{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de vorige lezing van dit artikel was het volgende bepaald : « Ingeval de betrokkene weigert de bijkomende inlichtingen te verstrekken en het op grond van de reeds verstrekte inlichtingen niet mogelijk is te bepalen om welke verwerking van gegevens het gaat, kan de Commissie het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. » De Commissie is in haar advies 8/99 (blz. 10) van oordeel dat het woord « weigert » beter wordt vervangen door « nalaat ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk is ervoor gekozen neutrale bewoordingen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een thans uit het koninklijk besluit verwijderd artikel was bepaald dat de Commissie binnen dertig dagen te rekenen na ontvangst oordeelt over de ontvankelijkheid van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">In advies 8/99 (blz. 10) is de Commissie van oordeel dat de in het ontwerp-besluit omschreven procedure nodeloos ingewikkeld is. Zij acht het dan ook wenselijk de procedure in haar Reglement van orde te omschrijven. Aldus kunnen nodeloze administratieve beslommeringen bij de behandeling van verzoeken worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt dus alleen gesteld dat de Commissie bepaalde verzoeken niet-ontvankelijk kan verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens wordt in het koninklijk besluit evenwel nader bepaald dat de betrokkene in dat geval op verzoek kan worden gehoord, zulks eventueel bijgestaan door zijn raadsman.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald dat het verzoek niet-ontvankelijk is wanneer het wordt ingediend binnen een termijn van een jaar te rekenen van de verzendingsdatum van het vorige antwoord van de Commissie betreffende dezelfde gegevens en dezelfde diensten, behalve ingeval de betrokken persoon in zijn verzoek redenen ter staving van die afwijking aanvoert</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de vorige lezing van dit artikel kon de Commissie slechts beslissen dat een verzoek niet-ontvankelijk was nadat de betrokkene of zijn raadsman was gehoord In advies 8/99 (blz. 10) stelt de Commissie het volgende : « Er wordt derhalve een verplichting gecreëerd de betrokkene te horen » (daaronder verstaan alvorens niet-ontvankelijk te verklaren). « De commissie is van oordeel dat het volstaat te bepalen dat de betrokkene kan verzoeken door de Commissie gehoord te worden. » In het koninklijk besluit wordt het advies van de Commissie gedeeltelijk gevolgd. Er wordt bepaald dat de betrokken persoon moet worden gehoord indien hij zulks wenst. Het gaat derhalve niet om een verplichting en de beslissing het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, is daardoor geenszins onrechtmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering voorgesteld door de Commissie zou de indruk kunnen wekken dat de Commissie op willekeurige wijze beslist of zij de betrokkene hoort of niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span><span class=\"lf-art-t\">In de vorige lezing van dit artikel was bepaald dat de controle bij de betrokken dienst moest worden verricht door een magistraat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In advies 8/99 (blz. 11) is de Commissie van oordeel dat het niet noodzakelijk is de controles steeds door een magistraat te doen verrichten. De controles zijn in het verleden zonder problemen ook door andere leden van de Commissie verricht. Bovendien zou hierdoor aan de magistraten die lid zijn van de Commissie een al te grote werklast worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de Commissie is benoemd door de wetgevende macht op voordracht van de uitvoerende macht, kan de door haar verrichte controle evenwel afbreuk doen aan het beginsel van de scheiding der machten. Naar luid van artikel 13 van de wet, waarin in dit verband wordt verwezen naar artikel 3, § 5, 1°, van de wet, kan de Commissie immers controle uitoefenen op de verwerkingen van persoonsgegevens beheerd door openbare overheden met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie, te weten verwerkingen van persoonsgegevens beheerd door de gerechtelijke politie, door het parket of door de onderzoeksrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld in artikel 3, § 5, 1°, van de wet is het dan ook wenselijk dat de controle van de Commissie uitsluitend wordt verricht door magistraten die de Commissie onder haar leden aanwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting van de wet wordt gesteld dat twee van de drie Belgische politiediensten zowel met taken van bestuurlijke politie als van gerechtelijke politie zijn belast, maar dat alle gegevens in hetzelfde bestand worden opgenomen. Ingevolge deze toestand is het praktisch onmogelijk om nog een onderscheid te maken tussen gegevens van gerechtelijke en administratieve politie (Gedr.</p>\n<p class=\"lf-p\">St., Kamer, 413/12-9-92, B.Z., 2 juli 1992, blz. 50).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij twijfel wordt de controle best door een magistraat verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde een oplossing te vinden voor het eventueel beperkt aantal magistraten in de Commissie, voorziet het derde lid van het artikel erin dat de voorzitter en de leden die de controle verrichten, zich kunnen laten bijstaan of vervangen door een of meer leden van het secretariaat van de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van State oordeelt in zijn advies 30.495/2, blz. 50, als volgt : « De Koning is niet bevoegd voor de aangelegenheden inzake de werking en de organisatie die bij de ontworpen regeling worden geregeld. Als die aangelegenheden worden geregeld, dienen die voorschriften te worden opgenomen in het reglement van orde dat door de Commissie moet worden opgesteld en aan de Wetgevende Kamers moet worden meegedeeld overeenkomstig artikel 28 van de wet. » De opmerking van de Raad van State blijkt niet te kloppen : in artikel 13, tweede lid, van de wet van 8 december 1992 wordt het volgende gesteld : De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop deze rechten worden uitgeoefend. » Het is niet duidelijk hoe de wijze van vertegenwoordiging van de leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen wijze van onrechtstreekse uitoefening van het recht van toegang vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgekeerd kan worden gevreesd dat de betrokken politiediensten van oordeel zijn dat het huishoudelijk reglement van de Commissie geen toereikende verordeningsbepaling vormt om de leden van het secretariaat van de Commissie de mogelijkheid te bieden de leden te vervangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span><span class=\"lf-art-t\">In dit artikel worden de bevoegdheden van de Commissie bepaald</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wet kent aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer verschillende opdrachten toe naar gelang van de diensten die zij controleert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 13 van de wet wordt zij ermee belast het recht van onrechtstreekse toegang uit te oefenen, zulks zowel ten aanzien van de inlichtingendiensten als van de politiediensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar luid van artikel 31, § 1, van de wet onderzoekt de Commissie bovendien de klachten die haar worden toegestuurd en kan zij in het kader van de klachtprocedure beslissingen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens artikel 3, § 4, van de wet is artikel 31, §§ 1 tot 3, niet van toepassing op de inlichtingendiensten terwijl dat artikel naar luid van artikel 3, § 5, van de wet van toepassing is op de politiediensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet verleent aan de Commissie dan ook niet de bevoegdheid om kennis te nemen van klachten tegen inlichtingendiensten, noch de bevoegdheid ten aanzien van die diensten beslissingen te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden voorziet artikel 43 van het koninklijk besluit in twee verschillende regelingen : Artikel 43, tweede lid, betreft de politiediensten, terwijl artikel 43, derde lid, de inlichtingendiensten betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van artikel 43, tweede lid, kan de Commissie aan de betrokken politiedienst bevelen geven, bijvoorbeeld om gegevens te doen verbeteren of te verwijderen, terwijl zij in het kader van artikel 43, derde lid, aan de inlichtingendienst slechts maatregelen kan aanbevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In advies 8/99 stelt de Commissie het volgende : « Hierbij wordt opnieuw geen rekening gehouden met de mogelijkheid van de verzoeker zich te verzetten tegen de verwerking van de gegevens op grond van artikel 12 van de wet. In artikel 43 zou bijgevolg ook naar deze mogelijkheid verwezen moeten worden. » In artikel 12, § 1, tweede lid, van de wet is bepaald dat eenieder het recht heeft om zich wegens ernstige en gerechtvaardigde redenen te verzetten tegen de verwerking van gegevens die hem betreffen, behalve wanneer de rechtmatigheid ervan gegrond is op de tenuitvoerlegging van een overeenkomst of op de nakoming van een verplichting waaraan de verantwoordelijke voor de verwerking is onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Praktisch beschouwd heeft dit recht van verzet tot gevolg dat de Commissie van de betrokken dienst kan eisen dat hij de gegevens wist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom wordt in het koninklijk besluit geen gewag gemaakt van een recht van verzet als zodanig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span><span class=\"lf-art-t\">In dit artikel is bepaald dat de betrokken dienst na die verificaties aan de Commissie schriftelijk kennis geeft van het gevolg dat eraan is gegeven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de vorige lezing van dit artikel was bepaald dat die kennisgeving bij aangetekend schrijven moest geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In advies 8/99 is de Commissie van oordeel dat zulks niet noodzakelijk is en dat een schriftelijke mededeling van de betrokken dienst aan de Commissie volstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het koninklijk besluit wordt dat advies gevolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald dat de Commissie per brief antwoordt op het verzoek van de betrokken persoon binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de kennisgeving door de betrokken dienst Naar luid van artikel 13, derde lid, van de wet deelt de Commissie gewoon mee dat de nodige verificaties zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle die de Commissie verricht naar aanleiding van verzoeken om toegang of verbetering moet immers het beginsel van de vertrouwelijkheid van het onderzoek in acht nemen. Zoals vermeld in de memorie van toelichting zou het immers paradoxaal zijn aan de daders of de mededaders van, dan wel aan de medeplichtigen aan strafrechtelijke misdrijven de mogelijkheid te bieden voorafgaandelijk aan de tenlastelegging inlichtingen in te winnen omtrent het bewijsmateriaal dat de autoriteiten tegen hen hebben verzameld (Gedr.</p>\n<p class=\"lf-p\">St., Kamer, 1610/1, 90/91, blz. 17).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 13, vierde lid, van de wet wordt gesteld dat de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalt welke informatie de Commissie aan de betrokkene mag meedelen indien zijn verzoek betrekking heeft op een verwerking van persoonsgegevens verricht door politiediensten met het oog op een identiteitscontrole De Commissie moet aan de betrokkene bijgevolg soms meer informatie kunnen geven wanneer daardoor de geheimhouding van sommige verwerkingen door bedoelde overheden niet in het gedrang komt. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat iemand bij een controle op de luchthaven of op straat merkt dat de hem betreffende gegevens ten onrechte door een politiedienst zijn geregistreerd en dat deze vergissing na de interventie van de Commissie is rechtgezet. In dat geval kan moeilijk worden aanvaard dat de informatie aan de betrokkene beperkt moet blijven tot de mededeling dat de nodige verificaties zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als oplossing wordt voorgesteld in een meer soepele mogelijkheid tot kennisgeving te voorzien voor verwerkingen van persoonsgegevens door politiediensten met het oog op identiteitscontroles. Het is precies in die gevallen dat de betrokkene wordt geconfronteerd met vergissingen in de hem betreffende gegevens. Aldus kan hij ervan in kennis worden gesteld dat de gegevens zijn gecorrigeerd, waarbij die gegevens hem evenwel niet worden meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vorige lezing van dit artikel was dan ook bepaald dat indien het verzoek van de betrokkene verband hield met een verwerking van persoonsgegevens verricht door de politie met het oog op identiteitscontroles, de Commissie aan de betrokkene naar gelang van het geval meedeelt : - dat de politiedienst de hem betreffende persoonsgegevens op wettelijke en correcte wijze heeft verwerkt; - dat de politiedienst de hem betreffende persoonsgegevens niet heeft geregistreerd; - dat de politiedienst de hem betreffende persoonsgegevens ten onrechte of verkeerd heeft verwerkt en dat de Commissie om een verbetering heeft verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt in haar adviezen 8/99 (blz. 12) en 25/99 (blz. 7) daarom voor in het artikel alleen te bepalen dat de Commissie in overleg met de betrokken dienst bepaalt welke informatie aan de betrokkene wordt meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het koninklijk besluit wordt dat voorstel overgenomen. HOOFDSTUK VII. - Aangifte van geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens Afdeling 1. - Bijdragen die bij de aangifte aan de Commissie moeten worden gestort In deze artikelen worden de bijdragen vastgesteld die aan de Commissie moeten worden gestort bij de aangifte bedoeld in artikel 17 van de wet. De verantwoordelijke betaalt een enkel bedrag voor alle informatie die hij op hetzelfde tijdstip bij de Commissie aangeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal doeleinden of samenhangende doeleinden en het aantal formulieren waarover de aangifte is gespreid, is derhalve niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig advies 8/99 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (blz. 13) is in artikel 47 bepaald dat de verantwoordelijke voor de verwerking de overschrijvingsformulieren moet gebruiken die de Commissie hem bezorgt. Afdeling 2. - Categorieën van verwerkingen vrijgesteld van de aangifteplicht In artikel 17 § 8, van de wet is bepaald dat de Koning bepaalde categorieën van de aangifte kan vrijstellen wanneer er, gelet op de verwerkte gegevens, kennelijk geen gevaar is voor inbreuken op de rechten en vrijheden van de betrokkenen en de doeleinden van de verwerking, de categorieën van verwerkte gegevens, de categorieën betrokkenen, de categorieën ontvangers en de periode gedurende welke de gegevens worden bewaard, nader worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodoende worden in de wet de voorwaarden gesteld in artikel 18.2, eerste lid, van richtlijn 95/46/EG overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de daaropvolgende artikelen worden de verwerkingen omschreven die op grond van artikel 17, § 8, van de wet zijn vrijgesteld van de aangifteplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op enkele kleine wijzigingen na worden in die artikelen de bepalingen overgenomen van koninklijk besluit nr. 13 van 12 maart 1996 tot voorwaardelijke vrijstelling van de aangifteplicht voor bepaalde soorten van geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens die kennelijk geen gevaar inhouden op het gebied van de schending van de persoonlijke levenssfeer. Er kan dan ook worden verwezen naar het verslag aan de Koning dat gelijktijdig met het koninklijk besluit d.d. 12 maart 1996, (Belgisch Staatsblad 15 maart 1996, blz. 5.802) is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaande tabel worden de bepalingen van het besluit van 12 maart 1996 vergeleken met die van het nieuwe uitvoeringsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtstabel Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Uit de overzichtstabel blijkt dat de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 maart 1996 niet is overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vrijstelling had betrekking op « verwerkingen die alleen tot doel hebben een register bij te houden dat volgens de wettelijke of reglementaire bepalingen bedoeld is om het publiek voor te lichten en dat door iedereen dan wel door eenieder die zich op een gerechtvaardigd belang kan beroepen, kan worden geraadpleegd. » De vrijstelling is in het nieuwe besluit niet overgenomen omdat zij reeds in de wet is opgenomen (art. 17, § 1, tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op advies van de Commissie zijn voor alle vrijstellingen de vijf elementen vermeld in artikel 17, § 8, van de wet nader omschreven : 1) de doeleinden van de verwerking, 2) de categorieën van verwerkte gegevens, 3) de categorieën betrokkenen, 4) de categorieën ontvangers en 5) de bewaarperiode. Volgens de Commissie moeten deze omschrijvingen voor iedere vrijstelling afzonderlijk worden geformuleerd. De omschrijving van bepaalde elementen moet vanzelfsprekend vaak met zeer algemene termen geschieden zoals « alleen worden meegedeeld aan de ontvangers die daartoe gerechtigd zijn » of « niet langer worden bewaard dan nodig voor de doeleinden van de verwerking ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is immers zeer moeilijk om voor elke vrijstelling een nauwkeurige omschrijving te geven van alle doeleinden, alle categorieën van gegevens, alle categorieën van betrokkenen, alle categorieën van ontvangers en een precieze bewaarperiode te bepalen. Aan de werkgevers en aan de sociale secretariaten zou bijvoorbeeld de verplichting kunnen worden opleggen om de persoonsgegevens betreffende de loonadministratie na beëindiging van de tewerkstelling van de betrokkene te vernietigen. Het belangrijkste slachtoffer van een dergelijke regel zou echter de betrokkene zelf zijn. Niet zelden vraagt een betrokkene nog jaren nadien, bijvoorbeeld naar aanleiding van zijn pensionering, bepaalde loongegevens op bij werkgevers en sociale secretariaten. Deze opmerking geldt ook voor andere verwerkingen zoals boekhouding, administratie van vennoten en aandeelhouders, beheer van klanten- en leveranciersgegevens, leerlingen- en studentenbestanden. Niettemin is indien mogelijk aan de wens van de Commissie in dit verband tegemoet gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot artikel 51 oordeelt de Raad van State in zijn advies 30.495/2, blz. 50 als volgt : \"De woorden \" . in dienst van of werkzaam ten behoeve van de verantwoordelijke voor de verwerking\" zijn niet duidelijk. Als de steller van het onwerp daarmee wil doelen op de personen die voor de verantwoordelijke voor de verwerking werken op basis van een arbeidsovereenkomst of van een overeenkomst van aanneming van werk, zou het dispositief dienovereenkomstig moeten worden aangepast. » In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 13 van 12 maart 1996 tot voorwaardelijke vrijstelling van de aangifteplicht voor bepaalde soorten van geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens die kennelijk geen gevaar inhouden op het gebied van de schending van de persoonlijke levenssfeer (Belgisch Staatsblad van 15 maart 1996, blz. 5805), wordt onderstreept dat terzake iedere betrokkene wordt beoogd die voor de verantwoordelijke voor de verwerking prestaties verricht ongeacht het statuut van betrokkene (werknemer, zelfstandige, interimaris, stagiair, leerling, enz.) Blijkbaar kan geen definitie worden gevonden die generieker is dan de voorgestelde tekst. De Raad van State stelt overigens geen andere lezing voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 54 en 59 Met betrekking tot de artikelen 54 en 59 heeft de Raad van State in zijn advies 30.495/2, blz. 51 en 52, voorgesteld in de laatste zin van de oorspronkelijke lezing de term \"dienstige\" te vervangen door \"noodzakelijke\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorstel wordt in de huidige tekst gevolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot artikel 60 vraagt de Raad van State zich in zijn advies 30.459/2 af of de wetten waarnaar het artikel verwijst, te weten de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten, de kieswet en de wetten tot instelling van de registers van de burgerlijke stand garanderen dat \"voldaan is aan alle vereisten die vervat zijn in artikel 17, § 8, eerste lid, van de wet van 8 december 1992, inzonderheid van de periode gedurende welke de gegevens worden bewaard\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemd verslag aan de Koning nr. 13 van 22 maart 1996 (Belgisch Staatsblad van 15 maart 1996, blz. 5808 stelt het als volgt : \"Het heeft geen zin om aan alle Belgische gemeenten aangifte op te leggen van hun bevolkingsregister omdat deze verwerking reeds onderworpen is aan een strikte reglementering. Bovendien moet eveneens geen aangifte worden gedaan van een reeks andere \"evidente\" verwerkingen op gemeentelijk vlak, zoals de registers van de burgerlijke stand of de kieslijsten. » Inzake de bevolkingsregisters worden in artikel 12 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 (Belgisch Staatsblad van 15 juli 1992) duidelijk de voorwaarden bepaald op grond waarvan de gegevens worden geschrapt : ambtshalve schrapping, schrapping op grond van een overlijdensakte, van een inschrijvingsbewijs in de gemeente van de nieuwe verblijfplaats, enz. Op grond van die bepaling bepaalt de wet van 19 juli 1991 de bewaringstermijn van de gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 61 De Raad van State heeft inzake artikel 61 in zijn advies 30.495/2, blz. 52, het volgende gesteld : \"Doordat deze vrijstelling in te algemene bewoordingen is gesteld, is niet gegarandeerd dat alle voorwaarden voor de vrijstelling, vervat in artikel 17, § 8, eerste lid, van de wet van 8 december 1992 vervuld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de geest van de wet dient elke regeling evenwel concreet te worden onderzocht in het licht van de vereisten die het voormelde artikel 17 voorschrijft. » Hoewel de opmerking van de Raad van State niet ongegrond is, is zij praktisch niet onuitvoerbaar : dit besluit kan geen lijst opstellen van de toekomstige wetten en nagaan hoe zij aan de in artikel 17, § 8, gestelde voorwaarden beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voornoemd artikel 61 wordt daarentegen nader bepaald dat de vrijstelling van de aangifte enkel geldt voor de verwerkingen onderworpen aan specifieke regelingen inzake de doelstelling van de verwerking, de inwinning van de gegevens evenals de wijzen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verwerkingen blijven overigens onderworpen aan de andere bepalingen van de wet van 8 december 1992, inzonderheid aan artikel 4, waarin onder meer is bepaald dat de gegevens toereikend, terzake dienend en niet overmatig dienen te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 62 voorziet in een algemene vrijstelling voor verwerkingen door instellingen van sociale zekerheid bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de wet d.d. 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid In artikel 46, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/01/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/2010 numac 2010000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten, gewijzigd bij artikel 62 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen (Belgisch Staatsblad van 13 januari 2001, tweede editie, blz. 966) is bepaald dat het Toezichtscomité een lijst moet bijhouden die enerzijds betreffende iedere geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die door een instelling van sociale zekerheid wordt verricht met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid tenminste de gegevens bevat die zijn bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zoals ze zijn meegedeeld of gevalideerd door de betrokken instelling van sociale zekerheid, en anderzijds de krachtens artikel 15 toegelaten mededelingen bevat, alsook de mededelingen waarvan het Toezichtscomité krachtens hetzelfde artikel 15 in kennis moet worden gesteld; de Koning bepaalt de nadere regels volgens welke iedere belanghebbende persoon deze lijst bij de Kruispuntbank kan raadplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere instelling van sociale zekerheid is bijgevolg verplicht bij het Toezichtscomité van de Kruispuntbank aangifte te doen van haar verwerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien wordt in artikel 62, tweede lid, bepaald dat het Toezichtscomité de lijst van aangiftes ter beschikking moet stellen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. HOOFDSTUK VIII. - Openbaar register van de geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens Hoofdstuk VIII heeft tot doel de wijze vast te stellen waarop eenieder inzage kan krijgen in het openbaar register van de geautomatiseerde verwerkingen dat is opgericht bij artikel 18 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Het derde lid van dat artikel bepaalt immers het volgende : « Dat register staat ter inzage van eenieder op de wijze door de Koning bepaald. » In de memorie van toelichting van wet van 8 december 1992 is het bepaalt dat : « Het publiek register is bovenal bestemd om de betrokkenen toe te laten alle noodzakelijke elementen voor de uitoefening van hun rechten terug te vinden. Meer algemeen, zou het aan het publiek eveneens moeten toelaten (via controle door de pers bijvoorbeeld) om een overzicht te krijgen van het gebruik dat van deze persoonsgegevens in België wordt gemaakt. » (Gedr. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1610/1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit overzicht mogelijk te maken, wordt in artikel 18, tweede lid, van de wet van 8 december 1992 met betrekking tot elke geautomatiseerde verwerking de inhoud van het openbaar register bepaald, te weten : 1° de datum van de aangifte en in voorkomend geval, de wet, het decreet, de ordonnantie of de reglementaire akte waarbij de geautomatiseerde verwerking wordt ingesteld;2° de naam, de voornamen en het volledig adres of de benaming en de zetel van de verantwoordelijke voor de verwerking en,in voorkomend geval, van zijn vertegenwoordiger in België;3° (opgeheven);4° de benaming van de geautomatiseerde verwerking;5° het doel of het geheel van samenhangende doeleinden van de geautomatiseerde verwerking;6° de categorieën van de verwerkte persoonsgegevens met een bijzondere beschrijving van de gegevens bedoeld in de artikelen 6 tot 8 van de wet;7° de categorieën van ontvangers aan wie de gegevens kunnen worden verstrekt;8° de waarborgen die aan de mededeling van gegevens aan derden verbonden moeten zijn;9° de wijze waarop de personen op wie de gegevens betrekking hebben, daarvan in kennis worden gesteld, de dienst waarbij het recht op toegang kan worden uitgeoefend en de maatregelen genomen om de uitoefening van dat recht te vergemakkelijken;10° de termijn waarna, in voorkomend geval, de gegevens niet meer mogen worden bewaard, gebruikt of verspreid;11° een algemene beschrijving om vooraf te kunnen beoordelen of de veiligheidsmaatregelen genomen overeenkomstig artikel 16 van de wet, toereikend zijn;12° de redenen die de verantwoordelijke voor de verwerking in voorkomend geval kan inroepen voor de toepassing van artikel 3, § 3, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de verwerkte gegevens, zelfs occasioneel, bestemd zijn om naar het buitenland te worden doorgezonden, moet, ongeacht de gebruikte gegevensdrager, bovendien het volgende worden vermeld : - de categorieën van doorgezonden gegevens; - voor elke categorie van gegevens, het land van bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet aan worden herinnerd dat volgens advies 10/92 van 20 augustus 1992 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het begrip `doel' in het kader van het openbaar register een generiek doel kan zijn, dat een geheel van toepassingen omvat (Gedr. St., Kamer, 413/12, 90/91, p. 80).</p>\n<p class=\"lf-p\">In advies nr. 15/94 van 9 mei 1994 heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een aantal basisprincipes voor de toegang tot het openbaar register geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen beschouwd wenst de Commissie dat het register voor het publiek in ruime mate toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer in het bijzonder stelt de Commissie vooreerst dat degene die het openbaar register wenst te raadplegen, niet noodzakelijkerwijs zijn identiteit moet meedelen maar dat de Commissie moet kunnen nagaan of de raadpleging wel degelijk overeenstemt met de doelstelling waarvoor het register is opgericht. Dit zal in de praktijk moeilijk a priori kunnen worden gecontroleerd. Indien iemand de gegevens uit het openbaar register misbruikt door ze bijvoorbeeld aan te wenden voor marketingdoeleinden, is alleen een sanctie a posteriori mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt in haar advies 15/94 voorts dat personen die het register wensen te raadplegen, niet moeten aantonen dat de gegevens waarvan zij kennis wensen te nemen, op hen betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte is de Commissie van mening dat het register naar believen mag worden geraadpleegd. Artikelen 63 tot 65 Rekening houdend met die beginselen worden in het besluit drie vormen van toegang tot het openbaar register voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste vorm is de rechtstreekse raadpleging aan de hand van telecommunicatiemiddelen. De Commissie zal daartoe een kopie van het openbaar register ter beschikking stellen op haar server die bij de inwerkingtreding van dit besluit toegankelijk zal zijn via het Internet en die naast dit register allerlei andere, voor het publiek nuttige informatie betreffende gegevensbescherming zal bevatten (bijv. wetteksten, adviezen). In de toekomst zullen nog andere vormen van raadpleging via telecommunicatiemiddelen worden aangeboden, die geen gebruik maken van het Internet maar van andere netwerken. Via Internet wordt een gedecentraliseerde toegang tot het openbaar register op grote schaal mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede vorm is de rechtstreekse raadpleging ter plaatse, in de ruimten die de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer daarvoor aanwijst. Tijdens de normale kantooruren kan eenieder zich aanmelden om het openbaar register te raadplegen. De Commissie stelt daartoe de nodige ruimte en computerapparatuur ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte kan eenieder aan de Commissie een uittreksel uit het openbaar register vragen. Dat kan mondeling, door zich bij de Commissie aan te melden, of schriftelijk, door aan de Commissie over de post of aan de hand van een faxbericht, een verzoek te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telefonische verzoeken zijn in principe niet ontvankelijk. Een aanvraag voor een uittreksel moet uiteraard voldoende nauwkeurig zijn opdat de Commissie de gevraagde gegevens onmiddellijk in het openbaar register kan opzoeken en afdrukken. Daarom is in het ontwerp bepaald dat in de aanvraag ten minste een essentieel gegeven aan de Commissie moet worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toegang tot het openbaar register moeten een minimum aantal toegangssleutels beschikbaar zijn. Met betrekking tot de verantwoordelijken voor de verwerking moeten opzoekingen mogelijk zijn door middel van het identificatienummer, de volledige of afgekorte benaming, het BTW-nummer, de postcode en de gemeente en het telefoonnummer. Met betrekking tot de verwerkingen zelf moet het openbaar register kunnen worden geraadpleegd door opgave van het identificatienummer, de benaming, het doel of de categorieën verwerkte gegevens. Deze sleutels moeten ook gecombineerd kunnen worden om de zoekopdracht te verfijnen. De raadpleging moet eenvoudig en gebruiksvriendelijk zijn. De Commissie moet daartoe de nodige interface en hulpschermen ter beschikking stellen Artikel 67 De Commissie moet uiteraard worden beschermd tegen overdreven en onredelijke aanvragen. Daarom kan slechts een volledig uittreksel worden gevraagd indien het betrekking heeft op ten hoogste tien verwerkingen van een zelfde verantwoordelijke. Indien de aanvraag slaat op meer dan tien verwerkingen en op verschillende verantwoordelijken of op meer dan honderd verwerkingen van dezelfde verantwoordelijke, kan de Commissie een vereenvoudigd uittreksel afleveren waarop voor elke verwerking een minimum aantal gegevens zijn vermeld. HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen Artikelen 70 en 73 Naar luid van artikelen 70 en 73 van het besluit krijgen de verantwoordelijken voor de verwerking na de bekendmaking van het besluit nog zes maanden om zich aan te passen aan de nieuwe regeling ingevoerd bij de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijn moet aan de Commissie onder meer de mogelijkheid bieden de in dit besluit specifieke formulieren uit te werken en het openbaar register aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de verantwoordelijken voor de verwerking hebben een overgangsperiode nodig om bepaalde vermeldingen op formulieren, voorgedrukte brieven, antwoordcoupons, enz. te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpassingen zijn ook nodig voor de toepassing van het recht op verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad van State verzet zich in zijn advies 30.495/2, blz. 53, tegen die overgangsperiode en herinnert eraan dat de termijn voor de omzetting van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens op 24 oktober 1998 is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de opmerking van de Raad van State in rechte gegrond is, moet worden onderstreept dat op het tijdstip van de uitwerking van dit besluit, meer dan de helft van de lidstaten van de Europese Unie zelfs nog niet zijn begonnen met de omzetting van voornoemde richtlijn, hetgeen wijst op de praktische en juridische moeilijkheden die zulks meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een termijn van zes maanden blijkt derhalve niet overbodig te zijn om het de verantwoordelijken voor de verwerkingen mogelijk te maken hun werkwijze aan te passen aan de vereisten van die richtlijn en van de maatregelen die voornoemde richtlijn in Belgisch recht omzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 71 De aangiften bedoeld in artikel 17 van de wet die voor de inwerkingtreding van de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten zijn verricht, moeten niet worden herhaald volgens de regels opgelegd door deze wet. Zij worden geacht in overeenstemming te zijn met deze nieuwe bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, Uw zeer eerbiedige en getrouwe dienaar, De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN ADVIES NR 08 / VAN 8 MAART 1999 VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER BETREFT : Voorontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens zoals gewijzigd bij wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de adviesaanvraag van de Minister van Justitie van 30 december 1998;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het verslag van de heer Robben, Mevr. Vanlerberghe, de heren Van Hove, Poullet, Brengt op 8 maart 1999 het volgende advies uit : Voorafgaande opmerkingen De Commissie betreurt dat het ontwerp van koninklijk besluit dat haar ter advies wordt voorgelegd niet definitief is, en in het bijzonder dat het niet werd besproken in de Ministerraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het belang van de tekst ten opzichte van haar bevoegdheden, wenst de Commissie dat ze wordt geraadpleegd over de eventuele wijzigingen die worden aangebracht en die niet overeen zouden stemmen met het huidig advies..</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien vindt de Commissie het jammer dat ze niet beschikt over een ontwerp van verslag aan de Koning, of toch minstens over een verklarende nota bij het ontwerp van koninklijk besluit in zijn geheel. Zonder een dergelijke tekst, moet ze zich beperken tot loutere veronderstellingen over de precieze draagwijdte van bepaalde opgestelde bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij aansluitend dient opgemerkt dat de gebruikte woordenschat soms niet correct of verwarrend is. Bovenvermeld verslag zou hieraan verholpen kunnen hebben. Tenslotte merkt de Commissie op dat de concordantie tussen de Nederlandse en de Franse versie regelmatig te wensen overlaat. HOOFDSTUK I. - Definities Hoofdstuk I van het ontwerpbesluit dat slechts uit één artikel bestaat, bevat een aantal definities van begrippen die in het verdere ontwerp worden gebruikt. De definities opgenomen onder de punten c) tot en met f) zijn evenwel enkel relevant in het licht van de bijzondere regeling inzake de verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. De Commissie pleit ervoor dat deze definities in hoofdstuk II zouden worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van « identificerende gegevens » is volgens de Commissie te beperkt. Krachtens de voorgestelde definitie zijn hieronder immers enkel de persoonsgegevens begrepen die de betrokkene op zich identificeren. De Commissie is van oordeel dat hieronder evenwel ook de persoonsgegevens dienen te worden begrepen die op zich niet de betrokkene identificeren, maar die door de verantwoordelijke voor de verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden toch in verband kunnen worden gebracht met een door hem geïdentificeerd of identificeerbaar persoon. Indien de definitie in die zin wordt aangepast, is het gebruik van de term « identificerende gegevens » evenwel niet meer correct. Het ware dan allicht beter te gewagen van « niet-gecodeerde persoonsgegevens ». Indien op deze suggestie wordt ingegaan dienen de termen « identificerende gegevens » in de gehele tekst van het ontwerp van koninklijk besluit vervangen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de definitie van « gecodeerde gegevens » is te beperkt. Ook hier mag de definitie niet beperkt blijven tot de gegevens die het op zich mogelijk maken de betrokkene te identificeren. Onder de definitie dienen dus alle gegevens te worden verstaan die slechts door toedoen van de gegevensverstrekker of een intermediaire organisatie in verband kunnen worden gebracht met een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De notie « intermediaire organisatie » wordt ingevoerd om een instantie te benoemen die instaat voor het omzetten van identificerende gegevens (beter : niet-gecodeerde persoonsgegevens) naar gecodeerde gegevens, zodat het voor de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden op zich niet meer mogelijk is de betrokkene te identificeren. Een intermediaire organisatie kan in twee situaties tussenkomen : enerzijds om persoonsgegevens die afkomstig zijn van één gegevensverstrekker te coderen, anderzijds om persoonsgegevens afkomstig van verschillende gegevensverstrekkers samen te brengen en te coderen. De Commissie is van oordeel dat de intermediaire organisatie in de eerste situatie best steeds zou optreden als verwerker van persoonsgegevens voor rekening van de gegevensverstrekker, zodat zij niet als afzonderlijke verantwoordelijke voor een verwerking van persoonsgegevens wordt beschouwd, en onderworpen is aan het toezicht van de gegevensverstrekker overeenkomstig het door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten gewijzigde artikel 16 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna, de wet van 8 december 1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede situatie, waarin persoonsgegevens afkomstig van verschillende gegevensverstrekkers worden samengebracht alvorens te worden gecodeerd, is de Commissie van oordeel dat een bijzondere bedreiging ontstaat voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die vereist dat dergelijke intermediaire organisatie passende waarborgen biedt. Het lijkt de Commissie wenselijk te voorzien dat dergelijke intermediaire organisatie door of krachtens een wet, die in passende waarborgen voorziet, en op advies van de Commissie, gemachtigd moet zijn om deze taak te kunnen vervullen. Ook ware het wenselijk de vereiste van onafhankelijkheid van de intermediaire organisatie t.a.v. de ontvanger van de gegevens, die in artikel 5, d) van het ontwerp is voorzien, op te nemen in de definitie. Overigens verdient het aanbeveling om de Koning, of minstens de Commissie, de bevoegdheid te verlenen om de criteria vast te leggen volgens dewelke de vereiste onafhankelijkheid dient te worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Verwerkingen van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden Hoofdstuk II geeft uitvoering aan de mogelijkheid voorzien in de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna, de richtlijn) om af te wijken van een aantal daarin vervatte principes, indien persoonsgegevens worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, mits passende garanties worden geboden. Dergelijke mogelijkheid tot afwijking is in de richtlijn voorzien t.a.v. het verbod om persoonsgegevens te verwerken voor een doeleinde dat onverenigbaar is met datgene waarvoor ze zijn verkregen (artikel 6, 1, b), de beperking van de bewaarduur van persoonsgegevens in functie van de doeleinden van de verwerking (artikel 6, 1, e), de informatieverstrekking aan de betrokkene bij de verkrijging van gegevens bij derden, indien de informatieverstrekking onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost, of indien de verwerking bij wet is voorgeschreven (artikel 11, 2), en het recht van toegang, verbetering en uitwissing van de betrokkene (artikel 13, 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie meent uit de filosofie van het ontwerp van koninklijk besluit te mogen begrijpen dat een verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, die kadert binnen of verenigbaar is met doeleinden waarvoor de verwerkte persoonsgegevens werden verkregen, en waarvoor geen afwijking nodig is van de principes waarvoor de richtlijn een afwijking toestaat, niet onderworpen is aan de bepalingen van het voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit. Het ware wenselijk dit in het verslag aan de Koning te verduidelijken. De Commissie merkt evenwel op dat het ontwerp van koninklijk besluit vooral afgestemd is op de situatie waarbij persoonsgegevens worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden door een andere verantwoordelijke voor de verwerking dan degene die initieel over de persoonsgegevens beschikt. Zij stelt zich de vraag of ook geen passende garanties moeten worden vastgelegd mits inachtname waarvan een verantwoordelijke van een verwerking van een aantal principes kan afwijken indien hij persoonsgegevens waarover hij zelf beschikt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wenst te verwerken op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor de betrokken persoonsgegevens werden verkregen. Afdeling 1. - Algemene principes</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 voorziet in een afwijking op twee van deze principes indien gegevens worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, voor zover deze verwerking geschiedt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van het ontwerpbesluit Deze principes betreffen het verbod van de verwerking van persoonsgegevens voor een doel dat onverenigbaar is met het doel waarvoor ze zijn verkregen en de beperking van de bewaarduur van persoonsgegevens in functie van de doeleinden van de verwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarenboven wordt ook de door de richtlijn vereiste wettelijke basis verschaft om, onder de bepalingen vervat in hoofdstuk II, gevoelige, gezondheids- of gerechtelijke gegevens te verwerken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Tenslotte wordt gepreciseerd dat persoonsgegevens die worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doelei.nden niet langer mogen worden bewaard dan hiertoe noodzakelijk is. De Commissie begrijpt niet waarom in het vierde lid plots enkel verwezen wordt naar « wetenschappelijk onderzoek » i.p.v. naar de doorheen de rest van het ontwerp gebruikte « historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden ». Voor het overige heeft de Commissie geen opmerkingen bij dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 voorziet in een hiërarchie van de soorten gegevens die mogen worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. In principe mogen voor deze doeleinden enkel anonieme gegevens worden gebruikt. Enkel indien deze doeleinden niet door het verwerken van anonieme gegevens kunnen worden verwezenlijkt, mogen hiertoe gecodeerde gegevens worden verwerkt, mits een aantal specifieke bepalingen vervat in afdeling 2 worden nageleefd. Enkel indien de doeleinden noch door het verwerken van anonieme, noch door het verwerken van gecodeerde gegevens kunnen worden verwezenlijkt, mogen hiertoe identificerende gegevens (beter : niet-gecodeerde persoonsgegevens) worden verwerkt, mits een aantal specifieke bepalingen vervat in de afdeling 3 worden nageleefd. De Commissie kan instemmen met deze hiërarchie in de soorten gegevens die mogen worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Zij wijst erop dat het aldus aan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor dergelijke doeleinden zal toekomen om aan de bevoegde instanties het bewijs te leveren van de onmogelijkheid van de verwezenlijking van de doeleinden door de verwerking van anonieme en/of gecodeerde gegevens. Bovendien is zij van oordeel dat een inbreuk op de bepalingen van dit artikel zal kunnen worden beschouwd als een schending van het door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten gewijzigde artikel 4, § 1 van de wet van 8 december 1992, die strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 legt een verbod op aan de verantwoordelijke voor de verwerking van anonieme gegevens om andelingen te verrichten met het oog op de omzetting ervan naar identificerende gegevens. De Commissie stelt voor om in dit artikel zowel handelingen gericht op de omzetting van anonieme persoonsgegevens te verbieden, als de handelingen gericht op de omzetting van gecodeerde persoonsgegevens naar niet-gecodeerde persoonsgegevens. Afdeling 2. - Verwerking van gecodeerde gegevens</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 bepaalt de voorwaarden waaraan een verwerking van gecodeerde gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden dient te voldoen. De Commissie wijst in dit verband vooreerst op hetgeen hoger werd aangegeven m.b.t. de definitie van « intermediaire organisatie ». Daarenboven acht ze het wenselijk dat de verplichting wordt opgelegd tot het bijzonder beveiligen, door de gegevensverstrekker of de intermediaire organisatie, van de sleutels voor de omzetting van de gecodeerde naar identificerende gegevens Deze beveiliging is immers cruciaal opdat de gecodeerde gegevens niet terug tot niet-gecodeerde persoonsgegevens verworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6 legt de bijzondere voorwaarden vast waaraan moet worden voldaan bij de verwerking, voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, van gecodeerde gegevens, die hun oorsprong vinden in gevoelige, gezondheids- of gerechtelijke gegevens Eén van deze voorwaarden is de beschikking over een gunstig advies van een door de Commissie aangewezen ethische commissie over de voorgenomen historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden van de verwerking. Volgens de Commissie komt het in naam van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer noch aan haarzelf, noch aan een door haar aangewezen ethische commissie toe om een advies te verlenen omtrent de voorgenomen historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden van een verwerking. Dit zou immers kunnen worden geïnterpreteerd als een mogelijkheid tot inhoudelijke censuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt daarom voor artikel 6, eerste lid, b) te schrappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de auteurs van het ontwerp van oordeel zijn dat etische commissies een rol dienen te vervullen op het vlak van bepaalde vormen van voorgenomen historisch, statistisch of wetenschappelijk onderzoek, dient dit het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke regeling, die gestoeld is op een maatschappelijk debat terzake. Indien deze etische commissies bij hun werkzaamheden aspecten van privacy dienen te behandelen moeten zij rekening houden met de fundamentale beginselen inzake bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals verwoord door de Commissie voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder, acht de Commissie het wenselijk dat de adviezen of machtigingen die het Toezichtscomité in de betrokken gevallen op grond van de beginselen inzake persoonsgegevensbescherming geeft, aan haar, zouden worden overgemaakt met het oog op de opname ervan in het openbaar register. Afdeling 3. - Verwerking van identificerende gegevens De artikelen 8 en 9 De artikelen 8 en 9 voorzien dat de verwerking van identificerende gegevens (beter : niet-gecodeerde persoonsgegevens) voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden in principe moet worden voorafgegaan door een uitvoerige informatieverstrekking vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking aan de betrokkene, en een uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene op basis van de verkregen informatie. De Commissie heeft geen bemerkingen bij deze artikelen, die het recht op zelfdeterminatie van een persoon over de verwerking van persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, uitdrukkelijk bevestigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 voorziet vier situaties waarin identificerende gegevens (beter : niet-gecodeerde persoonsgegevens) mogen worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, zonder dat de verantwoordelijke voor de verwerking de betrokkene heeft moeten informeren en zijn uitdrukkelijke toestemming heeft moeten bekomen Het gaat meer bepaald om de verwerking van publieke gegevens, om de loutere verwerking van gegevens voor steekproeftrekkingen, om de verwerking van persoonsgegevens in uitvoering van een machtiging van het Toezichtscomité van de sociale zekerheid, en om verwerkingen waarvoor de Commissie een afwijking heeft toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11 voorziet in de procedure die moet worden gevolgd voor het bekomen van dergelijke afwijking. De Commissie is van oordeel dat de tweede afwijking m.b.t. de steekproeftrekking niet verantwoord is en dus geschrapt moet worden. Immers, Iin het geval van een steekproeftrekking zullen uiteindelijk dvoor de verantwoordelijke voor de verwerking enkel gegevens nodig zijn m.b.t. de in de steekproef weerhouden personen. Het lijkt dan ook onverantwoord om voor het trekken van de steekproef niet-gecodeerde persoonsgegevens m.b.t. de hele populatie door te geven aan de verantwoordelijke voor de verwerking. De steekproef kan immers even goed getrokken worden door de verstrekker van de gegevens of door een intermediaire organisatie overeenkomstig de criteria meegedeeld door de verantwoordelijke voor de verwerking. De Commissie zou wel akkoord kunnen gaan met het feit dat ingeval niet-gecodeerde persoonsgegevens worden gebruikt voor een steekproef van personen, de in de artikelen 8 en 9 voorziene verplichtingen tot informatieverstrekking en tot het bekomen van een uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene niet dienen te worden nageleefd voorafgaandelijk aan het trekken van de steekproef, maar bij het eerste contact tussen de ontvanger van de gegevens en de betrokken personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11 De Commissie kan niet instemmen met het voorlaatste lid van artikel 11. Vermits een vrijstelling van de informatieplicht en de noodzaak tot het bekomen van de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene de uitzondering is, mag een ontbreken van een beslissing vanwege de Commissie binnen de voorziene termijnen, in geen geval beschouwd worden als een afwijking die is toegestaan door de Commissie.Ze stelt daarom voor het ontbreken van een beslissing binnen de voorziene termijnen te beschouwen als een afwijzing van de afwijking. Afdeling 4. - Bekendmaking van de resultaten van de verwerking De artikelen 12 en 13 De artikelen 12 en 13 voorzien in een aantal waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene bij de bekendmaking van de resultaten van een verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. De Commissie acht het gebruik van de term « personen » verkieslijk boven de term « burgers » in artikel 13. Voor het overige heeft de Commissie geen bemerkingen bij deze artikelen. HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor de verwerking van persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 6 tot 8 van de wet Artikel 6, § 2, a) van de wet stelt dat de Koning kan bepalen wanneer het verbod om persoonsgegevens te verwerken betreffende de raciale of etnische afkomst, de politieke opvattingen, de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging of het lidmaatschap van een vakvereniging, alsook persoonsgegevens die het seksuele leven betreffen, niet door een schriftelijke toestemming ongedaan gemaakt kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 14 van het ontwerpbesluit bepaalt één dergelijk geval, met name de verwerking door de huidige of potentiële werkgever die niet gericht is op het verstrekken van een voordeel De Commissie is van oordeel dat deze bepaling niet voldoende rekening houdt met het zelfbeschikkingsrecht van personen. Het absolute verbod op de verwerking van deze gegevens, zelfs met schriftelijke toestemming van de betrokkene, lijkt te verregaand. De belangen van personen die zich onder het gezag van een ander persoon bevinden, kunnen naar het oordeel van de Commissie ook op een andere wijze beschermd worden. Er kan met name vereist worden dat er in deze gevallen een bijzondere schriftelijke toestemming gegeven wordt, waarbij aan de betrokkene voorafgaandelijk de redenen opgegeven worden van de verwerking van de gevoelige gegevens. Door het opleggen van een dergelijke 'informed consent' kan het recht op bescherming van het privéleven van de betrokkene naar het oordeel van de Commissie voldoende beschermd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens artikel 7, § 2, a) van de wet van 8 december 1992 zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten, kan de Koning bepalen wanneer het verbod om gegevens die de gezondheid betreffen, te verwerken, niet door een schriftelijke toestemming ongedaan gemaakt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het ontwerpbesluit wordt geen dergelijk geval bepaald. Het is onduidelijk waarom dit zo is. Er is geen reden om aan te nemen waarom er voor de gegevens die de gezondheid betreffen geen gelijkaardige regel zou bestaan als voor de gevoelige gegevens. De gegevens die de gezondheid betreffen, zijn niet minder gevoelig dan de gegevens bepaald in artikel 6 van de wet van 8 december 1992 zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten. De Commissie acht het daarom wenselijk om, met betrekking tot gegevens die de gezondheid betreffen, in het ontwerpbesluit een aan artikel 14 van het besluit equivalente bepaling op te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 van het ontwerpbesluit legt een aantal bijzondere voorwaarden vast voor de verwerking van persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 6 tot 8 van de wet. Bepaald wordt met name dat : (1) de personen die toegang hebben tot de gegevens door de verantwoordelijke of desgevallend door de verwerker individueel aangewezen moeten worden, met een omschrijving van hun precieze verwerkingsbevoegdheid met betrekking tot vermelde gegevens;(2) de lijst van de aldus aangewezen personen ter beschikking van de Commissie gehouden moet worden;(3) de aangewezen personen door een wettelijke, statutaire, contractuele of deontologische bepaling ertoe gehouden moeten zijn het vertrouwelijk karakter van de gegevens in acht te nemen;(4) zowel bij informatie aan de betrokkene als in de aangifte de precieze wettelijke grondslag vermeld moet worden die de verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in de aritkelen 6 tot 8 van de wet rechtvaardigt Met betrekking tot de eerste vereiste merkt de Commissie op dat het vooral belangrijk is te weten wie er toegang heeft. Daartoe is niet vereist dat de personen nominatim worden aangeduid. Een aanduiding bij naam kan bepaalde risico's inhouden, bijvoorbeeld wanneer personen van functie veranderen. De Commissie acht het daarom wenselijk om de veranwoordelijke te verplichten enerzijds een lijst van toegangsprofielen op te stellen (bijv. door aanduiding van de functies die toegang hebben) en om anderzijds een lijst op te stellen waarin die profielen aan welbepaalde personen toegekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen personen moeten door een wettelijke, statutaire, contractuele of deontologische bepaling ertoe gehouden zijn het vertrouwelijk karakter van de gegevens in acht te nemen. De Commissie wijst erop dat een algemene contractuele bepaling niet volstaat; de door deze contractuele bepaling gecreëerde geheimhoudingsplicht moet equivalent zijn aan de wettelijke of statutaire geheimhoudingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is de Commissie van oordeel dat de vermelding van de 'deontologische bepaling' in de context van artikel 15 van het ontwerpbesluit niet ter zake doet en derhalve geschrapt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel bij informatie aan de betrokkene als in de aangifte moet de precieze wettelijke grondslag vermeld worden die de verwerking van de persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 6 tot 8 van de wet rechtvaardigt. De Commissie wijst erop dat de vereiste om de 'precieze' wettelijke grondslag aan te duiden gevaren kan inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt hierdoor een al te zware verplichting opgelegd, en wordt het zo goed als onmogelijk wetsconform te handelen, dan staat de deur open voor misbruiken. De Commissie is van oordeel dat vermeden moet worden dat een overtreding van deze bepaling ingeroepen wordt om redenen die niets met de bescherming van het privéleven te maken hebben. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor de vrijstelling van de kennisgevingsplicht bedoeld in artikel 9, § 2 van de wet Artikel 16 Artikel 16 voorziet in een vrijstelling van de kennisgevingsplicht in hoofde van de verantwoordelijke voor een verwerking van uitsluitend gecodeerde gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. De Commissie merkt op dat de vrijstelling krachtens deze bepaling niet geldt voor een intermediaire organisatie die tussenkomt om de betrokken persoonsgegevens te coderen. Dit dreigt ertoe te leiden dat weinig instanties bereid zullen worden gevonden om als intermediaire organisatie op te treden, en het regime van de verwerking van gecodeerde gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden dreigt te worden uitgehold. Daarom stelt de Commissie voor de vrijstelling van kennisgevingsplicht in dit geval uit te breiden tot intermediaire organisaties die persoonsgegevens enkel verwerken met het doel om ze te coderen. De Commissie merkt op dat in de Franse versie « l'obligation d'exemption » staat in de plaats van « l'obligation d'information ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 17 van het ontwerpbesluit geldt enkel met betrekking tot de verwerking van gegevens voor bevolkingsonderzoek, en voor een door of krachtens de wet, decreet of ordonnantie voorgeschreven verwerking Wanneer de kennisgevingsplicht onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost, verstrekt de verantwoordelijke voor de verwerking de informatie wanneer hij de eerstvolgende keer met de betrokkene in contact treedt. Indien de persoonsgegevens aan een derde doorgegeven worden, wordt de kennisgeving door deze derde verricht wanneer laatstgenoemde voor de eerstvolgende keer met de betrokkene in contact treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijke voor de verwerking die zich beroept op de vrijstelling van de kennisgevingsplicht, doet hiervan aangifte aan de Commissie op het formulier dat hiervoor door de Commissie ter beschikking wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijke voor de verwerking moet de redenen waarom de kennisgeving onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost niet aangeven. Wellicht zal de onmogelijkheid doorgaans volgen uit het grote aantal kennisgevingen dat zou moeten gebeuren. De Commissie acht het niettemin wenselijk aan de verantwoordelijke voor de verwerking de verplichting op te leggen de redenen voor de onmogelijkheid op te geven. HOOFDSTUK V. - Uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 10 en 12 van de wet Artikel 19 Artikel 19 van het ontwerpbesluit bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 10 en 12 van de wet van 8 december 1992, zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt ondermeer bepaald dat het moet gaan om een schriftelijk en gedateerd verzoek, dat hetzij wordt overhandigd, hetzij langs de post of met een telecommunicatiemiddel wordt verzonden. In het nieuwe artikel 10 van de wet van 8 december 1992, zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten wordt bovendien bepaald dat het verzoek ondertekend moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie merkt op dat het vereiste van de ondertekening tot gevolg heeft dat een verzoek niet via telecommunicatiemiddel kan worden verzonden, zolang er geen juridisch geldige electronische handtekening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek wordt gericht : - hetzij aan de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn vertegenwoordiger in België of aan één van de door hem gemachtigde of aangestelde personen; - hetzij aan de bewerker van de persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de definitie vervat in artikel 1, § 5 van de wet van 8 december 1992 is de Commissie van oordeel dat in het tweede onderdeel melding gemaakt moet worden van 'verwerker' in plaats van 'bewerker'. HOOFDSTUK VI. - Uitoefening van het recht bedoeld in artikel 13 van de wet Artikelen 21 tot 31 In de artikelen 21 tot 31 wordt de procedure voor de uitoefening van dit recht omschreven. De Commissie is van oordeel dat deze bepalingen een veel te zware procedure creëren, zonder dat de betrokkene hier echt bij gebaat is. Tot hiertoe werd het recht van onrechtstreekse toegang op een vrij soepele manier geregeld. Deze soepele procedure gaf geen aanleiding tot problemen. Om deze reden is de Commissie van oordeel dat de procedure voor de uitoefening van het recht bedoeld in artikel 13 van de wet beter geregeld wordt in het Reglement van orde van de Commissie, dan in het uitvoeringsbesluit. Op deze manier kan de Commissie de procedure ook aanpassen aan gewijzigde behoeften, indien dit nodig zou blijken. De Commissie dringt er dan ook op aan de artikelen 23 en 25 tot 30 te vervangen door een bepaling waarin voorzien wordt dat de procedure geregeld wordt in het Reglement van orde van de Commissie, dat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd moet worden. Aldus wordt vermeden dat de Commissie bedolven wordt onder administratieve beslommeringen. Anderzijds wordt hierdoor geen afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiernavolgende artikelsgewijze bespreking moet in het licht van deze algemene bemerking gelezen worden. Ze wordt met andere woorden enkel weergegeven voor het geval haar suggestie niet gevolgd zou worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 van de wet van 8 december 1992, zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten verwijst zowel naar artikel 10 als 12 van voormelde wet. Deze artikelen betreffen niet enkel een recht van toegang en verbetering, maar tevens een recht van verzet tegen de verwerking van de gegevens. De formulering van artikel 21 van het ontwerpbesluit, met name de verwijzing naar 'de verzoeken tot toegang en verbetering', zonder vermelding van het recht van verzet, is dan ook verwarrend. De Commissie stelt daarom voor de woorden 'toegang en verbetering' te laten vallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 22 van het ontwerpbesluit wordt een onderscheid gemaakt tussen de betrokkene enerzijds en de vertegenwoordigers van onbekwamen anderzijds. Dit geeft de indruk dat enkel onbekwamen vertegenwoordigd kunnen worden. In haar advies nr. 11/95 was de Commissie van oordeel dat om het even welke persoon, bijvoorbeeld door een advocaat, vertegenwoordigd zou moeten kunnen worden. De Commissie is van oordeel dat het niet nodig is een bepaling inzake vertegenwoordiging op te nemen. Het ontwerpbesluit bevat overigens evenmin regels met betrekking tot de vertegenwoordiging bij de uitoefening van de rechten vervat in de artikelen 10 en 12 van de wet In artikel 22 van het ontwerpbesluit wordt verder bepaald dat in het verzoek alle relevante elementen betreffende de betwiste gegevens, zoals de aard ervan, de omstandigheden of de aanleiding van de kennisneming ervan vermeld moeten worden. De Commissie is van oordeel dat hierdoor een al te zware informatieverplichting aan de betrokkene wordt opgelegd. Zij stelt daarom voor te verduidelijken dat het verzoek enkel de relevante elementen moet bevatten waarover de betrokkene beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22 van het ontwerpbesluit bepaalt nog dat in het verzoek eveneens de eventueel gewenste verbeteringen vermeld moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt opnieuw geen rekening gehouden met de mogelijkheid van de verzoeker zich te verzetten tegen de verwerking van de gegevens op grond van artikel 12 van de wet. In artikel 22 zou bijgevolg ook naar deze mogelijkheid verwezen moeten worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 23 van het ontwerpbesluit wordt aan de Commissie de mogelijkheid gegeven bijkomende inlichtingen te vragen. Deze bepaling geeft gevolg aan de opmerking die de Commissie in haar advies nr. 11/95 formuleerde Ingeval de betrokkene weigert de bijkomende inlichtingen te verstrekken en het op grond van de reeds verstrekte inlichtingen niet mogelijk is te bepalen om welke verwerking van gegevens het gaat, kan de Commissie het verzoek niet ontvankelijk verklaren. Het woord « weigeren » suggereert een uitdrukkelijke weigering van de betrokkene om informatie te geven, en lijkt geen betrekking te hebben op de omstandigheid dat de betrokkene gewoon nalaat de gevraagde inlichtingen te geven. In de praktijk gebeurt het nochtans vaak dat de betrokkene na vraag van de Commissie om bijkomende inlichtingen, niets meer van zich laat horen. De Commissie is van oordeel dat het woord 'weigert' beter vervangen wordt door 'nalaat'. Wat betreft het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek, kan verwezen worden naar de opmerkingen van de Commissie over artikel 25 van het ontwerpbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 24 bepaalt dat het verzoek van de betrokkene slechts ontvankelijk is indien het wordt ingediend na verloop van een termijn van zes maanden, te rekenen van de verzendingsdatum van het vorige antwoord van de Commissie betreffende dezelfde gegevens en dezelfde dienst. Van die termijn kan worden afgeweken op voorwaarde dat de betrokkene in zijn verzoek daarvoor afdoende redenen opgeeft. De Commissie heeft geen bemerkingen bij dit artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de Commissie binnen de dertig dagen na ontvangst van het verzoek uitspraak doet over de ontvankelijkheid ervan. Aldus wordt een procedure in twee fases gecreëerd. In eerste instantie doet de Commissie uitspraak over de ontvankelijkheid van het verzoek. Artikel 25 vereist dat in elk dossier een formele beslissing over de ontvankelijkheid genomen wordt Pas in een later stadium wordt de controle verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijk systeem kan aanleiding geven tot tal van problemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de Commissie het nodig acht bijkomende inlichtingen te vragen. Veelal zal de Commissie niet binnen de 30 dagen over de nodige inlichtingen beschikken, zodat zij niet over de ontvankelijkheid kan beslissen, of het verzoek niet-ontvankelijk moet verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie is van oordeel dat de in het ontwerpbesluit omschreven procedure, de procedure nodeloos compliceert. De praktijk heeft uitgewezen dat er geen behoefte bestaat aan een dergelijke procedure in twee fases, waarbij een formele beslissing over de ontvankelijkheid van het verzoek genomen wordt. Zoals hierboven aangegeven, acht de Commissie het wenselijk dat de procedure in haar Reglement van orde omschreven wordt. Aldus kunnen nodeloze administratieve beslommeringen bij de behandeling van de verzoeken vermeden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25 bepaalt nog dat van de termijn van 30 dagen kan worden afgeweken op voorwaarde dat de betrokkene in zijn verzoek daarvoor afdoende redenen opgeeft. Het is onduidelijk wat hiermee bedoeld wordt. Bepaald wordt niet dat de Commissie ten vroegste dertig dagen na ontvangst van het verzoek uitspraak doet, maar wel binnen dertig dagen. De Commissie kan bijgevolg ook vroeger uitspraak doen. Er zou maar een afwijking van de termijn zijn indien de verzoeker zou vragen dat de Commissie pas na het verstrijken van dertig dagen uitspraak doet over zijn verzoek. De opstellers van het ontwerpbesluit hadden wellicht niet deze laatste hypothese in gedachten. Artikel 25, tweede lid heeft in zijn huidige formulering dan ook weinig betekenis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 26 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de Commissie slechts kan beslissen dat een verzoek niet ontvankelijk is nadat de betrokkene of zijn raadsman is gehoord. Er wordt derhalve een verplichting gecreëerd de betrokkene te horen. De Commissie is van oordeel dat het volstaat te bepalen dat de betrokkene kan verzoeken door de Commissie gehoord te worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 27 van het ontwerpbesluit bepaalt dat controle wordt verricht door een magistraat die zich kan laten bijstaan door een lid van de Commissie en van het secretariaat van de Commissie. De Commissie is van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat de controles steeds door een magistraat verricht worden. De controles werden in het verleden zonder problemen ook door andere leden van de Commissie verricht Bovendien zou hierdoor een al te grote werklast aan de magistraten leden van de Commissie opgelegd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 28 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de door de Commissie aangewezen magistraat, naar aanleiding van de controle van de betrokken dienst, alle verificaties verricht die hij nuttig acht. Hij kan gegevens laten verbeteren of gegevens laten invoeren die verschillen van die welke de betrokken dienst verwerkt. Hierbij wordt opnieuw geen rekening gehouden met de mogelijkheid van de verzoeker om zich te verzetten tegen de verwerking van de gegevens op grond van artikel 12 van de wet. In artikel 28 zou bijgevolg ook naar deze mogelijkheid verwezen moeten worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de betrokken dienst binnen de 15 dagen na de controle, bij aangetekende brief meedeelt welke maatregelen zijn getroffen. De Commissie is van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat dit bij aangetekende brief gebeurt. De Commissie is van oordeel dat een schriftelijke mededeling van de betrokken dienst aan de Commissie volstaat De Commissie wijst er verder op dat de termijn van 15 dagen in een aantal gevallen te kort zal zijn. Dit zal met name het geval zijn wanneer de betrokken dienst zelf nog een aantal verificaties moet doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 30 van het ontwerpbesluit bepaalt dat de Commissie moet antwoorden binnen een termijn van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf de uitspraak van de beslissing betreffende de ontvankelijkheid Bepaald wordt nog dat van die termijn kan worden afgeweken op voorwaarde dat de betrokkene daarvoor afdoende redenen opgeeft. Met betrekking tot deze laatste zin geldt de opmerking die hierboven met betrekking tot artikel 25, tweede lid werd gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van deze bepaling is naar het oordeel van de Commissie overbodig. Indien een zaak werkelijk spoedeisend lijkt, kan de Commissie op korte termijn uitspraak doen. Bovendien heeft de praktijk uitgewezen dat er geen behoefte bestaat aan een dergelijke spoedprocedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 31 van het ontwerpbesluit wordt genomen in uitvoering van artikel 13, vierde lid van de wet van 8 december 1992, zoals gewijzigd door de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten. Met toepassing van het derde lid van artikel 13 van de wet van 8 december 1992, zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten, deelt de Commissie uitsluitend mee dat de nodige verificaties werden verricht. Hiervan kan enkel afgeweken worden indien het verzoek van de betrokkene een verwerking van persoonsgegevens betreft door de politiediensten, met het oog op identiteitscontroles (vierde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling wordt opnieuw geen melding gemaakt van de mogelijkheid van verzet, zoals vervat in artikel 12 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het derde lid van artikel 31, merkt de Commissie op dat de politiediensten in een aantal gevallen instemmen met de verbetering of de verwijdering van gegevens, ook al kan hun niet verweten worden deze gegevens ten onrechte verwerkt te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts merkt de Commissie op dat de politiediensten in een aantal gevallen kunnen instemmen met het meedelen van andere gegevens aan de betrokkene, dan die welke vermeld in artikel 31 van het ontwerpbesluit. De Commissie stelt daarom voor in artikel 31 enkel te bepalen dat de Commissie in overleg met de betrokken dienst bepaalt welke informatie aan de betrokkene meegedeeld wordt. HOOFDSTUK VII. - Aangifte van geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaande opmerking De Commissie is van oordeel dat in het koninklijk besluit uitdrukkelijk vermeld zou moeten worden dat de aangiftes die bij de Commissie gedaan werden vóór de wijziging van artikel 17 van de wet van 8 december 1992, door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten, geldig blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gesteld zou elke wijziging van een bestaande aangifte moeten geschieden op grond van artikel 17 zoals gewijzigd door de wet van 11 december 199 8. In toepassing van artikel 17, § 5, zullen de inlichtingen betreffende de aard en de structuur van de aangiftes door de Commissie vastgesteld worden. Op grond daarvan wil de Commissie nieuwe aangiftemodellen opmaken, die zij ter beschikking van het publiek zal stellen. Afdeling 1. - Bedragen die aan de Commissie moeten worden gestort bij de aangifte Artikelen 32 tot 34 De artikelen 32-34 vervangen het koninklijk besluit nr. 12 van 7 maart 1995, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 12bis van 12 maart 1996. Door dit gewijzigde koninklijk besluit was een regime van betalingen bij aangifte ingesteld dat in drie situaties voorzag : Voor een aangifte in vrije vorm, een bedrag van 10 000 F; voor een of meerdere aangiften op hetzelfde tijdstip, door dezelfde verantwoordelijke, en gebruik makend van het formulier ontworpen door de Commissie : - 5 000 F, verminderd tot de helft indien de verwerkingen ten hoogste 100 personen betreffen, voor een of meerdere aangiften op hetzelfde tijdstip door dezelfde verantwoordelijke en gebruik makend van het formulier ontworpen door de Commissie op magnetische drager : - 1 000 F, verminderd tot de helft indien de verwerkingen ten hoogste 100 personen betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie had opgemerkt in haar advies 32/95 dat dit regime slechts met de nodige soepelheid in overeenstemming gebracht kon worden met de toen geldende bepalingen van de wet, die voorzag in het toepassen van de criteria van belangrijkheid en aard van de verwerking bij het vastleggen van de bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe wet bevat deze restrictieve bepalingen niet langer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds wordt bepaald : « De Commissie stelt de aard en de structuur van de aangifte vast » (art.17, § 5, in fine) en anderzijds : « De Koning stelt het bedrag van deze bijdrage, die tienduizend frank niet mag overschrijden, vast. » (art. 17, § 9) Daaruit kan besloten worden dat de Commissie niet langer verplicht is aangiften in vrije vorm te aanvaarden; een bedrag is dan ook niet langer vastgesteld voor zulke aangiften. De voorgestelde regeling wijkt ook nog op een ander punt af van de geldende regeling : de vermindering tot 50% van de bijdrage voor « kleine verwerkingen » is vervallen. De Commissie betreurt dit, al moet erkend worden dat van deze vermindering weinig gebruik werd gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 32-34 gebruiken de term « verwerking » om het geheel van verwerkingen bestemd voor de verwezenlijking van een of meerdere samenhangende doeleinden aan te duiden, dit in overeenstemming met de vroegere betekenis van deze term. Om alle misverstanden te vermijden zou men hier beter spreken over « de aangifte zoals bedoeld in artikel 17 van de wet ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van artikelen 32 en 33 is uiterst dubbelzinnig : « indien de verwerking van persoonsgegevens wordt aangegeven aan de hand van het papieren formulier dat door de Commissie hiervoor ter beschikking wordt gesteld, wordt het bedrag van de bijdrage die door de verantwoordelijke voor de verwerkingen aan de Commissie moet worden gestort, vastgesteld op vijfduizend frank, ongeacht het aantal verwerkingen waarvan door de verantwoordelijke op hetzelfde tijdstip aangifte wordt gedaan ». Letterlijk kan dit betekenen dat het aantal gelijktijdige aangiften er niet toe doet : het bedrag verschuldigd voor een aangifte van een verwerking is altijd 5 000 of 1 000 F, naargelang het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vroegere formulering, nog gebruikt in artikel 34 van het ontwerpbesluit, was op dit punt duidelijker, tenminste als het inderdaad de bedoeling blijft een forfaitaire prijs te handhaven voor aangiften die gelijktijdig gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen worden enkel vermeld in Belgische franken. Minstens zouden de bedragen in Euro ook vermeld moeten worden. Nog meer aangewezen zou het zijn om de primaire bedragen in Euro te laten vermelden (125 euro en 25 euro), om niet voor lange tijd onhandige bedragen te moeten hanteren (5 000 BF = 123,95 euro en 1 000 BF = 24,79 eEuro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Momenteel, is het soms zeer moeilijk of onmogelijk om betalingen te koppelen aan bepaalde aangiftes. Om dergelijke moeilijkheden in de toekomst te vermijden, stelt de Commissie voor dat het koninklijk besluit zou voorschrijven dat de betaling verplicht moet plaatsvinden op basis van dokumenten opgesteld door de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een zelfde gedachtenorde, moet in de Nederlandse versie in artikel 34 in plaats van « bij de aangifte » « in geval van aangifte » komen te staan. Afdeling 2. - Categorieën van verwerkingen die vrijgesteld worden van de aangifteplicht Artikel 35 tot 46 De artikelen 35-46 vervangen het koninklijk besluit nr. 13 van 12 maart 1996. Dit koninklijk besluit verleende vrijstelling van de aangifteplicht voor een aantal soorten verwerkingen, in ruime mate anticiperend op de omzetting van de Europese richtlijn. De tekst van de nieuwe artikelen is dan ook bijna volledig gelijklopend met de oude. De vrijstelling van aangifte voorzien in het oude artikel 12, voor verwerkingen die uitsluitend tot doel hebben een publiek register aan te leggen, komt niet meer voor. Tevens is de voorwaarde dat de gegevens niet langer bewaard mogen worden dan nodig in een aantal gevallen geschrapt (artikelen 35, 37, 38), terwijl ze in andere gevallen behouden bleef.</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar advies 33/95 had de Commissie er reeds op gewezen dat in een aantal gevallen vrijstellingen werden verleend zonder te voldoen aan alle criteria die de Europese richtlijn vereist (II, A, punt 4). De huidige wet heeft deze bepalingen uit de Richtlijn overgenomen, er kan dus niet meer betwist worden dat de vrijstellingen aan deze criteria moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 17, § 8, van de wet van 8 december 1992 voorziet de vrijstelling van aangifteplicht voor verwerkingen die kennelijk geen gevaar voor inbreuken op de rechten en vrijheden van de betrokkenen inhouden, met precisering van de volgende elementen : a) de doeleinden van de verwerking;b) de categorieën van verwerkte gegevens;c) de categorieën betrokkenen;d) de categorieën ontvangers;e) de periode gedurende dewelke de gegevens worden bewaard. De vrijstellingen die voorzien worden in de artikelen 35 tot 43 van het ontwerpbesluit moeten zonder meer deze preciseringen weergeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende tabel geeft aan in welke mate deze preciseringen voor de verschillende vrijstellingen van aangifte zijn gebeurd : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Dit overzicht toont aan dat de opstellers van het ontwerp enige moeite hebben met het formuleren van de vereiste preciseringen. Niet alleen zijn er nogal wat lege cellen, sommige preciseringen voegen in feite niets toe aan de algemene bepalingen van de wet. Zo is het langer bewaren van gegevens dan nodig nooit toegestaan en is het een algemene regel dat men niet meer gegevens in een verwerking mag opnemen dan passend voor de doelstelling. Sommige preciseringen zijn wel beperkend, zoals de bepaling dat de gegevens niet aan derden mogen worden doorgegeven, of het verbod om gegevens betreffende de gezondheid, gevoelige gegevens en gerechtelijke gegevens in de verwerking op te nemen. Maar ook bij deze « hardere » preciseringen wordt nog dikwijls een kwalificatie voorzien die de beperking uitholt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men kan moeilijk tot een ander besluit komen dan dat op dit ogenblik deze artikelen niet in overeenstemming zijn met de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze reeks van vrijstellingen worden nog twee types verwerkingen vrijgesteld van de aangifteplicht. Het betreft hier verwerkingen die in zulke mate elders gereglementeerd zijn dat zij kennelijk geen gevaar voor inbreuken op de rechten en vrijheden van de betrokkenen inhouden. Artikel 44 voorziet in de vrijstelling van de gemeentelijke bevolkingsregisters en het Rijksregister en artikel 46 in de vrijstelling van verwerkingen door instellingen van de sociale zekerheid die een eigen aangifteplicht hebben in het kader van de wet op de Kruispuntbank... Artikel 45 formuleert dit type van vrijstelling in algemene zin : administratieve overheden die verwerkingen opzetten onderworpen aan een specifieke wetgeving die in een geëigend beschermingskader voorziet, worden vrijgesteld van aangifte. De Commissie heeft tegen deze artikelen geen bezwaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft artikel 46, tweede lid van het ontwerpbesluit stelt de Commissie vast dat zonder motivering afgeweken wordt van het huidige artikel 14, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 13, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 april 1996. Deze laatste bepaling stelt dat de lijst bedoeld in artikel 46, eerste lid, 6° van de Kruispuntbank wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/01/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/07/2010 numac 2010000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten ter beschikking wordt gehouden van de Commissie, overeenkomstig de modaliteiten bepaald in overleg tussen de Commissie en de Kruispuntbank. De Commissie stelt voor deze bepaling te behouden, aangezien ze haar meer informatie verschaft dan de voorgestelde regeling. De vermelde lijst beschrijft immers in veel concretere mate dan in de aangifte in het kader van artikel 17 van de wet wordt gevraagd, welke persoonsgegevens bij het onderscheiden soorten instellingen van sociale zekerheid beschikbaar zijn, wie ze onder welke voorwaarden mag verkrijgen en welke controles daarbij worden verricht. HOOFDSTUK VIII. - Publiek register van de geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens Artikelen 47 tot 55 De artikelen 47 tot 55 regelen de raadpleging van het openbaar register dat door de Commissie wordt samengesteld op basis van de aangiften van verwerkingen, in uitvoering van artikel 18 van de wet van 8 december 1992 Drie vormen van raadpleging worden voorzien : - de rechtstreekse raadpleging op afstand via het Internet; - de rechtstreekse raadpleging ter plaatse in de lokalen van de Commissie op computerapparatuur die door de Commissie ter beschikking wordt gesteld; - de onrechtstreekse raadpleging door, in persoon of schriftelijk , tot de Commissie een verzoek te richten tot het bekomen van een uittreksel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de rechtstreekse toegang betreft, wordt gesteld dat de Commissie een gepaste interface en helpschermen ter beschikking moet stellen om de raadpleging zo vlot mogelijk te laten verlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de onrechtstreekse raadpleging betreft, wordt gesteld dat het verzoek minstens het identificatienummer of de naam van de verwerking moet bevatten of de naam van de verantwoordelijke. Indien blijkt dat de raadpleging op meer dan tien verwerkingen of op meerdere verantwoordelijken slaat, kan de Commissie een vereenvoudigd uittreksel bezorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een eerder advies (nr. 36/97) betreffende een ontwerp van koninklijk besluit dat dezelfde materie behandelde, heeft de Commissie reeds een aantal overwegingen geformuleerd die grotendeels blijven gelden. Een volledige openstelling van het register via het Internet, zonder omschrijving van de doelstelling van de raadpleging, maakt de Commissie weerloos tegen oneigenlijk gebruik, zoals het massaal uitladen van verwerkingen voor commerciële doeleinden. Het specifiëren van de doelstelling zou de Commissie toelaten om bij de ontwikkeling van de raadplegingssoftware technische maatregelen te nemen om dit te voorkomen. De Commissie had eveneens gesuggereerd om naast de specifieke raadplegingen ook te voorzien in een raadpleegbaar statistisch overzicht. De voorgestelde regeling legt dit niet op aan de Commissie, maar sluit ook niet uit dat de Commissie haar website verrijkt met zulke informatie en andere documenten, zoals de uitgebrachte adviezen. Tevens werden toen een aantal opmerkingen geformuleerd bij de ontwerptekst. Deze worden hier, voor zover toepasselijk, herhaald bij de artikelsgewijze bespreking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het artikel 47 ontbreekt de Nederlandse tekst. In dit artikel zou de doelstelling van de raadpleging kunnen opgenomen worden met volgende bewoording : « staat ter inzage van het publiek, voor de uitoefening van de rechten en plichten van betrokkenen zoals omschreven in de wet, » Ad b) : « in de lokalen van de Commissie ». Deze lokalen, gelegen op de hogere verdiepingen van een gebouw waarvoor een strikte toegangscontrole geldt die niet door de Commissie wordt beheerd, zijn niet onmiddellijk geschikt om optimale toegankelijkheid te realiseren Een formulering « in lokalen daartoe door de Commissie aangeduid » zou toelaten om hiervoor een passende oplossing uit te werken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid : - deze bepaling is onnodig restrictief en zou beter vervangen worden door een algemene bepaling in artikel 17 van volgende strekking : « De Commissie kan in andere mogelijkheden voor inzage door eenieder voorzien »</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49 De term « beeldschermapparatuur » zou vervangen moeten worden door « de passende computeruitrusting voorzien van adequate software ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens moet het artikel aangepast worden aan een eventuele wijziging in artikel 47 b).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 50 somt de toegangssleutels op die voor de raadpleging minstens voorzien moeten worden. De notie van toegangssleutel is bij moderne zoekfuncties wat achterhaald; in principe kan op het voorkomen van gelijk welke term en combinaties ervan gezocht worden. Daarenboven zijn sommige van de vermelde velden vanuit het perspectief van de raadpleger weinig relevant en ontbreken andere meer relevante velden Zo is de verplichting om op documenten die bij een verwerking gebruikt worden de identificatienummers te vermelden opgeheven, en kan men niet langer veronderstellen dat die door een raadpleger gekend zijn. Voorts is het nut van het telefoonnummer van de verantwoordelijke als zoekterm niet onmiddellijk duidelijk. Andere informatie-elementen die in het register voorkomen, zouden daarentegen wel nuttig kunnen zijn, zoals de datum van aangifte (om de zoekfunctie te beperken tot een bepaalde periode) of de categorieën van ontvangers. Het lijkt dan ook aangeraden dit artikel te schrappen en er van uit te gaan dat de bepalingen in artikel 51 de Commissie voldoende aansporen om een vlotte en volledige zoekfunctie uit te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 51 De term « uitlegschermen » wordt weinig gebruikt, de meer gangbare term is « helpschermen ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52</span><span class=\"lf-art-t\">In het tweede lid, punt 2, de term « houder van de verwerkingen » zou vervangen moeten worden door « verantwoordelijke voor de verwerking »</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid, punt 3, zou « het adres » vervangen moeten worden door « het binnenlands adres ». Indien deze beperking niet gewenst zou zijn, het punt schrappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft aan de Commissie de mogelijkheid om over te gaan tot een verkorte vorm van uittreksel indien de zoekfunctie in meer dan 10 verwerkingen van verschillende verantwoordelijken voor de verwerking resulteert. Ook deze uitlijstingen zouden zeer lang kunnen worden (vb. het verzoek « alle verwerkingen die patiëntbehandeling tot doel hebben »). Het zou dan ook nuttig zijn indien de Commissie de mogelijkheid zou hebben om aan de verzoeker bijkomende specificaties te kunnen vragen indien bijvoorbeeld de grens van 100 verwerkingen wordt overschreden, vooraleer het uittreksel af te drukken Het lijkt trouwens aangewezen om eenzelfde werkwijze te voorzien bij rechtstreekse raadpleging, dit om de mogelijkheden van oneigenlijk gebruik in te perken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoezeer ook gewenst, kan het toelaten van personen die zich niet wensen te identificeren tot de lokalen van de Commissie in de huidige omstandigheden moeilijk gerealiseerd worden. HOOFDSTUK IX. - Doorgifte van de gegevens naar landen buiten de Europese Gemeenschap Artikel 56 De artikelen 56 en 57 strekken tot uitvoering van artikel 22, § 2 van de wet van 8 december 1992 zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998. Artikel 22 brengt tot uitdrukking dat, zelfs bij ontbreken van een passend beschermingsniveau geboden door het land van bestemming en buiten de uitzonderingen waarin artikel 22 voorziet, een grensoverschrijdende stroom verricht mag worden op voorwaarde dat de verantwoordelijke voor de verwerking voldoende waarborgen biedt met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder door het gebruik van gepaste contractuele bepalingen. Artikel 56 legt de minimale inhoud vast van deze contractuele bepalingen., Aldus moet de overeenkomst : - op precieze wijze de doeleinden van de verwerking door de ontvanger vastleggen; - de mededeling aan derden verbieden, behoudens wettelijke uitzondering vermeld in de overeenkomst; - de ontvanger verplichten om persoonsgegevens te verbeteren, te verwijderen of toe te voegen op aanvraag van de verantwoordelijke; - in het recht van toegang en de modaliteiten ervan voorzien; - een kopie van de overeenkomst aan de Commissie mededelen De eerbiediging van deze minimale inhoud leidt automatisch tot de machtiging van de gegevensstroom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt vast dat België kiest voor een systeem waarin de voldoende waarborgen bij koninklijk besluit vastgelegd worden. Zij schuift tegelijkertijd het soepelere systeem opzij, waarin het koninklijk besluit aan de hand van een bepaald aantal vermelde criteria in voorkomend geval verwijst naar de beoordelingsplicht van de Commissie, en ook het meer administratieve systeem volgens het welke de controle-autoriteit de voldoende waarborgen vastlegt. De Commissie stelt vast dat het door het koninklijk besluit voorziene systeem uniform is : het maakt geen onderscheid naargelang de aard van de stroom of de uitgevoerde gegevensstroom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie is van oordeel dat de vastgelegde minimale inhoud te beperkt is, indien men beschouwt dat het systeem waarin het artikel voorziet, in twee opzichten ondergeschikt is ten aanzien van het beginsel van passende bescherming en ten opzichte van uitzonderingen van rechtswege waarin het artikel voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met andere woorden, de voldoende, en in het bijzonder contractuele, waarborgen zouden een passende bescherming moeten bieden, wat niet het geval lijkt te zijn na lezing van de door artikel 56 voorziene voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus merkt de Commisie op dat het koninklijk besluit de voldoende waarborgen wil verwezenlijken enkel via het opleggen van contractuele bepalingen, terwijl artikel 22, § 2 de contractuele bepalingen vermeldt als eenvoudige voorbeelden en er vanaf dan andere organisatorische en technische maatregelen geëist zouden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt vervolgens vast dat ten eerste, de inhoud van de voorziene bepalingen het vraagstuk niet aanroert van de sancties in het geval van de niet naleving van de verplichtingen, en ten tweede, dat een kennisgeving aan de betrokken persoon inzake de inhoud van de clausules en haar recht om er zich op te beroepen, nuttig zou geweest zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van artikel 56 zou verbeterd en geordend moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus zou de eerste overwogen contractuele bepaling als volgt gelezen moeten worden : « de wettige en vastgelegde doeleinden waarvoor »; de derde bepaling zou moeten voorzien dat « de verplichting om te verbeteren, » moet bestaan « indien de verantwoordelijke voor de verwerking die de gegevens heeft verstrekt of de betrokken persoon, daarom verzoekt »; de vierde bepaling moet als volgt geschreven worden : « het recht om kennis te krijgen, voor een redelijke vergoeding of kosteloos, op gemakkelijke en snelle wijze, van gegevens en de concrete modaliteiten volgens dewelke dit recht uitgeoefend mag worden ». In punt 5 van de contractuele bepalingen stelt de Commissie vast dat de mededeling van de « overeenkomst » waarschijnlijk slechts die bepalingen beoogt die betrekking hebben op de gegevensbescherming en niet op de volledige overeenkomst. Zij maakt zich bovendien zorgen over de maatregelen die zij moet nemen en over de sancties die zij kan eisen indien, in weerwil van de contractuele vermelding, geen enkele kopie aan de Commissie wordt toegestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie merkt op dat de voorgestelde regeling moeilijk alleen vanuit het oogpunt van het Belgisch recht beoordeeld kan worden, vermits elke nationale beslissing, laks of, in tegendeel streng, gevolgen zal hebben voor de intereuropese grensoverschrijdende gegevensstromen voorafgaand aan de uitvoer van gegevens. Om het duidelijk te stellen : indien België een strenge houding aanneemt ten aanzien van de voldoende waarborgen, zullen een bepaald aantal gegevensuitvoeren niet vanuit België plaatsvinden maar vanuit een ander Europees land. Het is dus noodzakelijk dat, zoals voorzien in artikel 26, § 3 van de richtlijn, de Belgische Staat de Commissie en de andere Lid-Staten informeert over zijn machtigingssysteem. De Commissie wenst dat, indien krachtens deze informatie- en raadplegingsprocedure, waarbij zij overigens kan betrokken worden, wijzigingen aan de huidige tekst worden aangebracht, deze wijzigingen haar ter advies worden voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte stelt artikel 26, § 4 van de richtlijn, dat voorziet in de mogelijkheid voor de Commissie krachtens een door artikel 31 van de richtlijn vastgelegde procedure, om contractuele typebepalingen vast te stellen die voldoende waarborgen bieden, het vraagstuk aan de orde van de in voorkomend geval veelvuldige herziening van de bepaling van het besproken koninklijk besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 57 De Commissie wijst in elk geval de instelling van een objectieve aansprakelijkheid af waarbij de verantwoordelijke voor de verwerking die persoonsgegevens vanuit België doorgeeft quasi automatisch aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor misbruik van de doorgegeven gegevens door de bestemmelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie vraagt zich overigens af of artikel 15bis van de wet van 8 december 1992, zoals ingevoegd door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten, de aansprakelijkheid van de verantwoordelijke van een verwerking niet op een afdoende wijze regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris, (get.) M-H. BOULANGER. De voorzitter, (get.) P. THOMAS. ADVIES NR 25/1999 VAN 23 JULI 1999 VAN HET COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER BETREFT : Ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de adviesaanvraag van de Minister van Justitie van 24 juni 1999;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het verslag van Mevr. Vanlerberghe en de heren Robben, Van Hove en Poullet Brengt op 23 juli 1999 het volgende advies uit : Voorafgaande opmerkingen Bij brief van de Minister van Justitie d.d. 24 juni heeft de Commissie kennis gekregen van het verslag aan de Koning bij het ontwerp van koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, evenals van de versie van dit ontwerp die, na aanpassing aan het advies nr. 008/1999 van de Commissie van 8 maart 1999 en na goedkeuring in de Ministerraad, voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State. In zijn schrijven verzoekt de Minister de Commissie een aanvullend advies uit te brengen omtrent deze teksten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie stelt in het algemeen vast dat met de bemerkingen vervat in haar bovenvermeld advies nr. 008/1999 in ruime mate rekening is gehouden, en beperkt zich in wat volgt dan ook enerzijds tot het in herinnering brengen van een aantal bemerkingen die niet werden gevolgd, zonder dat dit op een voor de Commissie overtuigende wijze wordt verantwoord, en anderzijds tot een aantal opmerkingen m.b.t. het verslag aan de Koning. HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1 De Commissie is van oordeel dat de nieuwe definitie van de notie « intermediaire organisatie » nog niet voldoende waarborgen biedt. Deze notie wordt ingevoerd om een instantie te benoemen die instaat voor het omzetten van niet-gecodeerde gegevens naar gecodeerde gegevens, zodat het voor de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden op zich niet meer mogelijk is de betrokkenen te identificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een intermediaire organisatie kan in twee situaties tussenkomen : enerzijds om persoonsgegevens die afkomstig zijn van één gegevensverstrekker te coderen, anderzijds om persoonsgegevens die afkomstig zijn van verschillende gegevensverstrekkers samen te brengen en te coderen. In haar advies nr. 008/1999 had de Commissie voorgesteld dat de intermediaire organisatie in de eerste situatie zou worden beschouwd als verwerker van persoonsgegevens voor rekening van de gegevenverstrekker. Zodoende wordt zij niet als afzonderlijke verantwoordelijke voor een verwerking van persoonsgegevens beschouwd en onderworpen aan het toezicht van de gegevensverstrekker, overeenkomstig het door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten gewijzigde artikel 16 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Aan deze bemerking is tegemoetgekomen door de herziening van de definitie van « intermediaire organisatie ».</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede situatie, waarin persoonsgegevens afkomstig van verschillende gegevensverstrekkers worden samengebracht alvorens te worden gecodeerd, blijft de Commissie van oordeel dat een bijzondere bedreiging ontstaat voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, omdat persoonsgegevens worden gekoppeld die dit voorheen niet waren. In dat geval dient dergelijke intermediaire organisatie een aantal passende waarborgen te bieden en best door of krachtens een wet, en op advies van de Commissie, gemachtigd te zijn om deze taken te vervullen. Zodoende zou deze intermediaire organisatie dus een eigen verantwoordelijkheid hebben en kan men ze dus niet beschouwen als een verwerker die optreedt voor rekening van de onderscheiden gegevensverstrekkers. Indien dit wel het geval zou zijn, zou de verantwoordelijkheid overigens over de gegevensverstrekkers verdeeld worden, wat weinig transparant is voor de personen waarover gegevens worden verwerkt. HOOFDSTUK II. - Verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden Afdeling 1. - Algemene principes</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">I.v.m. het verslag aan de Koning bij dit artikel, wenst de Commissie vooreerst op te merken dat de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen i.v.m. de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens, niet voorziet in de opdracht, maar in de mogelijkheid om af te wijken van een aantal daarin vervatte principes, indien persoonsgegevens worden verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden Daarenboven benadrukt de Commissie dat de notie « historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden » in geval van onduidelijkheid zal moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de betekenis die deze begrippen hebben in de vermelde richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 De Commissie heeft er in haar advies 008/1999 m.b.t. dit artikel op gewezen dat het aan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden toekomt om aan de bevoegde instanties het bewijs te leveren van de onmogelijkheid van de verwezenlijking van de doeleinden door de verwerking van anonieme en/of gecodeerde gegevens. Bovendien is de Commissie van oordeel dat een inbreuk op de bepalingen van dit artikel zal kunnen worden beschouwd als een schending van het door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten gewijzigde artikel 4, § 1 van de wet van 8 december 1992, die strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Het ware nuttig een standpunt ten opzichte van deze visie op te nemen in het verslag aan de Koning. Afdeling 2. - Verwerking van gecodeerde persoonsgegevens</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">I.v.m. de preciseringen aangebracht in het verslag aan de Koning, wijst de Commissie erop dat een codering van gegevens weliswaar meestal, maar daarom niet noodzakelijk, langs geautomatiseerde weg zal geschieden. Ook de codering van gegevens op papier is mogelijk Artikel 6 De Commissie stelt vast dat uit artikel 6 eigenlijk een impliciete vrijstelling voortvloeit op de aangifteplicht bedoeld in artikel 17 van de door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten gewijzigde wet van 8 december 1992, voor gecodeerde persoonsgegevens die niet hun oorsprong vinden in persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 6 t.e.m. 8 van de door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten gewijzigde wet van 8 december 1992. Het ware allicht transparanter deze vrijstelling uitdrukkelijk op te nemen in de lijst van vrijstellingen vervat in de artikelen 29 t.e.m. 40 van het ontwerp van koninklijk besluit. Afdeling 3. - Verwerking van niet-gecodeerde persoonsgegevens Artikel 9 De Commissie had in haar advies nr. 008/1999 voorgesteld om de afwijking voorzien in punt b) m.b.t. de steekproeftrekking te schrappen. De Commissie blijft van oordeel dat het in dat geval niet verantwoord is de verantwoordelijke voor de verwerking van niet-gecodeerde gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden vrij te stellen van de verplichting tot het informeren en het bekomen van een nadrukkelijke toestemming van de betrokkene. Uiteraard geldt deze verplichting enkel ten aanzien van de personen die in de steekproef zijn opgenomen, en niet m.b.t. de hele populatie waaruit de steekproef wordt getrokken. M.b.t. personen die deel uitmaken van de populatie, maar niet in de steekproef zijn opgenomen, moeten aan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden immers geen niet-gecodeerde gegevens worden meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steekproef wordt volgens de Commissie best steeds getrokken door de verstrekker van de gegevens of door een intermediaire organisatie overeenkomstig de criteria meegedeeld door de verantwoordelijke voor de verwerking. De Commissie zou wel akkoord kunnen gaan met het feit dat ingeval niet-gecodeerde persoonsgegevens worden gebruikt m.b.t. een steekproef van personen, de in de artikelen 7 en 8 voorziene verplichtingen tot informatieverstrekking en tot het bekomen van een uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene niet dienen te worden nageleefd voorafgaandelijk aan het trekken van de steekproef, maar bij het eerste contact tussen de ontvanger van de gegevens en de betrokken personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie merkt bovendien op dat dit artikel niet werd aangepast aan de hernummering van de artikelen van het ontwerp van besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte moet in de Franse versie van punt d) het woord « exception » worden vervangen door het woord « exemption ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier dient in de aanhef van de Franse versie het woord « exception » te worden vervangen door het « exemption ». HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor de verwerking van persoonsgegevens bedoeld in de artikelen 6 tot 8 van de wet Artikel 12 De Commissie stelt vast dat de opmerkingen die zij in haar advies nr. 008/1999 formuleerde in ruime mate gevolgd werden Naast een lijst van de aangewezen categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, moet er natuurlijk eveneens een lijst beschikbaar zijn van de personen die tot deze categorieën behoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Nederlandse tekst van deze bepaling wordt terecht bepaald dat de verantwoordelijke voor de verwerking voorafgaandelijk de betrokkene moet inlichten over de redenen van de verwerking van deze gegevens. In de Franse tekst van de bepaling ontbreekt dit aspect. De Commissie dringt erop aan dat de Franse tekst in die zin gewijzigd wordt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In haar advies nr. 008/1999 merkte de Commissie op dat artikel 14 van het eerste ontwerpbesluit naar haar oordeel niet voldoende rekening houdt met het zelfbeschikkingsrecht van de personen. Artikel 14 werd in het tweede ontwerpbesluit behouden. De Commissie herhaalt dan ook haar opmerking dat het absolute verbod op de verwerking van gegevens betreffende de raciale afkomst, de politieke opvattingen, de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging of het lidmaatschap van een vakvereniging, alsook de persoonsgegevens die het seksuele leven betreffen, te verregaand lijkt, en stelt dan ook voor artikel 14 van het ontwerpbesluit te schrappen Het blijft verder onduidelijk waarom geen gelijkaardige bepaling met betrekking tot gegevens die de gezondheid betreffen, in het ontwerpbesluit werd opgenomen (cfr. advies nr. 008/1999). HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor de vrijstelling van de kennisgevingsplicht bedoeld in artikel 9, § 2 van de wet Artikel 15 In de mate dat het voorstel van de Commissie wordt gevolgd om een intermediaire organisatie die gegevens afkomstig van verschillende gegevensverstrekkers tezamen brengt en codeert, als een afzonderlijke verantwoordelijke voor een verwerking te beschouwen (zie hoger, bemerkingen m.b.t. artikel 1), herhaalt de Commissie haar voorstel om de vrijstelling van de kennisgevingsplicht in de hypothese voorzien in dit artikel uit te breiden tot intermediaire organisaties die persoonsgegevens enkel verwerken om ze te coderen. Zoniet dreigen weinig instanties bereid te worden gevonden om als intermediaire organisatie op te treden en dreigt het regime van de verwerking van gecodeerde gegevens, voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden te worden uitgehold.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 16 bepaalt dat de verantwoordelijke voor de verwerking die zich, buiten het geval van artikel 15 van het besluit, beroept op vrijstelling van de in artikel 9, § 2 van de wet bedoelde kennisgevingsplicht, omdat de kennisgeving onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost, de in artikel 9, § 2 van de wet bedoelde informatie verstrekt wanneer hij voor de eerste keer met de betrokkene in contact treedt Deze bepaling kan enkel slaan op het geval dat niet-gecodeerde persoonsgegevens worden verwerkt voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek, of voor bevolkingsonderzoek en de kennisgeving aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorbeelden die in het verslag aan de Koning worden gegeven i.v.m. direct marketing, passen niet in de context van de vrijstellingen op basis van artikel 9, § 2, tweede lid van de wet en geven de indruk dat de Koning aan artikel 16 een meer algemene draagwijdte wil toekennen, wat uiteraard niet kan. Inzake direct marketing of makelarij in adressen kan door het koninklijk besluit niets geregeld worden op het vlak van vrijstellingen van de kennisgevingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 16 bepaalt dat, indien de verantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in het eerste lid, de persoonsgegevens aan een derde doorgeeft, de in artikel 9, § 2 van de wet bedoelde kennisgeving door deze derde wordt verricht wanneer laatstgenoemde voor de eerste keer met de betrokkene in contact treedt. Deze bepaling vindt geen steun in artikel 9, § 2 van de wet. De derde moet dus in principe de kennisgeving verrichten op het ogenblik van de registratie van de gegevens, tenzij hij zich zelf op de vrijstelling van artikel 9, § 2 van de wet kan beroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 17 bepaalt dat de verantwoordelijke voor de verwerking die de betrokkene geen kennis kan geven van deze verwerking omdat deze kennisgeving onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost, hiervan aangifte moet doen bij de Commissie In het verslag aan de Koning wordt aangegeven dat deze bepaling bedoeld is voor de verantwoordelijke die persoonsgegevens registreert en nooit de betrokkene daarvan in kennis kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie wijst erop dat de tekst van artikel 17 niet beperkt lijkt tot het bijzondere geval dat er nooit kennis gegeven kan worden. Deze bepaling lijkt eerder een algemene draagwijdte te hebben, en lijkt dus tevens te slaan op de hypothese van artikel 16, met name wanneer de kennisgeving pas gebeurt op het ogenblik dat de verantwoordelijke voor de verwerking voor het eerst met de betrokkene in contact treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 18-21 De Commissie heeft geen opmerkingen bij deze bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22 bepaalt dat de procedure met betrekking tot de verzoeken die worden ingediend krachtens artikel 13 van de wet door de Commissie in een reglement van orde wordt vastgesteld. Dit reglement van orde moet door de Minister goedgekeurd worden en in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden Gezien de Commissie haar opdrachten op onafhankelijke wijze moet uitoefenen, lijkt de Minister niet de gepaste instantie om het reglement van orde goed te keuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ware wellicht dan toch wenselijk om de essentiële elementen van de procedure in het koninklijk besluit op te nemen, zoals het feit dat de betrokkene zich schriftelijk tot de Commissie kan richten om zijn recht bedoeld in artikel 13 van de wet uit te oefenen; het feit dat het verzoek alle relevante elementen moet bevatten waarover de betrokkene beschikt; het feit dat het verzoek van de betrokkene slechts ontvankelijk is indien het wordt ingediend na verloop van een termijn van zes maanden te rekenen van de verzendingsdatum van het vorige antwoord van de Commissie betreffende dezelfde gegevens en dezelfde dienst; het feit dat de betrokkene de Commissie kan verzoeken om gehoord te worden en het feit dat de controle verricht wordt door de Voorzitter van de Commissie of door één of meer leden die door hem worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 23 De Commissie heeft geen opmerkingen bij deze bepaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">In het gewijzigde ontwerp werden in artikel 24, 3° de woorden 'of foutief' ingevoegd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze invoeging lost het door de Commissie geschetste probleem in haar advies nr. 008/1999 echter niet op. Het gebeurt regelmatig dat de betrokken politiedienst ermee akkoord gaat een bepaald gegeven te verwijderen, zonder dat dit gegeven ten onrechte of foutief verwerkt werd. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om de geregistreerde 'te nemen maatregelen', die met de verwerking van de persoonsgegevens gepaard gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie herhaalt daarom het voorstel om in artikel 24 enkel te bepalen dat deze informatie waarvan de Commissie, in overleg met de betrokken dienst, bepaalt dat ze kan worden meegedeeld, aan de betrokkene meegedeeld wordt. HOOFDSTUK VII. - Aangifte van geautomatiseerde verwerkingen van persoongegevens Afdeling 1. - Bijdragen die aan de Commissie moeten worden gestort bij de aangifte Artikelen 25-28 De artikelen 25-28 (in het eerste ontwerp 32-34) vervangen het koninklijk besluit nr. 12 van 7 maart 1995, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 12bis van 12 maart 1996. Ten opzichte van de voorgestelde bepalingen heeft de Commissie in haar eerste advies een aantal opmerkingen gemaakt van technische aard : onduidelijkheden in de termen en omschrijvingen. Met deze opmerkingen is in de nieuwe tekst rekening gehouden. Afdeling 2. - Categorieën van verwerkingen die vrijgesteld worden van de aangifteplicht Artikelen 29-40 De artikelen 29-40 (in de eerste versie 35-46) vervangen het koninklijk besluit nr. 13 van 12 maart 1996. Dit koninklijk besluit verleende vrijstelling van de aangifteplicht voor een aantal soorten verwerkingen, in ruime mate anticiperend op de omzetting van de Europese richtlijn 95/46/EG. In haar eerste advies heeft de Commissie door middel van een overzichtstabel aangetoond dat niet aan alle criteria die de Europese richtlijn vereist voor het verlenen van deze vrijstellingen was voldaan. Artikel 17, § 8 voorziet in de vrijstelling van aangifteplicht voor verwerkingen die kennelijk geen gevaar inhouden voor inbreuken op de rechten en vrijheden van de betrokkenen met precisering van de volgende elementen : a) de doeleinden van de verwerking;b) de categorieën van verwerkte gegevens;c) de categorieën betrokkenen;d) de categorieën ontvangers;e) de periode gedurende dewelke de gegevens worden bewaard. We hernemen de tabel uit het eerste advies, daarbij in cursief aangevend waar verdere preciseringen voor de verschillende vrijstellingen van aangifte zijn gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Dit overzicht toont aan dat de opstellers van het ontwerp nu de moeite hebben gedaan om in bijna elke cel iets te zetten. Het aantal « preciseringen » die in feite niets toevoegen aan de algemene bepalingen van de wet is daardoor nog sterk uitgebreid. In het verslag aan de Koning wordt hierbij opgemerkt dat het opstellen van preciseringen « enkele maanden studie zou vergen en men zich kan afvragen of dergelijke investering in dit geval verantwoord zou zijn » Het komt de Commissie voor dat het wel degelijk de moeite loont om hier enige maanden studiewerk aan te besteden en met dit deel van het uitvoeringsbesluit te wachten tot dit studiewerk is gebeurd. HOOFDSTUK VIII. - Openbaar register van de geautomatiseerde verwerkingen van persoonsgegevens Artikelen 41-48 De artikelen 41 tot 48 (in het eerste ontwerp 47 tot 55) regelen de raadpleging van het openbaar register dat door de Commissie wordt samengesteld op basis van de aangiften van verwerkingen, in uitvoering van artikel 18 van de wet.</p></div>", "next": 239494}