{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt om de aanvraag tot wijziging van het aantal woningen vrij te stellen van het advies van de gemachtigde ambtenaar wanneer die wijziging de GSV respecteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, hoort deze kwestie niet tot de bevoegdheid van de GSV : ze wordt geregeld door het besluit dat de lijst bepaalt van de handelingen en werken die zijn vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning omwille van hun geringe omvang, krachtens artikel 98, § 2 van het BWRO. Reclamanten betreuren de uitsluiting van de bestaande gebouwen van het toepassingsgebied, gelet op het verbod van bepaalde eigenaars om fietsen te stallen binnenin de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht het niet aangewezen om zonder onderscheid alle bestaande gebouwen op te nemen in het toepassingsgebied van de verordening omwille van een relatief bijkomstig probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is het zo dat Titel II van de GSV, zoals reeds hoger werd gepreciseerd, de bestaande bouwwerken niet uitsluit van zijn toepassingsgebied, maar de toepassing van de normen op die bouwwerken wel nuanceert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, § 4 Reclamanten stellen voor om de bepalingen te preciseren die van toepassing zijn op studentenkamers; anderen vinden dat titel II niet is afgestemd op studentenkamers en stellen voor om daarvoor afzonderlijke bepalingen te voorzien, die ook toepasbaar zijn op de bestaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt of titel 2 van toepassing is op woningen die worden beheerd door de universiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat volgens de huidige formulering de studentenwoning geen bijzondere categorie vormt en dus moet beantwoorden aan de verordening, zijnde 9 m2 voor de slaapkamer, als er een gemeenschappelijke woonkamer, keuken en badkamer zijn, of 22 m2 voor een studio.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van oordeel dat er specifieke regels zouden kunnen worden goedgekeurd met een definitie van de studentenwoning. Men dient echter toe te zien op de omkeerbaarheid van het gebruik en de reconversie mogelijk te maken van gebouwen met dat soort woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De studentenwoning vormt echter, in het kader van de GSV, geen bijzondere categorie en moet dus beantwoorden aan voorschriften van de verordening, in het bijzonder wat de minimale oppervlakten voor de bewoonbaarheid betreft, zoals gestipuleerd in artikel 3, §§ 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt geenszins aangewezen om een specifieke categorie te creëren, gebaseerd op een bijzondere bestemming of een bijzonder gebruik van woningen als studentenkamers, wat zou leiden tot het promoten van de bouw van specifieke woningen die niet geconverteerd kunnen worden voor gewone residentiële doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens moeten de bepalingen inzake de bewoonbaarheid van toepassing zijn op alle woningen. Maar krachtens de artikels 1, 4 en 2, 5°, wordt de studentenwoning uitgesloten van het toepassingsgebied van titel II van de GSV op voorwaarde dat die woning is ondergebracht in een collectief woongebouw dat eigendom is van een publiekrechtelijk rechtspersoon, zoals de studentenwoningen van universiteiten die tot de publiekrechtelijke rechtspersonen horen krachtens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 juni 1993 tot bepaling van de publiekrechtelijke rechtspersonen voor wie de stedenbouwkundigevergunningen, verkavelingsvergunningen en stedenbouwkundige attesten worden afgeleverd door de gemachtigde ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt zich af waarom de rusthuizen, hotelinrichtingen en andere collectieve woonvormen uitgesloten zijn van de toepassing van titel II. Reclamanten vragen om deze niet uit te sluiten omdat de bewoners van deze inrichtingen ook behoefte kunnen hebben aan parkeerplaatsen voor fietsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten vragen of de gastenkamers onder de verordening vallen en de GOC stelt voor om in de tekst van de verordening toe te voegen dat deze ook betrekking heeft op de gastenkamers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze titel is niet van toepassing op rusthuizen, hotelinrichtingen en andere collectieve woongebouwen omdat die, door hun collectief karakter en/of tijdelijk onthaal, niet noodzakelijk een wooneenheid vormen zoals wordt beoogd door deze titel en derhalve niet alle kenmerken vereisen die de titel voorschrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definities Artikel 2 Een reclamant stelt voor om de lokalen voor de uitoefening van een thuisberoep toe te voegen aan de lijst van de bewoonbare lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, kan dit verzoek niet worden gevolgd omdat de titel enkel betrekking heeft op de bewoonbaarheid van de woning in de zin van artikel 2, 3° en niet op de lokalen voor de uitoefening van een beroepsactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant stelt voor om het begrip \"bij de woning behorende lokalen\" toe te voegen voor de kantoren, speelzalen enz. waarvoor niet de normen vereist zijn die van toepassing zijn op bewoonbare lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht het niet aangewezen om een bijkomende categorie van lokalen te creëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband definieert artikel 2 de begrippen \"woning\", \"bewoonbaar lokaal\" en « niet-bewoonbaar lokaal\" en dekt dit artikel dus alle gevallen van lokalen die bestemd zijn voor bewoning en die een wooneenheid vormen zonder dat er een bijkomende categorie moet worden ingevoerd. HOOFDSTUK II. - Minimumnormen voor oppervlakte en volume Minimumoppervlaktenormen Artikel 3 Artikel 3, § 1 Sommige reclamanten vragen om de problematiek van de inrichting van een woning in een bestaand gebouw opnieuw in beschouwing te nemen en dat geval te beschouwen als een nieuwbouwwoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere reclamanten vragen om terug te grijpen naar het \"nieuwe woning\" in plaats van « woning in een nieuw gebouw\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC herinnert eraan dat in de huidige tekst van de verordening elk artikel preciseert of het van toepassing is op bestaande gebouwen en in welke mate. Voor de bestaande gebouwen komt het erop aan de conformiteit ervan te verbeteren en de naleving van de normen te betrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, preciseren de bepalingen van Titel II of ze van toepassing zijn op de bestaande bouwwerken en in welke mate. Het is niet wenselijk om de algemene en eenduidige toepassing van de normen op te leggen voor de bestaande bouwwerken, gelet op de verscheidenheid van de situaties die zich kunnen voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hoger werd toegelicht, werd het toepassingsgebied van titel II met betrekking tot bestaande gebouwen gepreciseerd in artikel 1, § 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bevat de laatste paragraaf van artikel 3 een modulering aangaande handelingen en werken aan een bestaande woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorschrift stelt de uitreikende overheden in staat om de impact van de werken op het bestaande erfgoed te beoordelen en, desgevallend, de eisen aan te passen met het oog op het behoud van de belangrijke erfgoedelementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve behoudt het onderscheid tussen een woning in een nieuw gebouw en een woning in een bestaand gebouw zijn nut, aangezien § 1 enkel van toepassing is op de woning in een nieuw gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De KCML oordeelt dat de minimumoppervlaktenormen te strikt en relatief willekeurig zijn en dat ze, als ze naar de letter worden toegepast, overeenstemmen met een levenswijze en geen model vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De KCML stelt voor om de normen enkel te geven bij wijze van aanbeveling voor bestaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om te voorzien in globale minimumoppervlakten per persoon in plaats van per vertrek, omdat sommige promotoren kleine kamers van minder dan 9 m2 als kantoor bestempelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat de normen, ook al zijn ze dan wat willekeurig, noodzakelijk zijn om een minimum aan bewoonbare oppervlakte te waarborgen en dat ze stricto sensu enkel van toepassing zijn op nieuwe gebouwen. De bijbehorende vertrekken, zoals kantoren, hebben niet rechtstreeks betrekking op de bewoonbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt eraan herinnerd dat de oppervlaktenormen in Titel II slechts minimumnormen zijn. Ze staan alle architecturale vormen toe, voor zover de bewoonbaarheidsdrempels worden gerespecteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevallen van woningen met bewoonbare lokalen die niet uitdrukkelijk gescheiden zijn, is uitdrukkelijk voorzien. En bij de renovatie van bestaande woningen worden de normen voornamelijk gezien als na te streven doelstellingen. De inplanting van woningen mag niet zomaar in alle omstandigheden gebeuren, zonder rekening te houden met de elementaire regels inzake de levenskwaliteit van de bewoners en buren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens moeten de minimumoppervlaktenormen bepaald worden per vertrek en niet per bewoner, gelet op het feit dat de normen prioritair van toepassing zijn op nieuwbouwwoningen, ongeacht - op dat moment - de bepaling van het aantal bewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen dat de minimumoppervlakte van 9m2 voor de slaapkamers van studenten zou worden opgetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hoger reeds werd gepreciseerd, is het niet aangewezen om een specifiek regime te bepalen voor de studentenkamers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat een appartement met één slaapkamer een gecumuleerde oppervlakte van keuken en woonkamer zou mogen hebben van ten minste 22 m2, zoals de studio's.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verzoek kan echter niet worden gevolgd omdat het zou leiden tot een vermindering van de minimumoppervlakte van appartementen met één slaapkamer, wat ten koste zou gaan van de vereiste minimumoppervlakten van ofwel de woonkamer, ofwel de keuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, § 2 Een reclamant vraagt om de woorden « nieuwe woning » van artikel 3, § 2 te veranderen in « woning in een nieuw gebouw ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verzoek kan echter niet worden gevolgd omdat het de toepassing van de minimumoppervlaktedrempel voor woningen waarvan de bewoonbare lokalen niet van elkaar gescheiden zijn, zou beperken tot de nieuwe woningen in nieuwe gebouwen. Maar aangezien het gaat om een minimumoppervlaktenorm, moet de vereiste minimale nettovloeroppervlakte ook gelden voor nieuwe woningen in bestaande gebouwen. Om elke dubbelzinnigheid te vermijden, wordt de formulering van § 2 aangepast om te preciseren dat deze regel zowel geldt voor nieuwe als bestaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, § 3 (§ 3 wordt het tweede lid van § 1) Een reclamant stelt voor om een minimumhoogte van 2,20 m onder het plafond op te leggen en om artikel 4, § 1, lid 2, te vervolledigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, komt men, rekening houdend met artikel 3, § 3 en 4, § 1, aan de 2,3m hoogte op minstens de helft van de oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om in de Franse tekst de woorden \"dans les combles\" te gebruiken in plaats van \"sous les combles\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is het eens met de reclamant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Franstalige tekst van de artikels 3, § 3 en 4, § 1 wordt derhalve in die zin gewijzigd Overigens dient de regel van § 3 van artikel 3, die slechts een modaliteit bepaalt voor de berekening van de vloeroppervlakte voor de bewoonbare lokalen op zolderverdiepingen, naar analogie met artikel 4, § 1, te worden verplaatst om het tweede lid te vormen van § 1 van artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, § 4 (§ 4 wordt het derde lid van § 1) Reclamanten vragen om te voorzien in een minimumoppervlakte voor de private bergruimte en vinden dat die groot genoeg moet zijn om aan selectieve sortering te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat het niet nodig is om deze precisering toe te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is de bergruimte waarvan sprake in artikel 3, § 4 niet bestemd voor de selectieve afvalsortering. Deze materie wordt behandeld in artikel 15, dat stipuleert dat in nieuwe gebouwen met meerdere woningen een opslaglokaal voor huisvuil moet worden voorzien dat groot genoeg is voor de selectieve opslag van het huishoudelijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, § 4 heeft tot doel om ervoor te zorgen dat in elke woning in een nieuw gebouw een bergruimte wordt voorzien. De afmetingen van dat lokaal moeten geval per geval worden bepaald, rekening houdend met de grootte van de woning. Dit wordt dus overgelaten aan de beoordeling van de bouwheer en, in laatste instantie, van de uitreikende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien § 4 van toepassing is op nieuwe gebouwen, dient de regel van deze paragraaf te worden opgenomen in § 1, als derde lid. Deze presentatie staat borg voor een betere leesbaarheid van de bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de coherentie wordt eenzelfde presentatie ingevoerd in artikel 4, waar paragraaf 2 wordt opgenomen in paragraaf 1, als derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, § 5 (§ 5 wordt de derde paragraaf van artikel 3) Verscheidene reclamanten vinden dat niet duidelijk is wat van toepassing is op de bestaande gebouwen; ze bekritiseren de formulering van artikel 3,§ 5 die enerzijds verwijst naar de §§ 1 tot 4 waarin sprake is van « nieuwe woning », en anderzijds naar artikel 1, § 3, dat tegelijkertijd gaat over een uitzondering en over de conformiteit met het toepassingsgebied, wat de tekst moeilijk begrijpelijk maakt (het probleem is hetzelfde voor art.4, § 3, art.15, § 2, 16, § 2 en 17, § 2);</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze stellen voor om paragraaf 5 te herschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen een specifieke bepaling voor de nieuwe woningen die worden gecreëerd in een bestaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant haalt aan dat de huidige formulering \"voor een betere overeenstemming\" impliceert dat de woning reeds bestaat en dat de bepaling geen betrekking heeft op nieuw ingerichte woningen in een bestaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere reclamanten vragen om hierop de normen toe te passen die gelden voor woningen in een nieuw gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klachten hebben ook betrekking op art. 4, § 3, art.15, § 2, 16, § 2 en 17, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC herinnert eraan dat, in de huidige tekst van de verordening, elk artikel preciseert of het van toepassing is op de bestaande gebouwen en in welke mate. Voor de bestaande gebouwen komt het erop aan de conformiteit te verbeteren en de naleving van de normen te betrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vraagt echter dat die principes duidelijker tot uiting zouden worden gebracht in de tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC stelt voor om de tekst van de verordening te wijzigen opdat voor de bestaande gebouwen de normen aanbevelingen zouden worden waarvan de uitreikende overheid zou kunnen afwijken mits de nodige motivatie, voor zover de aanvrager in een met redenen omklede toelichting bij het ontwerp de redenen verantwoordt waarom hij ervan wil afwijken, waarbij de overheid alle beoordelingsmacht behoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vindt dat de reconversie in woningen moet worden aangemoedigd van gebouwen die tot dan een andere bestemming hadden, en dat derhalve soepelere regels moeten worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vraagt de Regering om de tekst van de vermelde paragrafen te verduidelijken en duidelijk aan te geven welke bepalingen van toepassing zijn op de nieuw ingerichte woningen in een bestaand gebouw; de logica moet namelijk zijn dat men reconversies van gebouwen of heraanpassingen toelaat, rekening houdend met de bestaande toestand, waarbij er evenwel op gelet moet worden dat de toestand inzake de naleving van de normen niet wordt verergerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de reclamanten en de GOC voorstellen, wordt artikel 3 gepreciseerd om duidelijk te bepalen welk regime van toepassing is op bestaande gebouwen. Zoals de reclamanten aanhalen, moet de creatie van een nieuwe woning in een bestaand gebouw gelijkgesteld worden met een nieuwe woning in een nieuw gebouw wanneer de handelingen en werken betrekking hebben op de eigenlijke structuur van het gebouw, met andere woorden bij de bouw van een uitbreiding of een bijkomende verdieping. In andere gevallen kan het zijn dat de normen voor nieuwe gebouwen niet toegepast kunnen worden op de creatie van een nieuwe woning - bijvoorbeeld door een wijziging van de bestemming of van het aantal woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval moeten de handelingen en werken echter nastreven om de in de paragrafen 2 en 3 normen te respecteren. Wanneer, ten slotte, de handelingen en werken betrekking hebben op een bestaande woning en meer bepaald de afmeting van de lokalen wijzigen, mag er geen achteruitgang zijn inzake de bewoonbaarheid en moeten de handelingen en werken leiden tot een verbetering van de conformiteit van de woning met de §§ 2 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel is immers om reconversies of heraanpassingen van gebouwen toe te laten, rekening houdend met de bestaande toestand, en er daarbij op toe te zien dat de situatie ten opzichte van de normen niet wordt verergerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkaardige wijzigingen worden aangebracht in de artikels 4, 15, 16 en 17 betreffende de bestaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo mogen in een woning in een bestaand gebouw de wijzigingen van de lokalen die niet conform artikel 4 zijn, niet leiden tot een vermindering van de voorgeschreven plafondhoogtes. In een bestaand gebouw met meerdere woningen mogen de wijzigingen die een impact hebben op de gemeenschappelijke delen van het gebouw, niet leiden tot een vermindering van conformiteit van de dienstlokalen zoals bedoeld in de artikels 15, 16 en 17. De wijziging van woningen en woongebouwen mag niet zomaar gebeuren in alle omstandigheden, zonder rekening te houden met de elementaire vereisten inzake de levenskwaliteit van de bewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing naar artikel 1, § 3 wordt geschrapt in de artikels 3, 4, 15, 16 en 17 om elke onzekerheid in de interpretatie te vermijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte onder het plafond Artikel 4 De KCML vindt dat de hoogtes onder het plafond en onder de zolderruimten een complex gedifferentieerd beheer vereisen, dat men zou moeten vereenvoudigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is het niet eens met de KCML, omdat ze het logisch acht dat de hoogtes onder het plafond en onder de zolderruimtes verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt aangehaald dat het hoogteverschil onder het plafond tussen bewoonbare lokalen op verdiepingen en de lokalen op zolderverdiepingen verantwoord is in het licht van de configuratie van de Brusselse architectuur, waarbij doorgaans hellende daken zijn voorzien. Het zou niet mogelijk zijn om bewoonbare lokalen op de zolderverdiepingen in te richten als men daarop dezelfde normen zou toepassen voor de hoogte onder het plafond. Die ruimten worden echter steeds vaker ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten hebben diverse vragen : optrekken van de hoogte naar 2,8 m, 3 m voor het gelijkvloers, 2,6 m voor de verdiepingen; voor de zolderverdiepingslokalen moet de hoogte op 2,5 m worden vastgelegd; op 2,3 m voor de niet-bewoonbare lokalen; vermindering en uniformisering van alle hoogtes op 2,2 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivatie voor deze verzoeken bestaat erin de omkeerbaarheid mogelijk te maken en dus de flexibiliteit te bieden die nodig is voor de principes van de duurzame ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vraagt om de norm voor het gelijkvloers op te trekken naar 2,8 m met het oog op de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling. Ze is van mening dat deze normen ook toegepast zouden moeten worden op de andere functies (kantoren,...) om een eventuele reconversie of hergebruik mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen is ze van mening dat een gemiddelde hoogte van 2,5 m voor de zolder-verdiepingslokalen overdreven is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven werd benadrukt, is een verschil in hoogte onder het plafond tussen bewoonbare zolderverdiepingslokalen en de lokalen op lagere verdiepingen wel degelijk verantwoord, maar het lijkt niet aangewezen om verschillende plafondhoogtes te gaan voorzien naargelang de verschillende verdiepingen waarop de bewoonbare lokalen zijn ingericht. Vermits het gaat om minimale bewoonbaarheidsnormen, verdient het de voorkeur om één enkele minimumdrempel te voorzien die geldt in alle situaties. Bovendien is het, in het kader van de duurzame ontwikkeling, niet verantwoord om de plafondhoogte op te trekken tot 2,80m, omdat die hogere plafonds zouden leiden tot een hoger energieverbruik voor de verwarming van de bewoonbare lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens bepaalt Titel II bewoonbaarheidsnormen voor woningen en niet voor kantoren of industriegebouwen. Het is dus niet aangewezen om die normen uit te breiden buiten het domein van de woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte komen er bij de reconversie van deze ruimten in woningen diverse problemen kijken, die niet alleen te maken hebben met de plafondhoogte maar ook met de afmetingen van de ruimten, met de plaatselijke inrichting, de verlichting enz... De GSV kan niet alle mogelijke gevallen vatten. Deze reconversies moeten derhalve het voorwerp uitmaken van specifieke studies, waarvoor per geval afwijkingen zullen moeten worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en de GOC vragen om in lid 2 van paragraaf 1 het woord \"minstens\" toe te voegen : \"Deze heeft betrekking op minstens de helft van de vloeroppervlakte\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het gaat om een minimumnorm, is dit verzoek gegrond. De formulering van artikel 4, § 1, 2de lid, wordt derhalve aangepast in die zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenverdiepingen Reclamanten vragen de instandhouding van het artikel over de tussenverdiepingen, omdat die bepalingen, ook al zijn ze ingewikkeld, de inrichting mogelijk maken van tussenverdiepingen met degelijke bewoonbaarheidskenmerken, en hun afschaffing tot gevolg heeft dat een hoogte van 2,5 m wordt opgelegd, wat onrealistisch is voor een tussenverdieping.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is het eens met de instandhouding van een bepaling die de inrichting van een tussenverdieping mogelijk maakt en stelt voor om in artikel 4 een paragraaf toe te voegen om tussenverdiepingen toe te laten bij een plafondhoogte van 4,6 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de reclamanten en de GOC voorstellen, vormen de tussenverdiepingen een bijzondere problematiek betreffende de bewoonbaarheidskenmerken voor de plafondhoogte. Om die redenen wordt het artikel (artikel 5) betreffende de tussenverdiepingen opnieuw ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegangsdeur Artikel 5 (nieuw artikel 6) Reclamanten en de GOC vragen om in de voorziene afmetingen rekening te houden met de gestandaardiseerde maten van de materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC beveelt de Regering aan om de mogelijkheid te onderzoeken om rekening te houden met de standaardmaten van de materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vindt de norm inzake een vrije doorgang van 0.95 m overdreven voor de toegangsdeur en stelt voor om terug te gaan naar 0.85 m zoals voor de binnendeuren van gebouwen in titel IV. De GOC is het niet eens met de reclamant en opteert voor het behoud van de norm van 0.95m voor de toegangsdeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt gepreciseerd dat de opgelegde afmeting van 0,95 m voor de toegangsdeur van nieuwe gebouwen overeenstemt met de normen die in Titel IV worden voorgeschreven voor de toegang tot gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit. Men dient de coherentie na te streven tussen de bepalingen van de verschillende titels van de GSV en de woningen toegankelijk te maken voor rolstoelgebruikers. HOOFDSTUK III. - Hygiene Bad- of douchekamer Artikel 6 (nieuw artikel 7) Een reclamant stelt de veralgemening voor van zonnepanelen op het dak voor de warmwater-productie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat de verordening moeilijk het gebruik van door zonnepanelen geproduceerd warm water kan opleggen, te meer omdat de technologie kan evolueren naar andere systemen. De overheid kan echter wel het gebruik van zonnepanelen aanmoedigen via premies. Overigens heeft artikel 6 betrekking op de hygiënenormen en niet op de normen inzake energieproductie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en de GOC vragen om de verplichting toe te voegen om in de badkamer te beschikken over een wastafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van oordeel dat die precisering nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GSV heeft echter tot doel om minimale bewoonbaarheidsnormen te bepalen, niet om de gedetailleerde inrichting van elk vertrek te preciseren. Het is dus belangrijk om een bad- of douchekamer te verplichten die is voorzien van een toevoer van koud en warm water, maar niet om te preciseren welk soort toestel er moet worden geplaatst, noch welk meubilair er moet worden voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">WC Artikel 7 (nieuw artikel 8) Een reclamant is van mening dat de WC bij elke belangrijke renovatie geïntegreerd zou moeten worden in de woning en zich niet buiten de woning mag bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC hecht haar goedkeuring aan het verzoek, maar enkel voor nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt aangehaald dat de GSV de verplichting oplegt dat elke woning in de zin van artikel 2, 3° moet beschikken over een WC, in een afzonderlijk lokaal of in een bad- of douchekamer. De GSV stipuleert dus wel degelijk dat de WC zich binnenin de woning moet bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat de voorziene afmeting voor de WC te groot is in het geval van een verbouwing, omdat een kleinere afmeting soms perfect werkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men dient minimumafmetingen te bepalen voor de toiletten om een duidelijke richtlijn te geven in het geval van nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt aan herinnerd dat voor de bestaande bouwwerken het regime van artikel 1, § 3 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keuken Artikel 8 (nieuw artikel 9) Reclamanten en de GOC zijn van mening dat de mogelijkheid om minstens drie elektrische huishoudapparaten en een hoofdkooktoestel aan te sluiten, niet gecontroleerd kan worden, aangezien er zich geen enkel elektriciteitsplan bevindt in de stedenbouwkundige vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat die bepalingen geschrapt zouden moeten worden omdat ze niet controleerbaar zijn bij gebrek aan een elektriciteitsplan in de stedenbouwkundige vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter belangrijk om een minimuminrichting van de keuken te voorzien die borg staat voor de leefbaarheid van de woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens bepaalt de GSV regels die ook moeten worden nageleefd wanneer er geen stedenbouwkundige vergunning vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurlijke verlichting Artikel 9 (nieuw artikel 10) Reclamanten vragen om de netto lichtdoorlatende oppervlakte anders te bepalen naargelang de verschillende soorten lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat dit een te ingewikkeld systeem zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt gepreciseerd dat artikel 9 betrekking heeft op de bewoonbare lokalen, met uitsluiting van de keukens. Voor die lokalen - salon, eetkamer en slaapkamer - moet een minimumnorm worden bepaald voor de natuurlijke verlichting. Aangezien het gaat om een minimumnorm, voor lokalen die allemaal bestemd zijn voor langdurig verblijf, is het wenselijk om één algemene minimumwaarde te voorzien voor alle gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten vragen naar de definitie van de netto lichtdoorlatende oppervlakte en de criteria voor de berekening ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten zijn van mening dat de beglazing onder het grondniveau niet mag worden meegerekend in de berekening van de netto lichtdoorlatende oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC treedt de reclamant bij om enkel rekening te houden met de beglazing boven het grondniveau, behalve in de gevallen waar een « cour anglaise » is geïnstalleerd van minstens 1,20m breed. De GOC oordeelt dat ondergronds wonen niet moet worden aangemoedigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en de GOC vragen overigens om het begrip \"netto lichtdoorlatende oppervlakte\" te vervangen door « oppervlakte van de gevelopening\" omdat die oppervlakte wordt opgegeven in de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term « netto lichtdoorlatende oppervlakte » geeft op dit vlak beter weer dat het de bedoeling is om de werkelijk lichtdoorlatende oppervlakte te berekenen en niet de totale gevelopening, die delen kan bevatten die geen licht doorlaten, zoals raamprofielen, volle delen...Om dit begrip en de berekeningscriteria beter te preciseren,wordt het gedefinieerd in artikel 2 als de som van de glasoppervlakten die uitgeven op de buitenzijde, met aftrek van de delen die geen licht doorlaten, zoals ramen, volle delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorstel om enkel rekening te houden met de beglazing boven het grondniveau kan niet worden gevolgd, omdat in sommige gevallen een beglazing die deels onder het grondniveau zit, toch kan borg staan voor een degelijke bewoonbaarheid. De situatie moet dus geval per geval worden bestudeerd door de uitreikende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De KCML vindt dat de verordening rekening zou moeten houden met het gebruikte beglazingstype, omdat dubbele beglazing een verlies van licht met zich meebrengt ten opzichte van enkele beglazing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt de opmerking wel relevant maar acht dit moeilijk toepasbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt evenwel op gewezen dat het lichtverlies door het gebruik van dubbele beglazing marginaal is in vergelijking met het gebruik van enkele beglazing, gelet op de minimumdrempel van 1/5 van de vloeroppervlakte. Derhalve lijkt het niet aangewezen om de plaatsing van dubbele beglazing, die onmiskenbaar voordelen biedt op het vlak van de bewoonbaarheid, in het gedrang te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de GOC die deel uitmaken van de ESR vinden dat de verordening preciseringen zou moeten geven voor huizen met drie vertrekken achter elkaar, waarvan het middelste geen natuurlijke lichtinval heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC treedt deze opmerking bij en vindt dat de berekeningswijze enkel kan worden toegepast op nieuwe gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt erop gewezen dat de gebouwen met drie vertrekken achter elkaar doorgaans Brusselse bouwwerken zijn die dateren van het begin van de vorige eeuw. Die bouwwerken omvatten traditioneel een verhoogde benedenverdieping met drie vertrekken achter elkaar. Maar hun plafondhoogte, die kan gaan tot 4,5 m, compenseert het gebrek aan lichtinval in het centrale vertrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GSV bepaalt minimale bewoonbaarheidsregels om een leidraad te geven voor nieuwbouwwoningen, maar ook in het kader van renovatiewerken die de bewoonbaarheid van het bestaand bouwwerk wijzigen. Daarentegen is deze titel krachtens artikel 1, § 4 niet van toepassing op de andere handelingen en werken aan een bestaand bouwwerk, die het behoud ervan beogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De RLBHG merkt op dat de verordening geen rekening houdt met de specifieke kenmerken van elk bouwwerk inzake verlichting, terwijl men door rekening te houden met die kenmerken energiebesparingen zou kunnen verwezenlijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom stelt de RLBHG voor om een zin in te lassen die stelt dat de berekening van de te plaatsen verlichtingsinrichtingen gebaseerd moet zijn op de mogelijkheden inzake natuurlijke verlichting, om zoveel mogelijk het energieverbruik te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat de verordeningen betreffende energiebesparing de energieprestaties van de beglazingen zouden moeten verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel II van de GSV bepaalt de bewoonbaarheidsregels voor de woningen, in het bijzonder inzake de natuurlijke verlichting, en niet de regels voor de verbetering van de energieprestatie van de bouwwerken, noch de criteria voor de kunstmatige verlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzicht Artikel 10 (nieuw artikel 11) Reclamanten vragen om te preciseren dat het uitzicht wordt berekend op een hoogte tussen 1,5 en 1,9 m boven het vloerniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC keurt het voorstel goed voor een hoogte van 1,5 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit verzoek bijdraagt tot de kwalitatieve verbetering van het opgelegde uitzicht, kan het worden gevolgd, en dus wordt artikel 10 aangepast om te preciseren dat het uitzicht wordt berekend op 1,5 m boven het vloerniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ventilatie Artikel 11 (nieuw artikel 12) Een reclamant en de GOC vragen om een natuurlijke ventilatie op te leggen (een opengaand raam) in elk bewoonbaar vertrek. Een andere reclamant stelt voor om dit minstens te voorzien in de keuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien artikel 9 de natuurlijke verlichting van de bewoonbare lokalen oplegt, met uitsluiting van keukens, kan de ventilatie van die lokalen inderdaad voor een probleem zorgen. Derhalve wordt artikel 11 vervolledigd om de ventilatie van die lokalen te verplichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om het volgende te voorzien : \"de verbrandingstoestellen voor verwarming en warmwaterproductie en de lokalen waarin ze zich bevinden, zijn voorzien van een afvoer naar de buitenzijde van het gebouw toe\";</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere reclamant vraagt om te voorzien in hoge en lage ventilatievoorzieningen voor stookruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vraagt de Regering om na te gaan of die normen wel degelijk zijn voorzien door andere verordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is de plaatsing van verbrandingstoestellen voor verwarming en warmwaterproductie, alsook de lokalen waarin ze zich bevinden, onderworpen aan precieze technische normen. Die technische normen kunnen niet worden gedetailleerd in de GSV, die tot doel heeft algemene bewoonbaarheidsregels vast te leggen. HOOFDSTUK IV. - Voorzieningen Aansluitingen Artikel 12 (nieuw artikel 13) Reclamanten vinden dat deze bepalingen eerder thuis horen in de Huisvestingscode of overbodig zijn, en dat ze niet controleerbaar zijn omdat het elektriciteitsplan niet in de stedenbouwkundige vergunning is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat deze bepalingen geschrapt moeten worden omdat ze niet controleerbaar zijn, daar het elektriciteitsplan niet in de stedenbouwkundige vergunning is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GSV heeft echter tot doel om minimale bewoonbaarheidsnormen voor de woningen te bepalen, wat impliceert dat de minimale voorzieningen borg moeten staan voor de functionaliteit die nodig is voor de bewoonbaarheid van de woningen. Het feit dat de plaatsing van die voorzieningen geen stedenbouwkundige vergunning vereist, doet in dit verband niet terzake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om meer dan één stopcontact per vertrek te voorzien, omdat dat te weinig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GSV bepaalt echter het minimumaantal stopcontacten dat voorzien moet worden in elk bewoonbaar lokaal. De bouwheer is vrij om er meer te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat de regels inzake aansluitingen betrekking moeten hebben op alle woningen en niet alleen op nieuwe woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat verband wordt gepreciseerd dat de GSV wordt toegepast in het kader van de uitvoering van werken. Men kan de realisatie van aansluitingen niet opleggen voor bestaande woningen waarin geen werken worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar bij de realisatie van nieuwe woningen in een bestaand bouwwerk, zijn die aansluitingen wel verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt te preciseren \"water en elektriciteit\", omdat de \"en/of\" het mogelijk zou maken om enkel gas te voorzien, zonder elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband dient de formulering van artikel 12 (nieuw artikel 13) te worden gepreciseerd om te stipuleren dat elke nieuwe woning moet worden aangesloten op het distributienet van water en van elektriciteit, en desgevallend van gas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant stelt voor om de aanwezigheid van de nodige buizen en leidingen te verplichten voor de aansluiting op de telefoon- en teledistributienetwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat deze elementen oncontroleerbaar zijn in de stedenbouwkundige vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fundamenteel is de aansluiting op het telefoon- en teledistributienet mee bepalend voor de goede bewoonbaarheid. Titel II heeft echter niet tot doel om de aansluitingen van bouwwerken op de potentiële technologieën op te leggen, maar om minimale bewoonbaarheidsregels te bepalen voor de woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rioleringsnet Artikel 13 (nieuw artikel 14) Reclamanten stellen voor om vóór het woord \"rioleringsnet\" het woord \"openbaar\" toe te voegen omwille van de jurisprudentie, verwijzend naar het BWRO, artikel 189, 3de lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC verklaart zich akkoord met het verzoek van de reclamant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige bouwwerken kunnen evenwel gelegen zijn in randwijken waar geen openbare riolering ligt. Het is dus nuttig om ook de aansluiting van bouwwerken op een privaat afvoersysteem toe te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat de aansluiting op het rioleringsnet het voorwerp moet uitmaken van een vergunning in het kader van de strijd tegen de overstromingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat men in een stedelijke omgeving niet anders kan dat de aansluiting op het rioleringsnet verplicht te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien legt Titel I, om de overbelasting van het rioleringsnet te voorkomen, de plaatsing op van een regenput in het geval van nieuwbouw. Het regenwater moet bovendien naar de regenput worden afgevoerd, of desgevallend zelfs naar een vloeiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lift Artikel 14 (nieuw artikel 15) Een reclamant vraagt om te preciseren \"een benedenverdieping en vier of meerdere woonlagen (in plaats van \"bovenverdiepingen\")\"omdat zodoende de zolderverdiepingen kunnen worden meegeteld in de berekening. Reclamanten zijn van mening dat de term \"bovenverdiepingen\" een voordeel biedt voor duplexen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC gaat niet akkoord met de vervanging van \"bovenverdiepingen\" door \"woonlagen\". Het is namelijk het aantal bouwlagen - en dus aantal verdiepingen - dat het doorslaggevend criterium moet zijn om te bepalen of er al dan niet een lift moet zijn in de gebouwen met meerdere woningen. Anders zou men de normen kunnen omzeilen door veelvuldig duplexen te gaan inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien stelt de GOC voor om de aanwezigheid van een lift niet op te leggen wanneer de 4de verdieping toegankelijk is vanaf een lagere verdieping en bij de woning op de verdieping eronder hoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit punt wordt de tekst van de verordening aangepast om de aanwezigheid van een lift niet op te leggen wanneer de 4de verdieping toegankelijk is vanaf een lagere verdieping en bij de woning op de verdieping eronder hoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men mag immers geen meerkosten opleggen bij de bouw van kleine gebouwen met een beperkt aantal woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat men ook rekening moet houden met ondergrondse verdiepingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat men geen rekening moet houden met de ondergrondse verdiepingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt erop gewezen dat nieuwe gebouwen met een ondergrondse woning bijzonder zeldzaam zijn. Het is niet de bedoeling van de GSV om alle mogelijke gevallen te bestrijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan gebeuren dat half ingegraven kelderverdiepingen in bestaande gebouwen als woning worden gebruikt. Maar artikel 15 (vroeger artikel 14) heeft enkel betrekking op nieuwe gebouwen met meerdere woningen. Huisvuil Artikel 15 (nieuw artikel 16) De KCML oordeelt dat deze voorschriften nefast zijn voor de bestaande bebouwing en eveneens voor nieuwe bouwwerken omdat ze een zware hypotheek leggen op de behandeling van de benedenverdiepingen en de verbinding van de woongebouwen met de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom stelt de KCML voor om de toepassing van artikel 15 te beperken tot de nieuwe gebouwen die opgetrokken zijn op minstens 2 of 3 traditionele percelen. Anders dreigt men de benedenverdiepingen te transformeren in een aaneenschakeling van dienstlokalen en parkinginritten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC stelt voor om enkel een lokaal voor huisvuil op te leggen wanneer het gebouw opgetrokken is op meer dan 2 traditionele percelen of wanneer er een lift is in het gebouw, in welk geval dat lokaal ondergronds wordt ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar om aan de vraag van de andere reclamanten tegemoet te komen, wordt gepreciseerd dat de toepassing van artikel 15 enkel geldt voor nieuwe gebouwen met meerdere woningen, waarvoor de aanwezigheid van een dergelijk lokaal bijdraagt tot de hygiëne en de bewoonbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens moet worden gepreciseerd dat artikel 15 zodanig werd geformuleerd dat het geen oppervlaktematen geeft maar een proportioneel criterium voor een voldoende capaciteit, zodat de inrichting van zo'n lokaal geen nefaste invloed heeft op de architectuur van nieuwe gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evenwel niet verantwoord om dit voorschrift te beperken tot de gebouwen die opgericht zijn op meer dan 2 percelen. Enerzijds is de omvang van de percelen variabel naargelang de wijken, en anderzijds zijn die dienstlokalen zelfs bij kleinere gebouwen nuttig. Er bestaan architecturale oplossingen om te voorkomen dat de benedenverdiepingen een aaneenschakeling van dienstingangen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het zo dat, in een bestaand gebouw met meerdere woningen, zelfs als de normen er niet helemaal toegepast kunnen worden, de wijzigingen die een impact hebben op de gemeenschappelijke delen van het gebouw, niet mogen leiden tot een achteruitgang van de conformiteit van de dienstlokalen zoals bedoeld in de artikels 15, 16 en 17. De wijziging van woningen en woongebouwen mag niet zomaar gebeuren in alle omstandigheden, zonder rekening te houden met de elementaire vereisten inzake de levenskwaliteit van de bewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve moeten deze werken leiden tot een verbetering van de conformiteit van het gebouw met de voorgeschreven normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om in de tekst te preciseren dat dit artikel niet van toepassing is op eengezinswoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen de afschaffing van dit kleine lokaal in het geval van kleine gebouwen en vinden dat de voorziene bepalingen moeilijk uitvoerbaar zijn en buiten verhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om tegemoet te komen aan deze bezwaren, wordt in artikel 15 uitdrukkelijk gepreciseerd dat het toepassingsgebied zich beperkt tot nieuwe gebouwen met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten bekritiseren het subjectieve aspect van de omschrijving \"de capaciteit ervan is afgestemd op het aantal woningen\", en zouden graag een minimale oppervlakte per woning opgelegd zien (bijvoorbeeld 0.3 m2 per woning met een minimum van 10 m2 per gebouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat het voorgestelde systeem te complex is en dat het moeilijk is om normen op te stellen op dit vlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 geeft inderdaad bewust geen afmetingen voor het lokaal dat moet worden voorzien voor de opslag van huishoudelijk afval. Dat lokaal moet voldoende groot zijn, gelet op het aantal woningen. Dit voorschrift laat het over aan het oordeel van de bouwheer en de uitreikende overheid om te bepalen hoe groot het lokaal moet zijn, naargelang de omvang van het op te richten bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt waarom de bepaling betreffende de brandbestendige indeling van het lokaal is verdwenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht het eveneens nuttig om die brandnorm opnieuw in de tekst op te nemen en vraagt om de norm van de deur op te trekken tot een brandweerstand van 1 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling betreffende de brandbestendige indeling hoort echter niet thuis in een verordening die de regels moet vastleggen voor de goede bewoonbaarheid van een woning, maar in de brandnormen die elders worden bepaald. Voor elk nieuw bouwwerk moet vooraf de toestemming van de brandweerdienst worden verkregen, en dus moet het voldoen aan de desbetreffende normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat het verstandig zou zijn om te stipuleren dat het ontwerp de conformiteit van de woning moet verbeteren, zelfs wanneer er geen impact is op de gemeenschappelijke delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is het niet eens met de reclamant omdat ze dat voorstel niet realistisch vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veralgemening van dit voorschrift voor bestaande gebouwen is evenwel niet realistisch omdat de plaatselijke inrichting dat niet altijd mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het onmogelijk om de uitvoering van werken aan de gemeenschappelijke delen van een gebouw op te leggen in het kader van werken in een private woning, zelfs als die woning gelegen is in een gebouw met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten vragen met klem om op de stoep een vrije doorgang van 1,5m op te leggen en de plaatsing van vuilzakken op een fietspad te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, valt dit verzoek niet onder de bevoegdheid van de GSV maar onder die van de diensten die de wegen en de openbare ruimte beheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en de GOC vragen dat het lokaal voor de opslag van huisvuil toegankelijk zou zijn voor personen met beperkte mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt eraan herinnerd dat Titel IV normen bevat waaraan de gebouwen moeten beantwoorden inzake de toegankelijkheid voor PBM. Lokaal voor tweewielers en kinderwagens Artikel 16 (nieuw artikel 17) De KCML oordeelt dat deze voorschriften nefast zijn voor de bestaande bebouwing en eveneens voor nieuwe bouwwerken omdat ze een zware hypotheek leggen op de behandeling van de benedenverdiepingen en de verbinding van de woongebouwen met de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten stellen vraagtekens bij de noodzaak van dit lokaal voor kleine gebouwen. Een andere reclamant bekritiseert de aanwezigheid ervan in het geval dat er individuele of collectieve garages zijn. Anderen zouden deze lokalen ook graag verplicht zien in de bestaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC stelt voor om slechts een lokaal voor tweewielers en kinderwagens op te leggen wanneer het gebouw is opgetrokken op meer dan 2 traditionele percelen of wanneer er een lift of een toegangshelling in het gebouw is, in welk geval het lokaal zich ondergronds mag bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat de afmetingen van dat lokaal zouden worden vastgelegd op minimaal 6m2 met een minimum van 2m2 per woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleggen van een lokaal voor lichte tweewielers en kinderwagens brengt de architecturale behandeling van de gevel van het gebouw niet in het gedrang. Het is aan de uitreikende overheid om de voorgestelde architecturale oplossingen en de verbinding van het gebouw met de straat te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het belangrijk om dergelijke ruimtes te voorzien, omdat het stallen van fietsen en kinderwagens in de woningen vaak voor problemen zorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stallen van kinderwagens in garages kan eveneens problematisch en ongemakkelijk zijn. De garages zijn overigens vervuilde ruimtes die niet geschikt zijn voor het stallen van inrichtingen die bestemd zijn voor kleine kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot bepaalt artikel 16 niet de afmetingen van het lokaal voor de lichte tweewielers en kinderwagens; die zijn afhankelijk van het aantal woningen in het gebouw. De afmetingen worden dus overgelaten aan de beoordeling van de bouwheer en de uitreikende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat dit lokaal ook voorzien moet worden bij een ingrijpende wijziging van het gebouw enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat het verstandig zou zijn om te stipuleren dat het ontwerp de conformiteit tot woning moet verbeteren, zelfs wanneer er geen impact is op de gemeenschappelijke delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is het niet eens met de reclamant omdat ze dat voorstel niet realistisch vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband lijkt de veralgemening van dit voorschrift voor bestaande gebouwen niet realistisch omdat de plaatselijke inrichting dat niet altijd mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het onmogelijk om de uitvoering van werken aan de gemeenschappelijke delen van een gebouw op te leggen in het kader van werken in een private woning, zelfs als die woning gelegen is in een gebouw met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen of het gaat om stelplaatsen voor fietsen of voor kinderwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, is dat lokaal bestemd voor fietsen en kinderwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten vragen om de veiligheid van het lokaal te verbeteren en de toegangsmodaliteiten ervan uit te werken Reclamanten vragen om te preciseren dat de toegang tot het lokaal gratis is of mits betaling van een abonnement dat recht geeft op de sleutel en de schoonmaak van het lokaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, horen deze kwesties niet thuis in de GSV. Een andere reclamant vraagt om \"voorziene functie\" te vervangen door \"geplande of toekomstige functie\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verzoek kan evenwel niet worden gevolgd omdat de functie van dat lokaal zeer precies is : het dient voor het stallen van « tweewielers » en « kinderwagens ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om het \"lokaal voor tweewielers\" te vervangen door een \"berglokaal\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC hecht geen goedkeuring aan deze verzoeken Dit verzoek kan inderdaad niet worden gevolgd, omdat het doel van dit lokaal erin bestaat om de niet-vervuilende verplaatsingen aan te moedigen. Dit lokaal moet dus dienen voor de stalling van « tweewielers » en « kinderwagens ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens voorziet artikel 3 § 4 reeds dat elke nieuwe woning moet beschikken over een private bergruimte, en stipuleert artikel 17 dat er een gemeenschappelijk lokaal moet zijn voor de berging van het materiaal voor de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten zijn van mening dat dit artikel een overlapping vormt met de voorziene normen in hoofdstuk VIII. De GOC oordeelt dat er geen sprake is van overlapping, omdat titel VIII geen betrekking heeft op de woongebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel VIII bepaalt geen norm voor het aantal plaatsen dat moet worden voorbehouden voor fietsen in gebouwen met meerdere woningen. Artikel 13 van die titel bepaalt het aantal plaatsen voor fietsen dat moet worden ingericht in kantoorgebouwen, ruimten voor hoogtechnologische activiteiten en voor de vervaardiging van materiële goederen. Het is dus verantwoord om in Titel II specifieke normen te voorzien voor de parkeerplaatsen voor fietsen in woongebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en de GOC vragen om het woord \"gebruikers\" te hanteren in plaats van \"inwoners\", waardoor ook de handelaars, vrije beroepen en VZW's die het gebouw gebruiken, worden meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verzoek kan echter niet worden gevolgd omdat Titel II enkel betrekking heeft op de bewoonbaarheid van de woning in de zin van artikel 2, 3° en niet op andere activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten stellen voor om één (of zelfs twee) stelplaats(en) per woning te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de GOC die deel uitmaken van de GMC vinden één stelplaats per vier woningen ruim onvoldoende en vinden dat er zou moeten staan \"één stelplaats per woning, met een minimum van drie\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vraagt unaniem dat één stelplaats voor tweewielers of kinderwagens per twee woningen zou worden voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is het verantwoord om het gebruik van alternatieve vervoerswijzen in het Brussels Gewest aan te moedigen. Die wil strookt met de doelstellingen van het GewOP. Derhalve wordt de tekst van artikel 16 gewijzigd om minstens één plaats per woning te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen dat dit lokaal zich niet ondergronds zou bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt eveneens dat dit lokaal beter op een andere plaats zou worden ingericht, tenzij er een lift of een toegangshelling aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verzoek kan echter niet worden gevolgd omdat de meest geschikte plaats voor dit lokaal geval per geval moet worden bestudeerd, rekening houdend met de plaatselijke inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal voor de berging van schoonmaakmateriaal Artikel 17 (nieuw artikel 18) Een reclamant vraagt om een WC voor het schoonmaakpersoneel te verplichten voor gebouwen met gemeenschappelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, moet dit probleem eerder het voorwerp uitmaken van het ARAB. HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen Overeenstemming van een project met deze verordening Artikel 18 (nieuw artikel 19) Verscheidene reclamanten vinden het toepassingsgebied te beperkt en stellen voor om andere projecten dan bouwprojecten erin op te nemen door het woord \"bouw\" te schrappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC hecht haar goedkeuring aan dat voorstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorstel is gegrond. Derhalve wordt de tekst van artikel 18 in die zin gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - Bouwplaatsen Algemeen Verhouding van Titel III ten opzichte van andere verordeningen Heel wat reclamanten zijn van mening dat de verhouding tussen deze Titel van de GSV en de andere bestaande of toekomstige verordeningen moet worden verduidelijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt zich af of deze bepalingen niet eerder thuishoren in een milieuwetgeving of zelfs in een politieverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is inderdaad zo dat bepaalde materies die in de titel worden behandeld, zouden kunnen worden opgenomen in de \"Milieuordonnantie\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zou het beter zijn als de exploitatievoorwaarden voor alle nieuwbouwwerven zouden worden opgelegd via een milieuvergunning van klasse 3 of een lastenboek dat systematisch wordt gekoppeld aan de vergunningsaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere reclamant vindt dat deze titel van het ontwerp van GSV voornamelijk kwesties van openbare veiligheid beoogt die in hoofdzaak worden behandeld door artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening zou moeten worden geïntegreerd in de Algemene Politieverordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze reclamanten zijn van oordeel dat het beter zou zijn om één enkele verordenende referentietekst op te stellen die duidelijk de bevoegdheden van alle partijen bepaalt, de voorwaarden voor openbaarmaking van de vergunningen en de procedure die moet worden gevolgd bij problemen, en om er een gebruiksaanwijzing aan toe te voegen om de voorwaarden van de vergunning van de bouwplaats te doen naleven wanneer deze voor overlast zorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC constateert de complexiteit van de regels met betrekking tot de bouwplaatsen in het Brussels Gewest : hun groot aantal en de vaak overlappende bevoegdheden van de verschillende wetgevingen maken een lezing van de terzake geldende regels niet makkelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, naast de ordonnanties en besluiten die betrekking hebben op bepaalde aspecten van het beheer van de bouwplaatsen (en onder meer betreffende de coördinatie en de organisatie van de bouwplaatsen op de openbare weg of betreffende de geluidshinder of het afvalbeheer), beheren de politieverordeningen bepaalde aspecten met betrekking tot de naleving en uitvoering ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht het onontbeerlijk om een vademecum op te stellen dat deze diverse reglementeringen bundelt. Die geharmoniseerde tekst zou zowel de geldende stedenbouwkundige voorschriften als de milieuvoorschriften moeten bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds stelt de GOC zich de vraag of het zin heeft om deze Titel van de verordening op termijn te handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GSV is van toepassing op de bouwplaatsen van alle werken die niet vallen onder de maatregelen ter uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998, zijnde de werken buiten de openbare weg, evenals de werken op de openbare weg die niet vallen onder het aanhangsel van de ordonnantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er werd een voorontwerp van ordonnantie betreffende de bouwplaatsen uitgewerkt dat in de loop van het jaar 2007 de ordonnantie van 5 maart 1998 zal vervangen. Die nieuwe wettekst zal alle aspecten van de materie regelen, en dit voor alle openbare wegen, zowel op gewestelijk als op gemeentelijk niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien wordt momenteel een ontwerp van geluidsordonnantie voorbereid, dat eveneens de toestand op dit vlak moet verduidelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van zodra die teksten zijn goedgekeurd, zal men zich moeten buigen over de zin van het behoud van een verordening die meer betrekking heeft op de volksgezondheid, de veiligheid en de openbare orde dan op de regels inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is de GOC van mening dat de regels betreffende bouwplaatsen op gewestelijk niveau moeten worden uitgevaardigd, en niet op gemeentelijk niveau. Zo zouden de ter studie liggende gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen geen voorschriften terzake mogen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien Titel III van de GSV wordt gehandhaafd, pleit de GOC voor het opstellen van een inleiding die deze verordening situeert ten opzichte van de andere wetteksten; daarin moet dan ook een overzicht worden gegeven van de andere bestaande wetgevingen en hun bevoegdheden, van de instanties die instaan voor de controle op hun uitvoering en van de te volgen procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt eraan herinnerd dat de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, overeenkomstig artikel 88 van het BWRO, onder meer betrekking heeft op « de gezondheid ... van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving », « de gezondheid, de veiligheid ... van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan », « de woonkwaliteit en het gemak van het langzaam verkeer met name door voorkoming van lawaai, stof en rook bij de uitvoering van werken, en door deze werken op bepaalde uren en dagen te verbieden ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals wordt gepreciseerd in artikel 1 van Titel III, is de GSV van toepassing op de bouwplaatsen gelegen buiten of op de openbare weg die niet vallen onder de regels uitgevaardigd in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 1998 betreffende de coördinatie van de bouwplaatsen op de openbare weg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en waarvoor al dan niet een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning of een voorafgaande aangifte vereist is, en doet ze geen afbreuk aan de goedkeuring van afzonderlijke maatregelen in de bijzondere uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot de milieuvergunning of de aangiften krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. De GSV regelt dus een specifieke problematiek met betrekking tot de bouwplaatsen in uitvoering van artikel 88 van het BWRO. Bovendien zal de GSV het voorwerp uitmaken van een publicatie met verklarende en inleidende nota's bij de verschillende titels van de GSV, die het mogelijk zullen maken om de draagwijdte van de GSV te situeren in het geheel van bestaande verordeningen en reglementeringen in Brussels Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte zal Titel III worden geëvalueerd wanneer de nieuwe ordonnantie betreffende de bouwplaatsen in werking treedt. Titel III blijft evenwel geldig ten aanzien van de bouwplaatsen buiten de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sancties Reclamanten vragen om in de GSV de sancties op te nemen die van toepassing zijn bij overtredingen tegen de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze wijzen op het ontbreken van sancties in deze verordening. Ze vragen om in de tekst een voorschrift op te nemen dat de naleving van de bouw- en milieuvergunningen verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere reclamanten vragen om na te denken over de kwestie van de controle van de bepalingen van de verordening en om voorschriften in die zin toe te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC verwijst naar haar algemene beschouwingen en vraagt om duidelijkheid te scheppen aangaande de hiërarchie van de normen : het zou nuttig zijn te preciseren welke regels van toepassing zijn en wie verantwoordelijk is om de toepassing ervan te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze wijst erop dat een stedenbouwkundige verordening geen politieverordening is, noch een document dat de sancties preciseert die van toepassing zijn bij de niet-naleving van een stedenbouwkundige of milieuvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een stedenbouwkundige verordening moet regels inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening uitvaardigen die van toepassing zijn op de bouw- of inrichtingshandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt eraan herinnerd dat de GSV een verordenend document is met bindende kracht, en dat inbreuken op deze verordening gelden als misdrijf krachtens artikel 300, 3° van het BWRO. Zoals de GOC preciseert, is een stedenbouwkundige verordening geen politieverordening, noch een document dat de sancties preciseert die van toepassing zijn bij de niet-naleving van een stedenbouwkundige of milieuvergunning. Een stedenbouwkundige verordening moet regels inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening uitvaardigen die van toepassing zijn op de bouw- of inrichtingshandelingen.De kwesties aangaande de naleving van de toestemmingen en vergunningen en betreffende de sancties die van toepassing zijn op de inbreuken daarop, horen ten slotte evenmin thuis in een GSV. HOOFDSTUK II. - Bepalingen geldig voor de bouwplaatsen op en buiten de openbare weg Afdeling 1. - Algemeen Definities Artikel 2 3. Omgeleide doorgang Een reclamant vraagt om rekening te houden met de personen met beperkte mobiliteit en de fietsers.Daartoe zou de definitie van omgeleide doorgang er melding van moeten maken. Hij stelt de volgende formulering voor : \"het pad langs de bouwplaats, bestemd voor het voetgangers-verkeer, met inbegrip van personen met beperkte mobiliteit en fietsers\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC keurt de voorgestelde wijziging goed. Ze oordeelt dat deze wijziging de coherentie van de verordening met Titel VII versterkt, die stipuleert dat de aanleg van de weg \"het comfort, het gemak en de doorlopende begaanbaarheid voor de voetgangers en lichte tweewielers moet verzekeren\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve wordt de definitie van de omgeleide doorgang in die zin aangepast. 10. Bewoond gebied Een reclamant haalt aan dat de gemengde gebieden niet opgenomen zijn in de definitie van het bewoond gebied. De GOC wijst erop dat de reclamant zich vergist en dat de gebieden in kwestie wel degelijk in de opsomming staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen vindt ze dat de opsomming in de definitie van het bewoond gebied niet de GGB's zou moeten vermelden, aangezien die momenteel geen bewoonde gebieden zijn en het ook niet allemaal zullen worden. De delen van de GGB's die in de toekomst zullen worden ingericht als woongebied, zullen automatisch worden beschouwd als bewoond gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de GOC zich hiervoor niet baseert op een bezwaarschrift, kan de regering volgens de rechtspraak van de Raad van State het ontwerp niet aanpassen zonder het openbaar onderzoek over te doen, wat overdreven lijkt voor een voorstel van dergelijk miniem belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer van de bouwplaats Artikel 3 § 1, 1° Verscheidene reclamanten vragen bijkomende preciseringen aangaande de staat van netheid van de werfvoertuigen buiten de openbare weg, alsook om een regelmatige schoonmaak te verplichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van mening dat men realistisch moet blijven en dat men niet de schoonmaak van de voertuigen tijdens de werken en buiten de openbare weg kan eisen. Belangrijker is om toe te zien op het behoud van de netheid van de openbare weg. Ze pleit er derhalve voor om dit lid als volgt te preciseren : \"de bouwvoertuigen en -machines die er worden gebruikt, worden in staat van netheid gehouden wanneer ze de bouwplaats verlaten, zodat ze geen sporen nalaten op de openbare weg. » Overeenkomstig de beschouwingen en op voorstel van de GOC wordt de definitie aangevuld in die zin. § 1, 4° De RLBHG stelt vast dat artikel 3, § 1, 4° vereist dat men te allen tijde toegang kan krijgen tot de naastliggende eigendommen en de openbare netwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad stelt voor om in de verordening een - desnoods tijdelijke - afwijkingsmogelijkheid te voorzien met betrekking tot die permanente toegankelijkheid, omdat zulks soms technisch zeer moeilijk kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC stelt vast dat het in sommige gevallen inderdaad onmogelijk is om \"te allen tijde\" de toegang tot de naastliggende eigendommen en openbare netwerken te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vindt dat de GSV dit probleem niet mag negeren en dat de toegangsverplichting moet worden behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt echter dat een afwijking mogelijk moet zijn, maar op een beperkte manier en met de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt eraan herinnerd dat het voorschrift tot doel heeft om te allen tijde toegang te verzekeren tot de naastliggende eigendommen en de openbare netten. Bovendien is het niet de rol van het Regeringsbesluit tot goedkeuring van de GSV om bijkomende mogelijkheden te voorzien om af te wijken van de wettelijke mechanismen die worden georganiseerd door het BWRO. De GSV moet dus niet worden aangepast op dit punt. § 2 Op verzoek van de leden die de GMC vertegenwoordigen, stelt de GOC voor om verschillende termijnen te voorzien om de openbare vervoermaatschappij te verwittigen, naargelang de duur van de werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze stelt de volgende correctie van de paragraaf voor : « de bouwheer verwittigt de openbare vervoermaatschappij minstens vijftien dagen vóór de aanvang van de werken wanneer de veroorzaakte hinder niet langer duurt dan drie maanden, en minstens twee maanden vooraf wanneer de hinder langer dan drie maanden zal duren »;</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband lijkt het niet verantwoord om verschillende termijnen voor te schrijven naargelang de duur van de hinder die wordt veroorzaakt voor een lijn van het openbaar vervoer, omdat de verplichting tot informatieverstrekking aan de openbare vervoersmaatschappij gekoppeld is aan de hinder voor het openbaar vervoer, ongeacht de duur van die hinder. Bovendien zou dit onderscheid de GSV en de toepassing ervan alleen nog maar complexer maken, terwijl het beoogde doel identiek is, met name de openbare vervoersmaatschappij verwittigen opdat die maatregelen zou kunnen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uurrooster van de bouwplaats Artikel 4 § 1, 2° Een reclamant vraagt om de termen \"luidruchtige werktuigen of technieken\" te preciseren, die nogal veel interpretatievrijheid geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reclamant vindt dat men beter en maximale geluidsdrempel in decibel zou bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De RLBHG vraagt om in artikel 4 de beperkende lijst van de luidruchtige werktuigen en technieken te behouden. Het begrip \"luidruchtige werktuigen of technieken\" is inderdaad te vaag en vatbaar voor subjectieve interpretatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat het verstandiger zou zijn om een objectieve grens te bepalen voor de intensiteit van het geproduceerde lawaai.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende reclamanten vinden dat de woorden \"luidruchtige werktuigen of technieken\" te vaag zijn en vatbaar zijn voor een subjectieve interpretatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt dat eveneens en stelt voor om de aanvankelijke tekst van de GSV te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebrek aan dergelijke maatregelen vraagt ze bovendien de terugkeer naar de aanvankelijke tekst van de GSV, met toevoeging van de pikhamers aan de lijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleggen van een maximale decibeldrempel zou inderdaad te precies kunnen zijn en dit gegeven varieert naargelang de context. Het ontwerp van GSV moet het beoogde doel omschrijven. Bovendien wordt momenteel een ontwerp van geluidsordonnantie uitgewerkt door het BIM. Derhalve wordt artikel 4, § 1, 2° gewijzigd om enkel de precieze opsomming te behouden van de luidruchtige technieken waarvoor een beperkt uurrooster geldt voor hun gebruik op de bouwplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten (waaronder een gemeente) vragen een betere coördinatie van de voorschriften met betrekking tot de uurroosters met de politieverordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC bevestigt dat de uurroosters kunnen verschillen van de ene verordening tegenover de andere. Ze vraagt om deze kwestie te regelen via de GSV. In dit verband werden de bepalingen van de GSV duidelijk en algemeen opgesteld betreffende de uurroosters van de bouwplaatsen, en die bepalingen moeten worden nageleefd. § 3 Volgens sommige reclamanten zouden afwijkingen van de uurroosters toegestaan moeten kunnen worden door de gemeente op eigen initiatief, en niet alleen op vraag van de bouwheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht deze vraag ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is inderdaad niet verantwoord dat een gemeente op eigen initiatief een afwijking toestaat van de uurroosters van de bouwplaatsen, te meer omdat de Regering streeft naar meer coherentie in de regels die worden toegepast in de verschillende gemeenten van het Brussels Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkingen kunnen enkel worden toegestaan om uitzonderlijke redenen, die worden verantwoord bij de aanvraag, en die aanvraag moet uitdrukkelijk worden geformuleerd door de bouwheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de openbare weg Artikel 5 § 1 Een reclamant vraagt om te preciseren wat men verstaat onder een \"als goed geachte\" staat. Hij stelt derhalve voor om toe te voegen \"goed en zonder gebreken\". Hij vindt dat de huidige tekst de deur openzet voor uiteenlopende interpretaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht deze klacht ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is inderdaad niet aangewezen om het begrip « goed geachte » staat te preciseren omdat dit heel wat vragen zou kunnen doen rijzen omtrent de interpretatie. Het is overigens niet nuttig om dit begrip nog verder te preciseren, aangezien de bouwheer er belang bij heeft om een plaatsbeschrijving op te stellen om eventuele gebreken aan de openbare weg vast te stellen. Doet hij dat niet, dan kan het ontbreken van een plaatsbeschrijving in zijn nadeel uitvallen, omdat hij dan verplicht zal worden de openbare weg in goede staat te herstellen, terwijl die aanvankelijk misschien wel gebreken had kunnen vertonen. § 2 De GOC is van mening dat een uitbreiding van de termijn voor de realisatie van de plaatsbeschrijving tot 15 dagen vóór de opening van de bouwplaats overdreven is. Hierdoor kan de aanvang van de werken vertraging oplopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vraagt derhalve een terugkeer naar de oude tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitbreiding van de termijn voor de realisatie van de contradictoire plaatsbeschrijving is evenwel verantwoord, gelet op de organisatiebehoeften van de gemeentelijke en gewestelijke diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit element vormt op zich geen grond voor een nadelige vertraging in het opstarten van de werken. § 5 Een reclamant is van mening dat de regels voor de bescherming van bomen zwak blijven, vooral wat de wortels betreft. Er zou een bijlage bij de GSV moeten worden uitgewerkt die de bouwplaatsvoorwaarden specificeert voor openbare werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere reclamanten vinden eveneens dat preciseringen vereist zijn opdat de modaliteiten voor de bescherming van beplantingen beter gepreciseerd zouden worden, met name betreffende de beschermingsperimeter van bomen waarbinnen de opslag van goederen verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om tegemoet te komen aan het verzoek van de reclamanten, wordt derhalve gepreciseerd dat « het verboden is om binnen het bereik van het wortelgebied van bomen materiaal op te slaan, manoeuvres uit te voeren met bouwvoertuigen of -machines en barakken te plaatsen » § 6 Op verzoek van de leden die de GMC vertegenwoordigen, stelt de GOC voor om bij het herstel van de wegen ook het uitwissen van de grondmarkeringen te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijkomende verplichting om grondmarkeringen uit te wissen is evenwel overbodig, omdat het herstel van de openbare weg in zijn oorspronkelijke staat dit aspect impliciet omvat. De lijst, in deze paragraaf, van de elementen die in dat herstel zijn vervat, is niet uitvoerig maar indicatief. § 7 Verscheidene reclamanten vragen preciseringen in § 7 betreffende de informatieplicht ten aanzien van de buurtbewoners, in het bijzonder aangaande de hinder van de bouwplaats, de trajecten van de werfvoertuigen en de kenmerken van de bouwplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC steunt dit voorstel en pleit ervoor dat de informatie alle elementen zou preciseren betreffende het beheer en het verloop van de werken, waaronder de gegevens van de signalisatieverantwoordelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling in kwestie wordt derhalve aangevuld in die zin. Het is immers verantwoord dat de buurtbewoners op de hoogte worden gehouden van de elementen met betrekking tot het beheer en het verloop van de werken, zodat eventuele hinder of ongemakken kunnen worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om een verklaring van onderbreking en van het einde van de werken te eisen van de bouwheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC echter aanhaalt, is deze klacht ongegrond. De einddatum van de werken moet automatisch al vermeld worden in de plaatsbeschrijving (3°).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderbreking van de werken kan voor de buurt daarentegen problemen met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve wordt de GSV overeenkomstig het voorstel van de GOC aangepast om te voorzien in een informatieplicht ten aanzien van de buurtbewoners bij een onderbreking van de werken gedurende meer dan 30 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de bomen en hagen binnen de huizenblokken Artikel 6 De GOC vraagt de schrapping van punt 1° van dit voorschrift. Dat lid bevat slechts enkele types werken met betrekking tot de bouwplaats. Ze oordeelt dat het opleggen van de bescherming van de wortels, de stammen en kruinen van de bomen en hagen, beschreven in punt 2°, voldoende duidelijk is Een reclamant is van mening dat de regels voor de bescherming van bomen zwak blijven, vooral wat de wortels betreft. Er zou een bijlage bij de GSV moeten worden uitgewerkt die de bouwplaatsvoorwaarden specificeert voor openbare werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere reclamanten vinden eveneens dat preciseringen vereist zijn opdat de modaliteiten voor de bescherming van beplantingen beter gepreciseerd zouden worden, met name betreffende de beschermingsperimeter van bomen waarbinnen de opslag van goederen verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is het belangrijk dit voorschrift te behouden omdat dit verder gaat dan een eenvoudige bescherming van bomen en hagen, met name door het verbod van de opslag, manoeuvres of de plaatsing van barakken in de buurt van bomen en hagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om tegemoet te komen aan de vraag van de reclamanten, wordt derhalve gepreciseerd dat « het verboden is om binnen het bereik van het wortelgebied van bomen materiaal op te slaan, manoeuvres uit te voeren met bouwvoertuigen of -machines en barakken te plaatsen ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC stelt voor dat de GSV zou verwijzen naar de Natura-gebieden, maar zonder precisering van bijzondere maatregelen, aangezien die gebieden al onderworpen zijn aan elders bepaalde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is het niet nuttig om in de GSV de Natura-gebieden te vermelden, die onderworpen zijn aan dezelfde voorschriften als de andere gebieden, te meer omdat voor die gebieden andere regels gelden die elders worden gedefinieerd. Afdeling 2. - Inrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen dat de werfafsluitingen rond de beplantingsputten zouden lopen, om het onderhoud daarvan mogelijk te maken, en de GOC steunt dit verzoek met de vraag om te preciseren dat de plantputten toegankelijk moeten blijven tijdens de werkuren van de bouwplaats Derhalve wordt artikel 7 aangevuld om die toegankelijkheid te preciseren. Afdeling 3. - Bescherming van het voetgangersverkeer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten stellen voor om een titel toe te voegen aan dit artikel : \"bescherming van het voetgangersverkeer\" Anderen vragen om er de fietsers in op te nemen in het geval van verplichte fietspaden De GOC keurt deze vragen goed en stelt voor om de titel op grond hiervan aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diezelfde reclamant vraagt om een afdeling toe te voegen met betrekking tot de fietsers met het oog op de bescherming van de fietspaden en gewestelijke fietsroutes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen om te voorzien in omleidingen voor fietsers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC herhaalt haar voorstel om de definitie van de omgeleide doorgang aan te passen. Deze precisering staat in artikel 2, 3° en is dus niet meer nodig in artikel 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de reclamanten voorstellen, moet de bescherming van de fietsers eveneens worden beoogd, met name via de bescherming van de fietspaden en de gewestelijke fietsroutes. Derhalve wordt een voorschrift toegevoegd dat de kenmerken preciseert van de omgeleide doorgang voor de bestaande fietspaden wanneer die hinder ondervinden van een bouwplaats op de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IV. - Toegankelijkheid van gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit HOOFDSTUK I. - Algemeen Zoals de GOC aanhaalt is de toegankelijkheid, krachtens het gelijkheidsbeginsel, een recht voor personen met beperkte mobiliteit, een recht dat dan ook absoluut verbeterd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC erkent overigens het opportune karakter van de bepalingen met betrekking tot de mobiliteit van personen met beperkte mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Artikel 1 Een reclamant vraagt dat de verordening enkel van toepassing zou zijn op de stedenbouwkundige vergunningen van de nog op te richten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De KCML vraagt om een duidelijk onderscheid te maken tussen de nieuwe gebouwen en de bestaande gebouwen. Voor die laatste lijkt het de raad aangewezen om de regels, waarvan het ontwerp voorziet in een systematische toepassing, om te vormen tot aanbevelingen waarvan de eventuele niet-naleving met redenen moet worden omkleed : de werken zouden tot doel moeten hebben om de verordening zo goed mogelijk te benaderen. Ze uit ook haar bezorgdheid over het gevaar om het klein erfgoed te zien verdwijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van mening dat de toepassing van dezelfde regels op nieuwe en bestaande gebouwen onvermijdelijk leidt tot een middelmatige oplossing die te laks is voor de nieuwe gebouwen en te streng voor een groot aantal bestaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is het dus niet eens met de verzoeken van de reclamanten die wensen dat deze titel enkel van toepassing zou zijn op nieuwbouw, omdat ze van mening is dat het uitsluiten van zoveel mogelijk gevallen uit de verordening indruist tegen de geest en de morele inslag ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband moet Titel IV, inzake de regels van de toegankelijkheid van de gebouwen voor personen met beperkte mobiliteit, zowel van toepassing zijn op nieuwe gebouwen als op bestaande gebouwen, zelfs indien de vastgelegde normen, in het licht van de voorgeschreven technische regels, daar waar nodig specifieke vereisten voorschrijven voor bestaande gebouwen en voor nieuwe gebouwen, zoals met name in artikel 1 § 3-14° en artikel 1 § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat de verordening niet van toepassing zou zijn bij de verbouwing of bestemmingswijziging van een gebouw met erfgoedwaarde of dat het voorwerp uitmaakt van een beschermingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC herinnert eraan dat men bij ernstige problemen steeds een aanvraag tot afwijking kan indienen, mits die voldoende met redenen wordt omkleed, en dat zolang het advies van de KCML dwingend is, voldoende garanties worden geboden inzake het behoud van het opmerkelijk erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC uit overigens ook haar bezorgdheid over het feit dat het mechanisme van afwijkingen zoals het vandaag bestaat, dreigt schering en inslag te worden zodat men zou komen tot een \"stedenbouw van afwijkingen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De behoefte om overal de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit te garanderen, blijkt soms in bestaande gebouwen onmogelijk realiseerbaar om technische, architecturale of financiële redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdat men niet telkens afwijkingen zou moeten aanvragen, die de betrokken diensten zouden overbelasten, vindt de GOC dat men de uitreikende overheid een zekere beoordelingsmacht moet geven, waarbij echter wel de plicht moet blijven bestaan om aan te tonen dat de aanvrager en de uitreikende overheid wel degelijk rekening hebben gehouden met de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit en, in casu, hebben vastgesteld dat die onmogelijk realiseerbaar is om technische, architecturale en/of financiële redenen. De redenen voor die onmogelijke realisatie werden gemotiveerd door de aanvrager en door de uitreikende overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC beklemtoont het essentiële karakter van die motivatie, gelet op de vaststelling dat de toepassing van duidelijke regels anders wordt beoordeeld door de verschillende gemeenten. Er valt dus te vrezen dat het verschijnsel nog zal toenemen als men een interpretatiemarge invoert in de toepassing van de regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorrang van het principe van de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit moet evenwel worden bevestigd ten opzichte van de administratieve vereenvoudiging die zou voortvloeien uit een verlichte procedure en die een ontoereikende normgevende basis zou kunnen vormen om de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit op te leggen, met name door de uiteenlopende toepassingen door de verschillende gemeenten, waarvoor de GOC zelf waarschuwt. Derhalve moet het toepassingsgebied van Titel IV ongewijzigd blijven. § 3 : Bedoelde gebouwen of uitrustingen Reclamanten zijn van mening dat de toepassing van de verordening op elk nieuw gebouw dat toegankelijk is voor het publiek, ongeacht de oppervlakte van publiek toegankelijke lokalen, overdreven is. Sommigen stellen voor om een drempel te bepalen waaronder Titel IV niet van toepassing zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering is het, net als de GOC, niet eens met deze reclamanten. Ze is van mening dat de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit momenteel sterk te wensen overlaat en absoluut verbeterd moet worden voor de nieuwe gebouwen, van zodra die toegankelijk zijn voor het publiek, ongeacht de oppervlakte van de lokalen in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC wijst erop dat het begrip \"lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek\" niet duidelijk gedefinieerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip « lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek » spreekt echter voor zich en vereist geen bijzondere definitie. § 3, 5° : Kantoorgebouwen, handelszaken, ...</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten menen dat het opleggen van de toepassing van Titel IV bij de renovatie van bestaande gebouwen waarvan de voor het publiek toegankelijke lokalen een oppervlakte hebben van meer dan 200 m2, voor problemen kan zorgen, met name voor handelszaken in oude gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten en een gemeente (in haar advies) vragen om de toepassing van de titel uit te breiden tot de renovaties van gebouwen waarvan de lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek een oppervlakte hebben van minstens 150 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat de titel bij de verbouwing van handelszaken van toepassing zou zijn vanaf een drempel van 100 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC deelt niet de mening van de reclamanten. Ze oordeelt dat de veranderingen in dit punt van de verordening - afschaffing van de toepassingsdrempel (100 m2 voor het publiek toegankelijke lokalen) voor nieuwe gebouwen en verhoging van de toepassingsdrempel in geval van verbouwing (van 150 naar 200 m2 voor het publiek toegankelijke lokalen) - beantwoorden aan de behoefte tot differentiëringvan de regels voor nieuwbouw en voor renovaties, alsook aan de behoefte om de GSV makkelijker toepasbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat in het geval van de verbouwing van handelszaken rekening zou worden gehouden met het soort handelszaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van mening dat er geen verschil moet worden gemaakt volgens het type handelszaak en dat die praktijk gelijk zou staan met discriminatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de door de GOC aangehaalde redenen wordt de toepassingsdrempel van de bepalingen bij renovatie of verbouwing behouden, zonder rekening te houden met het soort handelszaak in kwestie. § 3, 11° Een gemeente (in haar advies) vraagt om de toepassing van de titel uit te breiden tot de opvangcentra voor jongeren in moeilijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt dit verzoek gegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opvangcentra zijn evenwel algemeen opgenomen in § 3, 12°, zodat een toevoeging van een bijzonder type opvangcentrum niet verantwoord is. § 3, 14° : Woongebouwen Reclamanten vragen dat de normen zouden worden versoepeld voor bestaande gebouwen en kleine woonentiteiten. Ze stellen een drempel van acht woningen voor waarboven de voorschriften van deze titel van toepassing zouden zijn. De reclamanten wijzen op de meerkosten die onbetaalbaar zijn voor de kleine budgetten en halen aan dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen de meerkosten en het globale programma van een woongebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat de verordening niet van toepassing zou zijn bij de verdeling van een huis in twee appartementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC deelt niet de mening van de reclamanten. Ze meent dat de tekst van de GSV toepasbaar is en onder meer de nieuwe gebouwen van het toepassingsgebied heeft uitgesloten in meerdere paragrafen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze merkt in het bijzonder op dat het toepassingsgebied van de titel de bestaande woongebouwen zonder lift uitsluit en dat bij een nieuwbouw zonder lift enkel de gemeenschappelijke delen van de benedenverdieping en de toegangsdeuren van de woningen op de benedenverdieping onderworpen zijn aan de titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De analyse van de GOC moet in acht worden genomen. Derhalve wordt het toepassingsgebied van deze titel met betrekking tot de woongebouwen behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC wijst erop dat het omwisselen van § 3 en § 4 van artikel 1, evenals de herformulering van punt 14° van de huidige § 3 het toepassingsgebied inzake woongebouwen zou verduidelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze stelt voor om punt 14° als volgt te herschrijven : \"de gemeenschappelijke delen van nieuwe of bestaande gebouwen met meerdere woningen die voorzien zijn van een lift, met inbegrip van de toegangsdeur van de woningen; en in geval van nieuwbouw van een woongebouw zonder lift, de gemeenschappelijke delen met inbegrip van de toegangsdeur van elke woning van het gelijkvloers ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter niet nodig om het beoogde artikel te wijzigen. De opeenvolging van de paragrafen beantwoordt aan een logische volgorde (op de laatste plaats volgen de gevallen waarop de titel niet van toepassing is), en de formulering van punt 14° is makkelijk te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groene ruimten Een reclamant wijst erop dat artikel 1, § 3, 20° preciseert dat de titel van toepassing is op \"alle buitenluchtruimtes voor vrije tijd en wandelingen zoals parken, kerkhoven,...\" maar dat de titel geen enkele specifieke bepaling omvat die van toepassing is op die ruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt (in haar advies) om de toepassing van de titel uit te breiden tot de groene ruimten (in de artikel 1, § 3, 1°, 4° en 20°).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, kan Titel IV niet toegepast worden op alle groene ruimten, met name omwille van het natuurbehoud. Artikel 1, § 3, 20° kan enkel expliciet verwijzen naar bepaalde categorieën groene ruimten van het GBP, zoals de kerkhofgebieden en de gebieden voor sport en vrije tijd in de open lucht. Terminologie Een gemeente oordeelt in haar advies dat in artikel 1, § 3, 1°, in de Franstalige versie, het woord \"destinés\" vragen oproept, en zou graag hebben dat een jurist terzake wordt geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC wijst erop dat de term \"destination\" (bestemming) gedefinieerd staat in artikel 98, § 5° van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt zich af of de term \"verering\" in artikel 1, § 3, 2° moet worden begrepen als \"erkende cultus\". De GOC is van mening dat, ook al spreekt het GBP over \"erkende cultus\", punt 2° van de definitie niet tot verwarring leidt omdat het gaat om \"gebouwen voor de uitoefening van een verering of de uitdrukking van filosofische, religieuze en politieke ideeën\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, § 3, 2° is voldoende precies qua concept, en deze definitie vereist derhalve geen bijkomende precisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definities Artikel 2 Ingrijpende wijziging Een reclamant vindt dat er sprake is van incoherentie door het behoud van het begrip \"ingrijpende wijziging\" in deze titel, terwijl dat begrip werd geschrapt in titel I. De GOC deelt niet de mening van de reclamant. Met betrekking tot de afschaffing van dit begrip in titel I, verwijst ze naar haar advies daarover. Ze oordeelt dat de toepassing van Titel IV op enkel de wijzigingen inzake afmetingen en inplanting ruim onvoldoende zou zijn, gelet op de tekortkomingen inzake de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit; ze vindt derhalve dat men verschillende toepassingsgebieden moet handhaven naargelang de titels van de verordening. Ze voegt eraan toe dat de definitie van het begrip \"ingrijpende wijziging\", zoals die werd opgenomen in art. 2, komaf heeft gemaakt met de dubbelzinnige interpretatie ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, dient men een specifiek toepassingsgebied te handhaven om een ruim toepassingsgebied te garanderen voor de technische modaliteiten inzake de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit. Derhalve moet dit toepassingcriterium voor een aantal bepalingen van Titel IV behouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten melden dat, in punt 2 van de definitie, \"wijziging van de bestemming\" zou moeten worden vervangen door \"wijziging van bestemming of gebruik\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, is deze opmerking gegrond omdat men best kan verwijzen naar de geldende terminologie in het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening, meer bepaald naar art. 98 waarin het woord \"bestemming\" wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een instantie vindt dat men door \"de wijziging van de bestemmingen\" in de definitie op te nemen, het mechanisme in het gedrang brengt dat wordt voorzien door voorschrift 0.8 van het GBP, dat het mogelijk maakt om een interessant goed intact te houden en dat dit in strijd is met het algemeen principe van de duurzame ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC deelt evenwel niet de mening van de reclamant. Het is namelijk zo dat de uitgestrektheid van het toepassingsgebied varieert op grond van verscheidene factoren en het zou verkeerd zijn om de gevallen van bestemmingswijziging daarvan uit te sluiten. Er moeten immers, zoals de GOC reeds in het voorgaande opmerkte, grote inspanningen worden geleverd om de toegankelijkheid van de gebouwen te verbeteren voor personen met beperkte mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze herhaalt dat er bij grote moeilijkheden altijd nog de mogelijkheid bestaat om een afwijking aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve moet de hypothese worden behouden die wordt bedoeld in artikel 2, 3°, 2 om het toepassingsgebied van deze verordening te bepalen aangaande de handelingen en werken met betrekking tot een bestaand bouwwerk (zie artikel 1, § 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om na \"de wijziging van het aantal woningen\" in punt 3 van 3° toe te voegen : \"of van de verdeling ervan\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals echter door de GOC wordt aangehaald, volstaat de wijziging van het aantal woningen als criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, is het onontbeerlijk om de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit te verbeteren. Ze oordeelt dat een verordening niet alle mogelijke situaties in aanmerking kan nemen, want gelet op de typologie van de Brusselse bebouwing zijn er dat heel wat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoon met beperkte mobiliteit Verscheidene reclamanten en een instantie, alsook gemeenten in hun advies, vinden dat deze definitie voor interpretatiemoeilijkheden kan zorgen of dat daarin niet alle categorieën van personen met een mobiliteitsprobleem zijn opgenomen. Ze vragen om de definitie te preciseren en/of categorieën toe te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC echter aanhaalt, is het onmogelijk om alle vormen van handicaps op te sommen in de definitie, die wordt gepreciseerd door het belangrijk begrip van het tijdelijk karakter. HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de toegang tot gebouwen Internationaal symbool voor toegankelijkheid Artikel 3 Een reclamant is van mening dat het internationaal symbool moet worden aangevuld met het symbool van de zogenaamde \"indice passe-partout\". De reclamant meent dat het internationaal symbool te restrictief is omdat het enkel verwijst naar rolstoelgebruikers, terwijl de \"indice passe-partout\" ook is afgestemd op veel andere vormen van handicaps.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals echter door de GOC wordt gepreciseerd, heeft de \"indice passe-partout\" veeleer betrekking op de bezinning rond de toegankelijkheid van de openbare diensten en is deze index niet makkelijk ontcijferbaar voor het grote publiek, zodat het gebruik ervan in dit geval geen vereiste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat de tekst zou preciseren dat het de uitbater is die de markering moet aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van oordeel dat die precisering niet nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vraag heeft inderdaad betrekking op een praktische beschouwing die niet onder de doelstellingen van de GSV valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en gemeenten menen in hun advies dat alle aspecten van de markering (pictogrammen, afmetingen van de tekens) opgenomen moeten worden in de bijlagen en dat de tekst moet verwijzen naar die bijlagen. (Idem in artikel 11 betreffende de liften).</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC deelt de mening van de reclamant en vindt bovendien dat de bijlage niet-restrictief dient te zijn en een gabarit moet geven dat kan fungeren als referentie voor de aanvullende markering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is er geen genormaliseerde markering, afgezien van het internationaal toegankelijkheidssymbool dat wordt gebruikt voor parkeerplaatsen, symbool dat in de Wegcode is opgenomen en door iedereen gekend is. Het is dus niet nodig om op dit verzoek in te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegangsweg Artikel 4 Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om de verplichting toe te voegen om aan de buitenzijde van openbare gebouwen te voorzien in een schriftelijke markering, aangevuld met pictogrammen en/of gekleurde geleidelijnen, opdat personen met beperkte mobiliteit zich gemakkelijk zouden kunnen oriënteren buiten en binnen het gebouw (idem in art. 8 betreffende de markering [binnenin de gebouwen]).</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat het om een relevante opmerking gaat en dat deze zou kunnen dienen als uitgangspunt voor een grondigere bezinning over dit onderwerp. Ze vraagt de Regering om zich over deze vraag te buigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het door de GOC goedgekeurde voorstel tegemoetkomt aan de doelstellingen van Titel IV, wordt artikel 4 in die zin vervolledigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten (gemeenten) vragen dat de toegangsinrichtingen zouden worden uitgevoerd zonder dat ze een hindernis vormen op de openbare weg. Eén van hen vindt evenwel dat van deze verplichting zou kunnen worden afgeweken in het geval van bestaande gebouwen waarvoor het voetpad voldoende breed is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat deze opmerking weinig realistisch is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verplichting zou een negatief effect kunnen hebben op de verbetering van de toegankelijkheid of op zijn minst kunnen leiden tot nog meer aanvragen tot afwijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de toegangshelling Artikel 5 Reclamanten en een gemeente, in haar advies, vragen om een derde alternatief toe te voegen aan de kenmerken van de toegangshelling, beschreven in artikel 1. Ze preciseren dat het soms onontbeerlijk is om zo'n helling aan te wenden voor de installatie van een toegangshelling. Ze vragen om een 3de streepje toe te voegen aan het derde lid van hetzelfde artikel : \"- ten hoogste 12 % over een doorlopende maximumlengte van 0,5 m\" en dat ook toe te voegen aan schets 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek van de reclamant, aangezien het duidelijk gaat om een technische vergissing en deze mogelijkheid reeds is voorzien in de huidige vigerende verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming van lid 2 van § 1 van artikel 5 wordt derhalve in die zin aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies om te vermelden dat de alternatieve hellingen die zijn toegestaan voor de aanleg van de toegangshelling, gegeven zijn in een orde van voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, is het niet nodig om deze precisering toe te voegen, aangezien de keuze van de meest optimale oplossing voor de helling moet worden bepaald naargelang de plaatselijke omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is derhalve niet aangewezen om a priori een abstracte hiërarchie van de diverse mogelijkheden te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegangsdeur Artikel 6 Reclamanten maken de opmerking : - dat de vrije doorgang van 0,95 m niet overeenstemt met een gestandaardiseerde deurbladbreedte; - dat deze geringe wijziging van de breedte van de vrije doorgang ernstige gevolgen zou kunnen hebben, gelet op het modulaire aspect van deze elementen; - dat de gestandaardiseerde toegangsdeuren zijn afgestemd op een deuropening van één meter breed in het metselwerk, wat overeenstemt met een deurblad van 0,93 m en een vrije doorgang van 0,91 m, wat volstaat voor de doorgang van rolstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reclamanten vragen om de \"vrije doorgang\" te definiëren et de normen dienovereenkomstig aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC wijst erop dat een deurblad van 0,93 m niet altijd een doorgang van 0,91 m kan garanderen. Ze voegt eraan toe dat de breedte van de vrije doorgang bewust werd gebaseerd op maten die niet overeenstemmen met de standaard deurbladen, waardoor men naar de hogere standaardmaat moet grijpen (een vrije doorgang van 0,95m vereist een deurblad van 1,03 m). De huidige vigerende verordening legt een vrije doorgang op van 0,93 m, wat ertoe leidt dat men toegangsdeuren plaatst waarvan het blad 0,93 m breed is en dus slechts een vrije doorgang van 0,85 m garandeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC keurt het verzoek van de reclamanten niet goed, omdat ze van oordeel is dat de verordening het resultaat definieert, en niet de middelen om dat resultaat te verwezenlijken. Ze meent echter dat het de taak van de Regering is om te onderzoeken of men hieromtrent preciseringen dient te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering is van mening dat de argumenten van de GOC gegrond zijn en dat er geen preciseringen moeten worden aangebracht, aangezien de technische preciseringen elders worden gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies dat minstens één toegangsdeur een vrije doorgang van minstens 1 m zou bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat een vrije doorgang van 0,95m volstaat en dat het niet verantwoord is om die breedte op te leggen, met name omwille van de toepasbaarheid van de verordening in de kleinere gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve wordt de bepaling op dit vlak niet gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere gemeente vraagt in haar advies dat minstens één toegangsdeur een vrije doorgang zou bieden waarvan minstens één vleugel een breedte heeft van 0,95 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat het verzoek gegrond is maar slecht geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze stelt voor om in artikel 6 hetzelfde lid toe voegen als lid 2 van artikel 10 (binnendeuren) : « Bij de dubbele deuren moet één enkele open vleugel de vrije doorgang mogelijk maken ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangehaalde hypothese past in het toepassinsgebied van het eerste lid van paragraaf 1 van artikel 6 omdat daarin een minimale doorgangsbreedte wordt voorgeschreven. Maar om elk misverstand te vermijden, wordt de tekst in deze zin gepreciseerd. HOOFDSTUK III. - Normen met betrekking tot de toegang tot parkeerruimten Parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met beperkte mobiliteit Artikel 7 Reclamanten zijn van mening dat artikel 7 enkel toepasbaar zou moeten zijn vanaf een nader te bepalen drempel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC voorstelt, dient de opmerking van de reclamanten te worden verworpen omdat Titel IV van toepassing moet zijn op alle parkeerruimten bedoeld in artikel 1, ongeacht hun aantal parkeerplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies om het aantal parkeerplaatsen voor gehandicapten in kleine parkeerruimten te beperken en stelt voor om de tekst van het 1stelid te vervangen door : « de parkeerruimten van de in artikel 1 bedoelde gebouwen alsmede de parkeergebouwen bevatten het volgende aantal parkeerplaatsen die voorbehouden zijn voor voertuigen van personen met beperkte mobiliteit : - één parkeerplaats voor parkeerruimten van minder dan 10 plaatsen; - twee parkeerplaatsen voor parkeerruimten met minstens 10 plaatsen; - minstens één bijkomende gelijkaardige parkeerplaats per schijf van 50 parkeerplaatsen ».</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat de opmerking van de reclamant niet ongegrond is vanuit het oogpunt van de toepasbaarheid van de verordening, maar is van mening dat het aan de Regering is om dit voorstel grondiger te bestuderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hogerop wordt aangegeven, moet Titel IV van toepassing zijn op alle parkeerruimten van de gebouwen bedoeld in artikel 1. De gebouwen bedoeld in artikel artikel 1, § 3 impliceren de inplanting van een middelgrote parking. Aangezien het de bedoeling is om de toegankelijkheid voor personen met een beperkte mobiliteit te verbeteren, kan geen gevolg worden gegeven aan het bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies de toevoeging van de woorden \"in visgraatverband, in keperverband of naast elkaar geschikt\" achter \"parkeerplaatsen\" in het 2de lid van artikel 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze wil eveneens toevoegen dat, in geval van bewaakte parkeerruimten, de communicatie moet gebeuren via auditieve en visuele middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van mening dat deze preciseringen niet nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schikking van de parkeerplaatsen vereist inderdaad geen precisering, aangezien de belangrijke breedte ervan borg staat voor de afwezigheid van zijdelingse hindernissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidssignalisatie is niet nodig omdat het voor zich spreekt dat iemand die met de wagen rijdt, voldoende goed moet zien om de visuele signalisatie te kunnen lezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om toe te voegen dat het oppervlak van de parkeerplaatsen vast moet zijn en dat de breedte van de achter elkaar geschikte parkeerplaatsen beperkt kan worden tot 2,50 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC is van mening dat deze verzoeken gegrond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van het 3de lid wordt derhalve aangevuld in die zin, met de precisering dat er bij achter elkaar geschikte parkeerplaatsen met een breedte van 2,50 m geen zijdelingse hindernissen mogen zijn. HOOFDSTUK IV. - Normen met betrekking tot verplaatsing binnenin de gebouwen Gangen Artikel 9 Reclamanten merken op dat het bij de verbouwing van een bestaand gebouw moeilijk of zelfs onrealistisch is om te beantwoorden aan alle verkeersafmetingen en dus om te voldoen aan de eisen van de GSV, met name wat de gangen betreft. Eén van hen stelt voor om de minimumbreedte terug te brengen tot 90 cm.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC volgt dit verzoek van de reclamant niet. Ze verwijst naar haar advies betreffende de bezwaarschriften met betrekking tot het toepassingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om een voorziening tot op de grond op te leggen voor alle uitspringende voorwerpen in alle gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies dat, in de gevallen waarbij de breedte van de gang kan worden verminderd, geen enkel uitspringend voorwerp zou worden getolereerd. Ze vraagt eveneens dat ter hoogte van uitspringende voorwerpen een minimale vrije doorgang van 1 m zou worden verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC keurt de verzoeken van de reclamanten niet goed, omdat ze van mening is dat deze indruisen tegen het principe van de toepasbaarheid van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant is van mening dat er een tegenstelling is tussen art. 9, 3de lid (in de gangen wordt een vrije doorgang van 0,90 m getolereerd ter hoogte van deurdoorgangen) en art.10, 1ste lid (de vrije doorgang van de binnendeuren bedraagt minstens 0,85 m).</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt de opmerking gegrond en meent dat het wellicht gaat om een technische fout. Ze geeft aan dat de tegenstelling kan worden weggewerkt door het schrappen van de woorden \"ter hoogte van deurdoorgangen of\" in lid 3 van art. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat inderdaad om een technische fout. De formulering van artikel 9 wordt in die zin verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnendeuren Artikel 10 Reclamanten stellen voor om de minimale vrije doorgang terug te brengen tot 0,83m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, volstaat die breedte niet voor rolstoelgebruikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten lijken niet het verband te begrijpen tussen de \"vrije doorgang\" en de standaardmaat van de deurbladen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen eveneens om de verordening af te stemmen op standaardmaten (de breedtes van deurbladen zijn ingedeeld per 5 centimeter, vanaf 63 cm tot 103 cm).</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat de verordening het resultaat beschrijft, en niet de middelen om dat te bereiken, en dat het aan de Regering is om te onderzoeken of hieromtrent meer preciseringen nodig zijn. Voor meer details verwijst ze naar haar commentaar betreffende art. 6 van Titel IV in dit advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband moet worden gepreciseerd dat de breedte van de vrije doorgang bewust werd vastgelegd op maten die niet overeenstemmen met standaarddeurbladen maar wel met de hogere standaardmaat (een vrije doorgang van 0,95 m vereist een deurblad van 1,03 m.) De huidige geldende verordening legt een vrije doorgang op van 0,93 m, wat voor gevolg heeft dat men inkomdeuren plaatst met een deurblad van 0,93 m, dat dus slechts een vrije doorgang garandeert van 0,85m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen om te preciseren dat het artikel enkel van toepassing is op de binnendeuren die toegang verschaffen tot lokalen die toegankelijk zijn voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, is de tekst voldoende duidelijk. Deze onderscheidt duidelijk de toepassingsgebieden van Titel IV (artikel 1) en maakt een onderscheid tussen de toepassing van het artikel betreffende de binnendeuren al naargelang het gaat om een nieuwbouw of om een bestaand bouwwerk (1ste en laatste lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vinden dat het wenselijk is om de mogelijkheid te behouden om smallere deuren te plaatsen voor niet-bewoonbare lokalen, badkamers, WC's, wasplaatsen, bergplaatsen enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, legt de GSV geen regels op inzake de breedte van deuren binnenin de woningen. Ze herinnert eraan dat in het geval van gebouwen met meerdere woningen alleen de gemeenschappelijke delen onder de toepassing van Titel IV vallen, en verwijst naar art. 1 § 3, 14° voor de nuances inzake de toepassing. Liften Artikel 11 Een reclamant en een instantie menen dat de tekst moet worden aangepast of vervolledigd op grond van de Europese norm EN 81-70 die als referentie geldt terzake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC preciseert, werd rekening gehouden met de Europese norm en strookt de tekst van onderhavig artikel ermee in grote lijnen, met uitzondering van de hoogte die in de norm wordt bepaald voor de oproepknoppen. Die werd lichtjes verlaagd om het gebruik van de lift mogelijk te maken voor personen in een rolstoel die slechts in beperkte mate hun armen kunnen gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vindt dat de voorziene afmetingen van de liftkooien de vereiste afmetingen zijn voor een gebruik door personen die zich in een rolstoel verplaatsen met gestrekte benen. De afmetingen van 0,90m x 1,10m zouden voor 90 % van de rolstoelen volstaan. Hij vraagt derhalve, om redenen die te maken hebben met kostprijs en ruimte, om de norm van de afmetingen te verlagen voor liftkooien in kleine gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanbeveelt, kan het verzoek van de reclamant niet worden gevolgd, aangezien § 1 van dit artikel preciseert dat slechts één lift toegankelijk moet zijn voor personen met beperkte mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt dat de vertaling in braille enkel verplicht zou worden voor de informatie die strikt noodzakelijk is voor de werking van de lift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies) zijn van mening dat alle informatie in braille en in reliëf moet worden weergegeven. Ze vragen om achter \"in brailleschrift\" toe te voegen \"en weergegeven in reliëf\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt deze verzoeken niet en acht ze zonder voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt inderdaad voor zich dat de informatie die in braille moet worden weergegeven, de informatie is die betrekking heeft op de werking van de lift, en dat het reliëf onlosmakelijk verbonden is met de definitie van brailleschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om aan te geven dat de leuning wordt onderbroken door de bedieningsknoppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC meent dat het niet nodig is om deze precisering toe te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbeking van de leuning helpt echter de personen met beperkte mobiliteit, en in het bijzonder de slechtzienden, om de plaats van de bedieningsknoppen te vinden. Deze precisering wordt derhalve toegevoegd om het comfort van die personen te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies), zijn van mening dat de hijsplatformen (§ 3) moeten beantwoorden aan de normen § 2, 3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt dit verzoek niet en wijst erop dat die liften moeten beantwoorden aan bijzondere bouwnormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lid meldt te persoonlijken titel dat die liften voorzien moeten zijn van minstens één leuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om de plaatsing van een lift niet te verplichten in een appartementsgebouw omdat die dure installatie in werkelijkheid bekostigd zal moeten worden door de kandidaat-kopers, terwijl Brussel al zo'n nood heeft aan betaalbare woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC herinnert eraan dat de verplichting om een lift te installeren is bepaald in Titel II, art. 14, en enkel van toepassing is op nieuwe gebouwen met een gelijkvloers en vier of meer verdiepingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trappen Artikel 12 Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om de afmetingen te preciseren van de vloerbedekking om slechtziende personen te waarschuwen, zoals wordt beschreven in artikel 12, 3de lid. Ze stellen voor om achter \"een vloerbedekking\" toe te voegen \"van 0,60 m\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek van de reclamant en de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van artikel 12 wordt derhalve in die zin aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om in lid 2 de woorden \"0,65 m en 0,90 m ten opzichte van de trapneuzen en een hoogte van 0,75 m en\" te schrappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC voorstelt, wordt dit verzoek niet gevolgd omdat de afmetingen in kwestie overeenstemmen met de vigerende aanbevelingen en borg staan voor een degelijke assemblage van de handleuningen aan de verbinding tussen de traparm en de overloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toiletten Artikel 13 Een reclamant vraagt om het woord \"toiletten\" te vervangen door \"toiletcabines\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek van de reclamant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van het woord « toilet » slaat echter zowel op het lokaaltje als op het sanitair zelf. Vermits de tekst voldoende duidelijk is en het onderscheid van die twee betekenissen voor zich spreekt, wordt de term niet gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om eerder te spreken van \"voorzien\" in plaats van « ter beschikking stellen van het publiek\". Ze vragen eveneens om toe te voegen : \"Deze zijn niet exclusief voorbehouden maar wel gemarkeerd\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het tweede deel van het verzoek omdat ze dat gegrond acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband spreekt het voor zich dat de toiletten worden gemarkeerd en niet exclusief zijn voorbehouden voor personen met beperkte mobiliteit. Die precisering hoeft dus niet te worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om in de Franstalige versie het woord \"lorsque\" (« als ») te vervangen door \"là où\" (« waar ») in § 1 en 3 van artikel 13, alsook in § 1, 2 en 3 en 4 van artikel 14, in het 1ste en 5de lid van art. 15 en in het 1ste lid van de artikelen 16 en 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij meent dat deze wijziging praktische gevolgen heeft : \"Lorsque des toilettes sont prévues, l'une d'entre elles est adaptée aux personnes à mobilité réduite\" betekent dat slechts één toilet is aangepast voor het hele gebouw, ongeacht het aantal toiletten per verdieping. Het gebruik van \"là où\" (waar) impliceert dat er een aangepast toilet is voorzien in elk beschikbaar sanitair blok. Deze nuancering is belangrijk omdat aldus in het gebouw meerdere toiletten ter beschikking worden gesteld van de personen met beperkte mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek van de reclamant omdat dit borg staat voor een betere toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit. Derhalve stelt de GOC voor dat de wijzigingen ook in de Nederlandstalige versie worden aangebracht. Deze blijven in de Nederlandstalige versie echter beperkt tot eenmaal de woorden \"als\" en \"indien\", daar elders overal reeds \"waar\" wordt gebruikt (art. 14, § 3 - art. 15, lid 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van artikel 14 wordt derhalve verbeterd in die zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant en een gemeente (in haar advies) vragen om een hoogte en een lengte van 90 cm in plaats van 80 cm op te leggen voor de steunstangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek van de reclamant en de gemeente niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de hoogte betreft, meent ze dat 80 cm beter is aangepast aan de voorgeschreven hoogte voor de zitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de lengte betreft, wijst ze erop dat, hoewel de meeste steunstangen op de markt een lengte hebben van 90 cm, er ook bestaan van 80 cm en dat die lengte voldoende comfort biedt voor personen met beperkte mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derhalve wordt niet ingegaan op dit verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies dat één van de steunstangen vast zou staan indien de WC nabij de hoek van een muur staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC keurt het verzoek van de gemeente niet goed. Ze is van mening dat deze toevoeging zou kunnen leiden tot een breking van de symmetrie van de steunstangen van bepaalde toiletten voor personen met beperkte mobiliteit, die uitgerust zouden kunnen worden met twee verschillende steunstangen, en dat ze het comfort voor de gebruikers zou kunnen verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten en gemeenten (in hun advies) vragen om toe te voegen \"het slot van de deur moet makkelijk vastneembaar zijn\" en de woorden \"zonodig van buitenaf kunnen worden geopend\" te vervangen door \"voorzien zijn van een sluitingssysteem dat met gesloten vuist kan worden bediend. Dat moet zonodig van buitenaf kunnen worden geopend\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC oordeelt dat dit verzoek weliswaar tot doel heeft om de toegankelijkheid te verbeteren voor personen met een atrofie aan de hand of met gebrek aan bewegingsprecisie, maar dat het aan de Regering is om dit te onderzoeken qua toepasbaarheid (beschikbaarheid en kostprijs van de sluitingssystemen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wijziging is echter in strijd met de toepasbaarheid van de verordening. Het verzoek kan dus niet worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt om \"De wc-zitting bevindt zich op een hoogte van 0,50 tot 0,55 m boven de vloer\" te vervangen door \"De wc-zitting bevindt zich op een hoogte van 0,50 m boven de vloer\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek van de reclamant aangezien de hoogte van 50 cm veel toegankelijker lijkt voor rolstoelgebruikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Badkamers - Paskamers - Douchecellen - Kamers Artikel 14 Een reclamant vraagt om de lengte van de steunstangen op te trekken tot 0,90 m in plaats van 0,80 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeente vraagt in haar advies om in § 1, 5° aan te geven dat de lengte van de steunstangen tussen 0,80 en 0,90 m mag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt deze verzoeken niet en verwijst naar haar commentaar betreffende de lengte van de steunstangen in haar advies over het voorgaande artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen om in het Frans de term \"débattement\" te gebruiken ter vervanging van \"battement\" in '1°' van § 1, 2, 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC acht dit verzoek gegrond en wijst erop dat de term \"battement\" werd vervangen door \"débattement\", met name in art. 6 van Titel IV. Derhalve wordt de formulering van artikel 14 in die zin gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schetsen Reclamanten en gemeenten (in hun advies) vragen om de schetsen te herzien en in het bijzonder : Schets nr. 1 : - toevoeging van de helling van 12 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt het verzoek en verwijst naar haar commentaar betreffende art. 5 van dit advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schets nr. 2 : - de steunstang tegen de muur moet getekend worden als een vaste stang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC deelt de mening van de reclamant niet en verwijst naar haar commentaar betreffende art. 12 van dit advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schetsen nr. 2, nr. 4 en nr. 5 : - de tekening van de deuropening is niet op schaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC deelt deze mening en stelt voor om de schaalverhouding van alle schetsen te controleren. - de afmeting van de vrije doorgang van de deur moet worden herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt deze opmerking niet, omdat de op de schets aangegeven afmetingen stroken met die van de tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schets nr. 3 : - de minimumafmetingen van het bad (70 x 170 cm) en van de toegangsruimte moeten herzien worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC ondersteunt dit verzoek niet omdat geen minimumafmetingen van het bad zijn aangeduid op de schets, noch voorzien zijn in de tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afmeting van de toegangsruimte op de schets is conform de tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL V. - Thermische isolatie van gebouwen De meeste bezwaarschriften met betrekking tot Titel V hebben het over de verkeerde verwijzing naar de OOPS in plaats van het BWRO en het feit dat het besluit, vermeld in artikel 6, werd opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten kaarten in hun bezwaarschriften de moeilijkheid aan om de waarden te controleren die worden vermeld in de documenten van de stedenbouwkundige vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscheidene reclamanten vinden de Titel te streng, terwijl zes anderen vragen dat deze nog strenger zou worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vraagt om na te gaan welke eventuele impact de toekomstige ordonnantie zal hebben op Titel I. De regels inzake thermische isolatie zullen immers wellicht leiden tot dikkere muren of zelfs bijkomende uitsprongen op het openbaar domein. Die elementen zouden in strijd kunnen zijn met de diepteregels en andere voorschriften van Titel I. De GOC vraagt dat in Titel I van de GSV rekening zou worden gehouden met de meerdiktes die zullen worden vereist door de nieuwe regels inzake isolatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wordt gepreciseerd dat deze Titel van de GSV zal worden vervangen door een ordonnantie die de Europese Richtlijn 2002/91/CE met betrekking tot de energieprestatie van de gebouwen zal vertalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwdieptes die worden voorgeschreven in Titel I, zullen echter niet worden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GSV heeft namelijk tot doel om stedenbouwkundige regels te bepalen die de basis vormen voor de regels van goede buurschap, en aldus te zorgen voor wat men de « goede plaatselijke ordening » noemt. De bouwdiepte kan niet worden vermeerderd naar aanleiding van nieuwe technische normen of nieuwe verplichtingen inzake de thermische isolatie, omdat dit de goede plaatselijke orde in het gedrang zou kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De technieken die vereist zijn om tegemoet te komen aan de nieuwe normen inzake thermische isolatie, zullen dus geïntegreerd moeten worden in de toegestane bouwdieptes en aan de binnenkant van de bouwwerken moeten worden voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL VI. - Reclame en uithangborden HOOFDSTUK I. - Algemeen Reclamanten vragen om de structuur van de titel te herzien. Het zou beter zijn om eerst een aantal hoofdregels te beschrijven (indien nodig voor elk type inrichting) en vervolgens de uitzonderingen te behandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De structuur van de titel zou namelijk veel te ingewikkeld zijn. Heel wat handelaars klagen over de complexiteit van de reglementering betreffende reclame en uithangborden. Een slecht begrip van de geldende normen leidt ertoe dat die vaak weinig of slecht gerespecteerd worden door de handelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC schaart zich achter de opmerking en vraagt dat de titel herschreven zou worden, daarbij een duidelijk onderscheid makend tussen een eerste deel over \"Reclame\" en een tweede deel over \"Uithangborden en reclame verwijzend naar het uithangbord\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter zo dat Titel VI van de GSV tot doel heeft om, voor het hele gewest, de principes te bepalen inzake de organisatie van de reclame-inrichtingen en uithangborden vanuit de openbare ruimte, of die nu geplaatst worden in private of in openbare ruimten, voor zover hun plaatsing en hun kenmerken een betekenisvolle impact hebben op het beeld van de stad. De bepalingen van de GSV omvatten enerzijds algemene bepalingen met betrekking tot de reclame-inrichtingen en uithangborden (hoofdstuk II, art. 5, 6 en 7), bepalingen betreffende de reclame - hetzij in private ruimten (hoofdstuk III), hetzij in openbare ruimten (hoofdstuk IV) -, bepalingen met betrekking tot de uithangborden - en de reclame verwijzend naar de uithangborden (hoofdstuk V) - en, ten slotte, bepalingen met betrekking tot de tijdelijke inrichtingen, hetzij reclame of uithangborden (hoofdstuk VI). De Titel heeft dus een logische en duidelijke structuur die de gemeenschappelijke regels preciseert, alsook de specifieke regels betreffende de reclame en de uithangborden en ten slotte de bijzondere modaliteiten met betrekking tot de tijdelijke inrichtingen. Deze onderverdeling van de verordening maakt de tekst begrijpelijker en vereenvoudigt ook de toepassing van Titel VI, doordat de persoon op wie de norm betrekking heeft onmiddellijk de regels kan vinden die van toepassing zijn op de inrichtingen die hij wenst te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens werden in het ontwerp van GSV de structuur, de uitwerking en de presentatie reeds verbeterd, rekening houdend met de technische vereisten en de complexiteit van de gereglementeerde materie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot zal de Regering een verklarende brochure uitwerken die de GSV voor een zo ruim mogelijk publiek toegankelijk zal helpen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen om te voorzien in begeleiding voor de handelaars om hen te informeren over hun plichten en hen te adviseren om onnodige uitgaven te vermijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vragen eveneens te voorzien in een didactische en praktijkgerichte campagne, gebaseerd op referentiemodellen (foto's), maar ook om het overleg te organiseren met de handelaarsverenigingen voor de uitvoering van de reglementering inzake uithangborden. Het is belangrijk om rekening te houden met de criteria rond de belangrijkste uithangborden van de handelswijken en om een esthetische visie van die wijken te hebben. De uithangborden dragen immers bij tot het imago van de handelswijken en vormen een belangrijke factor van hun handelsactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC treedt het verzoek van de reclamanten bij en vraagt de Regering om te voorzien in een informatiecampagne naar het publiek toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze maatregelen hebben evenwel betrekking op informatieverstrekking na de goedkeuring van de GSV en niet op de uitwerking van de verordening als dusdanig. Zoals reeds werd aangegeven, zal de Regering het nodige doen om te zorgen voor de nodige verspreiding en toelichting van de GSV, met name aan de hand van een verklarende brochure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige bepalingen van deze titel worden niet gerespecteerd, zoals onder meer de artikels 7 en 8. Dat vraagt om een strengere controle van de Dienst Stedenbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant onderstreept dat de reglementering met betrekking tot gelegenheidsuithangborden niet wordt nageleefd. Met name op de site Hof ter Musschen (gebied van hoogbiologische waarde in het GBP), waar reclame normaal verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, valt deze problematiek niet onder de GSV maar onder de stedenbouwkundige regels die de gemeenten en het bestuur voor stedenbouw moeten doen naleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant betreurt de afwezigheid van bepalingen met betrekking tot reclame op de ruiten van het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt behoord dit niet tot het niveau van de GSV. De Titel is inderdaad van toepassing op alle reclame en uithangborden die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte die het voorwerp uitmaken van een stedenbouwkundige vergunning of ervan vrijgesteld zijn. De Titel is echter niet van toepassing op de reclame op voertuigen, of die nu van het openbaar vervoer zijn of commerciële voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Artikel 1 Een reclamant vraagt om het toepassingsgebied van alle titels van de GSV uit te breiden tot de handelingen en werken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is vereist volgens een stedenbouwkundige verordening, bedoeld in artikel 98, § 3 van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijke Ordening. Want zelfs als tot op heden geen enkele verordening daarin voorziet, zou men geen verordenend instrument links mogen laten liggen voor de behandeling van een aantal handelingen en werken die later onderworpen zouden worden aan een vergunning krachtens een stedenbouwkundige verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GOC vindt dit verzoek ongegrond. Artikel 98 § 1 legt een vergunning op voor reclame-inrichtingen en uithangborden. Het besluit van de Regering van 12 juni 2003 stelt sommige uithangborden vrij van vergunning, maar de GSV is zelfs van toepassing wanneer er geen vergunningsplicht bestaat (zie artikel 1 § 2 b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel VI is inderdaad van toepassing op alle handelingen en werken voor de plaatsing van reclame en uithangborden, met inbegrip van de handelingen en werken van geringe omvang waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist. De Titel is daarentegen niet van toepassing op andere handelingen en werken. Artikel 98 § 3 heeft overigens alleen maar tot doel om de door een stedenbouwkundige verordening opgelegde stedenbouwkundige vergunningen te onderwerpen aan de regels van het BWRO Definities Artikel 2 Reclamanten vragen de (her)invoering van diverse definities, zoals die van de termen \"dakgoot\", « vinyl of aanverwanten », « omheiningen van bouwplaatsen », « visueel perspectief » en « dekzeil »..</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de GOC aanhaalt, spreken deze diverse termen echter voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamanten vragen om de definitie van \"werfdekzeil\" te vervolledigen door tussen \"voorbijgangers\" en \"bij werkzaamheden\" het volgende toe te voegen : \", in het bijzonder voetgangers, personen met beperkte mobiliteit en fietsers op een verplicht fietspad,\" Een reclamant vraagt om de definitie van \"werfdekzeil\" te verduidelijken. Betreft het hier zowel de omheiningen van bouwplaatsen als de afsluitingen van een omgeleide doorgang of de gevels ? De GOC vindt deze verzoeken ongegrond en oordeelt dat de definitie zoals ze in het ontwerp van GSV staat, voldoende duidelijk is en geen bijkomende precisering vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van werfdekzeil is inderdaad algemeen en omvat de inrichtingen die worden geplaatst om de bescherming en veiligheid te garanderen van al wie zich op het terrein van de bouwplaats begeeft, om te bepalen welke reclame-inrichtingen daarop mogen worden aangebracht, overeenkomstig artikel 14. Gelet op die doelstelling, is de definitie voldoende duidelijk en precies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamant vraagt wat het verschil is tussen \"het algemeen nut\" van de \"informatiedrager\" (Art. 9) en het \"openbaar nut\" van het \"stadsmeubilair\" (Art. 19).</p></div>", "next": 239894}