{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/07/1999 numac 1999012495 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot vaststelling van een model van de PWA-arbeidsovereenkomst en tot uitvoering van artikel 17, 3° van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst sluiten1, namelijk het niet consequent vervangen van \"milieudeskundige\" door \"laboratorium\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.6.5, § 4. Het betreft een verduidelijking van de term \"nieuwe omgevingsvergunning de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit\". Er wordt met name verduidelijkt dat de rapporten moeten worden toegevoegd bij het aanvragen van hernieuwing of een omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een vergunning van onbepaalde duur voor de exploitatie van een bestaande stortplaats</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.2.5.3.2, § 3, van titel II van het VLAREM. In dit artikel wordt namelijk nog steeds verwezen naar het vroegere compendium AAC (Afvalstoffen Analyse Compendium). Vanaf 10 september 2002 zijn de analysemethoden opgenomen in het Compendium voor Monsterneming en Analyse (CMA) in uitvoering van het Materialendecreet en het Bodemdecreet. Behalve AAC-methoden wordt in de huidige artikelen eveneens verwezen naar andere methoden (Duitse, Franse, Internationale) die veelal niet meer up-to-date zijn en/of zijn geïntegreerd in de huidige Europese normmethoden. De referenties van de analysemethoden worden met deze wijzigingsartikelen geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de huidige CMA Artikel 45, § 2 van het VLAREL bepaalt dat het erkende laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses de methoden opgenomen in het CMA moet toepassen. Omwille van deze verplichting wordt de term `aanbevolen' geschrapt in de voormelde artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.2.5.3.3, eerste lid, 1° van titel II van het VLAREM. Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2 Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt de artikels 5.2.5.6.5, 5.2.5.6.6 en 5.2.5.6.7 in in subafdeling 5.2.5.6 van titel II van het VLAREM. De voorwaarden van afdeling 5.2.5. `monostortplaatsen voor baggerspecie' worden aangepast naar analogie met de voorwaarden van afdeling 5.2.4. 'Stortplaatsen van afvalstoffen in of op de bodem' en conform de Europese richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. De voorwaarden hebben betrekking op de bescherming van het grondwater, de topografie van de stortplaats en het jaarrapport van de stortplaats</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.3.2.4, § 2, van titel II van het VLAREM. `v.g.t.g.' wordt in artikel 1.1.2. gedefinieerd als `in de vergunning vast te stellen gehalte in de gevallen waarin voor de betrokken parameter geen sectorale lozingsvoorwaarden zijn vastgesteld'. Deze definitie is met andere woorden niet gebaseerd op het voorkomen van een overmatige belasting met zuurstofbindende stoffen van het oppervlaktewater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.4.3.1.4, § 2, eerste lid, 5°, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.4.3.2.3, § 4, van titel II van het VLAREM zodat het vermelde verslag als alternatief kan dienen voor de periodieke meetverplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heft paragraaf 2 van artikel 5.6.1.1.9, van titel II van het VLAREM op. Deze bepaling wordt nu opgevangen door het gewijzigde artikel 4.1.3.1. van de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen. Om dubbele bepalingen te vermijden, wordt dezelfde formulering in artikel 5.6.1.1.9 (sectorale milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen) geschrapt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Punt 1° Dit punt wijzigt punt 1° van artikel 5.6.1.2.8, § 1, van titel II van het VLAREM. Met dit wijzigingsartikel wordt de noodzakelijke inhoud van het beperkt onderzoek verduidelijkt en vervolledigd, met name de bijkomende documenten die ingekeken dienen te worden door de erkende milieudeskundige of erkend stookolietechnicus Punt 2° Dit punt wijzigt punt 8° van artikel 5.6.1.2.8, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter de correctie van een verwijzingsfout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° Dit punt voegt een nieuw punt 9° toe aan artikel 5.6.1.2.8, § 1, van titel II van het VLAREM inzake een onderzoek op de goede staat van de koolwaterstofafscheider.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4° Dit punt wijzigt artikel 5.6.1.2.8, § 2, 5° van titel II van het VLAREM. Er wordt verduidelijkt dat de periode van dichtheidsbeproeving van 1 uur ook geldt bij onderdruk. Art. 91.Dit artikel wijzigt artikel 5.6.1.2.9, artikel 5.6.1.3.15, artikel 5.17.4.2.9, en 5.17.4.3.17 van titel II van het VLAREM. Samenhangend met de wijziging van de voorwaarden inzake het beperkt onderzoek, worden de voorwaarden voor het toekennen van een klever of plaat gewijzigd, in die zin dat rekening moet gehouden worden met de geldende milieuvergunning of aktename. Art. 92.Dit artikel wijzigt artikel 5.6.1.2.11, § 6, en 5.6.1.3.17, § 5, van titel II van het VLAREM. Deze bepalingen worden afgestemd op hun analoge bepalingen in artikel 5.17.4.2.11 en 5.17.4.3.19, waarin verwezen wordt naar scheidingsafstanden in plaats van afstandsregels. Art. 93.Dit artikel wijzigt artikel 5.6.1.3.11 van titel II van het VLAREM. De mogelijkheid tot zelfcontrole door een bedrijfseigen laboratorium wordt verduidelijkt met de te volgen methodes en goedkeuringen conform artikel 4.2.5.3.1. Art. 94.Dit artikel wijzigt artikel 5.6.1.3.14, § 1, van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 5.6.1.3.14, § 1, tweede lid, punt 1° van titel II van het VLAREM. Met dit wijzigingsartikel wordt de noodzakelijke inhoud van het beperkt onderzoek verduidelijkt en vervolledigd, met name de bijkomende documenten die ingekeken dienen te worden door de erkende milieudeskundige of erkend stookolietechnicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Dit punt wijzigt artikel 5.6.1.3.14, § 1, tweede lid, punt 4° van titel II van het VLAREM. Het betreft louter het rechtzetten van een foutieve nummering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° Dit punt voegt een nieuw punt j) toe aan artikel 5.6.1.3.14, § 1, tweede lid, 4°, van titel II van het VLAREM inzake een onderzoek op de goede staat van de koolwaterstofafscheider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.7.2.5 van titel II van het VLAREM. Met deze wijziging wordt ervoor gezorgd dat er een duidelijkere verwijzing is naar de bedoelde meetmethodes in artikel 4, § 1, van bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM en wordt ervoor gezorgd dat er geen tegenstrijdigheid optreedt tussen artikel 4, § 2, van bijlage 4.2.5.2 en de in dit artikel vermelde volgorde van te volgen meet- en analysemethoden. De in de artikels opgesomde volgorde is verschillend aangezien deze een letterlijke vertaling is van de richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010 inzake industriële emissies of de BBT-conclusies, terwijl artikel 4, § 2, van bijlage 4.2.5.2 reeds een te volgen volgorde bepaalde indien er geen WAC-methode gespecifieerd is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.7.3.2, § 5, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter het rechtzetten van een verwijzingsfout</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.9.2.2, § 5, van titel II van het VLAREM, en zet een verkeerde verwijzing recht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.9.2.3, § 2, van titel II van het VLAREM, en zet een verkeerde verwijzing recht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 99</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.9.5.2 van titel II van het VLAREM en zet enerzijds een spellingsfout recht en betreft anderzijds louter een terminologische aanpassing ter verduidelijking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 100</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.9.5.3 van titel II van het VLAREM en betreft louter een terminologische aanpassing ter verduidelijking</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 101</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.9.6.1, § 2, 2° en 3°, van titel II van het VLAREM door de woorden inheems(e) te schrappen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 102</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.9.7.1, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreffen terminologische aanpassingen en een aanpassing van een verkeerde verwijzing</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heft het tweede lid op in artikel 5.9.8.4, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreffende lid werd eerder toegevoegd aan deze bepaling daar het reinigingswater van pluimveestallen als mengmest wordt beschouwd en de pluimveehouders door de afdeling Handhaving ten onrechte een verplichting kregen opgelegd voor het plaatsen van peilbuizen. Echter schept deze toevoeging heel wat verwarring en is deze in strijd met de bepalingen van het Mestdecreet. Elke waterige stroom die mest bevat is immers mengmest en moet opgevangen en/of uitgereden worden conform de bepalingen in het Mestdecreet. De problematiek in verband met de peilbuizen is ondertussen uitgeklaard met de afdeling Handhaving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 104</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel heft de tussentitel \"De opvolging van de nutriëntenstroom\" op in afdeling 5.9.11 van titel II van het VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een artikel 5.9.11.3 toe aan afdeling 5.9.11 van titel II van het VLAREM. Hiermee wordt de verwijzing naar de EU-Verordening nr. 592/2014 opgenomen in VLAREM II. Er wordt bepaald dat het gebruik van bedrijfseigen kippenmest als brandstof is toegestaan als aan de bepalingen uit de EU-Verordening nr. 592/2014 is voldaan en de vrijkomende energie steeds nuttig kan worden toegepast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 106</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een afdeling 5.9.13 toe aan hoofdstuk 5.9 van titel II van het VLAREM. Publiek toegankelijke inrichtingen waar dieren worden gehouden zijn ingedeeld in rubriek 9.1 en in afdeling 5.9.13 van titel II van het VLAREM zijn sectorale milieuvoorwaarden voor deze inrichtingen opgenomen. De bepalingen zijn niet van toepassing op de kleinschalige kinderboerderijen, gekoppeld aan een land- of tuinbouwbedrijf In de sectorale voorwaarden wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds inrichtingen die publiek toegankelijk zijn gedurende zeven dagen of meer per jaar, en anderzijds inrichtingen die minder dan zeven dagen per jaar publiek toegankelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sectorale voorwaarden die voor alle inrichtingen ingedeeld in rubriek 9.1 van toepassing zijn, zijn gericht op het uitbaten van een dergelijke inrichting volgens het principe van een `goede huisvader': bescherming van de bezoekers, gebruik van materialen die voldoende stevig zijn en goed onderhoud mogelijk maken, voorzien van hygiënische omstandigheden, beheer van kadavers, mestopslag, rookverbod, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sectorale voorwaarden, die alleen van toepassing zijn op inrichtingen die publiek toegankelijk zijn gedurende zeven dagen of meer per jaar, zijn gebaseerd op: - de sectorale voorwaarden van afdeling 5.32.3 (schouwspelzalen) maar rekening houdend dat de meeste activiteiten buiten plaatsvinden; - bijzondere voorwaarden opgenomen in de vergunningenbesluiten van inrichtingen die nu als dierentuin (rubriek 9.2.1.a) zijn vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt tevens een afdeling 5.9.14 toe aan hoofdstuk 5.9 van titel II van het VLAREM. Inrichtingen waarin amfibieën, reptielen of ongewervelden worden gehouden, zijn ingedeeld in rubriek 9.2 en in afdeling 5.9.14 van titel II van het VLAREM zijn sectorale milieuvoorwaarden voor deze inrichtingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een definitie opgenomen van een terrarium en een omschrijving van de minimale vereisten. De nieuwe sectorale voorwaarden zijn gericht op het zoveel beperken van het ontsnappingsrisico van de dieren en het voorzien van een informatiebord op het terrarium met daarop nuttige informatie omtrent de aanwezige dieren en hun kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe sectorale voorwaarden zijn gebaseerd op: - handleidingen op de website van Lacerta, een Nederlands platform dat informatie bundelt omtrent het houden en verzorgen van slangen, amfibieën, en dergelijke; - bijzondere voorwaarden die in concrete dossiers al zijn voorgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.12.0.1 van titel II van het VLAREM. De uitzonderingen in het tweede lid van artikel 5.12.0.1 worden via de sneltrein omgevingsvergunning opgenomen in de indelingslijst. De vermelding in artikel 5.12.0.1 is bijgevolg overbodig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 108</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.4, § 1, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 109</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.5, § 2, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 110</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.6, § 2, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.7 van titel II van het VLAREM. Punten 1° en 2° De verplichting om geaccidenteerde voertuigen op een vloeistofdichte vloer te plaatsen, is ook van toepassing op de plaatsen waar voertuigwrakken worden gestald waarvan de opslag niet is ingedeeld in de rubriek 2.2.2.d), conform de wijziging van rubriek 15.6. Hierdoor moet de formulering van artikel 5.15.0.7 worden aangepast. Het stallen van voertuigwrakken is alleen uitgezonderd onder de rubriek 2.2.2.d) indien deze voertuigwrakken worden gestald in functie van een regelmatige afvoer. Het moet dus gaan om een beperkte opslag. Om die reden wordt er in de overeenkomstige sectorale voorwaarden een artikel toegevoegd dat stelt dat er niet meer dan 15 voertuigwrakken, waarvan de opslag niet is ingedeeld in de rubriek 2.2.2.d), mogen gestald worden Punt 3° Voorwaarden voor een uniforme aanpak aangaande de goede werking en het onderhoud van koolwaterstofafscheiders blijken noodzakelijk uit de huidige vergunningverlening. Om hieraan tegemoet te komen wordt een afdeling 4.2.3BIS. ingevoegd en wordt er op zes verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM, waar nu sprake is van een koolwaterstofafscheider, louter nog verwezen naar deze nieuwe afdeling. Dit is dus een vereenvoudiging van de wetgeving. Art. 112.Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.10 van titel II van het VLAREM. Voorwaarden voor een uniforme aanpak aangaande de goede werking en het onderhoud van koolwaterstofafscheiders blijken noodzakelijk uit de huidige vergunningverlening. Om hieraan tegemoet te komen wordt een afdeling 4.2.3BIS. ingevoegd en wordt er op zes verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM, waar nu sprake is van een koolwaterstofafscheider, louter nog verwezen naar deze nieuwe afdeling. Dit is dus een vereenvoudiging van de wetgeving. Art. 113.Dit artikel wijzigt artikel 5.16.1.2, § 3, van titel II van het VLAREM. Art. 114.Dit artikel wijzigt artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM. Punt 1° : Deze wijziging past dit artikel aan aan de meest recente versies van de vermelde koninklijke besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° : Sinds 5 september 2016 moeten een koeltechnicus en een koeltechnisch bedrijf over zowel een Europees certificaat volgens verordening 2015/2067 van 17 november 2015 of zijn voorganger verordening 303/2008 van 2 april 2008 als een Vlaams erkenningsbewijs volgens de wetgeving VLAREL beschikken om bepaalde activiteiten te mogen uitvoeren aan een koelinstallatie met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen in het Vlaamse Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bezit van een Europees certificaat alleen is sinds die datum niet meer voldoende. Het Vlaamse erkenningsbewijs bevat een erkenningsnummer, het Europese certificaat een certificaatnummer. In de praktijk zijn het certificaatnummer en erkenningsnummer dikwijls hetzelfde nummer maar dit is dus niet altijd het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat een erkend koeltechnicus in het installatiegebonden logboek zijn erkenningsnummer van het Vlaamse erkenningsbewijs moet invullen en dus niet zijn Europees certificaatnummer. Art. 115.Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.3.5 van titel II van het VLAREM. Dit artikel maakt vullen op volume voor ballonvaarttanks mogelijk, dit naar aanleiding van een vraag van de KBBF (Koninklijke Belgische Ballonvaart Federatie) om VLAREM aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de ballonvaartsector wordt propaan in gasflessen gebruikt als brandstof voor de branders in de heteluchtballonnen. Deze gasflessen worden vastgesjord in de mand. Deze gasflessen zijn specifiek voor de ballonvaartsector en zijn goedgekeurd voor één of meerdere specifieke heteluchtbalonnen. Niet elke gasfles kan in iedere heteluchtballon gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil tussen ballonvaarttanks en de overige gasflessen zijn: 1. de ballonvaarttanks worden jaarlijks geïnspecteerd door een CAMO-gecertificeerd onderhoudsbedrijf (CAMO = Continuing Airworthiness Management Organization conform het European Aviation Safety Agency (EASA)).Voor verplaatsbare recipiënten geldt in België volgens het Koninklijk Besluit van 12/06/1989 een keuringstermijn van 10 à 15 jaar afhankelijk van het type fles. 2. voor het gebruik van propaan in een luchtballon worden tanks gebruikt waaruit de propaan in vloeibare vorm wordt onttrokken door een standbuis naar de bodem van de tank;3. de tank wordt tevens gevuld door dezelfde standbuis via dezelfde afsluiter;als afsluiter worden diverse typen spindelkranen gebruikt, maar ook kogelkranen die dan vallen onder de benaming `quick shut off valves'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achter de kraan is nog een terugslagklep geplaatst; 4. om de 80%-vulling van de tank te controleren is een `bleed valve' aanwezig op de tank die door een buisje vanaf de bovenzijde reikt tot het maximaal te vullen vloeistofniveau;5. de ballonvaarttanks zijn altijd voorzien van een volumemeetsysteem door een vlotter in de vloeistof.Vanwege de lengte-breedteverhouding van de tank beslaat het meetbereik van deze vlotter veelal alleen de laatste 35 % ss 40 % van de tank; 6. gastanks voor het gebruik in een luchtballon zijn uitgevoerd met een overdrukventiel (PRV). De gasflessen moeten gevuld worden volgens de procedure beschreven in de Flight Manuals, die conform is aan de luchtvaartvoorschriften van de European Aviation Safety Agency (EASA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure is gebaseerd op het vullen op volume en is een algemeen aanvaarde vultechniek binnen de wereld van de heteballon luchtvaart. Door de specifieke constructie van de gasfles en het volgen van deze procedure kan de gasfles voor maximaal 80% worden gevuld. Door het vullen op volume wordt voorkomen dat er een te grote druk heerst binnen de gasfles. Een te grote druk binnen de gasfles kan de aanleiding zijn dat er geen vloeibare propaan uit de fles stroomt in volle vlucht. Dit dient te allen tijde voorkomen te worden. Ook in Nederland is vullen op volume van ballonvaarttanks een gangbare praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de indelingslijst zijn inrichtingen voor het niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten en voor de bevoorrading van motorvoertuigen met gevaarlijke gassen op basis van de etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 of GHS06 ingedeeld in rubriek 16.4.1°. Dit is een klasse 1 rubriek met de verplichting tot het aanstellen van een milieucoördinator type B. Propaan is gekenmerkt met het gevarenpictogram GHS02 (ontvlambaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de huidige VLAREM II-wetgeving dienen de gasflessen gevuld te worden op gewicht conform artikel 5.16.4.3.5, § 9. Hierin staat vermeld dat \"De vulinstallatie moet zo zijn opgevat dat het vullen automatisch stopt bij het overschrijden van een vooraf ingesteld gewicht\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is volgens de KBBF in tegenstrijd met de vulprocedure beschreven in de flight manual waarbij er, zoals hoger aangehaald, gevuld dient te worden op basis van volume. Omwille van de vliegveiligheid en bijgevolg de mogelijke aansprakelijkheid van de piloot/gezagvoerder moet om veiligheidsredenen in de luchtvaart de voorkeur gegeven worden aan de flight manual.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vullen op volume boven een weegschaal heeft volgens de KBBF geen meerwaarde. De meerprijs van de investering in een afvulinstallatie op basis van gewicht conform artikel 5.16.4.3.5 van VLAREM II bedraagt zo'n 12.000 EUR. Technisch gezien is de VLAREM-voorwaarde zoals ze vandaag is wel degelijk haalbaar voor bepaalde ballonvaarders: er staat bij een bepaalde exploitant immers een volledig VLAREM-conforme installatie, waarbij het vullen stopt bij een vooraf ingesteld gewicht, waarbij er tevens met open ventiel gevuld wordt, en op dit ventiel een aansluiting is waarbij mogelijks overtollig gas teruggevoerd wordt naar de (ondergrondse) opslagtank. Hierbij wordt zowel aan de voorwaarden van VLAREM voldaan, als aan de voorwaarde van de flight manual om met open ventiel te tanken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De KBBF heeft een analyse laten doen door een erkend VR-deskundige in een nota van 24 november 2015 en een addendum dd. 15 januari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin worden beide vultechnieken met hun voor- en nadelen besproken en is er geen uitgesproken voorkeur voor één van beide technieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootste nadeel van vullen op volume is dat er bij de huidige praktijk bij de meeste ballonvaarders, er bij elke vulling een gedeelte gas via de \"bleed valve\" vrijkomt in de atmosfeer. De eerste nota van de VR-deskundige formuleert dan ook een aantal minimaal te volgen aanbevelingen om de veiligheid van mens en milieu te waarborgen tijdens het vullen op volume. Deze zijn als volgt: ? De vuloperatie moet steeds in de buitenlucht gebeuren op voldoende afstand van de gebouwen in de omgeving. De veiligheidsafstanden moeten voldoen aan de VLAREM II. ? Rond het vulpunt moet een risicozone worden vastgelegd waarbinnen geen ontstekingsbronnen aanwezig mogen zijn, tenzij ze aan bepaalde voorschriften voldoen (ATEX-conform). Het vrijgezette debiet lijkt beperkt te zijn tot minder dan 1g/s (Vuloperatie: 44 l in 5 minuten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien wordt geschat dat de vrijzetting zich gedurende ongeveer 1% van de tijd voordoet (naar schatting 800 vullingen op jaarbasis voor een typische ballonvaarder) waardoor het zou gaan om een primaire gevarenbron conform NPR 7910-1:2010. Dit is in lijn met de praktijk rond plaatsen waar installatiedelen frequent worden aan- of afgekoppeld, bijvoorbeeld bij verlaadinstallaties (met andere woorden, de situatie omtrent zonering is onafhankelijk van de vultechniek en dit dient dus ook te gebeuren voor het vullen op gewicht). In de bijkomende nota van de VR-deskundige werd een inschatting gedaan van de hoeveelheid gas die vrijkomt per vulling. Bij een vuloperatie van 5 minuten, een gastank met een watervolume van 80 l, een druk van 7 bar en een vulling tot maximaal 80%, is een totale uitstroom van ongeveer 0,7 kg gas te verwachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze hoeveelheid wordt gemodelleerd op een hoogte van 1 m, bij weerscondities F-1,5 m/s, hetgeen als een conservatief scenario te beschouwen is. Hierbij wordt de LEL (lower explosion limit - laagste concentratie waarbij het gasmengsel kan aanleiding geven tot een explosie) bereikt op een afstand van ongeveer een halve meter, waarbij de wolk dan een maximale breedte heeft van een 5-tal cm. De 40% LEL wordt bereikt op ongeveer een meter (max. breedte wolk 10 cm) en de 10% LEL wordt bereikt op ongeveer 3 meter (max. breedte wolk 40 cm). Als men uitgaat van een veiligheidsfactor van 2 t.o.v. de LEL (dus 50% LEL) kan men stellen dat er geen risico meer is op explosie buiten een zone van 1 m van de fles, tenzij er accumulatie zou optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontsteking binnen deze zone is een korte steekvlam te verwachten, die blijft branden tot de gasvoer wordt afgesloten. Hierbij moet aanstralen van de opslagtank vermeden worden, vandaar ook de noodzaak tot zonering tijdens het vullen. ? Een cruciaal punt is uiteindelijk de aanwezigheid van de operator tijdens de vuloperatie. Deze aanwezigheid moet te allen tijde gegarandeerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ons inziens gekozen worden om voor ballonvaarttanks te opteren voor het vullen op volume, mits er voldoende voorwaarden voorzien zijn die garanties voor een veilig proces garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volledigheid is nog te vermelden dat de vulinstallatie moet voldoen aan de voorwaarden van titel II van het VLAREM van Afdeling 5.16.4. Niet-huishoudelijk vullen van verplaatsbare recipiënten en bevoorrading van motorvoertuigen met lpg, en meer specifiek voor de vulpost Subafdeling 5.16.4.3. Vulcentra voor verplaatsbare recipiënten die vloeibaar gemaakte petroleumgassen bevatten. De opslagtank met lpg van waaruit getankt wordt is ingedeeld, evenals de opslag van gassen in de ballonvaarttanks, waardoor dus de voorwaarden van afdeling 5.17.3 \"Opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen\" en meer specifiek subafdeling 5.17.3.2 \"Opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten (voor de opslag van de ballonvaarttanks)\" en subafdeling 5.17.3.3 \"Opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in vaste reservoirs (voor de opslag van LPG in een vaste houder)\" van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek voor ballonvaarders worden in art. 5.16.4.3.5, § 8, van titel II van het VLAREM een zin toegevoegd waarin de verplichting tot het plaatsen van gasdetectoren op de vulplaats vervalt voor het vullen van ballonvaarttanks waarbij gevuld wordt op volume, zonder gasterugvoer. Concreet geldt deze uitzondering alleen voor gastanken in open lucht, en is de hoeveelheid gas die vrijkomt zeer beperkt. Bij gastanken van ballonvaarttanks in open lucht en bij gunstige weersomstandigheden, is niet te verwachten dat de gasdetectie vaak in actie zal komen. In Nederland is dit voor zulke installaties evenmin een verplichting en de meerwaarde weegt niet op tegen de meerkost.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">5, § 9, van titel II van het VLAREM wordt aangevuld met de mogelijkheid om te vullen op volume voor ballonvaarttanks onder bepaalde voorwaarden: 1° de ballonvaarttanks worden minstens jaarlijks geïnspecteerd door een CAMO-gecertificeerd onderhoudsbedrijf: dit is een gevoelige verhoging van de inspectiefrequentie in vergelijking met andere gasflessen;2° het vullen op volume gebeurt altijd in open lucht: dit om ophoping van gas te voorkomen en dit is volgens de KBBF ook de huidige praktijk;3° het vullen van ballonvaarttanks in de ballonmand is verboden: deze voorwaarde is in overeenstemming met de PGS 23 uit Nederland, eveneens om gasophoping te voorkomen.4° de vulprocedure gebeurt volgens de richtlijnen van het vluchthandboek van de ballon waar de ballonvaarttank bij hoort;5° vullen op volume van ballonvaarttanks is verboden bij ongunstige weersomstandigheden zoals mist, waarbij een verhoogde kans op lokale ophoping van gas zou kunnen ontstaan;6° in het vulstation moet een inrichting, zoals een overmaatse lege fles, aanwezig zijn waarmee de ballonvaarttanks kunnen worden leeggemaakt, zonder dat hierbij gas in de atmosfeer wordt afgeblazen: bij een beschadigde of lekkende fles dient hiervan gebruik gemaakt worden indien er nog gas in een beschadigde of lekkende fles aanwezig is;7° beschadigde flessen worden door de exploitant bezorgd aan een door het Directoraat-generaal Luchtvaart erkende werkplaats van het type part M, support F volgens het European Aviation Safety Agency: zulke werkplaats is voorzien om op gepaste wijze met beschadigde flessen om te gaan, deze werkplaatsen zijn specifiek voor ballonvaartactiviteit en hebben een federale erkenning nodig;8° vullen op volume is alleen mogelijk met een dodemansknop: dit is in overeenstemming met de PGS 23;9° er is een noodstopsysteem aanwezig dat vanop minstens 2 plaatsen op het terrein in werking kan worden gebracht.De plaatsen met een noodknop zijn goed bereikbaar, duidelijk aangeduid en bevinden zich aan de vluchtroutes: dit is in overeenstemming met de PGS 23; 10° bij het in werking stellen van een noodknop sluit automatisch de van op afstand gestuurde afsluiter zoals bedoeld in § 11 van dit artikel: dit is in overeenstemming met de PGS 23 Door deze formulering is het ook nog steeds mogelijk voor ballonvaarders die dit wensen, te vullen op gewicht, met inachtneming van de bestaande VLAREM-bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 116</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.0 van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 117</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.2 van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.3, § 2 en § 3, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.4 van \"Subafdeling 5.16.4.4. Bevoorradingsstations van motorvoertuigen met lpg\" van titel II van het VLAREM. In het eerste punt wordt in paragraaf 3 de term \"elektromagnetische kraan\" vervangen door de term \"gestuurde afsluiter\", omdat dit ook het gebruik van pneumatisch gestuurde afsluiters toelaat. Dit type afsluiter biedt een gelijkwaardig veiligheidsniveau als een elektromagnetische kraan en wordt in de praktijk vaak toegepast. In de vorige wijziging van VLAREM was deze wijziging ook al doorgevoerd in bijlage 5.16.6.6.2 van titel II van het VLAREM. In het tweede punt wordt paragraaf 10 vervangen. Hierbij wordt de term \"elektromagnetische kraan\" telkens vervangen door de term \"gestuurde afsluiter\" (zie vorig punt), en wordt de term \"klant\" vervangen door de term \"gebruiker\" om te verduidelijken dat deze voorwaarde zowel voor publiek toegankelijke bevoorradingsstations als voor niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations van toepassing is Met de term \"publiek toegankelijk\" wordt voor de bevoorradingsstations bedoeld dat deze toegankelijk zijn voor externen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-120\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.5, 7°, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.7 van \"Subafdeling 5.16.4.4. Bevoorradingsstations van motorvoertuigen met lpg\" van titel II van het VLAREM. Punt 1° : Dit punt wijzigt voormeld artikel in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM. Punten 2°, 4° en 5° : In het VLAREM worden een aantal begrippen niet consequent gebruikt, zoals tankstation, verdeelstation, lpg-station, bevoorradingsstation... Alle relevante synoniemen in artikel 5.16.4.4.7 worden telkens vervangen door de term \"bevoorradingsstation\", om begripsverwarring te voorkomen Het derde punt vervangt paragraaf 3, waarbij voor niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations bij de vuloperaties toezicht door de exploitant of zijn aangestelde vereist is, zonder dat een controlecabine een verplichting is. Dit verduidelijkt dat deze voorwaarde ook voor niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations geldt. Momenteel is dit ook al zo, maar de verwijzing naar een controlecabine (typisch voor publiek toegankelijke bevoorradingsstations) zou de indruk kunnen scheppen dat dit toezicht voor niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations niet vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde punt wordt de tekst van paragraaf 5 vervangen. Hierbij wordt de term \"elektromagnetische kraan\" in de tweede alinea telkens vervangen door de term \"gestuurde afsluiter\" (zie vorig artikel) en worden de van toepassing zijnde voorwaarden telkens bijkomend gespecificeerd voor niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations.</p>\n<p class=\"lf-p\">Momenteel zijn deze voorwaarden ook al zo, maar deze tekst verduidelijkt dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zevende punt worden paragraaf 6 en 7 vervangen. In de eerste zin wordt de term \"selfservice-installaties\" vervangen door de term \"lpg-stations met selfservice\". Bijkomend wordt een zin toegevoegd waarbij dezelfde verplichting wordt opgelegd bij niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations, maar alleen voor de verdeelzuil omdat een controlecabine voor niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations geen verplichting is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 7 wordt de bestaande tekst vereenvoudigd en bijkomend een zin toegevoegd waarbij dezelfde verplichting wordt opgelegd bij niet-publiek toegankelijke bevoorradingsstations, maar in de nabijheid van het station omdat een controlecabine hierbij geen verplichting is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 122</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 123</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen wijzigen de artikelen 5.16.4.4.8, 5.16.4.4.9 en 5.16.4.4.10 van titel II van het VLAREM. In het VLAREM worden een aantal begrippen niet consequent gebruikt, zoals tankstation, verdeelstation, lpg-station, bevoorradingsstation... Alle relevante synoniemen in deze artikelen worden telkens vervangen door de term \"bevoorradingsstation\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51644\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">10 wordt tevens gewijzigd omwille van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.16.4.4.11, § 2, van titel II van het VLAREM wordt het woord \"verdeelinstallaties\" vervangen door de term \"lpg-stations\". Op deze manier is het duidelijk dat deze voorwaarde enkel geldt voor publiek toegankelijke bevoorradingsstations, zoals bepaald in de definitie van lpg-station in het VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.16.4.4.12 van titel II van het VLAREM worden het woord \"lpg-tankstation\" en het woord \"verdeelinstallaties\" vervangen door de term \"lpg-station(s)\". Op deze manier is het duidelijk dat deze voorwaarde enkel geldt voor publiek toegankelijke bevoorradingsstations, zoals bepaald in de definitie van lpg-station in het VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 127</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.7.4 van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het hele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 128</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikels wijzigt artikel 5.16.7.5, artikel 5.16.7.6, §§ 1 en 2 en artikel 5.16.7.7, §§ 3 en 4, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een nieuwe paragraaf 1/1 in in artikel 5.16.8.2 van titel II van het VLAREM die technische specificaties bevat voor inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met CNG, ter gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, met name van artikel 6, negende lid, waarbij de verwijzing naar de in bijlage II, punt 3.4 van de richtlijn opgenomen technische specificaties voor CNG voor motorvoertuigen, foutief is en moet gelezen worden als punt 3.3</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 131</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.8.3 en artikel 5.16.8.4, § 3, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 132</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.8.7 van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 133</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een nieuwe afdeling 5.16.9 toe aan hoofdstuk 5.16 van titel II van het VLAREM. Deze nieuwe afdeling 5.16.9 heeft betrekking op inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met waterstof en voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, zoals inmiddels aangevuld door de Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/674 van de Commissie van 17 november 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad, met name van artikel 5, tweede lid. De in de richtlijn vermelde technische specificatie ISO/TS 20100 is inmiddels vervangen door ISO/TS 19880 De bepaling van de richtlijn dat connectoren voor motorvoertuigen voor het tanken van gasvormige waterstof moeten voldoen aan de norm EN ISO 17268 (de Europese omzetting van die ISO-norm) is momenteel nog niet uitvoerbaar. Er bestaan wel degelijk connectoren die conform zijn aan de betreffende standaard EN ISO 17268, echter dienen ze nog als dusdanig gecertificeerd te worden. Daarom wordt deze eis pas van toepassing gesteld vanaf het moment dat de certificering van connectoren die voldoen aan de norm EN ISO 17268 is afgerond. Connectoren die geïnstalleerd worden voor deze datum, moeten alleen voldoen aan de norm ISO 17268, versies ISO 17268:2006 of ISO 17268:2012. Er geldt geen eis voor inrichtingen die voor 18 november 2017 in gebruik werden genomen of werden vernieuwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt het artikel 5.17.1.4 opnieuw in in titel II van het VLAREM. Deze wijziging betreft de verplaatsing van artikel 5.17.4.1.8 inzake de voorwaarden voor elektrische installaties, nu enkel voorzien voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, naar de gemeenschappelijke bepalingen voor de opslag van alle gevaarlijke producten, inclusief aerosolen en gassen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 135</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.3.1.2, § 3, 4° van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 136</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.1.3, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een correctie van de eerder doorgevoerde CLP-vertaling, zodat de gevaarlijke vaste stoffen opnieuw gevat worden door deze verbodsbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.1.8 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging betreft de verplaatsing van artikel 5.17.4.1.3 inzake de voorwaarden voor elektrische installaties, nu enkel voorzien voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, naar de gemeenschappelijke bepalingen voor de opslag van alle gevaarlijke producten, inclusief aerosolen en gassen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.1.9 van titel II van het VLAREM. De scope van artikel 5.17.4.1.9 werd onbedoeld aanzienlijk versoepeld bij de omzetting t.g.v. de CLP-verordening. Dit wordt nu gecorrigeerd. Voor 1 juni 2015 zag artikel 5.17.4.1.9 (destijds art. 5.17.1.10) van titel II van het VLAREM er als volgt uit: \"Houders, bestemd voor de opslag van zeer giftige, giftige, schadelijke of corrosieve vloeistoffen die een dampdruk hebben van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 ° C, moeten voorzien zijn van een doeltreffend systeem, zoals een dampterugvoersysteem, een vlottend dak, of een gelijkwaardig systeem, zodat zowel bij de opslag als bij de behandeling luchtverontreiniging tot een minimum wordt beperkt.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor carcinogene stoffen, net als mutagene en reprotoxische stoffen, nu gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08, bestond voor 1 juni 2015 geen aparte indeling volgens de stoffen- en preparatenrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vandaar dat de scope van het toenmalige artikel 5.17.1.10 zeer letterlijk werd vertaald, zonder rekening te houden met CMR-stoffen, en zonder een duidelijk zicht te hebben op mogelijke nieuwe indeling van zeer giftige en giftige vloeistoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benzeen geldt hier als een treffend voorbeeld. Benzeen werd voor 1 juni 2015 ingedeeld als (zeer) licht ontvlambaar en toxisch, en viel voor 1 juni 2015 bijgevolg onder toepassing van bovenstaand artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de nieuwe indeling wordt Benzeen, naast GHS02 (ontvlambare vloeistof van categorie 2 - H225) en GHS07 (irriterend voor de huid, categorie 2 - H315, ernstig oogletsel/oogirritatie, categorie 2 - H319), echter gekenmerkt door (GHS08), namelijk: - Aspiratietoxiciteit, categorie 1 (H304); - Mutageniteit in geslachtscellen 1B (H340); - Kankerverwekkendheid 1A (H350); - Specifieke doelorgaantoxiciteit na herhaaldelijke blootstelling (H372).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierdoor valt benzeen nu niet meer onder het toepassingsgebied van bovenstaand artikel. De giftige eigenschappen van benzeen zijn carcinogene eigenschappen geworden. In die zin werd het toepassingsgebied van bovenstaand artikel dus niet correct vertaalt, en onbedoeld aanzienlijk versoepeld. Bijgevolg kan een aanpassing van het toepassingsgebied, waarbij vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08 zijn inbegrepen, sterk geargumenteerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de toevoeging van vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08 tot de scope van artikel 5.17.4.1.9, dient eveneens artikel 5.17.4.5.2. aangepast te worden. Art. 139.Dit artikel heft paragraaf 2 van artikel 5.17.4.1.13, van titel II van het VLAREM op. Deze bepaling wordt nu opgevangen door het gewijzigde artikel 4.1.3.1. van de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen. Om dubbele bepalingen te vermijden, wordt dezelfde formulering in artikel 5.17.4.1.13 (sectorale milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen) geschrapt. Art. 140.Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.2.4, § 5, tweede lid van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM. Art. 141.Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.2.5, § 8, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM. Art. 142.Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.2.8, van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 5.17.4.2.8, § 1, 1° van titel II van het VLAREM. De noodzakelijke inhoud van het beperkt onderzoek verduidelijkt en vervolledigd, met name de bijkomende documenten die ingekeken dienen te worden door de erkende milieudeskundige of erkend stookolietechnicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Dit punt wijzigt artikel 5.17.4.2.8, § 1, 9° van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een correctie van een verwijzingsfout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° Dit punt voegt een nieuw punt 10° toe aan artikel 5.17.4.2.8, § 1, van titel II van het VLAREM inzake een onderzoek op de goede staat van de koolwaterstofafscheider.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4° Dit punt wijzigt artikel 5.17.4.2.8, § 2, 5° van titel II van het VLAREM. Er wordt verduidelijkt dat de periode van dichtheidsbeproeving van 1 uur ook geldt bij onderdruk. Art. 143.Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.2.11, § 4, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een correctie van een verwijzingsfout. Art. 144.Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.3.12 van titel II van het VLAREM. De mogelijkheid tot zelfcontrole door een bedrijfseigen laboratorium wordt verduidelijkt met de te volgen methodes en goedkeuringen conform artikel 4.2.5.3.1. Art. 145.Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.3.14 van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent \"voertuigen\" doorheen het gehele VLAREM. Art. 146.Dit artikel wijzigt 5.17.4.3.16, § 1, tweede lid van titel II van het VLAREM. Punt 1° Met dit wijzigingsartikel wordt de noodzakelijke inhoud van het beperkt onderzoek verduidelijkt en vervolledigd, met name de bijkomende documenten die ingekeken dienen te worden door de erkende milieudeskundige of erkend stookolietechnicus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Dit punt voegt een nieuw punt k) toe aan artikel 5.17.4.3.16, § 1, tweede lid, punt 4° van titel II van het VLAREM inzake een onderzoek op de goede staat van de koolwaterstofafscheider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 147</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.3.19, § 6, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een correctie van een verwijzingsfout</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 148</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.4.3.1, § 2, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een correctie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 149</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.4.3.3, § 2, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter het rechtzetten van een verwijzingsfout</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-150\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 150</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.5.2, § 1, eerste lid, van titel II van het VLAREM. Door de toevoeging van vloeistoffen gekenmerkt door gevarenpictogram GHS08 tot de scope van artikel 5.17.4.1.9, dient eveneens artikel 5.17.4.5.2. aangepast te worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 151</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt artikel 5.17.4.5.3 van titel II van het VLAREM. In 2016 werd de verplichte controle van de lekdichtheid van bovengrondse opslagtanks met behulp van een IR-camera ingevoerd. Op dat ogenblik was er nog geen Vlaamse erkenning uitgewerkt voor het uitvoeren van deze controles. Er wordt nu gekozen voor de piste van een erkenningspakket voor erkende laboratoria lucht voor het uitvoeren van deze controles met een IR-camera, analoog aan de (OGI = optical gas imaging) controles uitgevoerd met een IR-camera in het kader van LDAR (artikel 4.4.6.2.3 van titel II van het VLAREM). Deze erkenningen worden verleend door het Departement Omgeving op basis van de erkenningsvoorwaarden van het VLAREL, waarbij één van de voorwaarden is dat men voor de aangevraagde pakketten over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest moet beschikken, zijnde VITO. Er werd hiervoor een specifieke technische proef ontwikkeld. Er wordt een overgangstermijn voorzien zodat de huidige uitvoerders van de metingen tot en met 31 december 2019 de tijd hebben om een erkenning te bekomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 152</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.20.2.3, § 1, van titel II van het VLAREM. In dit artikel worden de bepalingen die geldig waren tot 31 december 2015 opgeheven</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt het tweede lid van artikel 5.20.2.7, § 2, van titel II van het VLAREM. De emissiegrenswaarde van 30 mg/Nm3 voor de parameter HCN wordt opgetrokken naar 50 mg/Nm3. Er is geen Best Beschikbare Techniek beschreven in de EU BREF's voor raffinaderijen, noch in de BREF voor Common Waste Water and Waste Gas Treatment voor de reductie van HCN in de afgassen van de katalytische kraakinstallaties volgens het fluId-bed-procedé bij het regenereren van de katalysator. De geïdentificeerde HCN-emissiereducerende technieken zijn niet kosteneffectief en hebben zware repercussies op zowel energie- als de milieu-impact. De emissies van HCN van 50 mg/Nm3 leiden tot immissieconcentraties die geen gezondheidseffecten hebben voor de omwonenden. De immissieconcentratie blijft beneden de door EPA voor chronische blootstelling vastgelegde referentieconcentratie voor inhalatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 154</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.20.6.4.2, eerste lid, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter het rechtzetten van een verwijzingsfout</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.23.1.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt vervangt punt 5° van artikel 5.23.1.1. Een emissiegrenswaarde voor \"totaal organische stoffen\" laat niet toe om af te wijken van de algemene emissiegrenswaarde voor pentaan, wat wel degelijk de bedoeling is. Daarom wordt de parameter pentaan bijkomend opgenomen Punt 2° Bij de productie van PUR (polyurethaan)-isolatiepanelen wordt pentaan gebruikt als blaasmiddel. De emissies van pentaan worden geleid afgevoerd, en moeten de algemene emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 respecteren bij een massastroom van 3 kg/uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de tendens van steedse dikkere isolatieplaten, meer snijactiviteiten (tand en groef systemen) en energie-efficiëntiemaatregelen worden hogere concentraties opgetekend die de norm van 150 mg/Nm3 sporadisch overschrijden. De emissie per geproduceerde hoeveelheid PUR blijft evenwel gelijk. Het saneren van zulke emissies is door de hoge debieten en de relatief lage concentraties dikwijls niet evident.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het specifieke karakter van de geproduceerde materialen verschilt de situatie evenwel van bedrijf tot bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt daarom voorgesteld om deze activiteit in artikel 5.23.1.1 op te nemen, waardoor de mogelijkheid ontstaat om voor zulke activiteiten via de bijzondere vergunningsvoorwaarden af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze manier kan voor elk individueel dossier dat zich aanbiedt, onderzocht worden of de afwijking vanuit milieuoogpunt opportuun is en welke alternatieve maatregelen eventueel genomen kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 156</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.28.2.3, § 2, a) en b), van titel II van het VLAREM en zet een verkeerde verwijzing recht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een afdeling 5.28.4 toe aan hoofdstuk 5.28 van titel II van het VLAREM. Momenteel is in titel II van het VLAREM geen definitie opgenomen van `andere meststoffen'. In het Mestdecreet is dit wel het geval. De definitie is overgenomen in titel II van het VLAREM. De opslag van `andere meststoffen' is indelingsplichtig vanaf een bepaalde opslagcapaciteit (rubriek 28.4 toegevoegd). In titel II van het VLAREM zijn in afdeling 5.28.4 sectorale voorwaarden opgenomen. Deze zijn gelijkaardig aan de voorwaarden voor opslag van `dierlijke mest' waarbij ook een onderscheid wordt gemaakt in een vaste en een vloeibare fractie (meer of minder dan 20% drogestofgehalte)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 158</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.29.0.8, eerste lid van titel II van het VLAREM. Er wordt vastgesteld dat in dit artikel een verkeerde verwijzing is opgenomen; er moet meer bepaald verwezen worden naar rubriek 29.5.2 (mechanisch behandelen van metalen) in plaats van naar rubriek 29.5.4 (fysisch behandelen van metalen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-159\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 159</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een artikel 5.29.0.12 toe aan hoofdstuk 5.29 van titel II van het VLAREM. Indien metaalschroot voldoet aan de criteria van de Europese Verordening 333/2011 dan wordt dit schroot beschouwd als einde-afval en is de opslag ervan dus niet meer ingedeeld in rubriek 2. De opslag van schroot valt onder de MER-plicht volgens bijlage II van het Mer-besluit nl. punt 11, f, `Opslag van schroot met inbegrip van autowrakken als de opslagcapaciteit 10.000 ton of meer of 10.000 voertuigwrakken of meer bedraagt'. Dit onafhankelijk van het feit of het schroot `end of waste' is of niet Dit betekent nu dat dit end of waste-schroot MER-plichtig is, maar niet ingedeeld in VLAREM. Dit is niet wenselijk. De opslag van schroot, dat een bepaalde stuifcategorie heeft, kan stofhinder veroorzaken. De opslag en verlading van schroot kan ook sterke geluidshinder veroorzaken. Door de opslag ervan in te delen, moet het voldoen aan de algemene voorwaarden van VLAREM en de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreffende de voorwaarden die hieraan kunnen gekoppeld worden, volstaat het om een verwijzing op te nemen nl. artikel 5.29.0.12 in titel II van het VLAREM naar de voormelde verordening, die rechtstreeks van toepassing is. De voorwaarden uit deze verordening hebben onder meer betrekking hebben op de eisen inzake samenstelling/verontreiniging/... van dit end-of-waste schroot, zodat er vanuit gegaan kan worden dat dit end-of-waste schroot niet dezelfde risico's op verontreiniging heeft dan afvalschroot. Art. 160.Dit artikel wijzigt artikel 5.30.1.3 van titel II van het VLAREM. Punt 1° De bepalingen in dit artikel gelden voor verhittingsinstallaties van keramische producten. Strikt genomen zijn droogovens en smoorovens ook verhittingsinstallaties. De opgenomen emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op de informatie in de BBT-studie \"Kleiverwerkende nijverheid\" en in de BREF \"Ceramics\". Zowel uit de BBT-studie als uit de BREF blijkt dat de in beide documenten opgenomen grenswaarden specifiek opgesteld zijn voor en afgestemd zijn op de bakovens. In artikel 5.30.1.3 wordt bijgevolg verduidelijkt dat de grenswaarden enkel gelden voor bakovens. Voor droog- en smoorovens gelden de algemene emissiegrenswaarden en meetfrequenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Dit punt wijzigt de periode waarbinnen de norm van 1000 mg/Nm3 voor de parameter SOx geldig is voor draaitrommelovens, voor de productie van geëxpandeerde kleikorrels; meer bepaald wordt deze periode verlengd met vijf jaar (tot 31/12/2025), zodat de norm van 500 mg/Nm3 geldig is vanaf 1 januari 2026. Op heden is er nog geen revisie geweest van de Vlaamse BBT-studie voor de kleiverwerkende nijverheid (VITO, 2007) en de Europese BREF (BBT-Referentiedocument) on the Ceramic Manufacturing Industry (EJRC, 2007). Er wordt dus vanuit gegaan dat de Beste Beschikbare Technieken nog steeds dezelfde zijn als in de hiervoor vermelde BBT-studie en BREF. De voormelde BREF wordt wel herzien, maar de uiteindelijke BBT-conclusies worden pas verwacht tegen 2022. Daar, conform artikel 21, derde lid, van de Richtlijn Industriële Emissies, installaties binnen de vier jaar moeten voldoen aan nieuwe BBT-conclusies, wordt hier de termijn van ingang van de aangescherpte emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm3, verlengd met vijf jaar, namelijk vanaf 1 januari 2026. Er is wel een nieuwe NEC-richtlijn, maar op dit moment is nog geen sectoraal plafond voor de keramische sector vastgesteld is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 161</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.32.2.2bis van titel II van het VLAREM. Bij een maximaal geluidsniveau &gt; 85 dB(A) LAeq,15min en ? 95 dB(A) LAeq,15min Momenteel wordt aan de exploitant reeds de verplichting opgelegd om het geluidsniveau tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar te maken. De handhaafbaarheid van de geluidsnorm zou eenvoudiger worden voor de toezichthouder indien de exploitant verplicht wordt om alleen nog LAeq,15min zichtbaar te maken, aangezien dit de geluidsgrootheid is waarin het maximaal geluidsniveau gedefinieerd wordt. In artikel 5.32.2.2bis, § 1, 3° wordt de exploitant immers verplicht ofwel LAmax,slow ofwel LAeq,15min continu te meten en één van beide zichtbaar te maken Indien de exploitant LAmax,slow meet en zichtbaar maakt, kan geen uitspraak gedaan worden of de geluidsnorm al dan niet gerespecteerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer alleen LAeq,15min gemeten en zichtbaar gemaakt moet worden, kan de toezichthouder op basis van het zichtbaar gemaakte geluidsniveau vaststellen of het geluidsniveau al dan niet correct bewaakt wordt (dit is de bepaling die opnieuw een milieumisdrijf wordt) en niet wordt bijgestuurd door de exploitant. De toezichthouder kan op basis van deze bepaling handhaven in plaats van een geluidsmeting uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door op deze manier te handhaven wordt de toezichthouder afhankelijk van het geluidsniveau weergegeven door de geluidsmeter voorzien door de exploitant. Deze geluidsmeter kan aangeven dat er conform het maximaal toegelaten geluidsniveau geëxploiteerd wordt, maar de toezichthouder kan een vermoeden hebben dat het werkelijk geluidsniveau hoger is, m.a.w. dat de geluidsmeter van de exploitant niet correct is afgesteld. De toezichthouder kan dit controleren door de geluidsmeter van de exploitant aan te sluiten op de externe ijkingsbron van de toezichthouder. Indien het verschil ten aanzien van de ijkingsbron groter is dan de nauwkeurigheidswaarden vermeld in de NBN-normen, dan kan er gesteld worden dat de geluidsmeter niet voldoet aan de eisen vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een maximaal geluidsniveau &gt; 95 dB(A) LAeq,15min en ? 100 dB(A) LAeq,60min De exploitant (of de door hem aangestelde persoon) zijn nu reeds verplicht om het geluidsniveau onmiddellijk te verlagen wanneer het maximaal toegestane geluidsniveau overschreden wordt. Bij klasse 2-inrichting wordt het maximaal geluidsniveau echter weergegeven over 60 minuten (LAeq,60min), waardoor de exploitant lang moet wachten om het effect van zijn bijsturing waar te kunnen nemen. In het kader van de preventie van gehoorschade bij de bezoekers is het niet aangewezen om zo lang te moeten wachten. Om deze reden wordt voor klasse 2-inrichtingen de verplichting tot het continu zichtbaar maken van het geluidsniveau en het onmiddellijk bijsturen bij een overschrijding opgelegd voor LAeq,15min. Op deze manier kan het geluidsniveau sneller en efficiënter geregeld worden en worden de bezoekers niet onnodig lang blootgesteld aan een te hoog geluidsniveau, waardoor het risico op gehoorschade afneemt. Om dit te verduidelijken wordt de meetverplichting voor LAeq,15min duidelijker ingeschreven, daar er nu staat \"en kan LAeq,15min gemeten worden\". In de praktijk leidt dit niet tot bijkomende investeringen voor een andere type geluidsmeters voor deze klasse 2-inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangestelde verantwoordelijk stellen voor het bewaken en bijsturen van het geluidsniveau De afdeling Handhaving van het departement Omgeving is bij het overschrijden van de geluidsnorm tijdens muziekactiviteiten met elektronisch versterkte muziek enkel bevoegd om een bestuurlijke geldboete op te leggen aan de exploitant of organisator. DJ's of andere derden aangesteld om het geluidsniveau te regelen, kunnen niet bestuurlijk gesanctioneerd worden. Om deze reden wordt een gedeelde verantwoordelijkheid voor de aangestelde persoon voorzien zodat in de toekomst ook een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan de aangestelde persoon Het afficheren van de geluidsnorm DJ's of andere verantwoordelijken blijken niet steeds op de hoogte te zijn van het maximaal toegestane geluidsniveau tijdens een muziekactiviteit. In het kader van de preventie van gehoorschade is het nuttig om het publiek te informeren over het maximaal toegelaten geluidsniveau zodat zij op de hoogte zijn van het geluidsniveau waaraan zij hun gehoor blootstellen. Om zowel het publiek als de DJ's/geluidstechnici in te lichten over het maximaal toegestane geluidsniveau dat van toepassing is tijdens het muziekevenement, wordt een affichering van het maximaal toegestane geluidsniveau voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden geen voorwaarden opgelegd waaraan de affichering moet voldoen, behalve dat deze op een duidelijk zichtbare plek dient te gebeuren. Er wordt wel verduidelijkt in welke grootheid het geluidsniveau geafficheerd dient te worden. Dit betreft de grootheid van zowel het maximaal toegestane geluidsniveau (LAeq15,min bij klasse 3 en LAeq,60min bij klasse 2) als het geluidsniveau dat zichtbaar gemaakt moet worden tijden de activiteit (LAeq,15min bij zowel klasse 3 als 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° : Gehoorbescherming vrij beschikbaar stellen In de praktijk wordt vastgesteld dat er soms een waarborg wordt gevraagd voor het beschikbaar stellen van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik. Een verduidelijking dat deze gehoorbescherming ook vrij beschikbaar moet zijn, kan een oplossing bieden voor deze problematiek. Art. 162.Dit artikel wijzigt artikel 5.32.2.5, § 3, van titel II van het VLAREM. Deze wijziging betreft louter een correctie van de CLP-vertaling naar analogie met gelijkaardige voorwaarden in titel II van het VLAREM. Art. 163.Dit artikel wijzigt artikel 5.32.3.10 van titel II van het VLAREM. De wijzigingen die worden doorgevoerd in artikel 5.32.2.2bis dienen ook doorgevoerd te worden in artikel 5.32.3.10 (schouwspelzalen) waarin een gelijkaardige tekst werd opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 164</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Art. 165.Deze artikelen vervangen enerzijds de afdeling 5.32.7, voor schietstanden in een lokaal van titel II van het VLAREM door een afdeling 5.32.7 en voegen anderzijds een afdeling 5.32.7bis (Schietstanden in openlucht) in Opdeling in zes categorieën: In artikel 5.32.7.1.1 worden de schietstanden in een lokaal opgedeeld in zes categorieën. De categorieën A1 tot en met C omvatten de schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt in steeds afnemende kinetische energie. De grenzen zijn bepaald op basis van de kinetische energie van vaak gebruikte munitiesoorten en de technische vereisten aan de schietstand. Verder is er ook een categorie D voor de zwaardere luchtdrukwapens en een categorie E voor het uitsluitend gebruik van hagelpatronen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandveiligheid: In artikel 5.32.7.1.2 wordt bepaald welke materialen (brandklasse, rook- en druppelvorming - Europese normering EN13501) kunnen gebruikt worden in een schietstand. Een schietstand is in principe toegankelijk voor publiek en kunnen door de aard van de activiteiten niet beschouwd worden als een standaardlokaal. Het voorstel is dan ook strenger dan voor standaardlokalen voor lage, middelhoge en hoge gebouwen. Zo is de vereiste brandklasse van de gebruikte materialen minstens C en voor de delen van de evacuatieweg B. Voor de vloer en de wanden gelden strengere eisen voor wat betreft rookvorming (s). Voor het plafond wordt er steeds gevraagd te werken met materialen die geen druppels vormen bij brand (d0). Er wordt voor deze verplichting een overgangstermijn tot 1 oktober 2021 voorzien, zodat (oudere) schietstanden de nodige investeringen kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud van een schietstand: In artikel 5.32.7.1.3 worden de onderhoudsvoorschriften voor schietstanden uitvoerig beschreven. Het correct onderhouden van een schietstand is een belangrijk aspect in de exploitatie ervan. In schietstanden waar vuurwapens worden gebruikt is het reinigen van de schietstand van belang om een opstapeling van onverbrand kruit te voorkomen. De aanwezigheid van onverbrand kruit kan in combinatie met een ontsteking of een hitte bron leiden tot een explosie. Om deze reden wordt ook een voorgeschreven een explosie beveiligde stofzuiger te gebruiken. In het voorstel wordt een minimale onderhoudswijze en -frequentie beschreven. Voor elke schietstand (dus ook daar waar alleen niet-vuurwapens worden gebruikt) geldt dat de kogelvanger regelmatig moet worden onderhouden. Een kogelvanger die niet wordt gereinigd (verwijderen van projectielresten) of niet wordt hersteld bij schade kan zijn functie niet meer ten volle uitvoeren met een toenemende kans op terugkaatsende munitie(resten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Signalisatie: Via artikel 5.32.7.1.7 wordt opgelegd bijkomende signalisatie aan te brengen op maximaal 0,40 meter en bestaande uit nalichtende (fotoluminescerende) materialen toe. Rook die ontstaat bij brand stijgt waardoor de bovenste luchtlagen als eerste verzadigd geraken. Als reactie hierop zullen personen op zoek naar de nooduitgang de neiging hebben zich al bukkend of kruipend in veiligheid te brengen. Door op maximaal 0,40 meter hoogte nalichtende signalisatie aan te brengen wordt ook op kruiphoogte de dichtstbijzijnde nooduitgang aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluid en trillingen: De huidige formule voor het berekenen van het schietgeluid is zodanig geformuleerd dat het niet duidelijk is wat nu de achterliggende gedachte is. Door de formule te herschrijven is het duidelijker hoe de formule en de uitkomst ervan passen in de VLAREM-filosofie. De uitkomst van de formule blijft ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">We gaan ervan uit dat in dit artikel het schietgeluid wordt gekarakteriseerd door de bijdrage van het schieten uit te drukken als een LAeq-waarde bepaald over een uur ter hoogte van de immissieplaats op basis van de LAeq,1s-waarden die afkomstig zijn van de schietactiviteiten (= relevant geluid, Lrev).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgevolg: Lrev = 10 log10 ((10Aeq,1s/10 x aantal schoten)/3600) De bekomen waarde wordt vervolgens aangepast met een beoordelingsgetal typisch voor het impulskarakter van schietgeluid (+12). Dit getal zit vervat in de huidige formule Lsch = 10 log (sigmi=1-&gt;n 10Li/10) - 23 en wordt zichtbaar indien met de -23 naar voor brengt in de formule.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het specifiek geluid Lsp = Lrev + 12 en dus volledig uitgeschreven: Lsp = 10 log10 ((10Aeq,1s/10 x aantal schoten)/3600) +12 Als we dit dan vertalen naar de VLAREM-filosofie dan is: - de bijdrage van het schietgeluid te beschouwen als de relevante waarde uitgedrukt als een LAeq,1h-waarde. Deze waarde wordt bekomen door de bijdrage van de individuele knallen op basis van LAeq,1s-waarden uit te middelen over een uur; - vervolgens wordt deze (relevante) waarde aangepast met een beoordelingsgetal. (=verhoogd zoals bij de evaluatie van een geluid met een tooncomponent); dit beoordelingsgetal bedraagt 12 (=op basis van het impulsachtige karakter, het onverwachte,....en zoals uitgewerkt in de oorspronkelijke Nederlandse regelgeving).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld en toetsing: Ter hoogte van een immissieplaats wordt in open lucht op basis van één schot een LAeq,19-waarde vastgesteld van 90 dB(A).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lrev = 10 log10 ((10Aeq,1s/10 x aantal schoten)/3600) = 10 log10 ((1090/10 x 1)/3600)) = 54.4dB(A).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze waarde wordt vervolgens verhoogd met 12 (=het beoordelingsgetal) en resulteert voor dit voorbeeld tot een waarde van 66.4 dB(A) voor het specifieke geluid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde(n) voor het specifieke geluid worden geëvalueerd ten opzichte van bijlage 4.5.4 `Richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze worden dus niet geëvalueerd ten opzichte van bijlage 4.5.5 `Richtwaarden voor fluctuerend, incidenteel, impulsachtig en intermitterend geluid in open lucht van als hinderlijk ingedeelde inrichtingen vermits in de formule reeds een beoordelingsgetal van +12 vervat zit om het impulskarakter van schietgeluid in rekening te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de formule voor het berekenen van het specifiek geluid worden de richtgetallen voor n (aantal schoten per uur) aangepast. Momenteel staat er in VLAREM een richtgetal van 90 schoten per uur voor karabijn en 60 schoten per uur voor geweer. Het onderscheid tussen karabijn en geweer is verouderd. Het is correcter te spreken van lange wapens. Er kan gesteld worden dat 90 of 60 schoten per uur een onrealistisch hoge waarde is. In het voorstel wordt voor lange wapens een richtgetal van 45 vooropgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verluchting: In artikel 5.32.7.1.10 wordt de luchtsnelheid van het ventilatiesysteem gewijzigd. De mechanische verluchting moet in een schietruimte een zekere luchtsnelheid kunnen creëren om de rook die ontstaat bij het schieten met vuurwapens voldoende snel af te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Momenteel wordt voorgeschreven dat het ventilatiesysteem, bij dynamische schietactiviteiten (discipline waarbij de schutters wisselende standplaatsen innemen), over de gehele schietstand een luchtsnelheid van 2 m/s moet creëren. Deze waarde werd bepaald aan de hand van de stapsnelheid van de schutters tijdens het uitoefenen van dynamische disciplines. Het behalen van een luchtsnelheid van 2 m/s over de ganse lengte van een schietstand is technisch echter vrijwel onmogelijk. Een luchtsnelheid van 0,4 m/s is een realistische waarde die het midden houdt tussen de technische mogelijkheden en de benodigde afvoer van rook. Het ventilatiesysteem mag pas 10 minuten na het beëindigen van de schietactiviteiten worden uitgeschakeld zodat er geen rook blijft hangen in de schietstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vloer in zacht materiaal: In artikel 5.32.7.1.11 wordt een bijkomende wijze beschreven waarop een vloer afgewerkt met een zacht materiaal kan worden bekomen. In moderne schietstanden wordt namelijk steeds vaker gebruik gemaakt een sportvloer met een egaliserende afwerking. Het afwerken van de vloer met een laag in zacht materiaal is geen nieuwe bepaling en is van belang om terugkaatsende projectielen te voorkomen indien de vloer wordt aangeschoten. Een bijkomende vereiste is wel dat de vloer altijd een effen oppervlakte moet hebben zodat deze gemakkelijk te reinigen valt. Zo moet een chapevloer worden gepolierd. Het is niet mogelijk om alle mogelijke zachte vloeren in detail op te lijsten. Een type vloer dat door of namens een bevoegde overheid geschikt verklaard is om de functies van een zachte vloer te vervullen is eveneens toegelaten. Een attest waaruit de geschiktheid blijkt wordt toegevoegd bij de vergunningsaanvraag. Een ander type vloer kan vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dynamische disciplines: Bij het uitoefenen van dynamische schietactiviteiten nemen de schutters wisselende standplaatsen in. De verplaatsingen van de schutter en de wisselende standplaatsen doen de kansen op een accidenteel schot of verkeerde schietrichting toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vandaar dat in artikel 5.32.7.1.12 wordt voorgeschreven dat dynamische schietactiviteiten alleen mogen beoefend worden in gesloten schietstanden. Wanneer dynamische disciplines worden beoefend vraagt dit een extra uitrusting van de schietstand. Om terugkaatsende kogels vanop de wanden te verhinderen worden de wanden over de ganse lengte waar de dynamische activiteiten plaatsvinden bekleed met een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden. Een typisch voorbeeld zijn op regels aangebrachte houtwolcementplaten met een minimum dikte van 50 mm. Bijkomend wordt voorgeschreven om 10 meter voor de kogelvanger tot aan de kogelvanger de wand en het plafond te bekleden met een materiaal dat de functies van een kogelvanger vervuld. Een typisch voorbeeld zijn rubberen wandtegels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een metalen kogelvanger moet tijdens het uitoefenen van dynamische disciplines voorzien zijn van een antiricochetgordijn. Door de impact van de kogel op de metalen kogelvanger kunnen projectielresten terugkaatsen. Op grotere afstand vormt dit geen probleem maar bij het uitoefenen van dynamische disciplines komt de schutter tot vlakbij de kogelvanger. Een antiricochetgordijn verhinderd dat deze projectielresten de schutter verwonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de schutters wisselende standplaatsen innemen kan de vloer van de schietstand over de gehele lengte onverbrand kruit bevatten. Daarom moet na ieder gebruik van de schietstand de ganse vloer worden gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afschermen van de aanschietbare wand: Wanneer in het voorstel wordt gesproken over een materiaal waar de projectielen kunnen indringen en weerhouden worden is een typisch voorbeeld op regels aangebrachte houtwolcementplaten met een minimale dikte van 50 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kogelvangers: Exploitanten van schietstanden plaatsen steeds vaker andere typen kogelvangers dan het zandlichaam en/of stalen constructie zoals momenteel in VLAREM beschreven staat. In dit nieuwe voorstel worden er kogelvangers toegevoegd die bestaan uit een metalen constructie opgevuld met natuurrubber of synthetisch rubbergranulaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schietstanden waar met lichtere munitie wordt geschoten (vanaf categorie B) worden ook bakken met een kunststof voorzetplaat en gevuld met granulaat opgenomen in de lijst van kogelvangers. Via een attest afgeleverd door een bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie of goedkeuring van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kunnen ook andere typen kogelvangers worden toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naarmate de maximale kinetische energie van de munitie die in de schietstand wordt geschoten daalt, dalen ook de technische vereiste (dikte van het metaal, breedte van de zandlaag en de granulaten, etc.) die worden gesteld aan de kogelvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleischieten in een lokaal: In subafdeling 5.32.7.7 worden een aantal algemene voorwaarden beschreven voor het inrichten van een kleischijfschietstand in een lokaal. In Vlaanderen zijn er momenteel geen indoor kleischijfschietstanden. Door het tekort aan geschikte locaties in openlucht is bestaat er wel een zekere vraag naar zulke schietstanden. Omdat kleischijven worden gelanceerd naar een zekere hoogte is een hal met een minimale hoogte van 4 meter noodzakelijk om deze discipline op een zinvolle manier te beoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de impact van loodhagel (zacht materiaal dat makkelijk kan vervormen) veel lager is dan van staalhagel is het risico om terugkaatsende munitie bij loodhagel veel lager. Vandaar dat voor gebruik in een gesloten lokaal loodhagel wordt voorgeschreven. Indien de exploitant maatregelen kan treffen om de impact op te vangen en terugkaatsende munitie te beperken tot een aanvaardbaar niveau kan het gebruik van staalhagel worden overwogen (een tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning). Afdeling 5.32.7bis: Sectorale voorwaarden voor schietstanden in openlucht Schietstand in natuur- en bosgebieden: Voor de activiteiten paintball en airsoft heeft het Agentschap voor Natuur- en Bosonderzoek (ANB), in het kader van de toegankelijkheid van bossen en natuurreservaten, een voorwaardekader uitgewerkt (https://www.natuurenbos.be/beleid-wetgeving/natuurgebruik/activiteit-organiseren/activiteit-organiseren/risicovol).</p>\n<p class=\"lf-p\">De machtiging wordt ten minste 35 dagen voorafgaand aan de activiteit aangevraagd bij de provinciale dienst van het Agentschap voor Natuur en Bos via een daarvoor voorzien aanvraagformulier.Indien de exploitant van een paintball of airsoft terrein beschikt over zulke machtiging en een toelating van de beheerder van het natuur- en/of bosgebied is het verbod in VLAREM niet van toepassing. Voor de overige schietstanden blijft het verbod gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onveilige zone: Tijdens schietactiviteiten in openlucht kan de kogel de schietstand verlaten. Daarom is het van cruciaal belang een onveilige zone in acht te nemen en deze ook worst-case te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegens de enorme variatie aan wapens, munitie en maatregelen die de onveilige zone kunnen bepalen is het niet mogelijk om een gestandaardiseerde onveilige zone te definiëren. De exploitant kan maatregelen nemen (kogelvangers, oprichten van constructies, het fixeren van het wapen, ect.) om de onveilige zone in te perken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Loodverspreiding: Om de verspreiding van lood in de omgeving te voorkomen wordt voorgeschreven alleen gebruik te maken van stalen munitie. Indien de exploitant maatregelen neemt om de verspreiding van lood naar de omgeving toe te beperken (bijvoorbeeld via het gebruik van kogelvangers die de munitie capteren) tot een aanvaardbaar niveau kan het gebruik van loden munitie overwogen worden (een tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluid: Voor schietstanden in openlucht geldt dezelfde formule voor het berekenen van het specifiek geluid als voor schietstanden in een lokaal. Voor kleischieten en het traditioneel buksschieten worden de bestaande geluidsvoorschriften niet gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleischieten: In de subafdeling 5.32.7bis.2 worden een aantal specifieke voorwaarden voor het kleischieten in openlucht opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft hier voornamelijk een bevestiging van de reeds bestaande voorwaarden voor het kleischieten. In artikel 5.32.bis2.2 wordt in paragraaf 3 een uitzondering opgenomen op de wapen en munitievoorschriften en dit voor de hagelwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Traditioneel buksschieten: Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen aan de subafdeling voor het traditioneel buksschieten. De nummering van de artikels wordt aangepast om aan te sluiten bij het nieuwe voorstel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 166</span><span class=\"lf-art-t\">Art. 167.Deze artikelen vervangen enerzijds afdeling 5.32.8 van titel II van het VLAREM en heffen anderzijds afdeling 5.32.9 van titel II van het VLAREM op</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De huidige afdeling 5.32.9 is opgebouwd uit verschillende subafdelingen met bepalingen per zwembadtype. Deze opbouw brengt nodeloze herhalingen met zich mee. Hieraan wordt nu verholpen door meer algemene bepalingen en een hergroepering van de bepalingen door te voeren. Tegelijkertijd worden de bepalingen beter op elkaar afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt de huidige afdeling 5.32.8. `Schietstanden in open lucht' nu (zie hierboven vermeld) gevoegd bij de vorige afdeling 5.32.7 gezien deze ook over schietstanden gaat, en verschuift de inhoud van de huidige afdeling 5.32.9 naar 5.32.8, zodat dit ook overeenkomt met de rubriek 32.8 in de indelingslijst in bijlage I bij titel II van het VLAREM. De nieuwe afdeling 5.32.8 met als opschrift: vaste baden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie is als volgt samengesteld: - algemene bepalingen; - circulatiebaden: o zwembaden, therapiebaden en natuurlijke zwembaden; o hot whirlpools ; - dompel- en plonsbaden; - open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt er een nieuwe categorie van zwembaden \"de natuurlijke zwembaden\" toegevoegd. Natuurlijke zwembaden zijn circulatiebaden die volledig afgescheiden zijn van grond- en oppervlaktewater en die aangesloten zijn op een ecologisch zuiveringssysteem. Het natuurlijk zwembad kan zowel binnen (overdekt natuurlijk zwembad) als in openlucht zijn (niet-overdekt natuurlijk zwembad). Natuurlijke zwembaden in open lucht worden in Vlaanderen steeds meer aangelegd. De huidige wetgeving is moeilijk toepasbaar op dergelijke badinrichtingen waardoor er steeds afwijkingen moesten verleend worden op de voorwaarden van niet overdekte circulatiebaden. Bij het opstellen van de wetgeving over natuurlijke zwembaden werd uitgegaan van de Duitse `Richtlinien für Planung, Bau, Instandhaltung und Betrieb von Freibädern mit biologischer Wasseraufbereitung (Schwimm- und Badeteiche)\". Deze richtlijnen, die opgesteld zijn door de Forschungsgesellschaft Landschaftsentwicklung Landschaftsbau e.V. (FLL) worden in diverse landen gehanteerd voor het ontwerp, de bouw en het beheer van natuurlijke zwembaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgelet, de natuurlijke zwembaden zijn een andere categorie baden dan de zwembaden. Bij natuurlijke zwembaden worden er geen chemicaliën toegevoegd, terwijl bij reguliere zwembaden chloor wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De \"plonsbaden\" worden uit de zwembadwetgeving gehaald (zie het verbod in artikel 5.32.8.3.3: Vanaf 1 oktober 2022 zijn plonsbaden niet meer toegelaten).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijken immers veel kinderbaden verkeerdelijk aangevraagd/vergund te worden onder de rubriek `plonsbaden', terwijl het in werkelijkheid openlucht zwembaden betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In werkelijkheid zijn er in Vlaanderen zo goed als geen publiek toegankelijke plonsbaden meer gezien plonsbaden niet duurzaam zijn en economisch zeer duur. Deze baden moeten immers om het uur worden ververst waarbij het opgevangen water naar de riolering moet geleid worden (plonsbaden worden continu doorstroomd met vers suppletiewater). Aangezien plonsbaden een derde klasse inrichting zijn, zijn we niet op de hoogte of er nog plonsbaden bij de gemeente vergund zijn. Hierdoor voorzien we nog voor de zekerheid een uitdoofperiode van 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierboven is vermeld dat de bepalingen van de zwembaden beter op elkaar worden afgestemd. In concreto gebeurt dit door: - in artikel 5.32.8.1.6 de opslag van chemicaliën van toepassing te maken voor alle gechloreerde baden, terwijl in de huidige wetgeving deze bepalingen alleen voor de overdekte en openlucht zwembaden en therapiebaden gelden; deze bepalingen zijn bijgevolg nu ook van toepassing op hot whirlpools, dompel- en plonsbaden; wanneer er zwembadchemicaliën worden opgeslagen, moet er worden voldaan aan dit artikel ongeacht over welk type zwembad het gaat; - in artikel 5.32.8.1.7, 1°, de zin `De temperatuur van de lucht is tenminste één graad Celsius hoger dan die van het bassin met het grootste wateroppervlak' nu ook te schrappen voor de therapiebaden zoals dit reeds geschrapt werd in een vorige VLAREM-wijzing voor de zwembaden, namelijk door middel van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2009 (VLAREM-trein 2008); deze bepaling wordt geschrapt gezien in de praktijk de omgevingstemperatuur sowieso al hoger zal zijn dan de watertemperatuur en deze omgevingstemperatuur in combinatie met luchtvochtigheid onder andere een comfortparameter is die wordt opgevangen door het ventilatiesysteem; - in artikel 5.32.8.1.7 de bepalingen van ventilatie van toepassing te maken voor alle overdekte baden van eender welke zweminrichting (dus zowel overdekte zwembaden als overdekte natuurlijke zwembaden als overdekte dompelbaden als overdekte therapiebaden als overdekte hot whirlpools), terwijl in de huidige wetgeving deze bepalingen niet van toepassing zijn op hot whirlpools en dompelbaden; - in artikel 5.32.8.1.10, § 1, de verplichting tot het nemen van de nodige maatregelen om de veiligheid van de bezoekers te verzekeren, nu ook op te leggen voor de natuurlijke zwembaden, de hot whirlpools, de dompel- en de plonsbaden, de open zwemgelegenheden en de zones voor waterrecreatie en dus niet alleen voor de zwembaden en de therapiebaden; - in artikel 5.32.8.1.10, § 3, de verplichting om ervoor te zorgen dat geen enkele aan- en afvoer van water, lucht of andere stoffen, gevaar oplevert voor de baders, nu ook op te leggen voor de natuurlijke zwembaden, de plonsbaden, de dompelbaden en de hot whirlpools, terwijl dit in de huidige wetgeving alleen opgelegd is bij de zwembaden en de therapiebaden; - in artikel 5.32.8.1.10, § 4, de verplichting om elk ernstig ongeval of overlijden binnen de badinrichting binnen een termijn van 24 uur te melden aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, nu ook op te leggen voor hot whirlpools, dompelbaden, plonsbaden, natuurlijke zwembaden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie, terwijl dit in de huidige wetgeving alleen maar is opgelegd voor de zwembaden en de therapiebaden; zeker voor open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie is dit relevant gezien de risico's gelijkaardig zijn voor alle zweminrichtingen; - in artikel 5.32.8.1.11, § 1, de verplichting dat het bad (en de zwemhal) gemakkelijk toegankelijk moet zijn voor externe hulpdiensten, op te leggen aan alle circulatiebaden (zwembaden, natuurlijke zwembaden, therapiebaden, hot whirlpools), en aan alle dompel- en plonsbaden en dus niet alleen voor de zwembaden en de therapiebaden; - in artikel 5.32.8.1.11, § 2, de verplichting dat de zwembadwand en - bodem de bezoekers niet kunnen verwonden en gemakkelijk afwasbaar is, op te leggen voor alle circulatiebaden (zwembaden, natuurlijke zwembaden, therapiebaden, hot whirlpools), dompel- en plonsbaden en dus niet meer alleen voor de zwembaden en therapiebaden; - in artikel 5.32.8.1.11, § 3, de verplichting dat alle interne uitrustingen en therapeutische/recreatieve voorzieningen vervaardigd moeten zijn uit duurzaam, corrosiewerend en gemakkelijk afwasbaar materiaal waaraan de bezoekers zich niet kunnen verwonden, nu ook op te leggen voor de natuurlijke zwembaden, hot whirlpools, dompelbaden en plonsbaden, en dus niet alleen voor de zwembaden en therapiebaden; - in artikel 5.32.8.1.11, § 5, omwille van de veiligheid, de voorwaarde dat de duikplank, wat hoogte en veerkracht betreft, moet aangepast zijn aan de diepte van het water, nu ook op te leggen voor de zwembaden en de natuurlijke zwembaden, terwijl dit in de huidige wetgeving alleen is opgelegd voor de open zwemgelegenheden; - in artikel 5.32.8.1.12 de bepaling dat in de omgevingsvergunning andere kwaliteitseisen kunnen worden opgelegd (wanneer er een ander ontsmettingsmiddel wordt gebruikt dan chloor), nu ook toe te voegen voor dompelbaden (voor plonsbaden moet dit er niet meer aan toegevoegd worden gezien die vanaf 1 februari 2022 verboden zijn); - in artikel 5.32.8.1.12 nu ook voor de dompelbaden en de plonsbaden op te leggen dat het gebruik van chloorstabilisatoren niet toegelaten is, terwijl dit in de huidige wetgeving alleen is opgelegd voor de zwembaden, hot whirlpools en therapiebaden; - in artikel 5.32.8.2.1.1, § 2, niet alleen voor de zwembaden, maar ook voor de natuurlijke zwembaden en therapiebaden op te leggen dat de wanden slechts tot op een hoogte van 3 meter moeten voorzien zijn van een corrosiebestendig, niet-wateropslorpende en gemakkelijk afwasbare bekleding en door de strengere bepaling voor therapiebaden waarbij dit zo over de ganse hoogte van de wanden en de zoldering moest zijn, weg te laten; - in artikel 5.32.8.2.1.2, § 1, nu, niet alleen voor de openlucht zwembaden, maar ook voor de therapiebaden, de overdekte zwembaden en de natuurlijke zwembaden op te leggen dat de baden in het diepe gedeelte (met andere woorden in het gedeelte vanaf 1, 35 meter diep) moeten voorzien zijn van een grijprand of touw; - in artikelen 5.32.8.2.1.2, § 2, en 5.32.8.2.2.1 en 5.32.8.3.1 op te leggen dat eveneens voor de natuurlijke zwembaden de bodem in het ondiepe gedeelte slipwerend moet zijn (zoals voor de zwembaden en de therapiebaden) en voor de nieuwe dompelbaden en de nieuwe hot whirlpools de bodem van het zwembad slipwerend moet zijn (alleen de nieuwe want voor bestaande baden vraagt dit een te grote investering); het wordt niet opgelegd voor de nieuwe plonsbaden gezien deze plonsbaden niet meer toegelaten zijn vanaf 1 februari 2022; - in artikel 5.32.8.2.1.2, § 3, 1°, de bepaling dat elke plotse verandering in diepte op een opvallende wijze moet zichtbaar gemaakt worden, nu ook op te leggen voor de therapiebaden en de natuurlijke zwembaden en dus niet alleen voor de zwembaden zoals in de vorige regelgeving; - in artikel 5.32.8.2.1.5, § 1, 2°, hangtoiletten op te leggen niet alleen voor de overdekte zwembaden en de therapiebaden, maar ook voor de nieuwe openlucht zwembaden en de nieuwe natuurlijke zwembaden (met een overgangstermijn van 3 jaar); - in artikelen 5.32.8.2.1.5, § 2, en 5.32.8.4.1.5, niet alleen voor de stortbaden bij de overdekte en de openlucht zwembaden, maar ook voor de stortbaden bij de therapiebaden, de natuurlijke zwembaden, de open zwemgelegenheden en de zones voor waterrecreatie, een temperatuursvereiste van het water van de stortbaden van minstens 60° C op te leggen evenals de aanwezigheid van het mengventiel in de onmiddellijke nabijheid van het stortbad (als preventie tegen Legionella); - in artikel 5.32.8.2.1.6, § 1, 3°, niet alleen voor de overdekte zwembaden en de openlucht zwembaden op te leggen dat de injectie van de pH-corrector bij voorkeur voor de filtratie moet gebeuren, maar ook voor de therapiebaden; - in artikel 5.32.8.2.1.6, § 1, 5°, niet alleen voor de overdekte en de openlucht zwembaden op te leggen dat een debietmeter in elke deelstroom van elk bad moet worden geplaatst waarbij een doseerstop wordt bevolen bij een daling van het debiet tot minder dan 40% van het normale, maar ook voor de therapiebaden; - in artikel 5.32.8.2.1.7, eerste lid, niet alleen voor de overdekte en de openlucht zwembaden, maar ook voor de natuurlijke zwembaden en de therapiebaden op te leggen dat de procedures jaarlijks moeten worden geëvalueerd en bijgewerkt (vroeger moest dit voor therapiebaden ook al regelmatig, maar we benoemen deze term nu liever als `jaarlijks'); - in artikel 5.32.8.2.1.10 niet alleen voor de zwembaden, maar ook voor de natuurlijke zwembaden een reglement van interne orde in te voeren; - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 1, het maximaal aantal baders bij een maximale diepte van 50 cm, niet alleen voor de zwembaden, maar ook voor de natuurlijke zwembaden en de therapiebaden op te leggen tot één bader per 2 m2 (in plaats van één bader per 3 m2); - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 2, 2, en artikel 5.32.8.4.2.4, § 1, niet alleen voor de zwembaden en de therapiebaden, maar ook voor de natuurlijke zwembaden en de open zwemgelegenheden op te leggen dat de inrichting moet uitgerust zijn met ten minste één telefoontoestel dat een directe buitenlijn heeft waarbij het toestel op een vaste plaats aanwezig moet zijn en gemakkelijk bereikbaar moet zijn voor de toezichthoudende persoon; - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 3, 1°, en artikel 5.32.8.4.2.4, § 2, niet alleen voor de overdekte zwembaden, maar ook voor de openlucht zwembaden, de overdekte natuurlijke zwembaden en de openlucht natuurlijke zwembaden en de open zwemgelegenheden op te leggen dat in geval van recreatieve voorzieningen, hier bijkomend een toezichthoudend persoon moet staan; - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 3, 2°, niet alleen voor de overdekte zwembaden en de openlucht zwembaden op te leggen dat de plaats waar de gebruiker van de glijbaan of de springtoren in het bad terechtkomt, moet ontruimd zijn binnen een straal van 2, 5m, maar ook voor de natuurlijke zwembaden; - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, a), 4), en artikel 5.32.8.4.2.4, § 3, de bepaling dat de optelsom voor het aantal toezichthoudende personen niet geldt in geval van baden minder dan 50 cm diep, niet alleen op te leggen voor de zwembaden, maar ook voor de natuurlijke zwembaden en de open zwemgelegenheden; - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, a), 5), en artikel 5.32.8.4.2.4, § 3, de bepaling dat bij ieder afzonderlijk bad of risicozone ten minste één toezichthoudend persoon moet staan, ongeacht het resultaat van de formule van het aantal toezichthoudende personen, nu ook op te leggen voor de open zwemgelegenheden en de natuurlijke zwembaden (en door dus ook de bepaling dat bij de openlucht zwembaden elke risicozone of bad alleen maar in het gezichtsveld van de toezichthoudende personen moet liggen, te schrappen); - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, c, en artikel 5.32.8.4.2.4, § 3, de vereiste van het aantal redders, in geval van een toezichtsplan, gelijk te trekken voor de overdekte en de openlucht zwembaden, de natuurlijke zwembaden en de open zwemgelegenheden; - in artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, d, en artikel 5.32.8.4.2.4, § 3, de uitzonderingsmogelijkheid van het aantal toezichthoudende personen in geval van lesgever, niet alleen te laten gelden voor de overdekte zwembaden, maar ook te laten gelden voor de openlucht zwembaden, de natuurlijke zwembaden en voor de open zwemgelegenheden; - in artikel 5.32.8.3.4 analoog aan de zwembaden, de natuurlijke zwembaden en de therapiebaden, nu ook voor de dompelbaden toe te laten dat het toegevoegde verse water niet verplicht leidingwater is, maar dat het dan wel aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor al deze hierboven opgesomde artikelen wordt in geval van bestaande baden en zwemgelegenheden in geval van maatregelen die niet onmiddellijk kunnen genomen worden, een overgangstermijn van 3 jaar voorzien (tot 1 januari 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hele nieuwe afdeling 5.32.8 worden de huidige bepalingen: - `de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid', - `de milieu-arts of de milieugezondheidskundige', - `de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid', - `de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid'; - `de afdeling van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid`, systematisch vervangen door \"de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid\" zodat overal op een gelijkvormige wijze wordt verwezen naar de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hele nieuwe afdeling 5.32.8, wordt het woord \"Bloso\" vervangen door \"Sport Vlaanderen\" gezien dit nu de actuele naam is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangstermijnen die verlopen zijn, worden eveneens in de nieuwe afdeling 5.32.8, opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.1, tweede lid, wordt vermeld dat alleen de algemene voorwaarden van artikelen 5.32.8.1.1 tot en met 5.32.8.1.4, en van artikel 5.32.8.1.10, § 1 en § 4, en van artikel 5.32.8.1.11, § 4 en § 5, van toepassing zijn voor de open zwemgelegenheden en de zones voor waterrecreatie, gezien de andere artikelen in subafdeling 5.32.8.1, bepalingen betreffen die zaken regelen die bij open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie niet van toepassing zijn, namelijk het leeglopen van het zwembad, de opslag van chemicaliën, de ventilatie en verwarming, trichlooraminen in de lucht, kwaliteitseisen van het badwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.2, eerste lid, wordt voor de controle van de blustoestellen de woordengroep `door de leverancier of een bevoegd deskundige' weg gelaten en wordt naar de Codex over het welzijn op het werk verwezen met de respectievelijke artikelen die handelen over de controle van blustoestellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.2, derde lid, wordt de volgende tekst \"Het uitgaan van al de personen kan geschieden langs toe- en uitgangswegen welke op de openbare weg uitgeven, zonder door cafés, drankzalen of andere lokalen, welke bij de instelling horen, of door belendende eigendommen te gaan\" conform gemaakt met artikel 12, § 1, van het Koninklijk Besluit van 28 maart 2014 betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">3, § 1, van de huidige wetgeving, zijnde \"Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties worden de elektrische installaties regelmatig gecontroleerd door een ter zake erkend organisme. De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder\", wordt geschrapt gezien het een bepaling is van de AREI basiswetgeving waaraan men sowieso moet voldoen. In principe is deze voorwaarde dus reeds verplicht via het AREI. In artikel 5.32.8.1.3, § 3, wordt het woord `baders' toegevoegd want buiten de toeschouwers en het personeel moeten eveneens de baders kunnen geëvacueerd worden (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.1.3, § 4) In artikel 5.32.8.1.6, § 2, 3°, wordt het `Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming' vervangen door de `Codex over het welzijn op het werk' en de overeenkomstige koninklijke besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.7, 2°, wordt opgelegd dat in het register dagelijks de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid moet worden genoteerd gezien deze parameter ook van belang is (een te hoge gemiddelde relatieve luchtvochtigheid geeft een oncomfortabel gevoel aan de baders en geeft risico op condensatie, schimmels en corrosie en materiaalafbraak van de zwembadinfrastructuur; een te hoge gemiddelde relatieve luchtvochtigheid wijst eveneens op onvoldoende ventilatie en een opconcentratie van negatieve bijproducten van chloor).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikelen 5.32.8.1.8, § 2, tweede lid, 5.32.8.1.9, § 3, 1°, en 5.32.8.1.9, § 3, 2°, e), wordt nu éénvormig naar het VLAREL verwezen voor de meetmethodes voor trichlooramine in de lucht en voor de bacteriologische, fysische en chemische parameters in het badwater (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.2, § 4, 2°, en 3°, (badwater) en het artikel 5.32.9.2.1, § 9, (lucht) bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 4, 2° en 3°, (badwater) bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2, §§ 2 en 3, (badwater) en het artikel 5.32.9.4.1, § 6, (lucht) bij de hot whirlpools, het artikel 5.32.9.5.1, §§ 2, en 3, (badwater) bij de dompelbaden, het artikel 5.32.9.6.2 (badwater) bij de plonsbaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 4, 2° en 3°, (badwater) en het artikel 5.32.9.7.1, § 9, (lucht) bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 1, a), wordt voor de parameter gebonden chloor voor de openlucht zwembaden en de plonsbaden een verstrenging doorgevoerd tot 0, 6 mg/liter. Deze grenswaarde was al voor de andere zwembaden, namelijk voor overdekte zwembaden, therapiebaden, hot whirlpools en dompelbaden, verstrengd tot 0, 6 mg/liter in een vorige VLAREM-wijziging. Nu volgen ook de openlucht zwembaden en de plonsbaden. Deze wijziging heeft als doel om het aantal desinfectiebijproducten (DBP) van chloor zoals trichlooraminen en thihalomethanen in het zwemwater en in de omgevingslucht van het zwembad te beperken (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1, a, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.6.2 bij de plonsbaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 1, a), wordt voor dompelbaden voor de parameter vrij beschikbaar chloor een verstrenging ingevoerd, namelijk een bovengrens van 2 mg/liter (terwijl er vroeger een bovengrens van 3 mg/liter was). Deze verstrenging is mogelijk gezien dit type van baden continu doorstroomd worden met vers water, laag belaste baden zijn en een lage temperatuur hebben. Deze wijziging heeft als doel om de vorming van desinfectiebijproducten (DBP) zoveel mogelijk te beperken (het artikel 5.32.9.5.1, § 1quater, a, van de huidige wetgeving);</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 1, a), wordt voor de parameter bicarbonaat de grenswaarde een richtwaarde gezien bicarbonaat een stuurparameter is en voor de pH van belang is (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.2, § 4, 1, a, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1, a, bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2. § 1, a, bij de hot whirlpools, het artikel 5.32.9.5.1, § 1quater, a, bij de dompelbaden, het artikel 5.32.9.6.2 bij de plonsbaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1, a, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 1, b), wordt bij de parameter `Legionella pneumophila' `n/100 ml' vervangen door `n/liter' want Legionella wordt in de WAC-meetmethode uitgedrukt in n/liter in plaats van in n/100 ml (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.4.2, § 1, b).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 1, c), wordt voor dompelbaden voor de parameter temperatuur, gelijklopend met de andere baden, nu eveneens de uitzonderingsbepaling opgenomen `tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend' zodat hier ook van de temperatuur kan worden afgeweken. Dit was al vanaf 1995 mogelijk voor de andere baden. Verkeerdelijk was deze bepaling voor dompelbaden reeds opgenomen in de gepubliceerde teksten van het VLAREM terwijl dit voor de dompelbaden nooit door de Regering was beslist (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.2, § 4, 1, c, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1, c, bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2, § 1, c, bij de hot whirlpools, het artikel 5.32.9.6.2 bij de plonsbaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1, c, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 1, c), wordt de parameter `kleur' weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is immers een parameter die in de praktijk niet of bijna nooit wordt geverifieerd. De kleur van het water is niet belangrijk, maar wel de doorzichtigheid van het water en dat is al vastgelegd in de parameter `helderheid' (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.2, § 4, 1, c, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 4, 1, c, bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2, § 1, c, bij de hot whirlpools, het artikel 5.32.9.5.1, § 1quater, c, bij de dompelbaden, het artikel 5.32.9.6.2, bij de plonsbaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1, c, bij de therapiebaden) In artikel 5.32.8.1.9, § 1, c), wordt voor hot whirlpools een zetfoutje in het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/12/1975 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/12/1975 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 (BS 21/03/2012) rechtgezet; namelijk het volume circulerend water per bader (gemiddelde waarde over de openingsuren van één dag) moet groter of gelijk aan 2 m3 zijn (in plaats van dat het groter dan 2 m3 moet zijn) (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.4.2, § 1, c).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.9, § 3, 2°, d), wordt toegevoegd dat de monstername van het badwater onaangekondigd gebeurt tijdens de uren van de exploitatie gezien verschillende labo's hieromtrent bij sommige exploitanten problemen ondervinden en het vanuit de overheid mogelijk wil worden gemaakt voor de labo's om hun taak uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikelen 5.32.8.1.9, § 3, 3°, en 5.32.8.2.1.11, § 4, f), wordt, gezien de elektronische vooruitgang, de woordengroep `ligt ter inzage' vervangen door de woordengroep `is ter plaatse consulteerbaar' of vervangen door de woordengroep `is consulteerbaar op de plaats van exploitatie' zodat de afschriften van diploma's/getuigschriften van de redder en de bijscholing evenals het register ook elektronisch kunnen ingekeken worden (in de huidige wetgeving de artikelen 5.32.9.2.2, § 3, 5, (brevet) en 5.32.9.2.2, § 4, 4, (register) bij de overdekte circulatiebaden, de artikelen 5.32.9.3.2, § 3, 5, (brevet) en 5.32.9.3.2, § 4, 4, (register) bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2, § 6, (register) bij de hot whirlpools, het artikel 5.32.9.5.2, § 1, (register) bij de dompelbaden, het artikel 5.32.9.6.2, (register) bij de plonsbaden en de artikelen 5.32.9.7.2, § 3, 4, (getuigschrift) en 5.32.9.7.2, § 4, 4, (register) bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.10, § 2, 2de lid, wordt, gezien bij zwemwedstrijden in de hedendaagse praktijk niet kon voldaan worden aan het maximum aantal bezoekers, deze norm herschreven en aangepast aan de huidige situaties en mogelijkheden (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.2, § 3, 2, bij de overdekte circulatiebaden). Bij de bepaling van het totaal aantal bezoekers in de zwemhal worden de bezoekers aanwezig op de tribune niet meegeteld omdat hiervoor gewoonlijk een afzonderlijke uitgang voorzien is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.10, § 4, wordt het, gezien het elektronische tijdperk waarin we leven, nu ook mogelijk gemaakt dat een ernstig ongeval of overlijden binnen de badinrichting nu ook per mail aan de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, kan worden overgemaakt (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.2. § 3, 12, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 3, 12, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 3, 8, bij de therapiebaden) en worden de woorden `per telefax' geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.11, § 3, wordt de bepaling dat interne uitrustingen of therapeutische of recreatieve voorzieningen niet onbederfbaar mogen zijn weggelaten, gezien dit vanzelfsprekend is en gezien alle voorzieningen gerealiseerd zijn uit onbederfbaar materiaal (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.2.1, § 6, 1, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 6, 1, bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.7.1, § 6, bij de therapiebaden);</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.11, § 4, wordt de verplichting opgenomen dat, analoog aan het principe dat recreatieve voorzieningen moeten voldoen aan de normen van het Europees Comité voor Normalisatie, nu ook de therapeutische voorzieningen moeten voldoen aan de Europese normen indien die er zijn (in de huidige wetgeving het artikel 5.32.9.7.1, § 6, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.12 wordt ingevoegd dat, indien de ontsmetting van het water op een andere wijze dan op basis van chloor gebeurt, dit moet opgelegd worden in de bijzondere voorwaarden van de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen hieromtrent stonden in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.1, § 8, 7, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 7, 7, bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.1, § 1, bij de hot whirlpools, het artikel 5.32.9.5.1, § 1, bij de dompelbaden, het artikel 5.32.9.6.1 bij de plonsbaden en het artikel 5.32.9.7.1, § 8, 7, bij de therapiebaden en veronderstelden een toelating door de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit werd voordien eveneens bepaald door de artikelen 5.32.9.2.2, § 5, derde lid, voor de overdekte circulatiebaden, 5.32.9.3.2, § 5, derde lid, voor de niet-overdekte circulatiebaden, 5.32.9.4.2, § 8, voor de hot whirlpools en 5.32.9.7.3, § 3, voor de therapiebaden waarbij het opgelegd werd door middel van een voorwaarde in de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgevolg werd het voordien zowel door een wijziging voorwaarden als door een toelating door de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu wordt, gezien het ontsmettingsmechanisme wordt gezien als horende tot een voorwaarde van de vergunning, dit verankerd in de omgevingsvergunning en moet dit vastgelegd worden in de bijzondere voorwaarden van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt aangenomen dat de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid advies geeft aan de vergunningverlenende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.1.12 wordt, omwille van de veiligheid, het gebruik van chloorgas verboden voor alle inrichtingen, bestaand of nieuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordien was dit alleen verboden bij nieuwe inrichtingen. Deze bepaling is al 20 jaar oud zodat deze overgangsbepaling best kan geschrapt worden (stond ook al inde VLAREM-wetgeving van 1995) (in de huidige wetgeving stond dit in het artikel 5.32.9.2.2, § 2, 1 bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 2, 1, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 2, 1, bij de therapiebaden). Er wordt voor de in 1995 bestaande baden die nu nog vergund zijn en ook nog chloorgas gebruiken, wel een overgangsregeling van 3 jaar voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.1, § 1, en § 2, wordt het woord `onbederfbaar' weggelaten gezien de huidige evolutie van de zwembaden. Zo ook voor artikel 5.32.8.2.1.3, § 5, waarbij de woorden zoals `hard', `onbederfbaar' en `waterdicht' weggelaten worden en voor artikel 5.32.9.2.1.1.4, § 1, waarbij de woorden `hard' en `onbederfbaar' weggelaten worden (in de huidige wetgeving stond dit in artikel 5.32.9.2.1, § 1, 1, (lokalen) en 5.32.9.2.1, § 1, 2, (vloer en wanden) bij de overdekte circulatiebaden, in artikel 5.32.9.3.2.1, § 1, 1, (lokalen) en 5.32.9.3.2.1, § 1, 2, (vloer en wanden) bij de niet-overdekte circulatiebaden, in artikel 5.32.9.7.1, § 1, 1, (lokalen) en 5.32.9.7.1, § 1, 2, (vloer, wanden en zoldering) bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.1, § 6, wordt de afwijkingsmogelijkheid op de helling van de vloer toegestaan in geval er een hygiëneplan is dat goedgekeurd is door het Agentschap voor Toezicht op de Volksgezondheid. Hierbij wordt de bepaling aan welke voorwaarden dat het hygiëneplan moet voldoen (onder andere de vloercontroles die aan bepaalde bacteriologische voorwaarden (Coliforme bacteriën, fecale Colibacteriën, fecale Streptokokken, Pseudomonas aeruginosa, pathogene Staphylokokken en dermatofyten) moeten voldoen), weggelaten. Er zijn geen normen beschikbaar waaraan deze parameters kunnen worden getoetst. (in de huidige wetgeving kwam dit voor in het artikel 5.32.9.2.1, § 1, 5, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 1, 5, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.1, § 1, 5, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling in verband met het hygiëneplan is eveneens weggelaten in artikel 5.32.8.2.1.5, § 1, 3°, (afwijkingsmogelijkheid voor afzonderlijke toiletten) en artikel 5.32.8.2.1.5, § 1, 4°, (afwijkingsmogelijkheid voor de helling van de vloer van de sanitaire voorzieningen) (dit staat in de huidige wetgeving in de artikelen 5.32.9.2.1, § 5, 1, (afzonderlijke toiletten), 5.32.9.2.1, § 5, 2, (vloer van sanitaire voorzieningen) bij overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 5, 2, bij de niet-overdekte circulatiebaden en de artikelen 5.32.9.7.1, § 5, 1, (afzonderlijke toiletten) en 5.32.9.7.1, § 5, 2, (de vloer van de sanitaire inrichting), bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.2, § 1, wordt de staanrand, voordien verplicht voor het openlucht zwembad, geschrapt. Wanneer een grijprand of touw aanwezig is, is dit immers voldoende (dit staat in de huidige wetgeving vermeld in artikel 5.32.9.3.1, § 2, 3, bij de niet-overdekte circulatiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.2, § 1, wordt de woordengroep `ter hoogte van het diepe gedeelte' vervangen door de woordengroep `vanaf 1, 35 meter diep' zodat het duidelijk is wat met diep bedoeld wordt (in het diepe gedeelte moet immers een grijprand of touw aanwezig zijn)(dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.3.1, § 2, 3 bij de niet-overdekte circulatiebaden);</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.3, § 4, wordt de bepaling dat het water op de kaden moet worden afgevoerd via afvoerpunten met een minimale diameter van 15 cm (zodat stilstaand water voorkomen wordt) vervangen door de bepaling dat de afvoerpunten een zodanig grote diameter moeten hebben dat stilstaand water voorkomen wordt. In plaats van een middelvoorschrift komt er dus een doelvoorschrift (dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.1, § 3, 4, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 3, 3, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.1, § 3, 3, bij de therapiebaden);</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.5, § 2, 1ste lid, wordt nu opgelegd dat er een voldoende aantal stortbaden in de zweminrichting aanwezig moet zijn gezien bij inspecties blijkt dat dit soms niet het geval is terwijl het juist wel nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.5, § 2, en 5.32.8.4.1.5 wordt de temperatuur van de warmwaterinstallatie van de stortbaden aangepast conform aan het Legionellabesluit (deze bepalingen hieromtrent staan in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.1, § 5, 4, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 5, 3, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.1, § 5, 4, bij de therapiebaden);</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.6, § 1, 2°, c), wordt de woordengroep ` het besluit van 15 maart 1989 betreffende technische reglementering inzake drinkwater' vervangen door de woordengroep `artikel 5 van het besluit van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie' gezien dit drinkwaterbesluit reeds is vervangen door een nieuw drinkwaterbesluit (dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.1, § 8, 2, laatste lid, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.1, § 7, 2, laatste lid, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.1, § 8, 2, laatste lid, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.7, tweede lid, wordt de Europese norm voor de kleurproef opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikelen 5.32.8.2.1.8, § 2, en 5.32.8.2.2.3 wordt, om waterbesparing mogelijk te maken, voor zwembaden, therapiebaden en hot whirlpools de bepaling toegevoegd dat, `tenzij hiervoor een toelating door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, is verleend, de filters tweemaal per week moeten worden gespoeld (dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.2, § 5, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 5, bij de niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2, § 4, bij de hot whirlpools en het artikel 5.32.9.7.3, § 4, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.9, § 2, stemt een ietwat andere omschrijving van het reinigen van de wanden meer overeen met de realiteit zonder afbreuk te doen aan de hygiëne (dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.2, § 6, 1, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 6, 1, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.7.3, § 6, 1, bij de therapiebaden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.10, § 2, 1°, wordt de opsomming `personen onder invloed van alcohol, ordeverstoring, niet-naleven van het reglement `achter de woordengroep `de personen die een risico kunnen zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen' weggelaten gezien juridisch geen opsommingen in de VLAREM-wetgeving worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.11, § 2, 1°, wordt toegevoegd dat de reanimatie-apparatuur moet aanwezig zijn op een vaste plaats en gemakkelijk bereikbaar voor de redder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.11, § 2, 2°, wordt voor het telefoontoestel in de inrichting toegevoegd dat het toestel, net zoals de reanimatie-apparatuur, op een vaste plaats moet staan en gemakkelijk bereikbaar moet zijn voor de toezichthoudende persoon, zodat, in geval van nood, de toezichthoudende persoon onmiddellijk het telefoontoestel vindt en de 112 kan bellen; in de huidige wetgeving stond voor zwembaden en therapiebaden dat dit telefoontoestel in de nabijheid van het bad en het EHBO-lokaal moest staan, maar het is belangrijker dat het toestel op een vaste plaats staat die gemakkelijk bereikbaar is; of dit telefoontoestel dicht bij het EHBO-lokaal staat, is van minder belang; ook wordt hier in deze bepaling vermeld dat het toestel goed bereikbaar moet zijn voor de toezichthoudende persoon (terwijl in de huidige wetgeving deze bepaling staat voor de redder in geval van de overdekte en openlucht zwembaden en voor de toezichthoudende persoon in geval van therapiebaden) omdat het van belang is dat elke toezichthoudende persoon de 112 moet kunnen verwittigen, dus niet alleen de redder;</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, b): - wordt de woordengroep `EHBO-brevet afgeleverd door een gemachtigde instelling voor het inrichten van de cursussen EHBO' vervangen door de woordengroep `EHBO-brevet afgeleverd door een erkende opleidingsverstrekker' gezien dit een correctere term is; - wordt het aantal toezichthoudende personen met een basisreddersbrevet Sport Vlaanderen of een EHBO-brevet gewijzigd gezien deze bepaling analoog met de toezichtsformule wordt gemaakt en gezien het maximaal aantal personen in een zwembad van 500 m2 maximaal 166 baders (namelijk 1 bader per 3 m2) kan zijn (dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.1.5, bij de algemene bepalingen);</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, d), en artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, e), wordt het woord `reddersbrevet' vervangen door het woord `reddersdiploma' gezien dit een correctere benaming is (in de huidige wetgeving staat dit in het artikel 5.32.9.2.2, § 3bis en § 3quater, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 3ter, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.8.1, § 3, bij de open zwemgelegenheden en watersportzones).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1°, f), 1), wordt het woord `brevet' vervangen door het woord `diploma' gezien dit een correctere benaming is (dit staat in de huidige wetgeving in het artikel 5.32.9.2.2, § 3, 5, bij de overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 3, 5, bij de niet-overdekte circulatiebaden en het artikel 5.32.9.8.5, § 7, bij de open zwemgelegenheden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moet het diploma of getuigschrift niet meer ter plaatse ter inzage liggen, maar mag het ook gewoon consulteerbaar zijn, onder andere op internet. Hierbij wordt het artikel aangepast aan de wijzigende communicatiemiddelen. Hetzelfde geldt voor artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 1, f, 2), waarbij het getuigschrift van de meest recente bijscholing consulteerbaar moet zijn en niet meer fysisch ter plaatse op de inrichting aanwezig moet zijn. Hetzelfde geldt eveneens voor artikel 5.32.8.2.1.11, § 4, 2°, b), waarbij rekening gehouden wordt met de recente communicatiemiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.32.8.2.2.2 wordt toegevoegd dat bij eenmalig gebruik van een hot whirlpool door 1 persoon of éénmalig en gelijktijdig door verschillende personen waarbij het aangevoerde water afkomstig is van de bufferbak na waterbehandeling (het gaat dus over circulerend water), de vereisten van het vorige lid (namelijk een debiet van 3 m2 per bader en per uur, een turn-over van maximum tien minuten en 100% verwijdering van het water via de bovenafvoer) vervallen. Voor deze circulatiebaden is het van belang dat het water in deze hot whirlpools voldoet aan alle kwaliteitsvereisten voor hot whirlpools, maar de vereisten van een debiet van 3 m2 per bader en per uur, een turn-over van maximum tien minuten en 100% verwijdering van het water via de bovenafvoer, zijn niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gelijksoortige zin in artikel 5.32.9.4.1, van de huidige wetgeving, namelijk `Bij éénmalig gebruik van het badwater vervalt deze vereiste', werd oorspronkelijk geschrapt met het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/12/1975 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/12/1975 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6 gezien dit artikel en de onderhavige subafdeling 5.32.9.4, alleen van toepassing zijn op hot whirlpools die circulatiebaden zijn (cf. de definitie van hot whirlpools zijnde circulatiebaden voorzien van zitbanken met maximale diepte van 1 meter, waarin er vanuit de bodem of wand lucht geïnjecteerd wordt en die gevuld worden met water van meer dan 32 ° C), zodat hot whirlpools die éénmalig door 1 persoon of éénmalig door verschillende personen tegelijkertijd worden gebruikt waarbij het aangevoerde water leidingwater betreft en waarbij het water na dit éénmalige gebruik wordt geloosd en waarbij het bad dus geen circulatiebad betreft (het aangevoerde water komt niet van de bufferbak), niet moeten voldoen aan subafdeling 5.32.9.4 `Hot Whirlpools' . Bijgevolg werd toen de overbodige zin `Bij éénmalig gebruik van het badwater vervalt deze vereiste' geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Later bleek de betekenis van de woordengroep `éénmalig gebruik van een hot whirlpool' evenwel ook anders geïnterpreteerd te kunnen worden door sommige exploitanten en dus niet overbodig te zijn. De zin `éénmalig gebruik van een hot whirlpool' werd door hen geïnterpreteerd als het laten vollopen van de hot whirlpool met water afkomstig van de waterzuiveringsinstallatie van een zwembadinrichting en waarbij dit water, na gebruik, leegloopt ofwel naar de zuiveringsinstallatie van de zwembadinrichting ofwel naar de riolering; dus in deze context gaat het wel over circulatiebaden en moeten de hot whirlpools voldoen aan de subafdeling van hot whirlpools en is de bepaling voor éénmalig gebruik niet overbodig; gezien het voor deze circulatiebaden nog van belang is dat het water in deze hot whirlpools toch nog voldoet aan alle kwaliteitsvereisten voor hot whirlpools, terwijl de bepalingen ( zoals een debiet van 3 m2 per bader en per uur, een turn-over van maximum tien minuten en 100% -verwijdering van het water via de bovenafvoer) in die situatie niet nodig zijn, wordt deze bepaling `éénmalig gebruik' terug ingevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.2: In artikel 5.32.9.8.2, § 3, van de huidige wetgeving (bij de gemeenschappelijke bepalingen en waterrecreatie in meren, vijvers en dergelijke) wordt opgelegd dat het bacteriologisch onderzoek van het zwemwater minimaal moet worden uitgevoerd vanaf 1 mei tot en met 30 september. Deze periode wordt nu geschrapt en er wordt in de plaats hiervan vermeld dat de controle van het zwemwater moet gebeuren tijdens de uitbating. De uitbating kan immers langer of korter zijn dan deze periode van 1 mei en tot en met 30 september. Dit valt immers niet noodzakelijkerwijze hiermee volledig samen. Deze uitbating kan ook soms in de winter (cf. de ijsberen in Antwerpen) voorkomen. Het is immers alleen van belang dat het zwemwater wordt gecontroleerd tijdens het badseizoen (zijnde een periode waarin grote aantallen zwemmers kunnen worden verwacht) en kort voor het badseizoen. Dit is niet in tegenspraak met de zwemwaterrichtlijn (Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG) die in bijlage IV oplegt dat kort vóór het begin van elk badseizoen en tijdens het badseizoen het zwemwater moet worden gecontroleerd</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.6: in het artikel 5.32.9.8.1, § 2, bij de gemeenschappelijke bepalingen voor open zwemgelegenheden en watersportzones, van de huidige wetgeving, wordt het reglement van interne orde bij open zwemgelegenheden aangepast zodanig dat dit meer conform is met het interne reglement dat opgelegd wordt bij natuurlijke zwembaden en zwembaden. Ook worden opsommingen weggelaten (de personen die een risico kunnen zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, namelijk personen onder invloed van alcohol, ordeverstoring, niet-naleven van het reglement)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.8: in het artikel 5.32.9.8.1, § 1, bij de gemeenschappelijke bepalingen voor open zwemgelegenheden en watersportzones, van de huidige wetgeving, werd opgelegd dat de cabines en het sanitair dagelijks gereinigd en ontsmet moeten worden en dat de vuilnisbakken dagelijks, onmiddellijk na sluiting, geledigd moeten worden. In de praktijk verschilt de mate van noodzakelijke reiniging echter naargelang de bezetting van die dag. Het ledigen van de vuilnisbakken gebeurt inderdaad dagelijks, maar het moment waarop dit gebeurt hangt af van de werking van de exploitant. Een ietwat andere omschrijving stemt meer overeen met de realiteit zonder afbreuk te doen aan de hygiëne</p></div>", "next": 239907}