{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten en van artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;2° ouderschapsverlof;3° adoptieverlof en verlof voor onthaal;4° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of om bijstand te verlenen of zorgen te verlenen aan een gezinslid of familie;5° verminderde prestaties voor medische redenen in toepassing van artikel 248. Wanneer een ambtenaar een schorsing verkrijgt door toepassing van lid 3, dan worden deze periodes niet meegeteld voor de maximumperiode van 60 maanden bedoeld in artikel 4 § 2 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft (1) sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, alsook niet voor de lopende periode van de vierdagenweek. Art. 180.De ambtenaar kan een einde maken aan de regeling van de vierdagenweek met premie met een inachtneming van een opzegging van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of zijn afgevaardigde ter kennis wordt gebracht, tenzij deze een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek zonder premie Art. 181.§ 1. Onverminderd het recht op de vierdagenweek met premie, toegekend in uitvoering van de artikelen 4 tot 6 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft (1) sluiten betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, heeft de ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is, het recht om vier vijfde te verrichten van de prestaties die normaal worden opgelegd, zonder bijkomende premie. De prestaties worden verricht over vier werkdagen per week. § 2. De ambtenaar die gebruik maakt van het recht bedoeld in § 1, ontvangt tachtig procent van de wedde. De periode van afwezigheid wordt als verlof beschouwd en met dienstactiviteit gelijkgesteld. § 3. De ambtenaar die gebruik wenst te maken van het recht op de vierdagenweek zonder premie bedoeld in § 1, dient daartoe een aanvraag in, minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">De machtiging voor de arbeidsregeling bedoeld in § 1 wordt door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een hoger niveau maakt ambtshalve een einde aan de machtiging tot de arbeidsregeling bedoeld in § 1. § 4. De artikelen 178, § 3 en 179 zijn van toepassing op de arbeidsregeling bedoeld in § 1. § 5. De ambtenaar kan een einde maken aan de in § 1 bedoelde arbeidsregeling met een opzegging van drie maanden, die per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar Art. 182.§ 1. Halftijdse prestaties zoals bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de wet van 19 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/2012 numac 2012002046 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/03/2013 numac 2013000122 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector. - Duitse vertaling type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2012 numac 2012204202 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister en federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Wet houdende wijziging van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, en van de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/07/2012 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2012 numac 2012204206 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Bijzondere wet houdende wijziging van de wet van 9 augustus 1988 tot wijziging van de gemeentewet, de gemeentekieswet, de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de provinciewet, het Kieswetboek, de wet tot regeling van de provincieraadsverkiezingen en de wet tot regeling van de gelijktijdige parlements- en provincieraadsverkiezingen en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wat de benoeming van de burgemeesters van de randgemeenten betreft (1) sluiten worden geleverd volgens de volgende voorwaarden : - ofwel elke dag - ofwel volgens een andere verdeling over de week Ter afwijking van het voorgaande lid, kan de minister beslissen tot een verdeling over de maand voor bepaalde specifieke functies die hij vastlegt. § 2. De directeur-generaal en de adjunct-directeur-genraal of hun afgevaardigde verleent het verlof en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof met maximaal drie maanden uitstellen voor de noodwendigheden van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In functie van de noodwendigheden van de dienst of op verzoek van de ambtenaar, kan de werkkalender worden aangepast door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-genraal of hun afgevaardigde. Deze laatsten informeren de ambtenaar over deze aanpassing twee maanden van tevoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk mits wederzijds akkoord. § 3. Tijdens de periode gedurende welke de ambtenaar geen prestaties levert tijdens het regime van halftijds werken, mag hij geen andere professionele activiteit uitoefenen. Onder professionele activiteit dient te worden begrepen elke activiteit waarvan het resultaat een professionele inkomst is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek Inkomstenbelastingen van 1992. De politieke mandaten bedoeld in artikel 262 en volgende worden niet beschouwd als een professionele activiteit. Art. 183.Gedurende de periode van halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, kan het de ambtenaar niet toegelaten worden verminderde prestaties uit te voeren voor welke reden dan ook. Hij kan ook geen beroep doen op een regime van deeltijdse loopbaanonderbreking. HOOFDSTUK IV. - Verminderde prestaties om persoonlijke redenen Art. 184.§ 1. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de verminderde prestaties om persoonlijke redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houders van een andere rang dan rang 1 kunnen deze verloven genieten, met toestemming van de directeur-generaal en de adjunct-directeur-genraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mandaathouders worden van deze verloven uitgesloten. § 2. De ambtenaar moet de helft, zes tienden, zeven tienden, acht tienden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze prestaties worden ofwel elke dag verricht, ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week of over een periode van twee weken of over een maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand. § 3. De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Verlengingen van minstens drie maanden en maximaal vierentwintig maanden kunnen worden toegekend. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend. § 4. Het werkschema wordt op dezelfde wijze geregeld als bepaald in de artikelen 178 § 2. § 5. De ambtenaar kan zijn ambt volledig hervatten voordat de toegestane periode verstrijkt met inachtneming van een opzegperiode van drie maanden tenzij de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal een kortere periode aanvaarden. Art. 185.§ 1. Tijdens de afwezigheidperiode is de ambtenaar die gebruik maakt van de regeling van verminderde prestaties om persoonlijke redenen op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden alsook op de versnelde functionele loopbaan, naar rata van de verrichte dienstprestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties. § 2. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wedde van de ambtenaar, die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen die niet de volle leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben ten laste heeft, wordt vermeerderd met het vijfde van de wedde dat verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt. Art. 186.De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven verkrijgt : 1° het bevallingsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof en opvangverlof;2° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;3° het verlof om een stage of een proefperiode te vervullen;4° het verlof om kandidaat te zijn voor de verkiezingen;5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming;6° het verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet;7° het verlof voor opdracht;8° het verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke fractie in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen;9° het verlof bedoeld in artikel 77, § 1, van het Koninklijk Besluit van 28 september 1984 houdende de uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/12/1974 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. HOOFDSTUK V. - De verloven van korte duur Afdeling 1. - De jaarlijkse vakantie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 187</span><span class=\"lf-art-t\">De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van : 1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit;2° twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit. Art. 188.De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. Ze worden toegekend door de functionele chef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie. Art. 189.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon die onder hetzelfde dak woont dient, bovendien, te zijn : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloedverwant hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van de noodzakelijkheid van zijn aanwezigheid bij de zieke of de persoon die slachtoffer is van een ongeval. Art. 190.Indien de ambtenaar de in artikel 189, eerste lid bedoelde vier werkdagen heeft opgebruikt of indien hij volledig de werkdagen waarin artikel 187 voorziet heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel 189. Art. 191.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal bepalen de modaliteiten voor een eventuele overdracht van de niet- bestede vakantiedagen. Die overdracht is maximum één jaar geldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ambtenaar het geheel of een deel van zijn vakantiedagen niet kon opnemen wegens een afwezigheid door ziekte, als gevolg van een werkongeval, een ongeval op weg naar het werk, een beroepsziekte, mag de overdracht de termijn van één jaar overschrijden. Bij terugkomst van de ambtenaar worden de jaarlijkse vakantiedagen naar keuze van de ambtenaar opgenomen, maar er moet evenwel rekening gehouden worden met de behoeften van de dienst. Art. 192.In de instelling geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst waarvan de modaliteiten worden vastgesteld door de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A enerzijds en de bestuursraad of de beheerraad voor de instellingen van categorie B anderszijds of hun gemachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van deze werktijdregeling kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor specifieke organisatorische eenheden of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximaal gemiddelde werktijd mag de 38 uren per week niet overschrijden. Art. 193.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof verkrijgt : - om een stage of een proefperiode te vervullen bij een andere overheidsdienst, zoals bepaald in artikel 226; - om kandidaat te zijn voor de parlements-, gewest-, provincie-, gemeente-, of europese raadsverkiezingen bepaald in artikel 253; - om dwingende redenen van familiaal belang bepaald in artikel 199; - wegens halftijdse werken vanaf 50 of 55 jaar bepaald in artikel 176; - met toepassing van de vierdagenweek bepaald in artikel 178 en 181; - voor onderbreking van de beroepsloopbaan bepaald in artikel 170; - om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 228.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aldus berekende aantal dagen bedraagt steeds een hele of een halve dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag. Art. 194.De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte voor zover de geneeskundige controle mogelijk is. Art. 195.De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de twee bijkomende dagen voorzien in artikel 190 eerste lid. Afdeling 2. - De feestdagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-196\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 196</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De ambtenaar heeft verlof op de wettelijke feestdagen, op 2 en 15 november en op 26 december. § 2. De in § 1 vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december. § 3. De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, verkrijgt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof Bij definitieve ambtsneerlegging of oppensioenstelling voor de periode bedoeld in § 2, heeft de ambtenaar recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen dat samenviel met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. § 4. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 3. - Het verlof om familiale redenen Onderafdeling 1. - Het omstandigheidsverlof Art. 197.De ambtenaar krijgt verlof, binnen de hierna gestelde perken, naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen : 1° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van de ambtenaar : 4 werkdagen;2° de bevalling van de echtgenote of van de samenwonende partner van de ambtenaar, op het ogenblik van de gebeurtenis : 14 werkdagen;3° het overlijden van de echtgenoot of van de samenwonende partner : 4 werkdagen;4° het overlijden van een bloedverwant in de eerste graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van samenwonende partner van de ambtenaar : 4 werkdagen;5° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van een kind van de ambtenaar of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 2 werkdagen;6° het overlijden van een bloedverwant in om het even welke graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar, onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;7° het overlijden van een bloedverwant in de tweede graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar, maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag. Als het voorval zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 198</span><span class=\"lf-art-t\">Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Het verlof wegens dwingende familiale redenen Art. 199.Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens : 1° ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;2° opvang van zijn kinderen die niet de leeftijd van 15 jaar bereikt hebben. Het verlof wordt genomen per dag of per halve dag. Het wordt toegekend door de functionele chef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verlof wegens dwingende familiale redenen tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd. Art. 200.Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Het ouderschapsverlof buiten de loopbaanonderbreking Art. 201.Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg, maximaal drie maanden ouderschapsverlof buiten loopbaanonderbreking toegestaan. Dit verlof moet genomen worden voor het kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt. Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en genomen worden met volledige dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het ouderschapsverlof heeft de ambtenaar het recht zijn functie opnieuw uit te oefenen of, indien dat onmogelijk is, een gelijkwaardige of gelijkaardige functie te bekleden. Art. 202.Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing Art. 203.Een adoptieverlof wordt toegekend aan de ambtenaar die een kind van minder dan twaalf jaar adopteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de vier maanden die volgen op de inschrijving van het kind als deeluitmakend van het gezin van de ambtenaar in het bevolkingsregister of het register van vreemdelingen in de gemeente van zijn verblijfplaats. Op vraag van de ambtenaar kan ten hoogste drie weken van dit verlof opgenomen worden vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld en de leeftijdsgrens van het kind wordt vastgesteld op 21 jaar wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert, de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand voor de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen : 1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de Gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar, wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste drie weken te verkrijgen vooraleer het kind opgenomen wordt in het gezin;2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen. De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken verminderd, wanneer de ambtenaar voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof heeft gekregen door toepassing van artikel 197, lid 1 2°, of een verlof naar aanleiding van een geboorte door toepassing van het artikel 30 § 2 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1978 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1978 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten. Art. 204.De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden twaalf jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op pleegvoogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan ook dit verlof krijgen wanneer hij een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar en zes weken indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag. Art. 205.Het adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij en plaatsing in een onthaalgezin van een minderjarige naar aanleiding van een rechterlijke beslissing wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 4. - Het bevallingsverlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 206</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Het bevallingsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeids</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 2. De bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar bevallingsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezoldiging voor de verlenging van het postnatale verlof toegestaan in toepassing van artikel 208, mag niet meer dan één week bestrijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezoldiging voor de verlenging van het postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 212, § 5 mag niet meer dan 24 weken bestrijken. § 3. De periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de vijf weken die vallen voor de zevende dag welke de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden voor het bepalen van de administratieve stand van de vrouwelijke ambtenaar veranderd in bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de zeven weken die, in geval van geboorte van een meerling, vallen vóór de zevende dag welke de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat. Art. 207.§ 1. Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich in bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 206 § 2 is de bezoldiging verschuldigd. § 2. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gewerkt heeft vanaf de zesde week voor de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. § 3. Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden, de volgende afwezigheden gedurende de zes weken of, in geval van de geboorte van een meerling, gedurende de acht weken die vallen vóór de zevende dag welke aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaan : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de in artikel 196 bedoelde feestdagen;3° de in de artikelen 189, 190 en 197 bedoelde verloven;4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;5° de afwezigheden wegens ziekte met uitsluiting van de afwezigheden bedoeld in artikel 206 § 3. Art. 208.Op vraag van de vrouwelijke ambtenaar wordt de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, verlengd met één week, wanneer de vrouwelijke ambtenaar afwezig is geweest wegens ziekte gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd, verlengd met een periode van maximaal twee weken. Art. 209.Zwangere of borstgevende ambtenaren mogen geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop de 38 uren per week. Art. 210.De ambtenaar die, met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeids wet van 16 maart 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/03/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Art. 211.Het artikel 207 is niet van toepassing in geval van miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap. Art. 212.§ 1. Als de moeder van het kind overlijdt bij de bevalling of tijdens het moederschapsverlof of als zij opnieuw in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind of de ambtenaar waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, op eigen verzoek een verlof ter vervanging van het moederschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien. § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor. § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, een verlof ter vervanging van het moederschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden : 1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren. Het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof kan niet aanvangen voor de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en moet beëindigd zijn op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het bevallingsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft. § 4. Het verlof van de vader van het kind of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft ter vervanging van het moederschapsverlof is bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de vader van het kind of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft het verlof bedoeld in dit artikel verkrijgt, heeft hij geen recht meer op het verlof bedoeld in artikel 197, eerste lid, 2°. § 5. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert : 1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 213</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven na de geboorte van het kind. § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze op die dag opnemen in één keer of twee keer De duur van borstvoedingspauze(s) is in de duur van de prestaties van de werkdag inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrouwelijke ambtenaar deelt haar functionele chef mee op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) neemt. § 3. De vrouwelijke ambtenaar die de borstvoedingspauzes wenst te genieten brengt de functionele chef twee weken op voorhand schriftelijk op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan. Afdeling 5. - Het verlof om medische of humanitaire redenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 214</span><span class=\"lf-art-t\">De vrouwelijke ambtenaar kan dienstvrijstelling krijgen om naar prenatale medische onderzoeken te gaan die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest. Art. 215.De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling om bloed, bloedplasma en bloedplaatjes te geven op voorwaarde dat hij de toelating heeft van zijn functionele chef voor de donatie. Die dienstvrijstelling kan geweigerd worden om dienstredenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling voor de noodzakelijke duur van de bloed-, plasma- en bloedplaatjesdonatie alsook voor de verplaatstijd van maximaal twee uur. Art. 216.De ambtenaar krijgt verlof voor het afstaan van beenmerg, van organen of van weefsel. De duur van dit verlof is die van de ziekenhuisopname en de herstelperiode. De tijd noodzakelijk voor de voorafgaande medische onderzoeken kan eveneens in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest. Art. 217.Wanneer de echtgenoot of de levenspartner of een inwonend familielid van de ambtenaar aan een ziekte lijdt die door zijn arts als ernstig en uitermate besmettelijk wordt beschouwd, dient de ambtenaar zijn arts te vragen zich tot de hoofdarts van het geneeskundig centrum van de Administratieve Gezondheidsdienst waaronder de ambtenaar ressorteert te wenden om na gemeenschappelijk overleg de meest gepaste preventieve maatregelen te treffen waaronder chemoprofylaxe en eventueel verlof. Art. 218.De ambtenaar kan verlof krijgen om : 1° de cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming;2° in vredestijd prestaties te verrichten als vrijwilliger bij dit korps. Art. 219.Met een maximum van vijf werkdagen per jaar en voor zover het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof krijgen om mindervaliden en zieken te vergezellen of om andere humanitaire zendingen te vervullen tijdens verblijven en reizen in België of buitenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verblijven of reizen moeten georganiseerd zijn door een openbare instelling of een vereniging die de zorg voor mindervaliden en zieken of de humanitaire zendingen als opdracht heeft. De instelling of vereniging moet erkend zijn door de Belgische Staat of een van haar gefedereerde entiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlofaanvraag moet worden gestaafd met een attest waarin de vereniging of instelling verklaart dat de reis of het verblijf onder haar verantwoordelijkheid gebeurt. Art. 220.De verloven om medische of humanitaire redenen zijn bezoldigd en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling 6. - Uitzonderlijk verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 221</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De ambtenaar kan verlof krijgen om gevolg te geven aan een wederoproeping als reservist. § 2. De ambtenaar verkrijgt een verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit tijdens de duur van de zitting. § 3. Deze verloven worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. HOOFDSTUK VI. - De verloven van lange duur Afdeling 1. - Het verlof om persoonlijke redenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 222</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof om persoonlijke redenen krijgen. Art. 223.Het verlof om persoonlijke redenen wordt enkel voltijds en voor minstens een maand en ten hoogste zes maanden toegekend. Het kan verlengd worden of na een onderbreking opnieuw worden aangevraagd Behoudens afwijking door de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B en op gunstig advies van de directieraad, mag dit verlof niet meer bedragen dan 24 maanden over de gehele loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere vraag tot verlenging moet ten minste één maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden aangevraagd. Art. 224.Het verlof om persoonlijke redenen is niet bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van non-activiteit. Art. 225.Met ziekten of ongevallen opgelopen gedurende deze verlofperiode wordt geen rekening gehouden. Afdeling 2. - Het verlof om een stage te doen in een overheidsdienst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 226</span><span class=\"lf-art-t\">De ambtenaar kan verlof krijgen om een stage of proefperiode te doen in een betrekking bij een overheidsdienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een betrekking in het gesubsidieerde of het universitair onderwijs wordt gelijkgesteld met een betrekking in een overheidsdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenstemt met de duur van de stage of van de proefperiode. Art. 227.Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling 3. - Het verlof wegens opdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 228</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Regering voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B kan een ambtenaar, met zijn instemming, belasten met een opdracht. § 2. Iedere ambtenaar kan eveneens met instemming van de Regering een opdracht aanvaarden : 1° bij een instelling van openbaar nut die afhangt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° bij een ministerie of een instelling van openbaar nut die afhangt van de federale overheid, van een ander Gewest, van een Gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;3° op internationaal vlak buiten België uitgeoefend, die wordt toevertrouwd hetzij door één van de regeringen van het Rijk of een Belgisch openbaar bestuur, hetzij door een buitenlandse regering of door een buitenlandse openbaar bestuur;4° op internationaal vlak in of buiten België uitgeoefend, bij een internationale instelling;5° in een ontwikkelingsland. § 3 De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 229</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B verleent de opdracht voor ten hoogste twee jaar. Zij kunnen haar verlengen voor telkens maximum dezelfde duur voor ten hoogste twee jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-230\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 230</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Tijdens de duur van een opdracht die door een eerste machtiging is gedekt, is de ambtenaar met verlof. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 2. Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 26 juli 1988, van 7 januari 1998 of van 12 november 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling die geldt voor nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie gedetacheerd zijn. Het kan eveneens worden bezoldigd met instemming van de Regering wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 231</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt, wordt aan de ambtenaar verlof verleend indien de opdracht welke hij uitvoert als zijnde van algemeen belang is erkend. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 2. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend : 1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een functie in een ontwikkelingsland bevatten;2° voor opdrachten uitgevoerd door de als nationaal deskundige aangewezen ambtenaar krachtens de beschikking van 26 juli 1988, van 7 januari 1998 of van 12 november 2008 van de Commissie van de europese Gemeenschappen of wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen;3° om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen. § 3 Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend voor de internationale opdrachten bedoeld in artikel 228, § 2, 3° en 4° wanneer zij door de minister geacht worden van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor een regering of een openbaar bestuur in België. § 4. In uitzonderlijke gevallen wordt het karakter van algemeen belang voor de in artikel 228, § 2, 1° en 2° bedoelde opdrachten erkend onder dezelfde voorwaarden als die vastgesteld in § 3 van dit artikel. § 5. In afwijking van §§ 2 en 3 van dit artikel, verliest iedere opdracht van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van een buitenlandse regering, van het buitenlands openbaar bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 232</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt doch niet erkend van algemeen belang te zijn, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op bezoldiging en kan hij zijn aanspraak op promotie of verhoging in zijn weddeschaal niet doen gelden Voor de toepassing van het eerste lid van dit besluit wordt als volgende machtiging beschouwd, die welke iedere volgende periode dekt van een opdracht in dienst van dezelfde regering, van hetzelfde openbaar bestuur of van dezelfde instelling voor zover de beschouwde periode van de voorafgaande periode niet wordt gescheiden door een termijn die zes maanden overschrijdt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 233</span><span class=\"lf-art-t\">De ambtenaar die door de Regering met een internationale opdracht wordt belast, kan een vergoeding genieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de vergoeding vast rekening houdend met : 1° de bezoldiging toegekend ter uitvoering van de opdracht;2° de duur van de opdracht, de levensduurte in het land waar de opdracht wordt uitgevoerd, de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de verhoogde gezinslasten verbonden aan de expatriatie. De vergoeding mag niet worden toegekend indien de ambtenaar hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, gelijkwaardige voordelen geniet. Art. 234.Zodra de ambtenaar twee jaar met verlof wegens opdracht is, kan de directieraad beslissen of de betrekking die hij bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd. Art. 235.Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden, kan de Regering op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast. Art. 236.De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of door zijn toedoen wordt beëindigd, stelt zich opnieuw ter beschikking van zijn instelling. HOOFDSTUK VII. - Het verlof wegens ziekte Afdeling 1. - De ziekteverlofdagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 237</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens zijn volledige loopbaan heeft de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, recht op ziekteverlof tot maximaal eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is, wordt zijn wedde hem niettemin gedurende 63 werkdagen gewaarborgd Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de dienstancienniteit te berekenen, komen ook in aanmerking alle daadwerkelijke prestaties die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een onderwijsinstelling, een dienst voor beroepskeuze, een psycho-medisch-sociaal centrum of een medisch-pedagogisch instituut voor zover zij werden opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Staat, een Gewest of een Gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 32 en 95 gebracht. Art. 238.Het aantal werkdagen, bedoeld in artikel 237, wordt in evenredigheid verminderd, wanneer hij tijdens zijn loopbaan verlof heeft gekregen : 1° van arbeidsherverdelende aard;2° binnen het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar 3° om een stage te vervullen in een andere overheidsdienst;4° om een opdracht te vervullen buiten het Gewest;5° om kandidaat te zijn bij verkiezingen;6° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;7° wegens ziekte of invaliditeit, behalve in geval van een arbeidsongeval of op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte. De ambtenaar die op non-activiteit werd geplaatst wegens ongewettigde afwezigheid, is onderworpen aan dezelfde regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend. Art. 239.§ 1. Verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking zoals bedoeld in de artikelen 170 tot 175, noch aan de stelsels van de vierdagenweek of halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de artikelen 176 tot 183, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen zoals bedoeld in de artikelen 184 tot 186.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen. § 2. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal verlofdagen waarop hij krachtens artikel 237 recht heeft, naar rata van de prestaties die hij had moeten verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, worden de gedeelten van een dag niet meegeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-240\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 240</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 241</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onder voorbehoud van artikel 247 en in afwijking van artikel 237, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op de weg van en naar het werk;3° een beroepsziekte. Bovendien komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen dat de ambtenaar overeenkomstig artikel 237 nog kan krijgen, zelfs niet na de datum van consolidatie. § 2. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door de minister vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 242</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 241, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die de ambtenaar nog krachtens artikel 237 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de indeplaatsstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 243</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar verminderde prestaties verricht die gespreid zijn over alle werkdagen, wordt het ziekteverlof aangerekend pro rata van het aantal uren dat hij gedurende zijn afwezigheid had moeten presteren Indien het aldus berekende aantal werkdagen geen geheel getal is, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aldus het totaal aantal aangerekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, wordt het gedeelte van de dag niet meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar deeltijds verlof geniet op basis van een wettelijke bepaling tot vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, worden als ziekteverlof meegerekend de werkdagen tijdens welke hij op basis van een voltijdse werkregeling prestaties had moeten verrichten. Afdeling 2. - Het toezicht en de definitieve ongeschiktheidsverklaring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 244</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wegens ziekte afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van de door de minister aangewezen medische controledienst. De minister bepaalt de regels die van toepassing zijn inzake de medische controle Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met de beslissing van de controlearts, neemt deze laatste binnen 24 uur contact met de behandelende arts. Als de beide geneesheren het oneens zijn, wijzen zij onmiddellijk in gemeen overleg een arbitrerend arts aan. De beslissing van de arbitrerend arts is definitief.</p>\n<p class=\"lf-p\">In toepassing van artikel 169 is de ambtenaar ambtshalve in non-activiteit voor alle niet gewettigde afwezigheden wegens ziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin kan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de afwezigheid omzetten in jaarlijks vakantieverlof. Art. 245.De ambtenaar blijft onderworpen aan de reglementering van het Bestuur van de medische expertise van de Staat voor wat betreft de arbeidsongevallen, de beroepsziekten en de definitieve medische ongeschiktheidsverklaring. Art. 246.Op grond van de geldende procedure bij het Bestuur van de medische expertise van de Staat, heeft de ambtenaar een recht van beroep tegen de beslissingen van deze dienst voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 244. Art. 247.De ambtenaar kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte alvorens hij het aantal werkdagen heeft uitgeput waarop hij recht heeft als ziekteverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet toepasselijk op de ambtenaar die een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, en die op grond daarvan op pensioen werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen ontvangt. Afdeling 3. - De verminderde prestaties wegens ziekte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 248</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan verzoeken zijn functie uit te oefenen binnen het kader van verminderde prestaties wegens ziekte : 1° met het oog op zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van ten minste dertig dagen;2° wanneer, ten gevolge van een langdurige medische ongschiktheid, hij niet voltijds kan werken na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van ten minste dertig dagen; De beoordeling van de medische situatie van de ambtenaar en het toekennen van verminderde prestaties wegens medische redenen wordt gewaarborgd door een arts van de medische controle zoals bedoeld in artikel 244, lid 1. Art. 249.§ 1. De ambtenaar bedoeld in artikel 248, 1°, kan zijn functie opnieuw vervullen ter waarde van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximaal drie maanden Verminderde prestaties kunnen worden toegekend voor de duur van een maand. Verlengingen kunnen worden verleend worden voor een equivalente periode, indien de medische controledienst zoals bedoeld in arikel 244, lid 1, na een nieuw onderzoek van mening is dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit rechtvaardigt. De bepalingen van artikel 252 zijn van toepassing. § 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 248, 2° kan zijn functie hernemen ter waarde van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties voor een maximumduur van twaalf maanden, op voorwaarde dat de arts van de medische controledienst zoals bedoeld in artikel 244, lid 1 van mening is dat een nieuw onderzoek vroeger dient plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlengingen kunnen worden toegekend voor een maximum van twaalf maanden, indien de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1 na een nieuw onderzoek van mening is dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar het rechtvaardigt. De bepalingen van artikel 252 zijn van toepassing. § 3. Op elk onderzoek, oordeelt de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1 of de ambtenaar geschikt is om 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de periode van verminderde prestaties om medische redenen, kan de ambtenaar, zoals bedoeld in § 2, een nieuw onderzoek verzoeken bij de medische controledienst zoals bedoeld in artike 244, 1° met het oog op het aanpassen van zijn werkregime. § 4. De verminderde prestaties bedoeld in § 1 worden elke dag uitgevoerd, op voorwaarde tenzij dat de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, eerste lid, anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verminderde prestaties bedoeld in § 2, worden uitgevoerd volgens een spreiding van de prestaties over de week, conform het advies van de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1. Art. 250.§ 1. De dagen dat een ambtenaar afwezig is tijdens een periode van verminderde prestaties wegens ziekte worden beschouwd als verlof. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin moet de ambtenaar, die zijn ambt uitoefent met verminderde prestaties wegens ziekte, zijn vakantieverlofdagen opnemen met volledige dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verminderde prestaties niet elke dag worden geleverd, dan worden de verlofdagen toegekend prorata aan de prestaties voor de gepresteerde periode binnen het kader van de verminderde prestaties. § 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 248, 1° en 2° geniet zijn volledige wedde voor de eerste drie maanden van de verminderde prestaties voor medische redenen. Met wedde wordt de wedde bedoeld zoals gedefinieerd in Boek II, titel I, alsook de toelagen bedoeld in artikel 378 De ambtenaar bedoeld in artikel 248, 2° geniet vanaf de vierde maand een wedde voor de verminderde prestaties, verhoogd met 60 % van de wedde die hij gekregen zou hebben voor de niet geleverde prestaties. § 3. De verminderde prestaties voor medische redenen worden geschorst door : 1° loopbaanonderbreking 2° halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar 3° de vierdagenweek 4° de verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid;5° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke redenen;6° moederschapsverlof;7° ouderschapsverlof;8° Adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing. De toelating om verminderde prestaties te verrichten voor medische redenen wordt tijdelijk onderbroken bij afwezigheid wegens ziekte, door een arbeidongeval of door een ongeval op de weg naar het werk of wegens een arbeidsziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 251</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De ambtenaar die verminderde prestaties voor medische redenen wenst te genieten moet een advies verkrijgen van de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1, minimaal vijf werkdagen voor het begin van de verminderde prestaties De ambtenaar, bedoeld in artikel 248, 1°, moet een medisch getuigschrift voorleggen en een reïntegratieplan opgesteld door de behandelende arts. In het reïntegratieplan, vermeldt de arts de vermoedelijke datum van het volledig hervatten van de arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar bedoeld in artikel 248, 2° moet een omstandig medisch verslag voorleggen, opgesteld door een arts specialist. § 2. De arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1, spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de ambtenaar om zijn functies te hernemen ter waarde van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties. Deze bezorgt zo snel mogelijk, naargelang het geval, na consultatie van de behandelende arts bedoeld in artikel 248, § 1, lid 2, zijn schriftelijke bevindingen aan de ambtenaar. § 3. Na het bezorgen van de bevindingen door de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1, binnen het kader van een verzoek tot verminderde prestaties voor medische redenen, bedoeld in artikel 248, 1° en 2° kan de ambtenaar, die niet akkoord gaat met de vaststellingen, verzoeken dat een arts-scheidsrechter wordt aangesteld, in overeenstemming met de procedure bedoeld in artikel 244, lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist over het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft beschermd door het beroepsgeheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1 op de hoogte van zijn beslissing. De medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1 en de ambtenaar worden onmiddellijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd door de arts-scheidsrechter. Art. 252.Indien de medische controledienst bedoeld in artikel 244, lid 1, meent date en ambtenaar afwezig wegens ziekte geschikt is om de uitoefening van zijn functies te heratten ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties, dan informeert hij de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal hierover.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal nodigen de ambtenaar uit het werk te hervatten en laten hem toe de verminderde prestaties te vervullen voor zover deze in overeenstemming zijn met de eisen opgelegd voor de goede functionering van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan dit verzoek om het werk te hervatten, dan wordt hij in niet-dienstactiviteit geplaatst. HOOFDSTUK VIII. - De verloven om politieke redenen Afdeling 1. - Het verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 253</span><span class=\"lf-art-t\">De ambtenaar kan een verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor parlements-, gewest-, gemeente-, provincie- of Europese raadsverkiezingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt toegekend voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan hij deelneemt. Art. 254.Dit verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 2. - Het verlof om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie Art. 255.Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren. Art. 256.De ambtenaar kan verlof krijgen om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke fractie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De directieraad gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof wordt toegekend door de benoemende overheid, met de instemming van de ambtenaar. Art. 257.Het besluit vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een ambt zal uitoefenen. Art. 258.De benoemende overheid kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van een maand respecteert. Art. 259.Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het is niet bezoldigd. Afdeling 3. - Het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-260\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 260</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een functie te vervullen op : 1° het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of de cel algemeen beleid of, in voorkomend geval, het kabinet van een lid van de federale Regering;2° het kabinet van een minister of staatssecretaris van de regering van een Gemeenschap of Gewest;3° het kabinet van een minister of staatssecretaris van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De detachering bij een andere regering dan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is slechts toegestaan indien de bezoldiging van de gedetacheerde ambtenaar wordt terugbetaald. § 2. Op het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander secretariaat, cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de federale Regering of kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in deze organen, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximaal van vijftien werkdagen. Art. 261.Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 4. - Het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 262</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar krijgt een dienstvrijstelling van twee dagen per maand voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten : a) gemeenteraadslid dat noch burgemeester noch schepen noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is;b) lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter uitgezonderd;c) lid van een districtsraad, de bureauleden en de voorzitter uitgezonderd;d) provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 263</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vrijstelling van dienst bepaald in artikel 262 wordt naar keuze van de betrokkene genomen in dagen of halve dagen. Zij mag niet van een maand naar een andere worden overgedragen tenzij zij is toegekend voor het uitoefenen van een mandaat van provincieraadslid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 264</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan, binnen de hierna bepaalde grenzen, op zijn aanvraag een facultatief politiek verlof krijgen voor de uitoefening van volgende politieke mandaten : 1° gemeenteraadslid dat noch burgemeester noch schepen noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is, lid van een raad voor maatschappelijk welzijn dat noch voorzitter noch lid van het vast bureau is, of lid van een districtsraad, dat noch voorzitter noch lid van het bureau is, van een gemeente : a) tot 80.000 inwoners : 2 dagen per maand; b) met meer dan 80.000 inwoners : 4 dagen per maand; 2° schepen, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of lid van het bureau van een districtsraad van een gemeente : a) tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand; b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; c) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; 3° burgemeester van een gemeente of voorzitter van een districtsraad van een gemeente : a) tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; 4° lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente : a) tot 10.000 inwoners : 1 of 2 dagen per maand; b) van 10.001 tot 20.000 inwoners : 1, 2 of 3 dagen per maand; c) met meer dan 20.000 inwoners : 1, 2, 3, 4 of 5 dagen per maand; 5° provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie : 4 dagen per maand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 265</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is, binnen de hierna bepaalde grenzen, in politiek verlof van ambtswege voor de uitoefening van volgende politieke mandaten : 1° burgemeester van een gemeente : a) tot 20.000 inwoners : 3 dagen per maand; b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; d) met meer dan 50.000 inwoners : voltijds; 2° de voorzitter van een districtsraad van een gemeente wordt wat betreft het politiek verlof van ambtswege gelijkgesteld met een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die burgemeester die hij ontvangt; 3° schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente : a) tot 20.000 inwoners : 2 dagen per maand; b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand; c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt; d) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt; e) met meer dan 80.000 inwoners : voltijds; 4° een lid van het bureau van een districtsraad van een gemeente wordt wat betreft het politiek verlof van ambtswege gelijkgesteld met een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof wordt beperkt tot het percentage van de wedde van die schepen die hij ontvangt;5° lid van de bestendige deputatie van een provincieraad : voltijds</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 266</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van de ordonnantie van 27 april 1995 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met het oog op de uitoefening van een mandaat van lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is de ambtenaar in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : 1° lid van één der wetgevende Kamers of van de federale Regering;2° lid van het Vlaamse Parlement, van het Waalse Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap;3° lid van de Vlaamse Regering, van de Waalse Gewestregering, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Duitstalige Gemeenschapsregering;4° lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 267</span><span class=\"lf-art-t\">Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-268\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 268</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de toepassing van de artikelen 264 en 265, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 van de Nieuwe Gemeentewet</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 269</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt met voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt Het aantal politieke verlofdagen wordt vastgesteld in verhouding tot de effectief door het personeelslid gepresteerde diensten. Art. 270.De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen. Art. 271.De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd. Art. 272.Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die tijdens de welke het mandaat een einde neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf dat ogenblik, herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij voor een andere betrekking aangewezen. Art. 273.De ambtenaar mag na zijn wederopneming zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen. HOOFDSTUK IX. - Het beroep inzake verlof, afwezigheid en disponibiliteit Art. 274.Behalve inzake ziekteverlof, in geval van disponibiliteit wegens ziekte, inzake verlof voor opdracht en in geval van ontslag van ambtswege wegens ongerechtvaardigde afwezigheid van meer dan tien werkdagen, kan de ambtenaar in beroep gaan bij de commissie bedoeld in artikel 25 wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof, afwezigheden of disponibiliteit. Art. 275.De ambtenaar beschikt voor het instellen van zijn beroep over een termijn van tien dagen ingaande op de dag waarop hem kennis is gegeven van de beslissing tot afwijzing van zijn aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan op zijn vraag worden gehoord door de commissie en mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 276.De betwiste beslissing wordt verdedigd door een ambtenaar aangewezen door de overheid die de beslissing heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie geeft een advies aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal binnen een termijn van een maand die aanvangt op de dag dat het beroep werd ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De finale beslissing wordt genomen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Indien het advies unaniem werd uitgebracht zijn de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal erdoor gebonden. De beslissing wordt betekend aan de ambtenaar binnen de vijftien dagen na de ontvangst van het advies van de beroepscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VIII. - De vorming HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 277.Onder beroepsvorming dient te worden verstaan, elke vorming die de ambtenaar toelaat zijn kennis en bekwaamheden te verbeteren, in verband met de functie die de ambtenaar uitoefent of zou kunnen uitoefenen in de toekomst in zijn instelling een andere instelling van openbaar nut of in een ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vorming wordt slechts erkend als beroepsvorming met het akkoord van het HRM. Ingeval de vorming op het initiatief van de ambtenaar voorgesteld wordt, is bovendien het akkoord van de functionele chef vereist. Art. 278.Het HRM vertrouwt de vormingsprogramma's toe aan interne medewerkers of externe deskundigen. Art. 279.Het HRM heeft tot taak : 1° het onthaal van de nieuwe personeelsleden te organiseren en samen met de functionele chef een individueel opleidingsprogramma vast te leggen;2° het jaarlijks vormingsplan op te stellen;3° de opleidingen te organiseren. Art. 280.Er wordt voor elk begrotingsjaar een vormingsplan opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit plan houdt in : 1° de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;2° de prioriteiten voor het komende jaar;3° de te voorziene opleidingen naar inhoud, vorm en duur;4° het al dan niet verplicht karakter van de verschillende opleidingen;5° de begroting te voorzien voor ieder van de vormingsdoelstellingen;6° een evaluatie van het vorige vormingsplan. Art. 281.Het vormingsplan wordt opgesteld in samenwerking met de directeur- diensthoofd. Art. 282.Het jaarlijkse vormingsplan wordt goedgekeurd door de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wordt voor 1 november van het jaar dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat, ter overleg aan de vakorganisaties voorgelegd. HOOFDSTUK II. - Het verloop van de vorming Afdeling 1. - De doorlopende beroepsvorming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-283\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 283</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De doorlopende beroepsvorming is de vorming die : - tot doel heeft de aanpassing van de ambtenaar aan de evolutie van de organisatie, de technieken en de werkomstandigheden te vergemakkelijken en de beroepsbekwaamheid te behouden of te verbeteren; - in verband staat met de huidige functie van de ambtenaar; - wordt voorgesteld door het HRM of door de functionele chef van de ambtenaar, of aangevraagd wordt door de ambtenaar De kosten verbonden aan de doorlopende beroepsvorming worden gedragen door de instelling voor zover de ambtenaar de in artikel 284 bepaalde voorwaarden in acht neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het HRM of de functionele chef kan de ambtenaar opleggen bepaalde van deze vormingen te volgen, op voorwaarde dat deze overeenkomen met de tijdens het functiegesprek bepaalde doelstellingen bedoeld in artikel 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt uitgesloten van de doorlopende beroepsvorming, elke vrijwillige beroepsvorming, behoudens een uitdrukkelijke door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal toegekende afwijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De taalvormingen in het Nederlands en het Frans worden niet als doorlopende beroepsvorming beschouwd. Niettemin geniet de ambtenaar de in paragraaf 2 bedoelde dienstvrijstelling om ze te volgen. § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 284, wordt een dienstvrijstelling verleend ingeval de doorlopende beroepsvorming plaatsvindt tijdens de diensturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bovenvermelde vorming buiten de diensturen plaatsvindt, wordt hiervoor een compensatie per uur voorzien. Art. 284.De inschrijving van de ambtenaar voor een vorming impliceert zijn formele verbintenis om de vorming te volgen, ongeacht of het gaat om een vrijwillige dan wel om een opgelegde vorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert om de vorming bij te wonen, moet hij onmiddellijk zijn afwezigheid verantwoorden bij het HRM. Bij ontstentenis kunnen de voor deze vorming gemaakte kosten op hem worden verhaald en worden teruggewonnen door de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien verkrijgt hij geen dienstvrijstelling voor deze vorming en verliest hij zodoende een aantal dagen jaarlijkse vakantie a rato van het aantal zonder verantwoording gemiste vormingsdagen. Afdeling 2. - De vrijwillige beroepsvorming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-285\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 285</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwillige beroepsvorming is de vorming die door de ambtenaar wordt aangevraagd en die hem toelaat zijn loopbaan in verband met de functie die de ambtenaar momenteel uitoefent of zou kunnen uitoefenen in de toekomst in zijn instelling, in een andere instelling van openbaar nut of in een ministerie De kosten van de vrijwillige beroepsvorming worden gedragen door de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-286\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 286</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Worden erkend als vrijwillige beroepsvorming : A. In de Vlaamse Gemeenschap : 1° de vormingen in het kader van het Onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap;2° de vormingen in het kader van de basiseducatie;3° de volgende vormingen van de hogescholen en de universiteiten waarvoor een diploma of een getuigschrift behaald kan worden : a) de basisvormingen en de academische vormingen, de voortgezette vormingen en voortgezette academische vormingen of de doctoraatsvormingen, die 's avonds of in het weekend gegeven worden;b) de postgraduaten en de postacademische vormingen, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven worden;c) iedere andere vorming, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven wordt;d) de cursussen die deel uitmaken van de vormingen vermeld onder a) en b), die men als vrije student kan volgen, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven worden;4° de cursussen van het open hoger onderwijs die door de hogescholen en de universiteiten aangeboden worden B. In de Franse Gemeenschap : 1° de cursussen in het kader van het Onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap;2° de volgende vormingen van het hoger niet-universitair onderwijs, van de hogescholen en van de universiteiten waarvoor een diploma, een getuigschrift of elke andere titel behaald kan worden : a) de vormingen van het korte type en van het lange type en de universitaire vormingen van de eerste en de tweede cyclus, de cycli van aangevulde studies en de vormingen van de derde cyclus, die 's avonds of in het weekend gegeven worden;b) iedere andere vorming, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven wordt;c) de cursussen die deel uitmaken van de vormingen vermeld onder a) en b), die men als vrije student kan volgen, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">C. In de Duitstalige Gemeenschap : de vormingen van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte type en van het lange type, die 's avonds of in het weekend gegeven worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-287\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 287</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. In het kader van de vrijwillige beroepsvorming, kan de ambtenaar een vormingsverlof van maximaal 120 uren per schooljaar verkrijgen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met schooljaar wordt bedoeld de periode van 1 september tot 31 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het open hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap komt het aantal uren vormingsverlof overeen met een vierde van de studielast die voor deze cursus vastgesteld is. Dit aantal staat op het inschrijvingsbewijs vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vormingsverlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 2. Het maximum dat in de eerste paragraaf van dit artikel vastgesteld is wordt evenredig verminderd naargelang van de volgende verloven en afwezigheden die gedurende het lopende schooljaar verkregen zijn : 1° de afwezigheden waarbij de ambtenaar in de administratieve toestand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;2° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;3° het halftijds werken vanaf 50 en 55 jaar;4° de vierdagenweek;5° het verlof om een stage te doen in een overheidsdienst;6° het verlof voor opdracht;7° het verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen. Art. 288.§ 1. Het vormingsverlof wordt toegekend door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal; zij kunnen deze bevoegdheid delegeren aan de ambtenaar die hij aanwijst bij het HRM. De ambtenaar richt zijn verzoek voor een vormingsverlof tot de direcetur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of tot de aangewezen ambtenaar, met het advies van zijn functionele chef. Indien er een maand nadat het verzoek werd ingediend geen beslissing werd genomen, wordt geacht dat het vormingsverlof toegekend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden als het onverenigbaar is met het belang van de dienst. Het belang van de dienst mag echter niet in twee opeenvolgende jaren ingeroepen worden om een vormingsverlof te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vormingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, mag het vormingsverlof niet meer dan twee keer worden toegekend voor eenzelfde vorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het open hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap mag het vormingsverlof slechts eenmaal worden toegekend voor eenzelfde cursus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan slechts een vormingsverlof voor een andere cursus van dit onderwijs gevraagd worden, indien de ambtenaar geslaagd is voor de cursus waarvoor hij het eerste verlof heeft gekregen, of indien hij geslaagd is voor een andere cursus van dit onderwijs. § 2. Het vormingsverlof wordt toegekend middels een controle van de inschrijving en de nauwgezetheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze controles gebeuren aan de hand van een inschrijvingsbewijs en een nauwgezetheidsbewijs dat de ambtenaar gehouden is over te maken volgens de voorschriften en binnen de termijnen vastgelegd door het HRM. De ambtenaar wordt verzocht de inschrijvings- en nauwgezetheidsbewijzen aan de instelling die de vorming organiseert aan het begin van de vorming voor te leggen, zodanig dat deze laatste ze tijdig kan invullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ambtenaar voortijdig stopt met de vorming, komt er op dat ogenblik een einde aan het vormingsverlof. In dit geval meldt de ambtenaar zijn stopzetting onmiddellijk aan het HRM en bezorgt hem het nauwgezetheidsbewijs. § 3. Het vormingsverlof moet gebruikt worden tijdens de periode waarin de lessen gegeven worden, deze periode wordt verlengd met de examenzittijden waaraan de ambtenaar deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het open hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap moet de ambtenaar op zijn minst één keer in de twaalf maanden die op zijn inschrijving volgen, de examens van de gekozen cursus afleggen. Hij mag de uren vormingsverlof gebruiken op zijn vroegst twee maanden voor het eerste examen en op zijn laatst voor het laatste examen waaraan hij deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de vorming uit een groot aantal uren bestaat, kan het HRM een planning voor het vormingsverlof opleggen, na raadpleging van de hiërarchische meerdere en de ambtenaar. Deze planning houdt rekening met het belang van de dienst maar ze mag geen afbreuk doen aan het recht om aan lessen en aan examens deel te nemen. § 4. Het recht op een vormingsverlof wordt geschorst indien uit het nauwgezetheidsbewijs blijkt dat de ambtenaar de vorming waarvoor hij een vormingsverlof heeft gekregen, niet nauwgezet heeft gevolgd. De schorsing geldt voor het resterende gedeelte van het schooljaar en voor de drie volgende schooljaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IX. - De tuchtregeling HOOFDSTUK I. - De tuchtstraffen Art. 289.De tuchtstraffen die kunnen worden uitgesproken, zijn : 1° de terechtwijzing;2° de inhouding van wedde;3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;4° de tuchtschorsing;5° de lagere inschaling;6° de terugzetting in graad;7° het ontslag van ambtswege;8° de afzetting. Art. 290.De inhouding van wedde kan niet worden toegepast voor een periode van meer dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij mag niet meer bedragen dan deze bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten op de bescherming van het loon der werknemers. Art. 291.De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch overplaatsing verkrijgen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald. Art. 292.De tuchtschorsing mag drie maanden niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij plaatst de ambtenaar van rechtswege in de stand van non-activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn rechten op bevordering of weddeverhoging niet laten gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij ondergaat een inhouding van wedde die het maximum bepaald in artikel 290, tweede lid, niet mag overschrijden. Art. 293.De lagere inschaling wordt, naar gelang van het geval, opgelegd door toekenning : 1° van een lagere weddeschaal in dezelfde graad;2° van een graad van dezelfde rang met een lagere weddeschaal. Art. 294.De terugzetting in graad wordt opgelegd door toekenning van een graad van een lagere rang die in hetzelfde of in een lager niveau is ingedeeld Art. 295.De afzetting en het ontslag van ambtswege verbreken definitief de banden van de ambtenaar met de openbare dienst. HOOFDSTUK II. - De tuchtvordering Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-296\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 296</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtvordering mag enkel slaan op feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen de zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de vordering aanvangt. Art. 297.Ingeval van strafvordering en indien het openbaar ministerie de einduitspraak van het gerecht heeft meegedeeld aan de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A en aan de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B, wordt de tuchtvordering niet later ingesteld dan zes maanden na de datum van de mededeling Vrijspraak door de strafrechter is voor de overheid geen beletsel om een tuchtstraf uit te spreken, op voorwaarde dat de motivering van de straf het gezag van gewijsde niet aantast voor wat betreft de echtheid van de feiten. De overheid is bovendien niet gebonden door de wijze waarop de rechtbanken het gedrag van de ambtenaar hebben beoordeeld omtrent de hem ten laste gelegde feiten. Art. 298.Wanneer de ambtenaar meerdere feiten worden ten laste gelegd, dan wordt er echter slechts één enkele procedure aangevat die tot de uitspraak van slechts één enige tuchtstraf aanleiding kan geven. Art. 299.Op elk ogenblik van de tuchtprocedure, kan de ambtenaar, voor zijn verdediging, zijn dossier raadplegen en mag hij worden bijgestaan door een verdediger naar keuze. Art. 300.§ 1. De betekeningen bedoeld in deze titel IX gebeuren : - hetzij middels de afgifte van een stuk tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs; - hetzij middels de aangetekende verzending van een stuk. § 2. Elke termijn wordt berekend vanaf de dag volgend op de afgifte van het stuk of vanaf de derde werkdag volgend op de aangetekende verzending ervan, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender. De termijn omvat alle dagen, zelfs zaterdagen, zondagen en de feestdagen bedoeld in artikel 196, § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervaldag wordt inbegrepen in de termijn. Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 196, § 1, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze dag valt tussen Kerstmis en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de eerstvolgende werkdag na Nieuwjaar. Afdeling 2. - Het voorstel van straf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-301\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 301</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal duiden de hiërarchische meerdere aan bevoegd voor de toepassing van de huidige afdeling. Art. 302.§ 1. De hiërarchische meerdere bedoeld in artikel 301 verhoort de ambtenaar over de feiten die hem worden verweten en desgevallend ook de getuigen. De ambtenaar mag zich door een verdediger naar keuze laten bijstaan Van de verhoren wordt een proces-verbaal opgemaakt. § 2. De ambtenaar viseert het proces-verbaal en geeft het binnen een termijn van zeven dagen terug. Als hij bezwaren heeft, geeft hij het proces-verbaal met een bijgevoegde geschreven nota terug. § 3. Binnen een termijn van vijf dagen na afloop van de termijn bepaald in paragraaf 2, kondigt de hiërarchisch meerdere bij de ambtenaar de tuchtstraf aan die hij hem wil opleggen en maakt het voorstel aan de directieraad over. Art. 303.Binnen een termijn van tien dagen die aanvangt vanaf het moment waarop de directieraad het voorstel voor de tuchtstraf ontvangen heeft, roept hij de ambtenaar op om zich per aangetekende brief bij hem aan te bieden. Het verhoor moet plaatsvinden tussen dag twintig en dertig die volgen op de aanhangigmaking bij de directieraad. Art. 304.De ambtenaar verschijnt persoonlijk; hij mag worden bijgestaan door een verdediger naar keuze. De verdediger mag evenwel hoe dan ook geen deel uitmaken van de directieraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het directieraad uitspraak op grond van de stukken van het dossier. Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal zoals bedoeld in alinea 3 ter zitting komt, zelfs indien de ambtenaar of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien echter de directieraad de intentie heeft een definitief voorstel van tuchtstraf te doen dat strenger is dan het voorlopige voorstel, roept ze opnieuw de ambtenaar op voor een verhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogen niet zetelen of deelnemen aan het overleg van de directieraad : de ambtenaar die een tuchtactie ondergaat of elke ambtenaar die aan de aanhangigmaking van de tuchtactie heeft deelgenomen of die op het even welke manier aan de tuchtprocedure heeft bijgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij de directieraad is ingediend, doet deze het definitieve voorstel en betekent het aan de ambtenaar binnen de tien dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorstel van straf wordt eveneens gelijktijdig betekend aan de overheid die de straf uitspreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de taak van de directeur-generaal waargenomen door de Minister, en de directieraad vervangen door de Ministerraad, indien het voorstel van tucht betrekking heeft op een mandaathouder. Desgevallend wordt het voorstel van straf meteen uitgesproken als de tuchtvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betekening van het voorstel van straf zet de tuchtvordering in. HOOFDSTUK III. - Het beroep inzake tuchtaangelegenheden Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-305\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 305</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar tegen wie de straf werd voorgesteld, kan, binnen twintig dagen na de betekening van het voorstel, hetzij persoonlijk, hetzij door zijn advocaat, beroep indienen bij de gemeenschappelijke raad van beroep van de instellingen van openbaar nut of de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal, naargelang zijn graad. Bij ontvangst van het beroep, informeert de griffier de bevoegde overheid die de straf uitspreekt hierover Het beroep wordt aangetekend aan de voorzitter gericht op het adres vastgesteld door het huishoudelijk reglement. Afdeling 2. - De gemeenschappelijke raad van beroep van de instellingen van openbaar nut en de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal Art. 306.De volgende raden van beroep worden ingesteld : 1° de gemeenschappelijke raad van beroep van de instellingen van openbaar nut die de beroepen inzake tuchtzaken behandelt van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van alle niveaus, uitgezonderd de ambtenaren-generaal;2° de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal ingesteld door artikel 310 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de beroepen inzake tuchtzaken behandelt van de ambtenaren-generaal van het ministerie en de leidende ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-307\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 307</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut is samengesteld als volgt : 1° een effectief voorzitter-magistraat en een plaatsvervangende voorzitter-magistraat, aangewezen door de Regering;2° per taalafdeling, drie effectieve en negen plaatsvervangende assessoren aangewezen door de Regering onder de ambtenaren minstens van rang A 2;3° per taalafdeling, drie effectieve en negen plaatsvervangende assessoren aangewezen door de vakorganisaties;4° per taalafdeling, een effectief griffier-verslaggever en een plaatsvervangend griffier-verslaggever aangewezen door de Regering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-308\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 308</span><span class=\"lf-art-t\">De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op en leggen het ter goedkeuring voor aan de Regering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-309\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 309</span><span class=\"lf-art-t\">De taalkennis van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters-magistraat moet worden vastgesteld overeenkomstig de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/06/1935 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het gebruik der talen in gerechtszaken. Afdeling 3. - De beroepsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-310\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 310</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op vraag van de voorzitter van de gemeenschappelijke raad van beroep, zendt de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal, al naargelang van de taalrol van de eiser, hem het volledige dossier toe Op vraag van de voorzitter van de gewestelijke raad van beroep, zendt de functioneel bevoegde minister hem het volledige dossier toe. Art. 311.In elke zaak wordt een ambtenaar door de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal aangewezen die het aangevochten voorstel van straf verdedigt voor de gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut of door de minister voor de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ambtenaar mag niet deelnemen aan de beraadslaging. Het advies bedoeld in artikel 318 vermeldt of dit verbod werd in acht genomen. Art. 312.De raad van beroep mag over geen enkele zaak beraadslagen, indien : 1° de eiser niet zijn middelen tot verdediging heeft kunnen doen gelden;2° het dossier niet alle elementen bevat die het de raad toelaten met volledige kennis van zaken een advies te geven. Art. 313.De raden van beroep bedoeld in artikel 306 kunnen bijkomende onderzoeken aanbevelen. Zij kunnen hierbij twee assessoren afvaardigen die hebben deelgenomen aan de beraadslagingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ene wordt gekozen onder de assessoren aangewezen door de Regering en de andere onder de assessoren aangewezen door de vakorganisaties. Art. 314.De eiser verschijnt in persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van overmacht of ziekte, kan hij zich laten vertegenwoordigen door een persoon naar keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van de raad van beroep. Art. 315.Indien, ofschoon behoorlijk opgeroepen, de ambtenaar zonder geldige reden niet verschijnt, voert de betrokken raad van beroep de zaak af en stuurt het dossier terug naar de bevoegde overheid bedoeld in 232.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval betekent de voorzitter de afvoering van de zaak aan de ambtenaar. Art. 316.De eiser heeft het recht een of meerdere assessoren te wraken. Dit recht kan slechts eenmaal worden uitgeoefend voor eenzelfde zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier-verslaggever betekent aan de eiser, per aangetekend schrijven, de lijst van effectieve assessoren en plaatsvervangers die voor de zaak die hem aanbelangt werden opgeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van acht dagen vanaf de betekening van de lijst, stuurt de eiser ze aangetekend terug naar de griffie met aanwijzing van de naam van de assessoren die hij wraakt. De wraking moet worden gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze termijn, bepaald in het derde lid, wordt de eiser geacht af te zien van zijn recht op wraking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens in te gaan op de grond van de zaak, beslist de voorzitter of er reden is om de vraag tot wraking in te willigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter wraakt bovendien elke assessor die hij als rechter in eigen zaak zou kunnen beschouwen. Art. 317.De raden van beroep bedoeld in artikel 306 kunnen slechts beraadslagen indien de meerderheid van de assessoren opgeroepen voor de hoorzitting, aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij beraadslagen in afwezigheid van de eiser en zijn raadgevers en van de ambtenaar die het standpunt van de overheid verdedigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij oordelen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep. Art. 318.De raden van beroep bedoeld in artikel 306 geven hun gemotiveerd advies binnen de twee maanden volgend op de indiening van het beroep, behalve in geval van overmacht. Art. 319.De stemming is geheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er nemen evenveel door de overheid aangewezen assessoren als door de vakorganisaties aangewezen assessoren deel aan de stemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk lid, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er geen pariteit is tussen de door de overheid aangewezen assessoren, en de door de vakorganisaties aangewezen assessoren op het ogenblik van de stemming, herstelt de voorzitter de pariteit in overleg met de aanwezige leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmen, wordt het advies gunstig geacht voor de eiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffiers zijn niet stemgerechtigd. Art. 320.Indien de betrokken raad van beroep, behalve in geval van overmacht, zijn advies niet binnen de voorgeschreven termijn geeft, wordt het gunstig geacht voor de betrokken ambtenaar. Art. 321.De betrokken raad van beroep stuurt haar advies alsook het volledige dossier naar de bevoegde overheid bedoeld in artikel 324, 1° tot 2°, ten laatste twintig dagen na het uitbrengen van het advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad betekent het advies aan de ambtenaar binnen dezelfde termijn. Art. 322.De minister bepaalt de toelage toegekend aan de voorzitters of aan de plaatsvervangende voorzitters van de raden van beroep bedoeld in artikel 308. HOOFDSTUK IV. - Uitspraak van de tuchtstraf Art. 323.Volgende overheden spreken de tuchtstraf uit : 1° De directeur generaal en de adjunct directeur generaal voor de ambtenaren van niveau E, D, C en B;2° De Regering voor de ambtenaren van niveau A van de instellingen van categorie A; De raad van bestuur of het beheerscomité voor de ambtenaren van niveau A van de instellingen van categorie B. De bevoegde overheid kan geen zwaardere straf uitspreken dan de voorgestelde straf en kan ook geen andere feiten inroepen dan die welke het voorstel van straf hebben gemotiveerd. Art. 324.De in het vorige artikel bedoelde overheid spreekt zich binnen twee maanden na de ontvangst van het door de raad van beroep uitgebrachte advies uit of van de kennisgeving van het voorstel tot straf van de directieraad indien geen beroep werd ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de vijftien dagen na uitspraak van de beslissing brengt zij per aangetekend schrijven de definitieve beslissing ter kennis van de ambtenaar. Deze wordt uitvoerbaar vanaf de eerste dag die volgt op de kennisgeving. HOOFDSTUK V. - De inschrijving en de schrapping van de straf Art. 325.Elke tuchtstraf wordt ingeschreven op de tuchtfiche van de ambtenaar. Art. 326.De schrapping van de tuchtstraffen gebeurt van ambtswege na een periode waarvan de duur wordt vastgesteld op : 1° zes maanden voor de terechtwijzing;2° een jaar voor de inhouding van wedde;3° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;4° twee jaar voor de tuchtschorsing;5° dertig maanden voor de lagere inschalling;6° drie jaar voor de terugzetting in graad. De termijn gaat in vanaf de betekening van de straf. Art. 327.De schrapping heeft tot gevolg dat er geen rekening meer mag worden gehouden met de geschrapte tuchtstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL X. - De schorsing in het belang van de dienst Art. 328.De ambtenaar kan in het belang van de dienst in zijn ambt worden geschorst : 1° in geval van strafrechtelijke vervolgingen;2° in geval van tuchtrechtelijke vervolging wegens een ernstige fout waarbij de betrokkene op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. De ambtenaar kan het recht ontzegd worden om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde te doen gelden en zijn wedde kan verminderd worden in een mate die niet hoger ligt dan die welke is genoemd in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/1965 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Art. 329.De maatregelen bedoeld in artikel 328 worden uitgesproken door : 1° de functioneel bevoegde minister in verband met ambtenaren-generaal;2° de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal in verband met de andere ambtenaren; Zij horen de ambtenaar vooraf, uiterlijk vijftien dagen nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd. De ambtenaar mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens overmacht niet kan worden gehoord binnen deze termijn, mag hij zich laten vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schorsingsbeslissing wordt betekend volgens de regels bedoeld in artikel 300. Art. 330.De ambtenaar kan binnen acht dagen na de betekening in beroep gaan bij een van de raden van beroep bedoeld in artikel 306 naargelang zijn graad. Art. 331.De krachtens artikel 306 opgerichte raden van beroep zijn bevoegd voor het beroep inzake de schorsing in het belang van de dienst en inzake de maatregelen waarin artikel 328, tweede lid voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beroepsprocedure is die welke geldt voor beroepen aangaande tuchtzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het door de betrokken raad van beroep uitgebrachte advies anders luidt dan de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, spreekt de Regering zich uit over de te treffen maatregel tegen de leidende ambtenaren en de functioneel bevoegde minister tegen de andere ambtenaren. Indien het door de betrokken raad van beroep uitgebrachte advies in overeenstemming is met de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, bevestigt de overheid bedoeld in dit lid de maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de ambtenaren van de instellingen van categorie B, wordt de schorsing uitgesproken door de benoemende overheid. Art. 332.Behalve in geval van strafrechtelijke vervolging, mag de duur van de schorsing ten hoogste zes maanden bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kan worden verlengd met zesmaandelijkse termijnen in geval van strafrechtelijke vervolging. Art. 333.De schorsing in het belang van de dienst alsmede de maatregelen bedoeld in artikel 328, tweede lid eindigen van rechtswege wanneer de tuchtrechtelijke uitspraak voor een ernstige fout bedoeld in artikel 328 eerste lid, 2° definitief wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door een ambtenaar opgelopen tuchtstraf werkt terug tot op een datum die niet verder mag teruggaan dan degene vanaf welke de met toepassing van artikel 328, tweede lid, getroffen maatregelen uitwerking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, tot de nodige termijn, op de duur van de eventuele tuchtschorsing aangerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL XI. - Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten Art. 334.Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon uitoefent en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult of strijdigheid van belangen tot gevolg heeft, of;2° niet past met de waardigheid van zijn ambt. De ambtenaar die deze bepaling niet eerbiedigt, stelt zich bloot aan een tuchtvordering. Art. 335.De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden tenzij daar toestemming is voor verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inherent aan het ambt is elke opdracht die ingevolge een wettelijke of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert. Art. 336.Een politiek mandaat wordt niet beschouwd als een beroepsactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die verkozen is moet het HRM hiervan verwittigen, die op zijn beurt de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal op de hoogte brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitoefening van een mandataire functie zoals bedoeld in artikel 460 is onverenigbaar met een politiek mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter van een O.C.M.W. of lid van een provinciecollege. Elk ander politiek mandaat waarvan het overeenstemmende politiek verlof een vierde van een voltijdse betrekking overschrijdt is eveneens onverenigbaar met de uitoefening van een mandaat functie. Art. 337.Er kan aan een ambtenaar toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit buiten de diensturen, indien deze niet in strijd is met de bepalingen van artikel 334. Art. 338.Er kan aan een ambtenaar toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit binnen de diensturen, indien deze : 1° niet in strijd is met de bepalingen van artikel 334;2° van algemeen belang is voor het Gewest;3° zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek kan worden uitgeoefend. Onder diensturen dient te worden verstaan : de stamtijden die de glijdende werktijdregeling vastlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ambtenaar is in actieve dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister bepaalt de wijze waarop deze maatregel wordt toegepast. Art. 339.De aanvraag tot cumulatie wordt schriftelijk ingediend bij de hiërarchische meerdere van ten minste rang A3 door middel van een modelformulier dat door de dienst belast met HRM wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voormelde hiërarchische meerdere geeft een gemotiveerd advies in het vak dat op het formulier daartoe is voorzien alvorens het dossier door te sturen naar de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Art. 340.De toestemming wordt verleend of geweigerd door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de ambtenaren van ten hoogste rang A4 en door de functioneel bevoegde minister voor de leidende ambtenaren. Art. 341.De ambtenaar wordt binnen dertig dagen na datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de beslissing. Art. 342.De toestemming kan worden herroepen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL XII. - De inschakeling van personen met een handicap Art. 343.§ 1. De instelling van openbaar nut moet een aantal gehandicapte personen tewerkstellen dat gelijk is aan minstens twee percent van de personeelsformatie voorzien in het personeelsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze doelstelling kan bereikt worden door de aanwerving of door de erkenning van de handicap van ambtenaren gedurende hun loopbaan. § 2. Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder \"erkenningsinstellingen\" de vier volgende instellingen : 1° het « Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées », in het kort A.W.I.P.H.; 2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);3° de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling, in het kort VDAB, en/of het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap 4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden, gekend als Personne Handicapée Autonomie Recherchée, in het kort PHARE § 3.De betrekkingen die voor gehandicapte personen bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving of tijdens hun loopbaan ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen : 1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in § 2 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale overheid of gemeenschapsoverheid is genomen;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest voorleggen van het Fonds voor Arbeidsongevallen of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Fonds voor Beroepsziekten of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeven afschrift van het vonnis voorleggen waarbij een handicap of een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;5° het slachtoffer zijn geweest van een thuisongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling voorleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;6° een inkomensvervangende- tegemoetkoming of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/02/1987 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de tegemoetkoming aan de gehandicapten.7° in het bezit zijn van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen. Art. 344.De gehandicapte persoon heeft de mogelijkheid om deel te nemen aan een selectieprocedure bedoeld in artikel 37 en volgende van het eerste hoofdstuk van titel III van dit boek. Hij kan bij deze gelegenheid de organisator van de selectie aangeven dat een redelijke aanpassing tijdens zijn deelname aan de proeven dient voorzien te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het percentage van tewerkstelling zoals bepaald in artikel 343 § 1 niet wordt bereikt, dan kan de directieraad beslissen om één of meerdere selectieprocedures voor te behouden aan de gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 343 § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bepalingen van huidig artikel, zijn de in dit besluit bedoelde regels betreffende de werving van toepassing op de selectie en werving van gehandicapte personen. Art. 345.Als het percentage dat bepaald is in artikel 343, § 1, eerste lid, niet bereikt is, kan het HRM bij de aanwerving voorrang geven aan personen met een handicap die geslaagd zijn. Art. 346.§ 1. De modaliteiten van de examens voor overgang tot een hoger niveau zijn aangepast aan de beperkingen gerelateerd aan de handicaps. De gehandicapte persoon kan de organisator van de proeven de noodzaak van redelijke aanpassing aangeven. § 2. In geval van verandering van betrekking kan het advies van de arbeidsgeneesheer in samenspraak met de behandelende arts vereist worden om de bekwaamheid van de gehandicapte persoon tot het bekleden van de nieuwe betrekking na te gaan. § 3. De directeur-generaal en de adjunct- directeur-generaal kunnen in samenwerking met de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 343, § 2, het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapte personen organiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL XIII. - De auteursrechten van de ambtenaren Art. 347.De ambtenaar staat definitief en zonder beperking aan zijn werkgever, namelijk zijn instelling van openbaar nut, voor de gehele wereld, alle patrimoniale auteursrechten af met betrekking tot de huidige en toekomstige werken die hij verwezenlijkt tijdens de uitoefening van zijn functie. Art. 348.De ambtenaar staat aan zijn werkgever bedoeld in artikel 347, het recht af om de huidige en toekomstige werken te exploiteren in een vorm die onbekend is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde afgestane rechten geëxploiteerd worden, kent de werkgever een deelname van 10 % in de gerealiseerde winst toe aan de ambtenaar zonder evenwel de maximale bruto bezoldiging van weddeschaal A500 waarin dit besluit voorziet te kunnen overschrijden. Art. 349.De ambtenaar doet afstand van het recht om zelf te beslissen op welk ogenblik en hoe zijn werk zal verspreid worden. Art. 350.De reproducties van het werk van de ambtenaar worden verspreid en gecommuniceerd naar het publiek onder zijn naam, tenzij zijn werkgever anders beslist. Art. 351.De ambtenaar geeft aan zijn werkgever de toestemming om het verwezenlijkte werk aan te passen naargelang de exploitatiebehoeften eigen aan het Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL XIV. - Het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging Art. 352.Niemand kan zijn hoedanigheid van ambtenaar verliezen voor de wettelijke pensioenleeftijd, behalve in de gevallen waarin voorzien is in de wetgeving met betrekking tot de pensioenen en het huidig besluit. Art. 353.§ 1. Er wordt van rechtswege een einde gesteld aan de hoedanigheid van ambtenaar wanneer de ambtenaar de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. § 2. In afwijking van § 1, indien ze ermee akkoord gaan en indien de noodwendigheid van de dienst dit vereist, kunnen de ambtenaren uitzonderlijk in dienst gehouden worden na de wettelijke pensioenleeftijd bereikt te hebben en dit gedurende een periode van zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaren die de graden van rang A4, A4+ et A5 bekleden, kan die periode van zes maanden drie maal vernieuwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die na de wettelijke pensioenleeftijd in dienst gehouden worden, behouden tijdens deze periode hun hoedanigheid van ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing wordt genomen door de Regering op voorstel van de minister die bevoegd is voor het Openbaar Ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot verlenging is met redenen omkleed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 354</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar : 1° de ambtenaar van wie de benoeming niet regelmatig is, op voorwaarde dat, met uitzondering van misleiding of bedrog, die onregelmatigheid door de overheid die hem heeft benoemd is vastgesteld binnen de termijn bepaald voor het instellen van beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure;2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de Belgische nationaliteitsvoorwaarde en waarvan de functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname noodzaken in de uitoefening van de openbare macht of als doel hebben de bescherming van de algemene belangen van de staat of andere overheidsinstanties;3° de ambtenaar die zijn burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, die aan de dienstplichtwetten niet meer voldoet of wiens medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;4° de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die naar behoren en voorafgaandelijk werd gewaarschuwd;5° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;6° de ambtenaar die om tuchtredenen wordt ontslagen, ambtshalve wordt ontslagen, of afgezet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 355</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geven aanleiding tot ambtsneerlegging : 1° het vrijwillig ontslag.In deze situatie mag de ambtenaar zijn post niet eerder verlaten dan minimaal dertig dagen na kennisgeving van zijn ontslag per aangetekend schrijven aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Deze termijn, die begint te lopen vanaf de datum van het versturen van de aangetekende brief, kan verkort worden in onderling akkoord; 2° de oppensioenstelling;3° een tweede benoeming in een andere openbare dienst, van zodra deze benoeming niet meer kan aangevochten worden voor de Raad van State;4° de definitief bevestigde professionele ongeschiktheid, volgens de procedure zoals bepaald in dit besluit. BOEK II. - DE BEZOLDIGINGSREGELING TITEL I. - De wedde HOOFDSTUK I. - De weddeschalen Art. 356.Iedere weddeschaal wordt aangeduid met een letter gevolgd door drie cijfers De letter duidt het niveau van de graad aan, het eerste cijfer de rang, het tweede de graad overeenstemmend met een bijzondere kwalificatie in dezelfde rang, het derde de code van de weddeschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cijfer nul betekent dat de code niet bepaald is. Art. 357.Aan de graden die de ambtenaren kunnen bekleden, zijn de volgende schalen verbonden : NIVEAU A directeur-generaal A500 Adjunct-directeur-generaal A410 directeur-hoofd van dienst A400 ingenieur-directeur A310 wetenschappelijk directeur directeur A310 A300 eerste ingenieur A220 eerste wetenschappelijk attaché Havenkapitein A210 eerste attaché A220 A210 A200 ingenieur A113 geneesheer wetenschappelijk attaché A112 A111 attaché A103 A102 A101 NIVEAU B eerste assistent B200 assistent B103 B102 B101 NIVEAU C eerste adjunct C200 adjunct C103 C102 C101 NIVEAU D Eerste klerk D200 klerk D103 D102 D101 NIVEAU E eerste beambte E200 beambte E103 E102 E101 Art. 358.De weddeschalen die gelden in de instellingen zijn opgenomen in bijlage I. De bedragen van de weddeschaal volgen de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/03/1977 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/03/2009 numac 2009000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De wedde wordt gekoppeld aan de spilindexcijfer van 138,01. Art. 359.De tussentijdse verhogingen worden toegekend op grond van de geldelijke anciënniteit, conform de artikelen 455 tot 459. HOOFDSTUK II. - De weddeschalen verbonden aan sommige graden Art. 360.De schaal A310 wordt toegekend aan de ambtenaar die titularis van de graad van geneesheer en indien hij : 1° sedert ten minste zes jaar genoten heeft van de schaal A113;2° de evaluatie \" voldoende \" heeft verkregen;3° met goed gevolg de opleiding bedoeld in artikel 283 gevolgd heeft. Art. 361.Een ambtenaar die titularis is van de graad van eerste attaché en deel uitmaakt van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest, geniet een tweede schaal die overeenstemt met schaal A300 indien hij : 1° twaalf jaar niveau-anciënniteit telt, waarvan drie jaar graadanciënniteit;2° de evaluatie \" voldoende \" verkregen heeft bij de evaluatie;3° met goed gevolg de opleiding bedoeld in artikel 284 gevolgd heeft; Art. 362.De artikelen 155 en 157 zijn toepasselijk op de ambtenaren waaraan de weddeschalen voorzien in artikelen 360 en 361 werden toegekend. HOOFDSTUK III. - De vaststelling van de wedde van de ambtenaar Afdeling 1. - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 363</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de tegengestelde reglementaire bepalingen, wordt de wedde van elke ambtenaar vastgesteld in een van de schalen van zijn graad. Art. 364.Bij wijziging van het geldelijke statuut van een graad, wordt de eraan verbonden wedde opnieuw vastgesteld alsof het nieuwe geldelijke statuut altijd had bestaan Indien de gewijzigde wedde lager ligt dan degene die de ambtenaar genoot in zijn graad bij de inwerkingtreding van het wijzigende besluit, behoudt hij zijn hoogste wedde tot hij een op zijn minst daaraan gelijke wedde heeft. Art. 365.De vaste ambtenaar die werd bevorderd, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij zou hebben genoten in zijn vorige graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de schaal van zijn vorige graad tot niveau B en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau A behoort, verkrijgt de ambtenaar in zijn nieuwe graad altijd ten minste een wedde die 1.000 euro, op jaarbasis en voor 100 % gekoppeld aan de spilindexcijfer van 138,01, hoger ligt dan die welke hij zou genoten hebben in zijn vorige graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar hoger ligt dan de maximumwedde hetzij van de schaal van zijn nieuwe graad, hetzij van de schaal van zijn vorige graad als deze hoger is. Art. 366.De wedde wordt betaald na vervallen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar ontvangt zijn wedde uiterlijk de laatste werkdag van de maand, met uitzondering van zijn wedde van december die hij ontvangt uiterlijk de eerste werkdag van de maand januari van het volgende jaar. Afdeling 2. - De berekening van de wedde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 367</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maandwedde is gelijk aan 1/12 van de jaarwedde. Art. 368.Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar op een andere datum dan de eerste van de maand wordt benoemd in een nieuwe graad die geen basisgraad is bedoeld in artikel 457, tweede lid, wordt de wedde van de lopende maand niet aangepast</p></div>", "next": 239824}