{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bij de artikelen 46 of 50 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 48 bedoelde verzet, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de kredietinstelling haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 516, §§ 1 en 4 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde maatregelen nemen De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 516, § 3 van het Wetboek van Vennootschappen is van toepassing. Art. 52.Onverminderd artikel 17 en onverminderd de wet van 2 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten2 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een kredietinstelling naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een kredietinstelling naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een kredietinstelling, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de kredietinstelling die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank conform artikel 48, tweede lid, op haar website publiceert. Art. 53.Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de kredietinstellingen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 46 tot gevolg hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens delen zij aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 18, tweede lid, bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 9 bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dezelfde voorwaarden en ten minste eens per jaar delen zij de Bank de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten. Zij delen de Bank evenzo mee voor hoeveel aandelen en voor hoeveel hieraan verbonden stemrechten zij een kennisgeving van verwerving of vervreemding hebben ontvangen overeenkomstig artikel 515 van het Wetboek van Vennootschappen, ingeval een dergelijke kennisgeving aan de Bank niet statutair is voorgeschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een kredietinstelling, een gezond en voorzichtig beleid van deze kredietinstelling kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen : 1° de uitoefening schorsen van de aan de aandelen verbonden stemrechten die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot;zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra zij ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken; 2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de kredietinstelling die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin, vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt. HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden Afdeling I. - Minimum eigen vermogen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eigen vermogen van de kredietinstellingen mag niet dalen onder het bedrag van het overeenkomstig artikel 17, eerste en derde lid, vastgestelde minimum-kapitaal Er mag geen kapitaal worden terugbetaald, ook niet in de vorm van coöperatieve aandelen, als dit voor de instelling tot gevolg heeft dat niet langer voldaan is aan de eigenvermogensvereisten als vastgesteld krachtens de bepalingen van Hoofdstuk V of aan de bijkomende vereisten ter zake als vastgesteld door of krachtens de bepalingen van Titel III, Hoofdstuk I. Afdeling II. - Leiding en leiders Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan Art. 56.§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van de in artikel 21 bedoelde organisatieregeling van de instelling en de overeenstemming ervan met de wettelijke en reglementaire bepalingen. Het ziet erop toe dat het directiecomité de nodige maatregelen neemt om eventuele tekortkomingen aan te pakken. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op het directiecomité en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door het directiecomité en door de effectieve leiding van de instelling worden genomen. § 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in de artikelen 27 tot 31 bedoelde comités gerechtvaardigd. § 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling kan het een beroep doen op de onafhankelijke controlefuncties. § 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 21, § 3, bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememorandum aan de toezichthouder wordt overgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. In het kader van zijn taken als bedoeld in artikel 23 stelt het wettelijk bestuursorgaan de risicotolerantie van de kredietinstelling vast voor al haar werkzaamheden In dit verband hecht het wettelijk bestuursorgaan zijn goedkeuring aan en gaat het regelmatig over tot de toetsing van de strategieën en beleidslijnen voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld of blootgesteld kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische context waarin de kredietinstelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De risicotolerantie van de instelling voor alle betrokken werkzaamheden wordt meegedeeld aan de toezichthouder, die op de hoogte wordt gehouden van de wijzigingen op dit vlak. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan wijdt een groot deel van zijn activiteiten aan het toezicht op het beheer van alle significante risico's, in het bijzonder die welke onder Verordening nr. 575/2013 vallen, aan de waardering van de activa en het gebruik van externe ratings en interne modellen die met deze risico's verband houden, en waakt erover dat voldoende middelen worden toegewezen aan deze aspecten. § 3. Het directiecomité en de personen die belast zijn met de effectieve leiding, delen aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de instelling en de wijzigingen daarin. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vastleggen van zijn risicobeheerbeleid legt het wettelijk bestuursorgaan de criteria vast die bepalen of het krediet- en wederpartijrisico dat voortvloeit uit verrichtingen, als belangrijk moet worden beschouwd, waardoor vereist is dat uitdrukkelijk kennis wordt gegeven van deze verrichtingen en van belangrijke beslissingen in dit verband, binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich er in voorkomend geval tegen te verzetten. § 5. Het wettelijk bestuursorgaan hecht zijn goedkeuring aan het liquiditeitsherstelplan als bedoeld in artikel 8, § 8 van Bijlage I bij deze wet en waakt erover dat de interne beleidslijnen en de procedures van de instelling dienovereenkomstig worden aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet toe op de integriteit van de boekhoud- en financiëleverslaggevingssystemen, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering. § 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op de procedure voor het bekendmaken en het meedelen van gegevens die door of krachtens deze wet of Verordening nr. 575/2013 is vereist Onderafdeling II. - Door het directiecomité te nemen maatregelen Art. 59.§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van het bepaalde bij artikel 21. § 2. Het directiecomité rapporteert minstens eenmaal per jaar aan het wettelijk bestuursorgaan, de erkend commissaris en de toezichthouder, over de beoordeling van de doeltreffendheid van de in artikel 21 bedoelde organisatieregeling en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen. § 3. Onverminderd zijn andere taken, ziet het directiecomité er in het bijzonder op toe dat het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd, correct ten uitvoer wordt gelegd. § 4. Het directiecomité neemt ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kredietinstelling de risico's bedoeld in de artikelen 1 tot 9 van Bijlage I bij deze wet beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies Art. 60.§ 1. De kredietinstellingen brengen de toezichthouder voorafgaandelijk op de hoogte van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de kredietinstellingen aan de toezichthouder alle documenten en informatie mee die hem toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 19 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag. § 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten of van de GTM-verordening onder het toezicht staat van de toezichthouder, raadpleegt de Bank eerst de FSMA. De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. § 3. De kredietinstellingen informeren de toezichthouder over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, tussen de personen belast met de effectieve leiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2. Art. 61.De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kredietinstelling stelt de toezichthouder voorafgaandelijk in kennis hiervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen belast met de effectieve leiding, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de instelling. § 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 21 mogen de leden van de organen van de kredietinstelling en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de instelling, al dan niet ter vertegenwoordiging van de kredietinstelling, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een handelsvennootschap of een vennootschap met handelsvorm, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriële, commerciële of financiële werkzaamheden. § 3 De externe functies bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de kredietinstelling moet invoeren en doen naleven teneinde : 1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen;2° te voorkomen dat bij de kredietinstelling belangenconflicten zouden optreden alsook risico's die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden;3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld overeenkomstig van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten, hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd. § 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de kredietinstelling, moeten leden van het directiecomité van de kredietinstelling zijn, dan wel personen die door het directiecomité zijn aangewezen. § 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die geen lid zijn van het directiecomité van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de instelling een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap. Wanneer de kredietinstelling significant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies in andere handelsvennootschappen, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten : - hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of - een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren. § 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in een vennootschap als bedoeld in artikel 89, lid 1 van Verordening nr. 575/2013, waarmee de kredietinstelling nauwe banden heeft, in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/04/1999 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">01/06/1999 numac 1999003307 bron ministerie van financien Wet houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen sluiten2 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen. Wanneer de kredietinstelling significant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de externe functies in andere handelsvennootschappen, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat. § 7. In individuele gevallen kan de toezichthouder een afwijking toestaan voor het maximum aantal mandaten waarin voorzien is in de paragrafen 5 en 6, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder stelt de Europese Bankautoriteit regelmatig op de hoogte van het gebruik dat hij van deze afwijkingsbevoegdheid maakt. § 8. De kredietinstellingen brengen de functies die door de in paragraaf 2 bedoelde personen buiten de kredietinstelling worden uitgeoefend, zonder uitstel ter kennis van de toezichthouder, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel. § 9. Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de kredietinstelling behoort of van de groep waarvan een onderneming een nauwe band heeft met de kredietinstelling of haar moederonderneming, als één enkel mandaat beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel wordt onder \"groep\" een geheel van ondernemingen verstaan dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin, kan de toezichthouder nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten, onder welke voorwaarden patrimoniumvennootschappen dienen te worden beschouwd als handelsvennootschappen. Afdeling III. - Risicobeheer Onderafdeling I. - Behandeling van risico's Art. 63.Iedere kredietinstelling zorgt ervoor dat haar risico's worden beheerst met inachtneming van het bepaalde in Bijlage I bij deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verband met het verrichten van beleggingsdiensten Art. 64.Iedere kredietinstelling houdt de gegevens bij over alle door haar verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten om de toezichthouder en de FSMA in staat te stellen na te gaan of de instelling voldoet aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen bepalingen en de wettelijke en reglementaire bepalingen waarvoor de FSMA moet toezien op de naleving ervan, en inzonderheid of de instelling haar verplichtingen tegenover haar cliënteel of potentieel cliënteel nakomt. Art. 65.Wanneer een kredietinstelling financiële instrumenten aanhoudt die aan haar cliënteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren in geval van haar insolventie. Zij neemt passende maatregelen om te voorkomen dat financiële instrumenten toebehorend aan een cliënt voor haar eigen rekening worden gebruikt, tenzij de cliënt hiermee uitdrukkelijk instemt. Afdeling IV. - Uitbesteding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een kredietinstelling operationele taken die van kritiek belang zijn voor een continue en bevredigende dienstverlening, met name inzake beleggingsdiensten en -activiteiten, aan derden uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaande operationeel risico te beperken De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de internecontroleprocedures van de instelling of aan het vermogen van de toezichthouder om na te gaan of de instelling haar wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Bank publiceert op advies van de FSMA, een beleidsverklaring waarin zij het door haar gevoerde beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uiteenzet. Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan Onderafdeling I. - Beginselen Art. 67.Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de beginselen van Bijlage II in acht op een wijze en in een mate die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve op de leden van het wettelijk bestuursorgaan heeft het beloningsbeleid betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een significante invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, met inbegrip van de hoge leiding en de personen die risiconemende functies of onafhankelijke controlefuncties uitoefenen, en medewerkers van wie de totale beloning hen op hetzelfde beloningsniveau plaatst als die van de hogere leiding of personen die een risiconemende functie uitoefenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beloningsbeleid heeft betrekking op alle beloningen, met inbegrip van variabele beloningen en uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, van de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen en maakt overeenkomstig de voorschriften van Bijlage II, een duidelijk onderscheid om de criteria te bepalen ter vastlegging van : - de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheden dient te weerspiegelen, zoals uiteengezet in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en - de variabele beloning, die afhankelijk is van prestatiecriteria, die een duurzaam en aan de risico's aangepast rendement dient te weerspiegelen, alsook extra prestaties die geleverd worden naast de prestaties die beschreven zijn in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage II van deze wet legt de criteria, regels en verplichtingen vast waaraan het beloningsbeleid van de kredietinstellingen en de tenuitvoerlegging ervan moeten voldoen, in het bijzonder de voorwaarden voor de vaststelling en de betaling van de variabele beloning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beloningspraktijken met betrekking tot de in artikel 67, tweede lid bedoelde personen strookt met het door de instelling vastgestelde beloningsbeleid en voldoet aan de verplichtingen van Bijlage II. Deze beloningspraktijken worden regelmatig beoordeeld om na te gaan of de bepalingen van Bijlage II te allen tijde worden nageleefd, rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie van de instelling Onderafdeling II. - Kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen Art. 71.De kredietinstellingen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen, passen hun beloningsbeleid en beloningspraktijken aan conform de vereisten van Bijlage II. Afdeling VI. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard Onderafdeling I. - Leningen aan leiders, aandeelhouders en verbonden personen Art. 72.§ 1. Kredietinstellingen mogen rechtstreeks of onrechtstreeks leningen, kredieten of borgstellingen verlenen 1° aan de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of aan personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;2° aan de in artikel 9 bedoelde personen evenals aan de leden van hun verschillende organen en aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding;3° aan de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 2° bedoelde personen of de kredietinstellingen zelf enigerlei belang bezitten of een functie uitoefenen;4° aan personen die verbonden zijn met de in 1° en 2° bedoelde personen.Worden in dit verband als \"verbonden personen\" beschouwd : echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de tweede graad, onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die voor hun cliënteel gelden. Van deze leningen, kredieten of borgstellingen moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, geen zitting hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten en borgstellingen worden ter kennis gebracht van de toezichthouder volgens de frequentie en de regels die hij bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer deze verrichtingen niet tegen de normale marktvoorwaarden worden gesloten, kan de toezichthouder eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zoniet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de instelling hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil. § 2. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en niettegenstaande paragraaf 1, mogen rechtstreeks of onrechtstreeks geen leningen, kredieten of borgstellingen worden verleend aan personen om hen in staat te stellen rechtstreeks of onrechtstreeks in te schrijven op aandelen of andere effecten die recht geven op dividenden van de kredietinstelling of van een vennootschap waarmee er een nauwe band bestaat of die het recht verlenen om dergelijke effecten te verwerven, of om dergelijke aandelen of andere effecten te verwerven. Art. 73.In geval van faillissement van een kredietinstelling zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze instelling, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuursorgaan in de vorm van tantièmes of andere winstdeelnemingen, tijdens de twee jaren die het tijdstip voorafgaan dat door de rechtbank is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de rechtbank erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Gebruik van gelden en waarden Art. 74.Kredietinstellingen mogen de gelden en waarden waarover zij beschikken, niet aanwenden om de publieke opinie rechtstreeks of onrechtstreeks ten eigen bate te beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod geldt niet voor openlijk gevoerde handelsreclame. Afdeling VII. - Mededeling van informatie over de situatie van de kredietinstelling Art. 75.§ 1. Onverminderd de verplichtingen die in voorkomend geval gelden voor genoteerde vennootschappen, bepaalt de toezichthouder, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten, welke minimuminformatie de kredietinstellingen publiek moeten maken over hun solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en andere risicoposities, over hun beleid inzake eigenvermogensbehoeften, onder verwijzing naar de vereisten bedoeld in artikel 94 tot 98 en 149 tot 152. Hij bepaalt tevens de minimale frequentie en de wijze van bekendmaking van die informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kredietinstellingen publiceren op hun website de relevante informatie van het governancememorandum als bedoeld in artikel 21, § 3 en artikel 56, § 6. Deze informatie omvat minstens de aandeelhoudersstructuur en de structuur van het toezicht op de instelling of de structuur van de groep waartoe zij behoort, de beleidsorganen, de organisatiestructuur, met inbegrip van de onafhankelijke operationele controlefuncties, evenals de doelstellingen en de bedrijfswaarden van de instelling, de krachtlijnen van haar beleid inzake risicobeheer, voorkoming van belangenconflicten, integriteit en continuïteit van de werkzaamheden, evenals de informatie over haar beloningsbeleid en -praktijken, overeenkomstig Verordening nr. 575/2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien vermelden de kredietinstellingen in hun jaarverslag het rendement van hun activa, dat zij berekenen door hun nettowinst te delen door hun balanstotaal. § 2. De kredietinstellingen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures om te voldoen aan de informatieverplichtingen bedoeld in paragraaf 1. Zij evalueren het passend karakter van hun publiciteitsmaatregelen, daarin begrepen de controle van de gepubliceerde gegevens alsook de frequentie van de informatieverschaffing. § 3. De kredietinstellingen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures teneinde te evalueren of de informatie die zij publiceren over hun organisatie, hun financiële positie en hun risicostaat aan de marktdeelnemers een volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaft. § 4. In bijzondere gevallen kan de toezichthouder binnen de perken van de Europese wetgeving afwijkingen toestaan van de bepalingen die door of krachtens dit artikel zijn vastgelegd. HOOFDSTUK IV. - Bijzondere verrichtingen Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van werkzaamheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke wijziging in de werkzaamheden van de instelling moet voorafgaandelijk, vóór de tenuitvoerlegging ervan, worden meegedeeld aan de toezichthouder. Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleggingsbeslissingen en fusies van en overdrachten tussen kredietinstellingen Art. 77.Voor de volgende beslissingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist : 1° strategische beslissingen van een kredietinstelling;2° beslissingen om kapitaalvertegenwoordigende effecten te verwerven van een onderneming waarvan de werkzaamheden niet zijn opgenomen in artikel 4, voor een bedrag van minstens 250 000 000 euro of een bedrag van 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling;3° fusies van kredietinstellingen of van dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, evenals splitsingen van kredietinstellingen;4° wanneer tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, het bedrijf of het net integraal of gedeeltelijk wordt overgedragen. De toezichthouder moet beslissen binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Hij mag zijn toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de instelling om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de instelling of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, dan wordt de toestemming geacht te zijn verkregen. Art. 78.Iedere gehele of gedeeltelijke overdracht tussen kredietinstellingen of tussen dergelijke instellingen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, van rechten en verplichtingen die voortkomen uit verrichtingen van de betrokken instellingen of ondernemingen, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 77, is aan derden tegenstelbaar zodra de toestemming van de toezichthouder is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor de toezichthouder toestemming heeft verleend krachtens artikel 77, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen 17, 18 of 20 van de faillissements wet van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2003 numac 1999015194 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Algerije tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse bijstand inzake belastingen naar het inkomen en het vermogen, ondertekend te Algiers op 15 december 1991 (2) sluiten. Afdeling III. - Bepalingen over de uitgifte van Belgische covered bonds Art. 79.Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorafgaande toestemming van de toezichthouder heeft enerzijds betrekking op de organisatorische capaciteit van de instelling om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, en anderzijds op de mate waarin voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma wordt voldaan aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Om van de toezichthouder de toestemming te verkrijgen met betrekking tot haar organisatorische capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven en op te volgen, moet de kredietinstelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de toezichthouder met informatie over de wijze waarop zij de voorgenomen verrichtingen zal omkaderen. Deze informatie heeft minstens betrekking op : 1° een beschrijving van de financiële positie van de instelling en met name van haar kredietvooruitzichten, waaruit blijkt dat zij voldoende solvabel is om de belangen van andere schuldeisers dan houders van Belgische covered bonds te vrijwaren;2° een beschrijving van de langetermijnstrategie van de instelling, met bijzondere aandacht voor de liquiditeit van de instelling en voor de plaats die de Belgische covered bonds in die strategie innemen;3° een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden binnen de instelling met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;4° een beschrijving van het risicobeheerbeleid dat de instelling met betrekking tot de Belgische covered bonds voert, met bijzondere aandacht voor het renterisico, het wisselkoersrisico, het krediet- en wederpartijrisico, het liquiditeitsrisico en het operationeel risico;5° een beschrijving van de betrokkenheid van de interne audit bij de procedure voor de uitgifte van Belgische covered bonds, met inbegrip van de frequentie van de controle en de toepasselijke controleprocedures;6° een beschrijving van de besluitvormings- en rapporteringsprocedures met betrekking tot de uitgifte van Belgische covered bonds;7° een beschrijving van de informaticasystemen die nodig zijn voor de uitgifte van Belgische covered bonds De in het eerste lid bedoelde algemene toestemming met betrekking tot de capaciteit om Belgische covered bonds uit te geven, wordt enkel verleend als de toezichthouder ervan overtuigd is dat : a) de uitgevende instelling over een administratieve en boekhoudkundige organisatie beschikt die haar in staat stelt te voldoen aan de door of op grond van deze Afdeling en Bijlage III vastgestelde bepalingen, en inzonderheid de dekkingswaarden af te scheiden;en b) dat haar financiële positie, inzonderheid haar solvabiliteit, voldoende is om de belangen van andere schuldeisers dan houders van covered bonds te vrijwaren. Vooraleer hij zijn toestemming verleent als bedoeld in paragraaf 1, vraagt de toezichthouder van de erkend commissaris een verslag over de organisatorische capaciteit van de kredietinstelling met betrekking tot haar verplichtingen die voortvloeien uit deze Afdeling en uit Bijlage III bij deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder spreekt zich uit over een aanvraag binnen drie maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen vijf maanden na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de toezichthouder wordt binnen tien dagen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de kredietinstelling. § 2. Om de toestemming te verkrijgen van de toezichthouder voor een bepaalde uitgifte of een bepaald uitgifteprogramma, moet de kredietinstelling die van plan is Belgische covered bonds uit te geven, voorafgaandelijk een dossier voorleggen aan de toezichthouder met informatie over de voorgenomen verrichting. De toezichthouder bepaalt welke informatie verstrekt moet worden bij de indiening van de aanvraag. Deze informatie heeft minstens betrekking op : 1° de impact van de uitgifte of van het programma op de liquiditeitspositie van de instelling;2° de kwaliteit van de dekkingswaarden, in het bijzonder met betrekking tot de aard van de schuldenaars van deze activa en van de zakelijke of persoonlijke zekerheden, waarborgen of voorrechten waardoor ze gedekt zijn, de diversificatie van deze activa en hun vervaldata;3° de mate waarin de vervaldata van de Belgische covered bonds overeenstemmen met die van de dekkingswaarden;4° de elementen op basis waarvan kan worden aangetoond dat nog steeds voldaan is aan de voorwaarden van paragraaf 1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder bevestigt de ontvangst van het dossier bedoeld in het eerste lid en binnen vijftien dagen na die ontvangst laat hij de instelling weten dat het dossier volledig is en onderzocht kan worden, of dat hij aanvullende informatie nodig heeft. § 3. De specifieke toestemming om Belgische covered bonds uit te geven of om een uitgifteprogramma voor Belgische covered bonds te lanceren, wordt maar verleend als de toezichthouder ervan overtuigd is dat de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de instelling beschikt over de algemene toestemming bedoeld in paragraaf 1;2° de dekkingswaarden zijn : a) hypothecaire schuldvorderingen;b) schuldvorderingen op of gewaarborgd of verzekerd door (i) centrale, regionale of lokale overheden van lidstaten van de OESO of (ii) centrale banken van die staten of (iii) publieke entiteiten van die staten of (iv) multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties;c) deelbewijzen uitgegeven door effectiseringsinstellingen die risicoposities effectiseren op activa die hoofdzakelijk zijn samengesteld uit de elementen bedoeld in a) en/of b);d) schuldvorderingen op kredietinstellingen, met inbegrip van de bedragen die bij deze kredietinstellingen of door de uitgevende kredietinstelling worden aangehouden;en/of e) posities die voortvloeien uit een of meer dekkingsinstrumenten die met een of meer dekkingswaarden of met de betrokken Belgische covered bonds zijn verbonden, en de uit hoofde van dergelijke posities betaalde bedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit : 1° de minimumvoorwaarden waaraan de dekkingswaarden moeten voldoen, in het bijzonder voor wat betreft : a) het toepasselijke recht, de aard van de schuldenaar en de plaats waar hij zich bevindt;b) de waarderingscriteria waaronder, in voorkomend geval, het gedeelte van het krediet dat gedekt moet zijn door een hypotheek, de vereiste rang van de hypotheek, de voorwaarden met betrekking tot de waardering van het voorwerp van de hypotheek, de voorwaarden met betrekking tot de ligging van het voorwerp van de hypotheek;2° de voorwaarden waaraan de activa bedoeld in artikel 80, § 3, 2°, a), b) en c) moeten voldoen en inzonderheid de minimumverhouding;3° voor elk betrokken bijzonder vermogen, de vereisten inzake de overeenstemming tussen de vervaldata van de dekkingswaarden en die van de door de kredietinstelling uitgegeven Belgische covered bonds;4° de beperkingen tot een of meer categorieën van dekkingswaarden waaraan een uitgifte van Belgische covered bonds moet voldoen en, in voorkomend geval, de na te leven verhouding tussen de verschillende categorieën van dekkingswaarden;5° de maatregelen die door de uitgevende instelling moeten worden genomen om de wisselkoers- en renterisico's te dekken die aan de uitgifte van Belgische covered bonds zijn verbonden;en 6° de bevoegdheden en criteria waarop de toezichthouder zich kan baseren om voor elke uitgevende kredietinstelling te bepalen wat het maximumpercentage aan Belgische covered bonds is dat zij mag uitgeven ten opzichte van haar balanstotaal</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De toezichthouder spreekt zich uit over een aanvraag voor de uitgifte van Belgische covered bonds binnen twee maanden na indiening van een volledig dossier en uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag. § 2. De beslissing van de toezichthouder wordt binnen tien dagen met een aangetekende brief of met een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de kredietinstelling. § 3. De toezichthouder stelt twee lijsten op : 1° een lijst van de kredietinstellingen die overeenkomstig artikel 80, § 1, de toestemming hebben verkregen om Belgische covered bonds uit te geven;2° een lijst die per instelling de uitgegeven effecten en de uitgifteprogramma's vermeldt waarvoor een bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 80, § 2, werd verleend.Deze lijst is nog verder onderverdeeld naargelang de Belgische covered bonds al dan niet Belgische pandbrieven zijn Deze lijsten worden op de website van de toezichthouder gepubliceerd. Art. 83.De lijsten bedoeld in artikel 82, § 3 en de wijzigingen die erin worden aangebracht, worden door de toezichthouder meegedeeld aan de Europese Commissie, met het oog op de toepassing van artikel 52, § 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten, zoals gewijzigd. Art. 84.Bijlage III bij deze wet bevat met name de samenstelling en het juridisch stelsel van de dekkingswaarden, de rechten van de houders van covered bonds, de voorwaarden voor de uitgifte van die effecten en de verplichtingen die gelden voor emittenten van covered bonds. Afdeling IV. - Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland Art. 85.Iedere kredietinstelling die voornemens is om rechtstreeks of via de tussenkomst van een financiële holding of van een gemengde financiële holding in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4 uitoefent, stelt de toezichthouder daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt informatie gevoegd over de werkzaamheden, de organisatie, de aandeelhoudersstructuur en de leiding van de betrokken onderneming. Afdeling V. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland Art. 86.Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te openen om er alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de toezichthouder daarvan in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden, gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De effectieve leiders van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. De artikelen 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing op de benoeming van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de kredietinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de toezichthouder moet uiterlijk zes weken na ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder geeft de Europese Commissie en de Europese Bankautoriteit, volgens de frequentie die de laatstgenoemden bepalen, kennis van het aantal en de motivering van de krachtens het vierde lid genomen definitieve beslissingen tot verzet tegen de geplande opening van een bijkantoor in een lidstaat of tegen wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt, met uitzondering van het zesde lid, voor de opening van bijkantoren in een derde land. Art. 87.Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de toezichthouder, indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 86, vierde of vijfde lid, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat, binnen drie maanden na ontvangst van alle door artikel 86, tweede lid vereiste gegevens, de overeenkomstig deze bepalingen ontvangen gegevens mee, alsook het peil en de samenstelling van het eigen vermogen van de kredietinstelling, de som van de eigenvermogensvereisten die haar zijn opgelegd krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013, de identiteit van haar leiders en de regels voor eventuele tegemoetkoming, ten gunste van de spaarders bij het bijkantoor, van de voor de kredietinstelling geldende depositobeschermingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Bank brengt de FSMA binnen dezelfde termijn op de hoogte van deze kennisgeving, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten. Art. 88.Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor geen lidstaat is, kan de toezichthouder in overleg met de betrokken autoriteit van een derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, in voorkomend geval met naleving van het bepaalde in Hoofdstuk IV/1, afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten. Art. 89.Iedere kredietinstelling die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de staat van ontvangst ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de conform artikel 86, tweede lid verstrekte gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 86, vierde en vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 87, naar gelang van de wijzigingen in de in artikel 86, tweede lid bedoelde gegevens of in de geldende depositobeschermingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Vrij verrichten van bankdiensten in het buitenland Art. 90.Iedere kredietinstelling die voornemens is op het grondgebied van een andere lidstaat, zonder er een bijkantoor te vestigen, alle of een deel van de in artikel 4 opgesomde werkzaamheden te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de toezichthouder hiervan in kennis en geeft op welke werkzaamheden zij wenst uit te oefenen en op welke wijze zij de uitoefening van deze werkzaamheden zal omkaderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de kredietinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van de toezichthouder moet uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in het eerste lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de kredietinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de toezichthouder zijn beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt hij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de instelling. Art. 91.Indien hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 90, deelt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van ontvangst onverwijld de in dit artikel bedoelde kennisgeving mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen dezelfde termijn doet de Bank tevens mededeling van de betrokken informatie aan de FSMA, voor zover de werkzaamheden in het buitenland betrekking hebben op het verrichten van beleggingsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling III. - Uitoefening van bankwerkzaamheden door gespecialiseerde dochterondernemingen van kredietinstellingen in een andere lidstaat Art. 92.Financiële instellingen naar Belgisch recht die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een dochteronderneming zijn van een of meer kredietinstellingen naar Belgisch recht en ertoe gerechtigd zijn in België geregeld de werkzaamheden uit te oefenen zoals opgesomd in punt 2 en volgende van de lijst in artikel 4, mogen voor de uitoefening van deze werkzaamheden bijkantoren vestigen in andere lidstaten volgens de bij de artikelen 86, 87 en 89 bepaalde regels of er hun bedrijf uitoefenen zonder vestiging van een bijkantoor volgens de bij de artikelen 90 en 91 bepaalde regels, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° aan de kredietinstelling(en) die moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiële instellingen is overeenkomstig dit Boek een vergunning verleend als kredietinstelling;2° de financiële instellingen oefenen de voornoemde werkzaamheden daadwerkelijk uit op het Belgische grondgebied;3° de kredietinstelling(en) die de moeder-onderneming(en) is (zijn) van deze financiële instellingen bezit(ten) ten minste 90 pct.van de aan de aandelen van deze financiële instellingen verbonden stemrechten; 4° de moederondernemingen moeten de toezichthouder aantonen dat het beleid van de financiële instellingen gezond en voorzichtig is;5° de moederondernemingen moeten zich volgens de door de toezichthouder goedgekeurde regels hoofdelijk borg stellen voor de verplichtingen van de financiële instellingen;6° de financiële instellingen worden opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis op de moederinstellingen, overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II van dit Boek, inzonderheid wat de geldende vereisten betreft voor het eigen vermogen, het toezicht op de grote risico's en de beperking van het aandelenbezit, als bepaald in Verordening nr.575/2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooraleer de in de artikelen 86 of 90 bedoelde beslissing te nemen, gaat de toezichthouder na of deze voorwaarden zijn vervuld. Daartoe voegt hij een attest bij de bij de artikelen 87 of 90 voorgeschreven mededeling. In afwijking van deze bepalingen deelt de toezichthouder mee welk het eigenvermogenspeil van de betrokken financiële instelling is, alsook het bedrag van de geconsolideerde solvabiliteitscoëfficiënt van de kredietinstelling(en) waarvan de financiële instelling een dochteronderneming is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in dit artikel bedoelde financiële instelling niet langer aan de hierin gestelde voorwaarden voldoet, meldt de toezichthouder dit onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de lidstaten waar deze financiële instelling bedrijvig is via een bijkantoor of een vorm van dienstverrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze Afdeling bedoelde financiële instellingen worden vermeld in een bijlage bij de lijst van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling IV. - Uitoefening van werkzaamheden in een deelnemende lidstaat Art. 93.Voor wat betreft de aangelegenheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toevertrouwd met toepassing van artikel 4 van de GTM-verordening, zijn de bepalingen met betrekking tot de procedures tussen de bevoegde autoriteiten en de desbetreffende bevoegdheden niet van toepassing ingeval de kredietinstelling of haar gespecialiseerde dochteronderneming als bedoeld in artikel 92 voornemens is op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat een bijkantoor te vestigen of werkzaamheden uit te oefenen in het kader van het vrij verrichten van diensten. HOOFDSTUK V. - Reglementaire normen en verplichtingen Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen vermogen en liquiditeit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Elke kredietinstelling moet over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften beschikken. § 2. Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de kredietinstelling, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de instelling identificeert en bepaalt Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de instelling, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de instelling. § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geëvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten. Afdeling II. - Globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer Art. 95.Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 of het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149 en 150, moet een kredietinstelling voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 2, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële holding naar Belgisch recht of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht, die een kredietinstelling bezit, voldoet op geconsolideerde basis aan de voorschriften van het eerste lid, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 2, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Onverminderd de in de paragrafen 3 tot 6 bepaalde modaliteiten is het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer gelijk aan de som van de volgende vereisten van een tier 1-kernkapitaalbuffer : 1° de in artikel 1 van Bijlage IV bedoelde tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer;2° de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in de artikelen 3 tot 10 van Bijlage IV;3° de tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante kredietinstellingen (MSI's) of voor binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's), als bedoeld in de artikelen 11 tot 15 van Bijlage IV;4° de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's, als bedoeld in de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV. § 2 De in paragraaf 1 bedoelde vereisten worden verduidelijkt in Bijlage IV van deze wet. § 3. Een kredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht die tegelijkertijd onderworpen is aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor mondiaal systeemrelevante kredietinstellingen (MSI's) aan te houden en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) aan te houden overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste. § 4. Een kredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht die tegelijkertijd onderworpen is aan het in paragraaf 3 bedoeld vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer voormeld vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden evenwel enkel de in België gelegen risicoblootstellingen van de kredietinstelling dekt, wordt dit vereiste toegevoegd aan het in paragraaf 3 bedoeld vereiste. § 5. Een kredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, op individuele of gesubconsolideerde basis, die tegelijkertijd onderworpen is aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) aan te houden, overeenkomstig artikel 14 van Bijlage IV, en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden, overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet enkel voldoen aan het hoogste vereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het voormeld vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden evenwel enkel de in België gelegen risicoblootstellingen van de kredietinstelling dekt, wordt dit vereiste toegevoegd aan het vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) aan te houden. § 6. Wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een groep of een subgroep waartoe een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling (MSI) of een binnenlandse systeemrelevante kredietinstelling (BSI) behoort, mag het in paragraaf 1 bedoeld globaal vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor deze kredietinstelling aan te houden niet lager zijn dan de som van - de vereisten om een tier 1-kernkapitaalconserveringsbuffer aan te houden, als bedoeld in artikel 1 van Bijlage IV; - de vereisten om een instellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer aan te houden, als bedoeld in de artikelen 3 tot 10 van Bijlage IV; - het hoogste bedrag tussen de vereisten om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor binnenlandse systeemrelevante kredietinstellingen (BSI's) aan te houden, bepaald in artikel 14 van Bijlage IV en de vereisten om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden, als bedoeld in de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, aangezien paragraaf 5, tweede lid van toepassing is, die op individuele basis en, in voorkomend geval, op gesubconsolideerde basis van toepassing zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling III. - Macroprudentieel of systeemrisico</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 97</span><span class=\"lf-art-t\">De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikel 458 van Verordening nr. 575/2013</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de voorwaarden gesteld in artikel 458 van Verordening nr. 575/2013, moeten de reglementen van de Bank die met toepassing van het genoemde artikel 458 worden aangenomen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden goedgekeurd. Afdeling IV. - Reglementeringsbevoegdheid van de Bank</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 98</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de Bank bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten : a) de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie en andere begrenzingsnormen die door alle kredietinstellingen of per categorie van kredietinstellingen moeten worden nageleefd, wanneer deze normen niet bepaald zijn in Verordening nr.575/2013; b) de toepassingsmodaliteiten van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie bepaald in Verordening nr.575/2013, met inbegrip van de toepassingsmodaliteiten van de verschillende opties die door deze Verordening worden geboden aan de lidstaten en aan de Bank als bevoegde autoriteit, rekening houdend met de richtsnoeren die worden bepaald door de Europese Bankautoriteit in verband met de genoemde Verordening en de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van die Verordening; c) de waarderingsregels die gelden voor de waardering van de activa, de passiva en de posten die niet in de balans zijn opgenomen voor de controle van de naleving van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit of risicoconcentratie. De in dit artikel bedoelde normen kunnen zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve aard zijn. Afdeling V. - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het tier 1-kernkapitaal Onderafdeling I. - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen Art. 99.Een kredietinstelling mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het tier 1-kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer. Art. 100.In afwijking van artikel 99, eerste lid, kan een kredietinstelling die niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer niettemin een uitkering met betrekking tot tier 1-kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 101 tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de kredietinstelling vooraf het maximaal uitkeerbare bedrag of \"MUB\" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsmodaliteiten van het MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1 van Bijlage V bij deze wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 101</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het MUB : a) een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;b) betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;c) zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen. § 2. Bovendien mag een kredietinstelling als bedoeld in artikel 100 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer. § 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de instelling haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het MUB</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kredietinstellingen passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het MUB, nauwkeurig worden berekend. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De door deze Onderafdeling opgelegde beperkingen zijn slechts van toepassing in zoverre de opschorting van de betalingen die eruit zou voortvloeien niet de voorwaarden voor de opening van een liquidatieprocedure tot gevolg heeft met toepassing van de bepalingen van de faillissements wet van 8 augustus 1997Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/10/1997 numac 1997009766 bron ministerie van justitie Faillissementswet type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">08/08/1997 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/02/2003 numac 1999015194 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Democratische Volksrepubliek Algerije tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse bijstand inzake belastingen naar het inkomen en het vermogen, ondertekend te Algiers op 15 december 1991 (2) sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling II. - Kapitaalconserveringsplan Art. 104.Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instelling legt dit plan uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling dat zij niet aan het voormeld vereiste voldeed, ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. De toezichthouder kan een langere termijn vastleggen, die ten hoogste tien werkdagen mag bedragen, op basis van de bijzondere situatie van een kredietinstelling, rekening houdend met de omvang en de complexiteit van haar werkzaamheden. Art. 105.§ 1. De toezichthouder keurt het kapitaalconserveringsplan goed indien hij van oordeel is dat de uitvoering ervan de instelling redelijkerwijze zou moeten toelaten, binnen de termijn die hij gepast acht, daadwerkelijk te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer. § 2. Indien hij van oordeel is dat de uitvoering van het plan niet redelijkerwijze kan voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder - eisen dat de betrokken instelling tot een verhoging van haar eigen vermogen overgaat tot het niveau dat hij noodzakelijk acht, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die hij bepaalt; en/of - striktere beperkingen opleggen aan de uitkeringen dan deze die zijn bepaald met toepassing van artikel 101. HOOFDSTUK VI. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels Art. 106.§ 1. De kredietinstellingen leggen hun jaarrekening neer bij de Bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Koning bepaalt, op advies van de Bank : 1° volgens welke regels de kredietinstellingen hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken;2° de regels die door de kredietinstellingen moeten worden nageleefd voor het opmaken, controleren en openbaar maken van hun geconsolideerde jaarrekening, alsook voor het opmaken en openbaar maken van het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten, de toepassingsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten. § 2. De kredietinstellingen leggen aan de toezichthouder periodiek een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de toezichthouder, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de toezichthouder voorschrijven dat hem geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het directiecomité verklaart aan de toezichthouder dat de voornoemde periodieke staten die de instelling hem aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten - volledig zijn; zij bevatten alle gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij worden opgesteld, en - juist zijn; zij stemmen exact overeen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het directiecomité bevestigt het nodige te hebben gedaan opdat de voornoemde staten opgemaakt zijn volgens de richtlijnen van de toezichthouder en met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar. § 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de vennootschap als jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van de ter uitvoering van paragraaf 1, tweede lid genomen bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd, naargelang het geval, op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen. § 4. Voor bepaalde categorieën van kredietinstellingen of in bijzondere gevallen kan de toezichthouder afwijkingen toestaan van de in paragraaf 1, tweede lid en paragraaf 2, eerste lid bedoelde regels. § 5. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de kredietinstellingen via hun representatieve beroepsverenigingen. Art. 107.De Bank publiceert periodiek en ten minste viermaal per jaar een totaalstaat voor de kredietinstellingen volgens de regels die zij vaststelt na raadpleging van de kredietinstellingen via hun representatieve beroepsverenigingen. HOOFDSTUK VII. - Herstelplannen Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 108</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke kredietinstelling stelt een herstelplan op met maatregelen die door de instelling kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en actualiseert dit plan Het herstelplan dekt de kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen. Art. 109.Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario's van ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn aan de kredietinstelling, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt, betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun maar bevat in voorkomend geval een analyse van hoe en wanneer de kredietinstelling een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken. Het plan bepaalt welke activa van de kredietinstelling daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen. Art. 110.§ 1. Het herstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de kredietinstelling, met aanduiding van de momenten waarop de instelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde indicatoren omvatten een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid. Het herstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde te zorgen voor een toereikend voorwerp voor de uitoefening van het voorrecht bedoeld in artikel 389 en terzelfder tijd de toegang van de kredietinstelling tot haar bronnen van financiering te vrijwaren, bepaalt de toezichthouder voor iedere kredietinstelling een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van haar bezwaarde activa, volgens de definities van de technische uitvoeringsnorm bedoeld in artikel 100, tweede alinea, van Verordening nr. 575/2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de schaal bedoeld in het tweede lid houdt de toezichthouder rekening met het niveau van de in artikel 389 bedoelde deposito's van de kredietinstelling, met de aard van haar werkzaamheden en met de structuur van haar balans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten en goedgekeurd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, stelt de Bank de minimum- en maximumdrempels vast waartussen de schalen bedoeld in het tweede lid zich moeten situeren, rekening houdend met de internationale ontwikkelingen in deze materie en de benchmarks die zich daarbij aftekenen. § 3. De kredietinstelling kan, wanneer haar wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht : 1° maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;2° geen maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald. De kredietinstelling stelt de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van haar herstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald. § 4. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de kredietinstelling opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen. Art. 111.De kredietinstelling actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar werkzaamheden of haar financiële positie die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder kan van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert. Art. 112.Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten bepaalt de Bank de nadere regels inzake : 1° de minimuminhoud van het herstelplan;2° de informatie die door de kredietinstellingen aan de toezichthouder moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Bij een in Ministerraad overlegd besluit : 1° kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de volgende instellingen vrijstellen van de verplichtingen krachtens deze Afdeling : a) de kredietinstellingen die een dochteronderneming zijn die valt onder het geconsolideerde toezicht op een andere kredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert en waarvoor een herstelplan is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit;b) de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1.2° bepaalt de Koning, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de voorwaarden onder dewelke de toezichthouder krachtens paragraaf 2 afwijkingen kan toestaan. § 2 De toezichthouder kan, binnen de grenzen en volgens de voorwaarden bepaald overeenkomstig paragraaf 1, 2°, een kredietinstelling toestaan om af te wijken van de verplichtingen krachtens deze Afdeling inzake de inhoud van het herstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 415, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de kredietinstelling kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de activiteiten van de kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder kan te allen tijde een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling. § 3. De in dit artikel bedoelde vrijstellingen en afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid. Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 114</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het herstelplan wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de kredietinstelling onderzocht en goedgekeurd alvorens het aan de toezichthouder wordt voorgelegd. § 2. De kredietinstelling legt haar eerste herstelplan aan de toezichthouder voor binnen zes maanden vanaf de datum van haar vergunning Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de kredietinstelling die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de kredietinstelling de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld. § 3. De toezichthouder bezorgt het herstelplan en elk geactualiseerd plan aan de afwikkelingsautoriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwikkelingsautoriteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van het plan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling negatief kunnen beïnvloeden. Art. 115.§ 1. Binnen zes maanden na ontvangst van het herstelplan, onderzoekt de toezichthouder dit plan en beoordeelt hij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 108 tot 113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij evalueert de toezichthouder inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat : 1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de instelling heeft getroffen of voornemens is te treffen;2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij zijn evaluatie van het herstelplan besteedt de toezichthouder bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de instelling in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel. § 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt hij de kredietinstelling daarvan in kennis en, nadat hij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toezichthouder kan voornoemde termijn van twee maanden met maximum één maand verlengen. § 3. Indien de toezichthouder oordeelt dat de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan hij de kredietinstelling gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan de instelling, specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 116</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Indien de kredietinstelling binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 115, § 2, of indien de toezichthouder oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 115, § 2, de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 115, § 3, stelt de toezichthouder de kredietinstelling daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen zij in haar werkzaamheden kan aanbrengen om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen. § 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat de wijzigingen voorgesteld door de kredietinstelling met toepassing van paragraaf 1, de door hem geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kan hij, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de kredietinstelling gelasten elke maatregel te treffen die hij noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen De toezichthouder kan de kredietinstelling inzonderheid gelasten om : 1° haar risicoprofiel, met inbegrip van het liquiditeitsrisico, te verminderen;2° snelle herkapitalisatiemaatregelen mogelijk te maken;3° haar strategie en haar structuur te herzien;4° wijzigingen in haar financieringsstrategie aan te brengen om de robuustheid van haar kernactiviteiten en haar kritieke functies te vergroten;5° wijzigingen in haar governancestructuur aan te brengen. De beslissing van de toezichthouder wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de kredietinstelling. HOOFDSTUK VIII. - Structuur van de activiteiten Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit Hoofdstuk is van toepassing op kredietinstellingen naar Belgisch recht die deposito's aantrekken of schuldinstrumenten uitgeven die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380. Art. 118.§ 1. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk en van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder : 1° handel voor eigen rekening : de handel in financiële instrumenten met gebruik van eigen kapitaal, in het kader van de handelsportefeuille zoals bepaald in artikel 4, lid 1, 86) van Verordening nr.575/2013; 2° op geconsolideerde basis : op basis van de geconsolideerde toestand van de groep of subgroep gevormd door een kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen;3° consolidatieperimeter : de groep of subgroep gevormd door een kredietinstelling en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen;4° handelsentiteit : elke onderneming verbonden met een kredietinstelling, buiten haar consolidatieperimeter, waarvan de handelsactiviteiten voor eigen rekening de drempels overschrijden die bepaald zijn in een reglement vastgesteld door de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten. § 2. Voor de aangelegenheden die onder dit Hoofdstuk vallen, wordt over elk koninklijk besluit bedoeld in artikel 12bis, § 2, derde lid van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten beraadslaagd in de Ministerraad. Afdeling II. - Verbod van handelsactiviteiten voor eigen rekening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 januari 2015 mag geen enkele kredietinstelling handelsactiviteiten voor eigen rekening uitoefenen, noch rechtstreeks noch via Belgische of buitenlandse dochterondernemingen. Art. 120.Voor de toepassing van dit Hoofdstuk worden met handelsactiviteiten voor eigen rekening gelijkgesteld de verrichtingen en verbintenissen voor eigen rekening, zonder toereikende zekerheden, aangegaan met : a) instellingen voor collectieve belegging met een hefboomeffect of soortgelijke beleggingsvehikels die beantwoorden aan de karakteristieken bepaald in een reglement van de FSMA;of b) instellingen voor collectieve belegging met beleggingen in of blootstelling aan één of meer instellingen of vehikels als bedoeld in punt a) boven een drempel bepaald in een reglement vastgesteld door de Bank met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten. Art. 121.§ 1. Onder voorbehoud van artikel 123, geldt het verbod bepaald in artikel 119 niet voor verrichtingen in financiële instrumenten die een onderdeel vormen van de volgende activiteiten, voor zover die verrichtingen voldoen aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2 : 1° het verlenen aan cliënten van beleggingsdiensten en nevendiensten, zoals bepaald in artikel 46, 1°, 1., 2. en 4. tot 8., en 2° van de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten8, die erop gericht zijn om te voldoen aan de financierings-, indekkings- of beleggingsbehoeften van de cliënten; 2° de activiteiten van marketmaking die bestaan in de regelmatige en doorlopende aanwezigheid, op een gereglementeerde markt of in een multilaterale handelsfaciliteit waarvan hij lid is, van een marktdeelnemer die vaste bied- en laatkoersen aanbiedt voor financiële instrumenten, met een verbintenis van zijn kant om tegen deze prijzen als tegenpartij op te treden voor minimumhoeveelheden, teneinde liquiditeit te scheppen in de betrokken markt, voor zover deze marktdeelnemer door de marktonderneming of de beleggingsonderneming die de betrokken markt of de multilaterale handelsfaciliteit exploiteert, wordt geattesteerd als marketmaker;3° de activiteiten tot indekkings van de eigen risico's van de kredietinstelling of van haar dochterondernemingen, met inbegrip van de risico's verbonden aan de activiteiten bedoeld in 1°, 2°, 4° en 5° ;4° het gezond en voorzichtig beheer van de liquide middelen van de kredietinstelling en haar dochterondernemingen;5° de aan- en verkoop van financiële instrumenten verworven met het oogmerk om op duurzame wijze te worden aangehouden. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vrijgesteld te zijn van het verbod bepaald in artikel 119 moeten de verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in paragraaf 1 aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° zij moeten worden uitgevoerd binnen de risicolimieten en met inachtneming van de omkaderingsmaatregelen bepaald met toepassing van artikel 122;2° wat de verrichtingen in het kader van de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, betreft, moet de kredietinstelling aantonen dat zij voor haar noodzakelijk zijn om haar intermediërende rol voor haar cliënten te kunnen vervullen;3° wat de verrichtingen in het kader van de activiteiten bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5°, betreft, moet de kredietinstelling aantonen dat zij noodzakelijk zijn met het oog op een gezond en voorzichtig beheer van de betrokken liquiditeiten of investeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 122</span><span class=\"lf-art-t\">Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten bepaalt de Bank de risicolimieten en de maatregelen voor de omkadering van de verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het reglement bedoeld in het eerste lid bepaalt eveneens : 1° de regels inzake governance en risicobeheer voor elke categorie van verrichtingen bedoeld in artikel 121, § 1;2° de specifieke internecontroleprocedures die de kredietinstellingen moeten invoeren om de naleving van de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124 te verzekeren;3° de specifieke periodieke rapporteringsverplichtingen van de kredietinstellingen die de toezichthouder in staat stellen om de naleving van voornoemde voorwaarden en limieten te controleren. Art. 123.§ 1. De verrichtingen in financiële instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1, die niet binnen de risicolimieten blijven die zijn vastgelegd met toepassing van de artikelen 121 en 122, worden beschouwd als verboden handelsactiviteiten voor eigen rekening wanneer de marktrisico's verbonden aan die verrichtingen op individuele basis of op geconsolideerde basis de drempel vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2 overschrijden. § 2. De drempel bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld als de ratio tussen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's verbonden aan de verrichtingen bedoeld in paragraaf 1 en het totaal van het reglementair eigen vermogen van de kredietinstelling, op individuele of geconsolideerde basis, naargelang het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ratio bedoeld in het eerste lid mag niet hoger zijn dan één percent. Bij een in Ministerraad overlegd besluit kan de Koning deze limiet aanpassen volgens de evolutie van de noden van de reële economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van de maximumratio bedoeld in het tweede lid bepaalt de toezichthouder de drempel bedoeld in paragraaf 1 voor iedere kredietinstelling afzonderlijk, rekening houdend inzonderheid met de werkzaamheden en het risicoprofiel van de kredietinstelling en met de impact van de drempel op de mogelijkheid voor de kredietinstelling om haar ondersteunende rol voor de reële economie te spelen. § 3. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten, bepaalt de Bank de nadere regels voor de berekening van de ratio bedoeld in paragraaf 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit reglement kan, onder de voorwaarden die het bepaalt : 1° de eigenvermogensvereisten die voortvloeien uit overdrachten binnen de groep die erop gericht zijn om het risicobeheer te centraliseren op het niveau van de kredietinstelling, uitsluiten van de berekening van voornoemde ratio;2° toestaan dat de toezichthouder aan de kredietinstelling een termijn verleent om haar toestand te regulariseren in uitzonderlijke omstandigheden die deels aan haar controle ontsnappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 119 kan de toezichthouder een kredietinstelling toestaan om, onder de voorwaarden die hij bepaalt, het uitdovend beheer verder te zetten van portefeuilles van financiële instrumenten die op deze manier worden beheerd sedert een datum vóór 1 januari 2014</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kredietinstelling draagt de bewijslast om aan de toezichthouder aan te tonen dat haar werkzaamheden of die van haar dochterondernemingen, naargelang het geval, voldoen aan de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Binnen dertig dagen vanaf de vaststelling dat de drempel bedoeld in artikel 123 is overschreden, legt de kredietinstelling aan de toezichthouder een plan ter goedkeuring voor met een gedetailleerde beschrijving van hoe zij haar handelsactiviteiten of die van haar dochterondernemingen zal verminderen, stopzetten of overdragen met het oog op de naleving van de bepalingen van dit Hoofdstuk. § 2. Te dien einde mogen de handelsactiviteiten voor eigen rekening van de kredietinstelling of haar dochterondernemingen geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan één of meer verbonden ondernemingen buiten de consolidatieperimeter van de kredietinstelling Wanneer aldus handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een verbonden onderneming naar Belgisch recht worden overgedragen, dient deze een vergunning als beursvennootschap te hebben verkregen overeenkomstig de wet van 6 april 1995Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten8. Art. 127.§ 1. Indien een kredietinstelling nalaat een plan als bedoeld in artikel 126, § 1 voor te leggen, of indien de toezichthouder van oordeel is dat dit plan er niet voor zorgt dat de bepalingen van dit Hoofdstuk op duurzame wijze worden nageleefd, kan de toezichthouder de kredietinstelling gelasten om de corrigerende maatregelen te nemen die hij noodzakelijk acht, met inbegrip van de stopzetting of de overdracht van de betrokken handelsactiviteiten voor eigen rekening. § 2. Bij zijn beoordeling van het plan bedoeld in artikel 126, § 1, houdt de toezichthouder rekening met de gevolgen van dit plan voor de stabiliteit van het financiële stelsel en voor de werking van de reële economie. § 3. In geval van overdracht van handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een onderneming die verbonden is met de kredietinstelling, kan de toezichthouder zijn goedkeuring van het plan bedoeld in artikel 126, § 1 onderwerpen aan voorwaarden die erop gericht zijn om de risico's verbonden aan de uitoefening van die activiteiten door deze onderneming af te schermen. § 4. Zodra de toezichthouder het plan bedoeld in artikel 126, § 1, heeft goedgekeurd, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de betrokken kredietinstelling en maakt hij die bekend op zijn website. Afdeling III. - Betrekkingen met handelsentiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke handelsentiteit naar Belgisch recht moet zich voegen naar de prudentiële vereisten die op haar van toepassing zijn op individuele basis en, in voorkomend geval, op basis van de geconsolideerde toestand van de groep of de subgroep gevormd door de entiteit en haar Belgische en buitenlandse dochterondernemingen, zonder dat zij een vrijstelling of afwijking kan genieten ingevolge haar opname in de geconsolideerde toestand van een grotere groep die één of meer kredietinstellingen omvat. Art. 129.§ 1. Voor de toepassing van de reglementaire eigenvermogensvereisten en limieten voor grote risicoblootstellingen, worden de blootstellingen van kredietinstellingen aan verbonden handelsentiteiten behandeld als blootstellingen aan derden De blootstellingen bedoeld in het eerste lid kunnen noch volledig noch gedeeltelijk worden vrijgesteld van de limieten voor grote risicoblootstellingen krachtens artikel 400, lid 2, onder c) of f) van Verordening nr. 575/ 2013. § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021086 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sommige sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/02/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">11/12/2017 numac 2017031761 bron federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten Wet houdende sociale bepalingen. - Bekendmaking overeenkomstig artikel 224, § 3, van de geïndexeerde bedragen van de retributies sluiten kan de Bank de blootstellingen bedoeld in paragraaf 1 onderwerpen aan een groterisicoblootstellingslimiet van minder dan 25 percent overeenkomstig artikel 395, lid 6 van Verordening nr. 575/2003 en eisen dat zij het voorwerp uitmaken van een toereikende kredietbescherming. Art. 130.Een kredietinstelling mag slechts rechtstreeks of onrechtstreeks gekwalificeerde deelnemingen in handelsentiteiten verwerven of aanhouden op voorwaarde dat het bedrag van deze deelnemingen in mindering wordt gebracht op het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen en dat de toezichthouder hiervoor vooraf zijn toestemming heeft gegeven. Art. 131.§ 1. De leden van het directiecomité of, bij gebrek aan een dergelijk comité, de personen belast met het effectieve leiding van een kredietinstelling, mogen binnen een handelsentiteit geen enkel mandaat noch enige uitvoerende functie uitoefenen. § 2. Onverminderd artikel 524 van het Wetboek van vennootschappen, telt de raad van bestuur van een handelsentiteit naar Belgisch recht ten minste één onafhankelijke bestuurder in de zin van artikel 526ter van hetzelfde Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste de helft van de niet-uitvoerende leden van de raad van bestuur van een handelsentiteit naar Belgisch recht oefenen geen enkel mandaat noch enige uitvoerende functie uit binnen een onderneming verbonden met een handelsentiteit. Afdeling IV. - Diverse bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 132</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit Hoofdstuk gelden onverminderd de andere maatregelen die door de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit kunnen worden opgelegd met toepassing van deze wet. Art. 133.De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de Bank, alle nuttige maatregelen treffen voor de omzetting van de bepalingen die voortvloeien uit internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen, voor de aangelegenheden die door de bepalingen van dit Hoofdstuk worden geregeld De in de eerste lid aan de Koning verleende machten verstrijken op 31 december 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">De besluiten genomen krachtens dit artikel kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze besluiten worden van rechtswege opgeheven indien zij niet bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - Toezicht op de kredietinstellingen HOOFDSTUK I. - Toezicht door de toezichthouder en de FSMA Art. 134.§ 1. Overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling waarin de GTM-verordening voorziet, waakt de toezichthouder erover dat elke kredietinstelling werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de FSMA op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, en § 2 van de wet van 2 augustus 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003391 bron ministerie van financien Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">22/08/2002 numac 2002009786 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/12/2003 numac 2002015137 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Arabische Emiraten tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Washington op 30 september 1996 (2) type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">04/09/2002 numac 2002003392 bron ministerie van financien Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">02/08/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">14/06/2018 numac 2018012337 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Officieuze coördinatie in het Duits. - Deel I sluiten. § 2. De toezichthouder neemt bij de uitoefening van zijn algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die zijn besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie. Art. 135.Met het oog op zijn opdracht kan de toezichthouder zich alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de kredietinstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de instelling, 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de kredietinstellingen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de hem door de instelling voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid van de instelling inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de instelling;3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de instelling gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de instelling en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 136</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deze inspecties zijn de personeelsleden van de toezichthouder gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de kredietinstelling alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uivoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde gesprekken eisen met leiders of personeelsleden van de instelling die zij aanduiden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kredietinstellingen dienen de FSMA en de toezichthouder onverwijld in te lichten wanneer zij de diensten van systematische interne afhandeling in de zin van artikel 3, 66° aanvatten of stopzetten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden die aan de Europese Centrale Bank zijn toegewezen krachtens de GTM-verordening, sluiten de Bank en de FSMA een overeenkomst met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toezicht op de kredietinstellingen. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respectieve websites Deze overeenkomst bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen de Bank en de FSMA in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen de twee instellingen of waar overleg tussen beide instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepassing van de wetgeving te verzekeren. Art. 139.Relaties tussen een kredietinstelling en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de toezichthouder tenzij het toezicht op de instelling dit vergt. Art. 140.De toezichthouder kan bij de bijkantoren van kredietinstellingen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van die staat, de in artikel 135, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de kredietinstelling kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van de liquiditeit, solvabiliteit, depositobescherming, beperking van grote risico's, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan hij een deskundige die hij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de instelling gedragen.</p></div>", "next": 239899}