{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Als de erkende instelling meer dan twee voltijds equivalent personeelsleden aanstelt voor schuldbemiddeling, wordt dat bedrag tot 370 euro verhoogd. Art. 152.Het bedrag bedoeld in artikel 149, eerste lid, 3°, is gelijk aan euro 1.000 per gedecentraliseerde actieve site, met een maximum van 3 sites. Art. 153.Het bedrag bedoeld in artikel 149, tweede lid, wordt vastgelegd op 1.500 euro per steungroep voor de preventie van een overmatige schuldenlast die jaarlijks minstens vijf activiteiten organiseert. Elke instelling mage en steengroep oprichten met instemming van het bevoegde referentiecentrum. Als de bediende gemeente of groep van gemeenten meer dan 30 000 inwoners telt, kan een erkende instelling verschillende steungroepen oprichten naar rato van één groep per volledige schijf van 30 000 inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4 - Toekenningsmodaliteiten en -procedure Art. 154.De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 1 maart van het subsidiejaar ingediend per e-mail of middels een elektronisch formulier. Ze bevat de gegevens op grond waarvan het variabele gedeelte van de subsidie bepaald kan worden. Art. 155.De subsidie is het voorwerp van een voorschot gelijk aan 70 % ervan, die geraamd wordt op grond van de gegevens verstrekt bij de aanvraag. Dat voorschot wordt betaald in de loop van het eerste semester van het subsidiejaar. Art. 156.Het saldo van de subsidie wordt gedurende het jaar na het subsidiejaar uitbetaald, rekening houdende met het gestorte voorschot en na overlegging van de stukken die de personeels- en werkingsuitgaven voor het subsidiejaar bevestigen. De bewijsstukken moeten uiterlijk 30 april van het jaar na het subsidiejaar aan het bestuur worden overgemaakt HOOFDSTUK II. - Referentiecentra Afdeling 1 - Erkenning Onderafdeling 1 - Toekenningsprocedure en -voorwaarden Art. 157.De aanvragen tot erkenning van de referentiecentra worden bij aangetekend schrijven of middels een elektronisch formulier aan het bestuur gericht. Art. 158.De erkenningsaanvraag wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door het bestuur wordt opgemaakt en aan de hand waarvan de vereniging : 1° het bewijs levert dat het doel van de vereniging voorziet in acties inzake de bestrijding van overmatige schuldenlast;2° het getuigschrift waarmee bewezen wordt dat de maatschappelijk assistent een gespecialiseerde, in artikel 140, § 1, bedoelde opleiding heeft gevolgd en een ten minste vijfjarige beroepservaring in het maatschappelijk werk voorlegt;3° het bewijs levert van de indienstneming van een houder van een academische graad van licentiaat of master in de rechten die de opleiding bedoeld in artikel 140, § 2, gevolgd heeft;4° het bewijs levert dat de personeelsleden die op grond van hun bevoegdheden rechtstreeks deelnemen in de uitoefening van de schuldbemiddelingsactiviteit niet ingedeeld zijn in één van de categorieën vermeld in artikel 78 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet; Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan het bestuur meegedeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van het bevoegde orgaan van de vereniging om de erkenning als referentiecentrum aan te vragen wordt eveneens bij de erkenningsaanvraag gevoegd. Art. 159.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt het bestuur de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen de twee maanden aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan bericht van ontvangst binnen de voorgeschreven termijnen wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn. Art. 160.Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Procedure en voorwaarden voor de weigering of de intrekking Art. 161.Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan bij aangetekend schrijven kennis gegeven aan de aanvrager. Art. 162.De erkenning kan worden ingetrokken omdat de artikelen 118 tot en met 130 en 694 van het decreetgevend deel van het Wetboek niet worden nageleefd. Afdeling 2 - Subsidiëring Onderafdeling 1 - Soorten subsidies A. Subsidies voor personeelskosten Art. 163.De personeelsuitgaven van een referentiecentrum worden in aanmerking genomen om de prestaties van de leden van het team bedoeld in artikel 128, § 2, vierde lid, 2° en 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek en van een administratief beambte ten laste te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie die betrekking heeft op een academische graad van licentiaat of master in de rechten geldt voor een voltijdse betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden enkel in aanmerking genomen met inachtneming van de weddeschalen opgegeven in de bijlagen 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden vermeerderd met de sociale werkgeversbijdragen berekend op grond van de weddeschalen bedoeld in het vorige lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden kunnen een dienstanciënniteit toegekend krijgen voor de nuttige ervaring die ze in hun betrekking verworven hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldelijke anciënniteit van het personeel van de referentiecentra wordt berekend overeenkomstig de algemene principes van het overheidspersoneel van de plaatselijke en provinciale openbare besturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Subsidies voor werkingskosten Art. 164.De werkingskosten van de referentiecentra worden in aanmerking genomen voor een bedrag van 10.000 euro, verhoogd met 0,04 euro/inwoner van het/de provinciegedeelte(n) bediend door een centrum, waarbij het totaalbedrag niet hoger mag zijn dan 35.000 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het beleid voor de preventie van overmatige schuldenlast en van de begeleiding van de steungroepen voor de preventie van overmatige schuldenlast worden de personeels- en werkingsuitgaven van de referentiecentra in aanmerking genomen ten belope van euro 40.000/jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De referentiecentra mogen voor het overige de verplaatsingskosten van hun personeelsleden voor de diensten verstrekt ten gunste van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling aan deze instellingen factureren. Art. 165.De bedragen bedoeld in artikel 164 zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex, overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/07/1999 numac 1999009724 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/1999 numac 1999012447 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten0 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor het eerst op één januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en vervolgens jaarlijks op één januari wordt dat bedrag berekend door het aan te passen aan de rang van de laatste spilindex met als grondslag de koppelindex van de maand januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Toekenningsmodaliteiten Art. 166.De personeels- en werkingskosten betreffende het subsidiejaar zijn het voorwerp van twee halfjaarlijkse voorschotten gelijk aan 40 % van de subsidie geschat op grond van de uitgaven betreffende het vorige jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het eerste jaar waarin de subsidie wordt toegekend aan de referentiecentra, wordt elk halfjaarlijks voorschot evenwel vastgelegd op telkens 80.000 euro. Art. 167.De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald op grond van een definitieve berekening waarin ook rekening wordt gehouden met de reeds gestorte halfjaarlijkse subsidies. Art. 168.Het erkende referentiecentrum dat de boekhoudkundige gegevens van het voorafgaande boekjaar uiterlijk 30 april niet aan de Regering heeft overgemaakt, krijgt voor het lopende jaar geen voorschotten meer zolang de gegevens niet zijn toegestuurd. HOOFDSTUK III. - \"Observatoire du crédit et de l'endettement \" (Waarnemingscentrum Krediet en Schuldenlast) Afdeling 1 - Erkenning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-169\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 169</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in Charleroi gevestigde \" Observatoire du Crédit et de l'Endettement \" wordt op eigen aanvraag erkend door de Minister indien de hierna vermelde vereisten worden nageleefd : 1° de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk en zijn maatschappelijke zetel in Charleroi gevestigd hebben;2° over een raad van bestuur beschikken met minstens : a) twee vertegenwoordigers aangewezen door de Waalse Regering;b) één vertegenwoordiger van de Federatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;c) 2 vertegenwoordigers van het bankwezen of de bedrijfswereld;d) twee vertegenwoordigers uit verbruikersverenigingen;e) drie vertegenwoordigers uit instellingen die aan schuldbemiddeling doen of uit de referentiecentra;3° over een team beschikken bestaande uit minstens : a) één universitair gediplomeerde directeur;b) één doctor of licentiaat in de rechten;c) één licentiaat in de economische wetenschappen;d) één gegradueerde die afgestudeerd is in een juridische, economische of bestuurskundige studierichting;4° het protocol verstrekken van de deliberatie die in het bevoegde orgaan van de vereniging heeft plaatsgehad en waarin de verbintenis opgenomen is om de opdrachten toegewezen krachtens artikel 130 van het decreetgevend deel van het Wetboek na te leven;5° de Minister kennis geven van elke wijziging aangebracht in de statuten en in de samenstelling van de Raad van bestuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 170</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De erkenningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven gericht aan de Minister, die zich uitspreekt binnen twee maanden. De erkenning wordt verleend voor een onbepaalde periode Indien de opdrachten toegewezen bij Titel 3 van Boek 1 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek of de voorwaarden bedoeld in artikel 169 niet worden vervuld, kan de erkenning worden ingetrokken. Afdeling 2 - Subsidiëring Onderafdeling 1 - Soorten subsidies A. Subsidies voor personeelskosten Art. 171.De personeelsuitgaven van het \" Observatoire du Crédit et de l'Endettement \" worden in aanmerking genomen om de prestaties van het team bedoeld in artikel 169, 3°, ten laste te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsuitgaven bedoeld in vorig lid worden enkel in overweging genomen op grond van de weddenschalen bedoeld in artikel 15 en rekening gehouden met de regels betreffende de evaluatie van het personeel van het \"Observatoire du Crédit et de l'Endettement\" omstandig aangegeven in bijlage 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden vermeerderd met de sociale werkgeversbijdragen berekend op grond van de weddeschalen bedoeld in het vorige lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsleden kunnen een dienstanciënniteit toegekend krijgen voor de nuttige ervaring die ze in hun betrekking verworven hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan aan het personeel van het \"Observatoire\" een geldelijke anciënniteit toegekend worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/07/2001 numac 2001009636 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van artikel 186bis van het Gerechtelijk Wetboek sluiten7 houdende de Waalse Ambtenarencode.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Subsidies voor werkingskosten Art. 172.§ 1. De werkingskosten voor de opdrachten van het \"Observatoire\" worden in aanmerking genomen voor zover ze niet meer dan euro 100.000 per jaar bedragen. Deze kosten dienen o.a. om de organisatie van de basis- en voortgezette opleidingen te dekken volgens een met de Minister overeengekomen programma. Wat betreft de subsidies voor de opleidingen, wordt de toekenning onderworpen aan de overlegging van een voorbegroting en van een door de Minister goedgekeurde activiteitenprogramma. § 2. Er wordt een subsidie van jaarlijks 80.000 euro toegekend als bijdrage in de personeels- en werkingskosten in verband met de bijwerking, het beheer en de moderatie van het deel dat verband houdt met het voorkomen van overmatige schuldenlast en het krediet van het elektronisch portaal ontwikkeld door het Waalse Gewest. Art. 173.De bedragen bedoeld in artikel 172 zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex, overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/07/1999 numac 1999009724 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/1999 numac 1999012447 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten0 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor het eerst op één januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en vervolgens jaarlijks op één januari wordt dat bedrag berekend door het aan te passen aan de rang van de laatste spilindex met als grondslag de koppelindex van de maand januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Toekenningsmodaliteiten Art. 174.De personeels- en werkingskosten betreffende het subsidiejaar zijn het voorwerp van twee halfjaarlijkse voorschotten gelijk aan 40 % van de subsidie geschat op grond van de uitgaven betreffende het vorige jaar. Art. 175.De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald op grond van een definitieve berekening waarin ook rekening wordt gehouden met de reeds gestorte halfjaarlijkse subsidies. Art. 176.Indien het \" Observatoire du Crédit et de l'Endettement \" of de referentiecentra hun boekhoudgegevens m.b.t. tot het voorgaande boekhoudjaar niet aan de Regering hebben medegedeeld tegen uiterlijk 30 april, wordt er geen enkel voorschot meer gestort voor het lopende jaar zolang de gegevens niet zijn medegedeeld. HOOFDSTUK IV. - Controle en bekendmaking Art. 177.De administratieve en financiële controle op de erkende instellingen voor schuldbemiddeling, de erkende referentiecentra en het \"Observatoire du Crédit et de l'Endettement\" wordt door de ambtenaren van het bestuur uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deze controle kan het bestuur de instelling verzoeken om de overlegging van de nodige stukken en bewijzen die niet zijn overlegd in het kader van de erkenningsaanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-178\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 178</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het erkende referentiecentrum stelt jaarlijks een activiteitenverslag op waarmee gecontroleerd kan worden of de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 130 en artikel 694 van het decreetgevend deel van het Wetboek en de bepalingen genomen in uitvoering ervan worden nageleefd. Dat verslag wordt uiterlijk tegen 30 april van het daarop volgende jaar overgemaakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-179\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van alle beslissingen in verband met de toekenning, de weigering of de intrekking van een erkenning van een instelling voor schuldbemiddeling en een referentiecentrum wordt een afschrift betekend aan de federale Minister bevoegd voor Economische Zaken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-180\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De lijst van de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra wordt door het bestuur bijgehouden. HOOFDSTUK V. - Coördinatiecomité voor acties ter voorkoming en bestrijding van overmatige schuldenlast Art. 181.Overeenkomstig artikel 130/1 van het decreetgevend deel van het wetboek bestaat het comité voor de coördinatie van de acties ter voorkoming en bestrijding van overmatige schuldenlast uit de volgende leden : 1° een vertegenwoordiger van de Minister van sociale actie, die er het voorzitterschap van waarneemt;2° een vertegenwoordiger van het « Observatoire du Crédit et de l'Endettement (Waarnemingscentrum krediet en schuldenlast) », die er het secretariaat van waarneemt;3° een vertegenwoordiger van elk referentiecentrum;4° een vertegenwoordiger van het Operationeel directoraat-generaal Sociale Actie en Gezondheid. De leden van dat comité kunnen in onderlinge overeenstemming beslissen om elke persoon te aanvaarden die beschikt over specifieke kennissen inzake schuldenoverlast en die debatten kan leiden Het coördinatiecomité dient voor de bespreking en de coördinatie van de acties die op het terrein gevoerd worden door de referentiecentra, het « Observatoire du Crédit ou de l'Endettement » of de erkende instellingen ». HOOFDSTUK VI. - Overgangsmaatregel Art. 182.De sociaal verpleegkundigen, in dienst genomen voor 1 januari 2014 in de hoedanigheid van schuldbemiddelaars in een schuldbemiddelingsdienst overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beschouwd als de voorwaarden inzake diploma's te vervullen zoals bepaald in artikel 141, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL V. - Centra voor maatschappelijk werk HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen en opdrachten Art. 183.Voor de toepassing van deze titel dient onder Centrum voor maatschappelijk werk een centrum te worden verstaan dat, volgens de methodes van het beroepsmatig uitgeoefend maatschappelijk werk aan de personen en de gezinnen die erom verzoeken, sociale en psycho-sociale hulp biedt met het doel de kritieke situaties die hun ontwikkeling belemmeren te overwinnen of te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Centrum draagt vooral zorg voor : 1° alleenstaande personen;2° gezinnen die in hun normale ontwikkeling belemmerd worden door één of meer van hun leden;3° gezinnen die ontredderd zijn door de afwezigheid of het wegvallen van één van de leden. Art. 184.Het Centrum voor maatschappelijk werk heeft als opdracht : 1° binnen een plaatselijke gemeenschap de eerste opvang op zich nemen van personen en gezinnen die in een kritieke situatie verkeren;2° samen met de betrokkenen erin slagen om hun sociale moeilijkheden duidelijker te formuleren;3° de sociale instellingen en voorzieningen door informatie in het gezichtsveld te brengen van de betrokkenen en dezen zo nodig te verwijzen naar meer gespecialiseerde instellingen of naar personen die ervoor bevoegd zijn specifieke kritieke situaties weg te werken, waarbij in samenwerking met die instellingen en personen bij beide laatstgenoemden geïntervenieerd wordt;4° personen en gezinnen inzover nodig te begeleiden met het doel hen beter te integreren in hun leefmilieu en meer actief te doen deelnemen aan het leven van dit milieu;5° de bevoegde instanties opmerkzaam te maken op de problemen en gebreken in de samenleving. Art. 185.De Minister kan de Centra voor maatschappelijk werk erkennen onder de voorwaarden bepaald in deze titel. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Toekenningsvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 186</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om erkend te worden, moet het Centrum voor maatschappelijk werk aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° hetzij de vorm hebben aangenomen van een vereniging zonder winstoogmerk, die de in artikel 1984 bepaalde opdracht als uitsluitende doelstelling heeft, hetzij opgericht zijn door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald bij de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/12/2007 numac 2007001031 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen van het eerste semester 2007 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/03/2009 numac 2009000060 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;2° ten minste drie geschoolde beroepskrachten met voltijdse prestaties in dienst hebben die houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent(e) voorzien bij de wet van 12 juni 1945 of van een diploma van gegradueerde socia(a)l(e) verple(e)g(st)er voorzien bij het koninklijk besluit van 17 augustus 1957, gewijzigd door het koninklijk besluit van 11 juli 1960, of houder van een titel die in toepassing van artikel 25, 3°, van bovenvermeld besluit hiermee gelijkwaardig werd verklaard, of titularis zijn van een hiermee gelijkwaardig verklaard buitenlands diploma. Twee van de drie vereiste voltijdse betrekkingen mogen evenwel uitgeoefend worden door meerdere halftijds tewerkgestelde beroepskrachten. Ten minste de helft van de tewerkgestelde geschoolde beroepskrachten van het Centrum moet houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent(e); 3° over een centraal secretariaat en één of meerdere consultatiebureaus beschikken;4° permanent aanwezig zijn gedurende tien uur per week voor iedere gelijkwaardige voltijdse werknemer in acht genomen voor de toepassing van artikel 193, lid 2. Dit aantal uren mag verdeeld worden over de verschillende consultatiebureaus. Deze onthaaldienst wordt waargenomen door geschoolde beroepskrachten, in de zin van punt 2° van dit artikel, die al dan niet deel uitmaken van het aantal geschoolde beroepskrachten die in aanmerking komen voor de toekenning van de toelagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wekelijkse onthaaldienst moet minstens tijdens 44 weken per jaar beschikbaar zijn; 5° op de verschillende plaatsen waar de zittingen en raadplegingen plaatsvinden over een voldoende uitrusting beschikken om zijn opdracht doelmatig en discreet te volbrengen.De wachtkamer en de spreekkamer dienen van elkaar gescheiden te zijn; 6° open staan voor alle personen ongeacht hun ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, (hun nationaliteit en zonder dat er een lidmaatschap van het Centrum voor maatschappelijk werk kan worden geëist;7° vooraf gedurende ten minste zes maanden de in artikel 2 bepaalde activiteiten uitgeoefend hebben, hetzij met ten minste één voltijds bezoldigde beroepskracht zoals bepaald in 2° van dit artikel, hetzij met twee of meerdere halftijds bezoldigden van deze beroepskrachten. Afdeling 2 - Procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Centrum voor maatschappelijk werk dient zijn aanvraag om erkenning in bij de Minister door middel van een aangetekende brief, met bijvoeging van : 1° stukken waaruit de rechtspersoonlijkheid van de aanvragende instelling blijkt;2° een verslag over de werkzaamheden van het Centrum tijdens de zes maanden die de aanvraag voorafgaan;3° de afschriften van de diploma's van de beroepskrachten bedoeld in artikel 186, 2° ;4° een afschrift van de samenvattende opgave van de uitbetaalde bezoldigingen. Art. 188.De erkenning van de Centra voor maatschappelijk werk wordt door de Minister toegekend of geweigerd op basis van een verslag van zijn inspectiediensten Deze beslissing wordt aan het betrokken Centrum voor maatschappelijk werk medegedeed bij aangetekend schrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigering van de erkenning moet met redenen omkleed zijn. Het Centrum heeft het recht een nieuwe aanvraag in te dienen wanneer de redenen voor de weigering niet meer bestaan. Afdeling 3 - Opschorting, intrekking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-189\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 189</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De erkenning kan geschorst worden door de Minister indien een van de in artikel 186 bedoelde voorwaarden niet wordt nageleefd, indien een van de in artikel 196 of hoofdstuk 4 bedoelde verplichtingen niet wordt vervuld of indien het Centrum of een van zijn personeelsleden een ernstige onregelmatigheid heeft begaan De schorsing heeft tot gevolg dat de betaling van de in artikel 195 bedoelde voorschotten uitgesteld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze neemt een einde zodra de Minister door bemiddeling van een ambtenaar bedoeld in artikel 197 vaststelt dat het Centrum nu zijn verplichtingen wel naleeft of dat het de onregelmatigheid en de gevolgen ervan rechtgezet heeft en dat de nodige maatregelen getroffen werden om de herhaling ervan te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-190\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 190</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De erkenning kan door de Minister ingetrokken worden indien : 1° de inlichtingen verstrekt overeenkomstig artikel 187 onjuist blijken;2° het Centrum de opdracht bedoeld in artikel 184 niet vervult;3° het Centrum de toestand niet rechtzet binnen een termijn van drie maanden vanaf de schorsing van de erkenning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 191</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens over te gaan tot de schorsing of de intrekking van de erkenning zal de Minister of diens afgevaardigde een gemotiveerd aangetekend schrijven aan het Centrum richten waarin hij kennis geeft van zijn voornemen tot schorsing of intrekking. Het Centrum beschikt dan over een termijn van één maand om zijn standpunt bekend te maken; zodra die termijn verstreken is, kan de Minister een beslissing nemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-192\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 192</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Centrum wordt per aangetekend schrijven in kennis gesteld van de schorsing van de erkenning, de intrekking van de erkenning en de vaststelling van het einde van de schorsing. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Art. 193.Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Minister aan de erkende Centra voor maatschappelijk werk toelagen toekennen die bestemd zijn om, althans gedeeltelijk, de loonkosten van de geschoolde beroepskrachten bedoeld in artikel 186, 2°, en de werkingskosten van de Centra, althans gedeeltelijk, te dekken Daartoe bepaalt hij op het ogenblik van de erkenning en kan hij daarna bepalen, al naar gelang de behoeften, het aantal geschoolde beroepskrachten waarmee rekening wordt gehouden voor het toekennen van de toelagen. Art. 194.§ 1. De toelagen bedoeld in vorig lid bestaan uit : 1° een jaarlijkse forfaitaire toelage van 21.565,50 euro per geschoolde beroepskracht met volledige dagtaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de geschoolde beroepskrachten met driekwart of halftijdse dagtaak staat het bedrag van de toelage in verhouding tot de duur van hun prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het raamakkoord voor de Waalse niet-commerciële sector gesloten op 16 mei 2000 wordt het bedrag van de jaarlijkse forfaitaire subsidie verhoogd met : 2.799 euro vanaf 1 januari 2005;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvullende jaarlijkse forfaitaire toelage van 5.113 euro wordt aan de Centra verleend die in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk zijn opgericht en die wegens hun organisatie niet geacht kunnen worden tot een landsbond of een verbond van ziekenfondsen te behoren zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; 2° een jaarlijkse forfaitaire werkingstoelage die vastgesteld wordt als volgt : a) 3.123,27 euro voor elk van de drie voltijds uitgeoefende ambten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 186, 2° ; b) 1.561,65 euro voor elk van de andere geschoolde beroepskrachten met volledige dagtaak; c) 1.171,22 euro voor elk van de andere geschoolde beroepskrachten met 3/4 dagtaak; d) 780,49 euro voor elk van de andere geschoolde beroepskrachten met halve dagtaak. De bedragen die dienen voor de berekening van de jaarlijkse forfaitaire werkingstoelage worden verdubbeld voor de Centra die de vorm van een vennootschap zonder winstoogmerk hebben aangenomen en die wegens hun organisatie niet kunnen worden beschouwd als toebehorend tot een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald bij de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">21/12/2007 numac 2007001031 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen van het eerste semester 2007 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/08/1990 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/03/2009 numac 2009000060 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. § 2. De bedragen vermeld in § 1 van dit artikel worden berekend op grond van (het spilindexcijfer 124,34 (basis 1988) van het indexcijfer der consumptieprijzen toepasselijk op de bezoldigingen van het Rijkspersoneel waarvan de rangenschaal van de spilindexen voor de eerste keer bepaald werd op 1 januari 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de eerste januari van elk jaar, worden deze bedragen opnieuw berekend met een aanpassing ervan op de rang van de laatste bereikte spilindex.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overdrachten of schorsingen van de indexering die eigen zijn aan de bezoldigingen van het Rijkspersoneel zijn desgelijks van toepassing. § 3. Met verwijzing naar het drieledige raamakkoord van 28 februari 2007 voor de Waalse privé non-profitsector 2007-2009, goedgekeurd door de Waalse Regering op 1 maart 2007, wordt aan de erkende Centra voor maatschappelijk werk per voltijds equivalent een jaarlijkse forfaitaire som van 445,82 euro toegekend als tegemoetkoming in de kost van de bijkomende indienstneming als gevolg van de toekenning van 3 bijkomende verlofdagen. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex 110,51 (basis 2004) en aan de schommelingen van de prijzenindex (gezondheidsindex), overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/07/1999 numac 1999009724 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/1999 numac 1999012447 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten0 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat bedrag wordt jaarlijks op 1 januari herberekend door het aan te passen aan de spilindex die voor het laatst bereikt is. Art. 195.De Minister kan aan de erkende Centra voorschotten toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan 80 pct. van het bedrag van de te voorziene toelagen voor het lopende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorschotten, berekend op grond van de bepalingen verstrekt bij toepassing van artikel 196 worden vereffend met trimestriële schijven van maximum 20 pct.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-196\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 196</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Centra zijn ertoe gehouden : 1° ieder jaar een aanvraag in te dienen overeenkomstig de richtlijnen die hieromtrent door de Minister worden vastgesteld;2° alle wijzigingen van de statuten en van de personeelsbezetting van het Centrum onmiddellijk, per aangetekend schrijven, ter kennis te brengen van de administratie; 3° een specifieke boekhouding te houden wanneer ze niet onder vorm van een V.Z.W. opgericht zijn; 4° zich te onderwerpen aan de controle ter zake van de daartoe bevoegde ministeriële diensten die inzonderheid uitgeoefend wordt op grond van het bijgehouden dagboek met beknopte omschrijving van het werk van het personeel.De Minister mag het gebruik van een modeldagboek opleggen; 5° ieder jaar, vóór 1 april van het jaar dat volgt op het dienstjaar, volgende bescheiden betreffende de werking van het Centrum voor maatschappelijk werk voor te leggen aan de administratie : a) een jaarverslag betreffende de activiteiten;b) een jaarlijkse staat van inkomsten en uitgaven, goedgekeurd door de bevoegde organen alsook een begrotingsontwerp voor het volgende werkingsjaar, welk jaar het burgerlijk jaar is;c) een afschrift van de loonkaarten van de geschoolde beroepskrachten die in aanmerking komen voor de toekenning van een toelage HOOFDSTUK IV. - Controle Art. 197.De ambtenaren en de leden van de inspectiedienst die door de Minister zijn aangewezen om toezicht te houden over de krachtens deze titel erkende centra, hebben vrije toegang tot de lokalen en de nodige faciliteiten moeten hen worden toegestaan voor het toezicht op alle administratieve stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Centra worden ertoe gehouden op hun aanvraag alle inlichtingen waarover ze beschikken en met betrekking tot de toepassing van deze titel, te verstrekken, onverminderd het beroepsgeheim ten opzichte van de personen waaraan de hulp wordt verleend door het Centrum. Art. 198.De Centra zijn er ook toe gehouden op de straatgevel een bericht aan te plakken waarop het bestaan van het Centrum en de uren van de hulpverlening, alsook de plaats waar de raadpleging plaatsvindt, vermeld staan. HOOFDSTUK V. - Overgangsbepaling Art. 199.De Centra voor maatschappelijk werk erkend vóór 1 januari 1986 worden geacht erkend te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VI. - Diensten voor hulpverlening aan rechtsonderhorigen HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Art. 200.De erkende dienst, \" dienst \" genoemd, draagt de benaming \" Service d'aide sociale aux justiciables\" (Dienst voor hulpverlening aan rechtsonderhorigen) van het arrondissement ..., gevolgd door de naam van het arrondissement waarop de betrokken erkenning van toepassing is en, in voorkomend geval, door een Romeins cijfer ter aanduiding van de dienst wanneer meerdere erkenningen zijn afgeleverd voor éénzelfde arrondissement. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Toekenningsvoorwaarden Onderafdeling 1 - Voorwaarden betreffende het personeel Art. 201.Het gesubsidieerde personeel dat in het erkende centrum tewerkgesteld is, voldoet aan de volgende kwalificatievoorwaarden : 1° wat betreft de psycholoog, houder zijn van een licentiaatsdiploma psychologie;2° wat betreft de maatschappelijk werker, houder zijn van een diploma maatschappelijk assistent, maatschappelijk hulpwerker, assistent psychologie of opvoeder, afgeleverd door het pedagogisch of maatschappelijk hoger onderwijs van ten minste het korte type, met volledig leerplan of in het kader van de sociale promotie;3° wat betreft de coördinator, licentiaat zijn op het vlak van de sociale of menswetenschappen zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, inzonderheid in de rechtsgeleerdheid, de criminologie, de psychologie, de opvoedkunde of de sociale wetenschappen.Die kwalificatie is eveneens vereist voor het personeelslid dat houder is van een licentiaatsdiploma in het domein van de sociale of menswetenschappen bedoeld in artikel 213, 3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De coördinatiefunctie kan worden uitgeoefend door het personeelslid dat houder is van een licentie op het gebied van de sociale of menswetenschappen bedoeld in artikel 213, 2° en 3°. Art. 202.De psycholoog, de persoon die houder is van een licentiaatsdiploma op het vlak van de sociale of de menswetenschappen en de maatschappelijk werker volgen een opleiding die verband houdt met de opdrachten bedoeld bij de artikelen 135 tot en met 137 van het decreetgevend deel van het Wetboek of genieten minstens dertig uur per week een begeleidend toezicht. Art. 203.De coördinator belegt ten minste één keer om de twee maanden een overlegvergadering met de personeelsleden die de opdrachten bedoeld bij de artikelen 135 tot en met 137 van het decreetgevend deel van het Wetboek uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die overlegvergaderingvergadering dient met name voor : 1° de behandeling en de doorverwijzing van de aanvragen die door verschillende personeelsleden of door een beter aangepaste externe dienst behandeld kunnen worden;2° de coördinatie van de actie van de personeelsleden;3° de opvolging van de evolutie van de ten laste genomen personen.4° de evaluatie van het project van de dienst. Onderafdeling 2 - Voorwaarden met betrekking tot de inrichting van de lokalen Art. 204.In de dienst zijn er minstens een wachtkamer en spreekkamers ingericht die beantwoorden aan de opdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een scheiding voorzien tussen de lokalen die voorzien zijn enerzijds voor de opvang van de slachtoffers en anderzijds voor de inverdenkinggestelden, de veroordeelden en de ex-gedetineerden. Art. 205.Het vertrouwelijk karakter van de gesprekken moet door de inrichting van de lokalen gewaarborgd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3 - Voorwaarden met betrekking tot de inrichting van permanente dienstverlening Art. 206.Er wordt in een dienstwaarneming voorzien van een halve dag per week voor elk voltijds personeelsequivalent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen afspraken worden gemaakt tijdens de dienstwaarnemingsuren. Afdeling 2 - Toekenningsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 207</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De aanvraag tot erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de administratie gericht. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gegevens vereist bij artikel 140, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek houdt het aanvraagdossier het volgende in : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de dienst vertegenwoordigt;2° het adres van de dienst;3° naam, titels, diploma's en functies van de personeelsleden;4° een afschrift van de arbeidsovereenkomsten die met de personeelsleden gesloten zijn en van de overeenkomsten die met de vrijwilligers gesloten zijn;5° de vermelding van het gerechtelijk arrondissement dat door het centrum bediend wordt;6° de vermelding van de andere eventuele bronnen van overheidssubsidiëring die het centrum geniet, ongeacht de bestuurslaag;7° de dagen en de uren waarop de dienst open is;8° de plattegrond plan van de lokalen;9° een nota waarin een omstandige omschrijving wordt gemaakt van : a) de behoeften en de problematische toestanden die vastgesteld worden in het arrondissement waarin de dienst zijn in titel V van Boek 1 van het tweede deel van het decreetgevend Wetboek bedoelde opdrachten wenst uit te oefenen, rekening houdend met de bestaande structuren, met het belang van de verschillende bevolkingsgroepen die welzijnswerk nodig hebben, met de bestaande voorzieningen voor samenwerking met de verschillende actoren die bevoegd zijn voor hulpverlening en met de initiatieven die uitgaan van de plaatselijke bestuurlijke en rechterlijke macht;b) de noodzakelijkheid van de dienst, diens doelstellingen en het type hulpverlening dat wordt voorgesteld, de uit te bouwen voorzieningen voor samenwerking met de verschillende actoren die bevoegd zijn voor hulpverlening, evenals de planning van diens functionering met het oog op de verwezenlijking ervan;10° het huishoudelijk reglement; § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst richt om de vijf jaar,voor het eerst in 2012, voor de maand april een uitvoerig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar, waaronder een nota met de evolutie en de veranderingen die zich in het arrondissement voorgedaan hebben, en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat activiteitenrapport wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de \"Conseil wallon de l'action sociale et de la santé\". Art. 208.§ 1. De administratie stuurt een bericht van ontvangst naar de aanvrager binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag. § 2. De administratie controleert of de aanvraag volledig is en vraagt indien nodig de ontbrekende stukken of gegevens bij de aanvrager op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het dossier volledig is, stuurt ze onmiddellijk een schrijven naar de inrichting om haar daarop te wijzen. Art. 209.De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden te rekenen van de ontvangst van het voorstel van de administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven. Afdeling 3 - Intrekkingsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-210\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 210</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de Minister het voornemen heeft de erkenning van een dienst in te trekken, geeft hij daarvan kennis bij per post aangetekend schrijven. Het voorstel tot intrekking vermeldt de motieven op grond waarvan ze gerechtvaardigd wordt De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot intrekking over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke opmerkingen aan de Minister te richten. Art. 211.De Minister legt zijn voorstel tot intrekking en de opmerkingen van de dienst ter advies voor aan de \"Commission wallonne de l'Action sociale\" binnen de maand na ontvangst ervan of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 210, tweede lid. Art. 212.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van het advies van de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Afdeling I. - Categorieën diensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 213</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de subsidiëring worden de diensten erkend volgens categorieën die overeenkomen met het gesubsidieerd personeel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om volgende categorieën : 1° categorie I : 0,5 voltijds equivalent psycholoog en 1 voltijds equivalent maatschappelijk werker;2° categorie II : 0,5 voltijds equivalent psycholoog, 0,5 voltijds equivalent houder van een academische graad van de tweede cyclus in het vak sociale en menswetenschappen, 1,25 voltijds equivalent maatschappelijke werkers en 0,25 voltijds equivalent maatschappelijk werker of administratief beambte;3° categorie III : een voltijds equivalent psycholoog, 0,5 voltijds equivalent houder van een academische graad van de tweede cyclus in het vak sociale en menswetenschappen, 1,50 voltijds equivalent maatschappelijke werkers en 0,5 voltijds equivalent maatschappelijk werker of administratief beambte. Art. 214.Tijdens hun erkenning zijn de centra opgedeeld in hiernavolgende categorieën volgens het aantal dossiers dat jaarlijks geopend wordt : 1° categorie I : minder dan 100 dossiers;2° categorie II : tussen 100 en 400 dossiers;3° categorie III : meer dan 400 dossiers. Voor de berekening van het aantal dossiers bedoeld in het eerste lid wordt het aantal daadwerkelijk geopende dossiers van een coëfficiënt voorzien van : 1° 1,1 wat betreft de arrondissementen Hoei, Namen, Doornik en Verviers;2° 1,2 wat betreft de arrondissementen Aarlen, Dinant, Marche en Neufchâteau. De diensten met nieuwe erkenning worden in categorie I ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid worden de diensten die erkend zijn in toepassing van artikel 139, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek ondergebracht in categorie I ongeacht het aantal dossiers dat jaarlijks geopend wordt. Deze bepaling is niet van toepassing op de diensten die vóór 1 januari 2002 bestonden en die vóór deze datum over een erkenning beschikten, die overeenkomstig het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 december 1989 betreffende de erkenning en de toekenning van toelagen aan de diensten voor forensische welzijnszorg, afgeleverd werd. Art. 215.Tijdens de erkenningsperiode kan een verandering van de subsidiëringscategorie worden aangevraagd Elke desbetreffende veranderingsaanvraag moet aan het bestuur worden gericht vóór 30 april.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor een verandering van categorie in aanmerking te komen, moet de dienst tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag gewerkt hebben in overeenstemming met het criterium dat geldt voor de hogere categorie waarvoor de verandering van het erkenningsbesluit wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag werd ingediend. Art. 216.Indien een centrum gedurende twee opeenvolgende jaren niet kan bewijzen dat het aantal jaarlijks geopende dossiers is bereikt dat overeenstemt met het minimumaantal van de categorie waarin het is ondergebracht, kan de Minister van ambtswege overgaan tot de herziening van het erkenningsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst wordt ondergebracht in de categorie die overeenstemt met het gemiddeld aantal activiteiten die effectief uitgevoerd werden in de loop van bedoelde beide jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het eerste jaar betekent de Minister aan het centrum een schrijven waarin aan de bepaling waarin deze paragraaf voorziet, herinnerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister stelt de dienst in kennis van het voorstel tot herziening, waarbij de dienst over vijftien dagen beschikt om schriftelijk zijn opmerkingen te gelde te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op de kennisgeving bedoeld in het vierde lid. Afdeling 2 - Soorten subsidies Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten Art. 217.§ 1. Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de personeelskosten bedoeld in artikel 213.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met bedoelde subsidiëring moeten worden gedekt : 1° het brutoloon van het personeel;2° de werkgeversbijdragen, met een maximum van 54 % van de personeelsuitgaven bedoeld onder 1°. De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden slechts in aanmerking genomen voor zover de loonschalen in bijlage 18 niet overschreden worden. § 2. Er wordt eveneens een forfaitair bedrag van 3.720 euro toegekend voor elke dienst die onder categorie II ressorteert voor het dekken van de kosten verbonden aan de coördinatieopdrachten. Dat bedrag wordt op 4.960 euro gebracht voor de diensten die onder categorie III ressorteren. § 3. Met verwijzing naar het drieledige raamakkoord van 28 februari 2007 voor de Waalse privé non-profitsector 2007-2009, goedgekeurd door de Waalse Regering op 1 maart 2007, wordt aan de erkende dienst per voltijds equivalent een jaarlijkse forfaitaire som van 445,82 euro toegekend als tegemoetkoming in de kost van de bijkomende indienstneming als gevolg van de toekenning van 3 bijkomende verlofdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bedrag wordt aan de spilindex 110,51 (basis 2004) gekoppeld. Die bijkomende toelage, die als een bezoldiging beschouwd wordt, valt onder de toepassing van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/07/1999 numac 1999009724 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/1999 numac 1999012447 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten0 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Art. 218.Alleen de uitgaven voor statutair personeel of voor personeel in dienst genomen middels een arbeidscontract worden als personeelskosten in aanmerking genomen. Art. 219.§ 1. Voor het toekennen van tussentijdse loonsverhogingen worden enkel toegelaten, en met een maximum van vijf jaar, de werkelijke dienstprestaties die bovendien als nuttige ervaring inzake hulpverlening worden beschouwd en die het personeel eerder bij een overheid naar Belgisch, buitenlands of internationaal recht of bij een instelling die door laatstgenoemde erkend of gesubsidieerd wordt, heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister bepaalt de dienstprestaties bedoeld in het eerste lid die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring. § 2. Het deeltijds aangeworven personeelslid krijgt op dezelfde manier de tussentijdse verhogingen als een voltijds aangeworven personeelslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een personeelslid evenwel deeltijds werd tewerkgesteld door het centrum voor forensisch welzijnswerk en nadien naar een voltijdse betrekking overschakelt, worden de dienstprestaties die het verricht heeft onder deeltijdse regeling berekend in evenredigheid met een voltijdse regeling voor de bepaling van diens geldelijke anciënniteit vanaf het ogenblik dat hij naar een voltijdse betrekking overschakelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkelijke diensten die een personeelslid eerder en elders in loonverband heeft gepresteerd en die toegelaten worden voor de berekening van de tussentijdse loonsverhogingen, worden eveneens berekend in evenredigheid met een voltijdse regeling voor de bepaling van diens geldelijke anciënniteit voor de periode voorafgaand aan diens indiensttreding bij het centrum voor forensisch welzijnswerk. Art. 220.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volle maanden bestrijken, komen rechtstreeks in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegelaten dienstprestaties die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delen van maanden die periodes van dertig dagen uitmaken worden te gelde gemaakt in de geldelijke anciënniteit ten belope van één maand per periode van dertig dagen. § 2. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in artikel 219, § 1. Art. 221.De subsidies die bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vormen vallen onder de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/07/1999 numac 1999009724 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/1999 numac 1999012447 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten0 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Art. 222.Het aandeel dat voor rekening van de werkgever blijft in het raam van de programma's voor beroepsinschakeling of werkloosheidsbestrijding kan geboekt worden bij de personeelsuitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die boeking geldt slechts als de som die voor het personeel voorzien wordt een ongebruikt saldo vertoont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten Art. 223.Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de werkingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die subsidie wordt forfaitair bepaald : 1° 8.680 euro voor de diensten erkend volgens categorie I; 2° 11.160 euro voor de diensten erkend volgens categorie II; 3° 13.630 euro voor de diensten erkend volgens categorie III. Art. 224.De opleidingskosten bedoeld in artikel 202 worden te boek gesteld als werkingsuitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegelaten worden eveneens de kosten voor opleidingen die verband houden met de opdrachten bedoeld titel 5 van Boek 1 van het tweede deel van het decreetgevend deel van dit Wetboek en die gevolgd worden door de personeelsleden van de dienst die niet gesubsidieerd worden in het kader van deze titel. Art. 225.In de werkingsuitgaven kunnen worden verrekend : 1° de intresten verbonden aan de kredietopeningen toegekend aan de diensten door een bankinstelling tussen de dag waarop de aanvraag voor het jaarlijks voorschot bedoeld in artikel 228, eerste lid, wordt ingediend en de dag van betaling ervan;2° het aandeel dat voor rekening van de werkgever blijft in het raam van de programma's voor beroepsinschakeling of werkloosheidsbestrijding kan geboekt worden bij de personeelsuitgaven. Art. 226.De subsidies ter dekking van de werkingskosten vallen onder de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Afdeling 3 - Toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 227</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidies worden per kalenderjaar door de Regering verleend aan elke erkende dienst die de volgende verplichtingen nakomt : 1° jaarlijks vóór 1 maart de volgende stukken aan de administratie overmaken, die betrekking hebben op het afgelopen werkingsjaar : a) een omstandig kwalitatief activiteitenverslag, waarin meer bepaald opgenomen worden : een analyse van de behandelde problemen, de al naar gelang van de problemen gevolgde methodes en de vooropgestelde doelstellingen en een evaluatie van die methodes naar doeltreffendheid en impact;b) een kwantitatief activiteitenverslag;c) een staat van de ontvangsten en uitgaven en een begroting van de dienst na goedkeuring door de bevoegde instanties, waarbij de door andere overheden toegekende of toegezegde subsidies vermeld worden;d) een afschrift van de loonstaten van de personen die in aanmerking komen voor de subsidies en de betalingsbewijzen van de werkgeversbijdragen;2° geen subsidies krijgen voor professioneel werkzame personeelsleden, indien ze hetzelfde voorwerp betreffen;3° onverwijld en schriftelijk het bestuur elke wijziging mede te delen in de staten en in de samenstelling van het gesubsidieerde personeel;4° zich richten naar de boekhoudkundige regels die door de administratie zijn vastgesteld en door de Minister zijn goedgekeurd;5° de administratie laten nagaan of de activiteiten en de boekhouding voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies Wat betreft de gegevens bedoeld in het vorige lid, is de Minister bevoegd om het gebruik van elektronische dragers op te leggen, in de vormen die hij bepaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 228</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De erkende dienst ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het jaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het vorige jaar zijn toegekend De dienst verzoekt de administratie om de betaling van dat voorschot aan de hand van een formulier waarvan het model door de administratie wordt bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het saldo wordt vóór 1 juni van het volgende jaar vereffend op vertoon van de stukken die de uitgaven bevestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VII. - Socioprofessionele inschakeling HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 229.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° \" gerechtigde \" : elke gerechtigde op maatschappelijke integratie of een begunstigde van maatschappelijke hulp die gelijk staat met maatschappelijke integratie als het gaat om een persoon die in het vreemdelingenregister ingeschreven staat en over een onbeperkte verblijfsvergunning beschikt en gezien zijn staatsburgerschap geen recht heeft op maatschappelijke integratie; 2° \" prestatiedagen \" : door een gerechtigde verrichte werkdagen die als gepresteerde dagen worden aangegeven bij de R.D.S.Z.P.P.O. of bij de R.S.Z. en waarvoor krachtens de artikelen 60, § 7, of 61 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten5 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een arbeidsovereenkomst is gesloten hoogstens voor de duur die nodig is om het volledige voordeel van de sociale uitkeringen te verkrijgen; 3° \" volledige prestaties \" : prestaties die overeenstemmen met een voltijdse arbeid;4° \" onvoleldige prestaties \" : prestaties die overeenstemmen met een breukdeel van voltijdse arbeid;Deze prestaties moeten in percentage van een voltijdse arbeid uitgedrukt worden; 5° \"privé-onderneming\" : elke natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die een activiteit met winstoogmerk uitoefent. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring Afdeling I. - Voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-230\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 230</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De op de begroting uitgetrokken bedragen die bestemd zijn voor de uitvoering van deze titel, worden jaarlijks door de Minister verdeeld op verzoek van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn naar rato van de prestatiedagen die tijdens de referentieperiode door de gerechtigden verricht zijn De gewestelijke subsidie wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : 1° voor de tewerkgestelde personen overeenkomstig artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten5 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bedraagt het bedrag van de subsidie hoogstens 10 euro per werkdag;2° voor de tewerkgestelde personen overeenkomstig artikel 61 van dezelfde wet, bedraagt het bedrag van de subsidie hoogstens 15 euro per werkdag. De toegekende toelagen worden gerechtvaardigd door te verwijzen naar de prestatiedagen van de gerechtigden tijdens het referentiejaar. Art. 231.Tewerkgestelde personen overeenkomstig artikel 60, § 7, van dezelfde wet of tewerkgestelde personen die van onderstaande maatregelen genieten, komen niet in aanmerking voor de toekenning van subsidies : 1° wachtgeld en, aanvullend, het leefloon of gelijkwaardige maatschappelijke hulp;2° toepassing van het koninklijk besluit van 11 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten8 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie;3° toepassing van het koninklijk besluit van 14 november 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten9 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie;4° toepassing van afdeling II van hoofdstuk XI van de wet van 12 augustus 2000Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/08/2000 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten houdende sociale, budgettaire en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoeginterim;5° toepassing van het decreet van 25 april 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">27/01/2000 numac 2000012029 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet ter bevordering van de werkgelegenheid type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">10/07/2013 numac 2013000445 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de werkgelegenheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de non-profit sector, het onderwijs en de commerciële sector. Art. 232.In geval van onvolledige prestaties worden de verrekende dagen omgerekend in dagen van volledige prestaties naar rato van het aantal prestaties. Art. 233.Het recht op de subsidie blijft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toekomen als de werknemer tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zijn verblijfplaats heeft in een andere gemeente. Afdeling II. - Toekenningsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 234</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om subsidie wordt één keer per jaar bij de administratie ingediend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aan de hand van een door de Minister bepaald typeformulier Het gebruik van een informaticadrager kan vereist worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op straffe van verval moet de aanvraag uiterlijk op 31 mei van het subsidiejaar ingediend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister is evenwel bevoegd om het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn te ontheffen van de uitsluiting indien de overschrijding van die termijn aan buitengewone omstandigheden te wijten is. Art. 235.De subsidie wordt in één keer gedurende het subsidiejaar uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boek III. - Integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst TITEL I. - Centra voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst HOOFDSTUK I. - Ambtsgebieden en prioritaire actiezones Art. 236.Het ambtsgebied van de centra bedoeld in artikel 155, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek zijn : 1° centrum Charleroi : de gemeenten Aiseau-Presles, Anderlues, Charleroi, Châtelet, Courcelles, Farciennes, Fleurus, Fontaine-l'Evêque, Gerpinnes, Les Bons Villers, Lobbes, Montigny-le-Tilleul, Pont-à-Celles;2° centrum La Louvière : de gemeneten Anderlues, Binche, 's-Gravenbrakel, Chapelle-lez-Herlaimont, Ecaussinnes, Edingen, Estinnes, La Louvière, Lessines, Le Roeulx, Manage, Morlanwelz, Seneffe, Silly, Zinnik;3° centrum Luik : de gemeenten Ans, Awans, Aywaille, Bitsingen, Beyne-Heusay, Blégny, Chaudfontaine, Comblain-au-Pont, Dalhem, Esneux, Flémalle, Fléron, Grâce-Hollogne, Herstal, Juprelle, Luik, Neupré, Oupeye, Saint-Nicolas, Seraing, Soumagne, Sprimont, Trooz, Wezet;4° centrum Bergen : de gemeenten Boussu, Colfontaine, Dour, Frameries, Hensies, Honnelles, Jurbise, Lens, Bergen, Quaregnon, Quévy, Quiévrain, Saint-Ghislain;5° centrum Namen : de gemeenten van de provincie Namen;6° centrum Verviers : de gemeenten Aubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay, Lierneux, Limbourg, Malmédy, Olne, Pepinster, Plombières, Spa, Stavelot, Stoumont, Theux, Thimister-Clermont, Trois-Ponts, Verviers, Waimes, Welkenraedt.7° centrum Tubeke : de gemeenten van het arrondissement Nijvel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grensgemeenten die onder de werkingssfeer van een ander centrum vallen dan hetgeen waarvan zij afhangen, mogen deelnemen aan activiteiten die door dat andere centrum georganiseerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 237</span><span class=\"lf-art-t\">De lijst van de prioritaire actiezones wordt opgenomen als bijlage 19. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Voorwaarden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-238\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 238</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De persoon belast met de directie en het dagelijks beheer beschikt bij zijn indienstneming over minstens een master- of bachelordiploma of over een gelijkwaardig diploma en heeft op basis van die diploma's minstens vijf jaar nuttige ervaring in de sector van de integratie van de gehandicapte personen van buitenlandse herkomst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-239\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 239</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De persoon belast met het administratief en financieel beheer beschikt bij zijn indienstneming over minstens een bachelordiploma in de boekhouding, het directiesecretariaat of over een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en heeft drie jaar nuttige beroepservaring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-240\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 240</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De persoon belast met projectencoördinatie beschikt bij zijn indienstneming over minstens een bachelordiploma of een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en heeft drie jaar nuttige beroepservaring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 241</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De projectverantwoordelijke beschikt bij zijn indienstneming over minstens een bachelordiploma of over een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring of over een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 242</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De centra bezorgen de administratie : 1° in de loop van het eerste kwartaal, het activiteitenprogramma betreffende het lopende kalenderjaar;2° voor 30 juni, het activiteitenrapport betreffende het afgelopen kalenderjaar en hun rekeningen en balans vastgelegd op 31 december, alsook het afschrift van de bewijsstukken van het gebruik van de toegekende toelagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 243</span><span class=\"lf-art-t\">De centra moeten alle boekingsstukken waarin hun opbrengsten en uitgaven voorkomen minstens vijf jaar bewaren. Afdeling 2 - Toekennings- en wijzigingsprocedures</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 244</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve de informatie vereist bij artikel 160 van het decreetgevend deel van het Wetboek bevat het aanvraagdossier de volgende gegevens : 1° het huishoudelijk reglement;2° de begroting, de boekhouding en de balans;3° het besluit van de inrichtende macht tot indiening van het verzoek om erkenning;4° een afschrift van de diploma's, de beroepsbekwaamheid, het curriculum vitae en het statuut van de personeelsleden;5° een besluit van de raad van bestuur tot vaststelling van de regels voor de uitvoering van de opdrachten van het Centrum;6° een besluit van de raad van bestuur tot vaststelling van de regels voor de uitvoering van de opdrachten van het Centrum. Het dossier wordt bij aangetekend schrijven aan de Minister gestuurd. Art. 245.De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bepaald bij artikel 160 van het decreetgevend deel van het Wetboek en bij artikel 244. Indien de erkenningsaanvraag niet vergezeld gaat van de stukken bedoeld in artikel 160 van het decreetgevend deel van het Wetboek en in artikel 244, wordt de aanvrager binnen de maand daarop attent gemaakt door de administratie. Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenverslag aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de \"Conseil wallon de l'action sociale et de la santé\". Art. 246.Wanneer wordt vastgesteld dat het Centrum de bepalingen van het decreet of de krachtens het decreet genomen bepalingen niet in acht neemt, of wanneer het zijn opdrachten niet naar behoren uitvoert, trekt de Minister de erkenning in, na advies van de \"Commissie wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooraleer de erkenning wordt ingetrokken, wordt bij aangetekend schrijven een bericht toegezonden waarin de uiteengezette grieven worden vermeld. Het Centrum beschikt over een termijn van twee weken om een memorie van antwoord in te dienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 247</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Art. 248.De toelage in verband met de bezoldiging van de persoon belast met de directie en het dagelijks beheer, van de persoon belast met het administratief en fin581 van het decreetgevend deel van het Wetboek, wordt berekend op grond van de geldelijke anciënniteit waarvoor de volgende regels worden toegepast : 1° tussentijdse verhogingen worden verleend voor effectieve dienstverleningen die als nuttige beroepservaring beschouwd kunnen worden en die het personeel eerder heeft gepresteerd bij de openbare diensten of bij de door het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de Federale Staat erkende of gesubsidieerde diensten.Effectieve dienstverleningen binnen door andere openbare overheden erkende of gesubsidieerde diensten kunnen eveneens in aanmerking genomen worden door de Minister; 2° de toegelaten dienstprestaties die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld.Delen van maanden die periodes van dertig dagen uitmaken worden te gelde gemaakt in de geldelijke anciënniteit ten belope van één maand per periode van dertig dagen; 3° de anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren; 4° de personeelstoelagen bedoeld in artikel 162, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek worden voor elk centrum verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met de cofinanciering die nodig is om te voorzien in de bijkomende middelen voor de posten die in aanmerking komen voor minstens 6 punten APE toegekend of toe te kennen voor de projectverantwoordelijken, enerzijds, en, om te voorzien in de compenserende indienstneming, anderzijds, wanneer zulks bepaald wordt in de overeenkomsten van de non-profitsector gesloten met de Waalse Regering op 28 februari 2007, op voorwaarde dat ze vastligt in een collectieve arbeidsovereenkomst en dat rekening gehouden wordt met de beschikbare begrotingskredieten Het centrum verschaft de documenten uiterlijk binnen de maand na de indienstneming van de persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid, 1°, bedoelde effectieve diensten zijn degene die als zodanig worden beschouwd voor de ambtenaren van het Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een overheid het in artikel 162, eerste lid, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde personeel ter beschikking stelt van het Centrum, moet het bewijsstuk ter verantwoording van de toelagen uit de volgende documenten bestaan : de aangifte van schuldvordering die uitgaat van de betrokken overheid, een afschrift van het loonstrookje van het betrokken personeelslid en een afschrift van de tussen de overheid en het Centrum gesloten overeenkomst van terbeschikkingstelling. Art. 249.Aan elk centrum wordt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 25.000 euro toegekend om de werkings- en activiteitenkosten te dekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Art. 250.Met uitzondering van de toelagen bedoeld in artikel 248, 2°, geniet het erkende centrum in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de toelagen verleend in de loop van het voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst verzoekt de administratie om de betaling van dat voorschot aan de hand van een formulier waarvan het model door de administratie wordt bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het saldo wordt vereffend op vertoon van de stukken die de uitgaven bevestigen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">TITEL II. - Plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling HOOFDSTUK I. - Erkenning Afdeling 1 - Voorwaarden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 251</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om door de Minister als plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling erkend te worden vervult de rechtspersoon, behalve de voorwaarden die in de artikelen 150 tot 165 en artikel 697 van het decreetgevend deel van het Wetboek vastgelegd worden, de volgende voorwaarden : 1° minstens drie van de bij artikel 163 van het decreetgevend deel van het Wetboek bepaalde opdrachten ontwikkelen;2° in de lijn liggen van het plaatselijk integratieplan of van het sociale cohesieplan van de gemeente, in voorkomend geval;3° al het voorwerp hebben uitgemaakt van een meerjarige overeenkomst en van een positieve evaluatie van de administratie voor de georganiseerde activiteiten en inzake het administratief en boekhoudkundig beheer;4° beschikken over lokalen waarin minstens 20 personen en zijn personeel onthaald kunnen worden. Afdeling 2 - Procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 252</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De erkenningsaanvraag van het plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling wordt bij aangetekend schrijven of middels een elektronisch formulier aan de administratie gericht De erkenningsaanvraag wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door het bestuur wordt opgemaakt en aan de hand waarvan de vereniging : 1° bevestigt dat haar doel voorziet in acties inzake de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst die overeenstemmen met minstens 3 opdrachten bepaald bij artikel 163 van het decreetgevend deel van het Wetboek.De vereniging maakt melding van haar projecten voor de vervulling van de opdrachten, alsook van de middelen en van het kalender voor de tenuitvoerlegging ervan; 2° bevestigt over minstens 1 voltijds equivalent te beschikken om die opdrachten te vervullen.In haar aanvraag vermeldt de vereniging de kwalificaties van het personeel dat voor die opdrachten aangesteld is of zal worden; 3° bevestigt krachtens een zakelijk recht of een huurrecht te beschikken over lokalen waarin minstens 20 personen en haar personeel onthaald kunnen worden.Ze vermeldt de openings- en toegangstijden; 4° bevestigt het voorwerp te hebben uitgemaakt van een meerjarige overeenkomst voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst. Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan de administratie meegedeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing waarbij het bevoegde orgaan van de vereniging verzoekt om de erkenning als plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling wordt ook bij de erkenningsaanvraag gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vereniging houdt permanent een erkenningsdossier ter inzage van de administratie zodat deze kan nagaan of de erkenningsvoorwaarden vervuld zijn, alsook een journaal waarin de ontwikkelde activiteiten en het doelpubliek vermeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vereniging bezorgt de administratie jaarlijks in de loop van het eerste semester een activiteitenprogramma, alsook het activiteitenrapport, de rekeningen en de balans van het afgelopen jaar. Art. 253.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt de administratie de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen de twee maanden aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met haar opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is. Art. 254.De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan bij aangetekend schrijven kennis gegeven aan de aanvrager. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring Art. 255.Overeenkomstig artikel 163 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt een jaarlijkse toelage als tegemoetkoming in de personeels-, beheers- en activiteitenkosten naar gelang van de omvang ervan toegekend als volgt : 1° een voorschot van 80 % na ondertekening en inwerkingtreding van het subsidiëringsbesluit;2° het saldo na overlegging en verificatie van het bewijsdossier van de uitgaven en van het activiteitenrapport. De toelage bedoeld in het eerste lid bedraagt minstens 15.000 euro, geïndexeerd, voor de erkende verenigingen, overeenkomstig artikel 163, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boek IV. - Hulpverlening aan gezinnen TITEL I. - Begripsomschrijvingen Art. 256.Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder : 1° diensten : de diensten \" Espaces-Rencontres \" (Ontmoetingsdiensten);2° dossier beheerd door de dienst : een administratieve of rechterlijke beslissing of een overeenkomst tussen partijen waarvoor de dienst minstens een stap heeft ondernomen bij een persoon die geen deel ervan uitmaakt en waarvan de schriftelijke opstelling in het dossier terug te vinden is;3° centrum : de centra voor levens- en gezinsvragen. TITEL II. - \" Espaces-Rencontres \" (Ontmoetingsruimten) HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 257.De erkende dienst draagt de benaming \" Service \" Espaces-Rencontres \" de \", gevolgd door de naam van het arrondissement waarop bedoelde erkenning betrekking heeft en, desgevallend, van een Romeins cijfer ter identificatie van de dienst als verschillende erkenningen voor hetzelfde arrondissement verleend worden. HOOFDSTUK II. - Erkenning van de diensten Afdeling 1 - Voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 258</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Naast de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 170 van het decreetgevend deel van het Wetboek beschikt de dienst over : 1° een licentiaat in de menswetenschappen;2° een maatschappelijk werker, houder zijn van een diploma maatschappelijk assistent, maatschappelijk hulpwerker, assistent psychologie of opvoeder, afgeleverd door het pedagogisch of maatschappelijk hoger onderwijs van ten minste het korte type, met volledig leerplan of in het kader van de sociale promotie. § 2. De licentiaat in de menswetenschappen en de maatschappelijk werker volgen een opleiding in verband met de opdrachten bedoeld artikel 167 van het decreetgevend deel van het Wetboek of zijn het voorwerp van een supervisie van minstens dertig uur per jaar. Art. 259.De coördinator bedoeld in artikel 173 van het decreetgevend deel van het Wetboek belegt minstens één keer om de twee maanden een overlegvergadering met de personeelsleden die de in het decreet bedoelde opdrachten vervullen. Art. 260.De dienst beschikt minstens over een lokaal dat speciaal ingericht is voor ontmoetingen tussen ouders en kinderen. Art. 261.Het activiteitenregister bedoeld in artikel 175 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt gehouden overeenkomstig het model opgenomen als bijlage 30 Het register wordt één keer per week door de coördinator ondertekend. Art. 262.Het maximumbedrag van de financiële bijdrage die van de ouders gevorderd kan worden, wordt jaarlijks vastgelegd op 12 euro per ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na elke betaling wordt een ontvangbewijs afgegeven, waarvan een afschrift in het individuele dossier bewaard wordt. Het ontvangstbewijs vermeldt de datum, de naam van de ouder en het ontvangen bedrag. Afdeling 2 - Toekenningsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 263</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag tot erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de administratie gericht. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gegevens vereist bij artikel 171, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek houdt het aanvraagdossier het volgende in : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de dienst vertegenwoordigt;2° de adresgegevens van de dienst;3° naam, titels, diploma's en functies van de personeelsleden;4° de vermelding van het gerechtelijk arrondissement dat door de dienst bediend wordt;5° de vermelding van de andere eventuele bronnen van overheidssubsidiëring die de dienst geniet, ongeacht de bestuurslaag;6° de dagen en de uren waarop de dienst open is;7° een door de dienstverantwoordelijke getekend afschrift van de Deontologische code, zoals vervat in bijlage 27. Art. 264.Binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie een bericht van ontvangst naar de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie gaat na of de aanvraag volledig is en verzoekt de dienst in voorkomend geval binnen dertig na ontvangst van de aanvraag om de toezending van de ontbrekende stukken of gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst beschikt over een termijn van dertig dagen om de ontbrekende stukken en gegevens toe te sturen. Die termijn gaat in op de datum van ontvangst van het schrijven waarin de administratie op de ontbrekende stukken en gegevens wijst Als het dossier volledig is, stuurt de administratie onmiddellijk een schrijven naar de inrichting om hem daarop te wijzen. Art. 265.Binnen de maand na ontvangst van de volledige aanvraag, stelt de administratie een verslag op over het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie deelt het dossier en haar verslag samen met een voorstel tot beslissing aan de Minister mee, die over de erkenningsaanvraag beslist binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum van het voorstel tot beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven. Afdeling 3 - Opschorting, intrekking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 266</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de Minister het voornemen heeft de erkenning van een dienst op te schorten of in te trekken, geeft hij daarvan kennis bij per post aangetekend schrijven. Het voorstel tot opschorting of intrekking vermeldt de motieven die zulks rechtvaardigen De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot opschorting of tot intrekking over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke opmerkingen aan de Minister te richten. Art. 267.De Minister legt zijn voorstel tot opschorting of tot intrekking en de opmerkingen van de dienst ter advies voor aan de \"Commission wallonne de la Famille\" binnen de maand na ontvangst ervan of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 266, tweede lid. Art. 268.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van het advies van de \"Commission wallonne de la Famille\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot opschorting of intrekking wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring van de Diensten Afdeling 1 - Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 269</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidies worden per kalenderjaar door de Regering verleend aan elke erkende dienst die de volgende verplichtingen nakomt : 1° hij bezorgt de administratie de in artikel 179, eerste lid, 1° en 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde activiteitenverslagen, waarvan de modellen opgenomen zijn als bijlagen 28 en 29;2° hij bezorgt de administratie de stukken en gegevens bedoeld in artikel 178, 1° en 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek;3° hij ontvangt geen subsidies voor de personeelsleden als ze twee keer verleend worden. Art. 270.De werkingssubsidies en de subsidies voor personeelskosten worden in vier driemaandelijkse voorschotten van 22,5 % gestort Het saldo wordt vóór 1 oktober van het volgende jaar vereffend op vertoon van de stukken die de uitgaven bevestigen. Afdeling 2 - Soorten subsidies Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten Art. 271.Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de volgende personeelskosten : 1° een voltijds equivalent universitair;2° een voltijds equivalent maatschappelijk werker;3° een 0,2 voltijds equivalent administratief personeelslid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-272\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 272</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de subsidie bedoeld in artikel 271 krijgt de beherende dienst per jaar van 101 tot 200 dossiers een subsidietoeslag ter dekking van de volgende personeelskosten : 1° een 0,5 voltijds equivalent universitair;2° een 0,5 voltijds equivalent maatschappelijk werker</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-273\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 273</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de subsidie bedoeld in artikel 271 krijgt de beherende dienst per jaar van 201 tot 300 dossiers een subsidietoeslag ter dekking van de volgende personeelskosten : Ofwel : 1° 1 voltijds equivalent universitair;2° 1 voltijds equivalent maatschappelijk werker. Ofwel : 1° een 1 voltijds equivalent universitair;2° een 0,8 voltijds equivalent maatschappelijk werker.3° een 0,2 voltijds administratief medewerker</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-274\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 274</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de subsidie bedoeld in 271 krijgt de beherende dienst per jaar bij meer dan 300 dossiers een subsidietoeslag ter dekking van de volgende personeelskosten : Ofwel : 1° een 1,5 voltijds equivalent universitair;2° een 1,5 voltijds equivalent maatschappelijk werker. Ofwel : 1° een 1,5 voltijds equivalent universitair;2° een 1,3 voltijds equivalent maatschappelijk werker.3° een 0,2 voltijds administratief medewerker</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-275\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 275</span><span class=\"lf-art-t\">Het personeel dat voor de toekenning van de subsidies in aanmerking komt voldoet aan de diplomavereisten bedoeld in artikel 258, § 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen de uitgaven voor statutair personeel of voor personeel in dienst genomen middels een arbeidscontract worden als personeelskosten in aanmerking genomen. Art. 276.Met bedoelde subsidiëring moeten worden gedekt : 1° het brutoloon van het personeel;2° de werkgeversbijdragen, met inbegrip van de kosten van sociaal secretariaat tot maximum 54 % van de personeelsuitgaven bedoeld in 1°. De personeelsuitgaven bedoeld in paragraaf 1, 1°, worden slechts in aanmerking genomen voor zover de weddeschalen in bijlage 26 niet overschreden worden. Art. 277.§ 1. Voor het toekennen van tussentijdse loonsverhogingen worden enkel toegelaten, en met een maximum van zes jaar, de werkelijke dienstprestaties die bovendien als nuttige ervaring worden beschouwd en die het personeel eerder bij een overheid naar Belgisch, buitenlands of internationaal recht of bij een instelling die door laatstgenoemde erkend of gesubsidieerd wordt, heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister bepaalt de dienstprestaties bedoeld in het eerste lid die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring. § 2. Het deeltijds aangeworven personeelslid krijgt op dezelfde manier de tussentijdse verhogingen als een voltijds aangeworven personeelslid. Art. 278.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volle maanden bestrijken, komen rechtstreeks in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit a rato van één maand per periode van dertig dagen. § 2. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in § 277, § 1. Art. 279.De subsidies die bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vormen vallen onder de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/08/1999 numac 1999021323 bron diensten van de eerste minister Wet houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/07/1999 numac 1999009724 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/05/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/06/1999 numac 1999012447 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten0 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten Art. 280.Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de werkingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die subsidie wordt forfaitair bepaald op 17.637,84 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de subsidie bedoeld in het tweede lid geniet de beherende dienst een werkingssubsidietoeslag van : 1° 3.784,46 euro per jaar van 101 à 200 dossiers; 2° 7.568,92 euro per jaar van 201 tot 300 dossiers; 3° 11.353,38 euro per jaar bij meer dan 300 dossiers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deel van de subsidie voor de werkingskosten kan voor de personeelskosten bestemd worden. Art. 281.De opleidingskosten bedoeld in artikel 258, § 2, worden te boek gesteld als werkingsuitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegelaten worden eveneens de kosten voor opleidingen die verband houden met de opdrachten bedoeld titel 1 van Boek 3 van het tweede deel van het decreetgevend deel van dit Wetboek en die gevolgd worden door de personeelsleden van de dienst die niet gesubsidieerd worden in het kader van deze titel. Art. 282.De subsidies ter dekking van de werkingskosten vallen onder de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2009 numac 2009000070 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3 - Subsidietoeslagen Art. 283.Om de personeels- en werkingssubsidietoeslagen te krijgen, moet de dienst gedurende één kalenderjaar gewerkt hebben overeenkomstig het criterium inzake toekenning van de aangevraagde toeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidietoeslag wordt uiterlijk 30 april van het volgend jaar bij de administratie aangevraagd. De administratie gaat na of de aanvraag gegrond is. De administratie gaat na of de aanvraag gegrond is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel van de subsidietoeslagen gaat in op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend. Art. 284.Het besluit tot erkenning van de dienst wordt aangevuld met de vermelding van de subsidietoeslagen die deze dienst krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4 - Beperking, schorsing Art. 285.Wanneer een dienst gedurende twee achtereenvolgende jaren niet het minimumaantal dossiers beheert dat overeenstemt met de subsidietoeslagen die hij krijgt, worden die subsidietoeslagen het derde jaar ambtshalve verminderd tot het niveau van het gemiddeld aantal dossiers beheerd gedurende de twee vorige jaren. Art. 286.Als de Minister het voornemen heeft de subsidies te verminderen of af te schaffen, geeft hij daarvan kennis bij per post aangetekend schrijven. Het voorstel tot vermindering of tot afschaffing vermeldt de motieven tot rechtvaardiging daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot vermindering of tot afschaffing over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke opmerkingen aan de Minister te richten. Art. 287.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van de opmerkingen van de dienst of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 286, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot vermindering of afschaffing wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK IV. - Activiteitenverslag Art. 288.Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de \"Conseil wallon de l'action sociale et de la santé\". HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen Art. 289.In afwijking van de artikelen 258, § 1, en 271 kan het personeel dat op 1 januari 2005 niet over de vereiste diploma's beschikt, gesubsidieerd worden. De aanvragen tot afwijking worden binnen de zes maanden bij de Minister ingediend. Art. 290.In afwijking van de artikelen 275 kan het personeel dat op 1 januari 2005 tewerkgesteld is door de dienst en dat niet over de vereiste diploma's beschikt, gesubsidieerd worden. De aanvraag tot erkenning wordt bij de Minister ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - Centrum voor en federatie van centra voor levens- en gezinsvragen HOOFDSTUK I. - Informatie en gegevens van epidemiologische aard Art. 291.De in artikel 188 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde naamloze informatie en gegevens van epidemiologische aard betreffen : 1° het aantal en het soort aanvragen;2° de frequentie en de aard van de consulten;3° de personalia van de aanvragers : leeftijd, geslacht, burgerlijke stand, nationaliteit;4° de ontstane pathologieën of gerezen moeilijkheden;5° de verrichte medische handelingen. HOOFDSTUK II. - Centra voor levens- en gezinsvragen Afdeling 1 - Erkenning Onderafdeling 1 - Voorwaarden Art. 292.§ 1. Het multidisciplinaire overleg bedoeld in artikel 185 van het decreetgevend deel van het Wetboek heeft als doel : 1° de behandeling en de doorverwijzing van de aanvragen die door verschillende personeelsleden of door een beter aangepaste externe dienst behandeld kunnen worden;2° de coördinatie van de actie van het multidisciplinaire team;3° de opvolging van de evolutie van de ten laste genomen personen;4° de evaluatie van het project van het centrum. § 2. Het wordt per centrum en niet per inrichtende macht gehouden met inachtneming van de volgende modaliteiten : 1° alle leden van het team die medische, psychologische, juridische en sociale functies uitoefenen alsook elk ander lid van de ploeg dat krachtens artikel 207 van het decreetgevend Wetboek gesubsidieerd wordt wonen minstens één vergadering om de twee maanden bij;2° alle door het centrum tewerkgestelde personen wonen minstens drie vergaderingen per jaar bij, ongeacht hun statuut;3° er kunnen kernvergaderingen georganiseerd worden.Ze mogen slechts geregistreerd en, bijgevolg, gevaloriseerd worden indien drie van de vier basisfuncties vertegenwoordigd zijn of indien minstens twee van de vier basisfuncties vertegenwoordigd zijn en, in het tweede geval, op voorwaarde dat minimum 50 % van de leden van het basisteam aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder basisteam wordt verstaan de medische, psychologische, sociale en juridische functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle vergaderingen zijn het voorwerp van notulen waarin de datum, de deelnemers, de verhinderde en afwezige leden, de agenda, de samenvatting van de debatten en de maatregelen worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle vergaderingen wordt een oproeping met de agendapunten toegestuurd. Alleen de vergaderingen bedoeld in 3° kunnen het voorwerp uitmaken van een planning op basis van een kalender die om de drie of om de zes maanden wordt opgemaakt en afgegeven of gestuurd aan de betrokken leden van het team. Art. 293.Het activiteitenregister bedoeld in artikel 200 van het decreetgevend deel van het Wetboek bestaat uit een register van de animaties, een register van de sensibiliseringsactiviteiten en uit een register van de multidisciplinaire vergaderingen, die gehouden worden overeenkomstig de modellen opgenomen in bijlage 31 tot 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige zwangerschapsonderbreking en alle desbetreffende consulten worden opgenomen in het register van de consulten door gebruik te maken van de items betreffende de vrijwillige zwangerschapsonderbreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vier registers bedoeld in het eerste lid, die regelmatig en minstens één keer per week door de dienstverleners bijgehouden worden, worden minstens één keer per maand getekend door de verantwoordelijke voor het dagelijks beheer of, bij diens afwezigheid, door een lid van de multidisciplinaire ploeg, na opgave van de consulten, de animaties, de sensibiliseringsactiviteiten en de multidisciplinaire vergaderingen die tijdens de week werden gehouden. Art. 294.Wat de raadplegingen betreft, wordt de minimumduur van de prestaties van de leden van het basisteam per week vastgelegd naar gelang van de categorie waarin het centrum ingedeeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende die minimale prestatieuren wordt de aanwezigheid van de dienstverlener in het centrum vereist : 1° wat betreft de medische, sociale en psychologische prestaties, al dan niet op afspraak, van 1 uur per week in categorie 1 tot 7 uren per week in categorie 7, waarbij het aantal uren en de categorie aan hetzelfde ritme vorderen;2° wat betreft de juridische prestaties, al dan niet op afspraak, van 1 uur per week in categorieën 1 en 2, en vervolgens vermeerdering met een halfuur per categorie;3° wat betreft de opvang zonder afspraak, van 12 uren per week in categorie 1, 15 uren per week in categorie 2 en vervolgens vermeerdering met 5 uren per week per categorie.Het centrum mag die uren over de week verdelen op voorwaarde dat het de opvang minstens een dag per week, tussen 17 en 19 uur, of op zaterdag, tussen 10 en 12 uur, georganiseerd wordt. Die minimale opvanguren kunnen niet opgeteld worden en het aantal personen die gelijktijdig de opvang waarnemen wordt niet in aanmerking genomen. De jaarlijkse minimumduur van de animatievergaderingen wordt op 30 valoriseerbare animatie-uren vastgelegd voor de centra van categorie 1 en verhoogt met 10 uren per categorie. Art. 295.De zelfstandige hulpverleners die in centra werken, sluiten met de inrichtende macht een geschreven overeenkomst waarbij ze o.a. de in artikel 292 bedoelde multidisciplinaire vergaderingen mogen bijwonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst vermeldt in voorkomend geval het deel van de honoraria dat als bijdrage in de kosten van de dienst aan het centrum wordt geristorneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst bepaalt ook dat de opgeëiste honoraria in geen geval hoger mogen zijn dan de tarieven die vastgesteld zijn bij de overeenkomsten die de verzekeringsinstellingen aan de door het RIZIV erkende dienstverleners verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval bepaalt de overeenkomst of de animatiefunctie één van de opdrachten is die de zelfstandige hulpverlener te vervullen heeft. Art. 296.Onder toegankelijkheid wordt verstaan : 1° de openingstijden (opvang zonder afspraak) zoals bedoeld in artikel 294, tweede lid, 3°.Ze worden waargenomen door een lid van het multidisciplinaire ploteameg of onder zijn toezicht voor zover een lid van de multidisciplinaire ploeg aanwezig is in het centrum. 2° de consulturen zonder afspraak. Die toegankelijkheid wordt vastgelegd op 12 uren per week voor de centra van categorie 1, op 18 uren per week die van categorie 2, op 23 uren per week voor die van categorie 3 en vervolgens vermeerdering met 5 uren per week per categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uurrooster van de opvanguren en de consulten zonder afspraak alsook die van de consulten uitsluitend op afspraak worden ter kennis van het publiek gebracht en aan de diensten van de administratie meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze worden binnen en buiten de lokalen van het centrum aangeplakt. Ze worden binnen en buiten de lokalen van het centrum aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De centra mogen hoogstens 4 weken per jaar sluiten, namelijk maximum 2 opeenvolgende weken voor de centra van de categorieën 1 tot 3 en 2 weken voor de andere categorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het publiek wordt daarover ingelicht en gedurende die periode via een externe aanplakking naar de dichtsbijzijnde geopende centra georiënteerd. Art. 297.Het centrum beschikt ten minste over een wachtkamer en over geschikte consultbureaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vertrouwelijk karakter van de gesprekken moet door de inrichting van de lokalen gewaarborgd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het centrum beschikt over een eigen telefoonnummer. Art. 298.De financiële bijdrage die voor niet-medische consulten gevraagd kan worden bedraagt maximum vijftien euro per consult.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat bedrag wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd en door de Minister aan de centra meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien verschillende personen in het kader van hetzelfde consult ontvangen worden, kan dat forfaitair bedrag met maximum 50 % verhoogd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erelonen betreffende de vrijwillige zwangerschapsonderbreking die gevraagd worden aan een patiënte zonder ziekte- en invaliditeitsverzekering, mogen niet hoger zijn dan het bedrag dat door het RIZIV ten laste genomen wordt, verhoogd met de persoonlijke bijdrage van de rechthebbende, zoals vastgelegd in de overeenkomst die het centrum en het RIZIV in dat kader gesloten hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de andere medische consulten, mag het bedrag van de opeisbare financiële bijdrage niet hoger zijn dan het bedrag van de persoonlijke bijdrage dat voor rekening blijft van de begunstigde van de ziekteverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elke betaling wordt een ontvangbewijs afgegeven, waarvan een duplicaat in het centrum bewaard wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontvangstbewijs vermeldt de datum, de naam van de patiënt of, bij gebreke daarvan, zijn dossiernummer, het identificatienummer van het consult en het ontvangen bedrag. Het wordt door de dienstverlener ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2 - Procedure Art. 299.Het erkenningsaanvraagdossier wordt bij aangetekend schrijven aan de Minister gericht overeenkomstig het model opgenomen als bijlage 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve de gegevens bedoeld in artikel 190 van het decreetgevend Wetboek bevat het : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de inrichtende macht vertegenwoordigt;2° de identificatie van het centrum : benaming, adres, telefoonnummer, opvang- en consulturen;3° de identificatie van de overige bronnen van financiering door de overheid of door privépersonen;4° de naam, de titels, de diploma's en de functies van elk lid van de multidisciplinaire ploeg, van de verantwoordelijke voor het dagelijkse beheer, hun werkrooster en de omvang van hun prestaties;5° een afschrift van de arbeidscontracten, van de overeenkomsten bedoeld in artikel 195 van het decreetgevend deel van het Wetboek en van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers;6° het model van individueel dossier;7° een plan met de bestemming van de lokalen en de toegang ertoe vanaf de openbare weg;8° de naam van de gemeenten en de cijfers van de bevolking die door het centrum bediend wordt;9° het huishoudelijk reglement ondertekend door de vertegenwoordiger van de inrichtende macht en door de personeelsleden. Art. 300.Als bij de aanvraag behandeld door de administratie niet alle documenten en gegevens bedoeld in artikel 299 worden gevoegd, wordt de aanvrager daarover binnen één maand ingelicht. Zonder dat advies binnen die termijn wordt de aanvraag volledig en regelmatig geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de maand na ontvangst van de volledige aanvraag, stelt de administratie een verslag op over het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie deelt het dossier en haar verslag samen met een voorstel tot beslissing aan de Minister mee, die over de erkenningsaanvraag beslist binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum van het voorstel tot beslissing. Art. 301.Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de \"Conseil wallon de l'action sociale et de la santé\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3 - Categorieën Art. 302.Het erkenningsbesluit bepaalt de categorie waarvoor het centrum erkend wordt naar gelang van zijn jaarlijkse activiteiten en overeenkomstig de volgende criteria : 1° categorie I : centrum erkend voor minder dan 1 000 activiteiten;2° categorie II : centrum erkend voor 1 000 tot 2 499 activiteiten;3° categorie III : centrum erkend voor 2 500 tot 3 999 activiteiten;4° categorie IV : centrum erkend voor 4 000 tot 5 499 activiteiten;5° categorie V : centrum erkend voor 5 500 tot 6 999 activiteiten;6° categorie VI : centrum erkend voor 7 000 tot 8 499 activiteiten;7° categorie VII : centrum erkend voor meer dan 8 500 activiteiten. Art. 303.§ 1. De consulten en de multidisciplinaire vergaderingen bedoeld in artikel 292 tellen voor één activiteit De animatievergaderingen tellen voor vier activiteiten per schijf van 60 minuten voor de groep. Het aantal te valoriseren animaties wordt berekend als volgt : jaartotaal van de animatietijden voor de groep/60 afgerond naar onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De animaties zijn valoriseerbaar indien : 1° ze minimum 30 minuten duren;2° ze een vooraf bepaald thema hebben;3° ze zich houden aan de thema's die krachtens de geldende regelgeving toegelaten worden;4° ze zich niet richten tot een publiek van vakspecialisten wanneer ze zich tot een volwassen publiek richten;5° ze gratis gegeven worden;6° ze ingeschreven zijn in het register van de animaties opgenomen in bijlage 32, § 2.De vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen en de daarmee verbonden consults die die opgenomen zijn in het raam van de overeenkomst tussen het centrum en RIZIV tellent voor twaalf activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel vijf percent van het totaalaantal vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen uitgevoerd door het centrum kunnen meegerekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De consults per telefoon, de vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen en de daarmee verbonden consults zoals omschreven in de overeenkomst tussen het centrum en RIZIV worden niet meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen en de daarmee verbonden consults uitgevoerd door een centrum waarvan de overeenkomst met RIZIV niet werd opgezegd worden niet meer meegerekend. § 3. De activiteiten tot sensibilisering voor die problematieken in rechtstreeks verband met de opdrachten van de centra worden gevaloriseerd op basis van de gedekte uurperiode, ongeacht het aantal personen van het centrum die door die activiteit gemobiliseerd zijn, naar rato van één activiteit per schijf van 60 minuten en ze ingeschreven zijn in het register van de sensibiliseringsactiviteiten opgenomen in bijlage 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreekgroepen, deelname aan festivals of andere evenementen, de uitdeling van voorbehoedsmiddelen, de organisatie van tentoonstellingen en conferenties worden als sensibiliseringsactiviteiten beschouwd. Art. 304.Het erkenningsbesluit wordt overeenkomstig artikel 209 van het decreetgevend Wetboek na elke verandering van categorie gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke desbetreffende veranderingsaanvraag moet aan het bestuur worden gericht vóór 30 april. Om voor een verandering van categorie in aanmerking te komen, moet het centrum tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag gewerkt hebben in overeenstemming met het criterium dat geldt voor de hogere categorie waarvoor de verandering van het erkenningsbesluit wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag werd ingediend. Art. 305.§ 1. Wanneer een centrum gedurende twee opeenvolgende jaren niet kan bewijzen dat het aantal jaarlijks geopende dossiers is bereikt dat overeenstemt met het minimumaantal van de categorie waarin het is ondergebracht, kan de Minister van ambtswege overgaan tot de herziening van het erkenningsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienst wordt ondergebracht in de categorie die overeenstemt met het gemiddeld aantal activiteiten die effectief uitgevoerd werden in de loop van bedoelde beide jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het eerste jaar betekent de Minister aan het centrum een schrijven waarin aan de bepaling waarin deze paragraaf voorziet, herinnerd wordt. § 2. De Minister stelt de dienst in kennis van het voorstel tot herziening, waarbij de dienst over vijftien dagen beschikt om schriftelijk zijn opmerkingen te gelde te maken. § 3. De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1. Afdeling 2 - Subsidiëring Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten Art. 306.§ 1. De subsidies die de uitgaven in verband met het statutaire of contractuele personeel dekken worden aan het centrum toegekend naar gelang van de categorie waarin het ingedeeld is en zijn vastgelegd als volgt : 1° categorie I : 0,50 VTE;2° categorie II : 1 VTE;3° categorie III : 1,30 VTE;4° categorie IV : 1,60 VTE;5° categorie V : 2 VTE;6° categorie VI : 2,50 VTE;7° categorie VII : 3,00 VTE. Voor de centra die vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen hebben uitgevoerd gedurende de referentieperiode voor de bepaling van de erkenningscategorie, wordt de in het eerste lid bedoelde bezoldigde betrekking verhoogd als volgt : 1° voor het centrum dat 1 tot 99 vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen heeft uitgevoerd : 0,7 bijkomende VTE;2° voor het centrum dat 100 tot 199 vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen heeft uitgevoerd : 1,1 bijkomende VTE;3° voor het centrum dat 200 en meer vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen heeft uitgevoerd : 1,5 bijkomende VTE. De subsidies mogen niet hoger zijn dan de weddeschalen vermeld in bijlage 24, verhoogd met de werkgeverslasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het centrum verdeelt die subsidieerbare arbeidsduur onder de leden van zijn personeel die houder zijn van één van de diploma's bedoeld in het derde, vierde, vijfde en zesde lid van artikel 192 van het decreetgevend Wetboek.</p></div>", "next": 239102}