{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dit laatste criterium kan op tweeërlei wijze ingrijpen op de beslissing over de vergunningsaanvraag : 1. een aanvraag wordt ingediend voor één enkel aspect (stedenbouwkundige handelingen of exploitatie ingedeelde inrichting of activiteit) en de bevoegde overheid stelt vast dat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.In dit geval moet de bevoegde overheid de aanvraag onontvankelijk verklaren overeenkomstig artikel 18 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning. 2. een aanvraag wordt wel ingediend voor beide aspecten (stedenbouwkundige handelingen en exploitatie ingedeelde inrichting of activiteit) en de bevoegde overheid stelt vast dat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn : In dit geval zal de bevoegde overheid - als ook de andere ontvankelijk- en volledigheidsvoorwaarden voldaan zijn - de vergunningsaanvraag ontvankelijk verklaren.Het blijft evenwel mogelijk dat zij in dit geval bij de beoordeling ten gronde tot de vaststelling komt dat de vergunningsaanvraag voor één aspect geweigerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval heeft het onlosmakelijk verbonden karakter tot gevolg dat de vergunningsaanvraag voor het andere aspect zonder voorwerp wordt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een aanvraag voor de bouw en exploitatie van een zwembad. Indien de vergunning voor de bouw geweigerd wordt, zal het aspect exploitatie zonder voorwerp worden en zal de vergunning geweigerd worden. Ook omgekeerd, als de exploitatie van het zwembad geweigerd moet worden, zal ook het aspect `bouw' geweigerd moeten worden. ? In punt 10° wordt voorzien dat de beslissing over de vergunningsaanvraag eventueel de verschillende fasen of onderdelen van een project met eventueel daarbij horende referentiemomenten kan bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid tot fasering van een stedenbouwkundig project bestaat vandaag reeds in de VCRO (artikel 4.2.21.). Zij bestaat op heden niet voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Overeenkomstig artikel 80 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning wordt een fasering van de vergunning ook mogelijk voor omgevingsvergunningen die betrekking hebben op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit en voor gemengde projecten. Een gefaseerd project biedt rechtszekerheid voor de investeerder naar de toekomst toe en verhindert eveneens dat het verval van de vergunning kan intreden. Elke apart referentiemoment vormt een zelfstandig aanvangspunt voor de vervaltermijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing zal voor elke afzonderlijke fase duidelijk het tijdstip moeten bepalen waarmee rekening zal moeten worden gehouden bij de beoordeling van de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbeeld kan verwezen worden naar een gefaseerde oprichting en daaraan gekoppelde exploitatie van een inrichting. Zo zou een omgevingsvergunning voor een volledig project reeds kunnen aangevraagd worden maar waarbij initieel slechts een onderdeel zou worden gebouwd en eveneens geëxploiteerd. Er kan voorzien worden dat na een aantal jaar een uitbreiding zal gebeuren. De termijnen die in dergelijk geval gelden moeten vermeld worden in de vergunningsbeslissing. ? Overeenkomstig punt 11° moet de vergunning eveneens de geactualiseerde vergunningstoestand omvatten op het vlak van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, als de beslissing de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit omvat. Dit kan het gevolg zijn van een aanvraag die uitsluitend betrekking heeft op de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit of een aanvraag voor een gemengd project dat de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit omvat. Wordt een omgevingsvergunning gevraagd voor uitsluitend stedenbouwkundige handelingen (bv. oprichten van een conciërgewoning op een bestaand bedrijfsterrein) zal de beslissing de geactualiseerde toestand niet moeten vermelden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 bepaalt welke gegevens de beslissing moet vermelden om de geactualiseerde vergunningstoestand van het project weer te geven.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming van de bijzondere milieuvoorwaarden die reeds van toepassing zijn of dan worden opgelegd (3° ) is voor wat de reeds van toepassing zijnde milieuvoorwaarden betreft indicatief. Deze worden niet opnieuw opgelegd, maar blijven gewoon van toepassing zoals voorheen. Bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijke karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, dienen niet in de geactualiseerde vergunningssituatie opgenomen te worden. Art. 49.Dit artikel herneemt de bestaande bijzondere vereisten voor vergunningsbeslissingen inzake BKG-installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gegevens moeten worden vermeld bovenop de gegevens vermeld in artikel 47. Art. 50.Dit artikel herneemt de bestaande bijzondere vereisten voor vergunningsbeslissingen inzake inrichtingen die ingedeeld zijn op basis van rubriek 2.3.11 van de indelingslijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gegevens moeten worden vermeld bovenop de gegevens vermeld in artikel 47. Art. 51.Dit artikel herneemt de bestaande bijzondere vereisten voor vergunningsbeslissingen voor stortplaatsen van afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gegevens moeten worden vermeld bovenop de gegevens vermeld in artikel 47. Art. 52.Dit artikel herneemt de bestaande bijzondere vereisten voor vergunningsbeslissingen voor een GPBV-installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt gedefinieerd wat verstaan wordt onder BBT, BBT-GEN en BREF. Deze gegevens moeten worden vermeld bovenop de gegevens vermeld in artikel 47. Art. 53.Dit artikel bepaalt dat als een vergunningsaanvraag betrekking heeft op het oprichten, uitbreiden of afbreken van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, de beslissing over deze aanvraag een verwijzing moet bevatten naar het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen en de wijze hoe hiermee is omgegaan. Deze eigenaars hebben geen bindende stem, maar de overheid moet aangeven hoe is omgegaan met hun standpunt, door instemming ermee of weerlegging ervan. Burgerlijke betwistingen, omtrent eigendomsrecht of kostenverdeling zijn hierbij niet ter zake doend, gelet op het zakelijk karakter van de omgevingsvergunning. Afdeling 2. - Aanvang van de vergunningsduur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat de vergunningsduur een aanvang neemt op het ogenblik dat gebruik mag worden gemaakt van de omgevingsvergunning. Dit zal vooral van belang zijn voor vergunningen van bepaalde duur Zowel in de gewone als in de vereenvoudigde procedure mag een vergunning, die werd verleend in eerste aanleg, pas gebruikt worden als de aanvrager niet op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep binnen een termijn van 35 dagen die ingaat na de eerste dag van de aanplakking. Wordt een schorsend administratief beroep ingesteld tegen de beslissing of een onderdeel daarvan, neemt de vergunningsduur een aanvang op de dag na de dag van betekening van de definitieve beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2 gevallen mag de aanvrager onmiddellijk gebruikmaken van de vergunning : 1. in de gevallen waar het administratief beroep niet schorsend werkt (bv.bij een vergunning voor de exploitatie na een proefperiode); 2. als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de omgevingsvergunning verleend heeft (een administratief beroep is hier immers niet mogelijk). Afdeling 3. - Bekendmaking van de beslissing Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 55.Om alle discussies of verwarring te vermijden wordt in dit artikel duidelijk aangegeven dat het begrip beslissing in deze afdeling zowel slaat op de uitdrukkelijke beslissing als op de stilzwijgende beslissing. Ook de stilzwijgende beslissing moet bekendgemaakt worden. Art. 56.Het eerste lid van dit artikel bevat een opsomming van de verschillende onderdelen ('bouwstenen') waaruit de bekendmaking van de beslissing over de vergunningsaanvraag bestaat. Net als bij het openbaar onderzoek, verschilt de bekendmaking van de beslissing naargelang het project waarop de aanvraag betrekking heeft. Er gebeurt steeds een bekendmaking op de website van de gemeente en een terinzagelegging in het gemeentehuis van de gemeente waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden. Naargelang het soort beslissing (weigering of vergunningverlening), de procedure (gewone of vereenvoudigde) of het voorwerp van de vergunningsaanvraag, moet de bekendmaking van de beslissing eveneens gebeuren door : - een aanplakking van een affiche op de plaats waar het project of de verandering van het project wordt voorzien, - een publicatie in een dagblad, - een individuele kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een afwijkende regeling voor de bekendmaking van beslissingen over aanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten (bv. mobiele betoncentrale). Het is kenmerkend voor deze projecten dat zij vanwege hun aard op verschillende locaties kunnen worden ingezet. Er is voor deze projecten dus geen 1-op-1 verhouding tussen de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en de plaats van exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden, is dan ook niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal wel steeds een publicatie gebeuren, zij het dat deze gebeurt op de website van de bevoegde overheid. Dit kan, maar is niet altijd de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zal er een terinzagelegging zijn, afhakelijk van waar het voorwerp van de aanvrag uitgevoerd zal worden. Is dit in slechts 1 gemeente, zal er in het gemeentehuis van deze gemeente een terinzagelegging zijn. Voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten gebeurt de terinzagelegging in het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de aanvraag uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere onderdelen van de bekendmaking blijven wel van toepassing (publicatie in een dag- of weekblad en individuele kennisgeving), al kunnen ook zij verschillen naargelang de inhoud van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete modaliteiten van de verschillende wijzen van de bekendmaking worden geregeld in artikel 58 en volgende van het besluit. Bij de uitwerking van de concrete modaliteiten wordt in het bijzonder ingezet op een optimalisatie van de voordelen die het digitaal verhaal met zich meebrengt voor alle betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen zijn zowel van toepassing op beslissingen in eerste aanleg als op beslissingen in laatste administratieve aanleg. Art. 57.Dit artikel regelt de inhoud van de tekst die gebruikt moet worden voor de bekendmaking van de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst die gebruikt moet worden voor de bekendmaking wordt digitaal gegenereerd via het omgevingsloket. Art. 58.Het is mogelijk dat er betwistingen rijzen over de bekendmaking van de beslissing. Het kan hierbij gaan om een betwisting over de datum van kennisname van de beslissing en/of een betwisting over de naleving van bepaalde concrete modaliteiten van bekendmaking door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziet het bevoegde bestuur zich geconfronteerd met dergelijke betwistingen, kan zij de gemeente of de vergunningsaanvrager verzoeken om de nodige verklaringen of bewijsstukken over te maken om na te gaan of de betwisting terecht is. Moet het bevoegde bestuur zelf instaan voor de bekendmaking (bij projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen omvatten) vraagt zij enkel de stukken op waar zij niet zelf over beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke verklaringen en bewijsstukken kunnen bestaan uit : - beveiligde zendingen, met inbegrip van digitale zendingen; - processen-verbaal van vaststelling door een gerechtsdeurwaarder; - e-mails of andere correspondentie over de bekendmaking in kwestie; - visuele vaststellingen met datumvermelding; - vaststellingen door de gemeentelijke omgevingsambtenaar of andere ambtenaren; - verklaringen op erewoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals reeds aangegeven bij de bespreking rond betwistingen inzake het openbaar onderzoek kunnen verklaringen op erewoord zowel uitgaan van de gemeentelijke omgevingsambtenaar, de vergunningsaanvrager als van het betrokken publiek en worden ze steeds ondertekend. Verklaringen op erewoord zijn instrumenten die reeds frequent gebruikt worden in de praktijk. Het bewust afleggen van een onjuiste verklaring kan bovendien aanleiding geven tot strafrechtelijke sancties wegens valsheid in geschrifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Aanplakking van een affiche Art. 59.Dit artikel bevat de nadere regels die de vergunningsaanvrager moet naleven bij de aanplakking van een affiche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanplakking gebeurt op de plaats waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op : 1. alle omgevingsvergunningen die verleend worden en dit ongeacht of zij verleend worden via de gewone of de vereenvoudigde procedure en ongeacht of zij verleend worden in eerste aanleg of in beroep;2. alle weigeringen van een vergunning na het doorlopen van de gewone vergunningsprocedure (dus ook een stilzwijgende weigeringsbeslissing). Vergunningsweigeringen die volgen na het doorlopen van de vereenvoudigde vergunningsprocedure moeten niet via aanplakking van een affiche bekendgemaakt worden. Dit vloeit voort uit het feit dat er tijdens de vereenvoudigde vergunningsprocedure nooit een openbaar onderzoek plaats vindt waardoor derden dan ook niet op de hoogte zijn van een eventuele vergunningsaanvraag. In het geval een vergunning geweigerd wordt, blijft de situatie bij het oude. Hen in dat geval confronteren met een aanplakking van een weigeringsbeslissing is dan ook niet zinvol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een verschil met de huidige regelgeving. De huidige milieuregelgeving voorziet dat alle beslissingen bekend moeten worden gemaakt door het aanplakken van een affiche. In de regelgeving inzake ruimtelijke ordening moet enkel een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning is verleend, aangeplakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1, tweede lid, legt voorwaarden op ten aanzien van de te gebruiken affiche. De door het omgevingsloket gegenereerde tekst moet met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt worden. Aan deze vereiste wordt ook voldaan wanneer de tekst op A3-formaat afgedrukt wordt en deze tekst vervolgens op een gele affiche van A2-formaat aangebracht wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenaan de gele affiche moet het opschrift 'bekendmaking beslissing omgevingsvergunning\" vermeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 zet verder uiteen dat de affiche uiterlijk tien dagen na ontvangst van de beslissing wordt aangeplakt en dat de affiche aangeplakt moet blijven gedurende dertig dagen te rekenen vanaf de eerste dag volgend op de dag van de aanplakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een beslissing bijvoorbeeld aangeplakt wordt op zaterdag 1 maart 2014, neemt de termijn van dertig dagen een aanvang op zondag 2 maart 2014 en zal de affiche minstens tot 31 maart 2014 (dertigste dag) aangeplakt moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager stelt de gemeente in kennis van de start- en einddatum van de aanplakking. Er gelden geen formaliteiten voor deze kennisgeving aan de gemeente. Niettemin zal de aanvrager er goed aan doen om dit met een beveiligde zending te doen om discussie over de begindatum van de aanplakking te vermijden. De start- en einddatum van de aanplakking worden vervolgens in het omgevingsloket ingevoerd. ( § 2, eerste lid) Zoals bij de bekendmaking van het openbaar onderzoek via aanplakking, wordt voorzien dat de aanplakking dient te gebeuren op de plaats waar - in dit geval - het voorwerp van de beslissing paalt aan een openbare weg, of als dit aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. In het derde lid wordt vervolgens bepaald dat als de beslissing betrekking heeft op het openbaar domein, de aanplakking moet gebeuren aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de beslissing bereikt. ( § 2, tweede en derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens naar analogie met de aanplakking van de bekendmaking van het openbaar onderzoek moet de aanplakking ook hier gebeuren op een schutting, op een muur of op een aan een paal bevestigd bord, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg ( § 2, vierde lid). Met 'toegang tot het terrein' wordt gedoeld op terreinen die niet aan de openbare weg gelegen zijn, maar wel beschikken over een private toegangsweg tot de openbare weg en dit ongeacht het zakelijk of persoonlijk op basis waarvan deze toegang verkregen is. Ook aanvragers voor projecten die niet aan een openbare weg gelegen zijn, moeten dus overgaan tot een aanplakking op de plaats waar de private toegangsweg uitkomt op de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier is het zo dat de affiche gedurende de duur van de aanplakking steeds goed leesbaar moet zijn vanaf de openbare weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4719\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VCRO voorziet momenteel dat de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde erover waakt dat tot aanplakking van de beslissing wordt overgegaan binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de beslissing Binnen de huidige milieuregelgeving bestaat de verplichting voor de burgemeester om een attest op te maken voor aanvragen voor milieuvergunningen waarin hij de aanplakking bevestigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verplichtingen worden niet weerhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijslast wordt nu door zowel de gemeente als de vergunningsaanvrager gedragen. Zij dienen immers in geval van betwistingen over de bekendmaking de nodige verklaringen of bewijsstukken ter beschikking te stellen van het bevoegde bestuur als deze hierom verzoekt (zie artikel 57).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het zo dat de vergunningsaanvrager de begin- en einddatum van de aanplakking moet laten weten aan de gemeente. Dit kan doordat hijzelf deze data in het omgevingsloket invoert, waardoor de gemeente op de hoogte is van de data, dan wel door de gemeente deze data te bezorgen, waarop de gemeente de data in het omgevingsloket invoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Publicatie op de website Art. 60.Dit artikel bevat de nadere regels over de publicatie van de beslissing inzake een omgevingsvergunning op de website van de bevoegde overheid (voor uitsluitend mobiele en verplaatsbare inrichtingen) of de gemeente (in alle andere gevallen). De publicatie gebeurt op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website.</p>\n<p class=\"lf-p\">De te publiceren tekst wordt gegenereerd via het omgevingsloket. De gegevens die deze tekst bevat, zijn echter een minimum. Als de gemeente of de bevoegde overheid dit nuttig acht, kan zij meer gegevens publiceren op haar website. Zoals bij de bekendmaking van het openbaar onderzoek is gesteld, is het ook hier niet nodig dat de bekendmaking gebeurt op de startpagina van de gemeente/bevoegde overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De publicatie op de website gebeurt uiterlijk tien dagen nadat de beslissing is genomen of nadat de beslissing ter beschikking is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De analoge bekendmaking (een affiche op de daartoe geëigende plaatsen in de gemeente) zoals deze voorzien is in de huidige regelgeving inzake de milieuvergunning, maar niet in de regelgeving inzake ruimtelijke ordening, wordt bijgevolg niet weerhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt ten volle ingezet op de mogelijkheden die het digitale tijdperk met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Publicatie in een dag- of weekblad Art. 61.Dit artikel bevat de nadere regels over de publicatie van de tekst die het omgevingsloket genereert in ten minste één dag- of weekblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente staat in voor de publicatie van de tekst van bekendmaking in een dag- of weekblad met minstens een regionaal karakter. Deze publicatie gebeurt echter wel op kosten van de vergunningsaanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analoog met de aankondiging van een openbaar onderzoek in een dag- of weekblad, is deze verplichting slechts van toepassing als de vergunningsaanvraag een project-MER of een OVR omvat, of wanneer de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting met een GPBV-installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De publicatie in een dag- of weekblad van een beslissing bestaat onder de huidige VLAREM-regelgeving reeds voor beslissingen inzake GPBV-inrichtingen, MER-plichtige inrichtingen of inrichtingen die ingedeeld zijn onder artikel 2.3.11 van de indelingslijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in voorliggend besluit voor gekozen om aan te sluiten bij de regeling vervat in artikel 31, § 2, derde lid, VLAREM I dat voorziet dat een bekendmaking moet gebeuren \"in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op de website van de gemeente op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats\". De publicatie van de tekst op de website van de gemeente of de bevoegde overheid (in geval van beslissingen inzake projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen omvatten) wordt reeds op algemene wijze verplicht gesteld door onderafdeling 3. De verplichte publicatie van beslissingen in een dag- of weekblad bestaat tot op heden niet in de regelgeving inzake ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De publicatie in een dag- of weekblad moet uiterlijk tien dagen na ontvangst van de beslissing gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt het voorwerp van de vergunningsaanvraag op twee of meer gemeenten uitgevoerd, zijn er twee opties : elke gemeente kan voor een publicatie zorgen, of er kan volstaan worden met een gecoördineerde publicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De publicatieverplichting bestaat mutatis mutandis ook voor beslissingen over vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval zorgt het bevoegde bestuur voor de publicatie van de beslissing, op kosten van de vergunningsaanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 5. - Individuele kennisgeving Art. 62.Dit artikel bevat de nadere regels inzake de individuele kennisgeving van de beslissing aan bepaalde personen of instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil tussen het eerste en het tweede lid is dat de individuele kennisgeving aan de instanties, vermeld in het tweede lid, digitaal, via het omgevingsloket moet gebeuren, terwijl de personen of instanties in het eerste lid digitaal of analoog (via aangetekend schrijven of tegen afgifte tegen ontvangstbewijs) in kennis gesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus worden met een beveiligde zending (analoog of digitaal) in kennis gesteld van de beslissing : 1. de vergunningsaanvrager;2. in voorkomend geval, de beroepsindiener;3. in voorkomend geval, het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/07/1999 numac 1999012359 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/07/1999 numac 1999012360 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk sluiten betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk, voor zover : a.dit comité voor de ingedeelde inrichting of activiteit in kwestie bestaat; b. de vergunning de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit betreft;4. in voorkomend geval, de toezichthoudende architect als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen en hij daarom verzoekt. Worden digitaal in kennis gesteld : 1. het college van burgemeester en schepenen;2. de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;3. de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;4. de adviesinstanties vermeld in artikel 35 en 37 van dit besluit;5. in voorkomend geval, de POVC en de GOVC;6. de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, in het geval a.het gaat om een inrichting waarop indelingsrubriek 17.2 van toepassing is, b. de vergunningsaanvraag een project-MER of een OVR omvat of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen; 7. de NV Aquafin als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op rubriek 3, rubriek 53.1 tot en met 53.5, rubriek 53.9 en rubriek 53.11 van de indelingslijst, 8. de VLM als de aanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit die ingedeeld is in een of meer van de indelingsrubrieken 9.3 tot en met 9.8 of 28.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels sluiten in grote mate aan bij de huidige regelgeving milieu en ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch zijn er ook enkele veranderingen : in tegenstelling met de bestaande VLAREM-regelgeving wordt geen individuele kennisgeving meer gedaan aan de afdeling milieuhandhaving van het departement LNE, noch aan OVAM of de VMM (tenzij deze optreden als adviesinstantie). Deze instanties kunnen steeds kennis nemen van de beslissingen die hun aanbelangen via de omgevingsvergunningendatabank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin wordt nog een kennisgeving gedaan aan de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van het woord 'respectievelijk' in het tweede lid, 4° maakt duidelijk dat de overheid die de beslissing in graad van administratief beroep genomen heeft alleen een individuele kennisgeving moet doen aan de adviesinstanties in graad van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze kennisgeving moet gebeuren uiterlijk tien dagen : 1. na de datum waarop de beslissing is genomen, of 2.de beslissingstermijn is verstreken. Dit zal het geval zijn bij een stilzwijgende beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 6. - De terinzagelegging Art. 63.Dit artikel voorziet dat de beslissing gedurende dertig dagen ter inzage wordt gelegd in het gemeentehuis waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bevoegde overheid geen beslissing heeft genomen binnen de vastgestelde termijn, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd of wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen. Bij een dergelijke stilzwijgende beslissingen is er geen `formele' beslissing die ingekeken kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt van zelf dat onder de terinzagelegging van de beslissing alle nuttige documenten moeten begrepen worden die burgers toelaten om met kennis van zaken te kunnen oordelen of de vergunning of weigering terecht is afgegeven. Dit betekent dus ook dat in deze fase het aanvraagdossier moet kunnen geconsulteerd worden, alsmede de eventueel in de loop van de procedure gewijzigde of toegevoegde plannen en documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het project of de verandering van het project waarop de beslissing betrekking heeft, zich uitstrekt over meerdere gemeenten, organiseert elke gemeente op wiens grondgebied het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft een terinzagelegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor beslissingen over vergunningsaanvragen die betrekking hebben op uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen die zich uitstrekken over twee of meer gemeenten in een provincie of over meerdere provincies, geldt een afwijkende regeling : in dit geval wordt de aanvraag ter inzage gelegd in het provinciehuis van de provincie of provincies waar het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terinzagelegging kan zowel analoog als digitaal; dit laatste door het aanbieden van de mogelijkheid tot digitale consultatie van het vergund dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing wordt uiterlijk tien dagen nadat de beslissing is genomen of nadat de beslissing ter beschikking van de gemeente of deputatie is gesteld, ter inzage gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 7. - Landgrens- en gewestgrensoverschrijdende effecten Art. 64.Dit artikel bevat de nadere regels voor de bekendmaking van beslissingen over projecten die aanzienlijke effecten kunnen hebben voor mens en milieu of die ten gevolge van een zwaar ongeval waarschijnlijk betekenisvolle effecten kunen hebben voor mens en milieu van een ander Gewest, een andere EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Espoo of het Verdrag van Helsinki zou kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepasselijke Europese regelgeving en de twee vermelde verdragen vereisen dat de overheden en het publiek in een ander gewest, EU-lidstaat of verdragspartij in de mogelijkheid worden gesteld om inspraak te hebben in het openbaar onderzoek over dergelijke vergunningsaanvragen. Dit is geregeld in artikel 26 en volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dan ook logisch dat de bevoegde autoriteit eveneens op de hoogte gesteld wordt van de beslissing die werd genomen dan wel van de notificatie van de stilzwijgende beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziene bepalingen sluiten aan bij hetgeen op heden reeds voorzien is in de milieuregelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 10. - De gewone vergunningsprocedure Kenmerkend voor deze procedure is dat ze altijd een openbaar onderzoek omvat en dat de omgevingsvergunningscommissie in een aantal gevallen advies uitbrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassingsgebied van deze procedure (en van de vereenvoudigde procedure) is terug te vinden in titel 3, hoofdstuk 2. Afdeling 1. - De gewone vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 65.Dit artikel bevat nadere bepalingen over het indienen van de vergunningsaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangeraden wordt om een vergunningsaanvraag digitaal in te dienen. In dit geval zijn er geen andere formaliteiten nodig, dan het digitaal indienen via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform mits de gegevens worden uitgewisseld conform de bepalingen van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van analoge indiening moeten twee exemplaren van de vergunningsaanvraag ingediend worden. Deze regeling is transparanter dan de huidige regelgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening waar het aantal in te dienen exemplaren verschilt naargelang de bevoegde overheid en de aard van het dossier en bovendien ook nog extra exemplaren van bepaalde documenten gevraagd (kunnen) worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager moet in zijn aanvraagdossier ook aangeven : 1. of hij al dan niet wenst gehoord te worden door de POC/GOVC als deze advies over de aanvraag moet uitbrengen;en 2. in voorkomend geval, welke delen uit het project-MER of OVR hij aan het openbaar onderzoek wenst te onttrekken en waarvoor hij de voorafgaande beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, heeft verkregen. Het verzoek om gehoord te worden moet in het aanvraagdossier aangegeven zijn. Met latere verzoeken hoeft de overheid geen rekening te houden. Dit omdat het decreet strakke behandelingstermijnen voorziet en laattijdige verzoeken het halen van deze termijnen in het gedrang zou kunnen brengen. Art. 66.Dit artikel verduidelijkt dat het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid onderzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt onontvankelijk verklaard als de bevoegde overheid bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat het project zowel vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen als de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvat die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en de aanvraag slechts is ingediend voor één van beide aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag die bijvoorbeeld wordt ingediend voor de bouw van een stedelijk zwembad alleen zal onontvankelijk verklaard worden, aangezien de bouw van een zwembad onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot verwijst dit artikel naar artikel 21 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, waarin staat dat het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek alsook van het onderzoek van de bijgevoegde project-m.e.r.-screeningsnota, bij beveiligde zending aan de aanvrager meegedeeld wordt binnen dertig dagen na de indiening van de vergunningsaanvraag of na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het resultaat van het onderzoek of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, niet binnen deze termijn wordt meegedeeld, moet de vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk uitspraak doen binnen 90 dagen vanaf datum van indiening van de vergunningsaanvraag. Als deze overheid beslist dat er voor het project een project-MER moet worden opgesteld, verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project Art. 67.Dit artikel bepaalt aan wie het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag ter beschikking stelt en wanneer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend wordt de aanvraag ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente aangezien deze instaat voor het organiseren van het openbaar onderzoek (1° ). Bovendien zal in de meeste gevallen het advies van het adviserend schepencollege (het schepencollege of de gemeentelijke omgevingsambtenaar) gevraagd worden. De aanvraag wordt bovendien ter beschikking van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gesteld als deze advies dient te verlenen (2° ). Alleen als geen advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie vereist is, stelt het bevoegd bestuur de aanvraag ter beschikking van de adviesinstanties (3° ). Immers, geeft een omgevingsvergunningscommissie advies, komt het aan deze commissie toe om de adviezen op te vragen bij de individuele adviesinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw is dat voortaan ook de vergunningsaanvraag ter beschikking gesteld wordt van de afdeling voor veiligheids- en milieueffectrapportage als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat (4° ). Dit is noodzakelijk omwille van de integratie van de goedkeuring van het project-MER/OVR in de vergunningsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt de vergunningsaanvraag ter beschikking gesteld van de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan, toch als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op inrichtingen of activiteiten die zijn ingedeeld op basis van rubriek 2.3.11 van de indelingslijst (5° ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid voorziet in een beperkte afwijking voor wat betreft het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek voor vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten. De provincie neemt hier immers (gedeeltelijk) de rol van de gemeente over.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 zet op zijn beurt uiteen aan welke instanties de omgevingsvergunningscommissie de vergunningsaanvraag ter beschikking moet stellen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 bepaalt binnen welke termijn de adviesinstanties en het adviserend schepencollege hun advies moeten uitbrengen. De algemene regel is dat zij advies moeten uitbrengen binnen dertig dagen na ontvangst van de adviesvraag. Er geldt slechts één uitzondering op deze regel; met name geldt er een termijn van zestig dagen in geval van vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de exploitatie van in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten bij een eerste adviesvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term \"eerste adviesvraag\" heeft betrekking op de eerste vraag om advies in de administratieve aanleg in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt tevens de aandacht gevestigd op artikel 26, 43 en 61 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, waarin de \"sanctie\" van het overschrijden van deze termijn bepaald is. Immers, als geen advies wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 bepaalt dat de voorzitter en de secretaris het geïntegreerde advies bij een eerste adviesvraag binnen een termijn van 90 dagen ter beschikking stellen van de bevoegde overheid. In alle andere gevallen moeten ze het advies ter beschikking stellen binnen 45 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijnen gaan in de dag na ontvangst van de adviesvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen deze termijnen moet de POVC of de GOVC dus de individuele adviezen van de adviesinstanties en (in voorkomend geval) het adviserend schepencollege inwinnen, een zitting organiseren alsook - zij het in voorkomend geval - de vergunningsaanvrager en/of de beroepsindiener horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term \"ter beschikking stellen\" die gehanteerd wordt doorheen voorliggend besluit, geeft, samengelezen met titel 8 van dit besluit, aan dat de behandeling van een dossier (opvragen en verlenen adviezen, vraag tot organiseren openbaar onderzoek,...) digitaal verloopt. Van deze verplichting kan slechts afgewezen worden in geval van overmacht (zie artikel 153), in welk geval de terbeschikkingstelling op een analoge manier kan verlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term \"eerste adviesvraag\" heeft betrekking op de eerste vraag om advies in de administratieve aanleg in kwestie. Art. 68.De afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, beschikt over zestig dagen na ontvangst van het ontwerp project-MER respectievelijk OVR om een beslissing te nemen over de goedkeuring of afkeuring ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp project-MER respectievelijk OVR wordt ter beschikking van deze afdeling gesteld op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring van de vergunningsaanvraag of uiterlijk bij het verstrijken van de vervaltermijn, Het openbaar onderzoek over een vergunningsaanvraag behandelt ook de inhoud van het MER of OVR tenzij tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is. Aangezien - het openbaar onderzoek begint binnen 10 dagen na ontvankelijk- en volledigheidsverklaring (of het verstrijken van de 30 dagen termijn), - het openbaar onderzoek 30 dagen duurt, en - de tijdens het openbaar onderzoek ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren uiterlijk binnen 10 dagen na het einde van het openbaar onderzoek moeten worden overgemaakt; heeft de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportag, voldoende tijd om rekening te houden met tijdens het openbaar onderzoek ingediende standpunten die betrekking hebben op het project-MER/OVR. Deze afdeling moet haar beslissing met een beveiligde zending ter beschikking stellen aan de aanvrager en met een digitale zending van het bevoegd bestuur binnen tien dagen nadat zij haar beslissing genomen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit artikel volgt dat de beslissing over goed- of afkeuring van MER/OVR doorgaans zal vallen voor de POVC/GOVC het aanvraagdossier adviseert. Deze volgorde is echter niet regelgevend vastgelegd. Een zeer snel werkende POVC/GOVC zou advies kunnen uitbrengen alvorens de beslissing over het MER/OVR is genomen. Art. 69.Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de oprichting, uitbreiding of afbraak van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, vraagt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen. Deze eigenaars moeten hun standpunt bezorgen binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na ontvangst van de vraag van het bevoegde bestuur. Wordt er geen standpunt bezorgd binnen dertig dagen, wordt het standpunt geacht gunstig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing over een dergelijke aanvraag moet immers een verwijzing naar het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen bevatten en de wijze hoe hiermee is omgegaan. (zie hoger) Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging Art. 70.Als één van de situaties die een termijnverlenging met zich meebrengen, zich voordoet (o.a. door organisatie van een tweede openbaar onderzoek), moet het bevoegde bestuur de aanvrager met een beveiligde zending in kennis stellen van deze termijnsverlenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslist de bevoegde overheid om een tweede openbaar onderzoek te organiseren (door toepassing van de administratieve lus of doordat wijzigingen zijn aangebracht aan de aanvraag), moet zij hiervan kennis geven aan de instanties vermeld in het tweede lid. Ook hier wordt in een beperkte afwijking voorzien wat betreft een tweede openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie neemt hier immers (gedeeltelijk) de rol van de gemeente over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaat het om een tweede openbaar onderzoek n.a.v. een gewijzigde aanvraag wordt ook de gewijzigde aanvraag ter beschikking gesteld van deze instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gewijzigde aanvraag hiertoe noodzaakt, brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, de bevoegde adviesinstanties of het adviserend schepencollege een nieuw advies uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een OVC opnieuw om advies wordt gevraagd zal deze op haar beurt het advies van de adviesinstanties inwinnen. Er zijn geen vervaltermijnen voorzien waarbinnen opnieuw geadviseerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situaties waarin een termijnverlenging nodig is, vergen steeds maatwerk en ad hoc beoordelingen. Wel moet rekening gehouden worden met de termijn waarbinnen de beslissing over de vergunningsaanvraag genomen moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is eveneens mogelijk dat de gewijzigde aanvraag noodzaakt tot een nieuwe beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, over het project-MER of het OVR. Onderafdeling 4. - Beslissing over de vergunningsaanvraag Art. 71.Dit artikel bevat een verwijzing naar de bepalingen die de gegevens opsommen die de beslissing over de vergunningsaanvraag moet bevatten. Art. 72.Dit artikel verwijst naar de bepalingen inzake de bekendmaking van de beslissing over de vergunningsaanvraag. Afdeling 2. - De gewone vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 73.Dit artikel verwijst naar artikel 56 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat bepaalt hoe een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing ingesteld moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit moet gebeuren bij de bevoegde overheid met een beveiligde zending op straffe van onontvankelijkheid. Bovendien moet de beroepsindiener met een beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift bezorgen aan welbepaalde personen en instanties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">? In het eerste lid van paragraaf 1 wordt aangegeven wat het beroepschrift moet bevatten. Dit zijn de inhoudelijke vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen. ? Het tweede lid van paragraaf 1 stelt de bewijsstukken vast die overeenkomstig artikel 56, derde lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, bij het beroep gevoegd moeten worden. Deze stukken betreffen : 1. een bewijs van betaling van de dossiertaks als deze taks verschuldigd is;2. de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht. Het grote verschil tussen de inhoudelijke vereisten (eerste lid) en de bewijsstukken (tweede lid) bestaat erin dat een gebrek m.b.t. de inhoudelijke vereisten niet geregulariseerd kan worden, terwijl het ontbreken van een bewijsstuk wel geregulariseerd kan worden, conform artikel 57, tweede lid, van het Decreet. ? Het staat de beroepsindiener uiteraard vrij om aan zijn beroepschrift overtuigingsstukken toe te voegen Als hij beslist dit te doen, moet hij wel een inventaris voorzien van de door hem toegevoegde overtuigingsstukken. Overtuigingsstukken die worden toegevoegd, worden geacht integraal deel van het beroepschrift uit te maken. ? Op basis van artikel 56, tweede lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning heeft de beroepsindiener de verplichting om op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en met een beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift toe te zenden aan een aantal personen en instanties. Dit betekent dat de beroepsindiener in principe ook een afschrift van de door hem aangewende overtuigingsstukken moet overmaken. ? Het vierde lid van deze paragraaf voorziet ook dat het bevoegde bestuur bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager en de in eerste aanleg bevoegde overheid alle beschikbare informatie en documenten kan opvragen die zij nuttig acht voor de beoordeling van het beroepsdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 2 wordt verduidelijkt dat de beroepsindiener in zijn beroepschrift moet aangeven of hij al dan niet wenst gehoord te worden. De vergunningsaanvrager kan, als hij niet de beroepsindiener is, het bevoegde bestuur binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van een afschrift van het beroepschrift vragen om gehoord te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is hijzelf beroepsindiener, moet hij de vraag tot horen in zijn beroepschrift opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 62 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning maakt het mogelijk dat zowel de vergunningsaanvrager als de beroepsindiener kunnen vragen om gehoord te worden door de omgevingsvergunningscommissie, als deze advies dient te verlenen, of door de bevoegde overheid, de door haar gemachtigde ambtenaar of de gewestelijke omgevingsambtenaar als er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 tot slot bepaalt dat de overheid die de bestreden beslissing genomen heeft, het vergunningsdossier ter beschikking stelt van de overheid die bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Onderzoek van het beroep Art. 75.Op de dag dat het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de beroepsindiener verzonden wordt of bij het verstrjiken van de termijn voor dit ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek, stelt het bevoegde bestuur het beroepschrift ter beschikking van : 1. het adviserend schepencollege met verzoek om advies te verlenen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;2. de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als deze advies moet verlenen;3. de adviesinstanties als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is. Heeft de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd om gehoord te worden en gebeurt het horen door de omgevingsvergunningscommissie, wordt dit verzoek samen met de adviesvraag aan de commissie overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van paragraaf 1 bevat een afwijkende regeling in geval van beroepen over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten. In dat geval wordt het beroepschrift niet ter beschikking gesteld van het adviserend schepencollege.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 zet uiteen aan wie de omgevingsvergunningscommissie het beroepschrift en de volledige vergunningsaanvraag ter beschikking moet stellen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, zal deze slechts ontvangen als het beroepschrift gebreken aan de milieueffect- of veiligheidsrapportage aanvoert. Geeft de project-MER bijvoorbeeld aan dat de werken niet mogen uitgevoerd worden op het ogenblik dat de vogels broeden, en het beroepschrift werpt op dat niet duidelijk is wanneer deze broedperiode is, zal het beroepschrift overgemaakt worden. Wordt ingeroepen dat de in het MER voorgestelde milderende maatregel niet vertaald is in de vergunning, wordt geen gebrek aangevoerd aan de milieueffect- of veiligheidsrapportage, maar wel een probleem met de vergunning. In dit laatste geval zal het beroepschrift dan ook niet aan de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, overgemaakt moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 bepaalt binnen welke termijn de adviesinstanties en het adviserend schepencollege hun advies moeten uitbrengen. Zoals in eerste aanleg is ook hier de algemene regel dat zij advies uitbrengen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de adviesvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt slechts één uitzondering op deze regel : bij een eerste adviesvraag in beroep die betrekking heeft op een aanvraag m.b.t. de exploitatie van een in de eerste klasse ingedeelde inrichting waarbij de termijn om een advies te verlenen 60 dagen bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term \"eerste adviesvraag\" heeft betrekking op de eerste vraag om advies in de administratieve aanleg in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 bepaalt dat de voorzitter en de secretaris van de omgevingsvergunningscommissie bij een eerste adviesvraag het geïntegreerde advies - in voorkomend geval met vermelding van de minderheidsstandpunten - ter beschikking stellen van de bevoegde overheid binnen 90 dagen na ontvangst van de adviesvraag. In alle andere gevallen moeten ze het advies ter beschikking stellen binnen 45 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term \"eerste adviesvraag\" krijgt hier dezelfde invulling als in de vorige paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijnen gaan in de dag na ontvangst van de adviesvraag. Art. 76.Daar waar het vorige artikel de hoorzitting bij een beroep waarbij de vergunningsaanvraag de gewone procedure heeft doorlopen regelt in het geval een advies van een omgevingscommissie vereist is, regelt dit artikel de hoorzitting als er geen advies van een omgevingscommissie vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval organiseert het bevoegd bestuur de hoorzitting van de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener met : 1. de deputatie, een door de deputatie gemachtigde gedeputeerde of een door de deputatie gemachtigde ambtenaar als de deputatie de bevoegde overheid is;2. de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, of de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, of een door hen gemachtigde ambtenaar. Heeft de beroepsindiener gevraagd om gehoord te worden, dan wordt ook de vergunningsaanvrager op deze hoorzitting uitgenodigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordiger van het bevoegd bestuur kan in functie van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen. Voor uitleg en voorbeelden hierbij wordt verwezen naar de gelijkaardige bepaling bij de omgevingsvergunningencommissies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging Art. 77.Als de beslissingstermijn verlengd wordt, brengt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvrager en de beroepsindiener met een beveiligde zending daarvan op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslist de bevoegde overheid in laatste administratieve aanleg om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren (met toepassing van de administratieve lus of door wijzigingen aan de vergunningsaanvraag), deelt zij dit mee aan de instanties vermeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, geldt zoals vaak een licht afwijkende regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo voorziet het derde lid dat voormelde regeling eveneens geldt voor het openbaar onderzoek over bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, met dien verstande dat : 1. er geen kennisgeving aan de betrokken gemeente moet gebeuren, maar wel een mededeling met opdracht tot het instellen van een tweede openbaar onderzoek gebeurt aan de provincie of de provincies, 2.er geen advies moet worden gevraagd aan het adviserend schepencollege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt beslist om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren, wordt de vergunningsaanvraag ter beschikking gesteld van de vermelde personen en/of instanties. Dit kan de ongewijzigde vergunningsaanvraag zijn (in geval van een onregelmatigheid die kan leiden tot een vernietiging van de beslissing-administratieve lus) dan wel een gewijzigde vergunningsaanvraag (in geval van wijzigingen aan de vergunningsaanvraag in beroep).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de omstandigheden hiertoe noodzaken, brengen de bevoegde omgevingsvergunningscommissies, het adviserend schepencollege of de bevoegde adviesinstanties een nieuw advies uit. De aanvraag kan ook een nieuwe beslissing van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, over het project-MER of het OVR noodzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een OVC opnieuw om advies wordt gevraagd zal deze op haar beurt het advies van de adviesinstanties inwinnen. Er zijn geen vervaltermijnen voorzien waarbinnen opnieuw geadviseerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situaties waarin een termijnverlenging nodig is, vergen steeds maatwerk en ad hoc beoordelingen. Wel moet rekening gehouden worden met de termijn waarbinnen de beslissing over de vergunningsaanvraag genomen moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Beslissing over het ingestelde beroep Art. 78.Dit artikel verwijst naar de bepalingen die de gegevens opsommen die een beslissing - in dit geval over een ingesteld beroep - moet bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op devolutieve werking van beroep dient de beroepsbeslissing dezelfde inhoudelijke elementen te bevatten als beslissing eerste aanleg. Wel is het mogelijk dat de bevoegde overheid zich de weerlegging van bezwaren in eerste aanleg eigen maakt, door dit zo uitdrukkelijk te stellen. In dat geval zal de overheid deze weerlegging niet moet herhalen. Art. 79.Dit artikel verwijst naar de bepalingen inzake de bekendmaking van de beslissing - in dit geval over een ingesteld beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11. - De vereenvoudigde vergunningsprocedure Kenmerkend voor deze procedure is het feit dat er nooit een openbaar onderzoek georganiseerd wordt en dat de omgevingsvergunningscommissie nooit advies uitbrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassingsgebied van deze procedure (en van de gewone procedure) is terug te vinden in titel 3, hoofdstuk 2. Afdeling 1. - De vereenvoudigde vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 80.Dit artikel verwijst vooreerst naar artikel 37 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat stelt dat een vergunningsaanvraag met een beveiligde zending moet worden ingediend bij de bevoegde overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bevat dit artikel van het besluit nadere bepalingen over het aantal exemplaren van een vergunningsaanvraag dat moet ingediend worden. In geval van digitale indiening zijn geen andere formaliteiten nodig dan het indienen via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform op voorwaarde dat de gegevens worden uitgewisseld conform de bepalingen van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van analoge indiening moeten twee exemplaren ingediend worden. Deze regeling is transparanter dan de huidige regelgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening waar het aantal in te dienen exemplaren verschilt naargelang de bevoegde overheid en de aard van het dossier en bovendien ook nog extra exemplaren van bepaalde documenten gevraagd (kunnen) worden. Art. 81.De vergunningsaanvraag wordt op haar ontvankelijkheid en volledigheid onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt in ieder geval onontvankelijk verklaard als het bevoegde bestuur bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek vaststelt dat het project zowel vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen als de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvat die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en de aanvraag slechts is ingediend voor één van beide aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de aanvrager overeenkomstig artikel 40 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel 40 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning stelt dat het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek alsook van het onderzoek van de bijgevoegde project-m.e.r.-screeningsnota meegedeeld wordt binnen dertig dagen na de indiening van de vergunningsaanvraag of na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het resultaat van het onderzoek of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld, niet binnen de decretaal bepaalde termijn werd meegedeeld, moet de vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk uitspraak doen binnen 90 dagen vanaf datum van indiening van de vergunningsaanvraag. Als dez overheid beslist dat er voor het project een project-MER moet worden opgesteld, verklaart zij de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp en wordt de procedure stopgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Onderzoek van het project Art. 82.Op de dag van de verzending van de ontvankelijk- en volledigverklaring of uiterlijk bij het verstrijken van dertig dagen vanaf de indiening van de vergunningsaanvraag moet het bevoegde bestuur de volledige vergunningsaanvraag ter beschikking stellen van : 1. de adviesinstanties, 2.in voorkomend geval, het adviserend schepencollege, 3. in voorkomend geval, de instantie die door de federale overheid is belast met het opstellen van het externe noodplan. Paragraaf 2 bepaalt wanneer de adviesinstanties hun advies moeten uitbrengen, meer bepaald binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na deze van ontvangst van de adviesvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term \"ter beschikking stellen\" die gehanteerd wordt doorheen voorliggend besluit, geeft, samengelezen met titel 8 van dit besluit, aan dat de behandeling van een dossier (opvragen en verlenen adviezen, vraag tot organiseren openbaar onderzoek,...) digitaal verloopt. Van deze verplichting kan slechts afgewezen worden in geval van overmacht (zie artikel 153), in welk geval de terbeschikkingstelling op een analogie manier kan verlopen. Art. 83.Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de oprichting, uitbreiding of afbraak van scheidingsmuren of muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom, vraagt het bevoegde bestuur met een beveiligde zending het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen. Deze eigenaars moeten hun standpunt bezorgen binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na ontvangst van de vraag van het bevoegde bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing over een dergelijke aanvraag moet immers een verwijzing naar het standpunt van de eigenaars van de aanpalende percelen bevatten en de wijze hoe hiermee is omgegaan. (zie hoger) Onderafdeling 3. - Beslissing over de vergunningsaanvraag Art. 84.Dit artikel verwijst naar de bepalingen die de gegevens opsommen die de beslissing over de vergunningsaanvraag moet bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het zo dat als de bevoegde overheid vaststelt dat de verandering van de ingedeelde inrichting of activiteit een bijkomend risico voor de mens of het milieu inhoudt, deze overheid moet beslissen tot de stopzetting van de vergunningsprocedure. In dat geval moet immers de gewone vergunningsprocedure doorlopen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bevoegde overheid uitdrukkelijk uitspraak doet in haar beslissing dat een project-MER over het project moet worden opgesteld, stelt zij de onvolledigheid van de aanvraag vast en wordt de procedure stopgezet. Art. 85.Dit artikel verwijst naar de bepalingen inzake de bekendmaking van de beslissing, in dit geval over een aanvraag conform de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Afdeling 2. - De vereenvoudigde vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg Onderafdeling 1. - Ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek Art. 86.Dit artikel verwijst naar artikel 56 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat regelt op welke wijze een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing moet worden ingesteld, meer bepaald op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending bij de bevoegde overheid. Art. 87.Paragraaf 1 bevat nadere regels rond het beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo bevat het eerste lid de inhoudelijke gegevens het beroepschrift moet bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid stelt de bewijsstukken vast die bij beroep gevoegd moeten worden. Het grote verschil tussen het eerste en het tweede lid bestaat erin dat een gebrek m.b.t. de gegevens van het beroepschrift niet geregulariseerd kan worden, terwijl het ontbreken van een bewijsstuk wel geregulariseerd kan worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard kan de beroepsindiener overtuigingsstukken aan zijn beroepschrift voegen. Beslist hij dit te doen, moet hij een inventaris voorzien van de door hem gevoegde overtuigingsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtuigingsstukken die worden toegevoegd, worden geacht integraal van het beroepschrift uit te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 56, tweede lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning heeft de beroepsindiener de verplichting om op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en met een beveiligde zending een afschrift toe te zenden aan een aantal personen en instanties. Dit betekent dat de beroepsindiener in principe ook een afschrift van de door hem aangewende overtuigingsstukken moet overmaken. In de praktijk zal het echter niet altijd mogelijk zijn een kopie te maken van de overtuigingsstukken. Dit zal het geval zijn als het kopiëren van de overtuigingsstukken niet toegelaten is op grond van de regelgeving inzake auteursrechten of als het formaat of de aard praktische problemen stelt (bv. Bouwplannen of maquette). Om een oplossing te bieden voor deze situatie, voorziet het vierde lid van paragraaf 1 dat het in dergelijk geval volstaat om het eigenlijke beroepschrift en de inventaris over te maken. Enkel de beroepsinstantie zelf ontvangt dan de bewuste plannen of maquette.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de openbaarheid van bestuur kan eenieder deze stukken wel consulteren bij de beroepsinstantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor indiening van het beroepschrift is het zo dat het beroepschrift in één exemplaar moet worden ingediend bij digitale indiening en in twee exemplaren bij analoge indiening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager en de in eerste aanleg bevoegde overheid alle beschikbare info en documenten opvragen die zij nuttig acht voor de beoordeling van het beroepsdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 geeft aan dat de beroepsindiener reeds in zijn beroepschrift moet aangeven of hij al dan niet wenst gehoord te worden. Zoals ook bij een beroep waarbij de vergunningsaanvraag de gewone procedure heeft doorlopen het geval is, kan de vergunningsaanvrager ook hier, als hij niet de beroepsindiener is, het bevoegde bestuur vragen om gehoord te worden binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van een afschrift van het beroepschrift. Is hijzelf beroepsindiener, moet hij de vraag tot horen in zijn beroepschrift opnemen. Art. 88.De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is onmiddelljik nadat zij een afschrift van het beroepschrift ontvangen heeft van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is eerder een bepaling die is ingeschreven voor situaties van overmacht, als het digitale uitwisselingsplatform niet zou werken. Als het platform naar behoren werkt, krijgt de beroepsinstantie immers automatisch het volledige digitale dossier te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Onderzoek van het beroep Art. 89.Op het ogenblik dat het bevoegde bestuur het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek verzendt, stelt dit bestuur het beroep ter beschikking van de bevoegde adviesinstanties en, in voorkomend geval, het adviserend schepencollege. Deze brengen hun advies uit binnen dertig dagen die ingaat de dag na ontvangst van de adviesvraag. Art. 90.Dit artikel regelt de hoorzitting in graad van beroep als de vergunningsaanvraag in eerste aanleg de vereenvoudigde procedure heeft doorlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de omgevingscommissie in dit geval niet tussenkomt, is er alleen een hoorzitting mogelijk, georganiseerd door het bevoegde bestuur. De concrete organisatie van deze hoorzitting stemt overeen met de organisatie van de hoorzitting in beroep bij een beslissing die in eerste aanleg de gewone vergunningsprocedure heeft doorlopen. (zie hoger) Heeft de beroepsindiener gevraagd om gehoord te worden, dan wordt ook de vergunningsaanvrager op deze hoorzitting uitgenodigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordiger van het bevoegd bestuur kan in functie van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener bepalen. Voor uitleg en voorbeelden hierbij kan verwezen worden naar de gelijkaardige bepaling die is terug te vinden bij de omgevingsvergunningen-commissies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging Art. 91.Als de bevoegde overheid, met toepassing van de administratieve lus, beslist om bepaalde adviezen alsnog, dan wel een tweede keer in te winnen, wordt de termijn om een beslissing te nemen, verlengd. Het bevoegde bestuur moet de vergunningsaanvrager én de beroepsindiener hiervan met een beveiligde zending op de hoogte brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een OVC opnieuw om advies wordt gevraagd zal deze op haar beurt het advies van de adviesinstanties inwinnen. Er zijn geen vervaltermijnen voorzien waarbinnen opnieuw geadviseerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situaties waarin een termijnverlenging nodig is, vergen steeds maatwerk en ad hoc beoordelingen. Wel moet rekening gehouden worden met de termijn waarbinnen de beslissing over de vergunningsaanvraag genomen moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Beslissing over het ingestelde beroep Art. 92.Dit artikel verwijst naar de bepalingen die de gegevens opsommen die de beslissing over een ingesteld beroep moet bevatten. Art. 93.Dit artikel verwijst naar de bepalingen inzake de bekendmaking van de beslissing over een ingesteld beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 12. - De omgevingsvergunning op proef Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 69 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat voorziet dat voor de exploitatie van projecten die geen stedenbouwkundige handelingen omvatten, een omgevingsvergunning op proef verleend kan worden. Het decreetsartikel regelt vrij gedetailleerd de procedure. Het besluit kan zich dan ook beperken tot enige minder belangrijke regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dergelijke omgevingsvergunning bedraagt de exploitatietermijn tenminste zes maanden en ten hoogste twee jaar, periode waarbinnen de overheid kan nagaan welke hinder of risico's de ingedeelde inrichting met zich meebrengt en wat de effecten ervan zijn op de mens en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verstrijken van de proeftermijn zal de bevoegde overheid een beslissing moeten nemen over de verdere exploitatie van de inrichting. Art. 94.Dit artikel bepaalt dat er, in geval van een omgevingsvergunning op proef, een definitieve beslissing wordt genomen over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zonder verdere formaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt verduidelijkt welke overheid bevoegd is om deze beslissing te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overheid die in laaste administratieve aanleg de proefvergunning vooreerst zelf heeft verleend of de beslissing uit eerste aanleg niet ongewijzigd heeft bevestigd, is bevoegd voor het nemen van de beslissing bij het verstrijken van de proefvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 : Het college van burgemeester en schepenen verleent een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting klasse 2 voor onbepaalde duur. Een lid van het betrokken publiek gaat hiertegen in beroep, bijvoorbeeld wegens onaanvaardbare geluidshinder voor de buurt. De deputatie acht het in graad van administratief beroep nodig om de vergunning voor een proefperiode van 2 jaar te verlenen om de hinder te kunnen evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is het de deputatie die zal beslissen over de verdere exploitatie voor het verstrijken van de proefperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2 : De deputatie weigert een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een klasse 1-inrichting af te leveren. De exploitant stelt beroep in bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beslist de omgevingsvergunning op proef te verlenen in graad van administratief beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval beslist de Vlaamse Regering over de verdere exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 3 : Het college van burgemeester en schepenen verleent een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting klasse 2 met een proefperiode van 6 maanden. De exploitant gaat in beroep tegen deze beperkte termijn. De deputatie verleent de omgevingsvergunning in graad van beroep voor een proeftermijn van 2 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is de deputatie bevoegd om een beslissing te nemen over de verdere exploitatie voor het verstrijken van de proeftermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 4 : De deputatie verleent een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting klasse 1 met een proefperiode van 2 jaar. Daarnaast worden ook een aantal lozingsnormen opgelegd. De exploitant gaat tegen deze beslissing in beroep en de Vlaamse Regering wijzigt de door het college opgelegde lozingsnormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is de Vlaamse Regering bevoegd om een beslissing te nemen over de verdere exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt een in eerste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning op proef in beroep integraal bevestigd, blijft de overheid die in eerste aanleg de vergunning heeft verleend, bevoegd om te beslissen over de verdere exploitatie. Art. 95.Dit artikel regelt de procedure die de bevoegde overheid, vermeld in artikel 94, moet volgen bij het beslissen over de verdere exploitatie na proefvergunning. Deze procedure houdt in dat de bevoegde overheid over de verdere exploitatie beslist na het doorlopen van een adviesronde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde bestuur start deze procedure ambtshalve uiterlijk 4 maanden voor het verstrijken van de proefvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesinstanties kunnen verschillen naargelang er al dan niet een advies van de omgevingsvergunningscommissie diende gevraagd te worden in de procedure die tot de beslissing heeft geleid op grond waarvan de overheid haar bevoegdheid ontleent om beurt het advies van de adviesinstanties en (in voorkomend geval) het adviserend schepencollege. Had de omgevingsvergunningscommissie geen adviesbevoegdheid, wordt rechtstreeks advies gevraagd aan de adviesinstanties en het adviserend schepencollege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adviserend schepencollege en de adviesinstanties brengen hun advies uit binnen dertig dagen; de omgevingsvergunningscommissie binnen zestig dagen. Vanzelfsprekend wordt het advies uitgebracht aan de instantie die om advies gevraagd heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing over de verdere exploitatie wordt genomen voor het verstrijken van de proefperiode en moet inhoudelijk voldoen aan de vereisten van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 69, § 2, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning legt reeds vast dat als de bevoegde overheid in eerste administratieve aanleg geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode, de omgevingsvergunning geacht wordt geweigerd te zijn. Als de overheid, bevoegd in beroep, geen beslissing neemt voor het verstrijken van de proefperiode van een door haar verleende omgevingsvergunning op proef, wordt de bestreden beslissing uit eerste administratieve aanleg als definitief beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing over de verdere exploitatie na proefperiode wordt bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen inzake de bekendmaking van beslissingen (titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3). Art. 96.Tegen een beslissing over de verdere exploitatie na proefperiode kan beroep aangetekend worden, tenzij de beslissing over de verdere exploitatie genomen werd door de overheid, bevoegd in beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is er geen administratief beroep mogelijk tegen de beslissing als de bevoegde overheid de overheid is die in tweede administratieve aanleg de beslissing over de omgevingsvergunning op proef heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 55, 2°, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning heeft dit beroep geen schorsende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 13. - Actualisatie van de gecoördineerde omgevingsvergunning Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project, dient de beslissing de geactualiseerde vergunningssituatie weer te geven zowel op het vlak van de stedenbouwkundige handelingen als de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een actuele vergunningssituatie weergeven is maar mogelijk als de bevoegde overheid op de hoogte is van zowel eerdere vergunningen als wijzigingen aan de vergunde situatie. Afdeling 1. - Actualisatie als gevolg van overdracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span><span class=\"lf-art-t\">Een omgevingsvergunning kan zonder plichtplegingen worden overgedragen (artikel 79 van het Decreet)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Vlaamse Regering heeft machtiging om de gevallen te bepalen waarin de overdracht gemeld moet worden en de wijze waarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft uitvoering aan deze machtiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo moet de gehele of gedeeltelijke overdracht van een omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit gemeld worden. Het is de verkrijger van de omgevingsvergunning die de overdracht moet melden aan de overheid die bevoegd is voor het project vóór overdracht. Hij moet dit doen voorafgaand aan de overdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding moet gebeuren aan de hand van het formulier vastgesteld in bijlage 4 van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overdracht van de vergunning kan geheel of gedeeltelijk zijn. Bij een gedeeltelijke overdracht van een vergunning wordt slechts een deel van het project overgedragen. Dit kan slechts wanneer de overgedragen exploitatie geen technisch samenhangend geheel vormt met het niet overgedragen restdeel. Of met andere woorden is vereist dat het om twee afzonderlijke ingedeelde inrichtingen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid neemt kennis van de melding en actualiseert vervolgens het vergunningsbesluit. Het bevoegd bestuur kan hiervoor adviezen inwinnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij volledige overdracht van een omgevingsvergunning betekent dit dat de vergunning voortaan de gegevens van de nieuwe exploitant vermeldt en dat rubrieken en bijzondere voorwaarden die niet langer van toepassing zijn omwille van stopzettingen of wijzigingen van de indelingslijst uit de vergunde toestand worden geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gedeeltelijke overdracht van een omgevingsvergunning actualiseert de bevoegde overheid niet alleen het vergunningsbesluit van het niet-overgedragen deel maar stelt de bevoegde overheid een gecoördineerd vergunningsbesluit vast voor het overgedragen deel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hoger vermeld kan dit alleen wanneer het om twee afzonderlijke ingedeelde inrichtingen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er, na de melding, meerdere personen voor het geheel van de exploitatie van de ingedeelde inrichting als exploitant moeten worden aangewezen, kan de bevoegde overheid in het te actualiseren vergunningsbesluit de verantwoordelijkheden van elke persoon kan bepalen. Afdeling 2. - Actualisatie als gevolg van de stopzetting of het verval van de exploitatie Art. 98.Andere situaties die invloed hebben op de actuele vergunningssituatie betreffen de stopzetting of het verval van de exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit moet dan ook de overheid op de hoogte brengen van het verval van de vergunning of van de vrijwillige gedeeltelijke of gehele definitieve stopzetting van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij moet dit doen per beveiligde zending en binnen 2 maanden na het verval of de stopzetting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde overheid zal het vergunningsbesluit actualiseren en de aangepaste gegevens in het omgevingsloket inbrengen. Afdeling 3. - Actualisatie als gevolg van een vergunning verleend voor de verandering van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit Art. 99.Het is mogelijk dat, naar aanleiding van een beslissing over een vergunningsaanvraag voor de verandering van een project, een andere overheid bevoegd wordt om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over een ingedeelde inrichting of activiteit. Is dit het geval, dan moet de exploitant dit met een beveiligde zending binnen een termijn van zes maanden nadat de verandering aan het project werd doorgevoerd melden aan de overheid die de vergunning voor het oorspronkelijk project heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijn van zes maanden wordt verlengd met de termijn dat een beroep tot vernietiging van de beslissing over de verandering van de ingedeelde inrichting of activiteit aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke vergunning voor het project wordt als gevolg van de melding geactualiseerd door de overheid die ze heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 4. - HET BIJSTELLEN VAN DE OMGEVINGSVERGUNNING Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning voorziet in de volgende drie gevallen de bijstelling van de omgevingsvergunning : - de bijstelling van in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden; - de bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit; - de bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure voor de bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden werd volledig uitgewerkt in het Decreet betreffende de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure stemt overeen met de regelingen in de VCRO wat betreft het herzien of opheffen 1) van verkavelingen via de opmaak van een RUP (oud artikel 4.6.5, VCRO) of 2) van verkavelingen ouder dan 15 jaar (oud artikel 4.6.6 VCRO). Conform artikel 4.6.6, § 3, VCRO dient het college van burgemeester en schepenen de aanvraag overeenkomstig de bijzondere procedure in. Deze procedure is met het Decreet betreffende de omgevingsvergunning verdwenen, zodat doorgaans het schepencollege - met toepassing van artikel 15 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning - de bevoegde overheid zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dit type van bijstelling regelt, bevat voorliggend besluit geen bijkomende bepalingen hieromtrent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 1. - Bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden in eerste administratieve aanleg. Afdeling 1. - Het indienen van het verzoek en ambtshalve initiatief</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gemotiveerd verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning zijn opgenomen, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de overheid die bevoegd is conform artikel 15 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning Hiervoor moet gebruik gemaakt worden van het formulier, dat als bijlage 5 bij dit besluit is gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit formulier bepaalt de gegevens en de bijlagen die verplicht in te vullen of bij te voegen zijn. Art. 101.De bevoegde overheid kan ambtshalve via een gemotiveerd initiatief de milieuvoorwaarden die in de omgevingsvergunning zijn opgelegd, wijzigen of aanvullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zij hiertoe initiatief neemt, zal haar besluit de gegevens en de bijlagen omvatten die in de formulieren, vermeld in bijlage 5, zijn voorgeschreven als verplicht in te vullen of bij te voegen. Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of het verzoek tot bijstelling : 1° de gegevens en inlichtingen, vermeld in artikel 100, omvat;2° door een overeenkomstig artikel 82, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1967 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 betreffende de omgevingsvergunning aangewezen persoon, instantie of organisatie werd ingediend. Het verzoek tot bijstelling dat niet bij de bevoegde overheid wordt ingediend, wordt door het bevoegde bestuur doorgestuurd aan de overheid die bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resultaat van het onderzoek wordt binnen vijftig dagen - i.p.v. dertig dagen bij de procedure voor een vergunningsaanvraag - aan de verzoeker meegedeeld. Op dezelfde dag van de mededeling aan de verzoeker brengt het bevoegd bestuur de exploitant op de hoogte van het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek, tenzij hijzelf dit verzoek heeft ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een onontvankelijk of onvolledig verzoek wordt de exploitant dus niet op de hoogte gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden wordt met een beveiligde zending ter kennis van de exploitant gebracht, eveneens binnen vijftig dagen, ditmaal vanaf de dag na de datum waarop het besluit van initiatief tot ambtshalve bijstelling werd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt het verzoek tot bijstelling onontvankelijk of onvolledig bevonden, wordt de procedure definitief stopgezet. Afdeling 3. - Het openbaar onderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewone vergunningsprocedure is van `overeenkomstige' toepassing op de bijstelling van de omgevingsvergunning. Dit houdt in dat er altijd een openbaar onderzoek georganiseerd wordt. Enige afwijking is de situatie waarin een bijstelling wordt gevraagd van een project dat uitsluitend een tijdelijke inrichting omvat. (art. 88 van het Decreet) Het bevoegde bestuur stelt ten laatste de dag dat de beslissingstermijn, vermeld in artikel 89, § 3, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of het ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden ter beschikking van de betrokken gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij geeft hierbij opdracht tot het instellen van een openbaar onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden echter uitsluitend betrekking op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, wordt het verzoek of ambtshalve initiatief niet ter beschikking gesteld van de betrokken gemeente, maar van de betrokken provincie, eveneens met de opdracht tot het instellen van een openbaar onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar onderzoek verloopt overeenkomstig de bepalingen van titel 3, Hoofdstuk 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een openbaar onderzoek duurt aldus dertig dagen en begint het binnen de periode van tien dagen : 1° na de datum waarop in casu het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden ontvankelijk en volledig werd verklaard in geval van een eerste openbaar onderzoek in eerste aanleg;2° in voorkomend geval, na de datum van de beslissing van de bevoegde overheid tot het organiseren van een openbaar onderzoek naar aanleiding van de toepassing van een administratieve lus. De van rechtswege ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden doet zich uitsluitend voor als het verzoek door de vergunninghouder of exploitant werd ingediend. In dat geval zal bij gebrek aan een ontvankelijk- en volledigverklaring, de vervaltermijn, vermeld in artikel 16, tweede lid, een aanvang nemen de zestigste dag na de datum van indiening van het verzoek dit in afwijking van de procedure van het openbaar onderzoek als gevolg van een vergunningsaanvraag. Afdeling 4. - Adviesverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 104</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel preciseert de adviesverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde bestuur zal ten laatste de dag dat de beslissingstermijn ingaat, het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden voor advies ter beschikking stellen van de in het eerste lid van paragraaf 1 opgesomde instanties. Voor zover er een omgevingsvergunningscommissie om advies wordt gevraagd, stelt ze de commissie op haar beurt het verzoek of ambtshalve initiatief voor advies ter beschikking van de in het tweede lid van paragraaf 1 opgesomde instanties. Dit ter beschikking stellen gebeurt digitaal, via het omgevingsloket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adviserend schepencollege en de adviesinstanties beschikken over zestig dagen in het geval van een ingedeelde inrichting van eerste klasse en over dertig dagen in de overige gevallen om hun advies uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen negentig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een advies wordt de instantie of commissie geacht met de gevraagde bijstelling van de milieuvoorwaarden in te stemmen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 voorziet in een hoorrecht voor de verzoeker of de exploitant als deze niet dezelfde persoon als de verzoeker is.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De uitgebrachte adviezen bevatten een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van de milieuvoorwaarden voor die aspecten waarover de adviesinstantie adviesbevoegdheid heeft. Afdeling 5. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 89 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bepaalt volgende termijnen om te beslissen over een verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning : 1° honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;2° honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is. Deze termijnen worden van rechtswege eenmalig met zestig dagen verlengd in het geval toepassing wordt gemaakt van de administratieve lus Aanvulling of wijziging van het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden na het openbaar onderzoek is niet mogelijk. Een verlenging van de beslissingstermijn met zestig dagen is bijgevolg beperkt tot de gevallen waarin de administratieve lus wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft aan wat de bevoegde overheid dient te doen als zij toepassing wil maken van de administratieve lus. Afdeling 6. - De beslissing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 106</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel verwijst naar artikel 89 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat de beslissingstermijn over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de omgevingsvergunning bepaalt In het tweede lid wordt de inhoud van de beslissing bepaald. Bij de motivatie van de beslissing moet rekening worden gehouden met de eisen die artikel 73 en 74 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning en met artikel 3.3.0.1 tot en met 3.3.0.3, van titel II van het VLAREM stellen aan de inhoud van de bijzondere milieuvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking op een GBPV-installatie gelden er bijkomende bepalingen van toepassing, met name artikel 52, eerste lid, 2° van dit besluit en artikel 1.8 en 1.9 van titel III van het VLAREM. Afdeling 7. - Bekendmaking van de beslissing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 107</span><span class=\"lf-art-t\">De bepalingen inzake bekendmaking van de beslissing over een vergunningsaanvraag zijn van overeenkomstige toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Is de verzoeker niet dezelfde persoon als de exploitant, dan wordt de exploitant individueel op de hoogte gebracht van de beslissing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. - De bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden in laatste administratieve aanleg.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de procedure voor het bijstellen van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden in laatste administratieve aanleg stelt artikel 90, § 2, van het Decreet dat de bepalingen van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing zijn op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk 3 behandelt de vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 88 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning geeft aan dat het onderzoek van het verzoek en het initiatief tot ambtshalve bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden in eerste administratieve aanleg gebeurt overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure (art. 23 tot en met 27 en 29 van het Decreet). Bijgevolg wordt de procedure in beroep ook behandeld overeenkomstig de regels van de gewone vergunningsprocedure in beroep. Afdeling 1. - Het indienen van het beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 108</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een beroep tegen een uitdrukkelijke en stilzwijgende beslissing over een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden kan worden ingediend door de personen, vermeld in artikel 53 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning alsook door de toezichthouder aangesteld overeenkomstig titel XVI van het DABM. Het Decreet bepaalt reeds dat elk beroep de beslissing uit eerste administratieve aanleg schorst De verplichtingen inzake betekening van het beroepschrift en de termijnen om beroep in te stellen, vermeld in artikel 54 respectievelijk artikel 56 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, zijn van toepassing. Art. 109.Dit artikel bepaalt de verplichte inhoud van het beroepschrift en regelt de bij te voegen bewijsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt voorzien dat het bevoegde bestuur bij de beroepsindiener, de exploitant of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare en relevante informatie en documenten kan opvragen die nuttig zijn voor het dossier. Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van het beroep wordt toepassing gemaakt van de bepalingen van artikel 57 en 58 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning Aan de bepalingen van artikel 108 en 109 van dit besluit moet zijn voldaan. Afdeling 3. - Adviesverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over het beroep tegen een beslissing over het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de in de omgevingsvergunning opgelegde milieuvoorwaarden wordt altijd het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie gevraagd Deze commissie vraagt op haar beurt advies aan : - het adviserend schepencollege, tenzij dit zelf beroep heeft ingesteld; - een aantal opgesomde adviesinstanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige leden van de betrokken omgevingsvergunningscommissie krijgen eveneens het beroepsdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adviserend schepencollege en de adviesinstanties hebben zestig dagen in het geval van een ingedeelde inrichting van de klasse 1 en dertig dagen in de overige gevallen om een advies uit te brengen. De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier geldt dat als er binnen de termijn geen advies wordt uitgebracht, het advies geacht wordt gunstig te zijn voor de gevraagde bijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beroepsindiener of de exploitant kunnen vragen om gehoord te worden door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie. Deze vraag moet op straffe van onontvankelijkheid gesteld worden in het beroepschrift of voor de exploitant, in het geval hij niet zelf het beroep instelt, binnen de veertien dagen na de dag dat hem het beroep werd meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de procedure in eerste administratieve aanleg tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, bevatten de in beroep uitgebrachte adviezen een gemotiveerde beoordeling van de noodzaak tot bijstelling van de milieuvoorwaarden voor die aspecten waarover de adviesinstantie adviesbevoegdheid heeft. Afdeling 4. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslissingstermijn in laatste administratieve aanleg over het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, is de termijn die geldt voor de behandeling van het beroep bij vergunningsaanvragen die in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld werden, meer bepaald honderdtwintig dagen Net als in eerste administratieve aanleg is een termijnverlenging van rechtswege alleen mogelijk als de administratieve lus wordt toegepast. Afdeling 5. - De beslissing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 113</span><span class=\"lf-art-t\">De bevoegde overheid neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van honderdtwintig dagen (artikel 66, § 1, 1°, van het Decreet)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel preciseert tevens de verplichte inhoud van de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de motivatie van de beslissing moet rekening worden gehouden met de eisen die artikel 73 en 74 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel II van het VLAREM aan de inhoud van de bijzondere milieuvoorwaarden stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in beroep gelden bijkomende verplichtingen in geval de wijziging of aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden betrekking heeft op een GBPV-installatie. Afdeling 6. - Bekendmaking van de beslissing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 114</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de bekendmaking wordt verwezen naar de bepalingen rond de bekendmaking van een beslissing over een aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. - Bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevings-vergunning in eerste administratieve aanleg.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning heeft uitsluitend betrekking op vergunningen van onbepaalde duur voor wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten (art. 83 van het Decreet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan de bevoegde overheid het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit beperken : 1. ambtshalve via een gemotiveerd initiatief;2. op gemotiveerd verzoek van 1) het betrokken publiek of 2) de leidend ambtenaar van een adviesinstantie, aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen. Afdeling 1. - Bekendmaking van de inspraakprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 115</span><span class=\"lf-art-t\">Het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van een omgevingsvergunning van onbepaalde duur wordt bekendgemaakt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 83, § 1, derde lid van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bepaalt dat de bekendmaking gebeurt : 1. op initiatief van de bevoegde overheid, 2.binnen zes maanden voor het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar van de betrokken omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt in detail de wijze waarop deze bekendmaking moet gebeuren, met name door een openbaar onderzoek en door een individuele kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidend ambtenaar van de adviesinstanties wordt individueel in kennis gesteld van het verstrijken van de geldigheidsperiode van twintig jaar exploitatie. Art. 116.Dit artikel bevat de nadere regelen rond de organisatie van het openbaar onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zal het bevoegde bestuur de betrokken gemeente verzoeken om een openbaar onderzoek in te stellen, behalve als de bekendmaking uitsluitend betrekking heeft op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten, dan is het verzoek aan de betrokken provincie gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omwille van eenvormigheid en transparantie werd ervoor gekozen het openbaar onderzoek op dezelfde wijze te organiseren als het openbaar onderzoek dat gehouden wordt naar aanleiding van een vergunningsaanvraag voor een project (met uitzondering van de informatievergadering).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier is het zo dat het omgevingsloket de tekst genereert die gebruikt wordt voor de bekendmaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dezelfde dag dat het bevoegd bestuur het verzoek tot organisatie van het openbaar onderzoek aan de betrokken gemeente verstuurt (in voorkomend geval, de provincie), verstuurt zij ook, via digitale zending, de individuele kennisgeving. Afdeling 2. - Het indienen van het verzoek en ambtshalve initiatief</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel (en het volgende) handelen over het gemotiveerde verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Het Decreet legt vast dat dit gemotiveerd verzoek kan uitgaan van 1. het betrokken publiek en de overheid bevoegd voor het ambtshalve initiatief;2. de leidend ambtenaar van een adviesinstantie die is aangewezen om voor de ingedeelde inrichting of activiteit advies uit te brengen. Het gemotiveerd verzoek wordt met een beveiligde zending ingediend bij de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is voor het project De aanvangsdatum van de periode van dertig dagen tijdens dewelke het verzoek tot bijstelling kan worden ingediend is verschillend. Voor het betrokken publiek vangt de termijn aan de eerste dag na de aanplakking van de affiche. Voor de adviesinstanties vangt de termijn aan de eerste dag na de dag waarop ze in toepassing van artikel 115, eerste lid, 2°, in kennis werden gesteld van het verstrijken van de 20-jarige exploitatietermijn. Voor de bevoegde overheid vangt de termijn aan de eerste dag na de dag dat het bevoegde bestuur de betrokken gemeente of provincie verzocht heeft om een openbaar onderzoek te organiseren. Art. 118.Dit artikel somt de gegevens op die het gemotiveerd verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning moet bevatten. Art. 119.Ook de bevoegde overheid kan een initiatief tot ambtshalve bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit initiatief tot ambtshalve bijstelling moet eveneens op straffe van onontvankelijkheid genomen worden binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de bekendmaking van het verstrijken van elke geldigheidsperiode van twintig jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bevoegde overheid gaat de termijn van dertig dagen in vanaf de eerste dag na de dag dat het bevoegd bestuur de betrokken gemeente of provincie verzocht heeft om een openbaar onderzoek in te stellen. In dit geval moet het bevoegde bestuur voorafgaand aan de procedure tot bijstelling een document opmaken dat de gegevens vermeld in artikel 118 bevat. Afdeling 3. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-120\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van het verzoek en het ambtshalve initiatief wordt onder meer nagegaan of het verzoek of initiatief : 1. binnen de toegestane periode van dertig dagen werd ingediend of genomen;2. alle gegevens, vermeld in artikel 117, 118 of 119, omvat;3. door een overeenkomstig artikel 83, eerste lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning aangewezen persoon, instantie of organisatie werd ingediend. Tevens wordt nagegaan of het verzoek bij de bevoegde overheid werd ingediend. Het verzoek tot bijstelling dat niet bij de bevoegde overheid wordt ingediend, wordt door het bevoegde bestuur doorgestuurd aan de overheid die bevoegd is Voor elk ambtshalve initiatief en verzoek tot bijstelling van een adviesinstantie dat niet de individuele toepassing van een door de Vlaamse Regering ter bescherming van de mens en het milieu goedgekeurd programma of plan als voorwerp heeft alsook voor elk verzoek vanuit het betrokken publiek, wordt door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie onderzocht of de motieven ter verantwoording niet kennelijk ongegrondheid zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de omgevingsvergunningscommissie beslist dat de motieven kennelijk ongegrond zijn, dan is deze beslissing bindend voor het bevoegd bestuur. Zij heeft tot gevolg dat de procedure definitief wordt stopgezet. (art. 87, § 1, tweede lid, van het Decreet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit onderzoek door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie mogelijk te maken, stelt de bevoegde overheid het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling ter beschikking van de omgevingsvergunningscommissie, en vraagt het de kennelijke ongegrondheid van de aangevoerde motieven te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggend artikel bepaalt hoe de omgevingsvergunningscommissie een standpunt vraagt aan de adviesinstanties en in bepaalde gevallen het adviserend schepencollege en de wijze waarop deze een standpunt kunnen innemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stellen de adviesinstanties of het adviserend schepencollege geen standpunt ter beschikking binnen de voor hun voorziene termijn, dan wordt aangenomen dat die van oordeel zijn dat de aangevoerde motieven kennelijk ongegrond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid (en in voorkomend geval, het onderzoek naar de aangevoerde motieven) wordt binnen een termijn van vijftig dagen aan de verzoeker meegedeeld. Op dezelfde dag van de mededeling aan de verzoeker brengt het bevoegd bestuur de exploitant op de hoogte van elk verzoek tot bijstelling dat hij niet zelf heeft ingediend evenals van elk initiatief tot ambtshalve bijstelling, voor zover ze niet onontvankelijk, onvolledig of indien van toepassing kennelijk ongegrond werden bevonden. (art. 87, § 2, van het Decreet). Afdeling 4. - Het openbaar onderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde bestuur zal op de dag van de in kennisstelling van de exploitant, vermeld in 89, § 3 van het decreet het ontvankelijk en volledig bevonden verzoek of initiatief ter beschikking stellen van de betrokken gemeente met de opdracht tot het instellen van een openbaar onderzoek. Heeft het verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning uitsluitend betrekking op bovengemeentelijke mobiel of verplaatsbaar project, wordt het verzoek of ambtshalve initiatief ter beschikking gesteld van de betrokken provincie, met de opdracht tot het instellen van een openbaar onderzoek Zoals reeds aangehaald, werd er omwille van eenvormigheid en transparantie voor gekozen het openbaar onderzoek op dezelfde wijze te organiseren als het openbaar onderzoek dat gehouden wordt naar aanleiding van een vergunningsaanvraag voor een project (met uitzondering van de informatievergadering). Artikel 16, tweede lid, is evenwel niet van toepassing. Afdeling 5. - Adviesverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 122</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel preciseert de adviesverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het adviserend schepencollege en de adviesinstanties beschikken over : - zestig dagen in het geval van een ingedeelde inrichting van de klasse 1; - dertig dagen in de overige gevallen om hun advies uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde omgevingsvergunningscommissie brengt een advies uit binnen een termijn van negentig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een advies wordt de instantie of commissie geacht met de gevraagde bijstelling in te stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 voorziet in een hoorrecht voor de verzoeker of de exploitant als deze niet dezelfde persoon als de verzoeker is. Afdeling 6. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 123</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 89, § 1, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning moet de bevoegde overheid een beslissing nemen over het verzoek of het initiatief tot ambtshalve bijstelling binnen een termijn van : 1. honderdenvijf dagen als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is;2. honderdtwintig dagen als een advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is. Een termijnverlenging van rechtswege doet zich alleen voor in het geval van toepassing van de administratieve lus Dit artikel verduidelijkt dat zowel exploitant als verzoeker op de hoogte worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt geregeld hoe een tweede openbaar onderzoek georganiseerd dient te worden, en adviezen ingewonnen kunnen worden. Afdeling 7. - De beslissing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit artikel wordt de aandacht gevestigd op artikel 83, § 2, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat de voorwaarden vermeldt waaraan op het tijdstip van de beslissing moet zijn voldaan om het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning te beperken Het voorwerp van de omgevingsvergunning kan slechts worden beperkt als de hinder of het risico niet via milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggeschroefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vergunning kan worden beperkt als een herlocalisatie zich opdringt omdat de ingedeelde inrichting of activiteit niet langer verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. De resterende duur van de vergunning zal in dat geval niet minder dan zeven jaar bedragen te rekenen vanaf de datum van de beslissing over de vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook toelichting bij artikel 106. Afdeling 8. - Bekendmaking van de beslissing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen nadere uitleg Hoofdstuk 4. - De bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevings-vergunning wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit in laatste administratieve aanleg. Afdeling 1 - Het indienen van het beroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 126</span><span class=\"lf-art-t\">Zie uitleg bij artikel 108. Art. 127.Zie uitleg bij artikel 109. Afdeling 2. - Het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 128</span><span class=\"lf-art-t\">Zie uitleg bij artikel 110. Afdeling 3. - Adviesverlening</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 129</span><span class=\"lf-art-t\">Zie uitleg bij artikel 111. Afdeling 4. - Situaties die resulteren in een termijnverlenging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 130</span><span class=\"lf-art-t\">Zie uitleg bij artikel 112. Afdeling 5. - De beslissing</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 131</span><span class=\"lf-art-t\">Zie uitleg bij artikel 113. Afdeling 6. - Bekendmaking van de beslissing</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 132</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel behoeft geen nadere uitleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5. - De bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. Art. 133.Dit artikel regelt de dossiersamenstelling voor het bijstellen van verkavelingen. De inhoud is analoog aan deze van het artikel dat de dossiersamenstelling voor aanvragen tot het verkavelen van gronden regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 5. - SCHORSING OF OPHEFFING VAN DE OMGEVINGSVERGUNNING VOOR WAT BETREFT DE EXPLOITATIE VAN EEN INGEDEELDE INRICHTING OF ACTIVITEIT Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bevat een regeling rond : - de schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, - de opheffing van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de algemene, de sectorale of de bijzondere milieuvoorwaarden niet worden nageleefd kan de bevoegde overheid overgaan tot een volledige of gedeeltelijke schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de bevoegde overheid die de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit geheel of gedeeltelijk schorst of opheft, ook de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handeling die onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie geheel of gedeeltelijk kan schorsen of opheffen. Het schorsen of opheffen van de omgevingsvergunning voor de stedenbouwkundige handeling die onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie is een mogelijkheid, geen verplichting voor de bevoegde overheid en is, voor wat bestaande constructies betreft, slechts mogelijk als die constructie bouwfysisch niet geschikt is voor eenzelfde of een nieuwe functie. (art. 95 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning) Wat betreft een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden is het zo dat deze vergunning geheel of gedeeltelijk kan worden opgeheven in de gevallen en onder dezelfde voorwaarden en procedurele bepalingen die gelden voor de bijstelling van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien geen verdere uitvoeringsbepalingen nodig zijn wat betreft de gehele of gedeeltelijke opheffing van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, handelt deze titel van het besluit alleen over de schorsing of opheffing van de omgevingsvergunning voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit. Art. 134.Als de bevoegde overheid het initiatief neemt om de omgevingsvergunning te schorsen of op te heffen voor wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, dan stelt zij de vergunninghouder of exploitant hiervan vooraf met een beveiligde zending in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunninghouder of de exploitant kan de bevoegde overheid vragen om gehoord te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens tot effectieve schorsing of opheffing over te gaan moet het bevoegde bestuur ook het advies inwinnen van het adviserend schepencollege, voor zover het betrokken college van burgemeester en schepenen niet zelf de bevoegde overheid is, en van de toezichthouder die bevoegd is conform titel XVI van het DABM. De betrokken toezichthouder, en in voorkomend geval, het adviserend schepencollege verlenen hun advies over het voornemen om de omgevingsvergunning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen binnen zestig dagen. Dit advies moet gepaard gaan met een afschrift van de processen-verbaal van vaststelling van de overtredingen die door hen of in hun opdracht zijn opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing om de omgevingsvergunning al dan niet te schorsen of op te heffen wordt genomen binnen honderdtwintig dagen na de verzending van de kennisgeving van het voornemen om tot schorsing of opheffing over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing moet aan de in dit artikel vermelde personen en instanties worden meegedeeld. Art. 135.De vergunninghouder of exploitant kan tegen de beslissing tot schorsing of opheffing beroep instellen bij de Vlaamse Regering tenzij de schorsings- of opheffingsbeslissing door de Vlaamse Regering zelf is genomen. Het beroep schorst de beslissing. De eerste paragraaf herneemt de tekst van artikel 93 van het Decreet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep moet met een beveiligde zending worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de dag van de kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van artikel 110 tot en met 114 van voorliggend besluit zijn van overeenkomstige toepassing op het instellen van, behandelen van en beslissen over het beroep in laatste administratieve aanleg en het bekendmaken van de beslissing over het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 6. - DE MELDING Deze titel bevat de nadere bepalingen die in acht moeten genomen worden in het kader van een melding. Deze melding kan zowel betrekking hebben op aspecten van stedenbouwkundige handelingen als van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit. Ook de procedure die dan moet gevolgd worden, wordt uitgewerkt in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel wordt hierbij de aandacht gevestigd op artikel 7 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat de verhouding regelt tussen de vergunning en de melding als beide vereist zijn. In dat geval geldt de omgevingsvergunning als aktename voor dat deel van het project dat meldingsplichtig is. Er is dus geen afzonderlijke melding en aktename vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het zo dat de aktename van de melding geacht wordt zonder voorwerp te zijn als de vergunning voor een project dat zowel meldings- als vergunningsplichtig is uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd. Dit geldt wel met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM (art. 34 en 38 van het Decreet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 1. - De samenstelling van een meldingsdossier Art. 136.Artikel 107 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bepaalt dat de overheid die bevoegd is voor de melding, de overheid is die bevoegd is voor het initiële project. Het initiële project is minstens één of, in voorkomend geval, het geheel van stedenbouwkundige handelingen, exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten op een bepaalde locatie, dan wel het verkavelen van een grond dat onderworpen is aan de vergunnings- of meldingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting bij het Decreet betreffende de omgevingsvergunning werd dit geïllustreerd met volgende voorbeelden : - een melding van een klasse 3 activiteit zonder bouwwerken gebeurt steeds bij het schepencollege; - een latere melding van een verbouwing aan een Vlaams project gebeurt bij de Vlaamse Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inrichting van de klasse 3 die onderdeel is van een ingedeelde inrichting van de klasse 1 of 2 is eveneens vergunningsplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon die de melding verricht gebruikt hiertoe het formulier opgenomen in bijlage 7 en de bijlage 2 uit de addendabibliotheek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het Decreet betreffende de omgevingsvergunning stelt dat de bevoegde overheid de ambtenaar die bevoegd is voor de aktename moet machtigen, voorziet voorliggend besluit dat de gewestelijke omgevingsambtenaar deze taak opneemt voor wat betreft meldingen waarvoor de Vlaamse Regering bevoegd is. Art. 137.Is een meldingsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit onlosmakelijk verbonden met de woonfunctie van een onroerend goed dat hoofdzakelijk voor bewoning wordt gebruikt, dan staat de eigenaar van het onroerend goed in voor de melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om het geval waarbij het onroerend goed hoofdzakelijk, dus niet noodzakelijk uitsluitend, gebruikt wordt voor bewoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding gebeurt door diegene die door de mede-eigenaars is belast met het beheer van het goed (de syndicus) wanneer er meerdere eigenaars zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2. - Bekendmaking Art. 138.Ook een meldingsakte, het document waaruit blijkt dat de bevoegde overheid akte heeft genomen van een melding, moet worden bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gebeurt door : 1. een aanplakking van een affiche op de plaats waar het voorwerp van de melding uitgevoerd zal worden, 2.een publicatie op de website van de gemeente, 3. een individuele kennisgeving, 4.een terinzagelegging op de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkt dat de melding niet nodig was of dat de voorgenomen handeling verboden is, dan zal diegene die de melding heeft verricht daarvan in kennis gesteld worden. Art. 139.Dit artikel bepaalt hoe de aanplakking van de meldingsakte moet gebeuren. Daarvoor wordt verwezen naar artikel 59 van het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opschrift van de affiche luidt \"BEKENDMAKING MELDINGSAKTE\". Art. 140.De meldingsakte moet eveneens aan een aantal personen en instanties meegedeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon die de melding heeft verricht, wordt met een beveiligde zending in het bezit van de meldingsakte gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ter beschikking stellen van de meldingsakte aan anderen gebeurt bij digitale zending.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 7. - DE OMGEVINGSAMBTENAREN Hoofdstuk 1. - De gewestelijke omgevingsambtenaren Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning voorziet in de figuur van een gewestelijke omgevingsambtenaar. De door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaren moeten gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gewestelijke omgevingsambtenaar zal in een aantal gevallen beslissingen kunnen nemen over vergunningsaanvragen. Art. 141.Dit artikel bevat nadere bepalingen over de gewestelijke omgevingsambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste paragraaf vermeldt de gewestelijke omgevingsambtenaren die van rechtswege zijn aangesteld. Paragraaf 2 geeft aan dat de Vlaamse ministers, bevoegd voor ruimtelijke ordening en het leefmilieu bijkomend gezamenlijk gewestelijke omgevingsambtenaren kunnen aanwijzen. Alleen ambtenaren van niveau A uit de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, komen in aanmerking om te worden aangewezen door de ministers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gewestelijke omgevingsambtenaren samen moeten gezamenlijk over voldoende kennis beschikken van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de ministers aangewezen gewestelijke omgevingsambtenaren worden aangewezen voor een maximumtermijn van zes jaar. Deze termijn is hernieuwbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling kan ten allen tijde onmiddellijk worden beëindigd hetzij bij ministerieel besluit, na advies van de leidend ambtenaar of op verzoek van de gewestelijke omgevingsambtenaar zelf. Art. 142.Dit artikel verduidelijkt dat de gewestelijke omgevingsambtenaren mogen beslissen over de ontvankelijkheid en volledigheid van vergunningsaanvragen, verzoeken en ambtshalve initiatieven tot bijstelling van de omgevingsvergunning, mededelingen met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een vergunning van onbepaalde duur en beroepen waarvoor de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereidende taken of taken m.b.t. de bekendmaking van beslissingen kunnen door personeelsleden van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, gedaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2. - De gemeentelijke omgevingsambtenaren Daar waar de huidige regelgeving ruimtelijke ordening spreekt over gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaren en de huidige milieuregelgeving het (zeer beperkt) heeft over een milieuambtenaar, voert het Decreet betreffende de omgevingsvergunning de gemeentelijke omgevingsambtenaar in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het zo dat de aangestelde ambtenaar of ambtenaren gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich moeten verenigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zal door de complexiteit van zowel de milieuregelgeving als de regelgeving ruimtelijke ordening, een masterdiploma noodzakelijk zijn, met de nodige specifieke opleidingen/opleidingsonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen moet het ook mogelijk zijn om de via ervaring verworven kennis gelijk te stellen met eventuele diploma- en opleidingsvereisten. Afdeling 1. - Aanwijzing van de gemeentelijke omgevingsambtenaren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 143</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen worden aangewezen als gemeentelijk omgevingsambtenaar moet men houder zijn een diploma dat toegang geeft tot niveau A of niveau B én beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar De gemeentelijke omgevingsambtenaren moeten niet noodzakelijk personeelslid zijn in de betrokken gemeente. Ze kunnen even goed werkzaam zijn bij zijn van een intergemeentelijk samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook contractuele persopneelsleden kunen conform het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1967 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze personen moeten samen ook over voldoende kennis van milieu en ruimtelijke ordening beschikken. Waaruit deze voldoende kennis bestaat, wordt in titel 7, hoofdstuk 3, van dit besluit nader bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren van niveau B die niet beschikken over een relevante aantoonbare beroepservaring van minstens twee jaar kunnen toch als gemeentelijk omgevingsambtenaar worden aangeduid op voorwaarde dat op de datum van goedkeuring van dit besluit in het Belgisch Staatsblad de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning een van hun hoofdtaken was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren van niveau C kunnen als gemeentelijke omgevingsambtenaar worden aangewezen mits de administratieve behandeling van aanvragen tot milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gedurende minstens vijf jaar een van hun hoofdtaken was op de datum van goedkeuring van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mogelijkheden gelden naast de overgangsmaatregelen, voorzien in het Decreet betreffende de omgevingsvergunning. Afdeling 2. - Onverenigbaarheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 144</span><span class=\"lf-art-t\">De gemeentelijke omgevingsambtenaar kan geen secretaris of ontvanger zijn zoals bedoeld in de wetgeving op de gemeentelijke instellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt wel gewezen op artikel 9, § 3, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning dat stelt dat de gemeentesecretaris of iemand die hij aanwijst de taken van de gemeentelijke omgevingsambtenaar waarnemend uitoefent als er geen gemeentelijke omgevingsambtenaar binnen de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband beschikbaar is. Afdeling 3. - Aanwijzingsvoorwaarden van waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar Art. 145.Dit artikel somt de diplomavoorwaarden op waaraan personeelsleden van de gemeentelijke administratie of het intergemeentelijk samenwerkingsverband moeten voldoen om als waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar aangeduid te kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die de taken van waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar willen uitoefenen, moeten houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A of B. Ook personen die houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau C, kunnen als waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar worden aangewezen op voorwaarde dat ze op het ogenblik van hun aanwijzing betrokken zijn bij de uitvoering van de gemeentelijke taken inzake ruimtelijke ordening of leefmilieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien wordt een maximumduur bepaald waarvoor een waarnemend gemeentelijk omgevingsambtenaar aangewezen kan worden als deze niet aan de aanwijzingsvoorwaarden voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3. - Kwaliteitseisen Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning machtigt de Vlaamse Regering om de kwaliteitseisen vast te leggen waaruit de voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen gewestelijke of gemeentelijke omgevingsambtenaar of -ambtenaren moeten gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. Art. 146.Deze kennis inzake ruimtelijke ordening en milieu kan zowel blijken uit een diploma als uit beroepservaring. Men moet een relevante beroepservaring kunnen aantonen van minstens twee jaar, inzake ruimtelijke ordening respectievelijk inzake milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL 8. - DIGITALISERING Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen Art. 147.Dit artikel bepaalt dat de Vlaamse overheid een uitwisselingsplatform ter beschikking stelt. Op dit uitwisselingsplatform worden de stukken en gegevens met betrekking tot de volgende procedures opgenomen en uitgewisseld : 1. de projectvergadering;2. de vergunningsprocedure, in eerste en laatste aanleg;3. de meldingsprocedure;4. de procedure tot bijstelling van de omgevingsvergunning in eerste en laatste aanleg;5. de procedure tot afwijking van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden;6. de procedure tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur;7. de meldingsprocedure van de overdracht. Toegang tot dit uitwisselingsplatform wordt verkregen via het omgevingsloket. Art. 148.Daarnaast stelt de Vlaamse overheid ook een omgevingsvergunningenregister ter beschikking waarin het digitale dossier wordt opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit register omvat onder andere de databank van de omgevingsvergunningen die toelating verlenen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.2.2. van het DABM. Art. 149.Het Departement RWO en het Departement LNE zullen gezamenlijk technische richtlijnen ter beschikking stellen die gerespecteerd moeten worden bij het opslaan van het digitaal dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijnen zullen onder meer de structurele data aangeven die voor elk dossier afzonderlijk moet worden ingegeven, zodat het register op een eenvoudige manier maar accuraat te raadplegen is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. - Uitwisselingsplatform en omgevingsloket Afdeling 1. - Toegang</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-150\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 150</span><span class=\"lf-art-t\">Het omgevingsloket en het uitwisselingsplatform zijn toegankelijk via een webtoepassing van de Vlaamse overheid, de provincie of de gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze toegang is slechts mogelijk via : 1. een e-ID kaart;2. een federaal token;3. een VO-token;4. een certificaat getekend door het certificatenbeheerplatform van de Vlaamse overheid;5. een andere authenticatie die aanvaard is door de ministers bevoegd voor de ruimtelijke ordening en het leefmilieu. Het aanmelden met een eID kaart gebeurt door de elektronische identiteitskaart in de kaartlezer te steken en vervolgens de PIN-code in te geven wanneer daarom gevraagd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een federaal token kan men aanvragen via volgende website : http ://www.belgium.be/nl/online_dienst/app_zich_inschrijven.jsp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het VO-token is een tool waarmee een gebruiker met een druk op de knop een eenmalig wachtwoord oproept. Het VO-token en de PIN-code die hierbij hoort, worden bezorgd door de beheerder van de applicatie waar u zich op wilt aanmelden Het certificatenbeheerplatform (4° ) betreft een technisch instrument waarlangs Vlaamse overheidsinstellingen servercertificaten kunnen aanvragen met het oog op digitale communicatie tussen servers in het kader van toepassingen van de Vlaamse Overheid.</p></div>", "next": 238868}