan de statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is en die wettelijk is onderworpen aan speciaal overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders. De uit de uitgifte van die obligaties verkregen bedragen moeten overeenkomstig de wet worden belegd in activa die, gedurende de gehele looptijd van de obligaties, de aan de obligaties verbonden vorderingen kunnen dekken en die, in geval de uitgevende instelling in gebreke blijft, bij voorrang zullen worden gebruikt voor de aflossing van de hoofdsom en de betaling van de lopende rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een instelling voor collectieve belegging meer dan 5 % van haar activa belegt in de in het eerste lid bedoelde obligaties en die obligaties door één en dezelfde uitgevende instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van die beleggingen maximaal 80 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging. § 5. De effecten en geldmarktinstrumenten, bedoeld in de paragrafen 3 en 4, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de begrenzing van 40 %, gesteld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzingen, gesteld in de paragrafen 1, 2, 3 en 4, mogen niet worden gecumuleerd. Bijgevolg bedragen de beleggingen, verricht overeenkomstig de paragrafen 1, 2, 3 en 4, in door één en dezelfde instelling uitgegeven effecten of geldmarktinstrumenten, dan wel in deposito's bij of derivaten van die instelling, in geen geval samen meer dan 35 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de in dit artikel gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot één groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, voor de berekening van de in dit artikel gestelde begrenzing als één en dezelfde instelling beschouwd. Niettemin mogen beleggingen in effecten en geldmarktinstrumenten bij één en dezelfde groep worden gecumuleerd tot ten hoogste 20 %.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien de instelling voor collectieve belegging de begunstigde is van een financiële zekerheid, kan deze ten belope van haar reële waarde in aanmerking worden genomen voor een vermindering van het tegenpartijrisico, voor zover de financiële zekerheid : 1° dagelijks wordt gewaardeerd aan haar reële waarde en de waarde van het te dekken risicobedrag overtreft;2° enkel aan verwaarloosbare risico's is blootgesteld en liquide is;3° wordt gehouden door een derde bewaarder die geen banden heeft met de verstrekker of, indien de derde bewaarder wel banden heeft met de verstrekker, juridisch afgeschermd is van de gevolgen van het in gebreke blijven van een met de bewaarder verbonden partij;4° op elk ogenblik volledig ten gelde kan worden gemaakt door de instelling voor collectieve belegging;5° beantwoordt aan de prudentiële voorschriften van de Richtlijn 2000/12/EG Voor de toepassing van deze bepaling kunnen eveneens andere zekerheden, waarvan de instelling voor collectieve belegging de begunstigde is, in aanmerking worden genomen, indien zij voldoen aan de gelijkwaardige voorwaarden als deze die zijn opgesomd in het eerste lid en de CBFA deze zekerheden heeft aanvaard. § 2. Een instelling voor collectieve belegging kan overgaan tot verrekening (netting) van haar posities in derivaten ten aanzien van dezelfde tegenpartij overeenkomstig de voorwaarden vervat in de Richtlijn 2000/12/EG en voor zover deze verrekening (netting) gebaseerd is op juridisch bindende overeenkomsten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van de in artikel 34 bedoelde beleggingsbegrenzingen mag een instelling voor collectieve belegging contracten afsluiten die financiële derivaten uitmaken en betrekking hebben op een kredietrisico, met dien verstande dat deze contracten niet meer dan 20 % van haar netto-activa mogen uitmaken De afwikkeling van deze contracten mag uitsluitend aanleiding geven tot een levering of overdracht van voor een instelling voor collectieve belegging toegelaten activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens een dergelijk contract af te sluiten, legt de instelling voor collectieve belegging een specifiek activiteitenprogramma ter goedkeuring voor aan de CBFA. Uit dit programma moet blijken dat de instelling voor collectieve belegging over de vereiste bevoegdheden en over een passende organisatie beschikt, afgestemd op de specifieke aard van dergelijke contracten, in het bijzonder op hun waardering en op de opvolging van hun inherente risico's.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van artikel 41, kan een instelling voor collectieve belegging maximaal 20 % van haar activa beleggen in aandelen en/of obligaties van eenzelfde emittent, wanneer in haar beheerreglement of statuten is bepaald dat haar beleggingsbeleid gericht is op het volgen van de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie- index, op voorwaarde dat de CBFA deze index heeft goedgekeurd op de volgende gronden : 1° de samenstelling van de index is voldoende gediversifieerd;2° de index is voldoende representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft;3° de waarde en de samenstelling van de index wordt op passende wijze bekendgemaakt. § 2. De begrenzing, gesteld in § 1, wordt verhoogd tot maximaal 35 % indien dat door uitzonderlijke marktomstandigheden gerechtvaardigd blijkt, met name op gereglementeerde markten waar bepaalde effecten of geldmarktinstrumenten een sterk overheersende positie innemen. Tot die bovengrens mag slechts worden belegd in de effecten van één uitgevende instelling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 34 kan de CBFA aan instellingen voor collectieve belegging toestaan om, volgens het beginsel van de risicospreiding, tot 100 % van hun activa te beleggen in verschillende uitgiften van effecten en geldmarktinstrumenten die worden uitgegeven of gewaarborgd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, haar plaatselijke besturen, een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte of internationale publiekrechtelijke instellingen waarin één of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen De CBFA verleent deze toelating slechts wanneer zij van oordeel is dat de deelnemers in deze instellingen voor collectieve belegging ten opzichte van de deelnemers in de instellingen voor collectieve belegging die de begrenzingen van artikel 34 wel naleven, een gelijkwaardige bescherming krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze instellingen voor collectieve belegging houden effecten en geldmarktinstrumenten uit ten minste zes verschillende uitgiften, desgevallend uitgegeven door dezelfde entiteit, zonder dat de effecten en geldmarktinstrumenten die tot een zelfde uitgifte behoren, meer dan 30 % mogen bedragen van het totaalbedrag van de activa. Art. 39.§ 1. Een instelling voor collectieve belegging mag rechten van deelneming, bedoeld in artikel 32, § 1, 5° en 6°, verwerven, mits maximaal 20 % van haar activa in rechten van deelneming in één en dezelfde instelling voor collectieve belegging wordt belegd. Indien wordt belegd in rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging met verschillende compartimenten, wordt, voor de toepassing van deze paragraaf, elk compartiment beschouwd als een afzonderlijke instelling voor collectieve belegging. § 2. De beleggingen in rechten van deelneming, bedoeld in artikel 32, § 1, 6°, mogen in totaal niet meer bedragen dan 30 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging rechten van deelneming, bedoeld in artikel 32, § 1, 5° en 6°, heeft verworven, dienen de activa van de desbetreffende instellingen voor collectieve belegging niet te worden gecombineerd met de in artikel 34 vastgestelde bovengrenzen. Art. 40.Onverminderd de toepassing van artikel 32, § 1 en artikel 34, kan een instelling voor collectieve belegging beleggen in rechten van deelneming uitgegeven door een openbare instelling voor collectieve belegging naar Belgisch of buitenlands recht met vast aantal rechten van deelneming of door een openbare instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen naar Belgisch of buitenlands recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging met toepassing van het vorige lid belegt in rechten van deelneming van een buitenlandse instelling voor collectieve belegging, dient het beleggingsbeleid van deze laatste te zijn gericht op een categorie van toegelaten beleggingen die openstaat voor instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een beleggingsvennootschap of een beheervennootschap, voor het geheel van de door haar beheerde en onder het toepassingsgebied van deze Onderafdeling vallende gemeenschappelijke beleggingsfondsen mag niet zoveel stemrechtverlenende effecten verwerven dat zij daardoor invloed van betekenis kan uitoefenen op het bestuur van een emittent. § 2. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van § 1, verwerft een instelling voor collectieve belegging maximaal : 1° 10 % aandelen zonder stemrecht van een zelfde emittent;2° 10 % obligaties van een zelfde emittent;3° 25 % van de rechten van deelneming in één zelfde instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 32, § 1, 5° of 6°;4° 10 % van geldmarktinstrumenten van één zelfde uitgevende instelling De begrenzingen bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, behoeven niet in acht te worden genomen, indien het brutobedrag van de obligaties of de geldmarktinstrumenten of het nettobedrag van de uitgegeven effecten op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend. § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing met betrekking tot : 1° door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of zijn plaatselijke besturen uitgegeven of gewaarborgde effecten en geldmarktinstrumenten;2° door een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven of gewaarborgde effecten en geldmarktinstrumenten;3° effecten en geldmarktinstrumenten uitgegeven door internationale publiekrechtelijke instellingen waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen; § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing met betrekking tot : 1° aandelen die een instelling voor collectieve belegging houdt in het kapitaal van een vennootschap uit een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, voor zover deze vennootschap haar activa in hoofdzaak belegt in effecten van emittenten uit die staat, wanneer een dergelijke deelneming, krachtens de wetgeving van die staat, voor de instelling voor collectieve belegging de enige mogelijkheid is om in effecten van emittenten van die staat te beleggen.Deze afwijking is echter slechts van toepassing indien de vennootschap van de staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, voor haar beleggingsbeleid de begrenzingen, gesteld in de artikelen 34 en 39 en in de paragrafen 1 en 2 van dit artikel, in acht neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overschrijding van de begrenzingen, gesteld in de artikelen 34 en 39, zijn de artikelen 42 en 43 mutatis mutandis van toepassing; 2° aandelen die één of meerdere beleggingsvennootschappen houden in het kapitaal van dochterondernemingen, die uitsluitend te haren of te hunnen behoeve enkel bepaalde beheer-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verrichten in het land waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van houders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Ongeacht de voorschriften van deze Onderafdeling mag de instelling voor collectieve belegging steeds de inschrijvingsrechten uitoefenen die verbonden zijn aan de effecten en geldmarktinstrumenten die zij houdt De uitoefening van deze rechten mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de in voorgaande artikelen bedoelde begrenzingen langer dan twaalf maanden worden overschreden. § 2. De in voorgaande artikelen bedoelde begrenzingen worden berekend volgens dezelfde methode als gebruikt voor de berekening van de inventariswaarde. § 3. De CBFA kan aan een nieuw opgerichte instelling voor collectieve belegging toestaan van de artikelen 34, 37, 38 en 39 af te wijken gedurende een periode van zes maanden na de datum waarop zij is ingeschreven, voor zover de instelling voor collectieve belegging de beginselen inzake risicospreiding naleeft. Art. 43.Indien de in de artikelen 34, 37, 38 en 39 bedoelde begrenzingen buiten de wil van de instelling voor collectieve belegging of ten gevolge van de uitoefening van inschrijvingsrechten worden overschreden, moet de instelling voor collectieve belegging de toestand bij voorrang regulariseren in het belang van de deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die beleggen in financiële instrumenten en liquide middelen Art. 44.De bepalingen van deze Onderafdeling gelden voor de instellingen voor collectieve belegging die hebben geopteerd voor de categorie van toegelaten beleggingen, bedoeld bij artikel 7, eerste lid, 2°, van de wet. Art. 45.§ 1. De beleggingen van een instelling voor collectieve belegging bestaan uitsluitend uit : 1° effecten en geldmarktinstrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten;2° effecten en geldmarktinstrumenten die worden verhandeld op een andere secundaire markt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, mits deze markt gereglementeerd, regelmatig functionerend, erkend en open is en mits de keuze van deze markt voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;3° effecten en geldmarktinstrumenten die worden verhandeld a) hetzij op een markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte en die met betrekking tot deze markt gelijkwaardige bepalingen toepast als deze die zijn vastgesteld in de Richtlijn 2001/34/EG en mits de keuze van deze markt voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;b) hetzij op een andere secundaire markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, mits deze markt gereglementeerd, regelmatig functionerend, erkend en open is en mits de keuze van deze markt voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;4° nieuw uitgegeven effecten, onder voorbehoud dat : a) de emissievoorwaarden de verplichting inhouden dat toelating wordt aangevraagd tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten, een markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte en die met betrekking tot deze markt gelijkwaardige bepalingen toepast als deze die zijn vastgesteld in de Richtlijn 2001/34/EG of een andere secundaire markt, die gereglementeerd, regelmatig functionerend, erkend en open is, mits de keuze van deze markten voorkomt in het beheerreglement of de statuten van de instelling voor collectieve belegging;b) de toelating uiterlijk binnen een jaar na de uitgifte wordt verkregen;5° rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging die beantwoorden aan de Richtlijn 85/611/EEG, mits deze instellingen voor collectieve belegging, volgens hun beheerreglement of statuten, maximaal 10 % van hun activa mogen beleggen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging;6° rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, die niet beantwoorden aan de Richtlijn 85/611/EEG, ongeacht of die al dan niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, mits : a) deze instellingen voor collectieve belegging uitsluitend de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken financieringsmiddelen in effecten of in andere in dit artikel bedoelde liquide financiële activa, met toepassing van het beginsel van risicospreiding, als doel hebben;b) de rechten van deelneming in deze instellingen voor collectieve belegging op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen voor collectieve belegging direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt ieder handelen van de instelling voor collectieve belegging om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde, gelijkgesteld; c) deze instellingen voor collectieve belegging zijn toegelaten overeenkomstig wetten waardoor zij worden onderworpen aan toezicht dat, naar het oordeel van de CBFA, gelijkwaardig is aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet, en mits de samenwerking tussen de autoriteiten genoegzaam is gewaarborgd;d) het niveau van bescherming van de deelnemers in deze instellingen voor collectieve belegging gelijkwaardig is aan dat van deelnemers in een instelling voor collectieve belegging die beantwoordt aan de Richtlijn 85/611/EEG.In het bijzonder zijn de regels inzake scheiding van de activa, opnemen en verstrekken van leningen en verkopen van effecten en geldmarktinstrumenten vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig aan de voorschriften van de Richtlijn 85/611/EEG; e) over de activiteiten van deze instellingen voor collectieve belegging halfjaarlijks en jaarlijks wordt gerapporteerd, zodat een evaluatie kan worden gemaakt van activa en passiva, inkomsten en bedrijfsvoering tijdens de verslagperiode;f) deze instellingen voor collectieve belegging volgens hun beheerreglement of statuten in totaal maximaal 10 % van hun eigen activa mogen beleggen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging;7° deposito's bij kredietinstellingen mits a) de statutaire zetel van de kredietinstelling in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is;of, b) indien de statutaire zetel van de kredietinstelling niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen is, deze instelling onderworpen is aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld;8° financiële derivaten, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten, die op een onder 1°, 2°, of 3°, bedoelde markt worden verhandeld of OTC-derivaten, mits : a) de onderliggende activa bestaan uit onder deze paragraaf vallende instrumenten of één of meer essentiële en gelijkaardige elementen van deze instrumenten, financiële indexen, rentetarieven, wisselkoersen of valuta's, waarin de instelling voor collectieve belegging gemachtigd is te beleggen krachtens de beleggingsdoelstellingen omschreven in haar beheerreglement of statuten;b) de wederpartijen bij transacties in OTC-derivaten instellingen zijn die aan prudentieel toezicht zijn onderworpen en behoren tot één van de volgende categorieën : (i) kredietinstellingen waarvan de statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is;of, (ii) beursvennootschappen bedoeld in boek II, titel II, van de</p>\n<p class=\"lf-p\">wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/04/1995 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/05/2012 numac 2012000346 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten; of, (iii) beleggingsondernemingen waarvan de statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is; of, (iv) kredietinstellingen waarvan de statutaire zetel niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen is, voor zover deze instellingen onderworpen zijn aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; of, (v) ondernemingen waarvan de statutaire zetel niet in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gelegen is, voor zover deze ondernemingen onderworpen zijn aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld voor beleggingsondernemingen;c) de OTC-derivaten onderworpen zijn aan een betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering en te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer op initiatief van de instelling voor collectieve belegging kunnen worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie;9° geldmarktinstrumenten, die niet op een markt bedoeld in 1°, 2° of 3°, worden verhandeld, op voorwaarde dat : a) de emissie of de emittent van deze instrumenten zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden;en b) deze instrumenten (i) worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een staat die geen lidstaat van de Europese Economische Ruimte is of, bij een federale staat, door een van de deelstaten van de federatie, dan wel door een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen;of (ii) worden uitgegeven door ondernemingen waarvan effecten worden verhandeld op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5° of 6°, van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten of een markt van een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte en die met betrekking tot deze markt gelijkwaardige bepalingen toepast als deze die zijn vastgesteld in de Richtlijn 2001/34/EG;of (iii) worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die aan bedrijfseconomisch toezicht is onderworpen volgens criteria die door het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, of door een instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de CBFA ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; (iv) worden uitgegeven door andere instellingen die behoren tot de categorieën die door de CBFA zijn goedgekeurd, mits voor de beleggingen in die instrumenten een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in (i), (ii) en (iii) en mits de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves ten minste 10 miljoen EUR bedragen en die haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig Richtlijn 78/660/EEG, een lichaam is dat binnen een groep ondernemingen waartoe een of meer ter beurze genoteerde ondernemingen behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een lichaam is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin mag een instelling voor collectieve belegging ten hoogste 10 % van haar activa beleggen in andere effecten en geldmarktinstrumenten dan de in § 1 bedoelde effecten of geldmarktinstrumenten. § 3. Een instelling voor collectieve belegging mag accessoir liquide middelen houden. § 4. Een beleggingsvennootschap mag steeds alle roerende en onroerende goederen verwerven die rechtsreeks noodzakelijk zijn voor haar bedrijfsuitoefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de beleggingsvennootschap een vastgoed bezit of verwerft, moet het overeenstemmende gedeelte van het kapitaal steeds worden gehouden door haar oprichters of de door hen aangewezen personen. Art. 46.§ 1. Het totale risico (maximum exposure) van een instelling voor collectieve belegging dat betrekking heeft op derivaten is beperkt tot 100% van de netto-waarde van de activa. Voor de berekening van het totale risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder totaal risico (maximum exposure) : het hoogste tussen het resultaat van het hefboomeffect dat derivaten voor de portefeuille van de instelling voor collectieve belegging inhouden en het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging zou lijden in geval van negatieve evolutie van de markten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van het hefboomeffect (leverage) wordt de verhouding tussen de variaties van de reële waarde van de derivaten en de variaties van de reële waarde van de onderliggende activa bepaald, rekening houdend met de bijdrage van de onderliggende activa aan het risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging. § 2. Voor de berekening van het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging lijdt in geval van negatieve evolutie van de markten, kan de commitment approach worden gebruikt, indien deze methode, gelet op het beperkte en eenvoudige risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging, toelaat om dit verlies behoorlijk in te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de berekening overeenkomstig de commitment approach wordt onder meer rekening gehouden met de aard, het doel, het aantal en de frequentie van de door de instelling voor collectieve belegging aangegane contracten en de gehanteerde beheertechnieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen wordt het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging zou lijden in geval van negatieve evolutie van de markten, berekend volgens een door de CBFA aanvaarde value-at-risk approach of een door de CBFA aanvaard intern risicometingsmodel, aangevuld met evaluaties die de impact nagaan van extreme omstandigheden van economische of financiële aard die de markt verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder « commitment approach » : de benadering waarbij de posities in derivaten van een instelling voor collectieve belegging worden omgezet in de equivalente positie in de onderliggende activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel verstaat men onder « value-at-risk approach » : benadering waarbij het mogelijk verlies wordt berekend dat een instelling voor collectieve belegging zou ondergaan binnen een aanhoudingsperiode van één maand en rekening houdend met een vertrouwensinterval van 99 %, gebaseerd op gegevens die niet ouder zijn dan één jaar. De CBFA kan, in functie van de specifieke kenmerken van de gehanteerde berekeningsmethode, afwijkingen toestaan op de in aanmerking te nemen aanhoudingsperiode en het vereiste vertrouwensinterval. § 3. Een instelling voor collectieve belegging mag, in het kader van haar beleggingsbeleid en binnen de in artikel 47 gestelde begrenzingen, beleggen in financiële derivaten mits het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal de beleggingsbegrenzingen, gesteld in artikel 47 niet overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een instelling voor collectieve belegging waarvan het beleggingsbeleid is gericht op de verwezenlijking bij vervaldag van een bepaald rendement middels het gebruik van bepaalde technieken of derivaten en waarvan de deelnemers, overeenkomstig artikel 68, genieten van een kapitaalgarantie of kapitaalbescherming, wordt de naleving van deze limieten enkel nagegaan op het ogenblik van inschrijving, bedoeld bij artikel 28 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging belegt in derivaten die gebaseerd zijn op een index die beantwoordt aan artikel 47 en die erkend is door de CBFA overeenkomstig artikel 50, moeten die beleggingen niet worden samengeteld voor de toepassing van de bovengrenzen, bepaald in artikel 47. § 4. Wanneer een effect of een geldmarktinstrument een derivaat omvat, wordt dat derivaat in aanmerking genomen voor de naleving van de in dit artikel gestelde eisen. Art. 47.§ 1. Een instelling voor collectieve belegging belegt maximaal 10 % van haar activa in effecten of geldmarktinstrumenten, die door eenzelfde emittent worden uitgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een instelling voor collectieve belegging belegt maximaal 20 % van haar activa in deposito's bij één en dezelfde instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegenpartijrisico van de instelling voor collectieve belegging bij een transactie met derivaten bedraagt maximaal : 1° wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is zoals bedoeld in artikel 45, § 1, 7° : 10 % van haar activa;of 2° in de overige gevallen : 5 % van haar activa. De beleggingslimieten omschreven in het derde lid zijn niet toepasselijk indien de derivaten worden genoteerd op een markt, bedoeld bij artikel 45, § 1, 1°, 2°, en 3°, voor zover een verrekeningsinstelling, die kan bogen op een passende honoreringsgarantie, tussenkomt en een dagelijkse marktwaardering van de derivatenposities evenals een dagelijkse vaststelling van de marginverplichtingen plaats vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het derde lid verstaat men onder het tegenpartijrisico van de instelling voor collectieve belegging bij een transactie in derivaten : het mogelijk verlies dat een instelling voor collectieve belegging zou lijden in geval de tegenpartij in gebreke blijft, berekend overeenkomstig de methode vervat in de Richtlijn 2000/12/EG. § 2. De totale waarde van de effecten en geldmarktinstrumenten van emittenten waarin de instelling voor collectieve belegging voor meer dan 5 % van haar activa belegt, bedraagt maximaal 40 % van haar activa. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito's en transacties met OTC-derivaten met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de in § 1 bepaalde individuele begrenzingen, belegt een instelling voor collectieve belegging met betrekking tot één en dezelfde instelling maximaal 20 % van haar activa in een combinatie van : 1° effecten of geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door die instelling;2° deposito's bij die instelling;3° risico's uit transacties in OTC-derivaten met betrekking tot die instelling. § 3. De begrenzing, gesteld in § 1, eerste lid, wordt verhoogd tot 35 % indien de instelling voor collectieve belegging belegt in effecten of geldmarktinstrumenten, die worden uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen, door een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte of een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing, gesteld in § 1, eerste lid, wordt verhoogd tot 25 % indien de instelling voor collectieve belegging belegt in bepaalde obligaties, die worden uitgegeven door een kredietinstelling waarvan de statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd is en die wettelijk is onderworpen aan speciaal overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders. De uit de uitgifte van die obligaties verkregen bedragen moeten overeenkomstig de wet worden belegd in activa die, gedurende de gehele looptijd van de obligaties, de aan de obligaties verbonden vorderingen kunnen dekken en die, in geval de uitgevende instelling in gebreke blijft, bij voorrang zullen worden gebruikt voor de aflossing van de hoofdsom en de betaling van de lopende rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een instelling voor collectieve belegging meer dan 5 % van haar activa belegt in de in het eerste lid bedoelde obligaties en die obligaties door één en dezelfde uitgevende instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van die beleggingen maximaal 80 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging. § 5. De effecten en geldmarktinstrumenten, bedoeld in de paragrafen 3 en 4, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de begrenzing van 40 %, gesteld in § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzingen, gesteld in de paragrafen 1, 2, 3 en 4, mogen niet worden gecumuleerd. Bijgevolg bedragen de beleggingen, verricht overeenkomstig de paragrafen 1, 2, 3 en 4, in door één en dezelfde instelling uitgegeven effecten of geldmarktinstrumenten, dan wel in deposito's bij of derivaten van die instelling, in geen geval samen meer dan 35 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de in dit artikel gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot één groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, voor de berekening van de in dit artikel gestelde begrenzing als één en dezelfde instelling beschouwd. Niettemin mogen beleggingen in effecten en geldmarktinstrumenten bij één en dezelfde groep worden gecumuleerd tot ten hoogste 20 %.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien de instelling voor collectieve belegging de begunstigde is van een financiële zekerheid, kan deze ten belope van haar reële waarde in aanmerking worden genomen voor een vermindering van het tegenpartijrisico, voor zover de financiële zekerheid : 1° dagelijks wordt gewaardeerd aan haar reële waarde en de waarde van het te dekken risicobedrag overtreft;2° enkel aan verwaarloosbare risico's is blootgesteld en liquide is;3° wordt gehouden door een derde bewaarder die geen banden heeft met de verstrekker of, indien de derde bewaarder wel banden heeft met de verstrekker, juridisch afgeschermd is van de gevolgen van het in gebreke blijven van een met de bewaarder verbonden partij;4° op elk ogenblik volledig ten gelde kan worden gemaakt door de instelling voor collectieve belegging;5° beantwoordt aan de prudentiële voorschriften van de Richtlijn 2000/12/EG Voor de toepassing van deze bepaling kunnen eveneens andere zekerheden, waarvan de instelling voor collectieve belegging de begunstigde is, in aanmerking worden genomen, indien zij voldoen aan de gelijkwaardige voorwaarden als deze die zijn opgesomd in het eerste lid en de CBFA deze zekerheden heeft aanvaard. § 2. Een instelling voor collectieve belegging kan overgaan tot verrekening (netting) van haar posities in derivaten ten aanzien van dezelfde tegenpartij overeenkomstig de voorwaarden vervat in de Richtlijn 2000/12/EG en voor zover deze verrekening (netting) gebaseerd is op juridisch bindende overeenkomsten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 49</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van de in artikel 47 bedoelde beleggingsbegrenzingen mag een instelling voor collectieve belegging contracten afsluiten die financiële derivaten uitmaken en betrekking hebben op een kredietrisico, met dien verstande dat deze contracten niet meer dan 20 % van haar netto-activa mogen uitmaken De afwikkeling van deze contracten mag uitsluitend aanleiding geven tot een levering of overdracht van voor een instelling voor collectieve belegging toegelaten activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens een dergelijk contract af te sluiten, legt de instelling voor collectieve belegging een specifiek activiteitenprogramma ter goedkeuring voor aan de CBFA. Uit dit programma moet blijken dat de instelling voor collectieve belegging over de vereiste bevoegdheden en over een passende organisatie beschikt, afgestemd op de specifieke aard van dergelijke contracten, in het bijzonder op hun waardering en op de opvolging van hun inherente risico's.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van artikel 55, kan een instelling voor collectieve belegging maximaal 20 % van haar activa beleggen in aandelen en/of obligaties van eenzelfde emittent, wanneer in haar beheerreglement of statuten is bepaald dat haar beleggingsbeleid gericht is op het volgen van de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie- index, op voorwaarde dat de CBFA deze index heeft goedgekeurd op de volgende gronden : 1° de samenstelling van de index is voldoende gediversifieerd;2° de index is voldoende representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft;3° de waarde en de samenstelling van de index wordt op passende wijze bekendgemaakt. § 2. De begrenzing, gesteld in § 1, wordt verhoogd tot maximaal 35 % indien dat door uitzonderlijke marktomstandigheden gerechtvaardigd blijkt, met name op gereglementeerde markten waar bepaalde effecten of geldmarktinstrumenten een sterk overheersende positie innemen. Tot die bovengrens mag slechts worden belegd in de effecten van één uitgevende instelling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 47 kan de CBFA aan de instellingen voor collectieve belegging toestaan om, volgens het beginsel van de risicospreiding, tot 100 % van hun activa te beleggen in verschillende uitgiften van effecten en geldmarktinstrumenten die worden uitgegeven of gewaarborgd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, haar plaatselijke besturen, een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte of internationale publiekrechtelijke instellingen waarin één of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen De CBFA verleent deze toelating slechts wanneer zij van oordeel is dat de deelnemers in deze instellingen voor collectieve belegging ten opzichte van de deelnemers in de instellingen voor collectieve belegging die de begrenzingen van artikel 47 wel naleven, een gelijkwaardige bescherming krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze instellingen voor collectieve belegging houden effecten en geldmarktinstrumenten uit ten minste zes verschillende uitgiften, desgevallend uitgegeven door dezelfde entiteit, zonder dat de effecten en geldmarktinstrumenten die tot een zelfde uitgifte behoren, meer dan 30 % mogen bedragen van het totaalbedrag van de activa. Art. 52.§ 1. Een instelling voor collectieve belegging mag rechten van deelneming, bedoeld in artikel 45, § 1, 5° en 6°, verwerven, mits maximaal 20 % van haar activa in rechten van deelneming in één en dezelfde instelling voor collectieve belegging wordt belegd. Indien wordt belegd in rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging met verschillende compartimenten, wordt, voor de toepassing van deze paragraaf, elk compartiment beschouwd als een afzonderlijke instelling voor collectieve belegging. § 2. De beleggingen in rechten van deelneming, bedoeld in artikel 45, § 1, 6°, mogen in totaal niet meer bedragen dan 30 % van de activa van de instelling voor collectieve belegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling voor collectieve belegging rechten van deelneming, bedoeld in artikel 45, § 1, 5° en 6°, heeft verworven, dienen de activa van de desbetreffende instellingen voor collectieve belegging niet te worden gecombineerd met de in artikel 47 vastgestelde bovengrenzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Voor een instelling voor collectieve belegging waarvan het beleggingsbeleid is gericht op de verwezenlijking bij vervaldag van een bepaald rendement middels het gebruik van bepaalde technieken of derivaten en waarvan de deelnemers, overeenkomstig artikel 68, een kapitaalgarantie of kapitaalbescherming genieten, kunnen de volgende activa onderliggend zijn aan het instrument dat de instelling voor collectieve belegging hanteert om op vervaldag de meerwaarde te verkrijgen : 1° een instelling voor collectieve belegging die in hedge funds belegt en die is toegelaten en onder permanent toezicht staat in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;2° een gediversifieerde korf van rechten van deelneming uitgegeven door hedge funds die zijn toegelaten en onder permanent toezicht staan in een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte;3° een hedge fund index, mits deze index voldoet aan de voorwaarden van artikel 50, § 1. § 2. De in § 1, 2°, bedoelde korf van hedge funds is zodanig samengesteld dat geen enkele hedge fund meer dan 20 % van de totale korf vertegenwoordigt. De naleving van deze limiet wordt nagegaan op het ogenblik van de inschrijving, bedoeld bij artikel 28 van de wet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van artikel 45, § 1, en artikel 47, kan een instelling voor collectieve belegging beleggen in rechten van deelneming uitgegeven door een openbare instelling voor collectieve belegging naar Belgisch of buitenlands recht met vast aantal rechten van deelneming of door een openbare instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen naar Belgisch of buitenlands recht Indien een instelling voor collectieve belegging met toepassing van het vorige lid belegt in rechten van deelneming van een buitenlandse instelling voor collectieve belegging, dient het beleggingsbeleid van deze laatste te zijn gericht op een categorie van toegelaten beleggingen die openstaat voor instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een beleggingsvennootschap of een beheervennootschap, voor het geheel van de door haar beheerde en onder het toepassingsgebied van deze Onderafdeling vallende gemeenschappelijke beleggingsfondsen, mag niet zoveel stemrechtverlenende effecten verwerven dat zij daardoor invloed van betekenis kan uitoefenen op het bestuur van een emittent. § 2. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van § 1, verwerft een instelling voor collectieve belegging maximaal : 1° 10 % aandelen zonder stemrecht van een zelfde emittent;2° 10 % obligaties van een zelfde emittent;3° 25 % van de rechten van deelneming in één zelfde instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 45, § 1, 5° of 6°;4° 10 % van geldmarktinstrumenten van één zelfde uitgevende instelling De begrenzingen, bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, behoeven niet in acht te worden genomen, indien het brutobedrag van de obligaties of de geldmarktinstrumenten of het nettobedrag van de uitgegeven effecten op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend. § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing met betrekking tot : 1° door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of zijn plaatselijke besturen uitgegeven of gewaarborgde effecten en geldmarktinstrumenten;2° door een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, uitgegeven of gewaarborgde effecten en geldmarktinstrumenten;3° effecten en geldmarktinstrumenten uitgegeven door internationale publiekrechtelijke instellingen waarin een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte deelnemen; § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing met betrekking tot : 1° aandelen die een instelling voor collectieve belegging houdt in het kapitaal van een vennootschap uit een staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, voor zover deze vennootschap haar activa in hoofdzaak belegt in effecten van emittenten uit die staat, wanneer een dergelijke deelneming, krachtens de wetgeving van die staat, voor de instelling voor collectieve belegging de enige mogelijkheid is om in effecten van emittenten van die staat te beleggen.Deze afwijking is echter slechts van toepassing indien de vennootschap van de staat die geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte, voor haar beleggingsbeleid de begrenzingen, gesteld in de artikelen 47 en 52 en de paragrafen 1 en 2 van dit artikel, in acht neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overschrijding van de begrenzingen, gesteld in artikelen 47 en 52, zijn de artikelen 56 en 57 mutatis mutandis van toepassing; 2° aandelen die één of meerdere beleggingsvennootschappen houden in het kapitaal van dochterondernemingen, die uitsluitend te haren of te hunnen behoeve enkel bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verrichten in het land waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van houders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Ongeacht de voorschriften van deze Onderafdeling mag de instelling voor collectieve belegging steeds de inschrijvingsrechten uitoefenen die verbonden zijn aan de effecten en geldmarktinstrumenten die zij houdt De uitoefening van deze rechten mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de in voorgaande artikelen bedoelde begrenzingen langer dan twaalf maanden worden overschreden. § 2. De in voorgaande artikelen bedoelde begrenzingen worden berekend volgens dezelfde methode als gebruikt voor de berekening van de inventariswaarde. § 3. De CBFA kan aan een nieuw opgerichte instelling voor collectieve belegging toestaan van de artikelen 47, 50, 51 en 52 af te wijken gedurende een periode van zes maanden na de datum waarop zij is ingeschreven, voor zover de instelling voor collectieve belegging de beginselen inzake risicospreiding naleeft. Art. 57.Indien de in de artikelen 47, 50, 51 en 52 bedoelde begrenzingen buiten de wil van de instelling voor collectieve belegging of ten gevolge van de uitoefening van inschrijvingsrechten worden overschreden, moet de instelling voor collectieve belegging bij voorrang de toestand regulariseren in het belang van de deelnemers. Afdeling II. - Verplichtingen en verbodsbepalingen Onderafdeling I. - Provisies en kosten Art. 58.§ 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 61 en 62, vermeldt en raamt het prospectus alle provisies en kosten die aan de instelling voor collectieve belegging worden aangerekend. In het prospectus wordt inzonderheid gepreciseerd volgens welk tarief en op welke wijze het beheer van de beleggingsportefeuille en de administratie van de instelling voor collectieve belegging, de verhandeling van haar rechten van deelneming en de bewaarneming van haar activa worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het prospectus vermeldt eveneens alle provisies en kosten die aan de deelnemers worden aangerekend, inzonderheid bij uitgifte of inkoop van rechten van deelneming dan wel compartimentwijziging. In het prospectus wordt het tarief gepreciseerd van die kosten en provisies en in welke mate hierover, eventueel, door de belegger onderhandeld kan worden. § 2. De CBFA publiceert jaarlijks een globaal overzicht van de provisies en kosten vermeld in het prospectus van de instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 3. § 3. Elke wijziging van de provisies en kosten bedoeld in § 1 en in artikel 60 in het nadeel van de instelling voor collectieve belegging of van de deelnemers moet vooraf worden aangekondigd, hetzij in twee dagbladen die landelijk of in grote oplage worden verspreid, hetzij via enig ander gelijkwaardig publicatiemiddel dat is goedgekeurd door de CBFA.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijziging bedoeld in voorgaand lid mag pas ingaan na afloop van een termijn van minstens één maand die aanvangt bij de bovenvermelde aankondiging. Deze termijn wordt verlengd tot minstens twee maanden indien bij uittreding een bedrag, waarvan sprake in artikel 60, § 3, 1° of 2°, ten laste van de deelnemer wordt gelegd. Indien de wijziging leidt tot een verhoging van de provisies en kosten waarvan sprake in § 1, eerste lid, wordt aan de deelnemers de mogelijkheid geboden om zonder kosten, behoudens eventuele taksen, uit te treden tijdens de in het tweede lid bedoelde termijn. De bedragen tot dekking van de kosten voor de realisatie van de activa worden tijdens deze termijn noch gedragen door de instelling voor collectieve belegging, noch door de deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het prospectus vermeldt wie deze bedragen ten laste neemt. § 4. Een instelling voor collectieve belegging kan een prestatievergoeding, die wordt berekend op basis van de toename van de netto-inventariswaarde per recht van deelneming, toekennen aan de persoon, aan wie zij de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 3, 9°, a), van de wet, toevertrouwt, voor zover : 1° deze vergoeding bijkomstig is aan de basisvergoeding voor het beheer van de beleggingsportefeuille van de instelling voor collectieve belegging;2° deze vergoeding wordt berekend op basis van een vergelijking met een index of benchmark die aansluit bij de beleggingsobjectieven en het beleggingsbeleid van de instelling voor collectieve belegging en door de CBFA werd aanvaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien een instelling voor collectieve belegging belegt in rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 32, § 1, 5° of 6°, of artikel 45, § 1, 5° of 6°, en indien de onderliggende instellingen voor collectieve belegging hetzij rechtstreeks hetzij op grond van een lastgevingsovereenkomst of aannemingsovereenkomst worden beheerd door dezelfde vennootschap, brengt deze vennootschap geen provisies of kosten in rekening voor inschrijving, compartimentwijziging of uittreding met betrekking tot beleggingen in deze rechten van deelneming Hetzelfde verbod geldt in hoofde van een andere onderneming die de onderliggende instellingen voor collectieve belegging beheert, indien deze onderneming, via gemeenschappelijke bedrijfsvoering of gemeenschappelijke zeggenschapsuitoefening of door een aanmerkelijke rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming, verbonden is met de vennootschap, bedoeld in het eerste lid. § 2. Indien een instelling voor collectieve belegging belegt in rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 32, § 1, 5° of 6°, of artikel 45, § 1, 5° of 6°, en indien de onderliggende instellingen voor collectieve belegging hetzij rechtstreeks hetzij op grond van een lastgevingsovereenkomst of aannemingsovereenkomst worden beheerd door dezelfde vennootschap, brengt deze vennootschap geen provisies of kosten in rekening voor het beheer van het overeenkomstige deel van de portefeuille van de instelling voor collectieve belegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde verbod geldt in hoofde van een andere onderneming die de onderliggende instellingen voor collectieve belegging beheert, indien deze onderneming, via gemeenschappelijke bedrijfsvoering of gemeenschappelijke zeggenschapsuitoefening of door een aanmerkelijke rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming, verbonden is met de vennootschap, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin mogen in de gevallen, omschreven in de voorgaande leden, toch provisies en kosten voor de administratie van de instelling voor collectieve belegging en beperkte provisies en kosten voor de toewijzing van de activa worden aangerekend. Art. 60.§ 1. De inschrijvingsprijs van de rechten van deelneming, die overeenstemt met hun netto-inventariswaarde, mag slechts worden verhoogd met : 1° een bedrag, ten gunste van de instelling voor collectieve belegging, tot dekking van de kosten voor de verwerving van de activa;2° een verhandelingprovisie voor de ondernemingen die voor de verhandeling van de rechten van deelneming zorgen;3° een vast bedrag tot dekking van de administratieve kosten voor de ondernemingen die voor de verhandeling van de rechten van deelneming zorgen. § 2. Een compartimentwijziging geschiedt op basis van de netto-inventariswaarde van de betrokken rechten van deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij mag slechts in rekening worden gebracht : 1° een bedrag ten gunste van de instelling voor collectieve belegging, tot dekking van de kosten voor de verwerving en realisatie van de activa;2° een verhandelingprovisie voor de ondernemingen die voor de verhandeling van de rechten van deelneming zorgen, die het verschil dekt tussen de verhandelingprovisie van het nieuwe compartiment en het vorige compartiment;3° een vast bedrag tot dekking van de administratieve kosten voor de ondernemingen die voor de verhandeling van de rechten van deelneming zorgen. § 3. Van de uittredingsprijs die overeenstemt met de netto-inventariswaarde van het recht van deelneming, mag enkel worden afgetrokken : 1° een bedrag tot dekking van de kosten voor de realisatie van de activa ten gunste van de instelling voor collectieve belegging;2° een vast bedrag tot dekking van de administratieve kosten voor de ondernemingen die voor de verhandeling van de rechten van deelneming zorgen;3° een bedrag tot ontmoediging van een uittreding die volgt binnen de periode van een maand na intreding, ingehouden ten voordele van de instelling voor collectieve belegging.Indien het beheerreglement of de statuten een toelating in deze zin bevatten, mag het bestuursorgaan van de instelling voor collectieve belegging beslissen dit bedrag niet in te houden of de bedoelde periode van een maand te wijzigen, mits het bestuursorgaan in het eerst volgende jaarverslag zijn beslissing op grond van concrete omstandigheden motiveert. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in § 1, 1° en 2°, § 2, 1° en 2°, en § 3, 1°, bedoelde provisies en kosten worden berekend op grond van de netto-inventariswaarde van het recht van deelneming. De aangerekende provisies en kosten worden afzonderlijk vermeld op een afrekening in twee exemplaren, waarvan één aan de deelnemer wordt bezorgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een instelling voor collectieve belegging ziet erop toe dat een persoon aan wie zij de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 3, 9°, a), van de wet, toevertrouwt, geen economisch voordeel vanwege een financiële bemiddelaar ontvangt dat betrekking heeft op de door de instelling voor collectieve belegging betaalde provisies en kosten voor portefeuilletransacties van de instelling voor collectieve belegging, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de keuze van de betrokken bemiddelaar beantwoordt aan het uitsluitend belang van de instelling voor collectieve belegging;2° het hoger bedoelde voordeel bestaat uitsluitend uit een voordeel in natura (soft commission), waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat het de dienstverlening inzake beheer van de instelling voor collectieve belegging ondersteunt;3° het hoger bedoelde voordeel wordt niet rechtstreeks toegekend aan individuele natuurlijke personen;4° de regeling inzake de toekenning van een hoger bedoeld voordeel is schriftelijk vastgelegd en is aan de instelling voor collectieve belegging ter goedkeuring overgemaakt;5° de persoon die een hoger bedoeld voordeel ontvangt, heeft een beleid bepaald met betrekking tot de aanvaarding van dergelijke voordelen.Dit beleid dient minstens de volgende punten te regelen : a) het maximale percentage dat de waarde van deze voordelen kan vertegenwoordigen ten aanzien van de beheervergoeding van de persoon die hoger bedoeld voordeel ontvangt, waarbij dit beheer op een instelling voor collectieve belegging, dan wel op (een deel van) het door hem beheerde patrimonium betrekking kan hebben;b) voor welke instellingen voor collectief beheer, voor welk type van beheer, voor welke soort van verrichtingen en voor welk percentage van betaalde provisies en kosten voor portefeuilletransacties van de instelling(en) voor collectieve belegging regelingen inzake de hoger bedoelde voordelen kunnen worden getroffen;c) de wijze waarop de hoger bedoelde voordelen worden toebedeeld binnen de organisatie van de begunstigde;d) de organisatie van een passende interne controle met betrekking tot de eerbiediging van dit beleid. § 2 Het vereenvoudigd prospectus vermeldt het bestaan van de regelingen tot toekenning van de in § 1 bedoelde voordelen en verwijst terzake naar het prospectus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het prospectus verduidelijkt wie de begunstigde is van de in § 1 bedoelde voordelen en op welke wijze mogelijke belangenconflicten naar aanleiding van de ontvangst van dergelijke voordelen worden vermeden of beheerst. § 3. De begunstigde van de in § 1 bedoelde voordelen rapporteert minstens halfjaarlijks aan het bestuursorgaan van de instelling voor collectieve belegging en aan de CBFA over de ontvangst van de in § 1 bedoelde voordelen. § 4. Het jaarverslag van de instelling voor collectieve belegging vermeldt : 1° de begunstigden van de in § 1 bedoelde voordelen;2° welke in § 1 bedoelde voordelen de begunstigden hebben ontvangen, in voorkomend geval ingedeeld volgens hun aard;3° voor zover de in § 1 bedoelde voordelen materieel zijn, rekening houdend met het globaal vermogen dat door de begunstigde wordt beheerd, de waarde van de in § 1 bedoelde ontvangen voordelen en de verhouding tussen deze waarde en het globale vermogen beheerd door de begunstigde, en/of het totaal van de betaalde provisies en kosten voor portefeuilletransacties voor het globale vermogen beheerd door de begunstigde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een instelling voor collectieve belegging ziet erop toe dat aan de volgende voorwaarden is voldaan wanneer de personen aan wie zij de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 3, 9°, a), van de wet, toevertrouwt, hun vergoeding, betaald door de instelling voor collectieve belegging, delen met een derde financiële bemiddelaar die eveneens rechtstreeks of onrechtstreeks beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 3, 9°, van de wet waarneemt voor de instelling voor collectieve belegging (fee sharing) : 1° de vergoeding, die door de instelling voor collectieve belegging wordt betaald aan de persoon die instaat voor het beheer, beantwoordt aan de marktpraktijk en verhoogt niet ten gevolge van de invoering van een regeling voor het delen van vergoedingen;2° de regeling voor het delen van vergoedingen heeft betrekking op een dienstverlening door de derde financiële bemiddelaar op grond van een schriftelijke overeenkomst die, minstens voor wat het principe en de modaliteiten ervan betreft, aan de instelling voor collectieve belegging ter goedkeuring werd voorgelegd. § 2. Het vereenvoudigd prospectus vermeldt het bestaan van de regelingen voor het delen van vergoedingen bedoeld in § 1 en verwijst terzake naar het prospectus Het prospectus verduidelijkt op welke wijze mogelijke belangenconflicten naar aanleiding van de regelingen voor verdeling van vergoedingen worden vermeden of beheerst. § 3. Het jaarverslag van de instelling voor collectieve belegging vermeldt : 1° de categorieën van begunstigden van een in § 1 bedoelde regeling, ingedeeld in functie van de aard van de diensten die de begunstigden aan de instelling voor collectieve belegging verlenen;2° het globale percentage van de vergoeding, betaald aan de personen aan wie de instelling voor collectieve belegging de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 3, 9°, a), van de wet, toevertrouwt, dat wordt gedeeld. Art. 63.Het prospectus vermeldt of de personen aan wie de instelling voor collectieve belegging beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging, bedoeld bij artikel 3, 9°, a) en b), van de wet, heeft toevertrouwd, hun vergoeding betaald door de instelling voor collectieve belegging, kunnen delen met deelnemers van de instelling voor collectieve belegging, inzonderheid in functie van de omvang van hun belegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Voorkoming van belangenconflicten Art. 64.§ 1. Volgende personen mogen niet rechtstreeks noch onrechtstreeks optreden als tegenpartij in buiten-beursverrichtingen met betrekking tot effecten voor rekening van de instelling voor collectieve belegging : 1° de beheervennootschap of de personen die de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 3, 9°, a) en b), van de wet waarnemen;2° de bewaarder;3° de bestuurders, de personen die zijn belast met het dagelijkse bestuur en de zaakvoerders, directeuren of lasthebbers van de beleggingsvennootschap, van de beheervennootschap, van de personen die de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 3, 9°, a) en b), van de wet waarnemen of van de bewaarder. Voor de toepassing van deze bepaling worden verrichtingen die plaatsvinden buiten een markt, zoals bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, 2° of 3°, en artikel 45, § 1, 1°, 2° of 3°, als buiten-beursverrichtingen beschouwd. § 2. De instelling voor collectieve belegging mag niettemin inschrijven op effecten waarvan het openbaar aanbod wordt verwezenlijkt door de in § 1, eerste lid, bedoelde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toegelaten verrichtingen, waarbij de in 64, § 1, eerste lid, bedoelde personen als tegenpartij optreden, evenals de verrichtingen bedoeld bij artikel 64, § 2, worden in het jaarverslag besproken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de in artikel 64, § 1, eerste lid, bedoelde personen optreden als tegenpartij bij toegelaten verrichtingen voor rekening van de instelling voor collectieve belegging, dan mogen de voorwaarden van deze verrichtingen niet afwijken van de marktvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de uitoefening van de stemrechten verbonden aan de effecten in de portefeuille van de instelling voor collectieve belegging, rechtstreeks of onrechtstreeks een belangenconflict kan doen ontstaan of heeft doen ontstaan in hoofde van de beheervennootschap of de personen die de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 3, 9°, a), van de wet waarnemen, wordt in het jaarverslag verantwoord hoe de instelling voor collectieve belegging het stemrecht heeft uitgeoefend of waarom zij het stemrecht niet heeft uitgeoefend Onderafdeling III. - Andere verbodsbepalingen en verplichtingen Art. 68.§ 1. Een instelling voor collectieve belegging mag de term « gewaarborgd kapitaal » of een gelijkaardige term enkel gebruiken mits aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de inschrijvingsprijs van de rechten van deelneming van de instelling voor collectieve belegging gedurende de initiële inschrijvingsperiode is integraal, onherroepelijk en onvoorwaardelijk gewaarborgd op vervaldag;2° de waarborg wordt verleend door een derde die onder prudentieel toezicht staat en gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en wordt geformaliseerd in een juridische bindend contract tussen de instelling voor collectieve belegging en deze derde;3° de waarborg geldt voor alle deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De identiteit van diegene die de waarborg verleent wordt zowel in het prospectus als in het vereenvoudigd prospectus van de instelling voor collectieve belegging vermeld. De nadere regels en de uitoefeningsvoorwaarden van de waarborg zijn beschreven in het prospectus van de instelling voor collectieve belegging. § 2. Een instelling voor collectieve belegging mag de term « kapitaalbescherming » of « beschermd kapitaal » of een gelijkaardige term enkel gebruiken mits aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° voor de inschrijvingsprijs van de rechten van deelneming van de instelling voor collectieve belegging gedurende de initiële inschrijvingsperiode geldt een volledige bescherming op vervaldag;2° om de bescherming te verlenen is een beleggingsstrategie vastgelegd waarbij belegd wordt in deposito's, schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door een onderneming die onder prudentieel toezicht staat en gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en/of schuldinstrumenten die zijn uitgegeven of gewaarborgd door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of waarbij een analoge structuur geldt met een identiek tegenpartijrisico;3° de bescherming geldt voor alle deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het prospectus en in het vereenvoudigd prospectus wordt melding gemaakt van het financiële mechanisme dat erop gericht is de kapitaalbescherming te verlenen, alsook van het feit dat er geen formele waarborg is verleend aan de deelnemers of aan de instelling voor collectieve belegging. Het financiële mechanisme dat de kapitaalbescherming verleent, wordt nader beschreven in het prospectus van de instelling voor collectieve belegging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een instelling voor collectieve belegging mag geen ontleningen aangaan. § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag een instelling voor collectieve belegging : 1° ontleningen in deviezen aangaan, waaraan leningen voor een zelfde waarde en met een zelfde looptijd zijn gekoppeld met als enig doel deviezen te kopen, mits ingevolge deze verrichtingen haar netto-schuldpositie ongewijzigd blijft of zal blijven;2° ontleningen aangaan tot 10 % van haar netto-activa, voor zover het gaat om kortlopende ontleningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een instelling voor collectieve belegging mag niet verkopen vanuit een ongedekte positie met betrekking tot effecten, geld-marktinstrumenten of andere in de artikel 32, § 1, en 45, § 1, bedoelde instrumenten. § 2. Voor de toepassing van voorgaande paragraaf verstaat men onder ongedekte verkopen : het rechtstreeks of onrechtstreeks verkopen van instrumenten zonder deze instrumenten in de portefeuille van de instelling voor collectieve belegging te houden, waardoor de instelling voor collectieve belegging het risico loopt om instrumenten te moeten verwerven aan een hogere prijs dan de leveringsprijs of om niet in staat te zijn de onderliggende instrumenten te kunnen leveren voor vereffening op vervaldag. § 3 Wanneer een financieel derivaat, automatisch of naar keuze van de tegenpartij, voorziet in de materiële levering van de onderliggende activa bij vervaldag of uitoefeningsdatum, en voor zover de materiële levering gewone praktijk voor de betrokken activa vormt, dient de instelling voor collectieve belegging de onderliggende activa in portefeuille te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval de risico's inherent aan de onderliggende activa van het betrokken financieel derivaat passend worden weergegeven door andere liquide activa en voor zover de onderliggende activa van het betrokken financieel derivaat zeer liquide zijn, kan de instelling voor collectieve belegging deze andere liquide activa houden als dekking, voor zover deze laatste activa op elk ogenblik kunnen worden gebruikt voor de verwerving van de te leveren onderliggende activa en voor zover het bijkomend marktrisico inherent aan dit type van verrichting passend wordt gemeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een financieel derivaat, automatisch of naar keuze van de instelling voor collectieve belegging, in contanten wordt afgewikkeld, moet de instelling voor collectieve belegging de onderliggende activa niet als dekking houden. In voorkomend geval houdt de instelling voor collectieve belegging als dekking : contanten, liquide schuldinstrumenten met passende waarborgen en andere zeer liquide activa onder passende waarborgen, voor zover deze laatste activa door de CBFA zijn aanvaard rekening houdend met hun correlatie met de onderliggende activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze paragraaf worden dekkingsinstrumenten als liquide beschouwd indien ze in een tijdspanne van minder dan 7 bankwerkdagen in contanten kunnen worden omgezet tegen een prijs die de actuele waardering van het instrument nauw benadert. Het bedrag in contanten moet ter beschikking zijn van de instelling voor collectieve belegging op de vervaldag of de uitoefeningdatum van het financieel derivaat. § 4. De noodzakelijke dekking wordt berekend volgens de commitment approach, bedoeld bij de artikelen 33 en 46. Art. 71.Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de artikelen 32, 34, 45 en 47 mag een instelling voor collectieve belegging geen kredieten verstrekken noch zich garant stellen ten voordele van derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin kan een instelling voor collectieve belegging steeds niet volgestorte effecten, geldmarktinstrumenten of andere instrumenten, bedoeld in artikel 32, § 1, 5°, 6°, 8° en 9°, of 45, § 1, 5°, 6°, 8° en 9°, verwerven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is elke instelling voor collectieve belegging verboden : 1° deel te nemen aan een vereniging voor vaste opneming of waarborg of aan enig andere financiële vereniging;2° financiële instrumenten uit te lenen, tenzij onder de voorwaarden vastgesteld bij koninklijk besluit.De mogelijkheid tot uitlening van financiële instrumenten moet desgevallend worden vermeld in het beheerreglement of de statuten en in het prospectus; 3° financiële instrumenten te verwerven van een privaatrechtelijke vennootschap of vereniging die failliet werd verklaard, een gerechtelijk akkoord of uitstel van betaling heeft verkregen of ten aanzien waarvan in het buitenland een gelijkaardige maatregel is getroffen;4° financiële instrumenten te verwerven van privaatrechtelijke vennootschappen of verenigingen die niet ten minste twee jaarrekeningen hebben openbaar gemaakt.Dit verbod geldt echter niet : a) voor de financiële instrumenten als bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, of 45, § 1, 1°;b) voor financiële instrumenten die de inbreng vertegenwoordigen van het totaal actief en passief van een privaatrechtelijke vennootschap of vereniging in vereffening die ten minste twee jaarrekeningen heeft openbaar gemaakt;c) voor financiële instrumenten die werden verworven na uitoefening van de inschrijvings- of conversierechten die verbonden zijn aan effecten in de instelling voor collectieve belegging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een instelling voor collectieve belegging kan cessie-retrocessieovereenkomsten (repurchase agreements) sluiten met de bedoeling tijdelijk liquide middelen op te nemen of tijdelijk liquide middelen te beleggen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 74</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Een instelling voor collectieve belegging mag niet inschrijven op het kapitaal van een beheervennootschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een instelling voor collectieve belegging mag niet optreden als oprichter van een vennootschap. § 2. Op verzoek van een belegger verstrekt de beheer- of beleggingsvennootschap aanvullende gegevens betreffende de kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn in het risicobeheer van de instelling voor collectieve belegging, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico's en rendementen van de voornaamste categorieën instrumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Ontbinding, vereffening en herstructurering van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten van een beleggingsvennootschap Art. 75.De verwijzingen in de artikelen 76 tot 95 naar het Wetboek van Vennootschappen hebben naar analogie betrekking op gemeenschappelijke beleggingsfondsen en compartimenten van beleggingsvennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Ontbinding en vereffening van instellingen voor collectieve belegging en van compartimenten van een beleggingsvennootschap Art. 76.§ 1. Het beheerreglement of de statuten van een instelling voor collectieve belegging bepalen dat de beslissingen tot ontbinding van de instelling voor collectieve belegging of van een compartiment van een beleggingsvennootschap worden genomen door de bevoegde algemene vergadering van deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval de beslissing tot ontbinding een compartiment van een beleggingsvennootschap betreft, bepalen de statuten van de beleggingsvennootschap dat de algemene vergadering van deelnemers van het betrokken compartiment bevoegd is om tot ontbinding van het compartiment te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheerreglement of de statuten van een instelling voor collectieve belegging kunnen, desgevallend per compartiment van een beleggingsvennootschap, de modaliteiten van vereffening bepalen evenals één of meerdere vereffenaars aanduiden. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kunnen het beheerreglement of de statuten van een instelling voor collectieve belegging voorzien in de ontbinding van rechtswege van de instelling voor collectieve belegging of een compartiment van een beleggingsvennootschap op de in het beheerreglement of de statuten bepaalde vervaldag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval vermelden het beheerreglement of de statuten de vereffeningswijze, de benoeming van één of meerdere vereffenaars en de wijze van afsluiting van de vereffening van de instelling voor collectieve belegging of van het compartiment van de beleggingsvennootschap. Indien de vereffening en de afsluiting van de vereffening betrekking hebben op een compartiment, bepalen de statuten van de betrokken beleggingsvennootschap op welke wijze de hieruit voortvloeiende statutenwijziging zal worden doorgevoerd. Art. 77.Het prospectus herneemt op wie de verbintenis rust tot tussenkomst ten voordele van de deelnemers in de gevallen bedoeld in de artikelen 83 en 84. Art. 78.§ 1. Wanneer het bestuursorgaan zich voorneemt om, overeenkomstig artikel 76, § 1, eerste lid, het besluit tot ontbinding van de instelling voor collectieve belegging of een compartiment van een beleggingsvennootschap aan de bevoegde algemene vergadering van deelnemers voor te leggen, dient het bestuursorgaan hiervan voorafgaandelijk kennis te geven aan de CBFA. Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd dat alle nodige elementen bevat teneinde de voorgenomen ontbinding en, in voorkomend geval, de voorgenomen vereffening te kunnen beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit dossier omvat inzonderheid, van zodra de betrokken stukken beschikbaar zijn, het verslag van het bestuursorgaan waarin het voorstel tot ontbinding wordt toegelicht, de staat van activa en passiva van de betrokken instelling voor collectieve belegging of van het betrokken compartiment van de beleggingsvennootschap, het controleverslag van de commissaris over deze staat van activa en passiva, het ontwerp van de oproeping bedoeld in artikel 79, het ontwerp van persbericht bedoeld in artikel 80, en, in voorkomend geval, het ontwerp van statutenwijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten gepaste tijde wordt het dossier aangevuld met alle andere verslagen en stukken die ten behoeve van de deelnemers door het bestuursorgaan of de commissaris in de loop van de ontbinding- en vereffeningprocedure worden opgesteld. § 2. In geval het beheerreglement of de statuten van een instelling voor collectieve belegging overeenkomstig artikel 76, § 2, voorzien in de ontbinding van rechtswege van de instelling voor collectieve belegging of van een compartiment van de beleggingsvennootschap, maakt het bestuursorgaan aan de CBFA een dossier over dat alle nodige elementen bevat teneinde de voorgenomen vereffening te kunnen beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit dossier omvat inzonderheid, van zodra de betrokken stukken beschikbaar zijn, het verslag van het bestuursorgaan inzake de vereffening, de staat van activa en passiva van de betrokken instelling voor collectieve belegging of van het betrokken compartiment van de beleggingsvennootschap, het controleverslag van de commissaris over de staat van activa en passiva en de vereffeningwaarde van de rechten van deelneming, en het ontwerp van persbericht bedoeld in artikel 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten gepaste tijde wordt het dossier aangevuld met alle andere verslagen en stukken die ten behoeve van de deelnemers door het bestuursorgaan of de commissaris in de loop van de ontbinding- en vereffeningprocedure worden opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het in artikel 78, § 1, bedoelde geval bevat de oproeping tot de algemene vergadering van de instelling voor collectieve belegging of van een compartiment van de beleggingsvennootschap, onverminderd de toepassing van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en de bepalingen van het beheerreglement of de statuten, volgende gegevens : 1° een bondige rechtvaardiging van het voorstel tot ontbinding, eventueel met verwijzing naar het verslag van het bestuursorgaan opgesteld overeenkomstig artikel 181, § 1, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen;2° een vermelding van de verplichting tot schorsing van de bepaling van de netto-inventariswaarde evenals van de uitvoering van aanvragen tot uitgifte en inkoop van de rechten van deelneming dan wel tot compartimentwijziging;3° vermelding van de in artikel 84 § 1, bedoelde mogelijkheid tot kosteloze inschrijving op rechten van deelneming van andere instellingen voor collectieve belegging of compartimenten en de modaliteiten ervan of van de in artikel 84, § 2, bedoelde begeleidingsmaatregelen De CBFA kan, gelet op de omstandigheden, bijkomende publicatiemodaliteiten voor het oproepingsbericht opleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van zodra de vereffeningwaarde van de rechten van deelneming is vastgesteld, wordt een persbericht gepubliceerd, dat minstens de volgende gegevens bevat : 1° naar gelang het geval, hetzij vermelding van de beslissing van de bevoegde algemene vergadering tot ontbinding van de instelling voor collectieve belegging of van het compartiment van een beleggingsvennootschap hetzij vermelding van de vervaldag en de ontbinding van rechtswege van de instelling voor collectieve belegging of van het compartiment van een beleggingsvennootschap;2° de vereffeningwaarde van de betrokken rechten van deelneming met aanduiding van de berekeningsdatum;3° in geval het beleggingsbeleid van de betrokken instelling voor collectieve belegging of van het betrokken compartiment van een beleggingsvennootschap gericht was op de verwezenlijking bij vervaldag van een bepaald rendement middels het gebruik van bepaalde technieken of derivaten, het actuariële rendement, uitgedrukt op jaarbasis, met verwijzingen naar het beleggingsdoel van de instelling voor collectieve belegging of het compartiment;4° de instellingen die instaan voor de uitbetaling van de vereffeningwaarde van de rechten van deelneming;5° de periode waarin de vereffeningwaarde van de rechten van deelneming wordt uitbetaald;6° in voorkomend geval, vermelding van de in artikel 84, § 1, bedoelde mogelijkheid tot kosteloze inschrijving op rechten van deelneming van andere instellingen voor collectieve belegging of compartimenten en de modaliteiten ervan of van de in artikel 84, § 2, bedoelde begeleidingsmaatregelen;7° vermelding dat de staat van activa en passiva, evenals de verslagen van het bestuursorgaan en het controleverslag van de commissaris zoals bedoeld bij artikel 78, beschikbaar zijn bij de onderneming bedoeld in artikel 73, § 2, van de wet;8° de aankondiging van de procedure die zal worden gevolgd voor de sluiting van de vereffening en dat, indien de definitief vastgestelde vereffeningwaarde zou verschillen van het bedrag bedoeld sub 2°, de modaliteiten van de uitbetaling van het verschil in een bijkomend persbericht zullen worden bekend gemaakt Dit persbericht wordt gepubliceerd hetzij in twee dagbladen die landelijk of in grote oplage worden verspreid hetzij via enig ander gelijkwaardig publicatiemiddel, dat door de CBFA is aanvaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van Boek IV, Titel IX van het Wetboek van Vennootschappen stelt de commissaris voorafgaandelijk een controleverslag op inzake elke uitbetaling aan de deelnemers die plaats vindt in het kader van de vereffening van een instelling voor collectieve belegging of van een compartiment van een beleggingsvennootschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderneming bedoeld in artikel 73, § 2 van de wet staat gedurende minstens 6 maanden in voor de uitbetaling aan de deelnemers van de vereffeningwaarde van de rechten van deelneming van een instelling voor collectieve belegging of een compartiment van een beleggingsvennootschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de loop van de 12 maanden voor de kennisgeving bedoeld in artikel 78, § 1, inkopen van rechten van deelneming hebben plaats gevonden die, op het ogenblik van ontbinding, gezamenlijk meer dan 30% van het netto-vermogen van de betrokken instelling voor collectieve belegging of het betrokken compartiment vertegenwoordigen, dragen de volgende personen bij tot de kosten verbonden aan de ontbinding, de vereffening en de afsluiting van de vereffening van de betrokken instelling voor collectieve belegging of het betrokken compartiment : 1° de personen die globaal meer dan 5 % van het totaal van de uitstaande rechten van deelneming hebben laten inkopen tijdens de periode van 12 maanden voor de kennisgeving bedoeld in artikel 78, § 1, alsof zij nog deelnemers waren, indien de persoon, aan wie de instelling voor collectieve belegging de beheertaken voor instellingen voor collectieve belegging bedoeld bij artikel 3, 9°, b), van de wet, heeft toevertrouwd, overeenkomstig het beheerreglement of de statuten, een procedure heeft ingesteld om gedurende 12 maanden de identiteit bij te houden van deze deelnemers;of, 2° de hiertoe in het prospectus aangeduide personen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In het in artikel 78, § 1, bedoelde geval moet aan de betrokken deelnemers gedurende minimaal een maand, te rekenen vanaf de inbetalingstelling van de vereffeningwaarde van de rechten van deelneming, de mogelijkheid worden geboden om zonder kosten, behoudens eventuele taksen, in te schrijven op rechten van deelneming van één of meerdere andere instellingen voor collectieve belegging of compartimenten die, bij voorkeur, een gelijkaardige beleggingspolitiek hebben als de ontbonden instelling voor collectieve belegging of het ontbonden compartiment. De instellingen voor collectieve belegging of compartimenten waarop deze inschrijvingsmogelijkheid betrekking heeft, zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 31 of 127 van de wet Deze inschrijvingsmogelijkheid moet aan elke deelnemer worden geboden ten bedrage van de globale vereffeningwaarde van zijn rechten van deelneming, desgevallend verhoogd met een bedrag opdat geen onderaandelen van rechten van deelneming aan de deelnemers zouden toekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het prospectus vermelde personen dragen de eventueel verschuldigde provisies en kosten, bedoeld in artikel 60, § 1, naar aanleiding van dergelijke inschrijving. § 2. De CBFA kan, ter vervanging van de in de eerste paragraaf vermelde mogelijkheid, gelijkwaardige begeleidingsmaatregelen aanvaarden. Art. 85.De invereffeningstelling van een instelling voor collectieve belegging of een compartiment van een beleggingsvennootschap leidt, naar gelang het geval, tot de schrapping van de inschrijving van de betrokken instelling voor collectieve belegging of van het betrokken compartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Herstructurering van instellingen voor collectieve belegging en compartimenten van beleggingsvennootschappen Art. 86.De artikelen 86 tot 95 hebben betrekking op herstructureringen waarbij enkel instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht of compartimenten van beleggingsvennootschappen naar Belgisch recht betrokken zijn. Art. 87.Het beheerreglement of de statuten van een instelling voor collectieve belegging bepalen dat de beslissingen tot fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichtingen en tot inbreng van een algemeenheid of een bedrijfstak met betrekking tot de instelling voor collectieve belegging of een compartiment van de beleggingsvennootschap worden genomen door de bevoegde algemene vergadering van deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval de beslissingen bedoeld in het voorgaande lid een compartiment van een beleggingsvennootschap betreffen, bepalen de statuten van de beleggingsvennootschap dat de algemene vergadering van deelnemers van het betrokken compartiment bevoegd is om tot herstructurering van het compartiment te beslissen. Art. 88.Het prospectus herneemt op wie de verbintenis rust tot tussenkomst ten voordele van de deelnemers in het geval bedoeld in artikel 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 83 is naar analogie van toepassing bij herstructurering. Art. 89.Wanneer het bestuursorgaan zich voorneemt om, overeenkomstig artikel 87, het besluit tot herstructurering van de instelling voor collectieve belegging of van een compartiment van een beleggingsvennootschap aan de bevoegde algemene vergadering van deelnemers voor te leggen of om een dergelijke herstructurering door te voeren, dient het bestuursorgaan hiervan voorafgaandelijk kennis te geven aan de CBFA. Bij deze kennisgeving wordt een dossier gevoegd dat alle nodige elementen bevat teneinde de voorgenomen herstructurering te kunnen beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit dossier omvat inzonderheid, voor zover de betrokken stukken moeten worden opgesteld en van zodra de betrokken stukken beschikbaar zijn, het fusievoorstel, splitsingsvoorstel of voorstel van inbreng, het verslag van het bestuursorgaan terzake, het verslag van de commissaris over het fusievoorstel, splitsingsvoorstel of voorstel van inbreng, het ontwerp van de oproeping bedoeld in artikel 91, het ontwerp van persbericht bedoeld in artikel 94, en in voorkomend geval, het ontwerp van wijziging van het beheerreglement of de statuten en van wijziging aan het prospectus en het vereenvoudigd prospectus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten gepaste tijde wordt het dossier aangevuld met alle andere verslagen en stukken die ten behoeve van de deelnemers door het bestuursorgaan of de commissaris in de loop van de herstructureringsprocedure worden opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de toepassing van het Wetboek van vennootschappen vermeldt het bestuursorgaan in het fusievoorstel, splitsingsvoorstel of het voorstel van inbreng : 1° indien de herstructurering betrekking heeft op compartimenten, de namen van de bij de herstructurering betrokken compartimenten en hun beleggingspolitiek;de voorgeschreven vermeldingen inzake de rechtsvorm, de naam, het doel en de zetel betreffen de beleggingsvennootschap waartoe de betrokken compartimenten behoren; 2° de voorgestelde methode tot berekening van de ruilverhouding van de rechten van deelneming en, in voorkomend geval, van het bedrag van de opleg. Op basis van de gegevens, gekend op het ogenblik van het neerleggen van het fusievoorstel, splitsingsvoorstel of voorstel van inbreng, moet de toepassing van de in het vorig lid, onder 2°, vermelde berekeningsmethode ertoe leiden dat elke deelnemer van de (het) over te nemen, te splitsen of inbrengende instelling voor collectieve belegging (compartiment) minstens één recht van deelneming ontvangt van de verkrijgende instelling voor collectieve belegging of het verkrijgend compartiment</p></div>", "next": 238798}