{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De afgeleverde akte of het afgeleverde attest ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in geen geval van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden. § 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen waarin de nalatenschap van de erflater niet uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, in geval van bestaan van onbekwame erfgenamen of erfgerechtigden of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking, een erfovereenkomst, een contractuele erfstelling of een huwelijksovereenkomst in hoofde van de erflater is alleen de notaris bevoegd om een akte of een attest van erfopvolging af te leveren. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de akte als het attest van erfopvolging vermelden op duidelijke wijze wie de erfgenamen en erfgerechtigden zijn die aanspraak kunnen maken op de tegoeden van de erflater, met vermelding van volgende identificatiegegevens: naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en eventueel de datum van overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest van erfopvolging het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. § 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen elke aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen of erfgerechtigden kunnen aanwijzen. § 6. De akte of het attest van erfopvolging, opgemaakt overeenkomstig de paragrafen 3 tot 5, geldt, tegenover derden te goeder trouw, als bewijs van hun erfgerechtigdheid of van hun erfgenaamschap voor alle personen die daarin als dusdanig zijn vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 7. Omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot Art. 4.60. Omzetting in onderling overleg Indien alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot meerderjarig en handelingsbekwaam zijn, kunnen zij in iedere stand van de zaak, in onderlinge overeenstemming en op de wijze die zij hebben vastgesteld, overgaan tot de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot of tot de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een van hen minderjarig of anderszins onbekwaam is, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke van overeenstemming, geschiedt de omzetting gerechtelijk, zoals bepaald in artikel 4.63.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht om de omzetting te vragen § 1. Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vragen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente. § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 7 kan de omzetting die gevraagd wordt door een afstammeling, of door een geadopteerd kind, of door een afstammeling van deze, die niet tevens afstammeling of geadopteerd kind, of afstammeling van deze, van de langstlevende echtgenoot is, niet worden geweigerd, indien die vraag is gesteld binnen de termijnen bepaald in artikel 4.63, § 2 Hetzelfde geldt voor de omzetting die gevraagd wordt door de langstlevende echtgenoot wanneer de blote eigendom geheel of gedeeltelijk behoort aan afstammelingen en geadopteerde kinderen zoals omschreven in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot anders zijn overeengekomen, wordt het vruchtgebruik in de gevallen vermeld in het eerste en tweede lid, omgezet in een onverdeeld aandeel van de nalatenschap in volle eigendom. Dit aandeel wordt bepaald op basis van de omzettingstabellen bedoeld in artikel 4.64, § 3, en de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de vraag. De artikelen 4.63, § 3, en 4.64, §§ 2, 4 en 6, zijn van overeenkomstige toepassing. § 3. Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting vragen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde geval kan hij te allen tijde vragen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in paragraaf 7 hem tegen geld wordt overgedragen. § 4. Behalve in de omstandigheden waarvan sprake in paragraaf 2, kan de familierechtbank de omzetting weigeren wanneer omwille van de gezondheidstoestand van de vruchtgebruiker zijn verwachte levensduur manifest lager is dan deze van de statistische tabellen, tenzij de rechtbank artikel 4.64, § 4, toepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kan ook de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden. § 5. Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in de paragrafen 1 en 2 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot. § 6. De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer kan alleen worden gevraagd door degene die dat recht bezit. § 7. Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aard van het recht op omzetting § 1. Het recht om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7, te vragen, geldt voor elk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, onverschillig of het verkregen is krachtens de wet of bij testament, dan wel ingevolge huwelijksovereenkomst of contractuele erfstelling Dit recht is persoonlijk en niet vatbaar voor overdracht. Het kan niet worden uitgeoefend door de schuldeisers van de rechthebbende. § 2. Het recht om de omzetting te vragen kan niet worden ontnomen aan de afstammelingen uit een vorige relatie van de vooroverleden echtgenoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de langstlevende echtgenoot kan niet het recht worden ontnomen om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7, te vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtelijke omzetting § 1. De vraag tot omzetting of tot overdracht van de blote eigendom wordt aan de familierechtbank voorgelegd. Ze wordt aanhangig gemaakt op verzoekschrift. Alle erfgenamen worden in het geding geroepen bij gerechtsbrief Wanneer de rechtbank de eis geheel of ten dele toewijst, bepaalt zij de wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval gelast zij de verkoop van de volle eigendom van het geheel of van een deel van de goederen die met vruchtgebruik belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. De omzetting bedoeld in artikel 4.61, § 2, kan echter enkel in het kader van de procedure van vereffening en verdeling worden gevraagd, uiterlijk bij de mededeling van de aanspraken vermeld in artikel 1218, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Is de vraag niet binnen die termijn gesteld, dan kan de omzetting later nog worden gevorderd, maar behoudt de rechtbank dezelfde beoordelingsbevoegdheid als bij een vraag tot omzetting op grond van artikel 4.61, § 1. Zo ook indien de omzetting van het vruchtgebruik wordt gevraagd nadat de nalatenschap minnelijk verdeeld is, met geheel of gedeeltelijk behoud van het vruchtgebruik voor de langstlevende. § 3. De vruchtgebruiker behoudt het vruchtgebruik van de goederen tot op het ogenblik dat de kapitalisatiewaarde van zijn vruchtgebruik hem effectief is betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot dat ogenblik brengt deze som geen interesten op in het voordeel van de vruchtgebruiker, behalve indien de vruchtgebruiker na de definitieve vaststelling van de kapitalisatiewaarde van zijn vruchtgebruik beslist om afstand te doen van het genot van het goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval zal aan de vruchtgebruiker een interest verschuldigd zijn gelijk aan de wettelijke interest vanaf het ogenblik waarop deze aan de blote eigenaar, bij aangetekende zending of deurwaardersexploot, bevestigt dat hij afstand heeft gedaan van het genot van het goed en hij de blote eigenaar in gebreke stelt tot het betalen van deze interest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.64</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waardering van het vruchtgebruik § 1. Tenzij partijen anders zijn overeengekomen gebeurt de waardering van het vruchtgebruik op basis van de verkoopwaarde van de goederen, van de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de indiening van het in het artikel 4.63, § 1, eerste lid, bedoelde verzoekschrift, en van de in paragraaf 3 vermelde omzettingstabellen. § 2. Ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met afstammelingen uit een vorige relatie, wordt de langstlevende echtgenoot geacht ten minste twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling uit een vorige relatie. § 3. De minister van Justitie bepaalt voor de omzetting van het vruchtgebruik twee omzettingstabellen: een voor mannen en een voor vrouwen Deze omzettingstabellen bepalen de waarde van het vruchtgebruik als een percentage van de normale verkoopwaarde van de goederen onderworpen aan het vruchtgebruik, rekening houdend met: 1° de gemiddelde rentevoet over de laatste twee jaar van de lineaire obligaties waarvan de maturiteit gelijk is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker.De rentevoet die overeenstemt met de hoogste maturiteit wordt toegepast wanneer de levensverwachting deze maturiteit overschrijdt. Deze rentevoet wordt toegepast na aftrek van de roerende voorheffing. De bij het opstellen van de omzettingstabellen in aanmerking te nemen rentevoet mag evenwel niet lager zijn dan 1 % per jaar. De periode van twee jaar loopt vanaf 1 mei van het tweede aan de bekendmaking van de omzettingstabellen voorafgaande jaar tot 30 april van het jaar van de bekendmaking van die tabellen; 2° de Belgische prospectieve sterftetafels die jaarlijks worden gepubliceerd door het Federaal Planbureau. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer evenwel omwille van de gezondheidstoestand van de vruchtgebruiker zijn verwachte levensduur manifest lager is dan deze van de statistische tabellen, en indien geen toepassing werd gemaakt van artikel 4.61, § 4, eerste lid, kan de rechtbank, op vraag van een blote eigenaar of van de langstlevende echtgenoot, de toepassing van de omzettingstabellen uitsluiten en andere omzettingsvoorwaarden bepalen. § 5. De minister van Justitie bepaalt jaarlijks op 1 juli de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde omzettingstabellen. Bij deze gelegenheid houdt hij rekening met de in paragraaf 1 en in paragraaf 3, tweede lid, vermelde parameters en met de voorstellen van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, na kennis te hebben genomen van de resultaten van de werkzaamheden geleverd door het Federaal Planbureau en het Instituut voor actuarissen in België.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omzettingstabellen worden ieder jaar in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Naast de leeftijd van de vruchtgebruiker vermelden deze tabellen zijn levensverwachting evenals de overeenkomstige rentevoet en waarde van het vruchtgebruik. § 6. De waarde van het vruchtgebruik verstrekt door de omzettingstabellen is gelijk aan het verschil tussen de waarde van de volle eigendom en de waarde van de blote eigendom. De waarde van de blote eigendom is gelijk aan een breuk waarvan de teller gelijk is aan de waarde van de volle eigendom; de noemer is gelijk aan één te vermeerderen met de rentevoet, deze som zijnde verheven tot de macht die gelijk is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker. De levensverwachting uitgedrukt in jaren, de rentevoet uitgedrukt in procent, en de waarde van het vruchtgebruik uitgedrukt in procent van de waarde van de volle eigendom, bevatten twee decimalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 8. Verdeling en inbreng Hoofdstuk 1. Verdeling Afdeling 1. Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-465\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op een verrekenbaar voorschot § 1. De betaling van tegoeden die gedeponeerd zijn op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de erflater of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, is bevrijdend indien de schuldenaar, na het overlijden en zonder dat een attest of akte van erfopvolging vereist is, aan de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende, op diens verzoek, een bedrag ter beschikking stelt dat de helft van de beschikbare creditsaldi noch 5 000 euro overschrijdt, ongeacht het bestaan van enig recht van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende op het saldo van de rekening. § 2. De ter beschikking gestelde bedragen worden bij de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen, van de onverdeeldheid of van de nalatenschap in rekening gebracht De erfgenamen behouden echter jegens de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende een vorderingsrecht, ten belope van het bedrag dat het gedeelte overschrijdt dat deze laatste toekomt bij de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen, van de onverdeeldheid of van de nalatenschap. § 3. De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende mag met toepassing van paragraaf 1 slechts een bedrag van ten hoogste 5 000 euro opvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schuldenaar van tegoeden gedeponeerd op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de overledene of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, wijst de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende op deze beperking, alsook op de in het derde lid bepaalde sanctie bij niet-naleving ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met toepassing van paragraaf 1 een bedrag heeft afgehaald dat hoger is dan de helft van de beschikbare credietsaldi of 5 000 euro, verliest ter waarde van de som die boven dat bedrag is afgehaald enig aandeel in het gemeenschappelijk vermogen, de onverdeeldheid of de nalatenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met toepassing van deze paragraaf enig aandeel verliest, verliest daarenboven de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen of te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. Al verwerpt hij de nalatenschap, toch blijft hij zuiver erfgenaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-466\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op verdeling Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven. De verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enig andersluidend beding De verdeling kan echter uitgesteld worden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.75, tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-467\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verdeling in onderling overleg Wanneer alle mede-erfgenamen meerderjarig, aanwezig of vertegenwoordigd, en bekwaam zijn, kan de verdeling minnelijk gebeuren, in zodanige vorm en bij zodanige akte als de mede-erfgenamen dienstig oordelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-468\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verdeling met minderjarigen of beschermde meerderjarigen Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, of andere personen zoals omschreven in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de minnelijke verdeling evenwel zoals in artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald. Zo ook indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard. Afdeling 2. Vordering tot verdeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-469\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepaling Verdeling kan gevorderd worden, zelfs wanneer een van de mede-erfgenamen het afzonderlijk genot mocht hebben gehad van een gedeelte van de goederen van de nalatenschap, tenzij er een akte van verdeling is geweest of een tot het verkrijgen van de verjaring voldoende bezit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-470\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot verdeling met minderjarigen of beschermde meerderjarigen De vordering tot verdeling ten aanzien van minderjarige of meerderjarige mede-erfgenamen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, kan worden ingesteld door hun voogd of bewindvoerder die daartoe bijzonder gemachtigd is door de vrederechter van het voogdijforum of het bewindsforum. Afdeling 3. Bepalingen die voor elke verdeling gelden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Principe van de netto verdeling § 1. Iedere mede-erfgenaam die tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap gehouden is, kan eisen dat deze schulden en lasten worden betaald vooraleer tot verdeling in natura wordt overgegaan, en dat, zo nodig, onverdeelde goederen vooraf worden verkocht, indien de bankrekeningen en het gereed geld, behorend tot de boedel, hiervoor niet voldoende lijken. § 2. De onverdeelde goederen worden in de onderstaande volgorde ter voldoening van het passief besteed: 1° het geld en de bankrekeningen;2° de openbare fondsen, de effecten op naam, de schuldvorderingen en de andere onlichamelijke roerende goederen;3° de lichamelijke roerende goederen;4° de onroerende goederen. § 3. Iedere mede-erfgenaam kan evenwel de verkoop bedoeld in paragraaf 1 verhinderen door een voldoende zekerheid te verschaffen tegen ieder verhaal. § 4. Indien de mede-erfgenamen het over de aanwijzing van de bij voorrang te verkopen goederen niet eens zijn, wordt het geschil in het kader van de gerechtelijke verdeling behandeld en beoordeeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Principe van de inbreng van giften en schulden Iedere mede-erfgenaam doet, volgens de regels van Hoofdstuk 2, in de boedel inbreng van de giften die hem gedaan zijn en van de sommen die hij schuldig is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.73</span><span class=\"lf-art-t\">Principe van de verdeling in natura § 1. De verdeling van de nalatenschap gebeurt in principe in natura</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt naar gestreefd voor elke mede-erfgenaam een kavel te vormen met goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gelijkheid die tussen de mede-erfgenamen moet worden verwezenlijkt is echter een gelijkheid in waarde. § 2. Bij de verdeling in natura moet men de verbrokkeling van erven en de splitsing van bedrijven zoveel mogelijk vermijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-474\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op het principe van de verdeling in natura Van de regel van de verdeling in natura wordt afgeweken indien een mede-erfgenaam zich op een wettelijke, testamentaire of conventionele bepaling beroept, die hem het recht verleent zich bepaalde goederen uit de boedel bij voorrang te laten toewijzen, dan wel dergelijke goederen bij voorkeur over te nemen of vooruit te nemen Indien een mede-erfgenaam, die zich niet op een dergelijke wettelijke, testamentaire of conventionele bepaling kan beroepen, de toewijzing van een onverdeeld goed vraagt, en de andere mede-erfgenamen stemmen daarmee in, dan kunnen alle mede-erfgenamen in onderlinge overeenstemming ook bedingen dat de overnemende mede-erfgenaam het toegewezen goed gedurende een nader te bepalen periode niet vrijwillig ten bezwarende titel mag vervreemden, tenzij met instemming van alle mede-erfgenamen. Ze kunnen tevens een forfaitaire vergoeding bepalen voor het geval dit verbod wordt miskend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-475\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.75</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opleg en compensatie § 1. Indien de samenstelling van de boedel niet toelaat om kavels van gelijke waarde te vormen, wordt deze ongelijkheid door middel van een opleg verrekend. § 2. Wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een reservatair deel van de nalatenschap bezwaart. § 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtgebruik, in de mate waarin dit hun recht op een reservatair deel van de nalatenschap bezwaart. § 4. De compensatie bedoeld in paragrafen 2 en 3 komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten zoals bepaald in artikel 4.154, § 3, alsook van de kinderen zelf voor zover zij, naast hun reserve, in de goederen van de nalatenschap ook het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, met uitsluiting van de reserve van de kinderen De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot of van de wettelijke samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 4.64.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-476\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige verkoop § 1. Bij een minnelijke verdeling worden onverdeelde goederen die geen van de mede-erfgenamen in zijn kavel wil of kan nemen, uit de hand of openbaar verkocht Indien alle mede-erfgenamen het daarover eens zijn, kunnen ze ook beslissen dat de goederen bij opbod voor een notaris worden verkocht, waarbij derden niet worden toegelaten. § 2. Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, of andere personen bedoeld in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft de verkoop echter plaats zoals bepaald in deel IV, boek IV, hoofdstuk IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Zo ook indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard. In al deze gevallen worden derden altijd tot de veiling opgeroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-477\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedwongen verkoop van niet verdeelbare goederen Bij een gerechtelijke verdeling worden onverdeelde goederen die niet gevoeglijk kunnen worden verdeeld, verkocht zoals bepaald in artikelen 1224 en 1224/1 van het Gerechtelijk Wetboek. Afdeling 4. Bijzondere bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-478\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Provisionele verdeling Indien artikel 4.68 van toepassing is, en de daarin vermelde regels voor de verdeling niet werden nageleefd, is de verdeling slechts provisioneel Een provisionele verdeling geldt enkel als verdeling van het genot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-479\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.79</span><span class=\"lf-art-t\">Onderonverdeeldheid De regels bepaald voor de verdeling van de te verkavelen boedels, gelden eveneens voor de onderverdeling binnen de deelhebbende staken</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-480\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Later opkomende erfgenamen De erfgenamen wier banden van verwantschap met de erflater niet zijn vastgesteld en die hun rechten niet hebben opgeëist binnen zes maanden na het openvallen van de nalatenschap, kunnen de geldigheid van de handelingen die later te goeder trouw zijn verricht door de andere erfgenamen of legatarissen, niet meer betwisten noch hun aandeel in natura opvorderen van de goederen die door deze laatsten na die termijn zijn vervreemd of verdeeld De erfgenaam die niet bij de verdeling werd betrokken, behoudt het recht om de tegenwaarde van zijn aandeel te vorderen. Afdeling 5. Overdracht van erfrechten en erfuitkoop</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overdracht van erfrechten Hij die zijn erfrechten verkoopt zonder de goederen waaruit de nalatenschap bestaat, stuk voor stuk op te geven, moet slechts voor zijn hoedanigheid van erfgenaam instaan Wanneer hij reeds de vruchten van enig goed had genoten, of het bedrag van enige tot die nalatenschap behorende schuldvordering had ontvangen, of enig goed ervan had verkocht, is hij verplicht die aan de koper te vergoeden, behalve indien hij ze uitdrukkelijk voor zich had voorbehouden bij het aangaan van de koop.</p>\n<p class=\"lf-p\">De koper van zijn kant is verplicht aan de verkoper te vergoeden wat hij wegens schulden en lasten van de nalatenschap betaald heeft, en hem te betalen wat hij als schuldeiser te vorderen had, tenzij het tegendeel is bedongen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erfuitkoop Ieder die, ook al is hij verwant van de erflater, niet zijn erfgenaam is, en aan wie een mede-erfgenaam zijn erfrechten heeft overgedragen, kan uit de verdeling worden geweerd, hetzij door alle mede-erfgenamen, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht hem wordt terugbetaald</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. Inbreng Afdeling 1. Inbreng van giften</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inbrengplicht § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, en van de artikelen 4.254 tot 4.259, moet iedere erfgenaam in rechte neerdalende lijn, die tot een nalatenschap komt, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn mede-erfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, tenzij de schenkingen en legaten met zekerheid zijn vrijgesteld van inbreng Een gift is ook van inbreng vrijgesteld, als ze buiten deel of bij vooruitmaking is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid, worden de algemene legaten en de legaten onder algemene titel vermoed te zijn vrijgesteld van inbreng, tenzij de inbreng met zekerheid is opgelegd. § 2. De giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zijn niet vatbaar voor inbreng.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noch de langstlevende echtgenoot, noch de langstlevende wettelijk samenwonende kan de inbreng eisen van giften die aan andere erfgenamen zijn gedaan, ongeacht of deze giften tussen de andere erfgenamen moeten worden ingebracht of van inbreng zijn vrijgesteld. § 3. De verwant die tot de nalatenschap komt en die geen erfgenaam in rechte neerdalende lijn is, moet hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, niet inbrengen tenzij de inbreng hem met zekerheid is opgelegd. § 4. De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam was, maar erfgenaam is op de dag dat de nalatenschap openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, onder de voorwaarden bepaald in dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van de inbrengplicht De schenking die oorspronkelijk moest worden ingebracht, kan later van inbreng worden vrijgesteld, door een contract dat tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten De schenking die oorspronkelijk vrijgesteld van inbreng was, kan later aan inbreng worden onderworpen, door een contract dat tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het contract dat deze modaliteit van de schenking wijzigt, zoals bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt opgesteld in de vorm van een schenking. De artikelen 4.249 tot 4.253 zijn niet van toepassing op dit contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schenker kan de aard van de schenking die oorspronkelijk al of niet moest worden ingebracht ook bij testament wijzigen. In dat geval is de begiftigde slechts door deze wijziging gebonden indien hij ze na het overlijden van de schenker aanvaardt. Deze aanvaarding blijft zonder invloed op de uitoefening van het keuzerecht van de begiftigde in de nalatenschap van de schenker.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gift wordt overeenkomstig de regels bepaald in artikel 4.154, aangerekend op de datum van het contract bedoeld in het derde lid of, indien de wijziging bij testament gebeurt, op de datum van het overlijden van de schenker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwerp van de inbrengplicht § 1. Een erfgenaam gehouden tot inbreng, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap komt, is slechts gehouden tot inbreng van wat hij zelf heeft gekregen van de erflater, en niet van wat zijn vader of zijn moeder heeft gekregen, zelfs wanneer hij zijn of haar nalatenschap mocht aanvaard hebben. Behoudens andersluidend beding gemaakt overeenkomstig paragraaf 2, brengt hij evenmin in wat zijn kind of zijn afstammeling heeft gekregen. § 2. Het kind van de schenker kan zich echter, hetzij in de schenkingsakte, hetzij in een later contract gesloten met de schenker en de begiftigde, ertoe verbinden de schenking aan zijn eigen kind in te brengen in de nalatenschap van de schenker, indien hij deze aanvaardt. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn op deze verbintenis van toepassing De goederen ontvangen door het begiftigde kleinkind worden in de nalatenschap van het kind dat zich heeft verbonden tot inbreng overeenkomstig het eerste lid, behandeld alsof hij de goederen gekregen heeft van deze laatste.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inbreng bij plaatsvervulling, verwerping of onwaardigheid § 1. De afstammelingen die bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komen, moeten in deze nalatenschap de giften die ze zelf van de erflater hebben gekregen inbrengen, tenzij ze hiervan werden vrijgesteld Zelfs ingeval zij diens nalatenschap mochten hebben verworpen, moeten zij ook de giften die hij, van wie ze de plaats vervullen, van de erflater heeft gekregen, inbrengen tenzij hij van inbreng werd vrijgesteld. § 2. De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, mag, indien hij geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, de hem gedane schenking behouden, of het hem gemaakte legaat opeisen, ten belope van het beschikbaar deel. § 3. De erfgerechtigde die onwaardig is om te erven, en die geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, mag de gedane schenking slechts behouden, of het hem gemaakte legaat slechts opeisen, ten belope van het beschikbaar deel en voor zover de gift niet herroepen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-487\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.87</span><span class=\"lf-art-t\">Niet in te brengen giften § 1. Schenkingen en legaten aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een erfgerechtigde moeten niet worden ingebracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de schenkingen en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten of wettelijk samenwonenden gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, dan brengt deze laatste de helft daarvan in. Zijn de schenkingen en legaten gedaan aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in. § 2. De kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het aanleren van een ambacht, kosten van bruiloft en gebruikelijke geschenken zijn geen giften. De aard van gebruikelijk geschenk wordt beoordeeld op de dag waarop het wordt toegekend en rekening houdend met het vermogen van de beschikker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gediend heeft om aan een van de mede-erfgenamen een stand te verschaffen of om zijn schulden te betalen, moet echter wel ingebracht worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-488\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Modaliteiten van de inbrengplicht § 1. Inbreng is slechts verschuldigd in de nalatenschap van de schenker, en enkel door een mede-erfgenaam aan zijn mede-erfgenamen Hij is niet verschuldigd aan de legatarissen of aan de schuldeisers van de nalatenschap. § 2. Schenkingen die moeten ingebracht worden, worden voor het geheel ingebracht, zelfs indien ze, na aanrekening op de globale reserve, voor het overige op het beschikbaar deel worden aangerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legaten die moeten ingebracht worden en, na aanrekening op de globale reserve, voor het overschot op het beschikbaar deel worden aangerekend, worden slechts ingebracht voor de waarde die na eventuele inkorting over blijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-489\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inbreng in waarde § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 4.92, geschiedt de inbreng in waarde niettegenstaande elk andersluidend beding, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door de betaling aan de boedel van de waarde van het geschonken of het gelegateerde goed. De inbreng door mindere ontvangst gebeurt hetzij door vooruitneming, hetzij door verrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar. § 2. Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een deel van gelijke waarde vooraf uit de boedel van de nalatenschap. De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid als het voorwerp van de ingebrachte giften Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de boedel overblijft, zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of deelhebbende staken zijn. § 3. Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar, dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, geschiedt de inbreng door betaling van het overschot aan de boedel. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt het op zijn aandeel in te brengen bedrag slechts aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de boedel toekomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-490\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In te brengen waarde § 1. De inbreng van legaten geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het gelegateerde goed op de dag van het openvallen van de nalatenschap. § 2. De inbreng van schenkingen geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking, geïndexeerd vanaf deze dag tot op de dag van het overlijden, in functie van de index van de consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker, met als basisindex deze van de maand waarin de schenking werd gedaan. Er wordt geen rekening gehouden met de vruchten die het geschonken goed heeft opgebracht tussen de dag van de schenking en deze van het overlijden van de beschikker, noch met het voordeel dat de begiftigde heeft gehaald uit het genot van het goed tijdens deze periode. § 3. Van paragraaf 2 wordt afgeweken wanneer de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom van het geschonken goed niet vanaf de dag van de schenking had In dat geval, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden van de beschikker, indien de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom verkrijgt op het ogenblik van het overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na het overlijden, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na de schenking, doch voor het overlijden van de beschikker, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden overeenkomstig paragraaf 2. § 4. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking is deze vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, behoudens indien zij manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op de dag van de schenking. § 5. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schenker en de begiftigde kunnen overeenkomen dat de inbreng van een schenking bedoeld in paragraaf 3 zal geschieden volgens de intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking, geïndexeerd zoals bepaald in paragraaf 2. Deze waarde geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde. § 7. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op het contract bedoeld in paragraaf 6, en de aanvaarding bedoeld in de paragrafen 5 en 6. § 8. De in paragrafen 5 en 6 bedoelde verklaring van de erfgenamen ontneemt hen niet het recht om inkorting te vragen overeenkomstig de artikelen 4.150 tot 4.157. § 9. Zelfs wanneer het geschonken goed door overmacht is teniet gegaan, moet zijn waarde overeenkomstig de vorige paragrafen worden ingebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-491\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.91</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Interest op de inbrengschuld De waarde die overeenkomstig artikel 4.90 moet worden ingebracht, brengt van rechtswege interesten op aan de wettelijke rentevoet te rekenen van de dag van het overlijden van de beschikker</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-492\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanbod tot inbreng in natura De erfgenaam die tot de inbreng is gehouden, heeft de mogelijkheid om zijn verplichting uit te voeren door het geschonken goed in natura in te brengen, voor zover dit hem nog toebehoort en dit vrij is van elke last of bezetting, waarmee het nog niet bezwaard was ten tijde van de schenking Deze inbreng geeft aanleiding tot de betaling van een opleg ten laste van de boedel, indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht de in te brengen waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ 2 en 3 overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht lager is dan de in te brengen waarde, is een opleg verschuldigd aan de boedel, ten laste van de erfgenaam die tot inbreng is gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-493\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dwingend recht De artikelen 4.89, 4.90 en 4.92 zijn van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij de wet anders bepaalt en tenzij de erfgenamen, na het openvallen van de nalatenschap, anders overeenkomen. Afdeling 2. Inbreng van schulden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-494\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In te brengen schulden Om de gelijke behandeling van de mede-erfgenamen in de verdeling te verzekeren, wordt de vaststaande schuld die een mede-erfgenaam tegenover de boedel heeft, in de te verdelen boedel ingebracht. De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-495\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voldoening van de in te brengen schuld De inbreng van de schulden geschiedt hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling van het verschuldigde bedrag aan de boedel Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een gelijk bedrag vooraf uit de boedel van de nalatenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam- schuldenaar, dan dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, blijft de mede-erfgenaam het saldo verschuldigd met toepassing van de voorwaarden en termijnen die voor de oorspronkelijke schuld golden. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt zijn schuld slechts op zijn aandeel aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de boedel toekomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-496\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opeisbaarheid van de in te brengen schuld Tenzij ze betrekking heeft op de prijs van verkochte goederen uit de onverdeeldheid, is de schuld pas opeisbaar vanaf het sluiten van de verdelingsverrichtingen. De mede-erfgenaam schuldenaar kan echter beslissen om de schuld eerder te voldoen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-497\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Interesten op de in te brengen schuld De interesten op de schuld lopen door zoals oorspronkelijk was bedongen of beslist. Indien geen interest was bedongen of opgelegd, dan lopen de interesten van rechtswege vanaf het overlijden, aan de wettelijke rentevoet. Indien de schuld tijdens de onverdeeldheid is ontstaan, lopen de interesten van rechtswege vanaf de datum van opeisbaarheid, aan de wettelijke rentevoet Hoofdstuk 3. Schulden en lasten van de nalatenschap Art. 4.98. Verplichting tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap De erfgenamen zijn, persoonlijk naar evenredigheid van hun aandeel, en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, onder voorbehoud van hun verhaal op hun mede-erfgenamen, voor het aandeel waarvoor deze laatsten daarin moeten bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titels die tegen de erflater uitvoerbaar waren, zijn ook tegen de erfgenaam persoonlijk uitvoerbaar. Niettemin kunnen de schuldeisers de tenuitvoerlegging daarvan eerst vervolgen acht dagen na de betekening van die titels aan de persoon of aan de woonplaats van de erfgenaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-499\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.99</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Scheiding van de boedels § 1. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen in elk geval en tegen elke schuldeiser vorderen dat de boedel van de erflater wordt afgescheiden van de boedel van de erfgenaam. § 2. Dit recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, wanneer er schuldvernieuwing heeft plaatsgehad door de erfgenaam als schuldenaar aan te nemen. § 3. Dit recht verjaart ten aanzien van roerende goederen door verloop van drie jaar Ten aanzien van onroerende goederen kan de vordering ingesteld worden zolang deze goederen zich in handen van de erfgenaam bevinden. § 4. Schuldeisers van een erfgenaam zijn niet bevoegd om tegen de schuldeisers van de nalatenschap de afscheiding van de boedels te vorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijdrage in de schulden en lasten van de nalatenschap § 1. De mede-erfgenamen dragen onderling bij in de betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, ieder naar evenredigheid van wat hij daaruit ontvangt. § 2. De mede-erfgenaam, die, ten gevolge van de hypotheek, meer dan zijn aandeel in de erfschuld betaalde, heeft op de overige mede-erfgenamen geen verder verhaal dan voor het aandeel dat ieder van hen persoonlijk in de schuld moet dragen, zelfs wanneer de mede-erfgenaam die de schuld betaalde, zich in de rechten van de schuldeisers heeft doen stellen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten van de mede-erfgenaam die, ten gevolge van het voorrecht van boedelbeschrijving, het vermogen mocht hebben behouden om, zoals ieder andere schuldeiser, betaling van zijn persoonlijke schuldvordering te eisen. § 3. In geval van onvermogen van een van de mede-erfgenamen, wordt zijn aandeel in de hypothecaire schuld over alle anderen naar evenredigheid omgeslagen. § 4. Indien de mede-erfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat waarin ze zich bevindt, en een met hypotheek bezwaard onroerend goed aan een van hen wordt toegewezen, die alleen de last zal dragen van de door de hypotheek gewaarborgde rente of de schuld moet dragen, wordt het onroerend goed geschat, na aftrek van het kapitaal van de rente of van de schuld De erfgenaam in wiens kavel dat onroerend goed valt, blijft belast met de uitkering van de rente of de betaling van de schuld, en hij moet zijn mede-erfgenamen daarvoor vrijwaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4101\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.101</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verzet tegen de verdeling Schuldeisers van een erfgenaam kunnen, om te beletten dat de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt. Zij hebben het recht op eigen kosten in de verdeling tussen te komen Tegen een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4. Gevolgen van de verdeling en vrijwaring van de kavels Art. 4.102. Declaratieve werking Ieder mede-erfgenaam wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.103</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijwaring § 1. De mede-erfgenamen moeten elkaar alleen voor die stoornissen en uitwinningen vrijwaren, waarvan de oorzaak vóór de verdeling bestond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwaring vindt niet plaats indien ze betrekking heeft op een uitwinning die door een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte van verdeling is uitgesloten. Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam door eigen schuld uitwinning ondergaat. § 2. Ieder mede-erfgenaam is persoonlijk gehouden, naar evenredigheid van zijn erfdeel, zijn mede-erfgenaam schadeloos te stellen voor het verlies dat de uitwinning hem heeft veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een van de mede-erfgenamen onvermogend is, wordt het door hem verschuldigde aandeel evenredig omgeslagen over de gevrijwaarde en alle erfgenamen die in staat zijn te betalen. § 3. De vordering tot vrijwaring tegen het onvermogen van de schuldenaar van een rente kan slechts worden ingesteld binnen vijf jaar na de verdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat geen grond tot vrijwaring wegens het onvermogen van de schuldenaar, wanneer dit pas na het voltrekken van de verdeling is ontstaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Betwisting van de verdeling Art. 4.104. Geweld of bedrog Verdelingen kunnen worden vernietigd wegens geweld of bedrog.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hij tegen wie een vordering tot vernietiging is ingesteld kan die tegenhouden en een herverdeling beletten, door aan de eiser, hetzij in geld, hetzij in natura, aan te bieden en te verschaffen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering tot vernietiging wegens bedrog of geweld van een mede-erfgenaam die zijn kavel geheel of ten dele vervreemd heeft, is niet meer ontvankelijk, indien hij de vervreemding gedaan heeft na het ontdekken van het bedrog of het ophouden van het geweld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Benadeling § 1. Wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde is benadeeld, kan hij tegen de anderen een vordering instellen tot aanvulling van het gedeelte dat hem bij de verdeling is toegekend De aanvulling wordt hem in geld toegekend, tenzij de partijen anders overeenkomen. § 2. Om te beoordelen of er benadeling geweest is, schat men de goederen op hun waarde ten tijde van de verdeling. § 3. De vordering tot aanvulling is toegestaan tegen elke handeling, ongeacht de benaming ervan, die ertoe strekt de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden. In geval van opeenvolgende gedeeltelijke verdelingen wordt het nadeel slechts beoordeeld bij de afsluiting van de verdeling. § 4. Ingeval de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling deel uitmaakt van een dading, is de vordering niet toegestaan ten aanzien van die dading. § 5. De vordering is niet toegelaten tegen een verkoop van erfrecht, zonder bedrog aan een mede-erfgenaam, op zijn risico gedaan door zijn overige mede-erfgenamen of door een van hen. § 6. De vordering tot aanvulling verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de verdeling of, in geval van gedeeltelijke opeenvolgende verdelingen, vanaf de datum van afsluiting van de verdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 9. Kleine nalatenschappen Art. 4.106. Afwijkende regeling Wanneer, voor het geheel of voor een deel, een nalatenschap onroerende goederen bevat, waarvan het integrale kadastraal inkomen 1 565 euro niet overtreft, wordt van de bepalingen van ondertitel 8 afgeweken, zoals in de artikelen 4.107 tot 4.113 is aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inkomen van de onroerende goederen die nog niet gekadastreerd of niet als afzonderlijk perceel gekadastreerd zijn, wordt, zo daartoe redenen zijn, vastgesteld zoals ter zake van grondbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening geschiedt op het kadastraal inkomen van de dag van het openvallen van de nalatenschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4107\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoud van de onverdeeldheid Indien er, onder de erfgenamen in de rechte lijn van de eerststervende echtgenoot, een of meerdere minderjarigen zijn, kan de onverdeeldheid van de goederen die de langstlevende echtgenoot in vruchtgebruik heeft, hetzij op verzoek van een van de belanghebbenden, hetzij ambtshalve, in stand worden gehouden door de familierechtbank voor een termijn of voor achtereenvolgende termijnen, die niet verder zullen gaan dan de meerderjarigheid van de jongste minderjarige Deze bepaling houdt op van kracht te zijn, hetzij wanneer het vruchtgebruik eindigt, hetzij wanneer, bij toepassing van artikel 4.108, de goederen overgenomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing, waarbij de familierechtbank de onverdeeldheid in stand houdt, wordt overgeschreven in het register van het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke aan overschrijving kan men zich op die beslissing niet beroepen ten aanzien van derden te goeder trouw die een concurrent recht op het onroerend goed hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4108\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.108</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op overname § 1. Zonder afbreuk te doen aan de rechten die artikel 2.3.13 aan de langstlevende echtgenoot toekent, heeft ieder van de erfgenamen in de rechte lijn en, in voorkomend geval, de noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden langstlevende echtgenoot het recht tot overname, naar schatting, hetzij van de woning, die de erflater, zijn echtgenoot of een van zijn afstammelingen bij het overlijden betrokken, samen met het huisraad, hetzij van het huis, samen met de meubelen, en met de gronden die de bewoner van het huis persoonlijk en voor eigen rekening in gebruik had, het landbouwmaterieel en de dieren die tot de bebouwing dienen of de goederen, de grondstoffen, de beroepsvoorwerpen en andere hulpmiddelen die aan het handels-, ambachts-, of nijverheidsbedrijf zijn verbonden De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen of van de beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 1°, van het oud Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, mogen het recht van overname alleen uitoefenen met machtiging van de vrederechter van het voogdij- of bewindsforum. § 2. Willen verschillende belanghebbenden het recht tot overname uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgende orde gegeven aan: a) de langstlevende echtgenoot;b) degene die de erflater heeft aangewezen;c) degene die tot aan het overlijden, zelfs zonder het huis met de erflater of zijn echtgenoot te bewonen, op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf meewerkte;d) degene die tot aan het overlijden met de erflater of zijn echtgenoot het huis bewoonde en hem hulp en bijstand verschafte;e) degene die op het ogenblik van het overlijden het huis bewoont;f) degene die door de meerderheid van de belangen is aangewezen en, bij gebreke van deze meerderheid, hij die door uitloting is aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen meerdere erfgenamen het voordeel van de overname op grond van een van de gevallen bepaald in het eerste lid, b), c), d) of e) op, dan kunnen zij gezamenlijk tot overname overgaan. § 3. Is dit door een belanghebbende of door een schuldeiser gevraagd, dan wordt er tot de schatting overgegaan door toedoen van de familierechtbank, die daartoe een of verscheidene schatters mag benoemen. Door de familierechtbank wordt uitspraak gedaan op de minuut van het verzoekschrift. Haar bevelschrift is op de minuut uitvoerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de belanghebbenden kennis van de dag en het uur waarop de eed zal worden afgelegd door de schatter, alsook van zijn naam. Deze bepaalt onverwijld dag en uur voor zijn verrichtingen. De schatter kan de eed niet eerder afleggen dan vijftien dagen na de dag waarop de gerechtsbrieven zijn verstuurd. De belanghebbenden, die bij de beëdiging niet zijn opgekomen, worden door de griffier bij gerechtsbrief verwittigd. Elke eis tot wraking van de schatter moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de beëdiging worden ingediend. Onmiddellijk doet de familierechtbank uitspraak over deze vraag. § 4. De rechtbank wijst een van haar leden aan om over de geschillen waartoe de overname aanleiding kan geven, uitspraak te doen zoals hierna is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de overname moet geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te stemmen of is hij niet aanwezig, dan worden de belanghebbenden of hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen vooraf bij gerechtsbrief opgeroepen door de daartoe aangewezen rechter. Op de bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter, die de vergadering voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven. Het ereloon van de notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst partijen voor het verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve benoemde notaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4109\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.109</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk vervreemdingsverbod Behoudens om een ernstige reden, vooraf door de familierechtbank als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een tijdvak van vijf jaar met ingang van de datum waarop de akte van overname is verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief alle partijen op, die bij de overname betrokken waren. De rechtbank verleent of weigert haar toestemming na partijen te hebben gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overnemer de goederen zonder machtiging geheel of gedeeltelijk vervreemdt, is hij gehouden aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding te betalen, ten bedrage van twintig procent van hetgeen zij hebben ontvangen als prijs voor de overname.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt in geval van gezamenlijke overname, wanneer een van de overnemers zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan iemand anders dan een medeovernemer afstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichte voortzetting van de exploitatie De overnemer of ten minste een van hen, wanneer er meerdere zijn, is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen drie maanden en gedurende vijf jaar na de datum waarop de akte van overname is verleden, persoonlijk te betrekken en te exploiteren. Zo niet moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen ten bedrage van twintig procent van hetgeen zij in totaal hebben ontvangen als prijs voor de overname De overnemer kan, om een ernstige reden, van de verplichting om de goederen persoonlijk te betrekken en te exploiteren worden ontslagen, hetzij op het ogenblik van de overname, hetzij later, door de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het laatste geval moet dezelfde procedure worden gevolgd als die welke in artikel 4.109 is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verschuldigde vergoedingen De vergoedingen bepaald in de artikelen 4.109 en 4.110 worden niet gecumuleerd. De betaling van één ervan stelt de overnemer vrij van alle andere verplichtingen De overnemer kan zich van de in de artikelen 4.109 en 4.110 gestelde verbodsbepalingen en verplichtingen bevrijden en de vaste vergoeding van 20 procent vermijden, indien hij de overgenomen uit hun aard onroerende goederen gezamenlijk bij openbare toewijzing verkoopt. In dat geval komt, indien de opbrengst van die verkoop groter is dan de waarde die aan hun overname ten grondslag lag, het verschil als vergoeding echter toe aan alle gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen in verhouding tot hun aandeel bij de overname.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot betaling De vordering tot betaling van de in de artikelen 4.109 en 4.110 bepaalde vergoedingen behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank die over de overname heeft beslist Zij moet op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na de verkoop, de ontruiming van de woning of de staking van het bedrijf die er aanleiding toe geeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoger beroep en verzet De beslissingen, gewezen in de gevallen waarvan sprake in deze Ondertitel, zijn niet vatbaar voor hoger beroep indien het kadastraal inkomen van al de onroerende goederen, op de dag van overname, 520 euro niet te boven gaat Binnen dezelfde perken zijn die zaken niet vatbaar voor verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 10. Erfregeling landbouwbedrijven Art. 4.114. Afwijkende regeling § 1. Voor de erfregeling van landbouwbedrijven en met het oog op de continuïteit ervan gelden de bepalingen van deze Ondertitel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder \"landbouwbedrijf\" moet, voor de toepassing van deze Ondertitel, worden verstaan het geheel van de roerende en onroerende goederen bestemd voor iedere activiteit, grondgebonden of niet, die betrekking heeft op de akkerbouw, de veeteelt, de pluimveeteelt, de groenteteelt, de fruitteelt, de viskwekerij, de bijenkweek, de druiventeelt, de bloementeelt, de sierplantenteelt, de teelt van zaad- en pootgoed, de boomkwekerijen evenals de productie van kerstbomen. § 2. Onder voorbehoud van de rechten die artikel 2.3.13 aan de langstlevende echtgenoot toekent is, wanneer de toepassingsvoorwaarden van deze Ondertitel vervuld zijn, Ondertitel 9 betreffende kleine nalatenschappen niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4115\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.115</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoud van de onverdeeldheid Wanneer een van de mede-erfgenamen minderjarig is en minstens zestien jaar oud, kan de familierechtbank, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige, de onverdeeldheid van het landbouwbedrijf in stand houden voor een periode die de meerderjarigheid van deze mede-erfgenaam niet kan overschrijden De beslissing, waarbij de familierechtbank de onverdeeldheid in stand houdt, wordt overgeschreven in het register van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke aan overschrijving kan men zich op die beslissing niet beroepen ten aanzien van derden te goeder trouw die een concurrent recht op het onroerend goed hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.116</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op overname Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die de rechten van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende wettelijk samenwonende vaststellen, heeft ieder van de erfgenamen in de rechte neerdalende lijn, wanneer een nalatenschap voor het geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, het recht van overname naar schatting van de roerende en onroerende goederen die behoren tot het landbouwbedrijf Een dergelijk recht heeft een erfgenaam in de rechte neerdalende lijn ook, onder hetzelfde voorbehoud, indien de nalatenschap niet voor het geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, maar wel onroerende goederen die behoorden tot het landbouwbedrijf van de erflater en deze erfgenaam thans exploitant is van deze goederen in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige of van de beschermde persoon die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 1°, van het oud Burgerlijk Wetboek, uitdrukkelijk onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, mogen het recht van overname alleen uitoefenen met machtiging van de vrederechter van het voogdij- of bewindsforum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorrangregeling Willen verscheidene belanghebbenden het recht van overname uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgorde gegeven aan: a) degene of degenen die door de erflater bij testament zijn aangewezen en die op het ogenblik van het overlijden het hele bedrijf van de erflater of een gedeelte ervan op regelmatige en voortdurende wijze exploiteren of die op het ogenblik van het overlijden op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf van de erflater meewerken;b) degene of degenen die op het ogenblik van het overlijden het hele bedrijf van de erflater of een gedeelte ervan op regelmatige en voortdurende wijze exploiteren of die op het ogenblik van het overlijden op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf van de erflater meewerken;c) degene of degenen die op het ogenblik van het overlijden niet aan het bedrijf van de erflater deelnemen zoals bepaald onder punt a) maar die door de erflater bij testament zijn aangewezen;d) degene die onroerende goederen exploiteert die vroeger behoorden tot het landbouwbedrijf van de erflater, maar die hij nu exploiteert in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf. Eisen meerdere erfgenamen die tot eenzelfde bevoorrechte categorie behoren op grond van een van de gevallen bepaald in het eerste lid, a), b), c), of d) het recht van overname op, dan kunnen zij gezamenlijk tot die overname overgaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Schatting Wanneer een belanghebbende of zijn schuldeiser dit vraagt, wordt er tot de schatting overgegaan door toedoen van de familierechtbank, die daartoe een of meer schatters mag benoemen. Door de familierechtbank wordt uitspraak gedaan op de minuut van het verzoekschrift. Haar bevelschrift is uitvoerbaar op de minuut. Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de belanghebbenden kennis van de dag en het uur waarop de eed zal worden afgelegd door de schatter, alsook van zijn naam; deze bepaalt onverwijld dag en uur voor zijn verrichtingen. De schatter kan de eed niet eerder afleggen dan vijftien dagen na de dag waarop de gerechtsbrieven zijn verstuurd. De belanghebbenden die bij de beëdiging niet zijn opgekomen, worden door de griffier bij gerechtsbrief verwittigd. Elke eis tot wraking van de schatter moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de beëdiging worden ingediend; onmiddellijk doet de familierechtbank uitspraak over deze vraag De rechtbank wijst een van haar leden aan om over de geschillen waartoe de overname aanleiding mocht geven, uitspraak te doen zoals hierna is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de overname moet geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te stemmen of is hij niet aanwezig, dan worden de belanghebbenden of hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen vooraf bij gerechtsbrief opgeroepen door de daartoe aangewezen rechter. Op de bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter die de vergadering voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven; het ereloon van de notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst de partijen voor het verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve benoemde notaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichte voortzetting van de exploitatie De overnemer is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen zes maanden en gedurende tien jaar na de datum waarop de akte van overname is verleden, zelf of in de persoon van zijn echtgenoot, van zijn afstammelingen of geadopteerde kinderen of van de echtgenoten van zijn afstammelingen of geadopteerde kinderen te exploiteren. De overnemer kan enkel om een ernstige door de familierechtbank als geldig erkende reden van deze verplichting ontheven worden De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief alle partijen op die bij de overname betrokken waren. De familierechtbank verleent of weigert haar toestemming na de partijen te hebben gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overnemer, zonder toestemming van de familierechtbank, de in het eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt, moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen ten bedrage van vijfendertig procent van hun aandeel in de overnameprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gezamenlijke overname kan elke overnemer nochtans de exploitatie aan een medeovernemer afstaan zonder voorafgaande machtiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4120\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk vervreemdingsverbod Behoudens om een ernstige reden, vooraf door de familierechtbank als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een periode van tien jaar met ingang van de datum waarop de akte van overname is verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief alle partijen op, die bij de overname betrokken waren. De familierechtbank verleent of weigert haar toestemming na de partijen te hebben gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overnemer de goederen zonder toestemming geheel of gedeeltelijk vervreemdt, moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen, ten bedrage van vijfendertig procent van hun aandeel in de overnameprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gezamenlijke overname kan elke overnemer nochtans zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan een medeovernemer afstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4121\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.121</span><span class=\"lf-art-t\">Geen cumul van vergoedingen De vergoedingen bepaald in de artikelen 4.119 en 4.120 worden niet gecumuleerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.122</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot betaling De vordering tot betaling van de in de artikelen 4.119 en 4.120 bepaalde vergoedingen, moet op straffe van verval worden ingediend binnen drie jaar na de staking van het bedrijf of de vervreemding die er aanleiding toe geeft Ieder van de gewezen mede-eigenaars of hun erfgenamen kunnen een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.123</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkte overname De overname kan beperkt worden tot een deel van het landbouwbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval duidt de belanghebbende de goederen aan die hij overneemt zonder zijn mede-erfgenamen te kunnen benadelen. In geval van betwisting beslist de bevoegde rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgorde van de verdere voorkeurscategorieën kan het overnamerecht uitgeoefend worden op de overblijvende goederen. Wanneer er verscheidene overnemers van een zelfde categorie zijn, duiden ze gezamenlijk de goederen aan die ze overnemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.124</span><span class=\"lf-art-t\">Verzet tegen de overname</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ieder van de mede-erfgenamen kan zich verzetten tegen het recht van overname wanneer de betrokken ongebouwde goederen gelegen zijn in woongebieden, zoals deze omschreven zijn krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en de stedenbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzet geldt alleen voor bouwgronden waarop zich geen gebouwen bevinden die gebruikt worden in een landbouwbedrijf. Het verzet heeft geen gevolg voor de andere goederen die bij de overname betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 11. Centraal erfrechtregister Art. 4.125. Doeleinden Het centraal erfrechtregister is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doeleinde: 1° binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan derden, op elektronische wijze of, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken;a) van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen;b) van de identiteit van de personen die een nalatenschap hebben verworpen of aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving;c) van de gerechtelijke maatregelen genomen met betrekking tot het beheer van een nalatenschap.2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register te verbeteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op te nemen akten § 1. In het centraal erfrechtregister worden opgenomen: 1° de akten en attesten van erfopvolging die door een notaris worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.59; 2° de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 68 van Verordening nr.650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, alsmede de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van dezelfde Verordening; 3° de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van die Europese erfrechtverklaringen; 4° de akten houdende de verklaring van verwerping, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.44; 5° de akten houdende de verklaring waarbij een erfgenaam te kennen geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.49; 6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van een beheerder van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing van een curator over een onbeheerde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek. § 2 De notaris schrijft de akten en attesten bedoeld in paragraaf 1, 1°, 4° en 5° in. De inschrijving van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door een notaris, alsmede de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van deze Europese erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de notaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier van het rechtscollege dat de beslissing heeft uitgesproken, stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van de voormelde Verordening (EU) nr. 650/2012.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4127\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.127</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In te schrijven gegevens § 1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: 1° van de erflater: a) de naam en voorna(a)m(en);b) het rijksregisternummer;c) de geboortedatum en -plaats;d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats;e) de plaats en de datum van overlijden; 2° van de aangever, in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49: a) de naam en voorna(a)m(en) in geval van een natuurlijke persoon, of, de naam of benaming in geval van een rechtspersoon;b) de rechtsvorm in geval van een rechtspersoon;c) het rijksregisternummer of in voorkomend geval het ondernemingsnummer;d) de geboortedatum en -plaats in geval van een natuurlijke persoon; e) de woonplaatskeuze in geval van een verklaring overeenkomstig artikel 4.49; 3° van de aangestelde curator of beheerder van de nalatenschap, in geval van inschrijving van een vonnis of arrest tot aanstelling overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58: a) de naam en de voorna(a)m(en);b) de functie;c) het kantooradres; 4° de aard en de datum van de akte, het attest of de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door een notaris, met aanduiding van het voorwerp van de verklaring in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49; 5° de aard en de datum van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door de rechtbank of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder;6° de identificatie van de notaris, die de akte heeft verleden of het attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt, van het rechtscollege dat de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt of van het rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder heeft gewezen;7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte of de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1803 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/2009 numac 2009000678 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het notarisambt Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van het notarisambt;en bij gebrek, het repertoriumnummer, of, voor de attesten van erfopvolging, de referentie van het kantoor; 8° in voorkomend geval, de referentie volgens de ECLI-standaard (European Case Law Identifier) van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder en bij gebrek, het algemeen rolnummer van het vonnis of het arrest. § 2. Het centraal erfrechtregister geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.128</span><span class=\"lf-art-t\">Inschrijvingskosten De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het register</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwerkingsverantwoordelijke § 1. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, hierna \"de beheerder\" genoemd, is belast met het beheer en de organisatie van het centraal erfrechtregister De beheerder wordt, met betrekking tot het centraal erfrechtregister, beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. § 2. De beheerder stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan. Deze is meer bepaald belast met: 1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens verwerkt over zijn verplichtingen binnen het kader van deze wet en binnen het algemeen kader van de gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer;3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;4° het vormen van het contactpunt voor de Gegevensbeschermingsautoriteit;5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt hij rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koning kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels bepalen volgens dewelke de functionaris voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4130\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bewaartermijn De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens van de inschrijving, met vermelding van de datum van inschrijving, tot dertig jaar na het overlijden van de persoon wiens gegevens bewaard werden De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens met betrekking tot de raadplegingen van het register, met name de identificatiegegevens van de persoon die het register heeft geraadpleegd, de identificatiegegevens van de persoon over wie een raadpleging werd gedaan, het ogenblik van de raadpleging en de reden van de raadpleging. De gegevens worden tot tien jaar na de raadpleging bewaard. In geval van betwisting wordt deze termijn geschorst tot alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4131\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.131</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Raadpleging § 1. De gegevens opgenomen in het centraal erfrechtregister zijn toegankelijk voor: 1° de notarissen, de gerechtsdeurwaarders, de advocaten en de griffiers en magistraten bij de rechtscolleges, in functie van de uitoefening van hun ambt;2° de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut indien de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten;3° eenieder, voor zover zij een actueel en rechtmatig belang kunnen aantonen.Het belang van de verzoeker is actueel en rechtmatig wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen getroffen worden door het overlijden van de erflater of door de erfkeuzes van de erfgerechtigden. Het actueel en rechtmatig belang wordt vermeld in het verzoek tot raadpleging. § 2. Het is de beheerder verboden de in het centraal erfrechtregister opgenomen gegevens mee te delen aan andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in paragraaf 1 Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 4.127 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing. § 3. De toegang tot de gegevens van het centraal erfrechtregister is kosteloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te maken voor de in paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel 2. Schenkingen, testamenten en erfovereenkomsten Ondertitel 1. Algemene bepalingen Art. 4.132. Beschikkingen onder levenden en bij testament § 1. Men kan op geen andere wijze over zijn goederen om niet beschikken dan bij schenking onder levenden of bij testament, met inachtneming van de hierna bepaalde vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men kan een erfovereenkomst slechts sluiten binnen de perken in deze titel bepaald. § 2. Een schenking is een contract waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van het geschonken goed ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanvaardt. § 3. Een testament is een akte waarbij de testator, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen. § 4. De schenkingen, daarin begrepen de schenkingen van toekomstige goederen, en de beschikkingen bij testament worden in dit boek ook gezamenlijk aangeduid als giften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schenkingen van toekomstige goederen, waarbij een persoon conventioneel als erfgerechtigde benoemd wordt, worden, wanneer ze toegelaten zijn, ook aangeduid als contractuele erfstellingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4133\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.133</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod van gift met bewaarplicht ten voordele van derden § 1. Iedere gift waarbij de begiftigde ermee belast wordt het gekregen goed te bewaren zodat het aan een opvolgende begunstigde kan toekomen, is nietig, zelfs ten aanzien van de begiftigde Deze regel is niet van toepassing op de beschikkingen die bij ondertitel 6 voor ouders en voor broers en zussen zijn toegelaten. § 2. De beschikking waarbij een derde tot een gift geroepen wordt, ingeval de begiftigde deze niet zou verkrijgen, wordt niet beschouwd als een gift met bewaarplicht ten voordele van derden, en is geldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de giften, waarbij het vruchtgebruik aan de ene en de blote eigendom aan de andere gegeven wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4134\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ongeoorloofde voorwaarden en lasten In iedere gift zijn de voorwaarden en lasten die onmogelijk zijn, of die in strijd zijn met een dwingende wetsbepaling of met de openbare orde, nietig Ondertitel 2. Bekwaamheid Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Art. 4.135. Bekwaamheid als regel Eenieder kan een gift doen, en eenieder kan een gift ontvangen, behalve de personen die de wet daartoe onbekwaam verklaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4136\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.136</span><span class=\"lf-art-t\">Gezondheid van geest Om een gift te kunnen doen, moet men gezond van geest zijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4137\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.137</span><span class=\"lf-art-t\">Ongeboren kind Om bij schenking te verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de schenking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om bij testament te verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de dood van de testator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin zal de schenking of het testament slechts gevolg hebben indien het kind levensvatbaar wordt geboren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2. Minderjarigen en beschermde meerderjarigen Art. 4.138. Minderjarigen Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar niet bereikt heeft, kan geen gift doen, behoudens hetgeen in ondertitel 9 bepaald is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft, kan alleen bij testament beschikken, en slechts ten belope van de helft van de goederen waarover de wet de meerderjarige toelaat te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4139\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beschermde meerderjarigen Met behoud van de toepassing van zowel artikel 4.138 als van artikel 499/7, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, kan de persoon die op grond van artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam is verklaard om te beschikken, hetzij bij schenking hetzij bij testament, toch beschikken na machtiging, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de vrederechter met toepassing van het eerste lid de beschermde persoon toestaat bij testament te beschikken, kan deze alleen bij authentieke akte een testament maken, zonder dat hij het ontwerp ervan aan de vrederechter moet voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het derde lid kan de vrederechter toestaan dat een testament in internationale vorm wordt opgesteld wanneer aan de in artikel 4.183 bedoelde vormvereisten voor het notarieel testament niet kan worden voldaan wegens de lichamelijke ongeschiktheid van de beschermde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien mag de vrederechter de machtiging om te schenken weigeren indien de schenking de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden behoeftig dreigt te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3. Specifieke onbekwaamheden Art. 4.140. Voogd Een minderjarige, al heeft hij de leeftijd van zestien jaar bereikt, kan, zelfs bij testament, geen beschikking maken ten voordele van zijn voogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een minderjarige kan, wanneer hij meerderjarig geworden is, noch bij schenking, noch bij testament, beschikken ten voordele van zijn gewezen voogd, zolang de slotrekening over de voogdij niet gedaan en aangezuiverd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste en het tweede lid is niet van toepassing op de verwanten in de opgaande lijn van de minderjarige, die zijn voogd zijn of geweest zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4141\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.141</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bewindvoerder De in boek 1, titel XI, hoofdstuk II/1, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde bewindvoerder en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent, kunnen geen voordeel genieten van giften die de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie dit mandaat wordt uitgeoefend tijdens de rechterlijke bescherming of dit mandaat in hun voordeel mocht hebben gedaan Deze bepaling is niet van toepassing op de personen bedoeld in artikel 496, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek en in artikel 4.142, derde lid, 2° en 3°.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4142\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.142</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artsen en zorgverstrekkers Gezondheidszorgbeoefenaars, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, kunnen geen voordeel genieten van giften die hij, in de loop van die ziekte, in hun voordeel mocht hebben gedaan Beheerders en personeelsleden van instellingen voor residentiële ouderenzorg kunnen geen voordeel genieten van giften die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan zijn uitgezonderd: 1° de giften tot vergoeding van diensten, onder bijzondere titel gemaakt, met inachtneming van het vermogen van de beschikker en van de bewezen diensten;2° de giften ten voordele van verwanten tot en met de vierde graad, voor zover de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort; 3° de giften ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met de wie de beschikker een feitelijk gezin vormt. Dezelfde regels worden in acht genomen ten aanzien van de bedienaren van de erediensten en andere geestelijken, alsmede ten aanzien van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4143\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.143</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtspersonen Voor schenkingen of legaten ten voordele van rechtspersonen is machtiging of goedkeuring vereist indien de wet daarin voorziet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de rechtspersoon aan wie een schenking aangeboden wordt ze slechts na machtiging of goedkeuring kan aanvaarden, kan hij de schenking voorlopig aanvaarden, zoals nader in artikel 4.161, derde lid, bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4144\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.144</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tussenpersonen Iedere gift ten voordele van een onbekwame is nietig, ook wanneer men ze vermomt onder de vorm van een contract onder bezwarende titel, en wanneer men ze maakt op naam van tussenpersonen Als tussenpersonen worden beschouwd de ouders, de kinderen en afstammelingen en de echtgenoot van de onbekwame of de persoon met wie deze wettelijk samenwoont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 3. Beschikbaar deel en inkorting Hoofdstuk 1. Beschikbaar deel Art. 4.145. Reserve van de kinderen De giften mogen de helft van de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153 niet overschrijden, indien de beschikker bij zijn overlijden één of meer kinderen, of afstammelingen van deze kinderen, die bij plaatsvervulling komen, achterlaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4146\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vruchtgebruik op de reserve van de kinderen § 1. Het deel van de nalatenschap dat overeenkomstig artikel 4.145 aan de kinderen is gereserveerd wordt bezwaard met vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot wanneer hij recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en in de mate als bepaald in artikel 4.19. § 2. In alle andere gevallen wordt de reserve van de kinderen enkel binnen onderstaande grenzen met dat vruchtgebruik bezwaard: 1° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van een breukdeel van de nalatenschap, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 4.154, derde lid. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot te voldoen in de hem toegekende rechten van vruchtgebruik, wordt het saldo van het vruchtgebruik dat hem toekomt ten laste gelegd van de reserve van de kinderen, elk voor een gelijk deel; 2° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het gedeelte zoals bepaald in artikel 4.147, § 1, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 4.154, derde lid Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot in zijn rechten van vruchtgebruik te voldoen, kan hij de inkorting eisen van de op het beschikbaar deel aangerekende giften, in de volgorde zoals bepaald in artikel 4.155, vierde lid. Die inkorting gebeurt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.150.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik waarvan hij de inkorting niet kan verkrijgen, hetzij omwille van artikel 4.147, § 3, hetzij omdat hij aan de vordering tot inkorting heeft verzaakt, niet ten laste van de reserve van de kinderen leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4147\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.147</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reserve van de langstlevende echtgenoot § 1. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de rekenboedel zoals omschreven in artikel 4.153. § 2. Giften mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik of het recht op huur verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik of dit recht op huur betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik of dit recht op huur voldoet aan de eis van billijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge paragraaf 1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn. § 3. In elk geval, kan de langstlevende echtgenoot niet de inkorting vragen van de schenkingen gedaan door de erflater op een tijdstip waarop de echtgenoot deze hoedanigheid niet had, niettegenstaande de opname ervan in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153. Evenmin kan hij voordeel genieten van de inkorting van dergelijke schenkingen gevraagd door de afstammelingen van de erflater. § 4. De rechten bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater of de langstlevende echtgenoot, bij een gerechtelijke akte, als eiser of als verweerder, ofwel een afzonderlijk verblijf had gevorderd, ofwel een vordering tot echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek had ingeleid, en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval bedoeld in het eerste lid houdt de aanstelling van een algemene legataris een weerlegbaar vermoeden in van de wil om de langstlevende echtgenoot deze rechten te ontnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht. Deze overeenkomst heeft uitwerking vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot echtscheiding, tenzij de partijen in de overeenkomst hebben bepaald dat deze uitwerking heeft vanaf de ondertekening. § 5. Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 2.3.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4148\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.148</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen andere reservataire erfgenamen Bij gebreke van een langstlevende echtgenoot en van verwanten in neerdalende lijn mogen de giften de gehele nalatenschap omvatten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4149\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.149</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gift van het beschikbaar deel Het beschikbaar deel kan, hetzij bij schenking, hetzij bij testament, geheel of ten dele gegeven worden aan de kinderen of aan andere erfgerechtigden van de schenker De beschikking zal moeten worden ingebracht of zal van inbreng zijn vrijgesteld zoals bepaald in titel 1, ondertitel 8, hoofdstuk 2, afdeling 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2. Inkorting Art. 4.150. Inkorting in principe in waarde De giften die het beschikbaar deel overschrijden, kunnen na het openvallen van de nalatenschap tot dat beschikbaar deel ingekort worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettegenstaande elk andersluidend beding, en behoudens voor de in artikel 4.147, § 2, bedoelde reserve, geschiedt de inkorting enkel in waarde. Zij kan evenwel in natura geschieden op vraag van de begiftigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De giften die enkel voor het vruchtgebruik moeten worden ingekort maar die betrekking hebben op andere goederen dan die welke worden bedoeld in artikel 4.147, § 2, worden eveneens ingekort in waarde. De vergoeding voor de inkorting is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van dit vruchtgebruik op de dag van het overlijden; ze wordt berekend door de bepaling van artikel 4.64 naar analogie toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid geschiedt de inkorting in volle of blote eigendom van legaten in natura wanneer de begiftigde geen erfgenaam is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4151\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.151</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht om de inkorting te vorderen Inkorting van giften kan alleen gevorderd worden door hen aan wie de wet een reserve toekent, door hun erfgenamen of door hun rechtverkrijgenden De begiftigden, de legatarissen en de schuldeisers van de erflater kunnen deze inkorting niet vorderen, noch er voordeel van genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4152\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.152</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afstand van de vordering tot inkorting § 1. De inkorting van schenkingen kan niet worden gevraagd door de reservataire erfgenamen die afstand hebben gedaan van de vordering tot inkorting van de desbetreffende schenking, door middel van een eenzijdige verklaring, in de schenkingsakte of naderhand. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van overeenkomstige toepassing op deze afstand De erfgenamen die afstand hebben gedaan van de vordering tot inkorting kunnen geen voordeel meer genieten van de inkorting die door anderen zou worden gevraagd. § 2. Niettegenstaande de afstand van de vordering tot inkorting bedoeld in paragraaf 1, wordt de waarde van de goederen die het voorwerp uitmaken van de schenking opgenomen in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand van de vordering tot inkorting kan niet tot gevolg hebben dat de andere giften een grotere inkorting zouden ondergaan dan de inkorting die zij zouden hebben ondergaan bij afwezigheid van dergelijke afstand. § 3. De afstand van de vordering tot inkorting heeft, in voorkomend geval, geen gevolgen voor de verplichting tot inbreng van de schenking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4153\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rekenboedel ter berekening van het beschikbaar deel Om de inkorting te bepalen, vormt men een rekenboedel uit alle goederen die bij het overlijden van de erflater aanwezig waren. Na aftrek van de schulden, worden de goederen waarover hij bij schenking heeft beschikt, fictief daarbij gevoegd volgens hun staat en hun waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ 2 tot 9. Over al die goederen berekent men het deel waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanrekening van de giften De giften toegekend door de erflater worden aangerekend, naar gelang het geval, op de globale reserve van de reservataire erfgenamen of op het beschikbaar deel, in de volgorde waarin ze zijn toegekend, te beginnen met de oudste. De legaten worden aangerekend op de dag van het openvallen van de nalatenschap De in te brengen giften die aan een reservataire erfgenaam zijn vermaakt, worden op de globale reserve van de reservataire erfgenamen aangerekend en, bijkomend, op het beschikbaar deel. Het meerdere wordt ingekort, indien daartoe aanleiding bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De giften die met vrijstelling van inbreng aan een reservataire erfgenaam, zijn vermaakt, evenals de giften aan een begiftigde die geen reservataire erfgenaam is, worden op het beschikbaar deel aangerekend. Het meerdere wordt ingekort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4155\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgorde van inkorting Wanneer de waarde van de schenkingen het beschikbaar deel overschrijdt of daarmee gelijk is, vervallen alle beschikkingen bij testament in volle of blote eigendom die overeenkomstig artikel 4.150, vierde lid, in natura moeten worden ingekort Overschrijden de beschikkingen bij testament hetzij het beschikbaar deel, hetzij het deel ervan, dat overblijft na aftrek van de waarde van de schenkingen, dan geschiedt de inkorting naar evenredigheid, zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen de algemene legaten en de bijzondere legaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de erflater evenwel uitdrukkelijk verklaard heeft dat een bepaald legaat moet worden voldaan bij voorkeur boven de andere, wordt deze voorkeur in acht genomen. Dat legaat wordt dan slechts ingekort voor zover de inkorting van de overige legaten niet toereikend is om de reserve op te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schenkingen worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikkingen bij testament begrepen zijn, is uitgeput. Wanneer deze inkorting plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen met de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.156</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot inkorting § 1. Indien de gift, die in waarde wordt ingekort, het beschikbaar deel overschrijdt, vergoedt de begiftigde, al dan niet erfgenaam, de reservataire erfgenamen, ten belope van het overschrijdende gedeelte van de gift, wat ook het bedrag hiervan is De vergoeding die door een erfgenaam verschuldigd is, wordt betaald in mindere ontvangst en, indien hij een reservataire erfgenaam is, bij voorrang door toerekening op zijn reservataire rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor de inkorting wordt uiterlijk betaald op het ogenblik van de verdeling, behoudens andersluidend akkoord tussen de mede-erfgenamen. § 2. Na voorafgaandelijke uitwinning van de goederen van de schuldenaar van de vergoeding voor de inkorting en ingeval van onvermogen van deze laatste, kunnen de reservataire erfgenamen de inkorting vorderen tegen derden die de goederen die van de giften deel uitmaakten onder kosteloze titel hebben verworven van de begiftigde of van de opvolgende begunstigde ten kosteloze titel. De inkorting wordt op dezelfde wijze gevorderd als tegen de begiftigden zelf en volgens de dagtekeningen van de vervreemdingen, te beginnen met de laatste.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering tot inkorting tegen de derden bedoeld in het eerste lid kan niet worden uitgeoefend door de reservataire erfgenamen die, overeenkomstig de artikelen 4.249 tot 4.252, hetzij in de schenkingsakte, hetzij bij een latere uitdrukkelijke verklaring, hebben toegestemd in de vervreemding van het gegeven goed. De artikelen 4.244 tot 4.248 en 4.253 zijn van toepassing op deze toestemming. § 3. De vordering tot inkorting kan door de reservataire erfgenamen niet worden uitgeoefend ten aanzien van legaten waarvan zij de afgifte hebben toegekend met kennis van de aantasting van hun reserve. In dat geval kan voor de andere giften evenwel geen grotere inkorting gelden dan diegene die zou zijn toegepast zonder een dergelijke afgifte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verjaring § 1. De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een erfgenaam verjaart na dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap De reservataire erfgenamen zijn echter vervallen van het recht om de inkorting te vorderen indien zij, terwijl zij weet hebben van de aantasting van hun reserve, de inkorting van de giften bedoeld in het eerste lid, niet hebben gevraagd op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap. § 2. De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een begiftigde die geen erfgenaam is, verjaart na twee jaar te rekenen vanaf de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap voor zover uit deze vereffening de aantasting blijkt van de reserve van de reservataire erfgenamen of, in elk geval, na maximum dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begiftigde kan evenwel, op elk ogenblik, de reservataire erfgenamen aanmanen om standpunt in te nemen over het principe en, in voorkomend geval, het bedrag van de inkorting van de gift die hem werd toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval, nemen de reservataire erfgenamen een standpunt in over het principe van de inkorting, op straffe van verval ten laatste binnen het jaar volgend op de ingebrekestelling en beschikken zij, te rekenen vanaf deze principeverklaring, over een termijn van twee jaar om de inkorting te vorderen en om het bedrag ervan vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertitel 4. Schenkingen Hoofdstuk 1. Vorm van de schenkingen Art. 4.158. Notariële akte Iedere akte van schenking wordt, op straffe van nietigheid, voor een notaris verleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.159</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Staat van schatting van roerende goederen Een akte van schenking van roerende goederen is alleen geldig voor de goederen waarvan een staat van schatting, getekend door de schenker en door de begiftigde of hen die voor deze laatste aanvaarden, in de akte van schenking is opgenomen of aan die akte gehecht is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vormgebreken De schenker kan de gebreken van een schenking niet verhelpen door een akte van bevestiging. De schenking die nietig is wat de vorm betreft, moet in de wettelijke vorm opnieuw gedaan worden Uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een schenking door de erfgenamen van de schenker, na zijn overlijden, volgt hun afstand van het recht om zich te beroepen hetzij op gebreken in de vorm, hetzij op enige andere exceptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2. Aanvaarding van de schenkingen Art. 4.161. Vereiste van aanvaarding De schenking bindt de schenker niet en heeft generlei gevolg, dan van de dag waarop zij in uitdrukkelijke bewoordingen is aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvaarding kan geschieden tijdens het leven van de schenker door een latere, authentieke akte. In dat geval verschijnt de schenker of de persoon die hij heeft aangeduid om hem hiertoe te vertegenwoordigen, in de akte van aanvaarding om er kennis van te nemen. De volmacht waarvan in dit lid sprake moet worden vastgesteld bij notariële akte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorlopige aanvaarding waarvan sprake in het tweede lid van artikel 4.143 is een aanvaarding onder voorbehoud van machtiging of goedkeuring, die de schenker onder dat voorbehoud bindt zodra hij er kennis van gekregen heeft. Deze voorlopige aanvaarding wordt vastgesteld in de akte van schenking of in een latere authentieke akte. Voor de voorlopige en voor de definitieve aanvaarding na machtiging of goedkeuring, evenals voor de kennisgeving ervan, geldt het bepaalde in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4162\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.162</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvaarding bij volmacht Indien de begiftigde meerderjarig is, moet de aanvaarding gedaan worden door hemzelf of, in zijn naam, door een persoon die houder is van een volmacht waarbij hem de bevoegdheid is verleend om de gedane schenking te aanvaarden of een algemene bevoegdheid om de schenkingen te aanvaarden welke zijn gedaan of nog zullen worden gedaan Deze volmacht moet worden vastgesteld bij notariële akte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4163\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.163</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvaarding voor een minderjarige Een schenking aan een niet ontvoogde minderjarige gedaan, moet worden aanvaard door zijn voogd, overeenkomstig artikel 410, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek Een ontvoogde minderjarige kan met de bijstand van zijn curator aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nochtans kunnen de vader en de moeder van de ontvoogde of niet ontvoogde minderjarige, of, zelfs gedurende het leven van de vader en de moeder, de andere verwanten in de opgaande lijn, ook al zijn zij noch voogd noch curator over de minderjarige, de schenking voor hem aanvaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4164\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.164</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvaarding voor een beschermde meerderjarige Een schenking aan een beschermde persoon die krachtens artikel 492/2 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam is verklaard om deze te ontvangen, moet door zijn bewindvoerder worden aanvaard overeenkomstig artikel 499/7, § 2, eerste lid, 6°, van het oud Burgerlijk Wetboek Een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek bijstand behoeft om een schenking te aanvaarden, kan met bijstand van zijn bewindvoerder aanvaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4165\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.165</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onroerende publiciteit Indien de schenking betrekking heeft op een zakelijk onroerend recht, worden overgeschreven, zoals bepaald in artikel 3.30, § 1, de akte van schenking, en de akte van aanvaarding, indien deze in een latere akte wordt vastgesteld. Worden eveneens overgeschreven, in voorkomend geval, de akte van voorlopige aanvaarding en de akte van definitieve aanvaarding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4166\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.166</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen van de aanvaarding De behoorlijk aanvaarde schenking is voltrokken door de enkele toestemming van de partijen. De eigendom van de geschonken goederen gaat over op de begiftigde, zonder dat enige andere afgifte vereist is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4167\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.167</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontbreken van aanvaarding voor een minderjarige of een beschermde meerderjarige Minderjarigen en beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oude Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om schenkingen te ontvangen, worden niet in hun recht hersteld tegen het ontbreken van de aanvaarding. Ze hebben slechts verhaal op hun vader of moeder, hun voogd of bewindvoerder, indien daartoe grond bestaat Hoofdstuk 3. Voorwerp en modaliteiten van de schenkingen Art. 4.168. Tegenwoordige goederen Een schenking mag alleen de tegenwoordige goederen van de schenker bevatten. Indien zij toekomstige goederen bevat, is zij wat die goederen betreft nietig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4169\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.169</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden van de schenking Een schenking die gedaan is onder voorwaarden waarvan de uitvoering van de enkele wil van de schenker afhangt, is nietig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij is eveneens nietig, indien zij gedaan is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die welke ten tijde van de schenking bestonden, of welke uitgedrukt mochten zijn, hetzij in de akte van schenking, hetzij in de staat die erin moet zijn opgenomen of eraan moet zijn gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de schenker zich de vrijheid heeft voorbehouden te beschikken over een goed dat in de schenking begrepen is, of over een bepaalde geldsom uit de geschonken goederen, en hij overlijdt zonder daarover te hebben beschikt, behoort dat goed of die geldsom toe aan de erfgenamen van de schenker, niettegenstaande enig andersluidend beding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4170\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.170</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering voor de contractuele erfstellingen De artikelen 4.168 en 4.169 zijn niet van toepassing op de schenkingen waarvan sprake in de ondertitels 8 en 9</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4171\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.171</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorbehoud van vruchtgebruik Het is de schenker geoorloofd zich het genot of het vruchtgebruik van de geschonken roerende of onroerende goederen voor te behouden, of daarover ten voordele van een ander te beschikken Wanneer roerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik geschonken zijn, moet de begiftigde, wanneer het vruchtgebruik eindigt, de geschonken goederen die in natura aanwezig zijn, nemen in de staat waarin zij zich bevinden. Hij heeft een vordering tegen de schenker of zijn erfgenamen uit hoofde van de niet aanwezige goederen ten belope van de waarde die daaraan in de staat van schatting is toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4172\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.172</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conventioneel recht van terugkeer § 1. De schenker kan ten aanzien van de geschonken goederen het recht van terugkeer bedingen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde alleen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde en zijn afstammelingen Dit recht kan alleen ten voordele van de schenker worden bedongen. § 2. Het recht van terugkeer heeft tot gevolg dat alle vervreemdingen van de geschonken goederen worden tenietgedaan en dat deze goederen tot de schenker terugkeren vrij van alle lasten en hypotheken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4. Ontbinding en herroeping van schenkingen Art. 4.173. Oorzaken van ontbinding of van herroeping Een schenking kan worden ontbonden wegens niet uitvoering van de lasten waaronder zij gedaan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schenking kan enkel worden herroepen wegens ondankbaarheid. De herroeping heeft nooit van rechtswege plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4174\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.174</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Herroeping wegens ondankbaarheid § 1. Een schenking kan alleen in de volgende gevallen wegens ondankbaarheid worden herroepen: 1° indien de begiftigde een aanslag op het leven van de schenker heeft gepleegd;2° indien hij zich tegenover hem heeft schuldig gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen;3° indien hij weigert hem levensonderhoud te verschaffen. § 2. Schenkingen ten voordele van het huwelijk kunnen niet wegens ondankbaarheid worden herroepen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4175\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot herroeping wegens ondankbaarheid De eis tot herroeping wegens ondankbaarheid moet ingesteld worden binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf waarvan de schenker de begiftigde beschuldigt, of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn De schenker kan de herroeping vorderen tegen de begiftigde, en, na zijn overlijden, tegen zijn erfgenamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erfgenamen van de schenker kunnen de herroeping enkel vorderen indien: 1° de schenker de eis reeds had ingesteld;2° de schenker overleden is binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn;de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn; 3° de schenker overleden is zonder dat het misdrijf hem bekend kon zijn;de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het overlijden, hetzij van de dag waarop het misdrijf hen bekend kon zijn, hetzij van de dag waarop de schenking hen bekend kon zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4176\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen van de ontbinding of van de herroeping De ontbinding wegens niet-nakoming van de lasten en de herroeping wegens ondankbaarheid leiden tot het tenietgaan van de door de schenking gevestigde zakelijke rechten, met de gevolgen ten aanzien van derden zoals bepaald in artikel 3.17</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4177\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.177</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kantmelding De eis tot ontbinding of tot herroeping van een onroerende schenking moet worden gekantmeld zoals bepaald in artikel 3.33, eerste lid, met de gevolgen zoals bepaald in artikel 3.34 Ondertitel 5. Testamenten Hoofdstuk 1. Vormen van de testamenten Afdeling 1. Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4178\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.178</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen verplichte woordkeuze Eenieder kan bij testament beschikken, hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, hetzij onder elke andere benaming die geschikt is om zijn wil te kennen te geven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4179\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod van conjunctief testament Een testament kan niet in een zelfde akte door twee of meer personen worden gemaakt, hetzij ten voordele van een derde, hetzij als wederkerige en onderlinge beschikking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4180\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.180</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten vormen Een testament kan eigenhandig, of bij notariële akte of in de vorm van het internationaal testament, worden gemaakt. Afdeling 2. Vormvereisten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4181\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.181</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eigenhandig testament Het eigenhandig testament is slechts geldig, indien het geheel met de hand van de testator geschreven, gedagtekend en ondertekend is. Het is aan geen andere formaliteiten onderworpen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4182\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.182</span><span class=\"lf-art-t\">Afgifte van het eigenhandig testament Een eigenhandig testament kan aan een notaris worden afgegeven, zelfs zonder dat een akte van bewaring wordt opgemaakt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4183\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.183</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Notarieel testament § 1. Het notarieel testament is het testament dat ofwel voor een notaris in tegenwoordigheid van twee getuigen, ofwel voor twee notarissen wordt verleden. § 2. Het notarieel testament wordt opgemaakt op papier overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 maart 1803Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1803 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/2009 numac 2009000678 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het notarisambt Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van het notarisambt, volgens de door de testator uitgedrukte wil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het testament wordt aan de testator voorgelezen, die bevestigt dat dit zijn laatste wil is. Indien er slechts één notaris is, geschieden de voorlezing van het testament en de bevestiging door de testator in tegenwoordigheid van de getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt. § 3. Dit testament moet door de testator worden getekend. Indien hij verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt in de akte uitdrukkelijke melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4184\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.184</span><span class=\"lf-art-t\">Testament in internationale vorm Een testament in internationale vorm wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 2 februari 1983Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/02/1983 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/2010 numac 2010000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot invoering van een testament in de internationale vorm en tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het testament. - Duitse vertaling sluiten tot invoering van een testament in de internationale vorm en tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het testament.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4185\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.185</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring betreffende het testament in internationale vorm Aan het testament in internationale vorm hecht de notaris een verklaring overeenkomstig de bepalingen van de wet waarvan sprake in artikel 4.184. Afdeling 3. Bijzonder toegelaten testamentsvormen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4186\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.186</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Testamenten van militairen Testamenten van militairen en van personen in dienst bij het leger kunnen, in welk land ook, verleden worden voor een officier bekleed met de graad van majoor of voor iedere andere officier van een hogere graad, in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee officieren belast met de administratie van het personeel van de eenheid waartoe de betrokken militair of persoon behoort, of voor één van die officieren in tegenwoordigheid van twee getuigen Zij kunnen, indien de testator ziek is of gewond, ook verleden worden voor de geneesheer die belast is met de medische steun van de eenheid waartoe de betrokken militair of persoon behoort, bijgestaan door de officier belast met de administratie van het personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en het tweede lid zijn alleen van toepassing op hen die zich te velde, in kwartier, in garnizoen buiten het Belgisch grondgebied of in krijgsgevangenschap bij de vijand bevinden. Zij zijn niet van toepassing op hen die binnenslands in kwartier of in garnizoen zijn, behalve wanneer zij zich in een belegerde plaats bevinden, of in een vesting of een andere plaats waarvan de poorten gesloten zijn en waarmee het verkeer ten gevolge van de oorlog verbroken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze testamenten worden nietig, zes maanden nadat de testator is teruggekeerd in een plaats waar het hem mogelijk is de gewone vormen in acht te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Testamenten op plaatsen die door besmetting ontoegankelijk zijn Testamenten gemaakt in een plaats waarmee alle verkeer verbroken is ten gevolge van een besmettelijke ziekte, kunnen worden gemaakt voor de vrederechter, of voor een van de ambtenaren van de burgerlijke stand in die gemeente, in tegenwoordigheid van twee getuigen Dit geldt zowel ten opzichte van hen die door die ziekten zijn aangetast, als ten opzichte van hen die zich in de besmette plaats bevinden, ook al zijn zij op dat ogenblik niet aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze testamenten worden waardeloos, zes maanden nadat het verkeer hersteld is met de plaats waar de testator zich bevindt, of zes maanden nadat hij in een plaats gekomen is, waarmee het verkeer niet verbroken is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4188\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.188</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Testamenten op zee § 1. Testamenten gemaakt op zee, gedurende de loop van een reis, kunnen worden verleden: 1° aan boord van een Belgisch oorlogsschip, Belgisch gezagsschip of een Belgisch overheidsschip: door de gezagvoerder of, bij gebreke van deze gezagvoerder, door de officier die hem volgens de dienstregeling vervangt, steeds samen met een andere officier aan boord;2° aan boord van een Belgisch zeeschip: door de kapitein of, bij gebreke van deze kapitein, door degene die hem volgens de dienstregeling vervangt, steeds samen met een andere officier aan boord. § 2. Het testament van de gezagvoerder aan boord van een Belgisch oorlogschip, Belgisch gezagsschip of een Belgisch overheidschip, of dat van de kapitein aan boord van een Belgisch zeeschip, kan worden verleden door hen die volgens de dienstregeling na hen komen, met inachtneming voor het overige, van de bepalingen van paragraaf 1. § 3 In ieder geval moeten die testamenten worden verleden in tegenwoordigheid van twee getuigen, en wordt het origineel ervan steeds in tweevoud opgemaakt. § 4. Wanneer het schip een vreemde haven aanloopt, waar zich een consul van België bevindt, moeten degenen voor wie het testament verleden is, een van beide originelen, gesloten of verzegeld, bij die consul in bewaring stellen. Deze zal het doen toekomen aan de minister bevoegd voor Maritieme mobiliteit, die het zal doen neerleggen op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de testator. § 5. Bij de terugkeer van het schip in België moeten beide originelen van het testament, eveneens gesloten en verzegeld, of het origineel dat overblijft, indien het andere, overeenkomstig paragraaf 4, gedurende de reis in bewaring is gegeven, op het kantoor van de scheepvaartcontrole afgegeven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kantoor zal de originelen zonder verwijl doen toekomen aan de minister bevoegd voor Maritieme Mobiliteit, die de neerlegging daarvan zal bevelen, zoals in paragraaf 4 bepaald is. § 6. Op het scheepsdagboek wordt, naast de naam van de testator, op de kant vermeld dat de originelen van het testament zijn afgegeven hetzij in handen van een consulaire ambtenaar, hetzij op het kantoor van de scheepvaartcontrole. § 7. Een testament wordt niet beschouwd als gemaakt op zee, hoewel het in de loop van de reis gemaakt is, indien het schip, ten tijde dat het testament verleden is, een vreemd land heeft aangelopen, waar zich een Belgisch consulaire ambtenaar met notariële bevoegdheid bevond. In dat geval is het slechts geldig voor zover het is opgemaakt overeenkomstig de vormen die in België zijn voorgeschreven of overeenkomstig de vormen die gebruikelijk zijn in het land waar het gemaakt is. § 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een testament gemaakt op zee, in de vorm zoals in de paragrafen 1 en 3 voorgeschreven, is slechts geldig voor zover de testator sterft hetzij op zee, hetzij binnen drie maanden nadat hij is ontscheept, en in een plaats waar hij het testament in de gewone vorm opnieuw heeft kunnen maken. § 9. Een testament gemaakt op zee mag geen beschikking bevatten ten voordele van de officieren van het schip, tenzij ze verwanten van de testator zijn. § 10. De paragrafen 1 tot 9 zijn van toepassing zowel op testamenten gemaakt door schepelingen als op testamenten gemaakt door passagiers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4189\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.189</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bepaling gemeen aan alle bijzondere testamentsvormen De testamenten in deze afdeling vermeld, worden ondertekend door de testator en door hen voor wie zij worden verleden Indien de testator verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen waarin de tegenwoordigheid van twee getuigen vereist is, wordt het testament ten minste door een van beiden ondertekend, en wordt melding gemaakt van de reden waarom de andere niet getekend heeft. Afdeling 4. Sanctionering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4190\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.190</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sanctie bij niet naleving van de vormvereisten De formaliteiten waaraan de onderscheiden testamenten, krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn onderworpen, moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid De nietigheid van het notarieel testament laat zijn eventuele geldigheid wat de vorm betreft, als een internationaal testament, onverkort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nietigheid van het testament als testament in internationale vorm laat zijn eventuele geldigheid wat de vorm betreft, als een testament van een andere soort, onverkort. Afdeling 5. Formaliteiten na overlijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4191\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.191</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Formaliteiten voor het eigenhandig en het internationaal testament Wanneer een nalatenschap is opengevallen waarvoor een eigenhandig testament of een testament in de internationale vorm werd gemaakt, worden de volgende formaliteiten nageleefd: 1° ieder eigenhandig testament wordt, voordat het wordt ten uitvoer gelegd, aangeboden aan een notaris. De notaris opent het testament indien het verzegeld is, en maakt een proces-verbaal op van de opening en van de staat waarin het testament zich bevindt De notaris rangschikt dit testament samen met dit proces-verbaal onder zijn minuten; 2° in het geval van het testament in internationale vorm maakt de notaris, bij wie het testament in bewaring werd gegeven, een proces-verbaal van de opening en van de staat van het testament op. De notaris rangschikt het testament in internationale vorm samen met dit proces-verbaal onder zijn minuten; 3° deze regels zijn ook toepasselijk ten opzichte van de Belgische consulaire ambtenaren met notariële bevoegdheid, onder de voorwaarden die de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie bepalen. Hoofdstuk 2. Legaten Afdeling 1. Algemene bepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4192\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.192</span><span class=\"lf-art-t\">Uiterste wilsbeschikkingen Uiterste wilsbeschikkingen zijn of algemeen, of onder algemene titel, of onder bijzondere titel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gevolgen van ieder van deze beschikkingen, gemaakt hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, worden bepaald overeenkomstig de regels hierna vastgesteld voor de algemene legaten, voor de legaten onder algemene titel en voor de bijzondere legaten. Afdeling 2. Algemeen legaat</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4193\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.193</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Definitie van het algemeen legaat Een algemeen legaat is de uiterste wilsbeschikking waarbij de testator aan een of meer personen de algemeenheid van de goederen legateert die hij bij zijn overlijden zal nalaten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4194\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.194</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bezit en genot § 1. Wanneer reservataire erfgenamen tot de nalatenschap komen treden zij, door het overlijden van de testator, van rechtswege in het bezit van alle goederen van de nalatenschap. De algemene legataris moet hun de afgifte van de in het testament begrepen goederen vragen De algemene legataris heeft in dat geval evenwel het genot van de in het testament begrepen goederen, te rekenen van de dag van het overlijden, indien de vordering tot afgifte is ingesteld binnen het jaar na dit tijdstip. Indien hij dit niet binnen die termijn gedaan heeft, vangt zijn genot eerst aan op de dag waarop de rechtsvordering is ingesteld of waarop de afgifte vrijwillig is toegestaan. § 2. Wanneer geen reservataire erfgenamen tot de nalatenschap komen, treedt de algemene legataris, door het overlijden van de testator, van rechtswege in het bezit, zonder de afgifte te moeten vragen, indien hij bij notarieel testament is aangeduid.</p></div>", "next": 239710}