{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r188\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 188</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder : 1° « landbouwer » : de natuurlijke of rechtspersoon die als hoofd-, gedeeltelijke of bijkomende activiteit land-, tuinbouw of veeteelt bedrijft in het Waalse Gewest, die in die hoedanigheid over een producentennummer en een BTW-nummer beschikt en die onderworpen is aan een social verzekeringsfonds;2° « Landbouwbestuur » : het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest;3° « jaar » : het kalenderjaar;4° « uitgevoerde organische stikstof » : de organische stikstof die door het vee van het landbouwbedrijf wordt voortgebracht en die over één jaar het bedrijf verlaat door middel van een transactie die gedekt wordt door een valoriseringscontract;5° « ingevoerde organische stikstof » : de organische stikstof die niet voortgebracht wordt door het bedrijf en die over één jaar in het bedrijf binnengebracht wordt in de vorm van een organische meststof, met inbegrip van de uitwerpselen op het weideland van bedrijfsvreemd vee dat aanwezig is op de weiden van het bedrijf (inzonderheid de dieren die in een pension zijn ondergebracht en de contracten voor de verkoop van gras);6° « voortgebrachte organische stikstof » : de organische stikstof die over één jaar voortgebracht wordt door het vee op het landbouwbedrijf;7° « potentieel uitspoelbare stikstof » : hoeveelheid nitraatstikstof in de bodem tijdens de herfst, die tijdens de winter uit de wortelzone zou kunnen worden gespoeld;8° « stikstofbalans » of « systemische stikstofbalans » : meting van de in- en uitgaande stikstofbewegingen in een landbouwsysteem (bedrijfsbalans of wisselbouwbalans);met een balans wordt de verrekening van alle in- en uitgaande stikstofbewegingen in het landbouwsysteem beoogd; het verschil tussen de in- en de uitgaande bewegingen vormt het balanssaldo, dat overeenstemt met het verlies van stikstof in het leefmilieu en met de schommelingen in de bedrijfsinterne stikstofvoorraad, inzonderheid in de vorm van humus; wat het verlies van stikstof in het leefmilieu betreft wordt een onderscheid gemaakt tussen : a) de « percolatie » : het verlies van stikstof in de vorm van nitraat (NO3-) die via het doorsijpelend water uit de wortelzone wordt gespoeld;b) de « stikstofafbraak » : gasvormig stikstofverlies in de vorm van N2 en N2O;c) de « volatilisering » : stikstofverlies in de vorm van ammoniak (NH3);d) de « afvloeiing » : stikstofverlies waarbij de mesthoudende bestanddelen door afvloeiing aan de oppervlakte uit de opslagplaats of het spreidingsoppervlak worden gespoeld;9° « stikstofverbinding » : elke stikstof (N) bevattende stof, met uitzondering van gasvormige moleculaire stikstof (N2).Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen : a) « minerale stikstof » (Nmin.) : de stikstof in de vorm van een minerale meststof; b) « organische stikstof » (Norg.) : de stikstof in de vorm van een organische meststof; c) « totale stikstof » : de som van de organische stikstof en van de minerale stikstof;10° « valoriseringscontract » : contract waarbij de modaliteiten geregeld worden voor het overbrengen van organische meststoffen en voor de transacties verbonden met het weiden;zij kunnen meer bepaald de vorm aannemen van een « spreidingscontract » of een « weidecontract » : a) « spreidingscontract » : contract waarbij het overbrengen van organische meststoffen van een landbouwer naar een derde geregeld wordt;b) « weidecontract » : contract waarbij de transacties verbonden met het weiden (inzonderheid de dieren die in een pension zijn ondergebracht en het huren en verhuren van weiden) tussen een landbouwer en een derde geregeld worden;11° « nitraat vasthoudend gewas » : bodembedekkende beplanting zonder peulgewassen die dankzij de opname van nitraten door de wortels voorkomt dat de nitraten op het akkerland waarop de lentegewassen aangebracht zullen worden, tijdens het herfst- en het winterseizoen in de ondergrond percolleren.Bedoelde bodembedekkende beplanting wordt zo spoedig mogelijk na de voorafgaande oogst aangebracht en bedekt de bodem op voldoende wijze (minstens 75% bodembedekking op een bepaald tijdstip in de groei, behalve bij uitzonderlijke weersomstandigheden); 12° « dierlijke mest » : organische meststof uit de landbouw, namelijk dierlijke uitwerpselen of mengsels, ongeacht de verhoudingen, van dierlijke uitwerpselen en andere samenstellende delen zoals stalstro, zelfs na verwerking.Onder dierlijke mest wordt inzonderheid verstaan : a) « mest » : een vast mengsel van stalstro, urine en dierlijke uitwerpselen, met uitzondering van aalt van pluimvee;de mest kan « droog », namelijk gekenmerkt door een gehalte aan droge stoffen dat hoger is dan 24%, dan wel « zacht » zijn, namelijk gekenmerkt door een gehalte aan droge stoffen dat lager is dan 15% gezien het lage gehalte aan stalstro, meer bepaald wanneer de mest afkomstig is van een mestschuif; b) « aalt » : een mengsel van feces en urine, in vloeibare of brijachtige vorm;c) « gier » : uitsluitend urine, al dan niet verdund, die uit de verblijfplaats van de dieren wegvloeit;d) « aalt van pluimvee » : pluimveemest en -uitwerpselen; - « gemengde pluimveemest » : uitwerpselen van pluimvee, gemengd met stalstro (meer bepaald houtkrullen of stro); - « zuivere pluimveemest » : zuivere uitwerpselen van pluimvee, die vochtig, vooraf gedroogd of gedroogd kunnen zijn; e) « mestcompost » : mest die op een geschikte wijze mechanisch is verlucht, waardoor de aërobe afbraak mogelijk wordt;mest wordt als gecomposteerd beschouwd zodra de mesttemperatuur, na meer dan 60°C te hebben bereikt, opnieuw onder de 35°C daalt; 13° « eutrofiëring » : een verrijking van het water door inzonderheid stikstofverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een verstoring van de normale werking van het aquatisch ecosysteem en een verslechtering van de waterkwaliteit;14° « landbouwbedrijf » of « bedrijf » : geheel aan productiemiddelen door middel waarvan de landbouwer zijn activiteit uitoefent, met inbegrip van de gebouwen, de opslagaccommodatie, de meststoffen, het vee en de landbouwgrond waarvan hij het gebruik aangeeft;met dien verstande dat de door derden aangegeven landbouwgrond bemest met organische stikstof die uit het bedrijf geëxporteerd wordt, niet als landbouwgrond van laatstgenoemd bedrijf beschouwd wordt; 15° « meststof » : elke stof die één of meer stikstofverbindingen inhoudt en bestemd is voor de bemesting van de gewassen;de meststoffen worden onderverdeeld in organische meststoffen en minerale meststoffen : - « organische meststof » : elke meststof die verkregen wordt vanuit organische grondstoffen, met uitzondering van overblijfselen van gewassen die na de oogst op het veld zijn blijven liggen; de organische meststoffen zijn onderverdeeld in twee categorieën : a) « organische meststoffen met een snelle werking » : organische meststoffen die gekenmerkt worden door een hoog stikstofaandeel dat na spreiding snel beschikbaar is;het betreft meer bepaald aalt, gier, aalt van pluimvee en afvloeisel; b) « organische meststoffen met een trage werking » : organische meststoffen die gekenmerkt worden door een laag stikstofaandeel op het ogenblik waarop ze gespreid worden;het betreft meer bepaald runder- en varkensmest, alsmede mestcompost</p>\n<p class=\"lf-p\">De producten die noch onder de categorie a) noch onder de categorie b) vallen, worden al naar gelang in één van beide categorieën ondergebracht door het Landbouwbestuur; - « minerale meststof » : elke meststof die niet-organisch is; ureum wordt gelijkgesteld met een minerale stikstof; 16° « mestvaalt » : mestbewaarplaats, met uitzondering van de stallen en de verblijfplaats van de dieren;17° « opname » : de handeling die erin bestaat een meststof in de bodem in te graven, zodat bedoelde verbinding volledig met het substraat wordt vermengd en zodat enkel nog een overschot van bedoelde verbinding op de bodemoppervlakte blijft liggen;18° « afvloeisel » : vloeistof uit de landbouwbedrijvigheid, met uitzondering van gier en aalt, die een aandeel zou kunnen hebben in de verontreiniging van het water door nitraat en die afvloeit uit diens productie- of bewaarplaats;regenwater wordt niet als afvloeisel beschouwd; 19° « jaarlijkse correctiemaatregelen » : landbouwkundige maatregelen, praktijken en beheerswijzen die de verbetering van het stikstofbeheer begunstigen waarbij inzonderheid door een jaarlijkse vooruitgang in het kwaliteitszorgproces het verwerven van potentieel uitspoelbare stikstof en van op duurzame wijze voldoening gevende stikstofbalansen beoogd wordt;20° « Ministers » : de Ministers van het Waalse Gewest die bevoegd zijn voor het water- en het landbouwbeleid;21° « nitraatverontreiniging » : het rechtstreeks of onrechtstreeks lozen van stikstofverbindingen uit agrarische bronnen in het aquatisch milieu, waardoor de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, de levende rijkdommen en het aquatisch ecosysteem kunnen worden geschaad;22° « stikstofprofiel » : meting van de hoeveelheid nitraatstikstof in de bodem, uitgevoerd volgens een methode waarbij de potentieel uitspoelbare stikstof gemeten kan worden als het profiel in de herfst wordt opgesteld;23° « stalhouding » : wijze waarop de dieren in de gebouwen gehuisvest worden;daaronder wordt inzonderheid verstaan : a) de « stalhouding op een roostervloer » : het huisvesten van de dieren zonder stalstro, gekenmerkt door het inzamelen in een daartoe voorziene tank van alle zuivere dierlijke uitwerpselen in vorm van aalt;b) de « gekluisterde stalhouding » : wijze waarop de dieren in een stal op een strobed gehuisvest worden, gekenmerkt door het kluisteren ervan, het inzamelen van droge mest, in sommige gevallen van zachte mest en afvloeisel uit de stal dat met gier gelijk wordt gesteld;c) de « stalhouding met halve strobedekking » : wijze waarop de niet-gekluisterde dieren in een stal gehuisvest worden waarvan de vloer uit roosters bestaat die gecombineerd worden met overhangend stro zodat bedoelde wijze van huisvesting met de stalhouding van dieren op stalstro gelijk wordt gesteld;d) de « stalhouding op een strobed of op stalstro » : wijze waarop de niet-gekluisterde dieren in een van stalstro voorziene stal gehuisvest worden, gekenmerkt door het inzamelen van droge mest en, indien een mestschuif aanwezig is, van zachte mest;24° « opslag op de hoeve » : opslagplaats die dichtbij de productieplaats of de gebouwen van de hoeve ligt;25° « opslag op het veld » : opslagplaats die verwijderd is van de productieplaats of van de gebouwen van de hoeve, zodat vervoer nodig is;26° het « grondgebondenheidscijfer » (LS) : breukgetal waarmee voor een landbouwbedrijf de verhouding over één jaar uitgedrukt wordt tussen de organische-stikstofbewegingen en de maximumhoeveelheden organische stikstof die op de gronden van het bedrijf gespreid kunnen worden.In dit hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen basisgrondgebondenheidscijfer (LS1 of LS-Base), het grondgebondenheidscijfer met valoriseringscontracten (LS2 of LS-Contrats), het bedrijfsinterne grondgebondenheidscijfer (LS3 of LS-Interne), het afwijkende grondgebondenheidscijfer (LS4 of LS-Dérogatoire) en het grondgebondenheidscijfer in kwetsbare gebieden (LS5 of LS-Zone Vulnérable); 27° « gehalte aan droge stof » : verhouding tussen het gewicht van de stof na droging tegen 105°C en het gewicht van de verse stof, verkregen volgens een in een laboratorium gebruikte methode;28° « grond » : het geheel aan weide- en akkerland;29° « maximumwaarde » van spreidbare organische stikstof : maximumhoeveelheid organische stikstof die gemiddeld gespreid kan worden op de gronden over één jaar;er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen : a) de « basismaximumwaarden », die buiten het kwaliteitszorgproces gelden : - de « basismaximumwaarde op akkerland » : maximumhoeveelheid organische stikstof die gemiddeld gespreid kan worden op akkerland over één jaar; - de « basismaximumwaarde op weiland » : maximumhoeveelheid organische stikstof die gemiddeld gespreid kan worden op weiland over één jaar, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het op de weilanden aanwezige vee; b) de « afwijkende maximumwaarden », die toegankelijk zijn in het kwaliteitszorgproces; - de « afwijkende maximumwaarde op akkerland » : maximumhoeveelheid organische stikstof die gemiddeld gespreid kan worden op akkerland over één jaar; - de « afwijkende maximumwaarde op weiland » : maximumhoeveelheid organische stikstof die gemiddeld gespreid kan worden op weiland over één jaar, met in begrip van de teruggave aan de bodem door het op de weilanden aanwezige vee;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r189\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 189</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk beoogt : 1° de waterverontreiniging door of ten gevolge van nitraten uit agrarische bronnen te verminderen;2° elke nieuwe verontreiniging door bedoelde stof te voorkomen;3° een duurzaam beheer van stikstof en van humus in de bodem te begunstigen in de landbouw. Afdeling II. - Kwetsbare gebieden en gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn Art. R. 190. Om het water tegen de nitraatverontreiniging te beschermen, wijst de Minister op het grondgebied van het Waalse Gewest kwestbare gebieden en gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling I. - Kwetsbare gebieden A. - Algemeen Art. R. 191. De kwetsbare gebieden worden volgens hiernavolgende criteria bepaald : 1° voor het oppervlaktewater dat een nitraatconcentratie bevat of dreigt te bevatten dat hoger ligt dan 50 milligram per liter als de maatregelen bepaald bij artikel 192 niet worden getroffen, gaat het om de delen van het grondgebied die de verontreiniging van bedoeld oppervlaktewater door nitraten veroorzaken of daartoe bijdragen;2° voor het grondwater dat een nitraatconcentratie bevat of dreigt te bevatten dat hoger ligt dan 50 milligram per liter als de maatregelen bepaald bij artikel 192 niet worden getroffen, gaat het om de delen van het grondgebied die de verontreiniging van bedoeld grondwater door nitraten veroorzaken of daartoe bijdragen;3° voor de natuurlijke zoetwatermeren en de andere zoetwaterlichamen die in een nabije toekomst geëutrofieerd worden of dreigen te worden als de maatregelen bepaald bij artikel 192 niet worden getroffen, gaat het om de delen van het grondgebied die de verontreiniging van bedoelde natuurlijke zoetwatermeren of andere zoetwaterlichamen door nitraten veroorzaken of daartoe bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de criteria bedoeld in het eerste lid houdt de Minister eveneens rekening met : 1° de fysische en milieukenmerken van het water, de bodem en de ondergrond;2° de huidige kennisstand inzake het gedrag van de stikstofverbindingen in het water, de bodem en de ondergrond;3° de huidige kennisstand inzake de impact van de maatregelen getroffen overeenkomstig artikel 192. B. - Actieprogramma Art. R. 192. § 1. Het actieprogramma is van toepassing op de bedrijven en delen van bedrijven die zich in een kwetsbaar gebied bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaat erin, de voorwaarden die van toepassing zijn op het beheer van stikstof in de landbouwbeoefening in kwetsbare gebieden overeenkomstig de artikelen 195 tot en met 222 na te leven. § 2. Het actieprogramma wordt minstens om de vier jaar aan een nieuw onderzoek onderworpen en indien nodig herzien. Bij bedoelde herzieningen die verricht worden overeenkomstig artikel 227, kunnen verschillende programma's vastgesteld worden voor verschillende kwetsbare gebieden of delen ervan. § 3. Voor elk kwetsbaar gebied stelt de Minister een situatie-overzicht van het actieprogramma vast waarmee de doeltreffendheid ervan geëvalueerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld situatie-overzicht bestaat meer bepaald uit de volgende bestanddelen : 1) de context en de algemene kenmerken van het gebied;2) de landbouwkenmerken en -praktijken in het gebied;3) de opslag en de hantering van de meststoffen;4) de spreidingswijze van de meststoffen;5) het grondgebondenheidscijfer van de bedrijven;6) de valoriseringscontracten en de meststoffenbewegingen;7) de kwaliteitszorg;8) de begeleiding, de coördinatie en de bewaking;9) de potentieel uitspoelbare stikstof, de evolutie van de waterverontreiniging door nitraten en de eutrofiëring. Onderfdeling 2. - Gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn A. - Algemeen Art. R. 193. De Minister kan gebieden aanwijzen die onderhevig zijn aan een bijzondere milieudruk indien bedoelde gebieden dreigen aan de criteria te beantwoorden bedoeld in artikel 191, eerste lid, maar waarvoor de maatregelen bedoeld in artikel 192, § 1, niet het meest relevant zijn wegens de bestanddelen vervat in artikel 191, tweede lid, inzonderheid : 1) de lange groeiperiodes;2) de gewassen met een sterke stikstofopname;3) de hoge netto-neerslag in het gebied;4) de bodem met een uitzonderlijke hoog vermogen voor de nitraatafbraak; en waarvoor een bijzonder maatregelenprogramma voor het beheer van stikstof in de landbouw van toepassing is voor zover de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 189 niet in het gedrang worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">B - Bijzonder maatregelenprogramma voor het beheer van stikstof in de landbouw Art. R. 194. § 1. Het bijzonder maatregelenprogramma is van toepassing op de bedrijven en delen van bedrijven die zich in een gebied bevinden dat aan een bijzondere milieudruk onderhevig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaat erin, de voorwaarden die van toepassing zijn op het beheer van stikstof in de landbouwbeoefening in gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, overeenkomstig de artikelen 195 tot en met 222 na te leven. § 2. Het bijzonder maatregelenprogramma wordt minstens om de vier jaar aan een nieuw onderzoek onderworpen en indien nodig herzien. Bij bedoelde herzieningen die verricht worden overeenkomstig artikel 227, kunnen verschillende programma's vastgesteld worden voor verschillende gebieden of delen ervan die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn. § 3. Voor elk gebied dat aan een bijzondere milieudruk onderhevig is, stelt de Minister een situatie-overzicht van het bijzonder maatregelenprogramma vast waarmee de doeltreffendheid ervan geëvalueerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld situatie-overzicht bestaat meer bepaald uit de volgende bestanddelen : 1) de context en de algemene kenmerken van het gebied; 2)de landbouwkenmerken en -praktijken in het gebied; 3) de opslag en de hantering van de meststoffen;4) de spreidingswijze van de meststoffen;5) het grondgebondenheidscijfer van de bedrijven;6) de valoriseringscontracten en de meststoffenbewegingen;7) de kwaliteitszorg;8) de begeleiding, de coördinatie en de bewaking;9) de potentieel uitspoelbare stikstof, de evolutie van de waterverontreiniging door nitraten en de eutrofiëring. Afdeling III. - Voorwaarden die van toepassing zijn op het beheer van stikstof in de landbouw Onderafdeling I. - Opslag en hantering van meststoffen, dierlijke mest, plantaardig materiaal en afvloeisel in het Waalse Gewest Art. R. 195. Elke rechstreekse lozing van meststoffen en afvloeisel in de ondergrond, in een openbare riool of in oppervlaktewater is verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r196\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 196</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eventuele afvloeisel van opgeslagen plantaardig materiaal mag noch de riolering, noch het grond- of oppervlaktewater bereiken en dient ofwel opgeslagen ofwel door middel van een absorberende installatie te worden opgevangen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r197\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 197</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen opslagaccommodatie op het veld is aangelegd overeenkomstig artikel 199, beantwoordt de mestopslag aan volgende voorwaarden : 1° de mest moet droog zijn om de productie van afvloeisel te beperken;2° elke mestopslagplaats moet na afloop van een maximumperiode van één jaar worden geruimd;3° de mestopslag is verboden op een oppervlakte die sinds minder dan één jaar is geruimd, en op minder dan tien meter van de uiterste limiet van bedoelde oppervlakte;4° er mag geen elke mestbewaarplaats op het veld worden aangelegd op het laagste punt van een glooiing, noch op minder dan tien meter van oppervlaktewater, noch van een aansluitpunt voor waterwinning, noch van een piëzometer, noch van een inlaat van de openbare riolering. het eventuele afvloeisel uit bedoelde bewaarplaats mag noch het oppervlaktewater, noch een aansluitpunt voor waterwinning, noch een piëzometer noch een inlaat van de openbare riolering bereiken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r198\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 198</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen opslagaccommodatie op het veld is aangelegd overeenkomstig artikel 13, beantwoordt de opslag van de aalt van pluimvee op het veld aan volgende voorwaarden : 1° de opslag op het veld van aalt van pluimvee die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen dat lager is dan 55 %, is verboden;2° elke opslagplaats voor gemengde pluimveemest die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen dat minstens 55 % bedraagt en door een voldoende stalstrogehalte dient na afloop van een maximumperiode van negen maanden geruimd worden;3° elke opslagplaats voor zuivere pluimveemest die gekenmerkt is door een gehalte aan droge stoffen dat minstens 55 % bedraagt dient na afloop van een maximumperiode van drie maanden te worden geruimd;4° de opslag van aalt van pluimvee is verboden op een oppervlakte die sinds minder dan één jaar is geruimd, en op minder dan tien meter van de uiterste limiet van bedoelde oppervlakte;5° er mag geen elke bewaarplaats voor aalt van pluimvee op het veld worden aangelegd op het laagste punt van een glooiing, noch op minder dan tien meter van oppervlaktewater, noch van een aansluitpunt voor waterwinning, noch van een piëzometer, noch van een inlaat van de openbare riolering;het eventuele afvloeisel uit bedoelde bewaarplaats mag noch het oppervlaktewater, noch een aansluitpunt voor waterwinning, noch een piëzometer noch een inlaat van de openbare riolering bereiken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r199\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 199</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op de hoeve wordt de dierlijke mest opgeslagen op een waterdichte, van een betonlaag voorziene mestvaalt met een voldoende oppervlakte en uitgerust met een voldoende, waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel. Op het veld kan de dierlijke mest eveneens op een mestvaalt worden opgeslagen. § 2. Op geen enkel ogenblik mag meer dan 3 m3 dierlijke mest per m2 mestvaalt worden opgeslagen. § 3. Indien de mestvaalt volledig overdekt is, kan de nodige opslagoppervlakte met één kwart worden verminderd, zodat er op geen enkel ogenblik meer dan 4 m3 dierlijke mest per m2 mestvaalt worden opgeslagen. § 4. De afmetingen van de oppervlakte van de mestvaalt worden vastgesteld op grond van de gegevens vermeld in de tabel van bijlage XXXIX § 5 Voor de opvang van afvloeisel uit mestvaalten is een capaciteit van 220 liter per m2 mestvaalt vereist als de oppervlakte niet helemaal overdekt is. Bedoelde capaciteit kan verminderd worden tot 150 liter per m2 als er in de stal overeenkomstig artikel 201 een terugwinningsysteem voor gier bestaat. § 6. De opslagplaats voor gier en de tanks voor de opvang van afvloeisel uit bedoelde mestvaalten worden zodanig ingericht dat het onbeheersbare binnensijpelen van afvloeiend hemel- of dakwater voorkomen wordt. § 7. De afmetingen vastgesteld in de paragrafen 4 en 5 kunnen gewijzigd worden, na een schriftelijke en met redenen omkleed verzoek van de betrokken landbouwer. Bedoeld verzoek wordt bij aangetekend schrijven ingediend bij het Landbouwbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld verzoek tot wijziging kan gegrond zijn op de plaatselijke klimaatomstandigheden, de samenstelling en de omvang van het veebestand, op de soorten stallingswijzen, op de soorten voortgebrachte mest, op de hantering van de dierlijke mest, op de eventuele verwerking ervan en op het eventuele gebruik van een onweersbekken, van procédés voor de zuivering van afvloeisel of de opslag op het veld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Landbouwbestuur richt zijn beslissing waarbij over de volledigheid van het verzoek wordt beslist aan de verzoeker binnen de 15 dagen vanaf de dag waarop het verzoek is ingediend, in toepassing van het eerste lid. Het verzoek wordt behandeld en het Landbouwbestuur treft een met redenen omklede beslissing op grond van de criteria vermeld in het tweede lid, binnen de drie maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij verklaard wordt dat het dossier volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hij de beslissing van het Landbouwbestuur niet gekregen heeft binnen de termijn van 3 maanden bedoeld in het derde lid, kan de verzoeker de Minister van Landbouw bij aangetekend schrijven uitnodigen om over zijn verzoek te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzoeker voegt bij zijn schrijven een afschrift van het dossier dat hij aanvankelijk aan het Landbouwbestuur heeft gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de drie maanden na aanhangingmaking van het verzoek bij de Minister van Landbouw, richt laatstgenoemde zijn beslissing aan de verzoeker, bij aangetekend schrijven. Indien er binnen bedoelde termijn geen beslissing wordt verstuurd, wordt dat met een beslissing tot weigering gelijkgesteld. § 8. De zachte mest mag enkel op een mestvaalt worden opgeslagen als hij vermengd is met droge mest of met een ander samenstellend deel waarmee het gehalte aan droge stof van 15% of meer verkregen kan worden. voor de zachte mest die niet op de mestvaalt wordt opgeslagen, dient in een scheidings- en opslaginrichting van de vaste en de vloeibare fase te worden voorzien, met de vereiste volumes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r200\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 200</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Op de hoeve wordt de aalt van pluimvee opgeslagen op een waterdichte, van een betonlaag voorziene mestvaalt met een voldoende oppervlakte. Bedoelde opslagplaats moet uitgerust zijn met een voldoende, waterdichte opslagtank zonder overlooppijp, bestemd voor het opvangen en het tegenhouden van afvloeisel. Op het veld kan de aalt van pluimvee eveneens op een dergelijke plaats worden opgeslagen. § 2. Indien vochtige en zuivere pluimveemest wordt opgeslagen, dient de opslagplaats helemaal overdekt te zijn. § 3. Op geen enkel ogenblik mag meer dan 3 m3 aalt van pluimvee per m2 mestvaalt worden opgeslagen. § 4. Indien de opslagplaats volledig overdekt is, kan de nodige opslagoppervlakte met één kwart worden verminderd, zodat er op geen enkel ogenblik meer dan 4 m3 aalt van pluimvee per m2 opslagplaats worden opgeslagen. § 5 De afmetingen van de oppervlakte van de opslagplaats worden vastgesteld op grond van de gegevens vermeld in de tabel van bijlage XXXIX. § 6. Voor de opvang van afvloeisel uit opslagplaatsen is een capaciteit van 220 liter per m2 opslagplaats vereist als de oppervlakte niet helemaal overdekt is. § 7. De opslagplaats voor aalt van pluimvee en de tanks voor de opvang van afvloeisel uit bedoelde plaatsen worden zodanig ingericht dat het onbeheersbare binnensijpelen van afvloeiend hemel- of dakwater voorkomen wordt. § 8. De afmetingen vastgesteld in de paragrafen 5 en 6 kunnen gewijzigd worden, na een schriftelijke en met redenen omkleed verzoek van de betrokken landbouwer. Bedoeld verzoek wordt bij aangetekend schrijven ingediend bij het Landbouwbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld verzoek tot wijziging kan gegrond zijn op de plaatselijke klimaatomstandigheden, de samenstelling en de omvang van het pluimveebestand, op de soorten huisvesting, op de soorten voortgebrachte aalt, op de hantering ervan, op de eventuele verwerking ervan en op het eventuele gebruik van een onweersbekken, van procédés voor de zuivering van afvloeisel of de opslag op het veld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Landbouwbestuur richt zijn beslissing waarbij over de volledigheid van het verzoek wordt beslist aan de verzoeker binnen de 15 dagen vanaf de dag waarop het verzoek is ingediend, in toepassing van het eerste lid. Het verzoek wordt behandeld en het Landbouwbestuur treft een met redenen omklede beslissing op grond van de criteria vermeld in het tweede lid, binnen de drie maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij verklaard wordt dat het dossier volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hij de beslissing van het Landbouwbestuur niet gekregen heeft binnen de termijn van drie maanden bedoeld in het derde lid, kan de verzoeker de Minister van Landbouw bij aangetekend schrijven uitnodigen om over zijn verzoek te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzoeker voegt bij zijn schrijven een afschrift van het dossier dat hij aanvankelijk aan het Landbouwbestuur heeft gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de drie maanden na aanhangingmaking van het verzoek bij de Minister van Landbouw, richt laatstgenoemde zijn beslissing aan de verzoeker, bij aangetekend schrijven. Indien er binnen bedoelde termijn geen beslissing wordt verstuurd, wordt dat met een beslissing tot weigering gelijkgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r201\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 201</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De opslag van aalt en gier beantwoordt aan volgende voorwaarden : 1° zij worden opgeslagen in waterdichte accommodaties met een voldoende capaciteit, zonder overlooppijp zodat zij niet afvloeien naar de externe omgeving;2° de opslagaccommodatie wordt zodanig ingericht dat het onbeheersbare binnensijpelen van afvloeiend hemel- of dakwater voorkomen wordt;3° om de spreidingsperiodes bedoeld in artikel 206 vlot na te kunnen leven, dient de opslagaccommodatie voor aalt en gier de opslag tijdens minstens zes maanden mogelijk te maken. § 2. De afmetingen van bedoelde accommodatie wordt bepaald op grond van de gegevens vermeld in de tabel van bijlage XXXIX. § 3. De afmetingen vastgesteld in vorige paragraaf kunnen gewijzigd worden, na een schriftelijke en met redenen omkleed verzoek van de betrokken landbouwer. Bedoeld verzoek wordt bij aangetekend schrijven ingediend bij het Landbouwbestuur Bedoeld verzoek tot wijziging dient gegrond te zijn op de plaatselijke klimaatomstandigheden, de samenstelling en de omvang van het veebestand, op de soorten huisvesting, op de soorten voortgebrachte dierlijke mest, op de hantering ervan en op de eventuele verwerking ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Landbouwbestuur richt zijn beslissing waarbij over de volledigheid van het verzoek wordt beslist aan de verzoeker binnen de 15 dagen vanaf de dag waarop het verzoek is ingediend, in toepassing van het eerste lid. Het verzoek wordt behandeld en het Landbouwbestuur treft een met redenen omklede beslissing op grond van de criteria vermeld in het tweede lid, binnen de drie maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij verklaard wordt dat het dossier volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hij de beslissing van het Landbouwbestuur niet gekregen heeft binnen de termijn van 3 maanden bedoeld in het derde lid, kan de verzoeker de Minister van Landbouw bij aangetekend schrijven uitnodigen om over zijn verzoek te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzoeker voegt bij zijn schrijven een afschrift van het dossier dat hij aanvankelijk aan het Landbouwbestuur heeft gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de drie maanden na aanhangingmaking van het verzoek bij de Minister van Landbouw, richt laatstgenoemde zijn beslissing aan de verzoeker, bij aangetekend schrijven. Indien er binnen bedoelde termijn geen beslissing wordt verstuurd, wordt dat met een beslissing tot weigering gelijkgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r202\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 202</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De waterdichtheid van elke opslagaccommodatie bedoeld in dit besluit en waarvan de bouw ondernomen wordt na 29 november 2002 dient door geschikte systemen vlot en constant controleerbaar te worden gemaakt. § 2. De artikelen 199, 200 en 201 zijn niet van toepassing op de bedrijven die niet ingedeeld zijn krachtens de regelgeving betreffende de milieuvergunning Onderafdeling II. - Spreiding van de meststoffen Art. R. 203. Het spreiden van organische meststoffen is verboden : 1° op een besneeuwde bodem;2° op een met water verzadigde bodem;de waterverzadiging van de bodem is geacht bereikt te zijn wanneer het water op het spreidingsoppervlak stagneert of ervan afvloeit; 3° op minder dan vier meter van oppervlaktewater;4° op zuivere peulgewassen (fabaceae);5° tijdens de tussenteelt die voorafgaat aan of volgt op het inzaaien of aanplanten van peulgewassen;behalve, in het laatste geval, als voor de spreiding een bemestingsadvies wordt opgesteld op grond van stikstofprofielen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r204\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 204</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De spreiding van organische meststoffen met een snelle werking is verboden : 1° op een bevroren bodem die daardoor de stof niet op kan nemen;2° op grond die niet bedekt is met planten, ongeacht de helling, behalve als de dierlijke mest opgenomen wordt op de dag zelf waarop hij aangebracht wordt. Art. R. 205. § 1. De spreiding wordt verricht door middel van geschikt en goed werkend materieel. § 2. Met het oog op de doelstellingen bedoeld in artikel 189 kan de Regering bijzondere spreidingsvoorwaarden vaststellen voor minerale meststoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r206\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 206</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De spreidingsperiodes zoals voorgesteld in bijlage XL worden op volgende wijze gereglementeerd volgens het type meststoffen. 1° Wat betreft de organische meststoffen met een snelle werking. De spreiding van organische meststoffen met een snelle werking op akkerland is verboden van 1 oktober tot en met 28 februari Van 1 juli tot en met 30 september is de spreiding van organische meststoffen met een snelle werking op akkerland enkel toegelaten op percelen bestemd voor wintergewassen die in de herfst aangeplant of ingezaaid worden of voor « nitraat vasthoudende » gewassen die aangeplant worden vóór 15 september en vernietigd worden na 30 november, tot en met 210 kg stikstof per hectare; en, na de oogst van stro voortbrengende gewassen, op de percelen die niet bestemd zijn voor wintergewassen of voor « nitraat vasthoudende » gewassen, tot en met 80 kg stikstof per hectare, op voorwaarde dat alle stro opgenomen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De spreiding van organische meststoffen met een snelle werking op weiland is verboden van 1 september tot en met 30 november, met uitzondering van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt. 2° Wat betreft de organische meststoffen met een trage werking op akkerland. Van 1 juli tot en met 30 september is de spreiding van organische meststoffen met een trage werking enkel toegelaten op percelen bestemd voor wintergewassen die in de herfst zijn aangeplant of voor « nitraat vasthoudende » gewassen die vóór 15 september worden aangeplant en die na 30 november worden vernietigd, tot en met 210 kg stikstof per hectare; en, na de oogst van stro voortbrengende gewassen, op de percelen die niet bestemd zijn voor wintergewassen of voor « nitraat vasthoudende » gewassen, tot en met 80 kg stikstof per hectare, op voorwaarde dat alle stro opgenomen wordt. 3° Wat betreft de spreiding van minerale meststoffen. De spreiding van minerale meststoffen is verboden van 1 november tot en met 31 januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Maximumhoeveelheden spreidbare stikstof Art. R. 207. De spreiding van meststoffen wordt enkel toegelaten voor het dekken van de fysiologische stikstofbehoeften van de planten, waarbij erover gewaakt wordt dat het verlies van nutriënten beperkt wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r208\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 208</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op weideland mag de totale stikstofaanbreng over één jaar nooit 350 kg per hectare overschrijden, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r209\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 209</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanbreng van minerale meststoffen op akkerland wordt zodanig beperkt dat de totale hoeveelheid aangebrachte stikstof over één jaar, rekening houdend met de stikstofaanbreng door organische meststoffen, 250 kg per hectare akkerland als gemiddelde voor één bedrijf, niet overschrijdt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r210\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 210</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het soort gewassen mag de som van de aanbreng die op in groei zijnde gewassen en daarvóór verricht wordt vanaf de voorafgaande oogst, per hectare de waarden vermeld in de tabel in bijlage XLI niet overschrijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r211\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 211</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In de kwetsbare gebieden en in de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, mag de aanbreng van organische stikstoof op de betrokken oppervlakten van het bedrijf over één jaar het gemiddelde van 80 kg per hectare akkerland en het gemiddelde van 210 kg per hectare weideland met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt, niet overschrijden Daarbij vormen bedoelde gemiddelden de basismaximumwaarden van spreidbare organische stikstof in bedoelde gebieden (Franse noteerwijze : VBA/VBP = 80/120). § 2. Buiten de in § 1 bedoelde gebieden mag de aanbreng van organische stikstof op de betrokken oppervlakten van het bedrijf het gemiddelde van 120 kg per hectare akkerland en het gemiddelde van 210 kg per hectare weideland met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt, niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij vormen bedoelde gemiddelden de basismaximumwaarden van spreidbare organische stikstof buiten de gebieden bedoeld in § 1 (Franse noteerwijze : VBA/VBP = 120/210). § 3. De maximumwaarden van gemiddeld spreidbare organische stikstof op akker- en weideland zijn vermeld in de tabel in bijlage XLII. Art. R. 212. Op een gegeven perceel worden de organische meststoffen in dusdanige verhoudingen verspreid dat de gemiddelde aanbreng van organische stikstof over de drie opeenvolgende jaren waarin bedoeld perceel in bedrijf is als akker- of weideland, volgende waarden over één jaar niet overschrijdt : 1° in de kwetsbare gebieden en in de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn : a) 80 kg organische stikstof per hectare akkerland;b) 210 kg organische stikstof per hectare weideland, met inbegrip van de teruggaven aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt;2° buiten de gebieden bedoeld onder 1° : a) 120 kg organische stikstof per hectare akkerland;b) 210 kg organische stikstof per hectare weideland, met inbegrip van de teruggaven aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt. Art. R. 213. De maximumaanbreng van organische stikstof per perceel akkerland over één jaar wordt vastgesteld op 210 kg organische stikstof per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Grondgebondenheidscijfer Art. R. 214. § 1. Het basisgrondgebondenheidscijfer van het bedrijf (LS1 of LS-Base, Franse noteerwijze) wordt volgens hiernavolgende formule berekend : Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) + Ingevoerde organische stikstof (kgNorg.) LS-Base = [weideoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBP (kgNorg./ha)]+ [akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBA (kgNorg./ha)] waarbij in de noemer de oppervlakte van elk perceel vermenigvuldigd wordt met de basismaximumwaarde die hem eigen is, al naar gelang het perceel al dan niet gelegen is in een kwetsbaar gebied of in een gebied dat aan een bijzondere milieudruk onderhevig is. § 2. Minstens één maal per jaar en op grond van de recentst beschikbare gegevens licht het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, de landbouwers schriftelijk in over de waarde van LS1 van hun bedrijf. § 3. Zolang het bedrijf een LS1 vertoont dat hoger is dan één eenheid, is de landbouwer verplicht om voor één der volgende opties te kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat hem evenwel vrij om zijn keuze te wijzigen na voor één der volgende opties gekozen te hebben : 1° ofwel één of meer valoriseringscontracten afsluiten overeenkomstig de artikelen 215 en 216;2° ofwel zich er overeenkomstig de artikelen 217 tot en met 222 toe verbinden in een kwaliteitszorgproces te stappen. § 4. Elke stopzetting van de bedrijvigheid of wijziging van de bedrijfsvoorwaarden of elke andere verandering of evolutie die al dan niet afhangen van de wil van de landbouwer en waardoor enerzijds LS1 onder of boven de eenheidswaarde uitkomt of dreigt uit te komen en anderzijds de verplichtingen bepaald in § 3 niet meer nageleefd worden, alsmede elke wijziging van de keuze krachtens § 3 dienen door de landbouwer aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, te worden medegedeeld bij aangetekend schrijven uiterlijk één maand voor doorvoering van bedoelde veranderingen of binnen de maand als bedoelde veranderingen niet te voorzien waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling V. - Valorsieringscontracten A. - Algemeen Art. R. 215. § 1. De landbouwer kan valoriseringscontracten aangaan met derden om zich te schikken naar artikel 214, § 2, voor zover het grondgebondenheidscijfer van zijn bedrijf met valoriseringscontracten (LS2 of LS-Contrats, Franse noteerwijze) onder de eenheid of gelijk aan de eenheid blijft. De contracten dienen ten minste over één jaar te lopen. § 2. Het grondgebondenheidscijfer van het bedrijf met valoriseringscontracten wordt volgens hiernavolgende formule berekend : Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) + Ingevoerde organische stikstof (kgNorg.) - Uitgevoerde organische stikstof (kgNorg.) LS-Contrats = [weideoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBP (kgNorg./ha)]+ [akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBA (kgNorg./ha)] waarbij in de noemer de oppervlakte van elk perceel vermenigvuldigd wordt met de basismaximumwaarde die hem eigen is, al naar gelang het perceel al dan niet gelegen is in een kwetsbaar gebied of in een gebied dat aan een bijzondere milieudruk onderhevig is. § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minstens één maal per jaar en op grond van de recentst beschikbare gegevens licht het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, de landbouwers schriftelijk in over de waarde van LS2 van hun bedrijf. § 4. De landbouwers die in het kwaliteitszorgproces zijn gestapt, overeenkomstig de artikelen 217 tot en met 222, mogen als ontvangers enkel valoriseringscontracten opstellen met andere landbouwers die eveneens in het kwaliteitszorgproces zijn gestapt. § 5. In de valoriseringscontracten worden minstens volgende uitvoeringswijzen opgenomen : a) de verbintenis door de contractpartners om alle voorschriften die hen betreffen inzake het stikstofbeheer na te leven;b) de hoeveelheid organische stikstof die in het contract wordt bepaald (en diens equivalent in hoeveelheden organische meststoffen), evenals de duur van het contract;c) de modaliteiten die bepaald zijn bij contractbreuk, bij niet-naleving van het contract of in geval van geschil tussen de partijen;d) de bijwerking en terbeschikkingstelling van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, tegen 30 april van elk jaar door de contractpartners, van een transferboekhouding of van een boekhouding voor de weilanden voor het afgelopen landbouwjaar.Voor beide boekhoudingen wordt een document opgemaakt dat door de bij het of de contracten betrokken partijen ondertekend wordt en waarin de informatie over de verrichte transfers is opgenomen. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan de modaliteiten bepalen voor de uitvoering van de valoriseringscontracten. § 7. Elk valoriseringscontract wordt in drie exemplaren opgemaakt, één voor de landbouwer, één voor de derde en één voor het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, dat door de cedent wordt overgemaakt, uiterlijk één maand na ondertekening ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. - De verbintenis om via valoriseringscontracten organische stikstof uit te voeren Art. R. 216. § 1. De landbouwer die zich ertoe wenst te verbinden om valoriseringscontracten met derden af te sluiten om zich te schikken naar artikel 214, § 3, dient daartoe een verklaring af te leggen bij het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bedoelde verklaring verbindt de landbouwer zich ertoe om de voorschriften van artikel 215 na te leven. Bedoelde verklaring wordt opgesteld aan de hand van een door de Minister opgesteld formulier dat behoorlijk door de landbouwer ingevuld dient te worden, met datering en ondertekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring wordt bij aangetekend schrijven aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gericht. § 2. De landbouwer is ertoe verbonden via valoriseringscontracten organische stikstof uit te voeren op de datum waarop hij zijn verklaring verstuurd heeft. § 3. Bedoelde verbintenis loopt over een hernieuwbare periode van vier jaar die ingaat vanaf de verbintenis van de landbouwer. § 4. Bedoelde verbintenis wordt na afloop van de vier jaar verlengd, behalve als bedoelde verlenging niet overwogen wordt in toepassing van artikel 2147, § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling VI. - Kwaliteitszorg A. - Algemeen Art. R. 217. § 1. Indien het bedrijfsinterne grondgebondenheidscijfer (LS3 of LS-Interne, Franse noteerwijze) hoger is dan of gelijk is aan de eenheid, kan de landbouwer wiens bedrijfszetel in het Waalse Gewest gevestigd is, in een kwaliteitszorgproces stappen. In dat geval kan hij afwijken van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 211 en 212. § 2. Doel van het kwaliteitszorgproces is het beheer van het milieurisico dat de landbouwbedrijvigheid met zich brengt wat betreft de nitraatverontreiniging van het water. Het proces bestaat uit een verbintenis van de landbouwer of van een groep landbouwers om de verplichtingen evenals het protocol na te leven, vermeld in de artikelen 221 en 222.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld proces loopt over een verlengbare periode van vier jaar die ingaat vanaf de verbintenis van de landbouwer om in het kwaliteitszorgproces te stappen. § 3. Het bedrijfsinterne grondgebondenheidscijfer wordt volgens hiernavolgende formule berekend : Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) LS-Interne = [weideoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBP (kgNorg./ha)]+ [akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBA (kgNorg./ha)] waarbij in de noemer de oppervlakte van elk perceel vermenigvuldigd wordt met de basismaximumwaarde die hem eigen is, al naar gelang het perceel al dan niet gelegen is in een kwetsbaar gebied of in een gebied dat aan een bijzondere milieudruk onderhevig is. § 4. Minstens één maal per jaar en op grond van de recentst beschikbare gegevens licht het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, de landbouwers schriftelijk in over de waarde van LS3 van hun bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. - De verbintenisverklaring inzake kwaliteitszorg Art. R. 218. § 1. De landbouwer die zich wenst ertoe te verbinden om in een kwaliteitszorgproces te stappen dient daartoe een verklaring af te leggen bij het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bedoelde verklaring verbindt de landbouwer zich ertoe om de voorschriften van artikel 220 na te leven. Bedoelde verklaring wordt door de landbouwer gedateerd en ondertekend. Hij wordt aan de begeleidingsstructuur omschreven in artikel 226, §§ 2 en 3,voor visum voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring wordt bij aangetekend schrijven aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gericht. § 2. De verklaring is onontvankelijk : 1° als hij niet bij aangetekend schrijven is verstuurd;2° als hij noch ondertekend noch gedateerd is;3° als hij niet van een visum is voorzien door de begeleidingsstructuur;4° als hij niet is opgesteld in toepassing van artikel 217, § 1;5° als de landbouwer krachtens artikel 220, § 6, het verbod is opgelegd om een vorig kwaliteitszorgproces te vervolgen in een termijn die korter dan vier jaar is;6° als de eindbalans van de landbouwer in het kader van een vorig kwaliteitszorgproces door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water is afgekeurd in een termijn die korter is dan vier jaar. Als de verklaring onontvankelijk is, richt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, een beslissing aan de landbouwer waarin de onontvankelijkheidsgronden zijn opgenomen, binnen de drie maanden vanaf de ontvangstdatum van de verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen beslissing getroffen is binnen bedoelde termijn, wordt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, geacht tot de ontvankelijkheid van de verklaring te hebben besloten. § 3. Op grond van een met redenen omklede verklaring kan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, toelaten dat landbouwers wier bedrijfszetel in het Waalse Gewest gevestigd is en waarvan het LS3 lager is dan de eenheid, in het kwaliteitszorgproces stappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toekenning van bedoelde individuele toelatingen houdt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, rekening met de bijzonderheden van de biologische landbouw, evenals met de plaatselijke landbouwkenmerken en in het bijzonder met het belang van bedoelde toelating voor andere landbouwers wier bedrijfszetel in het Waalse Gewest gevestigd is en die hun eigen overschotten inzake dierlijke mest trachten uit te voeren. § 4. De landbouwer vat in het kwaliteitszorgproces aan op de datum waarop zijn verklaring verstuurd is, als bedoelde verklaring niet onontvankelijk is verklaard overeenkomstig § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. - Afwijkende maximumwaarden toegekend aan de landbouwers die in het kwaliteitszorgproces zijn gestapt Art. R. 219. § 1. In afwijking van de artikelen 211 en 212 beantwoorden de afwijkende maximumwaarden in de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, volgens het soort gewassen aan de som van de aanbreng op de groeiende gewassen en daarvóór vanaf de voorafgaande oogst, overeenkomstig de waarden vermeld in de tabel in bijlage XLI. § 2. In afwijking van artikel 211 vervangen de afwijkende maximumwaarden voor spreidbare organische stikstof buiten de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn de basiswaarden voor spreidbare organische stikstof op de betrokken oppervlakten van het bedrijf en hun waarde bedraagt : 1) gemiddeld per hectare akkerland (VDA) : 130 kg Norg./ha.an; 2) gemiddeld per hectare weideland (VDP) : 250 kg Norg./ha.an, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van bedoelde waarden dient de uitkomst van volgende breuk verplicht lager te zijn dan of gelijk te zijn aan de eenheid : Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) + Ingevoerde organische stikstof (kgNorg.) - Uitgevoerde organische stikstof (kgNorg.) LS-Dérogatoire= [weideoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBP (kgNorg./ha)]+ [akkerlandoppervlakte van het bedrijf (ha) X VBA (kgNorg./ha)] waarbij in de noemer de oppervlakten van het bedrijf die zich niet in gebieden bevinden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, niet in rekening worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van bedoelde formule wordt het aandeel van de voortgebrachte organische stikstof en van de ingevoerde organische stikstof die gespreid wordt op percelen die zich in gebieden bevinden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt, als uitgevoerde organische stikstof beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoelde breuk wordt « afwijkend grondgebondenheidscijfer van het bedrijf » genoemd (S4 of LS-Dérogatoire, Franse noteerwijze). § 3. De landbouwers mogen evenwel 210 kg Norg./ha gemiddeld op de oppervlakte van het bedrijf dat zich in een kwetsbaar gebied bevindt, niet overschrijden. Bedoelde voorwaarde vertaalt zich in het feit dat de uitkomst van volgende breuk (LS5 of LS-Zone Vulnérable, Franse noteerwijze) verplicht lager moet zijn dan of gelijk moet zijn aan de eenheid : Voortgebrachte organische stikstof (kgNorg.) + Ingevoerde organische stikstof (kgNorg.) - Uitgevoerde organische stikstof (kgNorg.) LS-Zone Vulnérable = [oppervlakte van het bedrijf in kwetsbaar gebied (ha) X 210 (kgNorg./ha)] Voor de berekening van bedoelde formule wordt het aandeel van de voortgebrachte organische stikstof en van de ingevoerde organische stikstof die gespreid wordt op percelen die zich buiten een kwetsbaar gebied bevinden, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt, als uitgevoerde organische stikstof beschouwd. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minstens één maal per jaar en op grond van de recentst beschikbare gegevens licht het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, de landbouwers schriftelijk in over de waarde van LS4 en LS5 van hun bedrijf. § 5. De uitgevoerde organische stikstof wordt enkel als dusdanig in rekening gebracht als daarvoor valoriseringscontracten behoorlijk worden opgemaakt, overeenkomstig artikel 215, §§ 4, 5 en 7. § 6. In afwijking van artikel 212 worden de organische meststoffen in de percelen die zich buiten de gebieden bevinden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, in dusdanige verhoudingen gespreid dat het jaargemiddelde van de aanbreng van organische stikstof over drie opeenvolgende jaren waarin bedoeld perceel in bedrijf is als akkerland enerzijds dan wel als weideland anderzijds, 130 kg Norg. per hectare en per jaar op akkerland en 250 kg Norg. per hectare en op weideland, met inbegrip van de teruggave aan de bodem door het vee dat zich op de weide bevindt, niet overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. - Na te leven verplichtingen in het kader van het kwaliteitszorgproces Art. R. 220. § 1. De landbouwers leven de basisbepalingen van een samenwerking met de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel 226, §§ 2 en 3, na.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe verbinden ze zich ertoe : 1° volledig mee te werken met de begeleidingsstructuur;2° « perceelfiches » bij te houden : in bedoelde fiches worden perceel per perceel inlichtingen opgenomen noodzakelijk voor het vaststellen van de stikstofbewegingen die daarop betrekking hebben, evenals de inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de opvolging van en de controle op de naleving van de verplichtingen vermeld in dit artikel; de begeleidingsstructuur kan de landbouwers helpen bij het invullen van bedoelde perceelfiches; de Minister kan het model van de formulieren voor bedoelde perceelfiches vaststellen; 3° de volledige doorzichtigheid van de stikstofbewegingen van het bedrijf te garanderen, hetgeen inhoudt dat de oppervlakte-opnames, de valoriseringscontracten, de « perceelfiches », de veebestandsopnames, de resultaten van de opbrengst van de gewassen, de etiketten op de voeder- en mestzakken, van de facturen en leveringsbewijzen met betrekking tot de aan- en verkoop van producten die stikstof bevatten, de facturen of de leveringsbewijzen met betrekking tot de aan- of verkoop van stikstof bevattende producten, evenals van enige andere informatie met betrekking tot andere transacties die betrekking hebben op stikstof of het stikstofbeheer in ruime zin, voor inzage door de begeleidingsstructuur ter beschikking worden gesteld;4° alle documenten met betrekking tot de resultaten van de potentieel uitspoelbare stikstoffen, de individuele grondgebondenheidscijfers en de valorsieringscontracten, elke briefwisseling met het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, en het Landbouwbestuur daaromtrent, evenals elke andere nuttige informatie voor het vervullen van de opdrachten van de begeleidingsstructuur ter beschikking te stellen;5° te aanvaarden dat de gegevens die in het bedrijf zijn ingezameld, na anoniem te zijn gemaakt, ingevoerd worden in een gegevensbank voor het onderzoek naar, de communicatie over en de evaluatie van het programma voor het duurzame beheer van stikstof in de landbouw. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landbouwers verbinden zich er eveneens toe elke herfst stikstofprofielen te laten verwezenlijken in een monsterneming van hun percelen met het oog op het bereiken van op duurzame wijze voldoening gevende potentieel uitspoelbare stikstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks worden de resultaten inzake de potentieel uitspoelbare stikstoffen van de landbouwers die in het kwaliteitszorgproces zijn gestapt, door de begeleidingsstructuur vergeleken met de referentiewaarden inzake de potentieel uitspoelbare stikstoffen die door de Minister zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 230, teneinde de prestaties van bedoelde landbouwers wat het stikstofbeheer betreft te evalueren. Als de verwachte prestaties niet bereikt worden, past de landbouwer in overeenstemming met de begeleidingsstructuur en overeenkomstig artikel 221, § 1, maatregelen toe met het oog op de verbetering van het stikstofbeheer overeenkomstig § 4 en, in het bijzonder, de vermindering van de bestaande stikstofinvoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister stelt de na te leven voorwaarden vast, evenals het te bereiken peil van de potentieel uitspoelbare stikstoffen zodat het als voldoende en duurzaam beschouwd kan worden, evenals de wijze van monsterneming en van analyse van de stikstofprofielen. § 3. De landbouwers worden eveneens verplicht om te waken over de jaarlijkse verwezenlijking in overleg met de begeleidingsstructuur van de systemische stikstofbalansen (bedrijfsbalans en wisselbouwbalans), met als doel het bereiken van op duurzame wijze voldoening gevende systemische stikstofbalansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks worden de resultaten inzake de systemische stikstofbalansen van de landbouwers die in het kwaliteitszorgproces zijn gestapt, door de begeleidingsstructuur vergeleken met de referentiewaarden inzake de systemische stikstofbalansen, teneinde de prestaties van bedoelde landbouwers wat het stikstofbeheer betreft te evalueren. Als de verwachte prestaties niet bereikt worden, past de landbouwer in overeenstemming met de begeleidingsstructuur en overeenkomstig artikel 221, § 1, maatregelen toe met het oog op de verbetering van het stikstofbeheer overeenkomstig § 4 en, in het bijzonder, de vermindering van de bestaande stikstofinvoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister stelt de referentiewaarden vast, evenals de na te leven voorwaarden en het te bereiken peil zodat de systemische stikstofbalansen als voldoende en duurzaam worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan de berekeningswijze van de systemische stikstofbalansen bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan de landbouwers wier bedrijf niet in een kwetsbaar gebied gevestigd is, noch in een gebied dat aan een bijzondere milieudruk onderhevig is, en die zich ertoe verbonden hebben in een kwaliteitszorgproces te stappen, van de verplichtingen bedoeld in deze paragraaf vrijstellen. § 4. In overeenstemming met de begeleidingsstructuur passen de landbouwers overeenkomstig artikel 221, § 1, landbouwkundige maatregelen, praktijken en beheerswijzen toe die een geleidelijke verbetering van het stikstofbeheer begunstigen, met als doel de prioritaire verbetering van de resultaten van de potentieel uitspoelbare stikstoffen bedoeld in § 2, evenals van de resultaten van de stikstofbalansen bedoeld in § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoeringswijze, evenals het referentiële toepassingsniveau van bedoelde maatregelen worden door de Minister vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit ervaring blijkt dat bedoelde maatregelen niet aangepast zijn voor het doeltreffend bereiken van bedoelde doelstellingen, kan de Minister de uitvoeringswijze ervan wijzigen, evenals het referentiële toepassingsniveau. Met het oog op hetzelfde doel kan de Minister bepaalde landbouwkundige maatregelen en praktijken tenietdoen of nieuwe maatregelen en praktijken toevoegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de individuele kwaliteitszorg kan de begeleidingsstructuur eveneens andere maatregelen formuleren indien hij de mening is toegedaan dat dankzij laatstgenoemde maatregelen de doelstellingen bedoeld in het eerste lid beter bereikt kunnen worden. § 5. De landbouwers verbinden zich ertoe het protocol voor de verwezenlijking van de kwaliteitszorg overeenkomstig punt E na te leven. § 6. De niet-naleving van de verplichtingen vastlegd krachtens dit deel en vastgesteld overeenkomstig artikel 231 impliceert voor de landbouwers het onmiddellijke verbod op de voortzetting van het kwaliteitszorgproces en bijgevolg de onmiddellijke verplichting om de waarden inzake spreidbare organische stikstof bedoeld in de artikelen 211 en 212 toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. - Balansen voor de afgelopen landbouwjaren, vooruitzichten voor de komende landbouwjaren, eindbalans en verlenging van het kwaliteitszorgproces Art. 221.§ 1. De landbouwer stelt jaarlijks in overleg met de begeleidingsstructuur een document op waarin de balans van het afgelopen landbouwjaar wordt opgemaakt, alsook de vooruitzichten worden opgesteld voor het komende landbouwjaar; in de balans van het afgelopen landbouwjaar wordt de evaluatie opgemaakt van de prestaties van de landbouwer zoals bedoeld in artikel 220; op grond van de balans van het afgelopen landbouwjaar wordt in de vooruitzichten de omschrijving opgenomen van de maatregelen bedoeld in artikel 220, zoals geprogrammeerd voor het komende landbouwjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om als geldig te worden beschouwd dient het document bedoeld in het eerste lid door de landbouwer ondertekend te worden, en voor akkoord ondertekend te worden door de begeleidingsstructuur, uiterlijk tegen 31 mei van elk jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de begeleidingsstructuur zijn instemming niet verleent, wordt de zaak naar het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, doorverwezen; artikel 231 is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan het model vaststellen van de formulieren voor de balans van het afgelopen landbouwjaar en de vooruitzichten voor het komende landbouwjaar. § 2. Het kwaliteitszorgproces wordt afgesloten na vaststelling van een eindbalans door de landbouwer in overleg met de begeleidingsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om als geldig te worden beschouwd, dient bedoelde eindbalans door de landbouwer ondertekend te worden en voor akkoord ondertekend te worden door de begeleidingsstructuur. Bedoelde balans dient door de landbouwer aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, te worden overgemaakt bij aangetekend schrijven, uiterlijk één maand na afloop van de vier jaar van het kwaliteitszorgproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de begeleidingsstructuur zijn instemming niet verleent, wordt de zaak naar het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, doorverwezen; artikel 231 is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bedoelde eindbalans wordt vastgesteld in welke mate de verplichtingen bedoeld in artikel 220 door de landbouwer zijn nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, onderzoekt de eindbalans en treft een met redenen omklede beslissing wat diens goedkeuring betreft binnen de drie maanden die volgen op de datum waarop de eindbalans door de landbouwer is verstuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen beslissing getroffen is binnen bedoelde termijn, wordt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, geacht de eindbalans te hebben goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de eindbalans door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, goedgekeurd wordt, wordt het kwaliteitszorgproces verlengd, behalve als bedoelde verlenging niet overwogen wordt, in toepassing van artikel 214, § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de eindbalans niet door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, goedgekeurd wordt, wordt het kwaliteitszorgproces niet verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan het model vaststellen van het formulier voor de eindbalans. § 3. Indien het kwaliteitszorgproces verlengd wordt, vormt de eindbalans bedoeld in § 2 een referentiële werkbasis voor de komende landbouwjaren met het oog op het op peil houden of het verbeteren van de prestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. - Verbintenis van groepen bedrijven in een kwaliteitszorgproces Art. R. 222. Het kwaliteitszorgproces kan binnen een groep bedrijven worden verricht op voorwaarde dat : 1° er een contract bestaat waarbij de samenwerking tussen de deelnemers geregeld wordt;2° er een maximumafstand tussen de bedrijfszetels bestaat; 3°er bewijzen bestaan voor een reeds bestaande samenwerking, zoals meer bepaald de gemeenschappelijke aankoop of levering, de grondruil, het delen van gebouwen, valoriseringscontracten, een verwantschapsband of de deelname aan een Coöperatieve voor het Gebruik van Landbouwmaterieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval wordt de groep bedrijven beschouwd als een bedrijfseenheid voor de verschillende aspecten van het kwaliteitszorgproces. De Minister kan de voorwaarden vastleggen voor de toegang tot en de gemeenschappelijke uitvoering van het kwaliteitszorgproces. Afdeling IV. - Evaluatie van de per dier voortgebrachte stikstofhoeveelheden, van het stikstofgehalte van de dierlijke mest en andere meststoffen Art. R. 223. § 1. De per dier en per jaar voortgebrachte stikstofhoeveelheden opgenomen in bijlage XLII vormen de waarden gebruikt voor de berekening van de organische stikstof voortgebracht bij de vaststelling van de grondgebondenheidscijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het kwaliteitszorgproces kan de berekening van de organische stikstof voortgebracht bij de vaststelling van de grondgebondenheidscijfers evenwel verricht worden op grond van de productievolumes en het stikstofgehalte van de bedrijfseigen dierlijke mest, op grond van een duidelijke, behoorlijk verantwoorde en door de in artikel 226, §§ 2 en 3 bedoelde begeleidingsstructuur goedgekeurde bepaling, indien meer bepaald rekening gehouden wordt met de voederwijze, de samenstelling en de omvang van het veebestand, de soorten huisvesting voor de dieren, de soorten voortgebrachte mest, de hantering ervan, alsmede met de resultaten van de regelmatige analyses die representatief zijn voor de dierlijke mest. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stikstofgehalte van de dierlijke mest die als referentie gebruikt wordt, inzonderheid voor de berekening van de ingevoerde en uitgevoerde organische stikstof bij de vaststelling van het grondgebondenheidscijfer, is opgenomen in bijlage XLIV. Landbouwers wier bedrijfszetel evenwel in het Waalse Gewest gevestigd is, kunnen afwijkende waarden verantwoorden op grond van resultaten van regelmatige analyses die representatief zijn voor de dierlijke mest, indien behoorlijk verantwoord en goedgekeurd door de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel 226, §§ 2 en 3. § 3. Het stikstofgehalte van andere meststoffen kan door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, vastgesteld worden als het niet gewaarborgd wordt krachtens andere vigerende regelgevingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouwers wier bedrijfszetel evenwel in het Waalse Gewest gevestigd is, kunnen afwijkende waarden verantwoorden op grond van resultaten van regelmatige analyses die representatief zijn voor de meststoffen, indien behoorlijk verantwoord en goedgekeurd door de begeleidingsstructuur bedoeld in artikel 226, §§ 2 en 3. § 4. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, beslist over de productievolumes en over het stikstofgehalte zoals voorgesteld door de landbouwer in toepassing van de §§ 1, 2 en 3, uiterlijk op het ogenblik waarop het de landbouwer over de waarde van zijn grondgebondenheidscijfers inlicht. Afdeling V. - Terbeschikkingstelling van inlichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r224\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 224</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke landbouwer is verplicht om op verzoek van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water? of van het Landbouwbestuur de bij dit hoofdstuk vereiste inlichtingen over te maken De inlichtingen dienen te worden overgemaakt binnen de maand volgend op het verzoek van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, of het Landbouwbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 232 is van toepassing in geval van niet-naleving van dit artikel. Afdeling VI. - Begeleiding en coördinatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r225\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 225</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bevordering van een duurzaam stikstofbeheer in de landbouw organiseren de Ministers in het Waalse Gewest een informatieprogramma waarbij zij inzonderheid de landbouwers uitnodigen om de code van goede landbouwpraktijken door te voeren Zij organiseren eveneens specifieke communicatiecampagnes voor de kwetsbare gebieden en de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r226\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 226</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De Ministers organiseren de coördinatie van de regeling en de begeleiding van de landbouwers wier bedrijfszetel in het Waalse Gewest gevestigd is. § 2. Daartoe vertrouwen zij op grond van een overeenkomst begeleidings- en coördinatie-opdrachten aan één of verschillende instellingen die in dit hoofdstuk onder het begrip « begeleidingsstructuur » vallen In ieder geval treedt de begeleidingsstructuur op : 1° in het kader van het kwaliteitszorgproces, overeenkomstig de artikelen 218, 220 en 221;2° in het kader van artikel 223. De begeleidingsstructuur kan eveneens de landbouwers helpen die niet in het kwaliteitszorgproces zijn gestapt en wier bedrijfszetel in het Waalse Gewest is gevestigd, bij het beheren van het milieurisico voortvloeiend uit hun landbouwbedrijvigheid, wat betreft de nitraatverontreiniging van het water. § 3. De begeleidingsstructuur treedt bij voorrang op in de kwetsbare gebieden en in de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn. Afdeling VII. - Evaluatie en bewaking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r227\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 227</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als uit de ervaring opgedaan bij de uitvoering van een actieprogramma in een kwetsbaar gebied of van een specifiek programma voor het stikstofbeheer in de landbouw in gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn, blijkt dat de daarin vervatte maatregelen niet aangepast zijn of niet voldoen om in het betrokken gebied de doelstellingen bedoeld in artikel 189 te bereiken, treft de Regering alle maatregelen en acties die hij noodzakelijk acht Bij de keuze van bedoelde maatregelen of acties wordt rekening gehouden met hun doeltreffendheid en hun kostprijs, in verhouding tot andere in overweging genomen maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r228\"><span class=\"lf-art-num\">Art R. 228</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om de kwetsbare gebieden en de gebieden die onderhevig zijn aan een bijzondere milieudruk aan te wijzen, de vastgestelde lijst ervan te herzien en de doeltreffendheid van de algemene maatregelen van de daarop betrekking hebbende programma's te evalueren, wordt door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, een algemene bewaking van het nitraatgehalte van het water, « survey nitrate » genaamd, georganiseerd, op volgende wijze : 1° het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, stelt een meetnet vast voor nitraat in het oppervlaktewater en in het grondwater, dat wordt aangevuld met de door de waterproducenten verstrekte inlichtingen;2° de exploitanten van aansluitpunten voor tot drinkwater verwerkbaar grondwater verrichten met een frequentie zoals voorzien in de tabel in bijlage XLV, de analyse van representatieve monsternemingen van het ruwe water die betrekking hebben op volgende parameters : ammoniumstikstof, nitriet en nitraat (resultaten uitgedrukt in, respectievelijk, mg NH4, mg NO2, mg NO3 per liter);zij verstrekken de resultaten van de analyses minstens één maal viermaandelijks aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water; 3° de exploitanten van aansluitpunten voor tot drinkwater verwerkbaar oppervlakte water verrichten met een frequentie zoals voorzien in bijlage XLV, de representatieve monsternemingen van het ruwe water die betrekking hebben op volgende parameters : ammoniumstikstof, nitriet en nitraat (resultaten uitgedrukt in, respectievelijk, mg NH4, mg NO2, mg NO3 per liter);zij verstrekken de resultaten van de analyses minstens één maal viermaandelijks aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijst van de kwetsbare gebieden en van de gebieden die aan een bijzondere milieudruk onderhevig zijn wordt minstens elke vier jaar opnieuw onderzocht en indien nodig herzien en aangevuld, om rekening te houden met de veranderingen en factoren die op het ogenblik van de voorgaande aanwijzing niet te voorzien waren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r229\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 229</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De nitraatconcentraties in het water wordt gemeten via spectrofotometrie van moleculaire absorptie of via enige andere meetmethode die door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, is aanvaard en waarmee vergelijkbare resultaten gehaald kunnen worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r230\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 230</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks stelt de Minister de referentiewaarden op voor de potentieel uitspoelbare stikstoffen, aan de hand waarvan de impact van de ondernomen acties geëvalueerd en de maatregelen uitgevoerd door de landbouwers die in het kwaliteistzorgproces zijn gestapt met het oog op de bestrijding van de nitraatverontreiniging van het water bijgesteld kunnen worden. Bedoelde waarden worden inzonderheid vastgesteld op grond van volgende bestanddelen : 1° de weersomstandigheden die het betrokken jaar hebben gekenmerkt;2° de resultaten van de stikstofprofielen verspreid in een netwerk van respresentatieve meetpunten, « survey surfaces agricoles » genaamd.De Minister kan de wijze van doorvoering van de « survey surfaces agricoles » vaststellen; 3° het soort gewassen;4° de ligging en de bodemkundige voorwaarden. Art. R. 231. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gaat na of de verplichtingen die landbouwers zijn opgelegd krachtens de artikelen 195 tot en met 202, 203 tot en met 206, 207 tot en met 213, 214, § 3, 215 en 216 en 217 tot en met 222 worden nageleefd In geval van twijfel over de niet-naleving van bedoelde verplichtingen licht het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, de landbouwer bij aangetekend en met redenen omkleed schrijven daarover in, waarbij laatstgenoemde uitgenodigd wordt om de opmerkingen van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, van antwoord te voorzien. Daarvoor beschikt hij over een termijn van één maand. Binnen een termijn van drie maanden vanaf voornoemd aangetekend schrijven bepaalt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, of er sprake is van niet-naleving van de verplichtingen. In dat geval is artikel 232 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r232\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 232</span><span class=\"lf-art-t\">De bepalingen van de artikelen 407 tot en met 410 van het decreetgevende deel zijn van toepassing bij de uitvoering van dit besluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VIII. - Financiering van het beheer van de natuurlijke cyclus DEEL III. - BEHEER VAN DE ANTHROPISCHE WATERCYCLUS TITEL I. - Fasen van de anthropische watercyclus HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. R. 233. Voor de toepassing van deze regelgevende bepalingen dient te worden verstaan onder : 1° « agglomeratie » : zone waarin de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn opdat het stedelijk afvalwater opgevangen kan worden om vervolgens naar een zuiveringsstation of een definitieve lozingsplaats afgevoerd te worden;2° « besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 betreffende de milieuvergunning » : besluiten betreffende de integrale en sectorale voorwaarden die van toepassing zijn op individuele zuiveringssystemen;3° « Comité » : het Comité van deskundigen belast met de behandeling van de aanvragen tot erkenning van zuiveringssystemen, opgericht krachtens artikel 410; 4° « agglomeratie-overeenkomst » : overeenkomst van wederkerige verbintenissen », voortvloeiend uit het overleg tussen de gemeentelijke actoren, de « S.P.G.E. » en het Gewest waarbij de prioriteiten worden vastgelegd wat betreft de onderzoeken en werken inzake de de collectoren, de zuiveringsstations en eventueel de wegenwerken in een bepaalde agglomeratie; 5° « bevoegde directoraten-generaal van het Ministerie van het Waalse Gewest » : het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, het Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium;6° « stedelijk afvalwater » : huishoudelijk afvalwater of mengsel van huishoudelijk afvalwater en industrieel afvalwater en/of afvloeiend hemelwater;7° « scheidingsriolering » : riolering waarin enkel huishoudelijk afvalwater geloosd wordt, met uitzondering van regenwater en helder parasietwater; 8° « prioritaire afwatering » : afwatering in agglomeraties, waarvan het aantal inwoner-equivalenten hoger dan of gelijk is aan 2000, plus eventueel de afwatering van andere agglomeraties van minder dan 2000 I.E. waaraan de afwatering van andere agglomeraties van minder dan 2000 inwoner-equivalenten toegevoegd mogen worden, bepaald door de Regering in functie van de milieuprioriteiten die zijn vastgesteld krachtens artikel 217 van het decreetgevende deel; 9° « gemeenschappelijke zuivering » : zuiveringsproces uitgevoerd door een gemeenschappelijk zuiveringsstation;10° « individuele zuivering » : zuiveringsproces uitgevoerd door een individueel zuiveringssysteem; 11° « inwonerequivalent » of afgekort \"I.E. » : biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik over vijf dagen (BZV5) van 60 g zuurstof per dag; 12° « gebeurtenis » : elk feit waardoor de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water aangetast wordt of kan worden;13° « eutrofiëring » : verrijking van het water door nutriënten, vooral stikstof- en/of fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;14° « septische put » : voorziening voor de voorbehandeling van huishoudelijk afvalwater door vloeibaarmaking;15° « beheerder van een gebeurtenis » : de persoon die daar binnen zijn diensten toe aangewezen is door de leverancier, die verantwoordelijk is voor het beheer van de gebeurtenis;16° « woning » : vaste installatie in de zin van artikel 84, § 1, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;17° « nieuwe woning » : woning waarvan de bouwvergunning in eerste instantie verleend wordt na de inwerkingtreding van het algemeen reglement voor de sanering van stedelijk afvalwater;18° « erkende zuiveringsinstelling » : vereniging van gemeenten erkend door de Waalse regering overeenkomstig de artikelen 343 en 344 van het decreetgevende deel;19° « bevoegde zuiveringsinstellin » : de overeenkomstig artikel 343 van het decreetgevende deel erkende vereniging van gemeenten in het ambtsgebied waarvan de betrokken agglomeratie gelegen is;20° « algemeen gemeentelijk afwateringsplan » : het algemeen gemeentelijk afwateringsplan goedgekeurd door de Minister overeenkomstig het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 19 september 1991;21° « saneringsplan per hydrografisch onderbekken » : werktuig voor de planning en de cartografische voorstelling van de sanering per hydrografisch onderbekken;22° « gemeenschappelijk zuiveringsstation » : zuiveringsstation dat stedelijk afvalwater van een agglomeratie behandelt;23° « opvangsysteem » : geheel van de rioleringen, werken en verzamelleidingen die stedelijk afvalwater opvangen en naar een gemeenschappelijke waterzuiveringsinstallatie of een definitieve lozingsplaats afvoeren;24° « individueel zuiveringssysteem » : individuele zuiveringseenheid, individuele zuiveringsinstallatie, individueel zuiveringsstation voor de zuivering van het door één of meer woningen geloosde huishoudelijk afvalwater en voor de lozing van water gezuiverd onder de voorwaarden bepaald bij de uitvoeringsbesluiten van het</p>\n<p class=\"lf-p\">decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 betreffende de milieuvergunning;25° « toereikende behandeling » : behandeling van geloosd stedelijk afvalwater door middel van een proces en/of afvoersysteem waardoor het ontvangende oppervlaktewater de kwaliteitsdoelstellingen haalt en aan de relevante bepalingen van de artikelen 298 tot en met 303 voldoet;26° « primaire behandeling » : behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een fysisch en/of chemisch proces van bezinking van gesuspendeerde stoffen, of andere processen waarbij het BZV 5 van het inkomende afvalwater vóór de lozing met ten minste 20 % wordt verminderd en de totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen in het inkomende afvalwater met ten minste 50 % wordt verminderd;27° « secundaire behandeling » : behandeling van stedelijk afvalwater door middel van een proces waarbij in het algemeen biologische behandeling met secundaire bezinking plaatsvindt of een ander proces dat het mogelijk maakt de in bijlage XLVI vermelde eisen in acht te nemen;28° « tertiaire behandeling » : behandeling die de secundaire behandeling aanvult en het mogelijk maakt de in bijlage XLVII vermelde normen in acht te nemen;29° « gebieden bestemd voor verstedelijking » : gebieden bedoeld in artikel 25, tweede lid, 1° tot 9°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Opdrachten en organisatie van het Waalse Fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door de grondwaterwinning en pomping Afdeling I. - Opdrachten van het Fonds</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r234\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 234</span><span class=\"lf-art-t\">Het Fonds staat voorschotten toe enkel binnen de grenzen en aan de voorwaarden bepaald in deze afdeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r235\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 235</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. In geval van schade aan panden en aan grondstukken heeft het voorschot betrekking op de herstelkosten van de panden en grondstukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bedrag van de werken hoger is dan de waardevermindering van het goed of indien de schade onherstelbaar is, mag het bedrag van het voorschot niet hoger zijn dan dat van de waardevermindering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waardevermindering is te begrijpen als het verschil tussen de verkoopwaarde van het pand op de dag van de vaststelling voorzien in artikel 213 van het decreetgevende deel en zijn waarde vóór de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering welke het enig gevolg is van de plaatsbepaling van het goed in het geteisterd gebied. § 2. In geval van schade aan industriële gebouwen of aan machines en installaties geïncorporeerd in deze gebouwen wordt het voorschot toegestaan enkel indien de schade van aard is een vermindering van de bedrijfsactiviteit te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorschot is onderworpen aan de regels van § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag toegestaan als voorschot mag de aankoopwaarde van deze gebouwen niet overschrijden, na aftrek van de afschrijvingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r236\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 236</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van schade aan het plantenleven is het voorschot bestemd voor het vergoeden geheel of ten dele van het geleden verlies tijdens de duur van het dalen van de grondwaterlaag zoals het vastgesteld is door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, op basis namelijk van piëzometrische metingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r237\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 237</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van nadeel veroorzaakt door de niet-bezetting of niet-gebruik van heel of een deel van een gebouw bestemd voor woning is het voorschot bestemd voor het verlies van het genot tijdens de normale duur van de herstelling of van de herbouwing Het verlies van het genot wordt berekend volgens de huurwaarde van het geteisterd gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r238\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 238</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van de verhuis van de bewoners van geteisterde gebouwen is het voorschot bestemd om de verhuiskosten geheel of ten dele te dekken op basis van de factuur In geval van herhuisvesting van de bewoners van geteisterde gebouwen is het voorschot bestemd om de herbergeringskosten tijdens maximum twee maanden geheel of ten dele te dekken. Dit voorschot mag niet gecumuleerd worden met het in artikel 237 voorziene voorschot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r239\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 239</span><span class=\"lf-art-t\">Het Fonds kan een voorschot toestaan bestemd om de erelonen en kosten, provisioneel of definitief, opgesteld door de bij vonnis aangeduide deskundige te dekken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het vonnis volgt na de indiening van de voorschotaanvraag, kan een bijkomende aanvraag ingediend worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r240\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 240</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het basisbedrag voor het berekenen van het voorschot wordt naar billijkheid bepaald volgens de samenstellende elementen van de schade zoals zij in artikelen 235 tot en met 239 bepaald zijn Het als voorschot toegestaan bedrag is gelijk aan het product van dit basisbedrag, vermenigvuldigd door het maximumpercentage van de verantwoordelijkheden toegekend aan het geheel van personen in rechte gedagvaard overeenkomstig artikel 212 van het decreetgevende deel, zoals dit percentage door de ambtenaar of de erkende deskundige geschat is tijdens de in artikel 213 van het decreetgevende deel voorziene vaststelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r241\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 241</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Fonds is belast met de financiering van de uitvoering van de algemene maatregelen en studies, gevorderd door de Minister, om de in artikel 210, eerste lid van het decreetgevende deel bedoelde schade te voorkomen en te beperken op de voorwaarde dat deze maatregelen en studies betrekking hebben op beraamde of bestaande grondwaterwinningen waarvan de som van de toegelaten afvloeiingsvermogens betreffende éénzelfde grondwaterlaag hoger is dan twee miljoen m3 per jaar Deze algemene studies moeten als basis kunnen dienen voor elk onderzoek dat ingesteld zou worden bij een aanvraag tot vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij mogen niet toevertrouwd worden aan instellingen die belang hebben in de uitbating van de bestudeerde grondwaterlaag. Afdeling II. - Procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r242\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 242</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorschotaanvragen worden aan het Secretariaat van het Fonds gericht. Zij worden aangevuld door de volgende stukken : 1° een afschrift, eensluidend verklaard door de griffie van het vredegerecht, van het proces-verbaal van het verschijnen tot minnelijke schikking, voorzien door artikel 212 van het decreetgevende deel;2° het origineel of het door de griffie van het vredegerecht eensluidend verklaard afschrift van de in artikel 212 van het decreetgevende deel bedoelde dagvaarding;3° een afschrift van de vaststelling van de schade, bedoeld in artikel 213 van het decreetgevende deel;4° een uittreksel, in dubbel exemplaar, van het kadastraal plan dat de ligging van het pand, van het grondstuk aanduidt evenals een uittreksel van de kadastrale legger dat het kadastraal inkomen van het pand of van het grondstuk aanduidt; 5° een uittreksel, in dubbel exemplaar, van de topografische kaart van de streek op de schaal van 1/10.000 dat de ligging van het pand of van het grondstuk aanduidt; 6° in dubbel exemplaar, de bewijsstukken eventueel geëist in toepassing van de artikelen 235 tot en met 239, met name : a) de stukken die de vermindering van de activiteit van het bedrijf aantonen evenals de factuur of de aankoopakte van deze goederen, samen met het aflossingstableau;b) het stuk dat de aangerekende eenheidsprijzen rechtvaardigt en het stuk dat het productieverlies rechtvaardigt, indien de toelageaanvraag het herstel van de schade aan het plantenleven bedoeld;c) de factuur die de verhuiskosten rechtvaardigt en het stuk dat de herhuisvestingskosten rechtvaardigt;d) de erelonen en de kosten, provisioneel of definitief, opgesteld door de in artikel 239 aangeduide deskundige Daarenboven kan de belanghebbende elk stuk dat hij nuttig vindt voor het onderzoek van zijn dossier indienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r243\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 243</span><span class=\"lf-art-t\">Binnen de vijftien dagen bericht de secretaris van het Fonds de goede ontvangst van de aanvraag door een ter post aangetekende brief</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomend geval meldt het ontvangbewijs de stukken welke dienen opgestuurd te worden om het dossier volledig te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r244\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 244</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Zodra het dossier volledig is, stelt de secretaris van het Fonds een samenvattend verslag op, welk, met name, aan de conclusies van de in artikel 213 van het decreetgevende deel bedoelde vaststelling tegemoetkomt Het voorschot wordt toegekend door de Minister op basis van het door de secretaris van het Fonds opgesteld verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van de beslissing van de Minister wordt aan de belanghebbende bekend gemaakt door een ter post aangetekende brief. § 2. Een nader onderzoek kan toegekend worden aan de in artikel 213 van het decreetgevende deel bedoelde ambtenaren en deskundige door de secretaris van het Fonds en door de Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag van het nader onderzoek wordt op het secretariaat van het Fonds neergelegd door de ambtenaren en deskundigen binnen de veertig dagen vanaf de bekendmaking van de beslissing waardoor zij aangeduid zijn. § 3. Een afschrift van de beslissing wordt door een ter post aangetekende brief aan de belanghebbende bekend gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r245\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 245</span><span class=\"lf-art-t\">Indien het voorschot bestemd is om de herstelkosten te dekken, wordt het vereffend bij het voorleggen van de facturen betreffende de uitvoering van de werken</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r246\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 246</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voorschot vereffend is, verwittigt de secretaris van het Fonds de gedagvaarde partijen onmiddellijk ervan overeenkomstig artikel 212 van het decreetgevende deel door een ter post aangetekende brief</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r247\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 247</span><span class=\"lf-art-t\">Indien het voorschot hoger is dan de door definitief vonnis toegestane toelage, wordt het verschil zonder interesten aan het Fonds terugbetaald</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r248\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 248</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorschotsgerechtigde die dit hoofdstuk niet in acht neemt of die valse verklaringen doet is gehouden de door hem ontvangen bedragen terug te betalen. Afdeling V. - Rol en opdrachten van sommige personeelsleden en bijdragepercentage in het voorschottenfonds Art. R. 249. De dossiers betreffende het vaststellen van de schade worden door de secretaris van het Waalse Voorschottenfonds toevertrouwd, hetzij aan de personeelsleden bedoeld in artikel 250, hetzij aan de deskundige bedoeld in artikel 251, al naar gelang de complexiteit ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrederechter, bij wie een oproep tot verzoening aanhangig wordt gemaakt, richt zijn beschikking aan de secretaris van het Fonds, met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel 213, § 4, van het decreetgevende deel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r250\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 250</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De door het winnen of het oppompen van grondwater aangerichte schade mag worden vastgesteld door de volgende personeelsleden van het Ministerie van het Waalse Gewest : 1° de personeelsleden van niveau 1 aangesteld bij de dienst « grondwater » van de centra Luik, Marche, Bergen en Namen van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water;2° de personeelsleden van niveau 1 aangesteld bij de hoofdzetel van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu de Afdeling Water, Directie Grondwater, die een technisch ambt uitoefenen. Art. R. 251. § 1. De deskundige wordt bezoldigd voor de erkenningsperiode met een forfaitair bedrag van 5.949,44 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag wordt gehalveerd indien het aantal hem tijdens de erkenninsperiode toevertrouwde dossiers minder bedraagt dan vijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er tijdens die periode geen enkel dossier wordt toevertrouwd, wordt er geen enkel bedrag verleend. § 2. Als de aangewezen deskundige oordeelt dat het bedrag van zijn bezoldiging onvoldoende is, gezien het aantal dossiers die hem tijdens de erkenningsperiode zijn toegewezen, het belang ervan en de verstrekte diensten, kan de voor Water bevoegde Minister, op voorstel van de secretaris van het Waalse Voorschottenfonds, hem uitzonderlijkerwijs bijkomende honoraria toekennen, met inachtneming van de beschikbare begrotingskredieten. § 3. De dossierkosten worden afzonderlijk terugbetaald op grond van een uitvoerig driemaandelijks overzicht, dat voor elk dossier door de deskundige wordt opgemaakt. Voor de berekening van deze vergoedingen wordt de deskundige gelijkgesteld met een ambtenaar van rang A4. § 4. De bezoldigings- en dossierkosten worden gedragen door het Waalse Voorschottenfonds. HOOFDSTUK III. - Parameterwaarden geldend voor het voor menselijke consumptie bestemd water Afdeling I. - Voorwerp Art R. 25 2. Dit hoofdstuk draagt bij tot de omzetting van richtlijn 98/83/EG van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemd water. Afdeling II. - Parameterwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r253\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 253</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De microbiologische en chemische parameterwaarden geldend voor het voor menselijke consumptie bestemd water zijn opgenomen in bijlage XLVIII, delen A en B. De indicatieve parameters zijn opgenomen in bijlage XLVIII, deel C. Art. R. 254. De lijst en de maximumdosissen van de stoffen en materialen toegelaten voor de voorbereiding en de distributie van voor menselijke consumptie bestemd water zijn opgenomen in bijlage XLIX. De Regering wijzigt na advies van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, die lijst om rekening te houden met de technologische vooruitgang en de ter zake geldende bepalingen. Afdeling III. - Controleprogramma</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r255\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 255</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van artikel 188 van het decreetgevende deel is de leverancier ertoe verplicht een jaarlijks en geschikt controleprogramma vast te stellen waarmee regelmatig nagegaan kan worden of het voor menselijke consumptie bestemde water aan de vereisten van de artikelen 180 tot en met 193, 411 tot en met 415 en 430 van het decreetgevende deel beantwoordt, en voor het eerst uiterlijk op 10 mei 2004. § 2. Het controleprogramma betreft elk distributiegebied dat door de leverancier is bepaald en bevat twee soorten controles : een routinecontrole bedoeld in artikel 256 en een volledige controle bedoeld in artikel 257. § 3. Voor elk distributiegebied schikt de leverancier zich naar : 1° het minimumaantal plaatsen van monsterneming overeenkomstig bijlage L, deel B;2° de frequentie van de monsternemingen en de analyses overeenkomstig bijlage L, deel B;3° de analysemethodes voorgeschreven bij bijlage LI. Art. R. 256. De routinecontrole waarmee regelmatig de gegevens verstrekt worden meer bepaald over de organoleptische en de microbiologische kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water, evenals de gegevens over de doeltreffendheid van de behandeling van het drinkwater, van de ontsmetting indien die behandeling plaatsvindt Die routinecontrole bepaalt of het voor menselijke consumptie bestemde water voor de parameters bedoeld in bijlage L, tabel A, al dan niet aan de waarden vastgesteld voor die parameters in bijlage XLVIII voldoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r257\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 257</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volledige controle heeft als doel de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn om te bepalen of al dan niet aan de parameterwaarden bepaald bij bijlage XLVIII voldaan wordt Alle parameters vastgesteld in bijlage XLVIII worden aan een volledige controle onderworpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r258\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 258</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk tegen het einde van het derde kwartaal is de leverancier ertoe verplicht de controleprogramma's, evenals hun wijzigingen voor het volgende jaar, aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, mede te delen De aard en de vorm van de over te maken gegevens worden door de Minister vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het dossier niet overeenkomstig de aard en de vorm van de door de Minister bepaalde gegevens is ingevuld, beschouwt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, het dossier als onvolledig en de leverancier wordt geacht zijn verplichtingen niet te zijn nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval stuurt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, het dossier naar de leverancier terug, die over één maand beschikt om het vormelijk in orde opnieuw in te dienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r259\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 259</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Er kunnen andere methodes dan die bepaald bij bijlage LI, punt 1, worden gebruikt op voorwaarde dat de leverancier kan bewijzen dat de verkregen resultaten minstens even betrouwbaar zijn als de resultaten verkregen door de vastgestelde methodes. § 2. Voor de parameters opgenomen in bijlage LI, punt 2 en 3, kan elke analysemethode worden gebruikt op voorwaarde dat de vereisten die onder die punten bepaald worden, in acht worden genomen. § 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 deelt de leverancier de gebruikte methodes en hun eventuele gelijkwaardigheid aan de Administratie mee, behalve indien die methodes reeds door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, erkend zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r260\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 260</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leverancier deelt alle resultaten met betrekking tot één kalenderjaar aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, mee in de loop van het kwartaal volgend op het verstrijken van het kalenderjaar, en in de door de Minister bepaalde vormen. Afdeling IV. - Afwijkingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r261\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 261</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Overeenkomstig artikel 192 van het decreetgevende deel kan de Minister, op aanvraag van de leverancier, na raadpleging van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, een afwijking van de parameterwaarden vastgesteld bij bijlage XLVIII, deel B, verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister kan een tweede afwijking verlenen voor een duur van drie jaar. § 2. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister het advies van de Europese Commissie inwinnen in verband met de verlening van een derde afwijking voor een periode van niet meer dan drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Minister het voornemen heeft om een nieuwe afwijking toe te kennen, maakt hij de opgemaakte balans, evenals de motieven die zijn beslissing verantwoorden om een dergelijke afwijking toe te kennen, aan de Europese Commissie over. Die derde afwijking duurt niet langer dan drie jaar. § 3. De Minister licht de Europese Commissie binnen een termijn van twee maanden in over elke afwijking die gemiddeld een distributie van meer dan 1000 m3 per dag betreft of geldend voor de bevoorrading van meer dan 5.000 personen. HOOFDSTUK IV. - Procedure die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van gebeurtenissen die schade kunnen toebrengen aan het voor menselijke consumptie bestemde water Art. R. 262. Elke leverancier dient een procedure vast te stellen, die intern nood- en interventieplan wordt genoemd en die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van een gebeurtenis, minstens overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die procedure worden minstens omschreven : - de nadere karakterisering van de gebeurtenis, meer bepaald de omschrijving van de maatregelen die getroffen dienen te worden op de plaats van het incident om de met betrekking tot bedoelde gebeurtenis verstrekte inlichtingen na te kijken; - de wijze van beheer van de gebeurtenis, meer bepaald de omschrijving van de wijze die tot de verklaring van ondrinkbaarheid leidt; - de wijze waarop inlichtingen worden verstrekt aan de betrokken verbruikers en overheden indien het water ondrinkbaar is; - de wijze van traceerbaarheid van de gebeurtenis, meer bepaald wat betreft de registratie van de daarop betrekking hebbende documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aldus opgestelde document dient daarnaast bijkomend te vermelden : - de verdeling van de distributiegebieden op het grondgebied dat door de leverancier gedekt wordt, evenals de samenvattende schema's voor watertoevoer naar die gebieden; - de alimentatiebron(nen) van elk distributiegebied; - de adresgegevens van de beheerder van de gebeurtenis; - de adresgegevens van de persoon of de overheid die tot de ondrinkbaarheid besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die procedure dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, dat over een termijn van zestig dagen beschikt om ermee in te stemmen of zijn opmerkingen over te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r263\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 263</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke gebeurtenis dient onverwijld aan de leverancier te worden medegedeeld. Elke informatieverstrekking aan de leverancier met betrekking tot het voorvallen van een gebeurtenis die gefundeerd is of die niet afkomstig is van een derde dient vanwege de beheerder van de gebeurtenis te worden opgevolgd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r264\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 264</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De leverancier wijst uit zijn midden aan : a) de beheerder(s) van een gebeurtenis;die aanwijzingen waarborgen dat het nood- en interventieplan dagelijks 24 uur op 24 in werking kan treden; b) de overheid die gemachtigd is om het water niet-conform te verklaren met de gezondheids- en schoonheidsvereisten. § 2. Elke medegedeelde gebeurtenis dient vormelijk geregistreerd te worden op een document zoals bepaald in artikel 265. § 3. De leverancier stelt een in geval van nood door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, raadpleegbaar samenvattend schema voor watertoevoer op en houdt het bij. De Minister kan de standaardkenmerken van die schema's vastleggen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r265\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 265</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de gebeurtenis hem ter kennis wordt gesteld, stelt de beheerder van de gebeurtenis een document op dat minstens volgende gegevens vermeldt : - de identiteit van de personen die zijn aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1; - indien mogelijk, identiteit en adres van de persoon die de gebeurtenis gemeld heeft; - plaats van de gebeurtenis; - vermoede aard van de gebeurtenis; - diagnose; - acties die ondernomen zijn of dienen te worden; - eventuele niet-conformverklaring met de gezondheids- en schoonheidsvereisten; - eventuele informatieverstrekking aan de bevolking en aan de betrokken overheden Zij vult het aan naar gelang de gebeurtenis behandeld wordt en ondertekent het op het ogenblik dat de gebeurtenis afgehandeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er een niet-conformverklaring met de gezondheids- en schoonheidsvereisten wordt opgesteld, wordt er onverwijld een afschrift van het document overgemaakt aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, en aan de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r266\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 266</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De beheerder van de gebeurtenis stelt onmiddellijk een eerste diagnose op en neemt notitie van alle ingezamelde gegevens in het document waarvan sprake in artikel 265. § 2. Als er niet onmiddellijk een diagnose opgesteld kan worden, begeeft zich een beambte van de leverancier onmiddellijk ter plaatse om een eventuele aantasting van het water te evalueren terwijl hij onmiddellijk maatregelen treft en/of waterstalen neemt om minstens de troebelheid, de kleur, de geur en de doeltreffendheid van de ontsmetting te controleren In voorkomend geval worden de staalnemingen en analyses zo spoedig modelijk door een geaccrediteerd laboratorium doorgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r267\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 267</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Na de diagnose bedoeld in artikel 266 opgesteld te hebben, bepaalt de beheerder van de gebeurtenis het geografische gebied dat bij de gebeurtenis betrokken is of erbij betrokken kan worden. Zij kan daartoe de inzet eisen van elke beambte van de leverancier waarvan zij meent de hulp nodig te hebben De beheerder van de gebeurtenis verifieert het distributienet en de stroomopwaarts gelegen kunstwerken onder gebruik van de netschema's die door de leverancier zijn opgesteld om de site waar de gebeurtenis zijn oorsprong heeft te identificeren (waterwinningspunten, bekken, watertoren, privé-installatie, enz.) en het daarbij betrokken gebied nauwkeurig te bepalen. Hij bepaalt de gemeente(n), evenals het aantal aansluitingen die bij de gebeurtenis betrokken zijn. § 2. Alle ingezamelde gegevens, meer bepaald de aanwijzing van de gemeenten, van de delen van hun grondgebied die bij de gebeurtenis betrokken zijn en de referenties van de netschema's zijn vermeld in het document bedoeld in artikel 265.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r268\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 268</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Als de persoon aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1, besluit dat het water conform is aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten bedoeld in artikel 184 van het decreetgevende deel, neemt zij notitie van de beslissing in het document bedoeld in artikel 265 en sluit te procedure af die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van een gebeurtenis. § 2. Wanneer de persoon aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1, b), meent dat het niet conform is aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten bedoeld in artikel 184 van het decreetgevende deel, controleert zij of onmiddellijke maatregelen het water opnieuw conform kunnen maken aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten binnen een termijn die korter is dan de termijn nodig voor de vormelijke niet-conformverklaring Die termijn mag in geen enkel geval de zes uur overschrijden. § 3. Als de uitvoering van de onmiddellijke maatregelen die het water opnieuw conform kunnen maken aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten minder tijd in beslag neemt dan de termijnen vermeld in § 2, is er geen aanleiding tot het opstellen van een niet-conformverklaring. § 4. Als de uitvoering van de onmiddellijke maatregelen die het water opnieuw conform kunnen maken aan de gezondheids- en schoonheidsvereisten het niet mogelijk maakt binnen de termijnen bedoeld in § 2, stelt de persoon aangewezen ter uitvoering van artikel 264, § 1, b), een vormelijke niet-conformverklaring op. Zij treft dan alle nodige maatregelen om onmiddellijk de bevolking en de betrokken overheden op de hoogte te brengen waarbij rekening gehouden wordt met eventuele beperkingen in het gebruik van het water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die beslissing wordt in het document bedoeld in artikel 265 opgenomen. De betrokken overheden zijn het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, de burgemeesters van de betrokken gemeenten en, in voorkomend geval, elke andere bevoegde overheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r269\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 269</span><span class=\"lf-art-t\">De leverancier treft alle maatregelen om de continuïteit van het beheer van de gebeurtenis tijdens en buiten de normale diensturen te garanderen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r270\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 270</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leverancier maakt zijn interne nood- en interventieplan voor het eerste uiterlijk tegen het einde van het derde kwartaal van 2004 aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, over. Het interne nood- en interventieplan wordt minstens één keer elke drie jaar door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, en de leverancier onderling geëvalueerd. Die evaluatie kan aanleiding even tot een verzoek van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, om een revisie van het plan door te voeren. In dat geval wordt het nieuwe interne nood- en interventieplan ter goedkeuring voorgelegd aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, overeenkosmtig de procedure vermeld in artikel 262. HOOFDSTUK V. - Prioritaire afwatering en financieringsmodaliteiten ervan Art. R. 271. De « S.P.G.E. » financiert de onderzoeken en werken betreffende de prioritaire afwatering die vermeld worden in de door de Regering goedgekeurde driejarenprogramma's van de gemeenten, met inachtneming van de modaliteiten bedoeld in artikel 272 en binnen de perken van de daartoe door het Waalse Gewest uitgetrokken bedragen Bij gebrek aan de financieringsstructuur bedoeld in artikel 273 heft de « S.P.G.E. » op de stortingen van de fondsopbrengsten die haar toekomen krachtens artikel 324, § 4, van het decreetgevende deel, de nodige financiële middelen om de onderzoeken en werken inzake prioritaire afwatering in gemachtigde opdracht uit te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r272\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 272</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De « S.P.G.E. » financiert de prioritaire afwateringswerken als volgt : - 80 % van de in de driejarenprogramma's vermelde investeringen voor de herstelling van de bestaande afwatering, vermeerderd met 5 % studiekosten; - 60 % van de in de driejarenprogramma's vermelde investeringen voor de bouw en de hernieuwing van de afwatering, vermeerderd met 5 % studiekosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r273\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 273</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Waalse Gewest bepaalt de financieringsstructuur voor de tegemoetkoming van de « S.P.G.E. » in de financiering van de prioritaire afwateringen. Om die redenen kan ze met name tegemoetkomen in het kader van een agglomeratie-overeenkomst De « S.P.G.E. » sluit een overeenkomst met de Regering met betrekking tot agglomeraties, waarvan het aantal I.E. hoger dan of gelijk is aan 2000, waarbij de afwatering van andere agglomeraties van minder dan 2000 I.E. gevoegd kunnen worden, aangewezen door de Waalse Regering naar gelang van de milieuprioriteiten. Die overeenkomst vermeldt : - de plaats en het aantal (in km) uit te voeren prioritaire afwateringen; - de uitvoeringstermijnen; - het type uit te voeren prioritaire afwatering; - de raming van de kosten van de leidingen voor prioritaire afwateringen en van de aanleg ervan (behalve de wegenherstelling); - de tegemoetkoming van elke gemeente en van de \"S.P.G.E. » in de kosten voor de uitvoering van prioritaire afwateringen op grond van de door de Regering genomen reglementaire maatregelen; - een clausule betreffende de herziening van de respectieve bijdragen naar gelang van de uitvoeringstermijnen. HOOFDSTUK VI. - Algemeen reglement voor de sanering van stedelijk afvalwater Afdeling I. - Voorwerp en beginselen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r274\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 274</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen reglement voor de sanering van het stedelijk afvalwater bevat de regeling voor de sanering van stedelijk afvalwater en de daaruit voortvloeiende verplichtingen in de bebouwingsebieden of buiten die gebieden als er woningen zijn Het reglement bepaalt ook de principes op grond waarvan saneringsplannen per hydrografisch onderbekken opgesteld worden en de voorwaarden waaronder ze herzien en bijgewerkt worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r275\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 275</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het grondgebied van het Waalse Gewest is een kwetsbaar gebied in de zin van artikel 5 van Richtlijn 91/271/EEG van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater. § 2. Het saneringsplan bepaalt per hydrografisch onderbekken de regeling van de sanering van het stedelijk afvalwater in elk bebouwingsgebied Er bestaan drie regelingen : 1° de gemeenschappelijke saneringsregeling;2° de autonome saneringsregeling;3° de voorlopige saneringsregeling. Art. 4.§ 1. De rioleringen bestaan uit waterdichte ondergrondse leidingen die zo aangelegd worden dat ze makkelijk gecontroleerd en onderhouden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van nieuwe rioleringen of de sanering van bestaande rioleringen zijn aansluitingen van helder parasietwater verboden en wordt een einde gemaakt aan insijpelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De projecten van rioleringswerken betreffende zowel de bouw van nieuwe rioleringen als de sanering van bestaande rioleringen verkiezen de aanleg van scheidingsrioleringen boven die van eenheidsrioleringen, behalve uitzondering behoorlijk gerechtvaardigd door technische verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De agglomeratie-overeenkomst voorziet in de meest geschikte oplossingen om in te spelen op de dilutieproblemen die in de bestaande rioleringen vastgesteld worden. § 2. Ongeacht de saneringsregeling is het overeenkomstig de bepalingen inzake de bescherming van het oppervlakte- en grondwater verboden stedelijk afvalwater te laten afvloeien op de openbare wegen, bermen en trottoirs inbegrepen, alsmede in de watergreppels, sloten en taluds die er deel van uitmaken. Afdeling II. - Saneringsregelingen Onderafdeling I. - Gemeenschappelijke saneringsregeling Art. R. 277. § 1. De gemeenschappelijke saneringsregeling houdt de volgende verplichtingen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke agglomeratie met 10 000 I.E. en meer beschikt over rioleringen en collectoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke agglomeratie met 2000 à 10 000 I.E. beschikt uiterlijk 31 december 2005 over rioleringen en collectoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke agglomeratie met minder dan 2000 I.E. die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 286, § 2, beschikt uiterlijk 31 december 2009 over collectoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten voorzien bovenbedoelde agglomeratiegedeelten die op hun grondgebied gelegen zijn binnen dezelfde termijnen van rioleringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen gelegen langs een weg met rioleringen worden erop aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen gelegen langs een weg die van rioleringen voorzien wordt, worden er tijdens de afwateringswerken op aangesloten. § 2. De aansluiting op de riolering vereist een voorafgaande schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitingswerken op het openbaar domein worden gecontroleerd door de gemeente en uitgevoerd door de ondernemer die de afwateringswerken op een weg uitvoert of, als de riolering al aangelegd is, door de gemeentediensten of een door de gemeente aangewezen ondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente bepaalt de bezoldiging en de modaliteiten voor elke aansluiting van de riolering op het openbaar domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitingen op de riolering en op de andere systemen voor waterafvoer vanaf de woningen zijn voorzien van een mangat dat toegankelijk is en dat zich op een plaats bevindt waar de hoeveelheid en de kwaliteit van het werkelijk geloosde water gecontroleerd kunnen worden. § 3. Het stedelijk afvalwater wordt afgevoerd hetzij door zwaartekracht, hetzij d.m.v. een pompsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de weg uitgerust is met een scheidingsriolering, is de lozing van regenwater samen met helder parasietwater verboden op de uitgeruste gedeelten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regenwater wordt afgevoerd via verliesputten, dispersiedraineerbuizen, kunstmatige afvoerwegen of oppervlaktewateren voor zover het niet bij of krachtens een andere wetgeving verboden is. § 4. Elke nieuwe woning is uitgerust met een systeem dat regenwater en stedelijk afvalwater scheidt. Als het afvalwater niet in een zuiveringsstation behandeld wordt, beschikt de woning over een septische put met bypass en ontvetter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de inbedrijfstelling van het zuiveringsstation wordt het stedelijk afvalwater uitsluitend via het rioleringsnetwerk afgevoerd. De septische put met bypass en ontvetter mag in werking blijven, behalve andersluidend advies van het erkende zuiveringsbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het slib wordt door een erkende rioolruimer uit de septische put verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r278\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 278</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In afwijking van artikel 277, § 1, kan een vergunning aangevraagd worden voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem in plaats van de aansluiting op de riolering als technische problemen bij de aansluiting op de bestaande, in aanleg zijnde of toekomstige riolering overdreven kosten veroorzaken Als de vergunning geweigerd wordt, wordt de aansluiting op de riolering uitgevoerd binnen zes maanden na de kennisgeving van het besluit tot weigering. § 2. De woning die vóór de aansluitingsplicht over een individueel zuiveringssysteem beschikt, mag het behouden, behalve andersluidend gemotiveerd advies van de erkende zuiveringsinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval zijn de in artikel 277, § 1, bedoelde verplichtingen niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het individuele zuiveringssysteem door de verouderde staat of een voortdurend defect niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 betreffende de milieuvergunning, kan de eigenaar : - ofwel zijn woning op de riolering aansluiten door het systeem uit te schakelen overeenkomstig de bepalingen van artikel 277, §§ 2, 3 en 4; - ofwel het systeem saneren zodat het opnieuw voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 betreffende de milieuvergunning, zonder zijn woning evenwel op de riolering aan te sluiten. § 3. Elke nieuwe woning gebouwd in een aan de gemeenschappelijke saneringsregeling onderworpen gebied langs een weg die nog niet met rioleringen uitgerust is, beschikt van meet af aan over een individueel zuiveringssysteem dat voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 betreffende de milieuvergunning als reeds vaststaat dat de kosten van een aansluiting op een toekomstige riolering krachtens § 1 te hoog zouden oplopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Autonome saneringsregeling Art. R. 279. § 1. De autonome saneringsregeling houdt de volgende verplichtingen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke nieuwe woning of elke groep van nieuwe woningen waarop de autonome saneringsregeling van toepassing is, wordt uitgerust met een individueel zuiveringssysteem, meer bepaald : - een individuele zuiveringseenheid die het voorwerp uitmaakt van een aangifte als het aantal I.E. gelijk is aan 20 of minder; - een individuele zuiveringsinstallatie die het voorwerp uitmaakt van een aangifte als het aantal I.E. tussen 20 en 100 ligt; - een individueel zuiveringsstation dat het voorwerp uitmaakt van een vergunningsaanvraag als het aantal I.E. hoger is dan 100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal I.E. wordt berekend op grond van de gegevens bedoeld in bijlage I bij het besluit van 7 november 2002 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. § 2. Elke bestaande woning of elke groep van bestaande woningen waarop de autonome saneringsregeling van toepassing is, worden uiterlijk 31 december 2009 uitgerust met een individueel zuiveringssysteem bedoeld in § 1. § 3. De gemeenten kunnen binnen de in § 2 bepaalde termijnen bijzondere maatregelen indienen waarbij een gezamenlijke sanering gewaarborgd wordt voor een geheel van woningen die onder de autonome saneringsregeling vallen. De saneringsregeling wordt dan gemeentelijke autonome saneringsregeling genoemd. § 4. Die bijzondere maatregelen staan vermeld in een ontwerp van gemeentelijke autonome saneringsregeling waarin het geplande zuiveringssysteem en de op de woningen toepasselijke rechten en plichten omschreven worden. Het ontwerp gaat vergezeld van een kadastraal plan van de woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente verzoekt de betrokken erkende zuiveringsinstelling en de bevoegde directoraten-generaal van het Ministerie van het Waalse Gewest om advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die instanties brengen advies uit binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen van het verzoek om advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een instantie geen advies uitbrengt binnen die termijn, wordt het geacht gunstig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de adviezen gunstig zijn, keurt de gemeente de gemeentelijke autonome saneringsregeling goed rekening houdende met eventuele opmerkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze maakt de regeling over aan de « SPGE » en aan de betrokken erkende zuiveringsinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als één van de adviezen ongunstig is, wordt het volledige dossier samen met de adviezen overgemaakt aan de Minister, die binnen 90 dagen een besluit neemt en meedeelt aan de gemeente, de « SPGE » en de instanties. § 5. Als de gemeentelijke autonome sanering erin bestaat een opvangnetwerk op te richten waarbij het afvalwater naar een enig zuiveringssysteem wordt geloosd, zijn de volgende bepalingen van toepassing : - het afvalwater van de woningen wordt bij voorkeur door een scheidingsriolering opgevangen; - de riolering kan unitair zijn als ze vóór de toepassing van de gemeentelijke autonome saneringsregeling bestaat; - de riolering mag in geen geval helder parasietwater opvangen; - de woning is aangesloten op het afwateringsnetwerk dat het water naar het zuiveringssysteem afvoert zodra het in werking is. In dat geval zijn de verplichtingen bedoeld in de §§ 2 tot 4 van artikel 277 en, in voorkomend geval, de afwijking bedoeld in § 1 van artikel 278 van toepassing; - in afwachting van de inbedrijfstelling van het bedoelde zuiveringssysteem worden de nieuwe woningen voorzien van een septische put met bypass en ontvetter en van gescheiden leidingen voor de opvang van regenwater en huishoudelijk afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r280\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 280</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan een gemeentelijke autonome saneringsregeling wordt de woning die onder de autonome saneringsregeling valt conform gemaakt op initiatief van de eigenaar In geval van gemeentelijke autonome sanering, komen de rechten en plichten i.v.m. de sanering van bedoeld gebied neer op de gemeente, onverminderd de specifieke overeenkomsten die ze met een erkende zuiveringsinstelling sluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-r281\"><span class=\"lf-art-num\">Art. R. 281</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In de zone die onder de autonome sanering valt, kan de Minister op grond van een technisch dossier dat door de bevoegde erkende zuiveringsinstelling aangelegd wordt, bestaande woningen vrijstellen van de verplichting tot installatie van een individueel zuiveringssysteem als de installatie economisch onevenredig zou zijn met de ecologische voordelen Het technisch dossier wordt overgemaakt aan de « SPGE » en aan de bevoegde directoraten-generaal van het Ministerie van het Waalse Gewest. Ze beschikken over 60 dagen om advies uit te brengen. Als ze binnen die termijn geen advies uitbrengen, wordt het geacht gunstig te zijn. § 2. Een woning mag het individuele zuiveringssysteem behouden waarover ze beschikte vóór de verplichting tot aansluiting op het afwateringsnetwerk dat het afvalwater afvoert naar het individuele zuiveringssysteem voorzien voor een groep van woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval zijn de verplichtingen bedoeld in artikel 279, § 3, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het individuele zuiveringssysteem door zijn verouderde staat of een voortdurend defect evenwel niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten1 betreffende de milieuvergunning, kan de eigenaar : - ofwel zijn woning aansluiten op de riolering door het systeem uit te schakelen overeenkomstig de bepalingen van artikel 277, §§ 2, 3 en 4; - ofwel het systeem saneren opdat het opnieuw kan voldoen aan de voorwaarden bepaald bij de besluiten genomen ter uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie</p></div>", "next": 238577}