{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Er geldt een emissiegrenswaarde voor chroom VI-verbindingen enerzijds, en voor chroom III-, strontium- en zinkchromaat anderzijds. Aangezien chroom III-, strontium- en zinkchromaat ook chroom VI-verbindingen zijn, is een afzonderlijke emissiegrenswaarde voor deze stoffen tegenstrijdig. De sectorale emissiegrenswaarden voor alle chroom VI-verbindingen worden opgeheven. Hierdoor geldt voor deze sector de algemene emissiegrenswaarde voor chroom VI-verbindingen. Punt 2° in de tabel wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De emissiegrenswaarden voor SOx en NOx zijn dezelfde als de algemene emissiegrenswaarden. De sectorale emissiegrenswaarden worden geschrapt. Hierdoor wordt automatisch teruggevallen op de algemene emissiegrenswaarden. Punt 3° in de tabel wordt opgeheven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.13.0.4. Met deze wijziging wordt de formulering voor ontvlambare stoffen en/of ontvlambare producten alsnog aangepast aan de CLP-verordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.5, § 2, van titel II van het VLAREM. Om te vermijden dat in garages en werkplaatsen geen diesels meer opgeslagen kunnen worden, wordt art. 5.15.0.5 aangepast. Vroeger (voor 1 juni.2015) luidde het artikel 5.15.0.5, § 2, namelijk als volgt : \" § 2. Het is verboden in de parkeerruimten voor autovoertuigen, in de garages en herstellingswerkplaatsen : 1° gemakkelijk brandbare of ontvlambare stoffen of produkten op te stapelen; 2° bussen met benzine of waarin benzine geweest is te plaatsen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Met gemakkelijk brandbare stoffen en producten werden niet de \"brandbare vloeistoffen\" (P3 en P4) bedoeld, maar eerder brandbare \"materialen\". Dit wordt verduidelijkt in de wijziging. Daarnaast werden de ontvlambare stoffen en producten middels het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5 (VLAREM-trein 2013) vervangen door \"producten gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening\". Dit heeft als gevolg dat de \"gevaarlijke\" P3-producten (o.a. diesels) hierin vervat zitten wegens de uitbreiding van het vlampuntrange van de ontvlambare vloeistoffen tot 60° C ten gevolge van de CLP-verordening. Daarom worden de gevaarlijke vloeistoffen van groep 2 (= gevaarlijke P3-producten, zie definities) uitgezonderd van het gestelde verbod in art. 5.15.0.5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.15.0.8 van titel II van het VLAREM. Nu de erkenningsbesluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 opgeheven worden (zie verder voor meer details), moet de verplichting voor het bezit van een erkenning als technicus of bedrijf voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die schadelijke emissies van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen kunnen veroorzaken, worden ingeschreven in titel II van het VLAREM en dit voor de volgende installaties : a) stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen, b) stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen, c) elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen, d) klimaatregelingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen in motorvoertuigen die onder de scope van richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad vallen, e) stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat De erkenningsverplichting wordt ingevoerd voor zowel de ingedeelde als de niet-ingedeelde installaties en is een uitvoering van de verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erkenningsplichtige activiteiten worden niet gewijzigd ten opzichte van de huidige wetgeving met uitzondering van de volgende gevallen : a) voor de technicus en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur en de koeltechnicus en het koeltechnisch bedrijf wordt nu expliciet \"buitendienststelling\" als erkenningsplichtige activiteit opgenomen, b) de erkenningsplichtige werkzaamheden voor de technicus voor elektrische schakelinrichtingen worden vanaf 1 januari 2017 uitgebreid met \"installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling\" en \"terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan hoogspanningsschakelaars\".Tot nu toe moest de technicus enkel voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars erkend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wijzigingen komen er omwille van de verordening (EU) nr. 517/2014 die deze erkenningsplichtige activiteiten vastlegt en die op 1 januari 2015 in werking getreden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.1.2. Met deze wijziging wordt de formulering voor ontvlambare gassen alsnog aangepast aan de CLP-verordening</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.1.8. Met deze wijziging wordt de formulering analoog met artikel 5.16.3.2, § 1 (zoals aangepast in 2009)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.3.2, § 1, van titel II van het VLAREM. De terminologie wordt aangepast conform de gewijzigde terminologie in artikel 5.16.1.8, § 1</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.3.3 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Nu de erkenningsbesluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 opgeheven worden (zie verder voor meer details), moet de verplichting voor het bezit van een erkenning als technicus of bedrijf voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die schadelijke emissies van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen kunnen veroorzaken, worden ingeschreven in titel II van het VLAREM en dit voor de volgende installaties : a) stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen, b) stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen, c) elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen, d) klimaatregelingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen in motorvoertuigen die onder de scope van richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad vallen, e) stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat De erkenningsverplichting wordt ingevoerd voor zowel de ingedeelde als de niet-ingedeelde installaties en is een uitvoering van de verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erkenningsplichtige activiteiten worden niet gewijzigd ten opzichte van de huidige wetgeving met uitzondering van de volgende gevallen : a) voor de technicus en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur en de koeltechnicus en het koeltechnisch bedrijf wordt nu expliciet \"buitendienststelling\" als erkenningsplichtige activiteit opgenomen, b) de erkenningsplichtige werkzaamheden voor de technicus voor elektrische schakelinrichtingen worden vanaf 1 januari 2017 uitgebreid met \"installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling\" en \"terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan hoogspanningsschakelaars\".Tot nu toe moest de technicus enkel voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit hoogspanningsschakelaars erkend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wijzigingen komen er omwille van de verordening (EU) nr. 517/2014 die deze erkenningsplichtige activiteiten vastlegt en die op 1 januari 2015 in werking getreden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Verder wordt in artikel 5.16.3.3, § 3, 2°, voor het onderhoud expliciet verwezen naar de norm EN 378. Deze norm EN 378 \"Koelsystemen en warmtepompen - Veiligheids- en milieueisen\" bestaat uit vier delen en bevat ook regels in verband met het onderhoud van koelinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° en 4° Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 houdt niet alleen rekening met de hoeveelheid koelmiddel maar ook met het aardopwarmingsvermogen van het koelmiddel. Hoe hoger het aardopwarmingsvermogen van een koelmiddel, hoe schadelijker het koelmiddel voor het klimaat is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grens voor de frequentie van lekkagecontroles voor koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen lag bij de oude verordening (EG) nr. 842/2006 op een nominale koelmiddelinhoud van 3 kg of meer aan koelmiddel, ongeacht het aardopwarmingsvermogen van het koelmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de nieuwe verordening (EG) nr. 517/2014 ligt de grens nu op 5 ton CO2-equivalent of meer waarbij \"ton CO2-equivalent\" gedefinieerd is als \"een hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt als het product van het gewicht van de broeikasgassen in metrische ton en het aardopwarmingsvermogen ervan\". Koelinstallaties die met de oude verordening (EG) nr. 842/2006 niet onder de frequentie van lekkagecontroles vielen omdat de nominale koelmiddelinhoud minder dan 3 kg bedraagt kunnen met de nieuwe verordening nu wel onder de frequentie van lekkagecontrole vallen omwille van een hoog aardopwarmingsvermogen van het koelmiddel. Aangezien het aardopwarmingsvermogen een maat is voor de schadelijkheid voor het klimaat wordt voorgesteld om paragraaf 5 van artikel 5.16.3.3 voor de gefluoreerde broeikasgassen aan te passen en de grens te leggen op 5 ton CO2-equivalent of meer in plaats van 3 kg of meer. Hermetisch afgesloten koelinstallaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan 10 ton CO2-equivalent mits dergelijke apparatuur als hermetisch afgesloten is geëtiketteerd, zijn vrijgesteld van de bepalingen, vastgelegd in paragraaf 6 tot en met 8 van artikel 5.16.3.3 (afstemming met verordening (EU) nr. 517/2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 5° In paragraaf 7 van hetzelfde artikel wordt een correctie doorgevoerd waarbij verwezen wordt naar verordening (EU) nr. 517/2014 (in werking getreden op 1 januari 2015) in plaats van naar verordening (EG) nr. 842/2006 (opgeheven vanaf 1 januari 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 6° Paragraaf 8 van hetzelfde artikel wordt afgestemd met verordening (EU) nr. 517/2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.3.4, § 1, van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar \"ingedeeld in groep 2a)1° of groep 4\" is niet meer correct sinds de aanpassingen in het kader van CLP-verordening (via het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5, zijnde de VLAREM-trein 2013). Deze bepaling werd echter nog niet aangepast. Bovendien spreken we nu ook niet meer over gassen die zijn ingedeeld in groep 2 of groep 4, maar van gassen van groep 2 of groep 4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.2, § 4, van titel II van het VLAREM. Met de VLAREM-trein 2013 (BVR van 16 mei 2014, B.S. 24 september 2014) werden de voorwaarden inzake lpg-installaties aangepast en werd hierin een consequent gebruik van terminologie onder andere inzake de term \"verdeelzuilen\" gehanteerd. Er glipte echter één aanpassing door de mazen van het net, wat door dit wijzigingsartikel wordt rechtgezet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.16.4.4.7, § 3, tweede lid, van titel II van het VLAREM. Er werd vastgesteld dat er meerdere interpretaties mogelijk zijn voor de plaats van de controlecabine bij LPG-installaties. Uitgaande van de nota aan de Vlaamse Regering bij het besluit van 19 september 2008, waarmee de betreffende bepaling in titel II van het VLAREM werd ingeschreven, en uitgaande van de huidige praktijk, staat vast dat de controlecabine zich op de inrichting moet bevinden. Het toezicht vanuit de controlecabine is immers bedoeld als een volwaardig alternatief voor de bestendige aanwezigheid en uit de eerste alinea blijkt dat de exploitant of zijn aangestelde de nodige maatregelen moet kunnen treffen bij een incident. Verder wordt met het oog op de handhaafbaarheid van de bepaling toegevoegd dat de exploitant het toezicht op een manier moet organiseren die waarborgt dat de vuloperaties kunnen worden gestopt bij onregelmatigheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.3.3.8, § 3, van titel II van het VLAREM. Met de VLAREM-trein 2011 (BVR 31 maart 2012) werd in artikel 5.16.6.8. § 3. van titel II van het VLAREM de \"bevoegde deskundige\" vervangen door een \"aangestelde van de exploitant\". De \"bevoegd deskundige\" is echter alleen bij gevaarlijke producten (hoofdstukken 4.1, 5.17 en 6.5) gedefinieerd en niet bij gassen. Voor het periodiek onderzoek van de opslagplaats voor vacuümgeïsoleerde houders wordt dit nu verduidelijkt zodat dit door de exploitant of zijn aangestelde, die over de nodige kennis beschikken, moet gebeuren. Het is de verantwoordelijkheid van de exploitant om hier een geschikte persoon voor aan te duiden. Dit kan een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen zijn, maar dit is niet noodzakelijk In artikel 5.16.6.8. wordt in paragraaf 1 gesteld dat de periodieke onderzoeken worden uitgevoerd conform artikel 5.16.1.8. Bovendien wordt in paragraaf 3 duidelijk aangegeven \"met behoud van de controles vermeld in art. 5.16.1.8.\". Dit impliceert dat van de controle uitgevoerd door een aangestelde van de exploitant ook een attest opgesteld moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt vanaf 1/06/2015 artikel 5.17.3.3.8. § 3 het volgende : \"In afwijking van artikel 5.17.3.1.8, worden vacuümgeïsoleerde houders ten minste om de twee jaar door een aangestelde van de exploitant nagezien. Veiligheidskleppen worden ten minste om de tien jaar opnieuw afgesteld.\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft echter een foutieve omzetting van art. 5.16.6.8. § 3., dat namelijk als volgt wordt geformuleerd : \"Met behoud van de controles vermeld in artikel 5.16.1.8, worden vacuümgeïsoleerde houders ten minste om de twee jaar door een aangestelde van de exploitant nagezien. Veiligheidskleppen worden ten minste om de tien jaar herafgesteld.\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt hiermee rechtgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 73 Artikel 74 Artikel 75 Deze artikelen wijzigen respectievelijk artikel 5.17.4.2.9, 5.17.4.2.10, 5.17.4.3.17 en 5.17.4.3.18 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging betreft een verscherping van de voorwaarden om in de praktijk uit te sluiten dat een houder met oranje label nooit in orde wordt gesteld. Bij controles door toezichthouders wordt vastgesteld dat er geregeld een soort `oranje carrousel' ontstaat waarbij de erkende milieudeskundige diverse keren na mekaar een oranje klever of plaats aanbrengt, waardoor de houders in gebruik mogen blijven, maar binnen de zes maanden aan een bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen. De huidige formulering van de artikels m.b.t. de klevers en platen laat deze manier van werken toe. Dergelijke oranje carrousel brengt echter geen oplossing op het terrein. Het is daarom aangewezen om te stellen dat bij de bijkomende controle niet opnieuw een oranje klever of plaat mag worden aangebracht als de oorspronkelijk vastgestelde gebreken niet werden gecorrigeerd. In dat geval moet een rode klever of plaat worden aangebracht, zodat de houder pas terug mag worden gevuld als de gebreken werden gecorrigeerd (en de houder met positief aan een nieuwe controle werd onderworpen) Als tijdens de bijkomende controle andere nieuwe gebreken worden vastgesteld die geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder, mag wel een oranje klever of plaat worden aangebracht (mits de oorspronkelijke gebreken werden gecorrigeerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er werd een uitzonderingsbepaling voorzien voor afwijkingen of gebreken waarvoor het niet mogelijk is om deze binnen de 6 maanden aan te passen. Een voorbeeld daarvan zijn de aanpassingen aan grote inkuipingen of houders waarvoor bouwkundige ingrepen nodig zijn. Bij dergelijke bouwkundige aanpassingen moeten werken soms uitgesteld worden door het vriesweer, zijn er grote infrastructuur werkzaamheden nodig,... Daarom vragen wij voor dergelijke gevallen een uitzonderingsbepaling te voorzien. De exploitant moet motiveren waarom die termijn van 6 maanden niet kan behaald worden en daarbij bv. een actieplan opstellen dat door de bevoegd deskundige moet opgevolgd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.17.4.3.17 wordt tevens een verwijzingsfout rechtgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.17.4.3.19, § 7, van titel II van het VLAREM en zet louter een verwijzingsfout recht. Er moet verwezen worden naar de bepalingen omtrent de opslag van gevaarlijke producten zoals die vóór de inwerkingtreding van de CLP-verordening van toepassing waren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een subafdeling 5.17.4.5 \"Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) door lekverliezen in bovengrondse vaste houders\" toe aan afdeling 5.17.4 \"Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) bij de opslag en verlading van gevaarlijke vloeistoffen\". Opslagtanks worden uit het toepassingsgebied van afdeling 4.4.6 gelicht (zie art. 7, 1° en art. 9). In plaats daarvan wordt een jaarlijkse controle door middel van de IR-camera verplicht voor producten met gevaarpictogram GHS05, GHS06, GHS07 of GHS08 en een tweejaarlijkse meetverplichting voor alle andere producten. Voor producten met een minder schadelijk karakter geldt een drempel voor de opslagtanks van 500 mo. Voor de heel schadelijke producten (o.a. carcinogene, mutagene of teratogene eigenschappen) is het belangrijk dat ook de kleinere tanks op hun lekdichtheid worden gecontroleerd. Om evenwel te vermijden dat elke kleine tank in een kleinschalig bedrijf gecontroleerd zou moeten worden, geldt hiervoor een drempel van 100 mo. De noodzaak hiervan wordt bevestigd door controles die in 2014 in opdracht van de afdeling milieu-inspectie uitgevoerd werden door een meetbureau, gespecialiseerd in IR-camera-detectie. Hierbij werden bij 20 bedrijven 220 tanks gecontroleerd en werden 162 (abnormale)emissiebronnen gedetecteerd Opslagtanks moeten volgens VLAREM pas uitgerust worden met dampbeheersmaatregelen vanaf een dampspanning vanaf 13,3 kPa bij 35° C, of zoals nu in de nieuwe BAT conclusies van de raffinaderijen is bepaald, vanaf een dampspanning van 4 kPa of meer, bepaald volgens de Reidmethode. Als dampspanningscriterium voor de toepassing van IR-LDAR op opslagtanks wordt voorlopig een dampdruk van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C behouden omdat nog onvoldoende duidelijk is welke milieu-impact een verlaging naar 4 kPa heeft. Voor de raffinaderijen wordt in VLAREM III verwezen naar dit artikel (via het wijzigingsbesluit VLAREM III dat onder andere de BBT-conclusies voor de raffinaderijen omzet) en wordt wel een dampspanning van 4 kPa (RVP) opgelegd, in overeenstemming met de BBT-conclusies.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot procesapparatuur waar lekken altijd moeten hersteld worden, is herstel van waargenomen emissiebronnen op een opslagtank niet altijd mogelijk. Sommige apparaten zijn zodanig ontworpen dat emissies bij normale werking worden voorkomen, zoals ontluchtingen en overdrukventielen. Maar ook de dichtingen van vlottende daken kunnen niet 100% lekdicht uitgevoerd worden. Of deze lekken aanvaardbaar en herstelbaar zijn moet op het terrein bepaald worden. Van elke controle wordt een inspectierapport opgesteld met een overzicht van de gedetecteerde emissiebronnen, inclusief een evaluatie van de herstelbaarheid. Indien deze producten zeer schadelijk zijn, dan moeten deze emissies onmiddellijk gestopt worden. Voor andere, minder schadelijk producten wordt een hersteltermijn van 3 maand voorzien. Voor alle niet-emissiebronnen die niet hersteld kunnen worden, moet de exploitant een herstelplanning opstellen waarin voor elke emissiebron aangegeven wordt waarom herstelling niet mogelijk is binnen de bovenvermelde termijn, en op welke termijn de herstelling dan wel zal gebeuren. Emissiebronnen die als normaal worden beschouwd moeten eveneens opgenomen worden samen met een motivatie waarom deze emissiebronnen als normaal worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EN 15446 :2008 waarnaar verwezen wordt in het ontworpen artikel 5.17.4.5.2, § 6, is de Europese norm voor het meten van fugitieve emissies afkomstig van lekkende apparatuur en buizen. Dit is de standaard binnen Europa die algemeen gehanteerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm is beschikbaar in het Frans, Engels en Duits en is net zoals andere Europese of Belgische normen niet gratis beschikbaar. De norm kan o.m. aangekocht worden via het NBN, het Bureau voor Normalisatie, verantwoordelijk voor het ontwikkelen en verkopen van normen in België.</p>\n<p class=\"lf-p\">De NTA, waarnaar verwezen wordt in de ontworpen artikelen 5.17.4.5.3 en 5.17.4.5.4, is een Nederlandse norm en kan aangekocht worden via NEN, die in Nederland het normalisatieproces ondersteunt. Net zoals Europese of Belgische normen is de NTA-norm niet gratis beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft een Nederlandse norm, die in het Nederlands aangekocht kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een paragraaf 1bis in in artikel 5.18.1.2 van titel II van het VLAREM. Ter uitvoering van artikel 31 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 werd voor de samenhangende oppervlaktedelfstoffengebieden \"Klei van de Kempen\", \"Klei van Ieper &amp; Maldegemklei\" en \"Vlaamse Leemstreek\" telkens een beoordelingscommissie Landbouwnabestemming opgericht. Een beoordelingscommissie Landbouwnabestemming verleent advies over de kwaliteitsvolle realisatie van de nabestemming landbouw, na de ontginning van oppervlaktedelfstoffen. De afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen van het departement LNE heeft in overleg met de twee eerst opgerichte beoordelingscommissies Landbouwnabestemming een code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw opgemaakt en via de website www.lne.be publiek gemaakt. In enkele recent verleende vergunningen voor ontginning van oppervlaktedelfstoffen (rubriek 18 van de VLAREM-indelingslijst) werd als bijzondere voorwaarde opgenomen dat de voorschriften van de vermelde code van goede praktijk stipt moeten worden gevolgd. Om het ontstaan van pseudo-regelgeving te vermijden, wordt thans de rechtsgrond gecreëerd om bij ministerieel besluit een code van goede praktijk voor de kwaliteitsvolle heraanleg van een ontginning in functie van landbouw te kunnen goedkeuren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt na de tabel in artikel 5.19.1.4, § 7, van titel II van het VLAREM de ontbrekende voetnoot (1) in. In de tabel is voor de som zware metalen een verwijzing naar voetnoot (1) wel opgenomen. De meetfrequentie heeft betrekking op dezelfde metalen als waarvoor een emissiegrenswaarde in paragraaf 4 van voormeld artikel bepaald is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 80</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel vervangt artikel 5.20.6.2.3. Industriezones worden naar voor geschoven als prioritaire zones voor de inplanting van windenergie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 31 maart 2012 gelden de nieuwe milieuvoorwaarden voor windturbines (BVR van 23 december 2011, B.S. 21 maart 2012). De hinder door slagschaduw wordt door de nieuwe sectorale voorwaarden beperkt tot maximaal 8 uur slagschaduw per jaar en maximaal 30 min/dag. Deze normering geldt ten opzichte van slagschaduwgevoelige objecten waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken, zoals onder meer woningen, ziekenhuizen, rusthuizen, schoolgebouwen, kantoorgebouwen, ... Ook voor slagschaduwgevoelige objecten in industriezones (werkplaatsen, kantoorgebouwen, ...) geldt deze norm van 8 uur slagschaduw per jaar en maximaal 30 minuten per dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordien was sprake van een norm van maximaal 30 uur effectieve slagschaduw per jaar in bewoonde woningen (omzendbrief EME/2006/01-RO/2006/02 - geldig van mei 2006 tot maart 2012). Over industriële slagschaduwgevoelige objecten gebeurde in de omzendbrief geen expliciete uitspraak. De voorgaande omzendbrief, geldig van juli 2000 tot mei 2006, stelde geen voorwaarden voor slagschaduw (`omwille van de minimale afstand van 150 m (is) de invloed naar de menselijke leefomgeving verwaarloosbaar of niet van toepassing').</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Gezondheidsraad (HGR) stelt in zijn advies van 21 mei 2013 over de inplanting van windenergie op land om de in Noordrijn?Westfalen geldende standaard voor slagschaduw (30 uur per jaar en 30 minuten per dag, onafhankelijk van de bewolking) na te leven. Dit stemt overeen met de nieuwe milieuvoorwaarden voor slagschaduw van 8 uur slagschaduw per jaar en 30 minuten per dag (BVR 23/11/2011). Voor de exploitatie van windturbines in een industriële omgeving, kan een hogere waarde voor slagschaduw aanvaardbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor geluidsnormen geldt een differentiëring per gewestplanbestemming, waarbij industriezones soepeler normen krijgen dan woongebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel laat toe om bindende, soepelere normen voor slagschaduw door windturbines op industrieterreinen te realiseren om zo de inplanting van windturbines op de door het beleid gekozen preferentiële locaties (industrieterreinen) te faciliteren. Voor woningen blijft, ook in industriegebieden, de bestaande norm behouden van 8 uur per jaar en 30 minuten per dag, conform het advies van de Hoge Gezondheidsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met industriegebieden worden de gebieden bedoeld, volgens het gewestplan bestemd voor de vestiging van de verschillende soorten bedrijvigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit omvat volgende gebieden : - gebieden voor industrie - gebieden voor vervuilende industrieën - gebieden voor milieubelastende industrieën - gebieden voor ambachtelijke bedrijven of gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt de bepaling `Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning' hierbij niet meer vermeld. Deze bepaling was bedoeld om mits motivatie uitzonderingen toe kunnen te staan, bijvoorbeeld in industriegebieden. Dit was ook zo vermeld in het verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit van 23 december 2011 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari houdende de vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wat betreft de actualisatie van voormelde besluiten aan de evolutie van de techniek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeacht de vermelding van `Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning', geldt namelijk dat voor bestaande of reeds vergunde windturbines, waarbij het maximaal aantal uur slagschaduw werd vastgelegd in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning, de rechten verleend door de opgelegde bijzondere voorwaarden behouden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 5.20.6.1.1 gelden deze voorgestelde normen voor slagschaduw voor windturbines voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn vanaf 1 januari 2015 en vanaf 1 januari 2020 voor inrichtingen die niet uitgerust zijn met een automatisch regelsysteem dat toelaat de slagschaduw en het geluid in voldoende mate te verminderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel wordt 5.20.6.4.2 aangepast. Het betreffen hier geen inhoudelijke veranderingen. De tekst is enkel verduidelijkt en juridisch eenduidig gemaakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.23.1.1 van titel II van het VLAREM. In het verslag van de Vlaamse Regering bij de VLAREM-trein van 2012 werd vermeld dat de sector zich heeft geëngageerd om op korte termijn een studie te laten uitvoeren die als basis zal dienen voor een sectorale afwijkingsaanvraag. Inmiddels werden wetenschappelijke studies door de sector overgemaakt aan het departement Leefmilieu, Natuur en Energie In de VITO-studie `Onderzoek naar de praktische haalbaarheid van de thermische naverbranding van pentaan bij de EPS verwerkende sector', april 2015 wordt het volgende besluit genomen op pagina 17 : \"Er wordt vastgesteld dat tot op vandaag in een aantal omringende landen geen of uiterst weinig wettelijke verplichtingen zijn vastgelegd om de emissies van pentaan bij de verwerking van EPS te reduceren. Dit is het geval voor zowel Frankrijk, Duitsland als Denemarken wat als gevolg heeft dat de EPS verwerkende bedrijven uit deze landen geen thermische naverbranding toepassen. Op basis van de verzamelde praktijkervaringen uit het buitenland blijkt procesgeïntegreerde naverbranding voor een blokkenproducent zowel op technisch als op vlak van veiligheid mogelijk niet goed werkbaar te zijn.\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de RDC Environment-studie `Milieuevaluatie van de pentaanemissies reducerende technieken', september 2014 wordt geconcludeerd op pagina 27 dat een regeneratieve thermische oxidatie minstens twee keer meer milieueffecten genereert dan zonder reducerende techniek. Verder wordt op dezelfde pagina geciteerd : \"Voor het broeikaseffect, zijn de CO2-uitstoten met regeneratieve thermische oxidatie groter dan deze zonder reducerende techniek omdat de voorbehandeling en de toepassing van de reducerende techniek aanzienlijk veel CO2-uitstoten, naast de indirecte emissies gebonden aan de verbranding van pentaan.\". Een effectieve test met een pilootinstallatie met biofilter gaf geen verwijderingsrendement van pentaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doordat wetenschappelijke studies aantonen dat het effect van reducerende technieken nefaster zijn naar broeikaseffect dan zonder reducerende technieken, wordt een reeds vergunde norm van 1350 mg/Nmo als minimum maatstaf aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sector engageert zich om bij pieken van fotochemische ozonvorming in de luchtkwaliteit de productie te verlagen of aan te passen in overleg met het departement Leefmilieu, Natuur en Energie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 83</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel corrigeert de verwijzing in artikel 5.23.1.2, § 1, naar de tabel in artikel 5.23.1.1. Via het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012366 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/06/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 sluiten5 (VLAREM-trein 2013) werd artikel 5.23.1.1 vervangen, waarbij de nummering in de tabel aangepast werd van letters naar cijfers. De verwijzing in artikel 5.23.1.2, § 1, werd echter niet mee aangepast. Dit wordt hiermee rechtgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heft paragraaf 1 van artikel 5.25.0.3 van titel II van het VLAREM op. Er geldt een emissiegrenswaarde voor chroom VI-verbindingen enerzijds, en voor chroom III-, strontium- en zinkchromaat anderzijds Aangezien chroom III-, strontium- en zinkchromaat ook chroom VI-verbindingen zijn, is een afzonderlijke emissiegrenswaarde voor deze stoffen tegenstrijdig. De sectorale emissiegrenswaarden voor alle chroom VI-verbindingen wordt opgeheven. Hierdoor geldt voor deze sector de algemene emissiegrenswaarde voor chroom VI-verbindingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.28.2.3, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreft een uitbreiding van de vereisten voor de uitvoering van opslagplaatsen zoals dit ook geldt voor opslag van mest vergund onder rubriek 9</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.29.0.4, § 1, van titel II van het VLAREM. Chroom III-, strontium- en zinkchromaat worden afzonderlijk vermeld van chroom VI-verbindingen Aangezien chroom III-, strontium- en zinkchromaat ook chroom VI-verbindingen zijn, is een afzonderlijke vermelding niet nodig. De stoffen chroom III-, strontium- en zinkchromaat worden geschrapt in de tabel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een artikel 5.30.0.7bis in in afdeling 5.30.0 \"Algemene bepalingen\" van hoofdstuk 5.30 \"Bouwmaterialen en minerale producten\" van titel II van het VLAREM. Bij de productie van cement worden verschillende toeslagstoffen gebruikt, zoals hoogovenslak. Bij bepaalde processen wordt hoogovenslak gedroogd alvorens toegevoegd te worden aan de maalinstallaties. Voor het drogen van deze hoogovenslakken kan gebruik gemaakt worden van een draaitrommeloven, zoals deze ook gebruikt wordt voor het drogen van grondstoffen bij asfaltcentrales. Bij dit drogingsproces ontstaan de klassieke verbrandingsparameters, namelijk CO, NOx, SO2 en stof. Uit emissiemetingen uitgevoerd op dit type droger blijkt dat de algemene emissiegrenswaarden die van toepassing zijn voor dit type installatie ruimschoots gerespecteerd worden (zowel concentratie als grensmassastroom), met uitzondering van de emissiegrenswaarde voor de parameter CO. De verbranding van diesel kan immers niet optimaal gebeuren, waardoor niet alle koolstof omgezet kan worden in koolstofdioxide. De tijd om een volledige verbranding van de brandstof te bewerkstelligen is te kort en de temperatuur van de vlam wordt naar beneden gehaald door de vochtigheid, aanwezig in de hoogovenslak, en het contact met het materiaal. Daarom wordt voor dit type van proces een emissiegrenswaarde voor CO van 500 mg/Nmo voorzien in dit nieuwe artikel De installatie moet momenteel voldoen aan de algemene emissiegrenswaarde voor CO, namelijk 100 mg/Nmo vanaf een massastroom van meer dan 5 kg/uur. Zelfs bij de meest performante afstelling van de brander zijn waarden onder 300 mg/Nmo zeer moeilijk haalbaar. Voor het drogen van hoogovenslakken wordt dezelfde emissiegrenswaarde voor CO als voor asfaltcentrales opgenomen, namelijk 500 mg/Nmo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt de emissiegrenswaarden uit artikel 5.30.2.2, § 1, van titel II van het VLAREM. In de BBT-studie asfaltcentrales (2013) werden de emissiegegevens van de 20 Vlaamse asfaltcentrales vergeleken. De gegevens werden verzameld voor de periode 2002-2010. 17 centrales maken gebruik van aardgas of gasolie, drie centrales stoken nog met zware stookolie. Heden zijn twee van deze laatste centrales overgeschakeld naar gas of gasolie. Slechts één centrale maakt nog gebruik van zware stookolie. Uit de emissiegegevens blijkt dat asfaltcentrales gestookt met gas of gasolie een emissiegrenswaarde voor NOx en SO2 van 75 mg/Nmo kunnen respecteren. Bij stook met zware stookolie kunnen deze emissiegrenswaarden niet gerespecteerd worden De normen voor NOx en SO2 worden voor alle asfaltcentrales verstrengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de bestaande asfaltcentrales op gas en stookolie die deze normen in bepaalde gevallen nog overschrijden, alsook de resterende asfaltcentrale op zware stookolie, voldoende tijd te bieden om maatregelen te nemen, wordt voor vergunde inrichtingen een overgangstermijn voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt artikel 5.30.2.3 van titel II van het VLAREM naar aanleiding van de BBT-studie voor asfaltcentrales (2013). Er worden bijkomende maatregelen opgelegd om diffuse VOS-emissies te beperken in de punten 3° en 4, namelijk het inkapselen van het traject vanaf de mixer tot en met de laadinstallatie voor de asfaltwachtsilo's en het voorzien van een afzuiginstallatie aan de uitgang van de asfaltwachtsilo's. Nieuwe installaties dienen direct te voldoen aan deze nieuwe maatregelen, voor bestaande installaties wordt er een overgangstermijn van 3 jaar voorzien</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.32.2.2bis van titel II van het VLAREM. Voor ingedeelde inrichtingen met muziekactiviteiten geldt een meetverplichting waarbij de het geluidsniveau in de inrichting continu bewaakt moet worden door de exploitant of een door hem aangestelde persoon. Indien een overschrijding van de geluidsnormen wordt vastgesteld is deze snel te remediëren door het geluidsniveau in de inrichting te verlagen tot er geen overschrijding van de geluidsnormen meer is. Overeenkomstig artikel 4.1.5.3 moet de exploitant de toezichthouder echter onverwijld op de hoogte brengen van elke overschrijding van de emissie- en immissienormen. Gelet op het dynamische karakter van muziek kan een kortstondige overschrijding wel eens plaatsvinden. Gezien de eenvoud en onmiddellijkheid waarmee de overschrijding vervolgens gecorrigeerd kan worden en de beperkte gevolgen voor het milieu en de omgeving van deze kortstondige overschrijding is het echter niet aangewezen om de toezichthouder steeds op de hoogte te brengen. Deze wijziging heeft als gevolg dat de exploitant de overschrijding van de geluidsnormen onmiddellijk moet remediëren en de toezichthouder niet meer op de hoogte moet brengen Dit zorgt voor een administratieve vereenvoudiging, zowel voor de exploitant als voor de toezichthouder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 91</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.32.3.10 van titel II van het VLAREM. Voor schouwspelzalen geldt een meetverplichting waarbij de het geluidsniveau van de muziek in de inrichting continu bewaakt moet worden door de exploitant of een door hem aangestelde persoon. Indien een overschrijding van de geluidsnormen wordt vastgesteld is deze snel te remediëren door het geluidsniveau in de inrichting te verlagen tot er geen overschrijding van de geluidsnormen meer is. Overeenkomstig artikel 4.1.5.3 moet de exploitant de toezichthouder echter onverwijld op de hoogte brengen van elke overschrijding van de emissie- en immissienormen. Gelet op het dynamische karakter van muziek kan een kortstondige overschrijding wel eens plaatsvinden. Gezien de eenvoud en onmiddellijkheid waarmee de overschrijding vervolgens gecorrigeerd kan worden en de beperkte gevolgen voor het milieu en de omgeving van deze kortstondige overschrijding is het echter niet aangewezen om de toezichthouder steeds op de hoogte te brengen. Deze wijziging heeft als gevolg dat de exploitant de overschrijding van de geluidsnormen onmiddellijk moet remediëren en de toezichthouder niet meer op de hoogte moet brengen. Dit zorgt voor een administratieve vereenvoudiging, zowel voor de exploitant als voor de toezichthouder</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt paragraaf 3 van artikel 5.32.7.2.3 van titel II van het VLAREM. De bepaling wordt in een minder dwingende vorm omschreven en de wijziging heeft voornamelijk betrekking op de rechtzetting van een foutieve verwijzing naar paragraaf 2 van dit artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt artikel 5.32.8.1.2 van titel II van het VLAREM. Met de invoering van de nieuwe subafdeling 5.32.8.3 (zie hierna) worden er voor het traditioneel bukschieten specifieke sectorale bepalingen vastgelegd inzake geluid en trillingen waardoor ook voor deze activiteit niet langer artikel 5.32.7.2.7 van toepassing zijn Dit artikel verankert deze afwijkende sectorale bepaling voor geluid en trillingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een subafdeling 5.32.8.3 toe aan afdeling 5.32.8 van titel II van het VLAREM. De sectorale voorwaarden voor schietstanden in open lucht zijn opgenomen in afdeling 5.32.8 van titel II van het VLAREM. Momenteel omvat deze afdeling één subafdeling met daarin sectorale voorwaarden voor kleiduifschieten (wapens, veiligheid, inrichting van de schietstand, geluid...). Daarnaast werd er slechts één andere sectorale bepaling met betrekking tot `Geluid en trillingen' opgenomen die algemeen van toepassing is op alle schietstanden in open lucht. Er werden geen andere algemene bepalingen opgenomen (wapens, veiligheid, inrichting van de schietstand, ...) voorzien. De bepaling met betrekking tot geluid en trillingen is vrij streng waardoor schietstanden in open lucht, andere dan kleiduifschietstanden, op een grote afstand van woningen gelegen moeten zijn om te kunnen voldoen Deze schietstanden zullen dan in het algemeen ook doorgaan in afgesloten lokalen. Voor kleiduifschietstanden zijn andere voorwaarden met betrekking tot geluid en trillingen van toepassing die soepeler zijn. Deze schietactiviteit gaat dan traditioneel ook door in open lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast kleiduifschieten is er echter nog een andere schietactiviteit die traditioneel doorgaat in open lucht, zijnde het schieten met de zware buks. Het schieten met zware buks is gekoppeld aan folkloristische schutterijen. Deze schutterijen vinden hun oorsprong in de historische schutterijen, burgermilities, vaak reeds opgericht in de Middeleeuwen, om de stad of het dorp te beschermen. Tegenwoordig hebben deze schutterijen vooral een sociale, culturele en toeristische functie en zijn hun tradities nog steeds sterk verweven met het dorp of de stad dat zij in de Middeleeuwen beschermden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Vlaanderen concentreren de schutterijen zich voornamelijk in Limburg en samen met de schutterijen in Nederlands Limburg maken zij in het algemeen deel uit van de Oud Limburgse Schuttersfederatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks organiseert deze federatie de Oud Limburgse Schuttersfeesten die zowel in België als in Nederland erkend zijn als immaterieel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schutterijen zelf organiseren ook meer lokale schuttersfeesten, optochten en houden ongeveer wekelijks een avond om het schieten te oefenen (ca. van april tot september).</p>\n<p class=\"lf-p\">De schuttersfeesten zelf zijn omwille van het `evenement'-karakter geen ingedeelde activiteiten. De oefenavonden die op de schietstand van de schutterij georganiseerd worden zijn wel ingedeeld Voor deze wekelijkse schietactiviteiten zijn er echter geen specifieke sectorale voorwaarden en zijn de algemene bepalingen van afdeling 5.32.8 van toepassing. Gezien de band die de folkloristische schutterijen hebben met hun dorp of hun stad zijn deze in het algemeen dicht bij bewoning gelegen waardoor zij zelden kunnen voldoen aan de sectorale voorwaarde met betrekking tot geluid die in deze algemene bepalingen werd opgenomen. Indien alsnog een milieuvergunning kan worden afgeleverd wordt ook steeds een standaard set aan bijzondere voorwaarden opgenomen inzake veiligheid, inrichting van de schietstand en dergelijke omdat deze ook niet werden voorzien in het VLAREM. Gezien de belangrijke erfgoedwaarde van deze folkloristische schutterijen en de beperkte duur van schietactiviteiten (max. 1*week, gedurende max. 2 uren, van april tot september) is het te verantwoorden om ook voor het traditionele schieten met de zware buks soepelere voorwaarden met betrekking tot geluid te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien ook voorwaarden met betrekking tot veiligheid, inrichting van de schietstand, ... van zeer groot belang zijn, is het ook ter verantwoorden om een aparte subafdeling voor het traditionele buksschieten te voorzien waarin alle voorwaarden integraal worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als basis voor de sectorale voorwaarden in deze subafdeling worden de bijzondere voorwaarden die nu reeds steeds worden opgenomen in de milieuvergunningen en de `Handreiking Limburgs Traditioneel Schieten' opgemaakt onder de hoede van het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (Nederland), versie februari 2014, gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De `Handreiking Limburgs Traditioneel Schieten' werd voor het eerst opgesteld in 2006 en werd sindsdien reeds een aantal keren geactualiseerd. Het document gaat op een pragmatische wijze om met het traditioneel buksschieten en wordt binnen de schuttersgilden in Nederlands Limburg algemeen aanvaard. Gezien de schuttersgilden uit Belgisch Limburg en Nederlands Limburg samen deel uitmaken van één overkoepelende regionale federatie, zijnde de Oud Limburgse Schuttersfederatie, en zij dezelfde activiteiten voeren is er grond om deze handreiking ook als basis te gebruiken in de Vlaamse regelgeving van toepassing op het traditioneel buksschieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In wat hierna volgt wordt dieper ingegaan op de zes artikelen waaruit de subafdeling 5.32.8.3 inzake het traditioneel buksschieten : Artikelen 5.32.8.3.1 t.e.m. 5.32.8.3.3 handelen over de inrichting van de schietstand, de wapens en munitie die gebruikt mogen worden en de van toepassing zijnde voorwaarden tijdens de schietactiviteit zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorwaarden hebben ten eerste het doel de veiligheid te verhogen door bij het inrichten van de schietstand onder meer te voorzien in een kogelvanger waardoor de onveilige zone rond de schietbomen sterk verkleind wordt en materiële hindernissen om te voorkomen dat personen zich in de onveilige zone kunnen begeven en door beperkingen op de handelingen die met de wapens uitgevoerd kunnen worden op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het opleggen van het gebruik van een kogelvanger wordt er naast een verhoogde veiligheid door het verkleinen van de onveilige zone ook een betere bodembescherming bekomen en materialenhergebruik. Bij het traditioneel buksschieten wordt er immers gebruik gemaakt van loden kogels die door de schutterij zelf vervaardigd worden. Een kogelvanger vermijdt enerzijds dat het lood na het schieten in de bodem terechtkomt en zorgt er anderzijds voor dat de gebruikte kogels na opvang gerecycleerd kunnen worden om nieuwe kogels te vervaardingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast blijkt uit de voorwaarden met betrekking tot de inrichting van de schietstand ook dat er hierbij reeds rekening gehouden moet worden met het beheersen van geluidshinder door de onderdelen van de schietstand oordeelkundig te schikken en oriënteren. Een goede inrichting van de schietstand kan geluidsoverdracht van de schietstand naar de omliggende woningen sterk beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">4 verwijst naar hoofdstuk C1. Veiligheid - reguliere activiteiten (binnen de inrichting)' van de Handreiking Limburgs Traditioneel Schieten. Hierin wordt dieper ingegaan op de onveilige zone bij de schietactiviteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">5 betreft het voorkomen van geluidshinder in de omgeving ten gevolge van de schietactiviteiten. De specifieke sectorale regeling voor het buksschieten heeft tot doel het traditionele buksschieten mogelijk te maken enerzijds en anderzijds de hinder voor de directe omgeving tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Uit toepassing van de algemene geluidsnormen uit hoofdstuk 4.5 is immers gebleken dat buksschieten in Vlaanderen in zijn geheel niet meer zou mogelijk zijn. De huidige sectorale geluidsnormering voor het buksschieten is gebaseerd op de richtlijnen uit het HLTS. In vergelijking met de normen uit titel 2 van het VLAREM betekent dit een versoepeling met 15 tot 20 dB(A) afhankelijk van de gebiedsbestemming Deze versoepeling kan verantwoord worden door de beperking in de tijd van deze activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32.8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">6 betreft bijkomende maatregelen inzake bodembescherming tijdens de schietactiviteiten. Er wordt geschoten met loden kogels. Lood is een stof die opgelijst staat in de lijst II van bijlage 2B van gevaarlijke stoffen voor lozing in het grondwater horende bij titel I van het VLAREM. Er moet dus voorkomen worden dat lood in de bodem terecht komt. Daarom wordt een kogelvanger opgelegd bij het buksschieten. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels dienen te worden opgevangen Om er voor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terechtkomen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. Dergelijke affuit beperkt de bewegingsvrijheid van de buks zodat een kogel steeds wordt opgevangen door de kogelvanger. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak die deel uitmaakt van de kogelvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien moet de kogelvanger opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt in de sectorale wetgeving integraal verwezen naar de te nemen maatregelen beschreven in hoofdstuk B1. Bodem - reguliere activiteiten (binnen de inrichting) van de HLTS. Artikel 95 Dit artikel wijzigt de laatste rij van de tabel van artikel 5.32.9.4.2, § 1, c), van titel II van het VLAREM. Het betreft de rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/1973 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten9 (VLAREM-trein 2011, BS 21/03/2012).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.38.0.2. Met deze wijziging wordt beoogd dat de afwijkingsaanvragen inzake de voorschriften voor de opslagbunker niet meer bij de bevoegde Minister terecht komen, maar rechtstreeks in de vergunningsaanvraag opgenomen kunnen worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 97</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt de verwijzing in artikel 5.43.2.27 van titel II van het VLAREM naar de paragraaf in artikel 5.43.3.25 die werkelijk beoogd wordt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schrapt in artikel 5.43.2.31 van titel II van het VLAREM de bepaling \"in afwijking van hoofdstuk 4.4\". De schrapping van deze bepaling heeft geen inhoudelijke wijziging van de wetgeving tot gevolg. Conform het lex specialis beginsel hebben de sectorale voorwaarden immers steeds voorrang op de algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 99</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.43.2.34 van titel II van het VLAREM en voegt een versoepeling toe aan de verplichte toepassing van de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten wanneer er in de kosten-batenanalyse wordt gerekend met potentiële warmte- of koudevraagpunten. In dit geval is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallaties voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.43.3.7, § 1, van titel II van het VLAREM. Voor gasturbines, met inbegrip van STEG's, die minder dan 150 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn en waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 1 januari 2000, was voor de VLAREM-trein 2012 geen emissiegrenswaarde voor NOx van toepassing. Bij de implementatie van de Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies via de VLAREM-trein 2012, werd deze uitzondering geschrapt wegens niet langer relevant geacht. In Vlaanderen zijn 6 turbojets operationeel die gestookt worden op vloeibare brandstoffen. Deze maken deel uit van een netwerk van noodcentrales die op strategische plaatsen - verspreid over België - staan opgesteld. Bij de opmaak van de VLAREM-trein 2012 was door de exploitant gecommuniceerd dat deze installaties buiten gebruik gesteld zouden worden. De huidige bevoorradingsonzekerheid heeft er echter toe geleid dat deze beslissing teruggeschroefd werd. De huidige emissiegrenswaarde van 200 mg/Nmo voor NOx kan echter niet gerespecteerd worden voor deze installaties. De emissiegrenswaarde voor NOx voor deze installaties wordt aangepast naar 400 mg/Nmo</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 101</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.43.3.19 van titel II van het VLAREM en voegt een versoepeling toe aan de verplichte toepassing van de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten wanneer er in de kosten-batenanalyse wordt gerekend met potentiële warmte- of koudevraagpunten. In dit geval is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallaties voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt voegt een tweede lid aan paragraaf 3 van voormeld artikel toe. Dit tweede lid voorziet dat in bepaalde gevallen geen periodieke metingen uitgevoerd moeten worden. Dit geldt meer bepaald voor SO2 en stof voor gasturbines en gasmotoren die gestookt worden met aardgas of met ontzwaveld raffinaderijgas waarvan het zwavelgehalte minder dan 500 ppm bedraagt. Voor deze installaties worden geen noemenswaardige emissies van SO2 en stof verwacht. Ook voor gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die minder dan vijfhonderd bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn, moeten geen periodieke metingen meer uitgevoerd worden. De huidige bepalingen leiden er vaak toe dat deze installaties enkel opgestart worden om een meting uit te voeren, wat dan weer leidt tot extra emissies Punt 2° Dit punt wijzigt paragraaf 4 van voormeld artikel. Als alternatief voor de periodieke metingen van SO2 en NOx kunnen andere methoden worden gebruikt om de SO2- en NOX-emissies vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze methodes kunnen nu ook goedgekeurd worden door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° Dit punt wijzigt paragraaf 5 van voormeld artikel. Deze paragraaf werd gewijzigd via de VLAREM-trein 2013. Hierbij werd echter verkeerdelijk een deel van de eerste zin van deze paragraaf geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt opnieuw opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.43.3.30, § 1, van titel II van het VLAREM. De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen moet uitgevoerd worden volgens de CEN-normen. In de herziene Vlaamse code van goede praktijk voor kwaliteitsborging van vast opgestelde emissiemeettoestellen (2014) zijn bijkomende bepalingen opgenomen, aanvullend aan de CEN-normen. Deze moeten tevens toegepast worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 104</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel schrapt in artikel 5.43.3.33 tot en met 5.43.3.35 van titel II van het VLAREM de bepaling \"in afwijking van hoofdstuk 4.4\"</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De schrapping van deze bepaling heeft geen inhoudelijke wijziging van de wetgeving tot gevolg. Conform het lex specialis beginsel hebben de sectorale voorwaarden immers steeds voorrang op de algemene bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schrapt in artikel 5.43.3.38 van titel II van het VLAREM de bepaling \"in afwijking van hoofdstuk 4.4\". De schrapping van deze bepaling heeft geen inhoudelijke wijziging van de wetgeving tot gevolg. Conform het lex specialis beginsel hebben de sectorale voorwaarden immers steeds voorrang op de algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 106</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een nieuwe afdeling toe 5.45.7 \"Opslagplaatsen voor granen en groenvoeders in kader van mest(co)vergistingsinstallaties.\" aan hoofdstuk 5.45 van titel II van het VLAREM. Voor de opslag van granen en groenvoeders bij mest(co)vergistingsinstallaties zijn tot op heden geen sectorale voorwaarden vastgelegd. Er bestaat echter wel een aanzienlijk risico dat de lozing van silosappen, die gepaard gaan met de opslag van granen en groenvoeders bij mest(co)vergistingsinstallaties, bodem en oppervlaktewater verontreinigen. Om die reden zijn sectorale voorwaarden opgenomen conform de sectorale voorwaarden voor kuilplaten bij veeteeltbedrijven, zoals opgenomen in artikel 5.9.8.5. Naar aanleiding van de publieke consultatie van dit besluit, wordt in de artikelen 5.45.7.1 en 5.45.7.3 voorzien dat de verplichtingen vermeld in deze bepalingen alleen van toepassing zijn voor nieuwe inrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt de verwijzing naar een erkend boorbedrijf in het VLAREL gecorrigeerd in artikel 5.53.1.2 van titel II van het VLAREM omwille van de integratie van twee nieuwe bedrijven, namelijk het koeltechnisch bedrijf en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, in artikel 6, 7°, van het VLAREL. Artikel 108 Dit artikel vervangt paragraaf 1 van artikel 5.53.4.1 van titel II van het VLAREM. Bij het van kracht worden van de wijzigingen van het VLAREM via de VLAREM-trein 2013 (sinds 4 oktober 2014) werden bronbemalingen vergunningsplichtig vanaf 30.000 mo/j, en werden ook de sectorale voorwaarden sneller van kracht (vroeger pas vanaf 2.500 mo/d). Dit heeft financiële en administratieve gevolgen voor de bouwfirma's, en een aanpassing wordt gevraagd vanuit Aquafin</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een paragraaf 6 toe aan artikel 5.53.6.3.1 van titel II van het VLAREM. In VLAREM wordt heden gesteld dat de grondwaterstaalnames moeten gebeuren op de meest centrale productieput. Hierdoor komen de drinkwaterbedrijven in de problemen met de verplichte analyses op batterijwinningen. Op dergelijke winningen, waar het water aangetrokken wordt door middel van een centraal pomp- en hevelsysteem uit eenzelfde watervoerende laag, is het praktisch moeilijk realiseerbaar om telkens op de meest centrale batterijput een staalname uit te voeren. Om dit mogelijk te maken wordt met deze wijziging voorzien dat voor grondwaterwinningen waarbij het grondwater door middel van één pomp of hevelsysteem uit meerdere productieputten in dezelfde watervoerende laag tegelijk wordt aangetrokken, de parameters, vermeld in artikel 5.53.4.5, en de parameters, vermeld in paragraaf 1, bepaald op een mengstaal per pomp of hevelsysteem</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.53.6.3.3 van titel II van het VLAREM. De voorgestelde wijziging, op vraag van Aquaflanders, is er om duidelijk te maken dat er geen onderscheid is tussen het herboren van grondwaterwinningsputten en reservegrondwaterwinningsputten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 111</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt de verwijzing naar een erkend boorbedrijf in het VLAREL gecorrigeerd in artikel 5.55.1.2 van titel II van het VLAREM omwille van de integratie van twee nieuwe bedrijven, namelijk het koeltechnisch bedrijf en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, in artikel 6, 7°, van het VLAREL. Artikel 112 Dit artikel vervangt in paragraaf 2 van artikel 5.59.3.2 van titel II van het VLAREM de punten 1° t.e.m. 3°. In de BBT-studie verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie (2014) wordt voorgesteld om de jaarlijkse VOS-documenten beter te laten onderbouwen. In navolging van deze aanbeveling, die uitgebreid kan worden naar alle activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen, moeten volgende zaken bijkomend opgenomen worden in de VOS-documenten : een overzicht van de emissiebronnen, een beschrijving van het ventilatiesysteem en het eventueel aanwezige afgasbehandelingssysteem en een betrouwbaarheidsanalyse met inschatting van de onnauwkeurigheden. Ten gevolge van een tweede aanbeveling uit de BBT-studie verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie (2014) dient in de VOS-documenten bijkomend een overzicht opgenomen te worden van de gebruikte stoffen of mengsels met bepaalde gevarenaanduidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5.62.1.1 van titel II van het VLAREM en betreft louter het rechtzetten van een lapsus. Er werd verkeerdelijk verwezen naar de bepalingen van een \"afdeling\", terwijl de bepalingen vervat zitten in een \"hoofdstuk\"</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 114</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 115 Artikel 116 Artikel 117 Artikel 118 Artikel 119 Artikel 120 Artikel 121 Artikel 122 Artikel 123 Deze artikelen wijzigen de afdeling 5BIS.15.5.2 van titel II van het VLAREM met betrekking tot de algemene milieuvoorwaarden voor standaardgarages en carrosseriebedrijven om ze in overeenstemming te brengen met de gewijzigde algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen (deel 4 van titel II van het VLAREM)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.15.5.3.1, § 3, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 8 van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.15.5.3.1, § 4, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 6 en § 7, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.15.5.4.5.4 van titel II van het VLAREM om ze in overeenstemming te brengen met verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 127</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.15.5.4.5.5, § 1, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.15.5.4.5.6, § 1, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 7, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.15.5.4.5.7, § 2, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 8, 2°, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 131 Artikel 132 Artikel 133 Deze vier artikelen wijzigen (het opschrift van) artikelen 5BIS.15.5.4.8.10 en 5BIS.15.5.4.8.11 van titel II van het VLAREM. In artikel 5BIS.15.5.4.8.10 van titel II van het VLAREM betreffende de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in vaste ondergrondse houders bij de standaardgarages is reeds de bepaling \"de voorwaarden van subafdeling 5.17.4.2 zijn onverminderd van toepassing\" voorzien Analoge bepalingen zijn ook terug te vinden in artikel 5BIS.15.5.4.8.11, 5BIS.19.8.4.11.10 en artikel 5BIS.19.8.4.11.11 van titel II van het VLAREM. Deze bepalingen zijn van belang. De aanpassing van deze artikels, waarbij bijkomend verwezen wordt naar de nieuwe subafdelingen 5.6.1.2 en 5.6.1.3, werd over het hoofd gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt hiermee rechtgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 135 Artikel 136 Artikel 137 Artikel 138 Artikel 139 Artikel 140 Artikel 141 Artikel 142 Artikel 143 Deze artikelen wijzigen de afdeling 5BIS.19.8.2 van titel II van het VLAREM met betrekking tot de algemene milieuvoorwaarden voor standaardhoutbewerkingsbedrijven om ze in overeenstemming te brengen met de gewijzigde algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen (deel 4 van titel II van het VLAREM)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 144</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.19.8.3.1, § 3, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 8 van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.19.8.3.1, § 4, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 6 en § 7, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.19.8.4.8.4 van titel II van het VLAREM om ze in overeenstemming te brengen met verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 147</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.19.8.4.8.5, § 1, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 148</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.19.8.4.8.6, § 1, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 7, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 149</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5BIS.19.8.4.8.7, § 2, van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt afgestemd op artikel 5.16.3.3, § 8, 2°, van titel II van het VLAREM en verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 150</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 151 Artikel 152 Artikel 153 Deze vier artikelen wijzigen (het opschrift van) artikelen 5BIS.19.8.4.11.10 en 5BIS.19.8.4.11.11 van titel II van het VLAREM. In artikel 5BIS.19.8.4.11.10 van titel II van het VLAREM betreffende de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in vaste ondergrondse houders bij de standaardschrijnwerkerijen is reeds de bepaling \"de voorwaarden van subafdeling 5.17.4.2 zijn onverminderd van toepassing\" voorzien Analoge bepalingen zijn ook terug te vinden in artikel 5BIS.19.8.4.11.11, 5BIS.15.5.4.8.10 en 5BIS.15.5.4.8.11 van titel II van het VLAREM. Deze bepalingen zijn van belang. De aanpassing van deze artikels, waarbij bijkomend verwezen wordt naar de nieuwe subafdelingen 5.6.1.2 en 5.6.1.3, werd over het hoofd gezien. Dit wordt hiermee rechtgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 154</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een punt 9° toe aan artikel 6.1.0.2 van titel II van het VLAREM. Dit creëert de nodige rechtsgrond voor het toevoegen van hoofdstuk 6.12, dat wordt ingevoegd met dit wijzigingsbesluit (zie verder)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een paragraaf 3 toe aan artikel 6.2.2.2.1 van titel II van het VLAREM. De huidige bepalingen van het VLAREM houden nog onvoldoende rekening met de specifieke problematiek van al dan niet grootschalige evenementen die ondanks hun tijdelijk karakter een grote milieu-impact kunnen hebben. Bepaalde activiteiten als onderdeel van een evenement (boren grondwaterwinningsput, elektrische vermogensgroep, lozen afvalwater,...) zijn reeds meldings- of vergunningsplichtig. Rubriek 3 van de indelingslijst bij titel I van het VLAREM bepaalt dat het lozen van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, met inbegrip van de eventueel bijhorende waterzuiveringsinstallatie een niet ingedeelde inrichting is, voor zover het debiet niet meer bedraagt dan 600 mo/j Bij grotere lozingsvolumes is er een vergunningsplicht wanneer de locatie gelegen is in collectief te optimaliseren buitengebied of een meldingsplicht op alle andere locaties. Het afvalwater afkomstig van evenementen is te beschouwen als huishoudelijk afvalwater maar wordt echter niet gespreid over een jaar geloosd, maar vaak kortstondig gedurende 1 of enkele dagen en is bovendien vaak erg geconcentreerd. Niet op alle locaties waar evenementen worden georganiseerd is er bovendien een adequate afvalwaterinfrastructuur aanwezig. De bepalingen van titel II van het VLAREM die in artikel 6.2.2.3.1, § 2, en 4.2.8.1.1, § 4, stellen dat voor lozingen in collectief te optimaliseren buitengebied een septische put volstaat om aan de algemene voorwaarden voor huishoudelijk afvalwater te voldoen, zijn niet aanvaardbaar voor een tijdelijk evenement waar op 1 dag tijd enorm veel bezoekers kunnen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is de optie van afvoer steeds mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 156</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel vervangt paragraaf 2 van artikel 6.2.2.3.1 van titel II van het VLAREM. De motivatie hieromtrent is dezelfde als in het vorige artikel beschreven</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt in artikel 6.4.0.1, § 1, van titel II van het VLAREM de verwijzing naar bijlage 4.4.2bis, naar een verwijzing naar bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar bijlage 4.4.2bis was het gevolg van een wijzigingsvoorstel dat mee opgenomen zou worden in de VLAREM-trein 2013. Het betreffende wijzigingsvoorstel werd echter niet weerhouden in het wijzigingsbesluit dat door de Vlaamse Regering goedgekeurd werd. Deze verwijzing is foutief blijven staan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 158</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt de titel van hoofdstuk 6.5 \"Particuliere stookolietanks met een waterinhoud van minder dan 5.000 liter\" van titel II van het VLAREM door het woord \"waterinhoud\" te vervangen door het woord \"inhoud\" teneinde consequent te zijn met rubriek 6.4 van de indelingslijst bij het VLAREM. Artikel 159 Dit artikel wijzigt artikel 6.5.1.1 van titel II van het VLAREM door het woord \"waterinhoud\" te vervangen door het woord \"inhoud\" teneinde consequent te zijn met rubriek 6.4 van de indelingslijst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 161 Artikel 162 Momenteel mag een erkende stookolietechnicus zowel ingedeelde als niet-ingedeelde stookolietanks voor de verwarming van gebouwen controleren. Strikt genomen mag een erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen daarentegen niet-ingedeelde stookolietanks voor de verwarming van gebouwen niet controleren. Echter, deze erkende milieudeskundigen zijn wel bevoegd voor het uitoefenen van controles van (de grotere) ingedeelde opslagtanks voor de verwarming van gebouwen en voor de controles van opslagtanks van gevaarlijke producten. Het is logisch dat deze milieudeskundigen ook de (kleinere) niet-ingedeelde stookolietanks voor de verwarming van gebouwen mogen controleren De voorgaande artikels wijzigen artikels 6.5.4.1, 6.5.4.3 en 6.5.4.4, van titel II van het VLAREM zodat zowel erkende stookolietechnici als erkende milieudeskundigen in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen bevoegd zijn voor de controles van niet-ingedeelde stookolietanks.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 163</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 6.5.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Punt 1° : Zie voorgaande motivatie bij de wijziging van artikels 6.5.4.1, 6.5.4.3 en 6.5.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° en 3° : Deze wijziging betreft een verscherping van de voorwaarden om in de praktijk uit te sluiten dat een houder met oranje label nooit in orde wordt gesteld. Bij controles door toezichthouders wordt vastgesteld dat er geregeld een soort `oranje carrousel' ontstaat waarbij de erkende milieudeskundige diverse keren na mekaar een oranje klever of plaats aanbrengt, waardoor de houders in gebruik mogen blijven, maar binnen de zes maanden aan een bijkomend onderzoek moeten worden onderworpen. De huidige formulering van de artikels m.b.t. de klevers en platen laat deze manier van werken toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke oranje carrousel brengt echter geen oplossing op het terrein. Het is daarom aangewezen om te stellen dat bij de bijkomende controle niet opnieuw een oranje klever of plaat mag worden aangebracht als de oorspronkelijk vastgestelde gebreken niet werden gecorrigeerd. In dat geval moet een rode klever of plaat worden aangebracht, zodat de houder pas terug mag worden gevuld als de gebreken werden gecorrigeerd (en de houder met positief aan een nieuwe controle werd onderworpen). Als tijdens de bijkomende controle andere nieuwe gebreken worden vastgesteld die geen aanleiding kunnen geven tot verontreiniging buiten de houder, mag wel een oranje klever of plaat worden aangebracht (mits de oorspronkelijke gebreken werden gecorrigeerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er werd een uitzonderingsbepaling voorzien voor afwijkingen of gebreken waarvoor het niet mogelijk is om deze binnen de zes maanden aan te passen. Een voorbeeld daarvan zijn de aanpassingen aan grote inkuipingen of houders waarvoor bouwkundige ingrepen nodig zijn. Bij dergelijke bouwkundige aanpassingen moeten werken soms uitgesteld worden door het vriesweer, zijn er grote infrastructuur werkzaamheden nodig,... De exploitant moet motiveren waarom die termijn van zes maanden niet kan behaald worden en daarbij bv. een actieplan opstellen dat door de bevoegd deskundige moet opgevolgd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 164</span><span class=\"lf-art-t\">Zie voorgaande motivatie bij de wijziging van artikels 6.5.4.1, 6.5.4.3 en 6.5.4.4</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 165</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt hoofdstuk 6.8 van titel II van het VLAREM inzake de uitvoering van de verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 en verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 166</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt de verwijzing naar een erkend boorbedrijf in het VLAREL gecorrigeerd in artikel 6.9.1.1 van titel II van het VLAREM omwille van de integratie van twee nieuwe bedrijven, namelijk het koeltechnisch bedrijf en het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, in artikel 6, 7°, van het VLAREL. Artikel 167 Dit artikel vervangt artikel 6.11.1 van titel II van het VLAREM. In de aanhef van het artikel wordt een verwijzing naar het decreet Natuurbehoud van 21 oktober 1997 toegevoegd. In artikel 35, § 2, van het decreet Natuurbehoud wordt immers gesteld dat het binnen de natuurreservaten, behoudens ontheffing in het goedgekeurd beheerplan, verboden is vuur te maken De uitzonderingsbepalingen voor verbranding in bossen (huidige punt 1° ) en de verbranding in natuurgebieden (huidige punt 2° ) worden samengevoegd in het hernummerde punt 1°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vraag van diverse doelgroepen, lokale besturen en toezichthouders, en in navolging van het gezamenlijk advies van de Minaraad, SERV en SALV, wordt een nieuw punt 3° toegevoegd dat bepaalt dat de verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van landschapselementen is toegelaten, als afvoer of verwerking van het biomassa-afval ter plaatse niet mogelijk is. De uitzondering maakt geen onderscheid tussen type landgebruik en geldt dus zowel voor landbouwgebieden als andere bestemmingen. Voor de interpretatie van de term `landschapselementen' wordt verwezen naar het woordenboek der Nederlandse taal. Het gaat in praktijk voornamelijk over knotwilgenrijen en (meidoorn)hagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hernummerde punten 1°, 2° en 3° wordt een uitzondering voorzien wanneer afvoer of verwerking ter plaatse van het biomassa-afval niet mogelijk is. Onder `afvoer' wordt verstaan het afvoeren van het biomassa-afval met een oplegger op of andere wijze vanop het veld of perceel naar nabijgelegen weg of stuk grond van waarop verder transport kan doorgaan. Door diverse redenen kan afvoer echter niet mogelijk zijn : het veld is te nat om er met tractor en oplegger te kunnen overrijden, of door lokaal reliëf of hindernissen (bv. beken en hagen) is het niet mogelijk om de plaats waar het biomassa-afval ligt te bereiken. Onder `verwerking ter plaatse' wordt verstaan het ter plaatse stockeren of het ter plaatse verhakselen van het biomassa-afval. Enkel indien er geen ruimte is om het biomassa-afval ter plaatse te stockeren, of indien het technisch niet mogelijk is om met een hakselaar ter plaatse te komen, geldt dat verwerking ter plaatse niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingsbepaling op het verbranden in open lucht voor de fytosanitaire maatregelen wordt verduidelijkt. Daartoe wordt enerzijds in de huidige punten 1°, 2° en 3° de verwijzing naar de fytosanitaire maatregel geschrapt. Anderzijds wordt een nieuw punt 4° toegevoegd dat bepaalt dat verbranding van plantaardige afvalstoffen wanneer dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is toegelaten. Deze uitzonderingsbepaling geldt ongeacht het type landgebruik, en kan dus ingeroepen worden door particulieren, landbouwers en terreinbeheerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het huidige punt 4° wordt een uitzondering voorzien voor een `open vuur'. In het hernummerde punt 5° wordt, om te verduidelijken dat de uitzondering enkel betrekking heeft op kampvuren, de term `open vuur' vervangen door `kampvuur'. Voor de interpretatie van de term `kampvuur' wordt verwezen naar het woordenboek der Nederlandse taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het huidige punt 6° werd verkeerdelijk verwezen naar artikel 7. In het hernummerde punt 7° wordt deze foutieve verwijzing rechtgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van folkloristische activiteiten kunnen ook andere brandbare materialen verbrand worden dan enkel droog onbehandeld hout.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbanding van droog brandbaar materiaal wordt toegelaten, voor zover het hier geen afvalstoffen betreffen. Deze nadere bepaling wordt toegevoegd aan het huidige punt 7° (het hernummerde punt 8° ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huidige punt 8° wordt opgeheven. De verbranding van droog onbehandeld hout of een vaste fossiele brandstof in een barbecuetoestel wordt niet beschouwd als de verbranding in open lucht van stoffen, en moet bijgevolg niet expliciet opgenomen worden als uitzondering in artikel 6.11.1. Het gebruik van een barbecuetoestel met reguliere brandstoffen (hout, kolen, gas) blijft toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het nieuwe punt 9° wordt een bijkomende uitzondering voorzien voor blusoefeningen vanuit het oogpunt van algemeen belang. Blusoefeningen zijn onontbeerlijk voor de opleiding van brandweerkorpsen, civiele bescherming en brandteams van bedrijven. In het kader van deze blusoefeningen worden verschillende soorten branden gebruikt in open lucht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een hoofdstuk 6.12 \"Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken\" toe aan deel 6 van titel II van het VLAREM. De voorbije decennia zijn reeds heel wat maatregelen genomen door de verschillende actoren (industrie, transport, landbouw en huishoudens) om de uitstoot van fijn stof en de chemische voorloperverbindingen terug te dringen. Dat heeft geleid tot een duidelijke verbetering van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof. In enkele specifieke zones is het echter nodig om nog een tandje bij te steken, omdat de fijn stof daggrenswaarde er nog wordt overschreden, met als gevolg een lopende inbreukprocedure ten aanzien van de lidstaat België omwille van het niet naleven van de Europese richtlijn luchtkwaliteit waarin de PM10-daggrenswaarde is opgenomen (2008/50/EG). De overschrijdingen of heel hoge concentraties worden hoofdzakelijk vastgesteld in meetpunten in binnenstedelijk en industrieel gebied, en ter hoogte van drukke verkeersassen. Via doelgerichte en efficiënte maatregelen moet het mogelijk zijn om ook op deze locaties de uitstoot terug te dringen zodat de fijn stof daggrenswaarde er op een duurzame manier wordt gerespecteerd. Dat is in het bijzonder van belang vanwege de hoge blootstelling van de bevolking Daartoe is het nieuwe hoofdstuk 6.12 uitgewerkt met als doel het beheersen van stofemissies tijdens bouw-, sloop- in infrastructuurwerken. De fijn stof metingen en chemische analyses van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) tonen immers aan dat het fijn stof dat vrijkomt tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken vaak leidt tot significante verhogingen van het lokaal gemeten fijn stof. Ook worden regelmatig klachten geregistreerd omwille van de hinder die het vrijgekomen stof teweegbrengt bij omwonenden. De voorliggende reglementering draagt bij tot zowel een vermindering van het aantal klachten als tot het voldoen aan de Europese normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze nieuwe bepalingen zijn besproken met de Vlaamse Confederatie Bouw en met enkele entiteiten van het beleidsdomein MOW (AWV, W&amp;Z nv, afdeling algemeen beleid). De verkregen commentaren zijn verwerkt waardoor de voorliggende reglementering het akkoord kreeg van de VCB en van het beleidsdomein MOW. Het artikel 6.12.1 bepaalt dat de bepalingen van dit hoofdstuk enkel van toepassing zijn op activiteiten in openlucht die worden uitgevoerd door een aannemer. Het begrip `openlucht' moet geïnterpreteerd worden als de omschrijving in het groot woordenboek der Nederlandse taal met name `onder de vrije hemel, niet in huis'. Dat betekent dat werken in een tunnel of onder een dak niet door deze reglementering gevat worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor het begrip `aannemer' moet teruggevallen worden op de omschrijving in het groot woordenboek der Nederlandse taal, met name aannemer : `iemand die zich verbindt enige arbeid of een leverantie op bepaalde voorwaarden uit te voeren; in het bijzonder iemand die de uitvoering van bouwwerken, weg- en waterwerken onderneemt', en aannemerij : `het voor een overeengekomen prijs uitvoeren van bouwwerken'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die worden uitgevoerd door een particulier vallen dus niet onder het toepassingsbied. Activiteiten die door een aannemer worden uitgevoerd in opdracht van een particulier dan weer wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.2 beschrijft het algemene voorzorgsprincipe. De verdere uitwerking van dit principe volgt in de volgende artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.3 omschrijft vier concrete maatregelen voor het voorkomen van stofemissies die afkomstig zijn van breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen, zagen en slopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal een van deze vier maatregelen moet genomen worden. Gezien slecht of onoordeelkundig geplaatste schermen kunnen vallen op de openbare weg, of het zicht van de gebruikers van de openbare weg kunnen belemmeren, wordt in dit artikel bepaald dat bij het nemen van de maatregelen rekening moet gehouden worden met de veiligheid van de gebruikers van de openbare weg. Om gelijkaardige redenen geldt deze randvoorwaarde ook voor beneveling omwille van het risico op belemmering van het zicht of op uitschuifgevaar. Het volledige artikel is niet van toepassing op werven waarvan de totale duur van de werken minder dan een dag bedraagt. De reden is dat voor werken van korte duur de kost voor het nemen van de maatregelen niet in verhouding staat tot de milieuwinst die gerealiseerd wordt. Daarenboven geldt dat bij hoogdringende herstellingswerken aan nutsleidingen er in praktijk geen tijd is om aandacht te besteden aan stofreducerende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van beneveling en van stofafzuiging kan in deze dringende situaties ook gevaar opleveren voor elektrocutie respectievelijk ontploffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.4 bepaalt dat verneveling of bevochtiging moet toegepast worden tijdens sloopwerken onder droge of winderige weersomstandigheden waarbij visueel waarneembare stofverspreiding optreedt. Deze maatregel moet niet genomen worden indien de sloopwerkzaamheden minder dan een dag duren. Ook dient bij het gebruik van verneveling of bevochtiging rekening gehouden te worden met de veiligheid van de gebruikers van de openbare weg (belemmering van het zicht of uitschuifgevaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.5 bepaalt dat bepaalde installaties moeten onderhouden en gecontroleerd worden, en dat stoffilters tijdig moeten vervangen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.6 legt een snelheidslimiet van 20 km/h op aan voertuigen die rijden op bouwwerven. Voor werfwegen bij wegwerkzaamheden is de snelheidslimiet minder streng omdat langere afstanden moeten afgelegd worden. Met name bedraagt voor zware voertuigen (met een brutogewicht van 3500 kg of meer) die beduidend meer stof doen opwaaien tijdens het rijden over de werfwegen de snelheidslimiet 30 km/h; voor lichtere voertuigen is dat 40 km/h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.7 bepaalt dat procedures en instructies moeten ter beschikking gesteld worden aan het personeel. Die in overweging te nemen elementen bij het opstellen van procedures en instructies worden opgenomen in een nieuwe bijlage 6.12; zie verder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel 6.12.8 bepaalt dat de bepalingen in werking treden vanaf 1 januari 2017. In de periode daaraan voorafgaand zal de Vlaamse overheid een sensibilisatiecampagne voeren om de wetgeving bekend te maken aan de vele aannemers en bouwbedrijven die er door zullen gevat worden. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de bijlagen van titel II van het VLAREM Artikel 169 Dit artikel wijzigt bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt vervangt het schema in paragraaf 1 van artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Dit punt wijzigt artikel 3, § 3, 2, 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° Dit punt wijzigt artikel 3, § 3, 2, 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4° Dit punt wijzigt artikel 3, § 3, 2, 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wijzigingsartikelen hebben betrekking op het volgende : In het controlemeetprogramma wordt een minimum meting van 1 maal/jaar verankert, zijnde een verduidelijking, alsook het uitvoeren van een controlemeting na het nemen van maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 5° en punt 6° wijzigen artikel 4, § 1. In bijlage 2.3.1 \"Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater\" bij titel II van het VLAREM is het indelingscriterium (GS) opgenomen en dit geeft de concentratie aan vanaf wanneer het afvalwater beschouwd moet worden als 'bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen'. Voor de indelingscriteria die lager liggen dan de rapportagegrens, vermeld in bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM, geldt dat de bedrijven vergunningsplichtig zijn voor deze parameter zodra de concentratie in het afvalwater boven de rapportagegrens, vermeld in artikel 4 van bijlage 4.2.5.2, ligt. De rapportagegrens moet echter voldoende afgestemd worden op het analytisch mogelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo worden een aanpassing van de rapportagegrenzen doorgevoerd rekening houdend met : - Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, waarin gesteld wordt dat de bepalingsgrens ten hoogste 30% van de geldende Europese en Vlaamse milieukwaliteitsnorm bedraagt; - de bepalingsgrenzen gerapporteerd door de erkende laboratoria (75 en 50 percentiel waarden); - wanneer 30% van het indelingscriterium (GS) analytisch niet haalbaar is, werd gestreefd naar de 75 percentiel-waarde van de bepalingsgrens volgens de ICP-MS-meetmethode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ecotoxiciteitsparameters wordt er afgestapt van de eenheid `toxische eenheid' in overleg met de erkende labo's.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 7° wijzigt artikel 4, § 3, 1°, en 2°, c). Er is geen meetmethode voor `gehydrateerde ijzeroxide en ijzerhydroxiden' voorhanden. Het onderscheid met `ijzer' is historisch. De erkende laboratoria hebben ook nooit een dergelijke analysevraag ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 170</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM. Deze bijlage bevat de algemene emissiegrenswaarden voor lucht. De tabel wordt aangevuld met een kolom met CAS-nummers. De meetmethodes worden aangevuld Er geldt een emissiegrenswaarde voor chroom VI-verbindingen, zoals calciumchromaat, enerzijds, en voor chroom III-, strontium- en zinkchromaat anderzijds. Aangezien chroom III-, strontium- en zinkchromaat ook chroom VI-verbindingen zijn, is een afzonderlijke emissiegrenswaarde voor deze stoffen tegenstrijdig. De emissiegrenswaarde voor deze stoffen in punt 7° van bijlage 4.4.2 wordt geschrapt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 171</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt bijlage 4.4.3 van titel II van het VLAREM. Deze bijlage bevat de meetfrequenties voor lucht en wordt in overeenstemming gebracht met bijlage 4.4.2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 172</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel past het controlemeetprogramma in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM aan. Volgens het schema kan bij punt (4) de frequentie dalen tot basisfrequentie/4 met een minimum van 1 maal/jaar. Bij punt (7) kan de frequentie dalen tot basisfrequentie/2, zonder minimum. Ook voor punt (7) wordt een minimumfrequentie van 1 maal/jaar ingevoerd. Bij overschrijding van de emissiegrenswaarde (8), moeten de werkvoorwaarden en meetmethodiek gecontroleerd worden en is een controlemeting vereist binnen 2 weken. Indien bij een nieuwe meting opnieuw een overschrijding vastgesteld wordt, moeten maatregelen genomen worden om de lozing te minderen en kan teruggegaan worden naar de start van het meetprogramma. Dit wordt gewijzigd, zodat pas na een nieuwe controlemeting teruggegaan kan worden naar de start van het meetprogramma</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een bijlage 4.5.7.1 in in de bijlagen bij titel II van het VLAREM. In deze bijlage worden de numerieke waarden opgenomen voor de geluidsnormen van het gemiddelde niveau van de kortstondig geluidsverhogingen veroorzaakt door het laden en lossen van goederen als bedoeld in afdeling 4.5.7 van titel II van het VLAREM. Deze geluidsnormen gaan uit van een surplus op de reeds bestaande richtwaarden in het VLAREM, vergelijkbaar met de geluidsnormen voor impulsachtige, incidentele, intermitterende en fluctuerende geluiden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 174</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een bijlage 4.5.7.2 in in de bijlagen bij titel II van het VLAREM. In deze bijlage worden de numerieke waarden opgenomen voor de geluidsnormen van het niveau van de hoogste kortstondig geluidsverhogingen veroorzaakt door het laden en lossen van goederen als bedoeld in afdeling 4.5.7 van titel II van het VLAREM. Deze geluidsnormen gaan uit van een surplus op de reeds bestaande richtwaarden in het VLAREM, vergelijkbaar Artikel 175 Dit artikel voegt een bijlage 4.5.7.3 in in de bijlagen bij titel II van het VLAREM. In deze bijlage wordt een code van goed praktijk opgenomen die moet worden toegepast bij het uitvoeren van laad- en losverrichtingen in de dagrand zoals omschreven in afdeling 4.5.7 van titel II van het VLAREM. In deze code van goede praktijk worden maatregelen opgenomen om de hinder ten gevolge van de laad- en losverrichtingen naar de omwonenden tot een minimum te beperken. De maatregelen hebben betrekking op de infrastructuur, het logistiek materiaal dat gebruikt wordt tijdens het laden en lossen van goederen, op de gebruikte vrachtwagens en op het menselijk handelen Het is de bedoeling om deze bijlage in de toekomst te actualiseren naar de stand van de techniek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt een bijlage 4.5.7.4 in in de bijlagen bij titel II van het VLAREM. In deze bijlage worden de vereisten opgenomen voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materiaal zoals omschreven in afdeling 4.5.7 van titel II van het VLAREM. Het is de bedoeling om deze bijlage in de toekomst te actualiseren naar de stand van de techniek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 177</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.3.2 van titel II van het VLAREM dat de sectorale lozingsnormen bevat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Punt 1° Op basis van de BBT-studie grafische sector van mei 2013 uitgevoerd door het VITO worden de sectorale lozingsvoorwaarden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2° Op basis van de BBT-studie verf-, Lak-, Vernis- en Drukinktproductie van april 2014 uitgevoerd door het VITO worden de sectorale lozingsvoorwaarden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide BBT-studies bevelen onder \"Aanbevelingen voor verbetering van huidige kennis\" verder onderzoek aan om haalbare en realistische normen voor de parameters op te stellen waarvoor heden geen uitspraak kon worden gedaan welke waarde op basis van BBT haalbaar is (omwille van de beperkte data-set). Dit betreft zeker een mogelijkheid die afhankelijk van de noden verder kan onderzocht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 3° zet een verwijzingsfout recht in punt 52 van bijlage 5.3.3 van titel II van het VLAREM. Deze aanpassing werd vergeten bij de omzetting van de CLP-verordening in het VLAREM via de VLAREM-trein 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4° Dit punt vervangt punt 55 van bijlage 5.3.2 bij titel II van het VLAREM. Op basis van de BBT-studie Oppervlaktebehandelaars van 2008 uitgevoerd door het VITO en verdere meetcampagnes van VMM en AMI worden de betreffende sectorale lozingsvoorwaarden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval de nieuwe sectorale norm luidt als `... tenzij anders vermeld in de milieuvergunning met een maximum van...' dan wordt de huidige sectorale lozingsnorm vervangen door het vermelde minimum, tenzij : - in de bijzondere voorwaarden reeds een waarde is opgenomen die lager is dan dit minimum, dan blijft deze strengere bijzondere voorwaarde van toepassing; - in de bijzondere voorwaarden een waarde is opgenomen die tussen dit minimum en het maximum van de nieuwe sectorale norm gelegen is, dan blijft deze bijzondere voorwaarde van toepassing; - in de bijzondere voorwaarden een hogere waarde is opgenomen dan het maximum van de nieuwe sectorale norm, dan kan het desbetreffende bedrijf vóór het einde van de overgangstermijn (1 januari 2019) een wijziging van zijn bijzondere voorwaarde aanvragen aangezien het bedrijf anders terugvalt op de minimale waarde van de nieuwe sectorale norm.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval de nieuwe sectorale norm luidt als `v.g.t.g.' en het bedrijf heeft voor de desbetreffende parameter geen bijzondere voorwaarde in zijn bestaande vergunning en loost deze parameter, dan moet het bedrijf vóór het einde van de overgangstermijn (1 januari 2019) een bijzondere voorwaarde aanvragen indien deze parameter in concentraties wordt geloosd hoger dan het indelingscriteria vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het VLAREM, aangezien het parameters betreft die als gevaarlijke stof worden aangeduid volgens bijlage 2C van titel I van het VLAREM. Bedrijven die deze parameter niet lozen moeten niets doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 5° Om duidelijkheid te scheppen dat de sectorale lozingsvoorwaarden van Car- en truckwashinstallaties alleen van toepassing zijn op `volautomatische' installaties wordt dit in de titel toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 6° de afkorting `pct' werd nog niet verduidelijkt in VLAREM. Punt 7° Dit punt vervangt punt c) in punt 61, 2°, van bijlage 5.3.2 bij titel II van het VLAREM. Dit betreft een rechtzetting. De definitie \"v.g.t.g\" in titel II van het VLAREM wordt overgenomen en gelijkgesteld in bijlage 5.3.2 bij titel II van het VLAREM. Artikel 178 Dit artikel schrapt de punten 3. en 4. in bijlage 5.6.3 van titel II van het VLAREM. De controle van het benzinedampafvangrendement moet, conform de Richtlijn 2014/99/EU, uitgevoerd worden conform de norm EN 16321-2 :2013. De bepalingen in punt 3 en punt 4 van deze bijlage zijn niet langer relevant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.16.6.1 bij titel II van het VLAREM. In deze bijlage zijn de standaardcriteria voor lpg-stations vervat. De wijziging betreft de maximale aansluitdiameter van de verdeelpomp (van 6/4\" naar 2 ½\") omdat de sector aangeeft dat deze grotere aansluitdiameter in de praktijk zeer vaak gebruikt wordt. Uit een berekening van een erkend VR-deskundige is gebleken dat men met een vergroting van deze maximale aansluitdiameter nog steeds binnen de aannames blijft die gerelateerd zijn aan de in VLAREM opgelegde risicoafstanden voor lpg-stations, dewelke terug te vinden zijn in bijlage 5.16.6.3 van titel II van het VLAREM. Verder worden door deze wijziging ook zijkanaalpompen als alternatief voor volumetrische verdeelpompen toegelaten. Deze wijziging heeft evenmin een invloed op de risicoafstanden en in de praktijk worden heel wat zijkanaalpompen geplaatst (stand der techniek)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.16.6.2 bij titel II van het VLAREM. In deze bijlage zijn de minimale technische eisen voor lpg-stations vervat. De wijziging betreft voor het eerste punt een taalcorrectie Verder wordt de term \"elektromagnetische kraan\" telkens vervangen door de term \"gestuurde afsluiter\", omdat dit ook het gebruik van pneumatisch gestuurde afsluiters toelaat. Dit type afsluiter biedt een gelijkwaardig veiligheidsniveau als een elektromagnetische kraan en wordt in de praktijk vaak toegepast. Verder worden punten 2, 3 en 4 vervangen om te verduidelijken dat er op de houder een onafhankelijke niveaumeting en een bijkomende hoog hoog niveau detectie aanwezig zijn. Beide systemen sturen de afsluiter in de vulleiding aan, dewelke alleen mag kunnen openen tijdens de vulling, bij een werkende niveaumeting. Deze afsluiter wordt toegestuurd bij het detectie van hoog niveau, en in geval van faling hiervan, bij hoog hoog niveau. Dit principe was ook bij de vorige tekst van toepassing, maar met de tekstwijziging wordt dit verduidelijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 181</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.17.2. De wijziging betreft enerzijds een verduidelijking (punt 1° ). In bijlage 5.17.2. is bij de controle op de bouw verwarring mogelijk tussen houder vervaardigd uit gebogen platen en een verticale houder In bijlage 5.17.2. van titel II van het VLAREM wordt tevens een geldigheidstermijn van vijf jaar voor het attest van prototypekeuring ingevoerd voor houders in thermohardende kunststof conform de termijn die geldt voor het attest van prototypekeuring voor metalen houders (punt 3° ). Er wordt een overgangstermijn ingevoerd zodat langlopende attesten niet onmiddellijk vervallen, maar ook dat recente attesten nog steeds vijf jaar vanaf datum van attest geldig blijven. Daarnaast worden ook enkele tekstuele correcties doorgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 182</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.17.3. In bijlage 5.17.3. van titel II van het VLAREM wordt een geldigheidstermijn van vijf jaar voor het attest van prototypekeuring ingevoerd voor permanente lekdetectiesystemen conform de termijn die geldt voor het attest van prototypekeuring voor metalen houders. Er wordt een overgangstermijn ingevoerd zodat langlopende attesten niet onmiddellijk vervallen, maar ook dat recente attesten nog steeds vijf jaar vanaf datum van attest geldig blijven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 183</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.17.7. In bijlage 5.17.7. van titel II van het VLAREM wordt een geldigheidstermijn van vijf jaar voor het attest van prototypekeuring ingevoerd voor overvulbeveiligingssystemen conform de termijn die geldt voor het attest van prototypekeuring voor metalen houders. Er wordt een overgangstermijn ingevoerd zodat langlopende attesten niet onmiddellijk vervallen, maar ook dat recente attesten nog steeds vijf jaar vanaf datum van attest geldig blijven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 184</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 185 Deze artikelen vervangen het aanvraagformulier tot aanvaarding als bevoegde deskundige. Door de omzetting van de CLP-richtlijn zijn bepaalde activiteiten voor bevoegde deskundigen verschoven van hoofdstuk 5.17 naar hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM. Bevoegde deskundigen zijn sindsdien bevoegd voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten in beide hoofdstukken. Bijgevolg wordt het aanvraagformulier aangepast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 186</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel heft bijlage 5.17.13 op</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt bijlage 5.30.1 van titel II van het VLAREM. De concentratie benzeen in de afgassen moet gemeten worden volgens afdeling 4.4.4 van VLAREM II. Enkel indien grondstoffen, afvalstoffen of toeslagstoffen die een kans op de vorming van benzeen inhouden, worden verwerkt, moet minimaal jaarlijks een meting uitgevoerd worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 188</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervangt de tabel in punt 1 van bijlage 5.59.1 van titel II van het VLAREM. Er geldt een totale emissiegrenswaarde van 15% van het inktverbruik voor bestaande heatsetbedrijven en van 10% van het inktverbruik voor nieuwe heatsetbedrijven met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 200 ton per jaar. Uit de praktijk blijkt dat de bestaande bedrijven een grenswaarde van 10% reeds respecteren of kunnen respecteren met bijkomende maatregelen. De grenswaarde wordt voor bestaande bedrijven verlaagd naar 10%. Er wordt een overgangstermijn voorzien tot 1 september 2018</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 189</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegt de bijlage 6.12 \"In overweging te nemen elementen bij het opstellen van procedures en instructies voor de reductie van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken die plaats vinden in open lucht en die worden uitgevoerd door een aannemer\" toe aan titel II van VLAREM. De toevoeging van de bijlage 6.12 volgt uit de toevoeging van het nieuwe hoofdstuk 6.12 \"Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken\" aan deel 6 van titel II van VLAREM. Meer bepaald wordt in het nieuwe artikel 6.12.7 gesteld dat procedures en instructies gebaseerd op deze code van goede praktijk ter beschikking moeten gesteld worden ten behoeve van het eigen personeel en het personeel van derden. De code van goede praktijk beschrijft enerzijds enkele algemene maatregelen ter beperking van stofverspreiding, en anderzijds concrete maatregelen bij het gebruik van grijpers en wielladers, bij het laden en lossen van vrachtwagens, en bij het uitvoeren van sloopwerken, breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen en zagen. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage Artikel 190 1° Punt 1, a), van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit, wordt opgeheven met als gevolg dat de woorden \"(projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)\" in de analoge rubriek in bijlage III van het project-m.e.r.-besluit ook kunnen opgegeven worden. Punt 1, a) van bijlage II en bijlage III van het project-m.e.r.-besluit luiden respectievelijk als volgt : \"Ruilverkavelingsprojecten : Vergunningsplichtige werken ter uitvoering van een nuttig verklaarde ruilverkaveling\" en \"ruilverkavelingsprojecten (projecten die niet in bijlage II zijn opgenomen)\" Door het schrappen van punt 1, a), van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit vallen de projecten die voorheen onder dit punt ressorteerden, nu onder punt 1, a) van bijlage III van het project-m.e.r.-besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit werd gedaan omwille van de volgende redenen : Voor ruilverkavelingsprojecten geldt dat elke vergunningsplichtige activiteit in het kader van ruilverkaveling - hoe klein ook (dus ook elke wijziging aan een fietspad, aan een landbouwweg, een waterloop etc.) - gevat wordt door de m.e.r.-plicht. Voor deze relatief kleine ingrepen vormt de opmaak van een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de m.e.r.-plicht, noodzakelijk voor projecten uit bijlage II van het project-m.e.r.-besluit, echter geen meerwaarde omdat deze kleine ingrepen over het algemeen een verwaarloosbare milieu-impact met zich meebrengen. Bovendien worden zulke kleine ingrepen (aanleg of herinrichting van een fietspad, een weg, een waterloop etc.) door punt1, a) uit bijlage III van het project-m.e.r.-besluit gevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgekeerd worden grotere ingrepen nog wel gevat door andere punten uit bijlage II van het project-m.e.r.-besluit zoals de punten 1, c), 1, d), 10, e) en 10, h). 2° en 3°.Punten 1, c), tweede bolletje en 10, h) van bijlage II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (kortweg : project-m.e.r.-besluit) verwijzen beide naar bepaalde waterbeheersingsprojecten. Ofschoon het toepassingsgebied van punt 1, c), tweede bolletje beperkt is tot onbevaarbare waterlopen, kan het toepassingsgebied van punt 10, h) in principe zowel op bevaarbare als op onbevaarbare waterlopen betrekking hebben. Bovendien overlappen beide punten ook op andere vlakken. Zo is er bijvoorbeeld in beide punten sprake van de aanleg van overstromingsgebieden en wachtbekkens. Om deze reden werden beide punten/rubrieken met elkaar geïntegreerd en werden de volgende aanpassingen aangebracht : Vooreerst wordt punt 1, c), tweede bolletje van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit opgeheven. Deze rubriek luidt als volgt : \"Waterbeheersingsprojecten op onbevaarbare waterlopen, zoals de aanleg van overstromingsgebieden, wachtbekkens of van nieuwe waterlopen, die gelegen zijn in of een aanzienlijke invloed kunnen hebben op een bijzonder beschermd gebied, met uitzondering van instandhoudings-, herstel- of onderhoudswerken.\" Waterbeheersingsprojecten worden uitgevoerd ofwel om overstromingen te voorkomen ofwel om het waterpeil of debiet van een waterloop kunstmatig hoog of laag te houden dit ten behoeve van de natuur of ten behoeve van de landbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbeheersingsprojecten ten behoeve van de natuur (bv. vernatting bij natuurinrichting) hebben in eerste instantie een verbetering van natuurwaarden op het oog. Effecten op landbouw en archeologisch erfgoed blijken bovendien minimaal te zijn, o.a. omwille van beschermende sectorale regelgeving hoewel er voor deze sectoren geen verplichting bestaat om deze instrumenten uit deze wetgeving in te zetten, en ze ook niet dwingend doorwerken. Een m.e.r.-plicht heeft dan ook weinig tot geen meerwaarde. Bovendien hebben dit soort projecten het voorkomen van overstromingen niet als doelstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurherstel of -ontwikkeling vormt het doel bij zulke projecten, terwijl er in de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten enkel sprake is van werken ter beperking van overstromingen (zie rubriek 10, f) van bijlage II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4° beoogt rubriek 11, k), van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit te wijzigen. Deze rubriek 11, k) heeft betrekking op \"inrichtingen bestemd voor de destructie van kadavers\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt meer bepaald aan toegevoegd dat het moet gaan om inrichtingen met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag. De redenen hiervoor zijn tweeledig. Enerzijds wordt vastgesteld dat er de laatste jaren steeds meer dierencrematoria in Vlaanderen bijkomen. Strikt gezien doen zij aan de destructie van kadavers waardoor ze onder het toepassingsgebied van deze rubriek 11, k) van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit vallen en dus ofwel een MER dienen op te maken ofwel een gemotiveerd ontheffingsverzoek dienen in te dienen bij de dienst Mer. In de meeste gevallen gaat het echter maar om een beperkt aantal kadavers per week met als gevolg dat de verplichting om een MER dan wel een ontheffingsverzoek op te maken niet in proportie is met de omvang van het project en haar nadelige effecten. Anderzijds wordt dit gedaan om in overeenstemming te zijn met de drempel die in de VLAREM-indelingslijst wordt gehanteerd om dergelijke inrichtingen onder klasse 1 te klasseren. Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat de betreffende rubriek niet voorkomt in bijlage II van de project-m.e.r.-richtlijn met als gevolg dat de opname van deze rubriek (zonder drempel) in bijlage II van het project-m.e.r.-besluit in 2004 om een Vlaamse keuze ging om wat betreft deze projecten een ruime milieubeoordelingsverplichting op te leggen aan de exploitanten en zoals nu blijkt een te ruime.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijzigingen van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit zijn in overeenstemming met het standstill-beginsel. De wijzigingen aan bijlage II moeten samen worden gelezen met de wijzigingen aan bijlage III. De m.e.r-plicht in ruime zin wordt behouden, de te volgen procedure voor een aantal projecten wordt wel vereenvoudigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle gevallen blijft gelden dat voor een project dat onder één van de rubrieken in bijlage II of III valt en waarvoor er toch aanzienlijk negatieve effecten kunnen worden verwacht, een volwaardig project-MER moet opgemaakt worden. - Inzake rubriek 1 a van bijlage II : De opname van deze projecten enkel in rubriek 1 a van bijlage III betekent een vereenvoudiging in procedure. Grote ingrepen uit een ruilverkavelingsproject kunnen alsnog onder een andere rubriek van bijlage II vallen. - Inzake rubrieken 1 c en 10 h van bijlage II : Beide rubrieken werden samengevoegd en vereenvoudigd. Projecten inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen die niet meer vallen onder bijlage II, worden nu ondervangen door rubriek 10 l van bijlage III, voor deze projecten betreft dit dus ook een vereenvoudiging in procedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 191</span><span class=\"lf-art-t\">Zie de motivatie bij het opheffen van punt 1, a), van bijlage II van het project-m.e.r.-besluit</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 192</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Punt 10, l) wordt toegevoegd om in overeenstemming te zijn met punt 10, f) van bijlage II van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (kortweg : project-m.e.r-richtlijn), die onder meer volgende projecten omvat : \"werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (floodrelief werken)\". Momenteel zijn volgens punt 10, h) van het project-m.e.r.-besluit volgende projecten project-m.e.r.-plichtig : \"Werken inzake kanalisering, met inbegrip van de vergroting of verdieping van de vaargeul, en ter beperking van overstromingen, met inbegrip van de aanleg van sluizen, stuwen, dijken, overstromingsgebieden en wachtbekkens, die gelegen zijn in of een aanzienlijke invloed kunnen hebben op een bijzonder beschermd gebied.\" Deze rubriek is gelet op het erin gevoegde criterium iets beperkter dan de analoge rubriek uit de project-m.e.r.-richtlijn met als gevolg dat geopteerd werd om een rubriek 10, l) toe te voegen aan bijlage III van het project-m.e.r.-besluit om aan deze lacune tegemoet te komen. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/1973 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater (Stooktoestellenbesluit) Artikel 193 Dit artikel wijzigt artikel 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/1973 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, hierna genoemd als \"het stooktoestellenbesluit\".</p>\n<p class=\"lf-p\">In titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen en milieubeleid en het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/07/1973 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (het Milieuhandhavingsbesluit) wordt de term \"de toezichthouder\" gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het voorgestelde wijzigingsartikel wordt \"de toezichthoudende ambtenaar\" gecorrigeerd naar \"de toezichthouder\" in artikel 2, 5°, van het stooktoestellenbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 194</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 4 van het stooktoestellenbesluit dat van toepassing is op centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof. Opdat de veilige staat van werking van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof gegarandeerd zou zijn, moet onder meer het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst worden. Dit houdt in dat de erkende technicus bij een keuring voor eerste ingebruikname of een onderhoud van een centraal stooktoestel op vloeibare brandstof nagaat of het rookgasafvoerkanaal volgens de geldende normen en voorschriften van de fabrikant werden geïnstalleerd. Indien een rookgasafvoerkanaal niet volgens de code van goede praktijk geplaatst werd, kan dit nadelig zijn voor de werking van het toestel en kan dit onder andere leiden tot hinder, CO-intoxicatie of brandgevaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 195</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 5 van het stooktoestellenbesluit dat van toepassing is op centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof. Deze wijzigingen zijn analoog aan de wijzigingen aan artikel 4 van het stooktoestellenbesluit, maar zijn hier van toepassing op centrale stooktoestellen op gasvormige brandstof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 196</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel wijzigt artikel 6 van het stooktoestellenbesluit dat van toepassing is op centrale stooktoestellen, gevoed met vaste brandstof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de geldende installatienormen zijn er bepalingen opgenomen voor centrale stooktoestellen op vaste brandstof. Dit houdt in dat de erkende technicus of geschoolde vakman bij een keuring voor eerste ingebruikname of een onderhoud van een centraal stooktoestel op vaste brandstof nagaat of het rookgasafvoerkanaal volgens de geldende normen en voorschriften van de fabrikant werden geïnstalleerd. Indien een rookgasafvoerkanaal niet volgens de code van goede praktijk geplaatst werd, kan dit nadelig zijn voor de werking van het toestel en kan dit onder andere leiden tot hinder, CO-intoxicatie of brandgevaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 197</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 8 van het stooktoestellenbesluit. Bij de inwerkingtreding van de VLAREM-trein 2013 werd de indeling van centrale stooktoestellen op gasvormige brandstof gewijzigd op basis van de gebruikte technologie van de brander (niet-premix-, premix- of ventilatorbrander) in plaats van de opstelling van het toestel. De opleiding als technicus gasvormige brandstof GI (niet-premix- en premixbranders) en GII (ventilatorbrander) is eveneens op basis hiervan ingedeeld. Enkel technici die over de gepaste erkenning beschikken, zijn gekwalificeerd om een keuring voor eerste ingebruikname of een onderhoud uit te voeren op het betreffende toestel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 198</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 11 van het stooktoestellenbesluit. 1° De eigenaar van het centrale stooktoestel is verantwoordelijk voor het laten uitvoeren van een keuring voor eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel en moet volgens dit artikel het keuringsrapport bewaren bij het stooktoestel.Met deze wijziging volstaat het een duplicaat van het keuringsrapport te bewaren bij het stooktoestel. In geval van verhuurder-huurder kan dit nuttig blijken. 2° De gebruiker van het centrale stooktoestel is verantwoordelijk voor het laten onderhouden van het centraal stooktoestel en moet de laatste twee attesten bij het stooktoestel bewaren.Met deze wijziging volstaat het duplicaten van de attesten te bewaren bij het stooktoestel. In geval van verhuurder-huurder kan dit nuttig blijken. 3° In titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen en milieubeleid en het Milieuhandhavingsbesluit wordt de term \"de toezichthouder\" gebruikt en niet \"de toezichthoudende ambtenaar\".Personeelsleden van \"de afdeling\", gedefinieerd als \"de afdeling van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor erkenningen\", kunnen volgens het Milieuhandhavingsbesluit aangesteld worden als toezichthouder die het toezicht uitoefenen op de toepassing van de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging en vallen bijgevolg eveneens onder de definitie van \"de toezichthouder\" in het stooktoestellenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terminologie wordt met de voorgestelde wijziging gecorrigeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 199</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt een vierde paragraaf toegevoegd aan artikel 12 van het stooktoestellenbesluit. Een persoon die een keuring voor eerste ingebruikname uitvoert op een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof moet over respectievelijk een erkenning als technicus gasvormige of vloeibare brandstof beschikken Dit was reeds van toepassing, maar wordt met deze wijziging verduidelijkt en zal vooral nuttig zijn in het kader van handhaving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 200</span><span class=\"lf-art-t\">Met dit artikel worden paragrafen 1, 2, 3 en 4 van artikel 13 van het stooktoestellenbesluit gewijzigd en wordt er een paragraaf 5 aan dit artikel 13 toegevoegd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Punt 1° Deze wijziging houdt een taalkundige correctie in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2°, 3° en 4° De erkende technicus moet tijdens het onderhoud de veilige staat van werking van een centraal stooktoestel controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit houdt in dat onder meer de verluchting en de werking van het rookgasafvoerkanaal gecontroleerd moeten worden tijdens het onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit was reeds van toepassing, maar wordt met deze wijziging verduidelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 5° Een persoon die een onderhoud uitvoert op een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof moet over respectievelijk een erkenning als technicus gasvormige of vloeibare brandstof beschikken. Uitsluitend de reiniging en controle van het rookgasafvoerkanaal mag uitgevoerd worden door een schoorsteenveger die niet over een erkenning beschikt. Dit was reeds van toepassing, maar wordt met deze wijziging verduidelijkt en zal vooral nuttig zijn in het kader van handhaving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 201</span><span class=\"lf-art-t\">Dit artikel voegt een paragraaf toe aan artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een persoon die een verwarmingsaudit uitvoert moet over de gepaste erkenning beschikken. Dit is afhankelijk van de brandstof, het nominaal vermogen van de ketel en de installatie. Dit was reeds van toepassing, maar wordt met deze wijziging verduidelijkt en zal vooral nuttig zijn in het kader van handhaving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 202</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wijzigt artikel 15 van het stooktoestellenbesluit. 1° In titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen en milieubeleid en het Milieuhandhavingsbesluit wordt de term \"de toezichthouder\" gebruikt en niet \"de toezichthoudende ambtenaar\".Personeelsleden van \"de afdeling\", gedefinieerd als \"de afdeling van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor erkenningen\", kunnen volgens het Milieuhandhavingsbesluit aangesteld worden als toezichthouder die het toezicht uitoefenen op de toepassing van de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/12/1964 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging en vallen bijgevolg eveneens onder de definitie van \"de toezichthouder\" in het stooktoestellenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terminologie wordt met de voorgestelde wijziging gecorrigeerd. 2° Met deze wijziging wordt voorkomen dat een niet-erkende technicus een reinigings- of verbrandingsattest kan afleveren aan de eigenaar of gebruiker van een centraal stooktoestel. Artikel 203 Dit artikel wijzigt bijlage I van het stooktoestellenbesluit.</p></div>", "next": 239628}