{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De volksraadpleging kan enkel op zondag plaatsvinden. De deelnemers worden van acht tot dertien uur tot de stemming toegelaten. Wie zich vóór dertien uur in het stemlokaal bevindt, wordt nog tot de stemming toegelaten. § 6. De stemopneming geschiedt enkel indien aan de volksraadpleging deel hebben genomen, minstens : - 20 pct. van de inwoners in de gemeenten van minder dan 15 000 inwoners; - 3 000 inwoners in de gemeenten van minstens 15 000 inwoners en minder dan 30 000 inwoners; - 10 pct. van de inwoners in de gemeenten van minder dan 30 000 inwoners. § 7. De bepalingen van artikel 147bis van het Kieswetboek gelden voor de gemeentelijke volksraadpleging, met dien verstande dat het woord « kiezer » vervangen wordt door het woord « deelnemer », dat de woorden « de kiezer » en « de kiezers » telkens en respectievelijk vervangen worden door de woorden « de deelnemer » en « de deelnemers », dat de woorden « de verkiezing » vervangen worden door de woorden « de volksraadpleging » en dat de woorden « de verkiezingen waarvoor » vervangen worden door de woorden « de volksraadpleging waarvoor ».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vragen over personen en vragen over de rekeningen, de begrotingen, de gemeentebelastingen en gemeenteretributies mogen niet het voorwerp uitmaken van een volksraadpleging Overeenkomstig de federale bepalingen ter zake worden er evenmin volksraadplegingen gehouden over de toepassing van artikel 18bis van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/12/2007 numac 2007000992 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">15/12/1980 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">12/04/2012 numac 2012000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan geen enkele volksraadpleging worden gehouden in de loop van de zestien maanden voorafgaand aan de gewone vergadering van de kiezers voor de hernieuwing van de gemeenteraden. Daarnaast kan er geen enkele volksraadpleging worden gehouden in de loop van de veertig dagen voorafgaand aan de rechtstreekse verkiezing van de Kamer der Volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoners van de gemeente kunnen slechts één keer per halfjaar en hoogstens zes keer per legislatuur geraadpleegd worden. In de loop van de periode die van één hernieuwing van de gemeenteraden tot aan de andere loopt, kan er slechts één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp gehouden worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot het houden van een volksraadpleging wordt op de agenda geplaatst van de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen en van de gemeenteraad De agendering geschiedt na afsluiting van het onderzoek bedoeld in artikel L1141-1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is verplicht om het verzoek op de agenda van de gemeenteraad te plaatsen, tenzij de gemeenteraad kennelijk onbevoegd is om in welk opzicht ook over het verzoek te beslissen. Bij twijfel beslist de gemeenteraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-8</span><span class=\"lf-art-t\">Elke beslissing over het houden van een volksraadpleging wordt formeel gemotiveerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vorig lid geldt eveneens voor elke beslissing die rechtstreeks betrekking heeft op een vraag die het voorwerp heeft uitgemaakt van een volksraadpleging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Minstens één maand vóór de dag van de volksraadpleging stelt het gemeentebestuur een brochure ter beschikking van de inwoners waarin het onderwerp van de volksraadpleging objectief uiteen wordt gezet. In die brochure wordt daarnaast de met redenen omklede nota bedoeld in artikel L1141-2, tweede lid, opgenomen, evenals de vraag of vragen waarover de inwoners geraadpleegd zullen worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-10</span><span class=\"lf-art-t\">De vragen worden op zodanige wijze geformuleerd dat ze met ja of nee worden beantwoord</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering stelt de bijzondere bepalingen vast met betrekking tot de procedure voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging in analogie met de procedure bedoeld in titel II van boek I van het vierde deel van dit Wetboek voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1141-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1141-12</span><span class=\"lf-art-t\">De regering stelt de nadere regels vast voor de bekendmaking van de uitslag van de volksraadpleging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Boek II. - Bestuur van de gemeente TITEL I. - Het gemeentepersoneel HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. L1211-1. De artikelen L1212-1, L1212-2, L1212-3 en L1213-1, evenals de artikelen 150 tot en met 152 van de nieuwe gemeentewet, gelden voor het personeel bedoeld in artikel 24 van de Grondwet voor zover de wetten, decreten, reglementen en besluiten inzake onderwijs er niet van afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Administratief statuut en bezoldigingsregeling Art. L1212-1. De gemeenteraad bepaalt : 1° de personeelsformatie en de voorwaarden inzake werving en bevordering van het gemeentepersoneel;2° de bezoldigingsregeling en de weddeschalen van het gemeentepersoneel, met uitzondering van de personeelsleden wier wedde vastgesteld wordt bij het eerste deel van dit Wetboek of bij de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving. De gemeenteraad kan voor elke vaste benoeming van de leden van het gemeentepersoneel eisen dat de betrokkenen hun woonplaats en hun daadwerkelijke verblijfplaats op het grondgebied van de gemeente hebben en behouden. De gemeenteraad motiveert zijn beslissing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1212-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1212-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bezoldigingsregeling en de weddeschalen worden inzonderheid vastgesteld volgens de omvang van de bevoegdheden, de verantwoordelijkheidsgraad en de vereiste algemene en beroepsbekwaamheid, rekening houdend meer bepaald met de plaats die de personeelsleden bekleden in de hiërarchie van het gemeentebestuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1212-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1212-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het gemeentepersoneel genieten, onder dezelfde voorwaarden als de personeelsleden van de federale overheidsdiensten, volgende toelagen : haard- en standplaatstoelage, gezinsbijslag, vakantiegeld en gezinsvakantiegeld HOOFDSTUK III. - Benoeming Art. L1213-1. De gemeenteraad benoemt de personeelsleden wier benoeming niet bij dit Wetboek wordt geregeld. Hij kan die bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen opdragen, behalve voor : 1° de doctoren in de genees-, heel- en verloskunde en de doctoren in de veeartsenijkunde die hij met bijzondere opdrachten in het belang van de gemeente belast;2° de leden van het onderwijzend personeel. HOOFDSTUK IV. - Verbodsbepalingen Art. L1214-1. De gemeenteraad kan de boden, beambten verbieden om rechtstreeks of door een tussenpersoon handel te drijven of elke betrekking te bekleden waarvan de uitoefening onverenigbaar zou zijn met hun ambt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van deze verbodsbepalingen kan het betrokken personeelslid een tuchtstraf worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK V. - Tuchtregeling Art. L1215-1. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden voor alle leden van het gemeentepersoneel, met uitzondering van het personeel dat in het kader van een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen en van het personeel bedoeld in artikel 24 van de Grondwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtstraffen bedoeld in artikel L1215-3 kunnen om volgende redenen worden opgelegd : 1° tekortkomingen aan de beroepsplicht;2° handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen;3° overtreding van de verbodsbepaling bedoeld in de artikelen L1124-5, L1124-38, L1124-39 en L1214-1. Art. L1215-2. De leden van het gemeentepersoneel kunnen volgende straffen worden opgelegd : 1° lichte straffen : - de waarschuwing; - de berisping; 2° zware straffen : - de inhouding van wedde; - de schorsing; - de terugzetting in graad; 3° maximumstraffen : - het ontslag van ambtswege; - de afzetting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-4</span><span class=\"lf-art-t\">De inhouding van wedde mag de drie maanden niet te boven gaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij mag maximum 20 pct. van de bruttowedde bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente waarborgt de betrokkene een nettowedde die gelijk is aan het leefloonbedrag zoals vastgesteld krachtens de wet van 26 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten betreffende het recht op maatschappelijke integratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deeltijdse arbeid wordt dat bedrag in verhouding tot de duur van de arbeid verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-5</span><span class=\"lf-art-t\">De schorsingsstraf wordt voor een periode van hoogstens drie maanden uitgesproken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De schorsing heeft tijdens de duur ervan de inhouding van wedde tot gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente waarborgt de betrokkene een nettowedde die gelijk is aan het leefloonbedrag zoals vastgesteld krachtens de wet van 26 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten betreffende het recht op maatschappelijke integratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deeltijdse arbeid wordt dat bedrag in verhouding tot de duur van de arbeid verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-6</span><span class=\"lf-art-t\">De terugzetting in graad bestaat uit de toewijzing van een graad waaraan een lagere weddeschaal verbonden is of die in de hiërarchie een lagere rang bekleedt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval moet de graad waarin de terugzetting geschiedt, opgenomen zijn in de hiërarchische rangschikking der graden van de personeelsformatie waaronder betrokkene valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugzetting in graad wordt niet toegepast op de gemeentesecretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger, de gewestelijke ontvanger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad kan op verslag van de gemeentesecretaris de personeelsleden die door de gemeente bezoldigd worden en wier benoeming toegewezen wordt aan de gemeenteoverheden, de tuchtstraffen bepaald in artikel L1215-3 opleggen Er bestaat geen aanleiding tot verslag van de gemeentesecretaris voor de straffen die de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger en de bijzondere rekenplichtige worden opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen kan op verslag van de gemeentesecretaris de personeelsleden die door de gemeente bezoldigd worden en wier benoeming toegewezen wordt aan de gemeenteoverheden, de waarschuwing, de berisping, de inhouding van wedde en de schorsing die één maand niet te boven mag gaan, als tuchtstraffen opleggen Het eerste lid geldt niet voor de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger en de bijzondere rekenplichtige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-9</span><span class=\"lf-art-t\">De provinciegouverneur kan de gewestelijke ontvanger de tuchtstraffen vermeld in artikel L1215-3 opleggen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er kan geen enkele tuchtstraf worden opgelegd zonder dat het personeelslid gehoord wordt in diens verweermiddelen over alle feiten die hem ten laste worden gelegd door de overheid die de tuchtstraf uitspreekt Tijdens de procedure kan de betrokkene zich laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-11</span><span class=\"lf-art-t\">Vóór de tuchtoverheid de betrokkene hoort, wordt er een tuchtdossier samengesteld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het tuchtdossier bevat alle stukken met betrekking tot de feiten die hem ten laste worden gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Minstens twaalf dagen voor diens verschijning voor de tuchtoverheid wordt betrokkene voor verhoor opgeroepen, ofwel bij ter post aangetekend schrijven, ofwel tegen afgifte van de oproeping tegen bericht van ontvangst In de oproeping worden vermeld : 1° alle feiten die hem ten laste worden gelegd;2° het feit dat er een tuchtstraf in het vooruitzicht wordt gesteld en dat er een tuchtdossier is samengesteld;3° plaats, dag en uur van verhoor;4° het recht van betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze;5° de plaats waar en de termijn waarin inzage in het tuchtdossier kan worden genomen;6° het recht van betrokkene om om de openbaarheid van het verhoor te verzoeken indien hij voor de gemeenteraad moet verschijnen;7° het recht om om getuigenverhoor te verzoeken, evenals om de openbaarheid van dat verhoor te verzoeken. Art. L1215-13. Vanaf de oproeping om te verschijnen voor de tuchtoverheid tot en met de dag vóór de verschijning kunnen betrokkene en diens raadsman inzage nemen in het tuchtdossier en, desgewenst, de tuchtoverheid de verweermiddelen schriftelijk mededelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-14</span><span class=\"lf-art-t\">Van het verhoor wordt er een proces-verbaal opgesteld dat getrouw de verklaringen van de verhoorde persoon weergeeft</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het proces-verbaal na afloop van het verhoor wordt opgesteld, wordt het onmiddellijk daarna opgelezen en betrokkene wordt uitgenodigd het te ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het proces-verbaal na het verhoor wordt opgesteld, wordt het betrokkene toegezonden binnen acht dagen na het verhoor, met uitnodiging om het te ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval mag betrokkene bij de ondertekening voorbehoud maken en indien hij weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien betrokkene schriftelijk afgezien heeft van het verhoor of zich niet op het verhoor heeft gemeld, wordt er al naar gelang door de tuchtoverheid een proces-verbaal van afstand of van niet-verschijnen opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van verhoor, van afstand of van niet-verschijnen bevat de opsomming van alle procedurehandelingen die bij dit Wetboek vereist zijn en geeft aan of elke handeling is vervuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-15</span><span class=\"lf-art-t\">De tuchtoverheid kan van ambtswege of op verzoek van betrokkene of diens raadsman beslissen om getuigen te horen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval worden de getuigen gehoord in aanwezigheid van betrokkene en, indien laatstgenoemde erom verzocht heeft en indien de tuchtoverheid ermee instemt, in het openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opgeroepen getuige mag zich ertegen verweren, in het openbaar te worden gehoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-16\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De tuchtoverheid spreekt zich over de op te leggen tuchtstraf uit binnen de twee maanden na afsluiten van het proces-verbaal van het laatste verhoor, van afstand of van niet-verschijnen Indien er in bovenvermelde termijn geen beslissing is getroffen, wordt de tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd. § 2. De gemeenteraadsleden en de leden van het college van burgemeester en schepenen die niet op alle vergaderingen aanwezig waren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen noch deelnemen aan de stemmingen over de uit te spreken tuchtmaatregel. § 3. De beslissing waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd, wordt vormelijk gemotiveerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-17\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-17</span><span class=\"lf-art-t\">Mocht de gemeenteraad bevoegd zijn om een tuchtstraf op te leggen, wordt betrokkene, indien hij daarom verzoekt, in het openbaar gehoord</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-18\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van de met redenen omklede beslissing wordt onverwijld aan de betrokkene kennis gegeven, ofwel bij ter post aangetekend schrijven ofwel tegen afgifte van een bewijs van ontvangst Wordt van de beslissing niet kennis gegeven binnen een termijn van tien werkdagen, wordt de beslissing geacht ingetrokken te zijn. Er kunnen voor dezelfde feiten geen tuchtrechtelijke vervolgingen worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van het hoger beroep bepaald bij wet of decreet en van de termijn waarin het hoger beroep kan worden ingesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-19\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd hun tenuitvoerlegging worden de waarschuwing, de berisping en de inhouding van wedde als tuchtstraffen van ambtswege uit het individueel dossier van de personeelsleden geschrapt na een periode waarvan de duur vastgesteld is op : 1° één jaar voor de waarschuwing;2° achttien maanden voor de berisping;3° drie jaar voor de inhouding van wedde. Onverminderd hun tenuitvoerlegging worden de schorsing en de terugzetting in graad als tuchtstraffen door de overheid die ze heeft opgelegd, van ambtswege uit het individueel dossier van de personeelsleden geschrapt na een periode waarvan de duur vastgesteld is op : 1° vier jaar voor de schorsing;2° vijf jaar voor de terugzetting in graad. De tuchtoverheid kan de schrapping bedoeld in het tweede lid enkel weigeren indien er nieuwe bestanddelen die een dergelijke weigering zouden kunnen verantwoorden, naar voren zijn getreden De termijn bedoeld in het eerste en het tweede lid gaat in op de datum waarop de tuchtstraf is uitgesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-20\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een personeelslid het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolgingen en diens aanwezigheid onverenigbaar is met het dienstbelang, kan de betrokken persoon als ordemaatregel preventief worden geschorst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-21\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-21</span><span class=\"lf-art-t\">De overheid die bevoegd is om een tuchtstraf op te leggen, is eveneens bevoegd om een preventieve schorsing uit te spreken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid zijn zowel het college van burgemeester en schepenen als de gemeenteraad bevoegd om een preventieve schorsing uit te spreken ten opzicht van de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger en de bijzondere rekenplichtige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke door het college van burgemeester en schepenen uitgesproken preventieve schorsing houdt onmiddellijk op gevolg te hebben indien zij niet is bevestigd op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-22\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-22</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De preventieve schorsing wordt voor hoogstens vier maanden uitgesproken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van strafrechtelijke vervolgingen kan de overheid tijdens de duur van de strafprocedure die termijn verlengen met periodes van hoogstens vier maanden, mits inachtneming van de procedure bedoeld in artikel L1215-24. § 2. Indien er geen enkele tuchtstraf wordt opgelegd binnen de bovenvermelde termijn, worden alle gevolgen van de preventieve schorsing opgeheven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het personeelslid het voorwerp uitmaakt van strafrechtelijke vervolgingen of indien het het voorwerp uitmaakt van tuchtrechtelijke vervolgingen, kan de overheid die de preventieve schorsing uitspreekt beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde en verlies van aanspraak op bevordering inhoudt De inhouding van wedde kan de helft van de wedde niet te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente waarborgt de betrokkene een nettowedde die gelijk is aan het leefloonbedrag zoals vastgesteld krachtens de wet van 26 mei 2002Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">26/05/2002 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten betreffende het recht op maatschappelijke integratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deeltijdse arbeid wordt dat bedrag in verhouding tot de duur van de arbeid verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-24\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vóór de overheid een preventieve schorsing kan uitspreken, komt het haar toe betrokkene te horen overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen L1215-10 tot en met L1215-18, waarbij de termijn van twaalf werkdagen vastgesteld in artikel L1215-2 evenwel tot vijf werkdagen teruggebracht wordt Bij uiterste dringendheid kan de overheid onmiddellijk de preventieve schorsing uitspreken, en is verplicht om betrokkene onmiddellijk na de beslissing te horen, overeenkomstig de procedure bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-25\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van de beslissing waarbij de preventieve schorsing uitgesproken wordt, wordt onverwijld aan betrokkene kennis gegeven, ofwel bij ter post aangetekend schrijven, ofwel tegen afgifte van een bewijs van ontvangst Mocht er geen kennisgeving van de beslissing zijn gebeurd binnen een termijn van tien werkdagen, wordt ze geacht ingetrokken te zijn. De overheid kan geen preventieve schorsing uitspreken voor dezelfde feiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-26\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er een preventieve schorsing met behoud van de volledige wedde de tuchtstraf voorafgaat, treedt de tuchtstraf in werking de dag waarop ze wordt uitgesproken Indien de waarschuwing of de berisping als tuchtstraf worden opgelegd na een preventieve schorsing met inhouding van wedde en verlies van aanspraak op bevordering, treedt de tuchtstraf in werking de dag waarop zij wordt uitgesproken; de preventieve schorsing wordt geacht ingetrokken te zijn en de overheid betaalt de ingehouden wedde terug aan de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inhouding van wedde, de schorsing, de terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting als tuchtstraffen worden opgelegd na een preventieve schorsing met inhouding van wedde en verlies van aanspraak op bevordering, kan de tuchtstraf pas gevolgen hebben de dag van inwerkingtreding van de preventieve schorsing; het tijdens de preventieve schorsing ingehouden weddebedrag wordt afgetrokken van het bedrag van het weddeverlies dat aan de tuchtstraf gekoppeld is; indien het ingehouden weddebedrag hoger is dan het bedrag van het aan de tuchtstraf gekoppelde weddeverlies, betaalt de overheid het verschil terug aan de betrokkene.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1215-27\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1215-27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolgingen meer instellen na verstrijken van een termijn van zes maanden na de datum waarop zij de strafbare feiten heeft vastgesteld of er kennis van genomen heeft In geval van strafrechtelijke vervolgingen voor dezelfde feiten gaat die termijn in de dag waarop de gerechtelijke overheid er de tuchtrechtelijke overheid over inlicht dat er een in kracht van gewijsde getreden beslissing tot stand gekomen is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de beslissing van de tuchtrechtelijke overheid door de Raad van State vernietigd of door de toezichthoudende overheid vernietigd dan wel niet goedgekeurd wordt, kan de tuchtrechtelijke overheid de tuchtrechtelijke vervolgingen wederinstellen vanaf de kennisgeving van het arrest van de Raad van State of van de beslissing van de toezichthoudende overheid, tijdens het deel van de termijn bedoeld in het eerste lid dat nog moest verstrijken toen de vervolgingen werden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK VI. - Personeel met een bijzonder statuut Art. L1216-1. De burgemeester of de schepen belast met de bediening van ambtenaar van de burgerlijke stand kan te dien einde en naar gelang de behoeften van de dienst één of meer door de gemeente bezoldigde beambten onder zijn gezag hebben die hij benoemt en ontslaat zonder tussenkomst van de gemeenteraad; deze moet evenwel altijd het aantal en de bezoldiging van die beambten bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1216-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1216-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In gemeenten waar één of meer betrekkingen bij de burgerlijke stand zijn, mag de gemeenteraad het aantal betrekkingen en aan elk ervan verbonden wedde niet verminderen dan na de ambtenaar van de burgerlijke stand te hebben gehoord TITEL II. - Beheer van de goeden van de gemeente HOOFDSTUK I. - Schenkingen en legaten aan de gemeente en aan de in de gemeente bestaande openbare inrichtingen Art. L1221-1. De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1931Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/08/2001 numac 2001021378 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/08/2001 numac 2001021379 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten sluiten0.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gift wordt niet beschouwd de prijs van een grafconcessie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1221-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1221-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beraadslagingen en besluiten van de in de gemeente bestaande inrichtingen met rechtspersoonlijkheid over de schenkingsakten en de legaten aan die inrichtingen worden, indien de waarde ervan 2 500 euro te boven gaat, ter advies aan de gemeenteraad en aan het provinciecollege en ter goedkeuring aan de regering voorgelegd, onverminderd de toepassing van het koninklijk besluit van 14 augustus 1933, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 87 van 30 november 1939, bevestigd bij de wet van 16 juni 1947 De goedkeuring van het provinciecollege volstaat indien de waarde van de schenkingen en de legaten die som niet te boven gaat. In dat geval wordt via administratieve weg binnen acht dagen na datum ervan van de goedkeuring kennis gegeven aan de bezwaarindienende partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk bezwaar tegen de goedkeuring dient uiterlijk binnen dertig dagen volgend op die kennisgeving te geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gehele of gedeeltelijke weigering van de goedkeuring dient het bezwaar te worden ingediend binnen de dertig dagen vanaf de dag waarop van de weigering mededeling wordt gedaan aan het gemeentebestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bezwaar wordt steeds door de regering beslist over de aanvaarding, de verwerping of de vermindering van de schenking of het legaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1931Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/08/2001 numac 2001021378 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/08/2001 numac 2001021379 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten sluiten0.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Contracten Art. L1222-1. De gemeenteraad bepaalt de voorwaarden van de huur of de pacht van elk ander gebruik van de opbrengsten en inkomsten van de eigendommen en rechten der gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1222-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1222-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad verleent, in voorkomend geval, aan de huurders of pachters van de gemeente de door dezen aangevraagde kwijtscheldingen waarop zij aanspraak kunnen maken ingevolgde de wet of krachtens hun contract dan wel op gronden van billijkheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1222-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1222-3</span><span class=\"lf-art-t\">De gemeenteraad kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten worden gegund en stelt de voorwaarden vast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan die bevoegdheden voor de opdrachten die betrekking hebben op het dagelijks beheer van de gemeente overdragen aan het college van burgemeester en schepenen, binnen de perken van de daartoe op de gewone begroting uitgetrokken kredieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden kan het college van burgemeester en schepenen op eigen initiatief de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de raad uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn besluit wordt medegedeeld aan de gemeenteraad die er op zijn eerstvolgende vergadering akte van neemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1222-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1222-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen stelt de procedure in en gunt de opdracht. Het kan aan de overeenkomst iedere wijziging aanbrengen die het bij de uitvoering nodig acht, in zover hieruit geen bijkomende uitgaven van meer dan 10 pct. voortvloeien HOOFDSTUK III. - Gemeentewegen Art. L1223-1. De regering stelt de gewestwegen vast in de doortocht door de steden en de bebouwde delen van de plattelandsgemeenten na het advies te hebben ingewonnen van de gemeenteraad en het provinciecollege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afstand door Gewest of provincie van bestaande wegen of delen ervan en mits instemming van de gemeenteraad worden de wegen beschouwd als vanaf dan deel uitmakend van de gemeentewegen. Die overdracht brengt de toewijzing om niet teweeg van de eigendom over die wegen, die op het tijdstip van de afstand in goede staat van onderhoud dienen te verkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - Bestuur van sommige gemeentediensten HOOFDSTUK I. - Gemeentebedrijven Afdeling 1. - Gewone gemeentebedrijven Art. L1223-1. De gemeentelijke instellingen en diensten kunnen als bedrijven georganiseerd en beheerd worden buiten de algemene diensten van de gemeente om.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1223-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1223-2</span><span class=\"lf-art-t\">Het beheer van die bedrijven geschiedt volgens bedrijfs- en handelsmethodes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het financiële werkjaar van de bedrijven valt met het kalenderjaar samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rekening van de bedrijven omvat de balans, de bedrijfsrekening en de winst- en verliesrekening jaarlijks vastgesteld op 31 december.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nettowinsten van de bedrijven worden jaarlijks in de gemeentekas gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere regels die het financiële beheer van de bedrijven eigen zijn, worden door de regering bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1223-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1223-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontvangsten en uitgaven van de gemeentebedrijven kunnen door een bijzondere rekenplichtige verricht worden. Die rekenplichtige is onderworpen aan dezelfde regels wat betreft de benoeming, de tuchtststraffen, de aansprakelijkheid en de als waarborg van zijn beheer te stellen zekerheden Afdeling 2. - Autonome gemeentebedrijven Art. L1231-4. De regering bepaalt de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De autonome gemeentebedrijven worden beheerd door een raad van bestuur en een directiecomité. § 2. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen, nuttig en nodig voor de verwezenlijking van de doelstelling van het autonome gemeentebedrijf, te verrichten De raad van bestuur ziet toe op het beheer door het directiecomité.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat comité brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad wijst de leden van de raad van bestuur van het autonome gemeentebedrijf aan. De raad van bestuur bestaat uit maximum de helft van het aantal gemeenteraadsleden, zonder dat dat aantal achttien te boven mag gaan. De meerderheid van de raad van bestuur bestaat uit gemeenteraadsleden. Elke politieke fractie is er vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur kiest een voorzitter uit zijn leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmen in de raad van bestuur, is de voorzittersstem doorslaggevend. § 3. Het directiecomité is belast met het dagelijks bestuur, de vertegenwoordiging wat dat bestuur betreft, evenals met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur. Het bestaat uit een afgevaardigd bestuurder en vier bestuurders-directeurs die door de raad van bestuur worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het directiecomité wordt voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij staking van stemmingen in het directiecomité is diens stem doorslaggevend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het toezicht op de financiële toestand en de jaarrekeningen van de autonome gemeentebedrijven wordt toevertrouwd aan een college van drie commissarissen die worden aangewezen door de gemeenteraad buiten de raad van bestuur van het bedrijf om en waarvan minstens één de hoedanigheid van lid van het instituut der bedrijfsrevisoren heeft Laatstgenoemde uitgezonderd zijn alle leden van het college van de commissarissen lid van de gemeenteraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-7</span><span class=\"lf-art-t\">De gemeenteraadsleden wier mandaat eindigt, worden geacht van rechtswege ontslagnemend uit het autonome gemeentebedrijf te zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle mandaten in de verschillende organen van de autonome gemeentebedrijven eindigen bij de eerste vergadering van de gemeenteraad volgend op de installatie van de gemeenteraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De autonome gemeentebedrijven beslissen vrij, binnen de perken van hun doelstelling, over de aankoop, het gebruik en de vervreemding van hun materiële en immateriële goeden, de oprichting of de opheffing van zakelijke rechten op die goeden, evenals over de uitvoering van die beslissingen en de financieringswijze ervan. § 2. Zij kunnen rechtstreekse of onrechtstreekse participaties nemen in publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen, verenigingen en instellingen, hierna de dochterondernemingen genoemd, waarvan het maatschappelijk doel verenigbaar is met hun doelstelling Ongeacht het belang van de inbreng van de verschillende partijen in de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal beschikt het autonome gemeentebedrijf over de meerderheid der stemmen en neemt in de organen van de dochterondernemingen het voorzitterschap waar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraadsleden die als bestuurder of commissaris in de organen van een autonoom gemeentebedrijf zetelen mogen geen enkel bezoldigd mandaat als bestuurder of commissaris bekleden noch een activiteit in loonverband uitoefenen in een dochteronderneming van dat bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De raad van bestuur stelt jaarlijks een bedrijfsplan op waarin de doelstellingen en de strategie op middellange termijn van het autonoom gemeentebedrijf vastgesteld worden, evenals hij een activiteitenverslag opstelt. Het bedrijfsplan en het activiteitenverslag worden aan de gemeenteraad overgemaakt. § 2. De gemeenteraad kan te allen tijde de raad van bestuur om een verslag over de activiteiten van het autonome gemeentebedrijf of over sommige van die verslagen verzoeken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 63, 130 tot en met 144, 165 tot en met 167, 517 tot en met 530, 538, 540 en 561 tot en met 567 van het Wetboek van vennootschappen gelden voor de autonome gemeentebedrijven, tenzij daar bij het eerste deel van dit Wetboek uitdrukkelijk van afgeweken wordt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1231-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1231-11</span><span class=\"lf-art-t\">De autonome gemeentebedrijven zijn onderworpen aan de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">17/07/1975 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Begraafplaatsen en lijkbezorging Afdeling 1. - Begraafplaatsen Onderafdeling 1. - Gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen en crematoria Art. L1232-1. Iedere gemeente moet over ten minste één begraafplaats beschikken. Meerdere gemeenten kunnen zich evenwel verenigen om over een gemeenschappelijke begraafplaats te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel een gemeente of een vereniging van gemeenten kan een crematorium oprichten en beheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder crematorium wordt opgericht binnen de omheining van een begraafplaats of op een daarmede in verbinding staand stuk grond, gelegen in dezelfde gemeente als de begraafplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere begraafplaats en ieder intergemeentelijk crematorium dienen over een urnenveld, een strooiweide en een columbarium te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-2</span><span class=\"lf-art-t\">De ligging van de begraafplaats wordt aangegeven in het plan van aanleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Is er geen plan van aanleg waarin de ligging van de begraafplaats is aangegeven, dan wordt de desbetreffende gemeenteraadsbeslissing voorafgegaan door het advies van de provinciale gezondheidsinspectie en wordt zij vastgesteld op eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar, bedoeld in artikel 3 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium. De beslissing behoeft de goedkeuring van de provinciegouverneur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vestigen van een crematorium gelden dezelfde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering stelt de criteria vast voor de oprichting en de exploitatie van de crematoria. Zij regelt het nazicht op de inachtneming van die criteria.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-3</span><span class=\"lf-art-t\">De begraafplaats en het crematorium worden zo omheind dat de doorgang en het zicht voor zover mogelijk belemmerd worden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe wordt eventueel een voldoende beplanting aangebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria vallen onder het gezag, de politie en het toezicht van de gemeenteoverheden, die zorg dragen dat er geen wanorde heerst, dat er geen handelingen in strijd met de eerbied voor de doden worden verricht en dat er geen opgraving plaatsheeft zonder verlof Op de intergemeentelijke begraafplaatsen en in de intergemeentelijke crematoria worden de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden uitgeoefend door de overheid van de gemeente waar de begraafplaats of het crematorium ligt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Wanneer nieuwe voor begraving bestemde ruimten aangelegd zijn, bepaalt de gemeenteraad of de intercommunale de datum waarop niet meer begraven wordt op de oude begraafplaatsen Deze worden in de staat gelaten waarin zij zich bevinden; gedurende ten minste vijf jaar mag er generlei gebruik van worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad of de intercommunale bepaalt hoe de beslissing tot sluiting zal worden bekendgemaakt. § 2. Na verloop van de in § 1 bepaalde tijd, of ten minste vijf jaar na de laatste begraving, waarbij de inschrijving in het begravingsregister als bewijs geldt, wordt het besluit waarbij de gemeenteraad of de beslissing waarbij de intercommunale en andere bestemming geeft aan de gronden van de oude begraafplaatsen, ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciegouverneur. Delvings-en funderingswerken mogen echter niet worden uitgevoerd dan met de instemming van de provinciale gezondheidsinspectie. § 3. Wanneer er geen beslissing is die bepaalt vanaf welke datum niet langer meer begraven wordt, kan de gemeenteraad of de intercommunale eveneens beslissen een andere bestemming te geven aan een oude begraafplaats als er ten minste tien jaar zijn verlopen na de laatste begraving op deze begraafplaats, waarbij de inschrijving in het begravingsregister als bewijs geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval kan het besluit van de gemeenteraad of de beslissing van de intercommunale om een andere bestemming te geven aan de begraafplaats, eerst in werking treden een jaar nadat het besluit of de beslissing is genomen en voor zover een afschrift ervan gedurende een jaar bij de ingang van de begraafplaats is aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van § 2 zijn eveneens van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Concessies Art. L1232-6. De gemeenteraad of de intercommunale kan op de gemeentelijke, respectievelijk intergemeentelijke begraafplaatsen grafconcessies of concessies voor columbaria verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het gaat om een gemeentelijke begraafplaats, kan de gemeenteraad die bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen opdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenzelfde concessie mag slechts dienen voor de aanvrager, zijn echtgenoot, zijn bloed- of aanverwanten en voor de leden van één of meer religieuze gemeenschappen, evenals voor de personen die daartoe ieder hun wil te kennen geven bij de gemeentelijke overheid. Door de concessiehouder aangewezen derden kunnen daar ook worden bijgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer iemand overlijdt terwijl hij op dat ogenblik een feitelijk gezin vormde, kan de overlevende een concessie aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een concessieaanvraag mag worden ingediend ten behoeve van een derde en van diens familie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-7</span><span class=\"lf-art-t\">De concessies worden voor ten hoogste vijftig jaar verleend</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvraag van enige belanghebbende die erom verzoekt vóór de bepaalde tijd verstreken is, kunnen opeenvolgende hernieuwingen worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hernieuwingen kunnen enkel geweigerd worden indien de belanghebbende onvoldoende financiële waarborgen voor het onderhoud van de concessie kan voorleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering kan verenigingen met rechtspersoonlijkheid, opgericht met het doel de financiële waarborgen voor te leggen, erkennen en kan regels met betrekking tot die waarborgen vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen hernieuwing mag voor langere tijd dan de oorspronkelijke concessie worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een belanghebbende erom verzoekt vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn, neemt een nieuwe termijn van dezelfde duur een aanvang vanaf elke nieuwe bijzetting in de concessie. In geval er geen hernieuwing wordt aangevraagd tussen de datum van de laatste bijzetting in de concessie en het verstrijken van de periode waarvoor deze werd verleend, blijft het graf bestaan gedurende een termijn van vijf jaar die begint te lopen op de datum van het overlijden, indien dit overlijden zich minder dan vijf jaar vóór het verstrijken van de concessie heeft voorgedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-8</span><span class=\"lf-art-t\">De gemeenteraad of de intercommunale stelt het tarief en de voorwaarden voor het verlenen van de concessie vast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen bedoeld in artikel L1232-7, tweede en derde lid, wordt de retributie, die door de gemeente gevorderd kan worden, proportioneel berekend op het aantal jaren dat de vervaldatum van de vorige concessie overschrijdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-9</span><span class=\"lf-art-t\">Telkens na vijftig jaar, en zonder retributie, kan de altijddurende concessie die krachtens de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2009 numac 2009000536 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en het keizerlijk decreet van 23 prairial jaar XII werd verleend voor de inwerkingtreding van deze wet, op aanvraag van enig belanghebbende hernieuwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste aanvraag om hernieuwing moet worden ingediend : a) voor 31 december 1975 als de concessie ten minste vijftig jaar voor die datum is verleend;b) binnen een termijn van twee jaar ingaand bij het verstrijken van het vijftigste jaar van de concessie in de andere gevallen. Bij het verstrijken van het eerste jaar van die tweejarige termijn maakt de burgemeester of zijn gemachtigde een akte op waarbij de belanghebbenden eraan herinnerd worden dat zij, willen zij hun recht behouden, hem een aanvraag om hernieuwing moeten doen toekomen voor de datum die in de akte is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze akte wordt toegezonden aan de persoon die de aanvraag van concessie heeft ingediend of na zijn overlijden aan zijn erfgenamen of rechthebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de burgemeester of zijn gemachtigde de in het vorige lid bedoelde personen niet kan opsporen, wordt een afschrift van deze akte een jaar lang zowel bij het graf als aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is geen aanvraag om hernieuwing gedaan, dan vervalt de concessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opsporingen van de belanghebbenden dienen allen te geschieden door middel van een bericht, te verzenden aan het door de concessiegevende gemeente laatstbekende adres.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel L1232-5, wordt een perceel van dezelfde grootte als het geconcedeerde op de nieuwe begraafplaats voorbehouden als enige belanghebbende daartoe een aanvraag indient voor de datum bedoeld in het eerste lid van hetzelfde artikel De gemeenteraad bepaalt de voorwaarden inzake overbrenging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-11</span><span class=\"lf-art-t\">Het onderhoud van de graven op geconcedeerde grond rust op de belanghebbenden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoudsverzuim dat verwaarlozing uitmaakt, staat vast als het graf doorlopend onzindelijk, door plantengroei overwoekerd, vervallen, ingestort of bouwvallig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwaarlozing wordt geconstateerd in een akte van de burgemeester of zijn gemachtigde, of van de gemachtige van de intergemeentelijke begraafplaats; die akte blijft een jaar lang bij het graf en aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verstrijken van die termijn en bij niet-herstelling kan de gemeenteraad of de intercommunale een einde maken aan het recht op de concessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - Lijkbezorging Onderafdeling 1. - Kisting en vervoer van lijken Art. L1232-12. De stoffelijke overschotten dienen in een doodskist geplaatst te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een balseming, voorafgaandelijk aan de kisting, kan in de door de regering bepaalde gevallen toegelaten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van doodskisten, foedralen, doodswaden, producten en procédés die de natuurlijke en normale ontbinding van het lijk of de crematie beletten, is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering omschrijft de in het voorgaande lid bedoelde voorwerpen en procédés, alsook de voorwaarden waaraan een doodskist dient te beantwoorden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-13</span><span class=\"lf-art-t\">De burgemeester of zijn gemachtigde mag de kisting bijwonen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad bepaalt de meest passende wijze voor het vervoeren van lijken. Lijken dienen met een lijkwagen of een daartoe speciaal uitgeruste wagen te worden vervoerd Het toezicht op lijkstoeten berust in ieder geval bij de gemeenteoverheid, die zorg draagt dat zij ordelijk, welvoeglijk en met de aan doden verschuldigde eerbied verlopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-15</span><span class=\"lf-art-t\">Het stoffelijk overschot van behoeftigen wordt kosteloos en op behoorlijke wijze gekist en vervoerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-16\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Er zijn twee vormen van lijkbezorging : begraven en verstrooien of bewaren van de as na crematie. § 2. Elkeen kan tijdens zijn leven vrijwillig een schriftelijke kennisgeving van zijn laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging, hetzij begraven, hetzij verstrooien of bewaren van de as na crematie, richten tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn gemeente Deze kennisgeving wordt in het gemeentelijk register van de bevolking ingeschreven op de door de regering bepaalde wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze laatste wilsbeschikking wordt gelijkgesteld met de aanvraag om verlof tot crematie voorzien in artikel L1232-22, § 1, eerste lid, of met de akte voorzien in artikel L1232-22, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het overlijden in een andere gemeente dan die van de hoofdverblijfplaats heeft plaatsgehad, moet de gemeente van de hoofdverblijfplaats zonder verwijl de gemeente van overlijden, op haar aanvraag, de informatie betreffende de in het tweede lid bedoelde laatste wilsbeschikking overzenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 2. - Begraving Art. L1232-17. § 1. Alleen op gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaatsen mag worden begraven. § 2. Op particuliere begraafplaatsen die bestaan op het tijdstip waarop de wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2009 numac 2009000536 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de begraafplaatsen en de lijkbezorging in werking treedt, mag echter verder worden begraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor particuliere begraafplaasten gelden de artikelen L1232-4, L1232-18, eerste lid, en L1232-19. § 3. Afwijkingen van het bepaalde in § 1 kunnen worden toegestaan door de regering, op voorstel van de burgemeester van de gemeente waar de begraving zal plaatshebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering mag de afwijking slechts toestaan op een op godsdienstige of filosofische overwegingen berustend verzoek, behalve als redenen van openbare salubriteit zulks niet toelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-18\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-18</span><span class=\"lf-art-t\">In volle grond worden de lijken horizontaal begraven in een afzonderlijke kuil, op een diepte van ten minste vijftien decimeter</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad of de intercommunale bepaalt de afstand tussen de grafkuilen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-19\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-19</span><span class=\"lf-art-t\">In grafkelders worden de lijken bijgezet op een diepte van ten minste acht decimeter</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van graven boven de grond is verboden, behoudens bijzonder verlof, door de provinciegouverneur verleend op eensluidend advies van de provinciale gezondheidsinspectie, en behoudens de afwijkingen volgend uit dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzetting in bouwwerken als bedoeld in het tweede lid, die bestaan op het tijdstip waarop de wet van 20 juli 1971Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">20/07/1971 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">19/08/2009 numac 2009000536 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de begraafplaatsen en de lijkbezorging in werking treedt, mag nochtans verder plaatshebben zoals in het verleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-20\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-20</span><span class=\"lf-art-t\">In niet-geconcedeerde grond heeft de begraving plaats in een kuil waarin sedert vijf jaar niet is begraven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in een perceel niet meer begraven kan worden onder de voorwaarden bepaald in artikel L1232-18, mogen geen nieuwe kuilen meer gedolven worden gedurende een termijn van vijftien jaar te rekenen van de laatste begraving, behoudens verlof, door de provinciegouverneur verleend op eensluidend advies van de provinciale gezondheidsinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de naleving van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van lijkbezorging overeenkomstig artikel L1232-16, beslist de gemeenteraad of de intercommunale welke bestemming dient gegeven te worden aan binnen de omheining van de begraafplaats aangetroffen stoffelijke resten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 3. - Crematie Art. L1232-21. § 1. Voor crematie is een verlof vereist, dat wordt verleend door de ambtenaar van de burgerlijke stand die het overlijden heeft vastgesteld, indien dat overlijden in België heeft plaatsgehad, of door de procureur des Konings van het arrondissement waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt, indien het overlijden heeft plaats gehad in het buitenland. § 2. Voor crematie na opgraving is het door artikel L1232-4 bedoelde verlof tot opgraving vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verlenen van het verlof tot opgraving wordt de behoorlijk gemotiveerde aanvraag om verlof tot crematie door de ambtenaar van de burgerlijke stand doorgestuurd aan de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar het crematorium of de hoofdverblijfplaats van de aanvrager is gevestigd, van de plaats van overlijden of van de plaats waar het stoffelijk overschot begraven is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze aanvraag om verlof dient in voorkomend geval een attest van registratie in de bevolkingsregisters van de laatste wilsbeschikking van de overledene inzake de wijze van lijkbezorging gevoegd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur des Konings aan wie de vraag gericht is, kan aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het overlijden vastgesteld werd, vragen hem een dossier dat het in artikel 77 of in artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde attest bevat, over te zenden. Indien dit attest ontbreekt, wordt daarvan door de betrokken ambtenaar de reden opgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof tot crematie wordt geweigerd of toegestaan door de procureur des Konings aan wie de vraag tot crematie gericht is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-22\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-22</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Iedere aanvraag om verlof wordt ondertekend door degene die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien of door zijn gemachtigde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een akte, die voldoet aan de voorwaarden inzake bekwaamheid en gesteld is in de vorm van akten van uiterste wilsbeschikking, waarbij de overledene de uitdrukkelijke wens te kennen geeft zijn stoffelijk overschot te doen verbranden, kan als aanvraag om verlof gelden. § 2. Het verlof moet door de ambtenaar van de burgelijke stand of door de procureur des Konings geweigerd worden als de overledene in een akte, die voldoet aan de voorwaarden inzake bekwaamheid en gesteld is in de vorm van de akten van uiterste wil, zijn voorkeur voor een andere wijze van teraardebestelling te kennen heeft gegeven, of als hij kennis heeft gekregen van het verzoek bedoeld in § 4 van dit artikel. § 3. Onverminderd het bepaalde in § 2 van artikel L1232-23, mag het verlof niet verleend worden voor het verstrijken van een termijn van vierentwintig uren, ingaande met de ontvangst van de aanvraag om verlof. § 4. Iedere persoon die bij het verlenen of de weigering van het verlof belang heeft, kan daartoe bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een verzoek indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegde voorzitter is die van de plaats waar de aanvraag om verlof werd ingediend. Van het verzoek wordt kennis gegeven aan de partijen, die bij het verlenen of de weigering van het verlof belang hebben, alsmede aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of aan de procureur des Konings, bij wie de aanvraag om verlof werd ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek wordt behandeld en beoordeeld als in kort geding, het openbaar ministerie gehoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Bij de aanvraag om verlof moet een attest worden gevoegd waarin de behandelende geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld, vermeldt of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak Geldt de aanvraag het lijk van een in België overleden persoon, en heeft de in het bovenstaand lid bedoelde geneesheer bevestigd dat het een natuurlijk overlijden betreft, dan moet bovendien het verslag worden bijgevoegd van een beëdigd geneesheer door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangesteld om de doodsoorzaken na te gaan, in welk verslag wordt vermeld of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ereloon en alle daaraan verbonden kosten van de door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangestelde geneesheer vallen ten laste van het gemeentebestuur van de woonplaats van de overledene. § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet het dossier aan de procureur des Konings van het arrondissement zenden wanneer omstandigheden het vermoeden van een gewelddadig of verdacht of niet vast te stellen oorzaak van overlijden wettigen of wanneer de geneesheer in een van de onder § 1 voorgeschreven documenten, niet heeft kunnen bevestigen dat er geen tekens of aanwijzingen van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval kan verlof tot crematie eerst worden verleend nadat de procureur des Konings aan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft laten weten dat hij er zich niet tegen verzet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-24\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-24</span><span class=\"lf-art-t\">De procureur des Konings handelt zoals voorgeschreven is in artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De familie of de persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien, kan de lijkschouwing steeds doen bijwonen door een geneesheer van haar of zijn keuze.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-25\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de omstandigheden het vereisen, opent de burgemeester van de gemeente waar het crematorium zich bevindt of zijn gemachtigde de doodskist en maakt hij van deze handeling een proces-verbaal op dat hij onverwijld doorstuurt naar de procureur des Konings van het arrondissement waar het crematorium zich bevindt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-26\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De as van de gecremeerde lijken kan in urnen worden geplaatst die binnen de omheining van de begraafplaats : 1° hetzij op ten minste acht decimeter diepte worden begraven;2° hetzij in een columbarium worden bijgezet. De as van gecremeerd lijken kan : 1° hetzij worden uitgestrooid op een daartoe bestemd perceel van de begraafplaats;2° hetzij worden uitgestrooid op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale De as van de overledene wordt met respect en eerbied behandeld en kan geen voorwerp uitmaken van een commerciële activiteit, met uitzondering van die activiteiten die verband houden met het uitstrooien of begraven van de as of met het overbrengen ervan naar de plaats waar de as bewaard zal worden. Indien de overledene dit schriftelijk heeft bepaald of op verzoek van de ouders indien het om een minderjarige gaat, of, in voorkomend geval, op verzoek van de voogd, kan de as van gecremeerde lijken : 1° worden uitgestrooid op een andere plaats dan de begraafplaats.Deze uitstrooiing kan evenwel niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats bedoeld in het eerste en het tweede lid Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist. De asuitstrooiing gebeurt aansluitend op de crematie; 2° worden begraven op een andere plaats dan de begraafplaats, overeenkomstig de bepalingen vervat in het eerste lid, 1°.Deze begraving kan evenwel niet gebeuren op het openbaar domein, uitgezonderd de begraafplaats bedoeld in het eerste en het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het een terrein betreft dat niet in eigendom is van de overledene of zijn nabestaanden, is een voorafgaande, schriftelijke toestemming van de eigenaar van het betrokken terrein vereist. De begraving gebeurt aansluitend op de crematie; 3° in een urne ter beschikking worden gesteld van de nabestaanden om te worden bewaard op een andere plaats dan de begraafplaats.Indien er een einde komt aan de bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats, wordt de as door toedoen van de nabestaande die er de zorg voor heeft of zijn erfgenamen in geval van diens overlijden, ofwel naar een begraafplaats gebracht om er begraven, in een columbarium bijgezet of uitgestrooid te worden ofwel op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee uitgestrooid te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon die de as in ontvangst neemt, is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de in het vierde lid bedoelde bewaringen, begravingen of uitstrooiingen moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderafdeling 4. - Graftekens Art. L1232-27. Tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten, heeft eenieder het recht op het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te doen plaatsen zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad of de intercommunale regelt de uitoefening van dat recht en inzonderheid alles wat betrekking heeft op de afmetingen van de graftekens en de aard van de te gebruiken materialen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-28\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer aan een grafconcessie een einde wordt gemaakt of geen aanvraag om overbrenging als bedoeld in artikel L1232-10 is ingediend, worden de niet weggenomen graftekens en de eventueel nog bestaande ondergrondse bouwwerken eigendom van de gemeente of van de intercommunale Wanneer niet-geconcedeerde gronden voor nieuwe begravingen moeten worden gebruikt, wordt door middel van een aan de toegangen tot die gronden en aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt bericht aan de belanghebbenden kennis gegeven van de termijn gedurende welke zij de graftekens mogen wegnemen; bij het verstrijken van die termijn of van de toegestane verlenging worden de materialen eigendom van de gemeente of van de intercommunale.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het vorige lid bedoelde termijn wordt bepaald of verlengd door de gemeente of de intercommunale die de begraafplaats beheert. Voor de gemeente is het bevoegd orgaan het college van burgemeester en schepenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen het college van burgemeester en schepenen regelt de bestemming van het aan de gemeente toevallend materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3. - Slotbepalingen Art. L1232-29. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de gebruiken in verband met de bijzetting van leden van het vorstenhuis en in verband met de bijzetting van de hoofden van bisdommen in hun kathedraal, noch aan de bepalingen betreffende de graven van militairen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-30\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering kan van de bepalingen van deze wet afwijken, ofwel met het oog op de uitvoering van internationale verdragen, ofwel met het oog op de bescherming van de bevolking tegen de gevaren van verspreiding van besmettelijke ziekten of van besmetting door ioniserende stralingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1232-31\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1232-31</span><span class=\"lf-art-t\">De overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk worden gestraft met de straffen bepaald bij de artikelen 315, 340, 453 en 526 van het Strafwetboek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK III. - Openbare instellingen Art. L1233-1. De begrotingen en de rekeningen van de bergen van barmhartigheid van de gemeente behoeven de goedkeuring van de gemeenteraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn er bezwaren, dan beslist het provinciecollege.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1233-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1233-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de burgemeester het geraden acht, woont hij de vergaderingen bij van de besturen der bergen van barmhartigheid, en neemt hij deel aan hun beraadslagingen. In dat geval zit hij de vergadering voor en is hij stemgerechtigd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1233-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1233-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De besturen van de openbare instellingen hebben, onder toezicht van de hogere overheid, het beheer van hun bossen en wouden op de wijze geregeld door de overheid die bevoegd is om het Boswetboek vast te stellen TITEL IV. - Aansprakelijkheid en rechtsgedingen HOOFDSTUK I. - Burgerlijke aansprakelijkheid van de gemeenten Art. L1241-1. De burgemeester of de schepen waartegen een vordering tot schadevergoeding is ingesteld voor het burgerlijk gerecht of het strafgerecht, kan het Gewest of de gemeente in het geding betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Gewest of de gemeente kan vrijwillig tussenkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1241-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1241-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in geval van herhaling is de gemeente burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboeten waartoe de burgemeester en de schepen(en) veroordeeld zijn wegens een misdrijf dat ze hebben begaan bij de normale uitoefening van hun ambt De regresvordering van de gemeente ten aanzien van de veroordeelde burgemeester of schepen(en) is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1241-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1241-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moet een verzekering afsluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de burgemeester en de schepen(en) bij de normale uitoefening van hun ambt De regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Rechtsgedingen Afdeling 1. - Algemeen Art. L1242-1. Bij elke tegen de gemeente ingestelde rechtsvorderdering treedt het college van burgemeester en schepenen als verweerder op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stelt de vorderingen in kort geding en de bezitsvorderingen in; het verricht alle handelingen tot bewaring van recht of tot stuiting van verjaring en van verval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere rechtsvorderingen waarbij de gemeente als eiser optreedt, mogen door het college slechts worden ingesteld na machtiging van de gemeenteraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - Uitoefening door een belastingplichtige van de rechtsvorderingen die aan de gemeente toebehoren Art. L1242-2. Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen één of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidsstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan ten aanzien van het geding geen dading treffen zonder medewerking van de inwoner(s) die het geding in haar naam heeft (hebben) uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boek III. - Gemeentelijke financiën TITEL I. - Begroting en rekeningen HOOFDSTUK I. - Algemeen Art. L1311-1. Het financiële dienstjaar van de gemeente valt samen met het kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als tot een dienstjaar behorend worden alleen aangemerkt de rechten verkregen door de gemeente en de verbintenissen die zij ten aanzien van haar schuldeisers tijdens dat dienstjaar heeft aangegaan, ongeacht het dienstjaar waarin de betaling geschiedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1311-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1311-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een post voor een niet-verplichte uitgave door de toezichthoudende overheid verminderd is, mag het college van burgemeester en schepenen de uitgaven niet doen zonder een nieuw besluit van de gemeenteraad die daartoe machtiging verleent</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1311-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1311-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen betaling uit de gemeentekas mag geschieden dan op grond van een op de begroting voorkomende post, een bijzonder krediet of een voorlopig krediet uitgetrokken in de voorwaarden en binnen de perken vastgesteld door de regering De leden van het college van burgemeester en schepenen zijn persoonlijk aansprakelijk voor de uitgaven waartoe zij zich verbonden hebben of waartoe zij bevolen hebben tegen het eerste lid in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1311-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1311-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Geen artikel van de uitgaven van de begroting mag worden overschreden en geen overschrijving mag geschieden. § 2. Wanneer echter bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met regelmatig en werkelijk aangegane verbintenissen tegenover schuldeisers van de gemeente, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de schuldvordering af te betalen, bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen, dat bij de rekening van het afgesloten dienstjaar wordt gevoegd, naar het volgende dienstjaar overgeschreven Over de aldus overgeschreven kredieten mag beschikt worden zonder een nieuwe beslissing van de gemeenteraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1311-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1311-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad kan evenwel voorzien in uitgaven die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden vereist, mits hij daartoe een met redenen omkleed besluit neemt Wanneer het geringste uitstel onbetwistbaar schade zou veroorzaken, kan het college van burgemeester en schepenen onder eigen verantwoordelijkheid in de uitgave voorzien, onder verplichting om zonder verwijl daarvan kennis te geven aan de gemeenteraad, die besluit of hij met die uitgave al dan niet instemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het college van burgemeester en schepenen die tot de uitgaven, betaald ter uitvoering van het eerste en het tweede lid maar die van de eindrekeningen verworpen zijn, bevolen zouden hebben, worden persoonlijk ertoe gehouden er het bedrag van in de gemeentekas te storten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1311-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1311-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevelschriften tot betaling uit de gemeentekas, afgegeven door het college van burgemeester en schepenen, moeten ondertekend worden door de burgemeester of door degene die hem vervangt, en door een schepen; zij worden medeondertekend door de secretaris HOOFDSTUK II. - Goedkeuring van de begroting en afwikkeling van de rekeningen Art. L1312-1. Jaarlijks vergadert de gemeenteraad in de loop van het eerste kwartaal om de jaarrekeningen van het vorige dienstjaar af te wikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die jaarrekeningen omvatten de begrotingsrekening, de resultaatrekening en de balans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag bedoeld in artikel L1122-23 wordt bij de rekeningen gevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1312-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1312-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks vergadert de gemeenteraad de eerste maandag van de maand oktober om te beraadslagen en te besluiten over de uitgaven en de ontvangsten voor het volgende dienstjaar HOOFDSTUK III. - Openbaarheid van de begroting en de rekeningen Art. L1313-1. De begrotingen en de rekeningen worden op het gemeentehuis neergelegd en kunnen er altijd ter plaatse worden ingezien door eenieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op die inzagemogelijkheid wordt gewezen bij openbare aanplakking op benaarstiging van het college van de burgemeester en schepenen binnen de maand volgend op de goedkeuring door de gemeenteraad van de begrotingen en rekeningen. De duur van de aanplakking mag niet minder bedragen dan tien dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK IV. - Begrotingsevenwicht Art. L1314-1. De begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de gemeenten mag in geen enkel geval een deficitair saldo op de gewone of de buitengewone dienst, noch een fictief evenwicht of een fictief batig saldo vertonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1313-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1313-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten die in gebreke blijven om een sluitende begroting in de zin van artikel L1314-1 in te dienen : 1° mogen op hun personeelsleden, met inbegrip van degenen die functies uitoefenen welke inherent zijn aan de bijzondere werkzaamheden van die gemeenten, de bezoldigingsregeling en de weddeschalen van het personeel der ministeries toepassen;2° mogen aan de leden van hun onderwijzend personeel slechts de wedde toekennen waarop de betrokkenen, rekening houdend met hun bekwaamheidsgetuigschriften, recht zouden hebben indien zij lid waren van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs, alleen vermeerderd met de vergoedingen en toelagen die in het Gemeenschapsonderwijs worden toegekend;3° mogen de aan de hoedanigheid van lid van het onderwijzend personeel verbonden bezoldiging niet toekennen aan een personeelslid in overtal ten opzichte van de nationale regelgeving inzake schoolbevolkingsnormen, evenmin als aan een personeelslid dat niet in het bezit is van de vereiste of van de als voldoende geachte getuigschriften. HOOFDSTUK V. - Algemeen reglement op de gemeentecomptabiliteit Art. L1315-1. De regering stelt de begrotings-, financiële en boekhoudkundige regels van de gemeenten, evenals de regels betreffende de wijze van uitoefening van de functies van hun rekenplichtigen, vast TITEL II. - Lasten en uitgaven ENIG HOOFDSTUK Art. L1321-1. De gemeenteraad is verplicht elk jaar op de begroting van uitgaven te brengen alle uitgaven die bij wet aan de gemeenten zijn opgelegd, en inzonderheid de volgende : 1° het aankopen en onderhouden van de registers van de burgerlijke stand;2° het abonnement op het Bestuursmemoriaal van de provincie;3° de belastingen op de goederen van de gemeente;4° de vaststaande en opeisbare schulden van de gemeente, alsmede de schulden die zij moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen;5° de wedden van de burgemeester, de schepenen, de secretaris, de ontvanger, de bedienden van de gemeente en de boswachters van de gemeente;6° de kantoorkosten van het gemeentebestuur;7° het onderhoud van de gemeentegebouwen of de huur van de huizen die tot gemeentegebouw dienen;8° de huurgelden en de kosten, behalve die voor geringe herstellingen, betreffende de lokalen van de vredegerechten, politierechtbanken, politieafdelingen van de parketten van de procureur des Konings en arbeidsrechtbanken in de gemeenten waar die rechtscolleges gevestigd zijn, wanneer de Staat of de Regie der gebouwen geen eigenaar of huurder van de lokalen is;9° de hulpgelden aan de kerkfabrieken en consistories, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen te verlenen wanneer de middelen van die instellingen ontoereikend blijken;10° de kosten die bij de wetten en de decreten op het onderwijs ten laste worden gebracht van de gemeente;11° de uitgaven betreffende de plaatselijke veiligheids- en gezondheidspolitie;12° de vergoeding voor huisvesting van de bedienaren van de erediensten, overeenkomstig de geldende bepalingen, wanneer geen woning wordt verschaft;13° de uitgaven bepaald in artikel 130 van het Kieswetboek en de uitgaven vereist voor de verkiezingen van de gemeenteraad;14° de kosten van het drukwerk voor de boekhouding van de gemeente;15° de pensioenen ten laste van de gemeente;16° de dotaties bepaald in artikel 106 van de</p>\n<p class=\"lf-p\">wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/08/2001 numac 2001021378 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">13/07/2001 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">03/08/2001 numac 2001021379 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten sluiten1 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;17° de uitgaven voor de gemeentewegen en de buurtwegen, de sloten, de waterleidingen en de bruggen, die krachtens de wet ten laste van de gemeente zijn;18° de uitgaven die ten laste van de gemeente worden gebracht bij of krachtens de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">07/12/1998 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met inbegrip, in de meergemeentezones, van de dotatie van de gemeente aan de politiezone. Art. L1321-2. Wanneer verscheidene gemeenten bij een verplichte uitgave betrokken zijn, dragen zij alle daarin bij naar evenredigheid van het belang dat zij erbij kunnen hebben; in geval van weigering of van onenigheid over de verhouding van dit belang en van de te dragen lasten, beslist het provinciecollege.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL III. - Ontvangsten HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. L1331-1. Indien de op de begroting gebrachte ontvangsten niet toereikend zijn tot betaling van een gemeenteschuld die erkend en opeisbaar is of die voortvloeit uit een beslissing in laatste aanleg gewezen door het gewone of administratieve gerecht, stelt de gemeenteraad middelen voor om daarin te voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1331-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1331-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad is verplicht jaarlijks alle ontvangsten van de gemeente, onder nadere omschrijving, op de begroting te brengen, evenals die welke de wet haar toekent, alsmede de overschotten van de vorige dienstjaren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1331-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1331-3</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de vestiging en de inning van de gemeentebelastingen wordt gehandeld naar titel II van boek II van het derde deel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke opcentiemen op de rijksbelastingen worden ingevorderd overeenkomstig de regels bepaald voor de heffing van de belastingen waar zij bijkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Algemene financiering van de gemeenten Art. L1332-1. Een jaarlijkse algemene dotatie ten laste van de begroting van het Waalse Gewest, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen berekend van juli tot juli, wordt opgericht met het oog op de subsidiëring van de gemeenten van het Waalse Gewest, overeenkomstig de criteria bepaald in dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bij dit hoofdstuk georganiseerde financiering waarborgt de gemeenten een ontvangst, vrij van iedere bijzondere bestemming. Het treffen van criteria in verband met bepaalde activiteiten uitgeoefend door de gemeenten tast dit karakter niet aan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een deel van de jaarlijkse algemene dotatie bepaald in artikel L1332-1 vormt het Bijzonder fonds voor maatschappelijk welzijn en wordt tussen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest door de Franse en Duitstalige Gemeenschap omgeslagen volgens de criteria die door laatstgenoemden zijn opgesteld De regering stelt dat deel vast, dat nooit lager is dan 4,462.623.169.44 % van het bedrag van 702.656.674,9 euro bedoeld in artikel 22, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom.</p>\n<p class=\"lf-p\">16/01/1989 pub.</p>\n<p class=\"lf-p\">06/11/2008 numac 2008000907 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zoals jaarlijks aangepast na uiteindelijke vaststelling van de middelen toegewezen aan het Waalse Gewest krachtens de artikelen 22 tot en met 27 van dezelfde bijzondere wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de gemeenten van het Waalse Gewest in drie categorieën ingedeeld : 1° eerste categorie : de gemeenten Charleroi en Luik;2° tweede categorie : de gemeenten Aarlen, Aat, Bastenaken, Dinant, Eupen, Hoei, La Louvière, Marche-en-Famenne, Bergen, Moeskroen, Namen, Neufchâteau, Nijvel, Ottignies-Louvain-la-Neuve, Philippeville, Seraing, Zinnik, Thuin, Doornik, Verviers, Virton, Borgworm;3° derde categorie : de andere gemeenten. Art. L1332-5. Na aftrek van het aandeel bedoeld in artikel L1332-3 wordt het saldo van de algemene dotatie van de gemeenten in twee delen verdeeld : 1° 32,5 % wordt toegewezen aan de gemeenten uit de eerste categorie;2° 67,5 % wordt toegewezen aan de gemeenten uit de tweede en de derde categorie. Art. L1332-6. Het aandeel dat 32,5 % van de algemene dotatie bedraagt, toegewezen aan de gemeenten uit de eerste categorie, wordt over die gemeenten omgeslagen naar evenredigheid van het bedrag dat zij in het Gemeentefonds voor het jaar 1988 hebben ontvangen Is het aandeel van de dotatie die aan de gemeenten toevalt, evenwel groter dan het jaar voordien, dan wordt die verhoging omgeslagen bij gelijke aandelen over de betrokken gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-7\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aandeel dat 67,5 % van de algemene dotatie bedraagt, toegewezen aan de gemeenten uit de tweede en de derde categorie, wordt onderverdeeld in een hoofddotatie en een specifieke dotatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-8</span><span class=\"lf-art-t\">De hoofddotatie bedraagt 85% van het in artikel L1332-7 vermelde aandeel</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-9\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-9</span><span class=\"lf-art-t\">De specifieke dotatie bedraagt 15% van het in artikel L1332-7 vermelde aandeel</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-10\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">14,85 % van het aandeel vermeld in artikel L1332-7 wordt omgeslagen tussen de gemeenten van de tweede en de derde categorie, naar rata van het bevolkingscijfer van elke gemeente, waarbij iedere vreemdeling voor 1,25 inwoners telt. 0,10 % van het aandeel vermeld in artikel L1332-7 wordt bij gelijke aandelen omgeslagen tussen de gemeenten met een bijzonder taalstatuut bedoeld in artikel 8 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik inzake administratie en over de Duitstalige gemeenten in het Waalse Gewest gelegen. 0,05 % van het aandeel vermeld in artikel L1332-7 wordt naar evenredigheid van het bevolkingscijfer van de gemeenten bedoeld in het tweede lid omgeslagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-11\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">26 % van het aandeel vermeld in artikel 1332-7 wordt omgeslagen tussen de gemeenten van de tweede categorie naar evenredigheid van het bevolkingscijfer van elke gemeente, vermenigvuldigd met een fiscaal quotiënt bepaald in artikel L1332-12</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-12\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 11 bedoeld fiscale quotiënt wordt als volgt vastgesteld : er wordt een breuk vastgesteld met als teller het bedrag per inwoner van de totale gemeenteretributies en -belastingen, verminderd met de opbrengst per inwoner van de belastingen en retributies op de kerncentrales en met de opbrengst per inwoner van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelastingen, en met als noemer de opbrengst per inwoner van laatstgenoemde belasting, teruggebracht tot de aanslagvoet van 1 % De opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting wordt voor de toepassing van vorig lid fictief vastgesteld : - op 6 % voor de teller en op 1 % voor de noemer, van de personenbelasting die ten bate van het Rijk wordt geheven voor de gemeenten die de belasting niet geheven hebben; - op zes maal de opbrengst van de belasting, terruggebracht op de aanslagvoet van 1 % voor de gemeenten die de belasting geheven hebben op een lagere aanslagvoet dan 6 %.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-13\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een gemeente vanaf het jaar 1998 haar aanslagvoet van opcentiemen op de onroerende voorheffing verhoogt t.o.v. het dienstjaar 1997, zal de totale opbrengst van opcentiemen meegerekend in het totaalbedrag van de gemeenteretributies en -belastingen, dat de teller van de in artikel L1332-12 bedoelde breuk vormt, gelijk zijn aan de totale opbrengst van het jaar voorafgaand aan dat van de verhoging van de aanslagvoet van de opcentiemen, vermenigvuldigd met het indexeringscoëfficiënt bedoeld in artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-14\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten uit de tweede categorie genieten ten minste een aandeel per inwoner dat gelijk is aan het gemiddelde aandeel per inwoner van de gemeenten uit de derde categorie dat uit de toepassing van de artikelen L1332-15, L1332-16, L1332-17 en L1332-18 voortvloeit De voor de toepassing van die waarborg nodige bedragen worden naar evenredigheid opgenomen op de in de artikelen L1332-11 en L1332-12 bedoelde aandelen van de andere gemeenten uit de tweede categorie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-15\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">44 % van het in artikel L1332-7 vermelde aandeel wordt omgeslagen over de gemeenten uit de derde categorie naar rata van het bevolkingscijfer van elke gemeente, vermenigvuldigd met een in artikel L1332-16 vastgestelde fiscale coëfficiënt en vermenigvuldigd met een in artikel L1332-17 vastgestelde coëfficiënt van bevolkingsdichtheid en verdeeld door de opbrengst per inwoner van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting teruggebracht tot de aanslagvoet van 1 % Die opbrengst wordt fictief vastgesteld op 1 % van de ten bate van het Rijk geheven personenbelasting voor de gemeenten die de aanvullende personenbelasting niet geheven hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-16\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel L1332-15 vermelde fiscale coëfficiënt wordt bekomen als volgt bij normalisering van de voor elke gemeente in artikel L1332-12 vastgestelde coëfficiënt : a) door de aftrek van het rekenkundig gemiddelde van de quotiënten van de gemeenten van de derde categorie;b) door de deling van de vorige uitkomst door de standaardafwijking betreffende diezelfde quotiënten;c) het aldus genormaliseerde quotiënt wordt gedeeld door 5 en vermeerderd met een eenheid. Art. L1332-17. De in artikel L1332-15 vermelde coëfficiënt van bevolkingsdichtheid wordt vastgesteld overeenkomstig volgende tabel : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. L1332-18. De in artikel L1332-16 bedoelde coëfficiënt wordt vermenigvuldigd met een corrigerende factor, die als volgt wordt bepaald : - het gemiddelde belastbare kadastraal inkomen van de bebouwde en onbebouwde goeden per inwoner van de gemeenten uit de derde categorie wordt jaarlijks berekend; de in elke gemeente genoteerde verschillen ten opzichte van dit gemiddelde worden toegevoegd aan dan wel afgetrokken van de eenheid, voor de helft, al naar gelang die verschillen kleiner of groter zijn dan die eenheid De aldus bekomen uitkomst wordt beperkt tot 1,25 of is minstens gelijk aan 0,75 al naar gelang het geval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-19\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-19</span><span class=\"lf-art-t\">De omslagregels op de dotaties van 26 pct. en 44 pct. respectievelijk vermeld in de artikelen L1332-11 en L1332-15 zullen progressief toegepast worden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-20\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke dotatie wordt verdeeld in drie tranches : a) een tranche A gelijk aan 4,5% van het in artikel L1332-7 vermelde aandeel, verantwoord door structurele kenmerken, bijzondere opdrachten of door de moeilijke financiële toestand van sommige gemeenten;b) een tranche B gelijk aan 3,5% van het in artikel L1332-7 vermelde aandeel, verantwoord door de kernopdrachten of de verplichtingen van de gemeenten;c) een tranche C gelijk aan 7% van het in artikel L1332-7 vermelde aandeel, verantwoord door de moeilijke socio-economische toestand van sommige gemeenten. Art. L1332-21. Er wordt van de volgende criteria gebruik gemaakt a rata van volgende percentages van het aandeel bedoeld in artikel L1332-7 om de omslag van tranche A door te voeren : § 1. De hoofdplaats van het Waalse Gewest : de stad Namen : 0,24 %. § 2. Het aantal kilometer wegen : 1,06 % Het berekend aantal kilometer is het aantal van de kleine buurtwegen en de grote verkeerswegen, gelegen op het grondgebied van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aan dit criterium toegewezen bedrag wordt over de gemeenten omgeslagen naar verhouding van het aantal kilometer. § 3. De brandweerdienst : 1,40 %. - Iedere zelfstandige gemeente krijgt 2,97 inwoners per inwoner. - De centrumgemeenten van een gewestelijke brandweerdienst : Y of Z. Alleen de gemeenten waarvan het aandeel per inwoner in de toelaatbare kosten van hun brandweerdienst groter is dan het gemiddelde bedrag per inwoner van de retributie ten laste van de gemeenten die hun centrum beschermt, genieten een subsidie waarvan het bedrag als volgt berekend wordt : - het verschil tussen enerzijds het aandeel per inwoner van de centrumgemeenten van een gewestelijke brandweerdienst in de toelaatbare kosten van hun brandweerdienst en anderzijds het gemiddelde bedrag per inwoner van de retributie ten laste van de door die centrumgemeenten beschermde en bediende gemeenten, wordt vermenigvuldigd met de bevolking van de centrumgemeenten van een gewestelijke brandweerdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dotatie van de centrumgemeenten van een gewestelijke brandweerdienst bedraagt twee derde van het berekende bedrag. Is de som van de zo berekende dotaties groter dan de som bestemd voor het criterium brandweerdienst, dan wordt de dotatie van elke gemeente verminderd tot het passende beloop. § 4. Financiële tegemoetkoming aan de gemeenten waarvan de financiën met schulden verzwaard zijn : 1,8 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering bepaalt ieder jaar de gemeenten die financieel zwaar belast zijn en de modaliteiten inzake de omslag van het voor dat criterium bestemde bedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-22\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er ondanks de toepassing van de criteria « brandweerdienst » of « tegemoetkoming aan de gemeenten die financieel zwaar belast zijn » niet in geslaagd wordt om de omslag van de som bestemd voor één van hen door te voeren, kan de regering het saldo herbestemmen voor één of verschillende andere criteria van de tranches B en C van de specifieke dotatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-23\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt van de volgende criteria gebruik gemaakt a rata van volgende percentages van het aandeel bedoeld in artikel L1332-7 om de omslag van tranche B door te voeren : § 1. Veiligheid : 1 %. 1. Elke gemeente die in een 24-uurspolitiedienst voorziet, geniet een forfaitaire dotatie van 24.789,35 euro De 24-uurspolitiediensten zijn de diensten die beantwoorden aan de criteria bepaald door het ministerie van Binnenlandse Zaken. 2. Wordt de 24-uurspolitiedienst in samenwerking met de rijkswacht georganiseerd, dan wordt de forfaitaire dotatie met de helft verminderd.3. Wordt de 24-uurspolitiedienst in samenwerking met meerdere gemeenten georganiseerd, dan wordt de forfaitaire dotatie op gelijke wijze tussen elke gemeente omgeslagen.4. Het saldo van de voor dat criterium bestemde som wordt omgeslagen over de gemeenten naar verhouding van het aantal politieagenten dat het aantal agenten te boven gaat dat verkregen wordt door één politieagent voor 700 inwoners te berekenen in de gemeenten uit de tweede categorie en één politieagent voor 1 000 inwoners in de gemeenten uit de derde categorie. § 2. Opleiding en jeugd : 2,5 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">De som bestemd voor het criterium Opleiding jeugd bestaat uit drie sommen, berekend en omgeslagen als volgt : 1. één vierde van de som wordt omgeslagen over de gemeenten naar verhouding van het aantal schoolvestigingen van het gemeentelijk basisonderwijs;2. twee vierde van de som wordt omgeslagen over de gemeenten naar verhouding van het aantal klassen van het gemeentelijk basisonderwijs;3. één vierde van de som wordt omgeslagen over de gemeenten naar verhouding van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen van het basis- en secundair onderwijs van de onderwijsinstellingen ongeacht de onderwijsnetten, gelegen op het grondgebied van de gemeente. Art. L1332-24. Er wordt van de volgende criteria gebruik gemaakt a rata van volgende percentages van het aandeel bedoeld in artikel L1332-7 om de omslag van tranche C door te voeren : § 1. Verlies van arbeidsplaatsen : 1,28 %. 1. De in acht genomen verloren gegane arbeidsplaatsen betreffen de in de gemeente tewerkgestelde loonarbeiders.2. De som bestemd voor het criterium verlies van arbeidsplaatsen wordt omgeslagen tussen de gemeenten naar verhouding van het aantal verloren gegane arbeidsplaatsen, berekend door van het aantal arbeidsplaatsen die in de recentste op 1 juli van het lopende dienstjaar bekende statistieken vermeld zijn, het aantal arbeidsplaatsen die in de voorlaatste bekende statistieken zijn vermeld, af te trekken. § 2. Armoede : 5,72 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">De som bestemd voor het criterium armoede bestaat uit vier sommen, berekend volgens de volgende verhoudingen, in functie van de hierna aangegeven bestanddelen : a) uitkeringsgerechtigde werklozen : de gemeenten waarvan het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werklozen ten opzichte van de bevolking hoger is dan dezelfde verhouding berekend voor het geheel van de gemeenten van het Waalse Gewest, krijgen drie achtste van de som bestemd voor het criterium armoede naar rata van de aldus vastgestelde verschillen ten opzichte van het gewestelijke gemiddelde;b) bestaansminimumtrekkers : de gemeenten waarvan het aantal bestaansminimumtrekkers ten opzichte van de bevolking hoger is dan dezelfde verhouding berekend voor het geheel van de gemeenten van het Waalse Gewest, krijgen twee achtste van de som bestemd voor het criterium armoede naar rata van de aldus vastgestelde verschillen ten opzichte van het gewestelijke gemiddelde;c) lage inkomens : de gemeenten waarvan het netto belastbaar inkomen per inwoner lager is dan dezelfde verhouding berekend voor het geheel van de gemeenten van het Waalse Gewest, krijgen één achtste van de som bestemd voor het criterium armoede naar rata van de aldus vastgestelde verschillen ten opzichte van het gewestelijke gemiddelde;d) sociale woningen : twee achtste van de som bestemd voor het criterium armoede wordt omgeslagen tussen de gemeenten in verhouding tot het aantal sociale woningen dat op hun grondgebied gelegen is, waarbij dat aantal vermeerderd wordt overeenkomstig een coëfficiënt dat berekend wordt volgens de regels die de regering vaststelt om het lage inkomensniveau van de huurders van die woningen te berekenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-25\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de bestanddelen van het criterium armoede, de sociale woningen uitgezonderd, worden de aandelen van de in aanmerking komende gemeente waarvan het beroepsbevolkingscijfer lager is dan het gemiddelde percentage van de beroepsbevolking van de gemeenten van de tweede en de derde categorie, in dezelfde verhouding verhoogd als de verhouding van hun afwijking van dat gemiddelde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-26\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen L1332-24 en L1332-25 worden de gemeenten die geen opcentiemen op de onroerende voorheffing noch de aanvullende belasting op de personenbelasting tegen de door de regering vastgestelde minimumaanslagvoeten gevestigd hebben, uitgesloten van het voordeel van de subsidie berekend volgens het criterium « armoede »</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-27\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering kan om de twee jaar de percentages die bij elk criterium of bestanddeel van de specifieke dotatie passen, bij dit hoofdstuk naar boven of naar beneden bijstellen Die aanpassing wordt beperkt tot één vijfde van het percentage dat aan het criterium of het bestanddeel toegewezen is en kan enkel doorgevoerd worden als aanpassing van het percentage toegewezen aan een criterium van dezelfde tranche, onverminderd de bepalingen van artikel L1332-20.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-28\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-28</span><span class=\"lf-art-t\">De sommen bedoeld in de artikelen L1332-21, § 3, en L1332-23, § 1, 1, worden jaarlijks verhoogd in verhouding tot het indexcijfer der consumptieprijzen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-29\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er worden twee driejaarlijkse voorschotten verleend aan de gemeenten op hun aandelen in de hoofddotatie tot de vestiging van hun uiteindelijke bij dit hoofdstuk vastgestelde aandelen Zij worden in de loop van de tweede maand van de twee eerste kwartalen gestort en zijn gelijk aan 25 % van de aandelen toegewezen aan de gemeenten in de omslag van de hoofddotatie van het jaar voordien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het saldo van de hoofddotatie wordt uiterlijk op 31 juli van het dienstjaar vereffend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diverse sommen van de specifieke dotatie worden tegen 31 december van het dienstjaar vereffend, onverminderd de mogelijkheid voor de regering om voorschotten uit te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aandeel uit het Bijzonder fonds voor maatschappelijk welzijn dat respectievelijk aan de Franse en de Duitstalige Gemeenschap toekomt wordt hen uitbetaald uiterlijk op 30 september van het dienstjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-30\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als het globale bedrag van de voorschotten die aan een gemeente gestort worden, hoger is dan het aandeel dat haar in die omslag toekomt, wordt het verschil toegerekend op de specifieke dotatie die zij moet krijgen Indien die toerekening ontoereikend is, wordt het saldo door de N.V. Dexia bank teruggevorderd door het bedrag in mindering te brengen van de rekening die op naam van de gemeente geopend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eventuele vergissingen in de omslag van de algemene dotatie van de gemeenten wordt door de minister bevoegd voor het toezicht rechtgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1332-31\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1332-31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Staat de storting van de tranches van dotatie ten gunste van het Gewest binnen de vereiste termijn heeft verricht, worden de gemeenten ten laste van de gewestbegroting nalatigheidsinteresten verschuldigd op de voorschotten en saldo's die niet uitbetaald zouden zijn zoals bepaald in artikel L1332-29, eerste tot en met vierde lid Die intresten worden berekend volgens het percentage die de NV Dexia bank toepast op de thesaurievoorschotten die ze de gemeenten verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boek IV. - Binnengemeentelijke territoriale organen TITEL I. - Organisatie van de binnengemeentelijke territoriale organen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. L1411-1. Elk districtsbestuur omvat een raad, districtsraad genoemd, een bureau en een voorzitter.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - De districtsraden Afdeling 1. - Wijze van aanduiding en statuut van de districtsraadsleden Art. L1412-1. § 1. In gemeenten met meer dan 100 000 inwoners kunnen, op initiatief van de gemeenteraad, binnengemeentelijke territoriale organen worden opgericht. De leden van de districtsraden worden voor zes jaar gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers die in de bevolkingsregisters van de gemeente zijn ingeschreven als wonende in de betrokken gebiedsomschrijving. De verkiezingen worden georganiseerd op dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen. De verkiezing wordt geregeld bij de bepalingen opgenomen in titels II en III van boek I van deel IV van dit Wetboek. § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal voor de districtsraden te verkiezen leden wordt bepaald op twee derde van het aantal zetels bepaald in artikel L1122-3 toegepast op de overeenkomstige gebiedsomschrijvingen. Het resultaat van deze deling wordt afgerond naar het hoger oneven getal. Artikel L1121-3 is van overeenkomstige toepassing. § 3. De bepalingen van de artikelen L1122-1, L1121-2, L1122-2, L1122-4, L1122-5, L1122-6, L1122-7, § 1, L1122-8, L1123-10, L1122-9, L1125-1, L1125-3, L1125-5, L1125-6, L1125-7, L1126-1 en L1126-2 betreffende de gemeenteraden en hun leden zijn van overeenkomstige toepassing op de districtsraden en hun leden, evenwel met dien verstande dat : 1° in artikel L1122-5, tweede, vierde en zesde lid, artikel L1122-6, eerste en tweede lid, artikel L1125-5, tweede lid, artikel L1125-6 en artikel L1125-7, tweede en vijfde lid, de woorden « het college van burgemeester en schepenen » of « het college » vervangen worden door de woorden « het bureau van de districtsraad »;2° in artikel L1126-1 de woorden « de burgemeester » vervangen worden door de woorden « de voorzitter van de districtraad ». § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat een onverenigbaarheid tussen het mandaat van gemeenteraadslid en lid van de districtsraad. De tot gemeenteraadslid verkozen kandidaat kan het mandaat van districtsraadslid niet opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - Vergaderingen, besprekingen en beslissingen van de districtsraden Art. L1412-2. § 1. De bepalingen van de artikelen L1122-10 tot en met L1122-28 zijn van overeenkomstige toepassing op de districtsraden, met dien verstande dat de woorden « de gemeenteraadsleden of de gemeenteraad » vervangen moeten worden door de woorden « de leden van de districtsraden of de districtsraad », de woorden « het college van burgemeester en schepenen » door de woorden « het bureau » en de woorden « de burgemeester » door de woorden « de voorzitter ». § 2. De rechten die de districtsraadsleden genieten krachtens artikel L1122-10 betreffen enkel het bestuur en de instellingen van het district.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1412-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1412-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De inzage ter plaatse in de beslissingen van de districtsraad kan niet worden geweigerd aan de gemeenteraadsleden en aan de inwoners van het district noch aan de daartoe gemachtigd ambtenaar, ofwel door de provinciegouverneur of het provinciecollege, ofwel door de burgemeester of het college van burgemeester en schepenen Afdeling 3. - Bevoegdheden Art. L1412-4. § 1. 1° De gemeenteraad kan bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover hij beschikt en die hij nader bepaalt, overdragen aan de districtsraden. 2° De gemeenteraad kan bevoegdheden die hem door andere overheden zijn opgedragen, overdragen aan de districtsraden voor zover de regel die de gemeenteraad deze bevoegdheid toewees, de raad daartoe machtigt.3° Wanneer een hogere overheid de uitvoering van een bepaalde regel heeft opgedragen aan de gemeenteraad, kan de raad deze opdracht overdragen aan de districtsraden voor zover de regel die de gemeenteraad deze opdracht toewees, de raad daartoe machtigt. § 2. 1° Het college van burgemeester en schepenen kan bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover het beschikt en die het nader bepaalt, overdragen aan de bureaus van de districtsraden. 2° Het college van burgemeester en schepenen kan bevoegdheden die het door andere overheden werden opgedragen, overdragen aan de bureaus van de districtsraden voor zover de regel die het college deze bevoegdheid toewees, het college daartoe machtigt.3° Wanneer een andere overheid of de gemeenteraad de uitvoering van een bepaalde regel heeft opgedragen aan het college van burgemeester en schepenen, kan het college deze opdracht overdragen aan de bureaus van de districtsraden voor zover de regel die het college deze opdracht toewees, het college daartoe machtigt. § 3. 1° De burgemeester kan bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover hij beschikt en die hij nader bepaalt, overdragen aan de voorzitters van de districten. 2° De burgemeester kan bevoegdheden die hem door andere overheden werden opgedragen, overdragen aan de voorzitters van de districten voor zover de regel die de burgemeester deze bevoegdheid toewees, hem daartoe machtigt.3° Wanneer een andere overheid, de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen de uitvoering van een bepaalde regel heeft opgedragen aan de burgemeester, kan de burgemeester deze opdracht overdragen aan de voorzitters van de districten voor zover de regel die de burgemeester deze opdracht toewees, hem daartoe machtigt. § 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangelegenheden betreffende de personeelsformatie van de gemeente, de tuchtregeling, de gemeentebegrotingen, de gemeenterekeningen en de gemeentebelastingen kunnen niet in aanmerking komen voor die bevoegdheidsoverdracht. § 5. In afwijking van § 3, kunnen de bevoegdheden van de burgemeester inzake politieaangelegenheden niet in aanmerking komen voor bevoegdheidsoverdracht aan de voorzitters van de districten. § 6. Bij de toewijzing van de bevoegdheden moeten alle districten op een gelijke wijze behandeld worden. De gemeentelijke overheden zorgen ervoor dat het personeel en de financiële middelen die de districten op grond van de artikelen L1451-1 en L1451-2, ter beschikking gesteld worden, in overeenstemming zijn met de bevoegdheden die hen toevertrouwd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1412-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1412-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van de gemeenteraad een stedelijk belang in het district voorzieningen vordert waaromtrent de districtsraad op grond van artikel L1412-4 bevoegd is, verleent deze aan de uitvoering daarvan medewerking zoals door de gemeenteraad in zijn desbetreffende besluit is bepaald De districtsraad neemt daartoe alle uitvoeringsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de in het eerste lid bedoelde medewerking is de districtsraad gehouden onmiddellijk nadat hem het besluit van de gemeenteraad is medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt door de districtsraad de medewerking geweigerd, dan start een overlegprocedure waarin een reglement voorziet dat door de gemeenteraad wordt opgesteld. Eindigt deze overlegprocedure niet met een consensus, dan kunnen burgemeester en schepenen voorzien in de uitvoering van de beslissing van de gemeenteraad door het gebruik van de daartoe op de begroting van het district ingeschreven kredieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geschiedt eerst nadat de districtsraad zijn weigering aan het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt. Het daartoe strekkende besluit wordt genomen in de eerste vergadering van de districtsraad volgend op de mededeling van het besluit van de gemeenteraad. Het niet-verlenen van antwoord vanwege de districtsraad in de eerste vergadering volgend op de mededeling van het besluit van de gemeenteraad wordt beschouwd als een weigering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hoogdringendheid die uitdrukkelijk gemotiveerd wordt of in geval van dwingende en onvoorziene omstandigheden, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, het college van burgemeester en schepenen de uitvoering van de nodige voorzieningen opdragen, ook al behoren deze tot de bevoegdheid van een districtsraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1412-6\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1412-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen L1122-31, L1122-32, L1122-34 en L1122-35 zijn eveneens van toepassing op de districtsraden met dien verstande dat : 1° ook de gemeenteraad met toepassing van artikel L1122-31 een voorafgaand onderzoek kan voorschrijven;2° reglementen en verordeningen eveneens niet strijdig mogen zijn met de besluiten van het schepencollege en de gemeenteraad.De politieverordeningen moeten bovendien goedgekeurd worden door de gemeenteraad vooraleer zij van toepassing kunnen zijn; 3° in de tekst het woord \"gemeenteraad\" moet verstaan worden als \"districtsraad\" en het woord \"gemeente\" als \"distric\". Art. L1412-7. Benevens de beslissingsbevoegdheden waarover de districtsraad beschikt op grond van deze titel, heeft de districtsraad ook een algemene adviesbevoegdheid voor alle aangelegenheden die betrekking hebben op het district</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1412-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1412-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De districtsraad heeft het recht om mits naleving van het door de gemeenteraad aangenomen huishoudelijk reglement punten toe te voegen aan de agenda van de gemeenteraad, voor zover die betrekking hebben op die zaken van gemeentelijk belang die tot zijn bevoegdheid behoren HOOFDSTUK III. - Het bureau en de voorzitter Afdeling 1. - Wijze van aanduiding en statuut van de leden van het bureau en van de voorzitter Art. 1413-1. § 1. De districtsraden kiezen uit hun midden een voorzitter en de leden van het bureau. Een lid van het college van burgemeester en schepenen zit de installatievergadering voor tot wanneer het bureau wordt verkozen. De verkiezing gebeurt door goedkeuring van een lijst van kandidaten. De verkozenen van de raad kunnen dergelijke lijsten voordragen. Dit dient te gebeuren door een gedagtekende akte van voordracht neer te leggen in de handen van de voorzitter van de raad, uiterlijk drie dagen voor de vergadering waar het bureau wordt verkozen. Om ontvankelijk te zijn, moeten op een voordrachtlijst zoveel kandidaten voorkomen als er leden deel uitmaken van het bureau van de districtsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De akte van voordracht moet ondertekend zijn door een meerderheid van hen die op dezelfde lijst werden verkozen en door de kandidaten die op de voordrachtlijst voor het bureau voorkomen. Ook ingeval op de voordrachtlijst kandidaten voorkomen die verkozen werden op verschillende lijsten, moet de voordrachtlijst telkens ondertekend zijn door de meerderheid van de verkozenen van elke lijst waarvan zich een verkozene als kandidaat op de voordrachtlijst voor het districtsbureau bevindt. Ingeval de lijst waarop het kandidaat-bureaulid voorkwam slechts twee verkozenen telt, volstaat, voor de naleving van het voorgaande, de handtekening van één onder hen. Behoudens ingeval van overlijden van, of afstand van het mandaat van districtsraadslid door een voorgedragen kandidaat, kan niemand meer dan één akte van voordracht ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van overlijden van, of afstand van het mandaat van districtsraadslid door een voorgedragen kandidaat kunnen er, tot op de samenkomst van de districtsraad ter verkiezing van het bureau, nieuwe lijsten worden ingediend bij de voorzitter van de vergadering. Deze lijsten moeten aan de bovenvermelde voorwaarden beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste op de voordrachtlijst vermelde kandidaat wordt bij verkiezing automatisch voorzitter van de districtsraad. De rangorde van de leden van het bureau stemt overeen met de rangorde waarin de lijst werd opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkiezing geschiedt bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid. Wanneer er slechts één lijst werd voorgedragen, geschiedt de stemming in één ronde; in elk ander geval en indien na twee stemmingen geen lijst de meerderheid heeft verkregen, geschiedt de herstemming over de twee lijsten die de meeste stemmen hebben behaald; staken de stemmen bij herstemming dan is de lijst die de jongste kandidaat bevat, verkozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze installatievergadering wordt samengeroepen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente, ten laatste op 31 januari van het jaar waarin het mandaat van de nieuw verkozen districtsraad ingaat. § 2. Bij een tussentijdse vacature voor het lidmaatschap van het bureau of het voorzitterschap tengevolge van ontslag of overlijden, gaat de raad binnen drie maanden over tot de opvolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkozenen voor de raad kunnen daartoe kandidaten voordragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor dient per mandaat een gedagtekende akte van voordracht te worden neergelegd in de handen van de voorzitter van de raad, uiterlijk drie dagen voor de vergadering waar de verkiezing op de agenda staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om ontvankelijk te zijn, moeten de akten van voordracht ondertekend zijn door ten minste een meerderheid van hen die op dezelfde lijst werden verkozen en door de voorgedragen kandidaat. Ingeval de lijst waarop het kandidaat-bureaulid of de kandidaat-voorzitter voorkomt, slechts twee verkozenen telt, volstaat, voor de naleving van het voorgaande, de handtekening van één onder hen. Behoudens ingeval van overlijden van, of afstand van het mandaat van districtsraadslid door een voorgedragen kandidaat, kan niemand meer dan één akte van voordracht ondertekenen voor hetzelfde mandaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkiezing geschiedt bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid door zoveel afzonderlijke stemmingen als er tijdens de vergadering van de raad mandaten te begeven zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer voor een te begeven mandaat slechts één kandidaat werd voorgedragen geschiedt de stemming in één ronde; in elk ander geval en indien na twee stemmingen geen kandidaat de meerderheid heeft verkregen, geschiedt de herstemming over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald; staken de stemmen bij de herstemming, dan is de oudste in jaren verkozen. § 3. Het aantal leden van het bureau, met inbegrip van de voorzitter, wordt bepaald op twee derde van het aantal te verkiezen leden, met een maximum van vijf; bij breuk wordt afgerond naar het hoger aantal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel L1121-3 is van overeenkomstige toepassing. § 4. De bepalingen van de artikelen L1123-1, L1123-7, L1121-2, L1123-3, L1123-4, L1123-10, L1123-11, L1123-15, L1123-16, L1123-18, L1123-5, L1123-13, L1125-2, L1125-4, L1126-1, L1126-2 en L1123-14 zijn voor zover zij respectievelijk de burgemeester en de schepenen betreffen ook van toepassing respectievelijk op de voorzitter en op de leden van het bureau met dien verstande dat : 1° in artikel L1123-11, tweede tot vierde lid, het bureau in de plaats treedt van het college van burgemeester en schepenen, het bureau van het college en de wijze van vervanging ingeval van verhindering, bedoeld in het laatste lid, die is welke bepaald wordt in § 2 van dit artikel;2° de wedde van de leden van het bureau en van de voorzitter wordt bepaald door de regering, daarbij kan rekening gehouden worden met de omvang van de bevoegdheden die aan de districten toegewezen worden, alsook met het inwonersaantal van het district;3° de in artikel L1123-13 voor het ontslag van een schepen opgenomen regeling zowel geldt voor de voorzitter als voor de leden van het bureau;het ontslag wordt ingediend bij de districtsraad; 4° in artikel L1126-1, derde lid, het lid van het schepencollege dat de installatievergadering voorzit in de plaats treedt van de burgemeester, voor wat de eedafneming van de leden van het bureau betreft, en in artikel L1126-1, vierde lid, het lid van het schepencollege dat de installatievergadering voorzit in de plaats treedt van de provinciegouverneur, voor wat de eedafneming van de voorzitter betreft;5° de in artikel L1123-14 voor de schorsing en de afzetting van de schepenen opgenomen bepalingen gelden zowel voor de voorzitter als voor de leden van het bureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2. - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van het bureau Art. 1413-2. De bepalingen van de artikelen L1123-19 tot L1123-22 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van het bureau, met dien verstande dat de voorzitter optreedt in de plaats van de burgemeester en dat het college van burgemeester en schepenen wordt vervangen door het bureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3. - Bevoegdheden Art. 1413-3. § 1. Het bureau van de districtsraad is belast met : 1° het beheer van de inrichtingen die door het district werden opgericht;2° de leiding van de werken van het district. § 2. Het schepencollege kan de bureaus van de districten belasten met : 1° het beheer van gemeentelijke inrichtingen die in het district gelegen zijn;2° de vaststelling van de rooilijnen, met inachtname van de bepalingen van artikel L1123-23, 6°;3° het beheer van eigendommen van de gemeente die in het district gelegen zijn;4° het doen onderhouden van buurtwegen en waterlopen, met inachtname van de bepalingen van artikel L1123-23, 10°. § 3. Artikel L1123-25 is van overeenkomstige toepassing op het bureau van de districtsraad, met dien verstande dat de voorzitter optreedt in de plaats van de burgemeester en dat het college van burgemeester en schepenen wordt vervangen door het bureau.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1413-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 1413-4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitters van de districtsraden kunnen door het college van burgemeester en schepenen voor overleg worden samengeroepen telkens als de toestand dit vereist. Zulk overleg is alleszins verplicht jaarlijks voor het opmaken van de gemeentebegroting evenals voor de vaststelling van de personeelsformatie die ter beschikking wordt gesteld van de districtsraden. Met het oog op dit overleg vormen de voorzitters gezamenlijk de conferentie van de voorzitters HOOFDSTUK IV. - De secretaris Art. L1414-1. § 1. Er is in elk districtsbestuur een secretaris. § 2. De districtssecretaris wordt door de gemeenteraad aangewezen op de wijze bepaald in artikel L1124-2. § 3. De bepalingen van de artikelen L1126-3, L1124-3, L1124-4, § 1, L1124-5, L1124-19, L1132-1, L1132-2, L1132-3 en L1132-5 zijn van overeenkomstige toepassing op de secretaris met dien verstande dat : 1° in deze bepalingen de gemeenteraad moet worden vervangen door de districtsraad, het college van burgemeester en schepenen door het bureau van de districtsraad en de burgemeester door de voorzitter;2° het door de gemeenteraad goedgekeurd, administratief en geldelijk statuut ook van toepassing is op de secretaris;3° de gemeentelijke organen bevoegd blijven in tuchtaangelegenheden jegens de secretaris waarbij echter voorafgaandelijk advies aan het bureau van de districtsraad moet worden gevraagd. TITEL II. - De handelingen van de districtoverheden HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Art. L1421-1. De handelingen van de districtsraden, van het bureau en van de voorzitter mogen niet in strijd zijn met de Grondwet, de wetten en de besluiten van de federale overheid, de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de gewesten en gemeenschappen noch met de besluiten van de provinciale overheden, noch met de besluiten van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Opmaken en bekendmaking van de akten Art. L1422-1. Het opmaken en de bekendmaking van de akten van de districtsraden en van hun bureaus geschiedt op dezelfde wijze als bepaald voor de akten van de gemeenteraden en colleges doch de organen van het district treden hier in de plaats van de gemeenteraad en van het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1422-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1422-2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De reglementen en verordeningen van de districtsraad worden door de voorzitter bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel L1133-1. Zij zijn verbindend overeenkomstig het bepaalde in artikel L1133-2 TITEL III. - Volksraadpleging ENIG HOOFDSTUK Art. L1431-1. De artikelen L1141-1 tot en met L1141-12 betreffende de gemeentelijke volksraadpleging zijn van toepassing voor de districtsraden, voor zover het over aangelegenheden van gemeentelijk belang gaat die tot hun bevoegdheid behoren. In deze artikelen treden de districtsraad en het bureau op in de plaats van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL IV. - Bestuur van de districten ENIG HOOFDSTUK Art. L1441-1. Elke districtsraad doet een voorstel voor de samenstelling van een eigen personeelsformatie die rekening houdt met de eigen behoeften en die als zodanig deel uitmaakt van de door de gemeenteraad voor de gehele gemeente vastgestelde personeelsformatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De districtsraad doet voorstellen doch de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid blijft bij het gemeentebestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na goedkeuring van de personeelsformatie door de gemeenteraad wordt het personeel voor de districten ter beschikking gesteld door het college van burgemeester en schepenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze personeelsleden, die tewerkgesteld zijn in de districtsbesturen, blijven deel uitmaken van het gemeentelijk personeelsbestand en zij hebben het recht om binnen de gestelde voorwaarden mee te dingen voor andere ambten. Het toezicht zoals bepaald in artikel L1123-23, 9°, van de nieuwe gemeentewet ten aanzien van het aan het district geaffecteerde personeel, wordt uitgeoefend door het bureau van de districtsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke organen blijven bevoegd in tuchtaangelegenheden. Het tuchtdossier dient, behalve indien het de districtsecretaris in persoon betreft, een advies van laatstgenoemde bevatten. Het advies dient uiterlijk vijftien dagen nadat de gemeentesecretaris erom verzocht heeft, te worden uitgebracht. De tuchtprocedure kan verdergezet worden bij ontstentenis van het advies of indien het advies niet binnen de bepaalde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL V. - De financiën van de districten ENIG HOOFDSTUK Art. L1451-1. De gemeenteraad bepaalt de criteria op grond waarvan jaarlijks een algemene dotatie en/of specifieke dotaties uit de gemeentebegroting worden verstrekt aan de districten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1451-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1451-2</span><span class=\"lf-art-t\">De districtsraden moeten steeds vooraf advies uitbrengen over de manier waarop de financiering van de districten moet gebeuren</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1451-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1451-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de begrotingen en de rekeningen van de gemeenten zijn van toepassing op de begrotingen en de rekeningen van de districten; in het bijzonder : - gebeuren de vastleggingen en de betalingsopdrachten binnen de goedgekeurde begroting van het district door het bureau van het district; - staat de plaatselijke ontvanger in verband met bevoegdheden van de districtsraad of het bureau van de districtsraad onder het gezag van het bureau van de districtsraad; - is artikel L1122-26, § 2, van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring van de begroting en de jaarrekening van de districtsraad, met dien verstande dat de gemeenteraad moet vervangen worden door de districtsraad; - is artikel L1124-41 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de ontvanger ook door het bureau van de districtsraad kan worden gehoord over al de aangelegenheden die een financiële of budgettaire weerslag hebben met betrekking tot het bestuur van het district; - zijn de artikelen L1312-1 en L1312-2 van overeenkomstige toepassing op de rekeningen en de begrotingen van de districten, met dien verstande dat de gemeenteraad moet worden vervangen door de betreffende districtsraden waarbij de maand oktober in artikel L1312-2 moet worden vervangen door de maand september; - is artikel L1313-1 van overeenkomstige toepassing op de begrotingen en de rekeningen van de districten waarbij de neerlegging op het districtshuis gebeurt en waarbij het bureau van het district voor de aanplakking zorgt; - is artikel L1314-1 over het begrotingsevenwicht van overeenkomstige toepassing op de begrotingen van de districten Boek V. - De intercommunales TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Art. L1511-1. Dit boek is van toepassing op de intercommunales waarvan het rechtsgebied binnen de grenzen van het Waalse Gewest ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK II. - Aard en oprichting van de intercommunales Art. L1512-1. Verscheidene gemeenten kunnen gezamenlijk, onder de bij dit boek bedoelde voorwaarden, verenigingen met welbepaalde doeleinden van gemeentelijk belang oprichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verenigingen worden hierna intercommunales genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-2\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-2</span><span class=\"lf-art-t\">Elke andere publiek- of privaatrechtelijke persoon mag eveneens deel uitmaken van de intercommunales</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de bestaande aansluitingen wordt iedere deelneming van het Waalse Gewest in een intercommunale bij decreet toegelaten en vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-3\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De intercommunales nemen de rechtsvorm aan ofwel van naamloze vennootschap, ofwel van coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, ofwel van vereniging zonder winstoogmerk De wetten betreffende de handelsvennootschappen en de verenigingen zonder winstoogmerk zijn, al naar gelang het geval, van toepassing op de intercommunales, voor zover de statuten er niet van afwijken wegens de bijzondere aard van de vereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geen geval mogen de intercommunales die de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben aangenomen, nijverheids- of handelszaken drijven of trachten een stoffelijk voordeel aan hun leden te verschaffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-4\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-4</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. Ongeacht hun doel vervullen de intercommunales openbare taken en zijn als zodanig publiekrechtelijke rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij hebben geen handelskarakter. § 2. Als dusdanig mogen de intercommunales in eigen naam tot onteigeningen ten algemenen nutte overgaan, leningen aangaan, giften aanvaarden en toelagen van de openbare overheden ontvangen. Iedere inbreng en iedere verwerving moeten voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel van de intercommunale worden aangewend. § 3. In alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen en andere stukken uitgaande van de intercommunales moet de naam of de firma van de vennootschap onmiddellijk vóór of na het woord \"intercommunale\" leesbaar worden vermeld. § 4. Ongeacht de aard van de intercommunale is haar openbaar karakter doorslaggevend in de betrekkingen met haar vennoten, haar ambtenaren en iedere derde, alsmede in iedere interne of externe mededeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In al die gevallen zal de intercommunale gebruik maken van haar eigen naam en, eventueel, van haar letterwoord. § 5. Het personeel van de intercommunale is onderworpen aan een statutair en/of contractueel stelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-5\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De statuten van de intercommunale nemen de bijzondere bepalingen over die bij dit boek zijn opgelegd en, al naar gelang het geval, bij de wetgeving betreffende de handelsvennootschappen of de verenigingen zonder winstoogmerk, en vermelden ten minste : 1. haar naam;2. haar doel of haar doeleinden;3. de activiteitensector(en);4. haar rechtsvorm;5. haar maatschappelijke zetel;6. haar duur;7. de nauwkeurige aanwijzing van de vennoten, van hun inbrengen en van hun verbintenissen;8. de samenstelling en de bevoegdheden van haar bestuurs- en controleorganen, de wijze van aanstelling en afzetting van hun leden, evenals de mogelijkheid voor dezen, met uitzondering van de afgevaardigden in de algemene vergaderingen, om volmacht te geven aan een ander lid van hetzelfde orgaan dat zal worden aangewezen binnen de categorie waartoe de volmachtgever behoort;9. in voorkomend geval, de objectieve evenwichtscriteria om het stemrecht van de gemeentevennoten binnen de algemene vergadering vast te stellen en om een billijke vertegenwoordiging te waarborgen binnen de raad van bestuur, het college van commissarissen en het comité van toezicht van de gemeentevennoten;10. de wijze waarop aan de vennoten mededeling gedaan wordt van de jaarrekening, het verslag van het college van commissarissen en van de commissaris-revisor, het bijzonder verslag over het verwerven van participaties, het jaarverslag over het beheer van de intercommunale, het beleidsplan voor het volgende boekjaar, alsmede alle andere documenten die bestemd zijn voor de algemene vergadering;11. de besteding van de eventuele winsten;12. de wijze waarop de thesaurie wordt beheerd;13. de wijze van uittreden van een vennoot;14. de wijze van vereffening, de wijze waarop de vereffenaars worden aangesteld en de omschrijving dezer bevoegdheden en, onverminderd artikel L1541-2, de bestemming van de goederen en het lot van het personeel in geval van ontbinding Bij de oprichting van de intercommunale wordt aan iedere medeoprichter een financieel plan bezorgd waarin het bedrag van het maatschappelijk kapitaal wordt gerechtvaardigd. Het wordt op de maatschappelijke zetel van de intercommunale bijgehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-16\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maatschappelijke zetel van de intercommunale is gevestigd in één van de aangesloten gemeenten, in lokalen die aan de intercommunale of aan één van de aangesloten publiekrechtelijke personen toebehoren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-17\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-17</span><span class=\"lf-art-t\">De duur van de intercommunale mag dertig jaar niet overschrijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De intercommunale mag evenwel verlengd worden met één of meer termijnen waarvan geen enkele dertig jaar mag overschrijden. Over iedere verlenging moet minstens één jaar vóór het verstrijken van de lopende statutaire duur door de algemene vergadering beslist worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging is aangenomen voor zover de betrokken gemeenteraden en, in voorkomend geval, provincieraden erover hebben beraadslaagd en besloten, en voor zover deze verlengingsaanvraag de meerderheid verkrijgt die vereist is voor de goedkeuring van de statutaire wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen enkele vennoot mag evenwel worden gebonden door een termijn die verder reikt dan hetgeen was besloten vóór het ingaan van de verlenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intercommunale mag geen verbintenissen aangaan voor een termijn die haar duur overschrijdt, waardoor het voor een vennoot moeilijker of bezwarender zou zijn om gebruik te maken van het recht om niet mee te doen aan de verlenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vennoten zijn niet hoofdelijk aansprakelijk. Ze zijn gehouden tot nakoming van de maatschappelijke verbintenissen ten belope van hun inschrijvingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-l1512-8\"><span class=\"lf-art-num\">Art. L1512-8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De statuten kunnen voorzien in de mogelijkheid voor een gemeente om uit de intercommunale te treden vóór het verstrijken van haar duur. § 2. Elke vennoot mag hoe dan ook onder de volgende voorwaarden uit de intercommunale treden : 1. na vijftien jaar te rekenen, volgens het geval, vanaf het begin van de lopende statutaire termijn of vanaf zijn aansluiting met de instemming van tweederde van de stemmen van de andere vennoten, voor zover de positieve stemmen de meerderheid omvatten van de stemmen uitgebracht door de vertegenwoordigers van de aangesloten gemeenten, en onder voorbehoud dat degene die uittreedt de schade vergoedt die zijn uittreding, naar schatting van deskundigen, aan de intercommunale en aan de andere vennoten berokkent;2. indien dezelfde activiteit van gemeentelijk belang in de zin van artikel L1512-1, in dezelfde gemeente aan verschillende intercommunales, bedrijven of instellingen van openbaar nut wordt toevertrouwd, mag de gemeente beslissen die activiteit, voor haar gehele grondgebied, toe te vertrouwen aan één enkele intercommunale, aan één enkel bedrijf of aan één enkele belanghebbende gewestelijke instelling van openbaar nut.Indien de in het vorige lid bedoelde gevallen zich niettegenstaande iedere andersluidende statutaire bepaling voordoen, is de stemming niet vereist</p></div>", "next": 239145}