{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan bij een met redenen omkleed besluit tot het opmaken van een bijzonder bestemmingsplan besluiten : 1° in de omtrek van de in artikel 17 bedoelde prioritaire interventiegebieden van het Gewest;2° ter wijziging of ter vernietiging van een verkavelingsvergunning die niet overeenstemt met plannen die later van kracht zijn geworden, of die in tegenstrijd is met werken van openbaar nut;3° ter verduidelijking van bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan.(118)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan bij een met redenen omkleed besluit beslissen een bijzonder bestemmingsplan te wijzigen wanneer één van de volgende voorwaarden is vervuld : 1° het plan stemt niet meer overeen met het gewestelijk bestemmingsplan;2° het plan is in tegenstrijd met werken van openbaar nut;3° het plan bevindt zich volledig of gedeeltelijk in een in artikel 17 bedoeld prioritair interventiegebied van het Gewest;4° ter verduidelijking van de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan;5° de wijziging van het plan werd gepland door het gewestelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan. De Regering kan eveneens besluiten een bijzonder bestemmingsplan te wijzigen met als gevolg de vernietiging of de wijziging van een verkavelingsvergunning die overeenkomt met één van de in het eerste lid bedoelde gevallen. (120)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering besluit een bijzonder bestemmingsplan op te maken of te wijzigen, verzoekt zij de gemeenteraad op te treden overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwerking of wijziging van bijzondere bestemmingsplannen Zij bepaalt de termijn waarbinnen de gemeenteraad haar het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport, wanneer er een gevraagd wordt, het ontwerp-plan en het plan ter goedkeuring moet voorleggen. (122) Art. 56.Wanneer de gemeenteraad het verzoek van de Regering heeft verworpen of de termijnen die hem worden opgelegd niet heeft nageleefd, kan de Regering zich in de plaats van de gemeenteraad stellen om het bijzonder bestemmingsplan uit te werken of te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering gaat vervolgens te werk in de plaats van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen in de vorm en binnen de termijnen bepaald in de bepalingen inzake de uitwerking of wijziging van bijzondere bestemmingsplannen. (124) Art. 57.Hel bijzonder bestemmingsplan treedt in werking vijftien dagen nadat het bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Binnen drie dagen na deze bekendmaking ligt het volledige plan ter beschikking van de bevolking in het gemeentehuis. (126) Afdeling VI. - Opheffingsprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad kan op eigen initiatief of op verzoek gedaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 51 het geheel of een gedeelte van de perimeter van (128) een bijzonder bestemmingsplan opheffen. (129) Art. 59.De gemeenteraad hecht zijn goedkeuring aan een ontwerpbeslissing om een bijzonder bestemmingsplan op te heffen, vergezeld van een verslag waarin de opheffing van het bijzonder bestemmingsplan wordt verantwoord in plaats van de wijziging ervan, en onderwerpt de beslissing aan een openbaar onderzoek Dit onderzoek wordt aangekondigd door middel van aanplakbiljetten en via een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Franstalige en drie Nederlandstalige kranten die in het Gewest worden verspreid, volgens de regels te stellen door de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hel openbaar onderzoek duurt dertig dagen. De bezwaren en opmerkingen worden aan het college van burgemeester en schepenen gezonden binnen deze termijn en worden gevoegd bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek. Dit proces-verbaal wordt opgesteld door het college van burgemeester en schepenen binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het openbaar onderzoek. (131) Art. 60.De ontwerpbeslissing lot opheffing van het bijzonder bestemmingsplan, vergezeld van het verslag bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het procesverbaal van sluiting van het onderzoek, binnen twintig dagen na de afsluiting van het onderzoek voorgelegd aan de overlegcommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze commissie brengt binnen zestig dagen na de afsluiting van het onderzoek advies uit. Bij gebreke van advies binnen deze termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zestig dagen nadat de overlegcommissie advies heeft uitgebracht, kan de gemeenteraad, na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek, de beslissing tot opheffing definitief goedkeuren of ze wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste geval motiveert hij zijn beslissing ten aanzien van de bezwaren en opmerkingen die gedurende het onderzoek zijn geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede geval wordt een nieuw onderzoek gehouden zoals bepaald in artikel 59. (133) Art. 61.De beslissing tot opheffing van een bijzonder bestemmingsplan wordt door de Regering goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier. Bij gebreke van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn, wordt de goedkeuring geacht te zijn geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot goedkeuring of tot weigering van goedkeuring wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het treedt in werking 15 dagen na deze bekendmaking. (135) Art. 62.§ 1. De gemeenteraad kan uit eigen beweging of op verzoek van de Regering, geformuleerd in een met redenen omkleed besluit, beslissen de impliciete opheffingen vast te stellen van de woordelijke en grafische bepalingen van een bijzonder bestemmingsplan indien die niet in overeenstemming zijn met het gewestelijk bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gedeeltelijke opheffing wordt het besluit van de gemeenteraad vergezeld van een gecoördineerde versie van de grafische en woordelijke voorschriften van het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na de ontvangst van het met reden omklede besluit. Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de Regering tot goedkeuring van de beslissing van de gemeente raad of naargelang het geval, het advies van de Regering vaststellende dat de goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad geacht wordt te zijn goedgekeurd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 2. Indien de procedure tot vaststelling van de opheffingen werd ingesteld op verzoek van de Regering om de in paragraaf 1 bedoelde redenen en indien de gemeenteraad de aanvraag van de Regering heeft verworpen of er niet op heeft geantwoord binnen de gestelde termijn, kan de Regering in de plaats van de gemeenteraad treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gedeeltelijke opheffing het besluit van de Regering vergezeld van een gecoördineerde versie van de grafische en woordelijke voorschriften van het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uittreksel ervan wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. (137) Art. 63.§ 1. Als de opheffing van een bijzonder bestemmingsplan voor de volledige perimeter of een deel ervan werd gepland door een gemeentelijk ontwikkelingsplan, dan keurt de gemeenteraad de opheffing goed binnen zes maanden na het in werking treden van het gemeentelijk ontwikkelingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na ontvangst van de beslissing. Bij gebreke van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de Regering tot goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad of naar gelang van het geval, het bericht van de Regering dat vaststelt dat de goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad geacht wordt te zijn goedgekeurd, worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de Regering of, naar gelang van het geval, de beslissing van de gemeenteraad treedt in werking binnen de termijn vastgesteld door de Regering, of bij gebrek daaraan, 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. § 2. Als de gemeenteraad de beslissing tot opheffing niet heeft goedgekeurd binnen zes maanden na het in werking treden van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, kan de Regering zich in de plaats van de gemeenteraad stellen en rechtstreeks overgaan tot opheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uittreksel van het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het treedt in werking binnen de termijn vastgesteld door de Regering of bij gebreke daaraan binnen 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. (139) Afdeling VII. - Gevolgen van het plan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 64</span><span class=\"lf-art-t\">Alle bepalingen van het bijzonder bestemmingsplan hebben bindende kracht en verordenende waarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het blijft van kracht tot wanneer het volledig of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven wordt. (141) Art. 65.De bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan kunnen beperkingen op het gebruik van de eigendom inhouden, met inbegrip van bouwverbod. (143) Art. 67.Wanneer het bijzonder bestemmingsplan door de Regering wordt vastgesteld of goedgekeurd, is de gemeente ontslagen van elke andere wettelijke vormvereiste inzake rooiplannen. (145) Art. 67.Tenzij de voorschriften van het bijzonder bestemmingsplan ze uitdrukkelijk opleggen, stelt dit plan, indien goedgekeurd na 1 januari 1981, de aanvragen om stedenbouwkundigevergunningen, om verkavelingsvergunningen en om stedenbouwkundigeattesten vrij van de speciale regelen van openbaarmaking, vereist door het gewestelijk bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is evenwel niet van toepassing op de aanvragen betreffende de handelingen en werken strekkende tot de aanleg of de wijziging van verkeerswegen. (147) Afdeling VIII. - Opvolging van het plan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen legt om de drie jaar een rapport over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van de bijzondere bestemmingsplannen op het milieu en over de eventueel aan te brengen correcturen voor aan de gemeenteraad Het publiek wordt op de hoogte gebracht volgens de modaliteiten voorzien in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet. (149) HOOFDSTUK VI. - Onteigening en vergoeding Afdeling I. - Beginsel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de uitvoering van de bepalingen met bindende kracht en verordenende waarde van de in deze titel bepaalde plannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht Ongeacht de bepalingen die andere overheden bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen als onteigenende instanties optreden : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de gemeenten van het Gewest en de openbare instellingen alsmede de organen die van het Gewest afhangen en bij ordonnantie bevoegd verklaard zijn om ten algemenen nutte te onteigenen. (151) Afdeling II. - Procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om over te gaan tot de nodige onteigeningen voor de uitvoering van een plan, moet de onteigenende instantie in het bezit zijn van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan dat geheel of gedeeltelijk toepasselijk is op het in het plan afgebeelde grondgebied Wanneer de onteigening in het kader van de uitvoering van een bijzonder bestemmingsplan wordt gevorderd, kan het besluit van de Regering tegelijk op het bijzondere plan en het desbetreffende onteigeningsplan betrekking hebben. (153) Art. 71.Het onteigeningsplan moet de omtrek van de te onteigenen goederen aangeven, afzonderlijk of tot stroken samengevoegd, met kadastrale vermelding van de sectie, de nummers, de grootte en de aard der percelen, evenals van de naam der eigenaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet eveneens de onteigenende instantie(s) vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de uit te voeren werken en onroerende verrichtingen betreft, kan het onteigeningsplan zich tot het overnemen van de voorschriften van het plan beperken. (155) Art. 72.§ 1. De gemeente onderwerpt het onteigeningsplan aan een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt door aanplakking aangekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onteigeningsplan wordt gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór de neerlegging van het ontwerp in het gemeentehuis worden de eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de te onteigenen goederen, er persoonlijk, schriftelijk en in hun woonplaats van in kennis gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaren en opmerkingen worden binnen de termijn van dertig dagen, bedoeld in het tweede lid, aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis gebracht en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onteigeningsplan wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het onderzoek. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste de helft van de termijn van vijfenveertig dagen valt buiten de periodes van de schoolvakanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met drie maanden worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen kan de onteigenende instantie bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Regering toezenden. Indien de onteigenende instantie, na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, de beslissing van de Regering niet heeft ontvangen, wordt het plan geacht te zijn geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit houdende goedkeuring wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Wordt het onteigeningsplan evenwel terzelfder tijd met het bijzonder bestemmingsplan opgemaakt, dan wordt het onteigeningsplan onderworpen aan de formaliteiten, bepaald voor de uitwerking van dit plan, onverminderd de in § 1, derde lid, voorziene bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt tot de onteigening besloten door een andere instantie, openbare instelling of orgaan dan de gemeente waar de goederen gelegen zijn, dan komen de kosten van het door de gemeente gedane openbaar onderzoek ten laste van de onteigenaar. (157) Art. 73.Wanneer de onteigening wordt gevorderd met het oog op de uitvoering van het gewestelijk bestemmingsplan, wordt het onteigeningsplan na het advies van de overlegcommissie en vóór de beslissing van de Regering aan de Gewestelijke Commissie ter advies voorgelegd. (159) Art. 74.Wanneer de onteigenaar in het bezit is van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan, is hij ontheven van de administratieve formaliteiten welke door alle andere wettelijke bepalingen op de onteigeningen ten algemenen nutte zijn voorgeschreven. (161) Art. 75.Op verzoek van de onteigenende instantie worden de aankoopcomités van onroerende goederen ingesteld bij de Minister van Financiën, belast met alle aankopen en onteigeningen van goederen ter uitvoering van de plannen, evenals met het sluiten van alle overeenkomsten voor de ruilverkaveling of de herverkaveling van grondeigendommen. Die comités, alsmede de ontvangers van de Domeinen zijn, ongeacht de onteigenende goederen, bevoegd om de krachtens de plannen van aanleg aangekochte of onteigende percelen zonder bijzondere formaliteiten openbaar of onderhands te verkopen. Van de in dit artikel bedoelde akten kunnen grossen worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitters van de aankoopcomités zijn bevoegd om de onteigenende instantie of instelling in rechte te vertegenwoordigen. (163) Art. 76.De in dit hoofdstuk bedoelde onteigeningen zullen worden gevorderd met toepassing van de rechtspleging, ingesteld bij de wet van 17 april 1835 inzake de onteigening ten algemenen nutte, gewijzigd door de wetten van 27 mei 1870 en van 9 september 1907, of door de wet van 10 mei 1926 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het echter volstrekt noodzakelijk is onmiddellijk bezit te nemen van een onroerend goed of van een groep onroerende goederen, stelt de Regering dit vast in het besluit dat aan het onteigeningsplan bindende kracht verleent, of in een afzonderlijk besluit. In dat geval wordt de rechtspleging toegepast, ingesteld bij de wet van 29 maart 1962 inzake de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte. (165) Afdeling III. - Vergoedingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de waarde van het onteigende goed wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een bestemmingsplan voorzover de onteigening wordt gevorderd voor de uitvoering van de aanleg van dit plan Bij het bepalen van de waarde wordt eveneens geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen door werken of veranderingen uitgevoerd met overtreding van de wettelijke en verordenende bepalingen inzake stedenbouw. (167) Art. 78.Onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter uitvoering van een plan met inbegrip van de uitvoering van een wijziging aan dit plan, worden voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen geacht een geheel te vormen op de dag van het eerste onteigeningsbesluit. (169) Afdeling IV. - Uitvoeringstermijn voor de onteigeningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 79</span><span class=\"lf-art-t\">De krachtens dit hoofdstuk genomen onteigeningsplannen houden op te gelden na een termijn van tien jaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de bevoegde overheid de verwezenlijking van de in artikel 69 bedoelde bepalingen na de termijn van tien jaar wenst verder te zetten, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 70 tot 76. (171) In dit geval kan de eigenaar een vergoeding aanvragen binnen de bij artikel 81 bepaalde grenzen onverminderd de vergoedingen die hem ter gelegenheid van de onteigening toekomen. (173) Art. 80.De bepalingen van artikelen 70 tot 74, 77 en 78 zijn van toepassing op de aankopen van goederen, nodig voor de uitvoering van de rooiplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de Regering kan evenwel bepalen dat het rooiplan slechts kan worden uitgevoerd naarmate de aanvragen om een stedebouwkundige- of verkavelingsvergunning worden ingediend; in dat geval zijn de bepalingen van artikel 79 niet van toepassing. (175) Afdeling V. - Vergoeding van de waardeverminderingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Schadevergoeding is al naar het geval verschuldigd door het Gewest of de gemeente, wanneer het verbod om te bouwen of te verkavelen voortvloeiend uit een bestemmingsplan met bindende kracht een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed normaal bestemd is op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan in zoverre de bepalingen ervan verordenende waarde en bindende kracht hebben De waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen enerzijds de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de vóór de inwerkingtreding van het ontwerpplan of van het plan gedragen lasten en kosten, en anderzijds de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking komen voor schadeloosstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij de weigering van een stedenbouwkundigevergunning of van een verkavelingsvergunning, ofwel bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest, waartegen de beroepen waarin voorzien in dit Wetboek niet meer kunnen worden ingesteld. Het kan eveneens ontstaan op het ogenblik van de verkoop van het goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel, onder meer wat de vaststelling van de waarden van het goed en de actualisering ervan betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waardevermindering van het goed volgend uit het bouw- of verkavelingsverbod, moet evenwel zonder vergoeding gedoogd worden ten belope van twintig ten honderd van die waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt verminderd of geweigerd indien en voorzover vaststaat dat de eiser op het grondgebied van het Gewest andere goederen bezit, die voordeel halen uit de inwerkingtreding van een plan of uit werken uitgevoerd op kosten van de overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de verplichting tot schadevergoeding kan worden voldaan door een met redenen omkleed besluit van de Regering waarin de wijziging of de gedeeltelijke of volledige opheffing van bedoeld plan beslist of toegestaan wordt, met als gevolg dat er een einde wordt gemaakt aan het verbod om te bouwen, te herbouwen of te verkavelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan niet overgaan tot een dergelijke gedeeltelijke of volledige opheffing als dat verbod eveneens ingesteld is door een hoger plan. § 2. Wanneer krachtens een plan met bindende kracht een bouwverbod kan worden ingeroepen tegen degene die een perceel in een verkaveling heeft aangekocht, kan het Gewest of de gemeente zich aan de verplichting tot vergoeding onttrekken door dat perceel van de betrokkene terug te kopen, mits de door hem betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en kosten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene slechts eigenaar is van het bovenvermelde perceel, kan hij de terugkoop door het Gewest of de gemeente eisen door zijn wil te doen kennen bij aangetekende brief, die binnen twaalf maanden volgend op de bekendmaking van het bovenvermeld plan moet worden verzonden. In dat geval moet het perceel worden teruggekocht en betaald binnen het jaar na de kennisgeving. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling. § 3. Er is geen vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen : 1° verbod te bouwen of te verkavelen als gevolg van een voorziene onteigening van het goed en zulks, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 79;2° verbod een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het plan toelaat, of bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden;3° verbod de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de termijn waarvoor de exploitatie was vergund;4° verbod te bouwen op een terrein dat de bij het bijzondere bestemmingsplan bepaalde minimumafmetingen niet heeft;5° verbod om een terrein dat, rekening houdend met de plaatselijke toestand, geen toegang heeft tot een voldoende uitgeruste weg, te verkavelen of te bebouwen;6° verbod een terrein te verkavelen waarvoor een vroeger afgegeven verkavelingsvergunning vervallen was op de datum van de inwerkingtreding van het plan dat bedoeld verbod inhoudt;7° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp, als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit de bepalingen, voorgeschreven in de wetgeving en in de reglementering betreffende de schade veroorzaakt door natuurrampen.(177)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen tot betaling van vergoedingen, ongeacht het bedrag ervan, behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg. Alle op dat stuk gewezen vonnissen, behalve de voorbereidende, zijn vatbaar voor hoger beroep De aanvragen vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 81, § 1, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen vergunning wordt aangevraagd is de termijn tien jaar te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het plan. Deze termijn wordt op vijftien jaar gesteld voor de vordering (179) tot vergoeding als bedoeld in artikel 79. (180) HOOFDSTUK VII. - Ruilverkaveling en herverkaveling Art. 83.Bij ruilverkaveling of herverkaveling treedt het ruilverkaveld goed of de nieuwe kavel werkelijk in de plaats van het vorig goed. Mits de hierna voorgeschreven formaliteiten van openbaarmaking vervuld worden en onder voorbehoud van de uit bijzondere overeenkomsten voortvloeiende wijzigingen : 1° gaan de voorrechten en hypotheken en alle zakelijke rechten, erfdienstbaarheden uitgezonderd, die het vorige goed bezwaarden, de oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding van de titel van de eigenaar van bedoeld goed, alsmede de rechtsvorderingen van alle aard betreffende dat goed, van rechtswege over op het hele ruilverkaveld goed, met inbegrip van de erbij gevoegde nieuwe delen, of op de nieuwe kavel die in de plaats treedt van het vorige goed alsook in voorkomend geval op de prijs, de opleg of het saldo van de opleggen die aan de eigenaar van het vorige goed mochten toekomen ten gevolge van de ruilverkaveling of herverkaveling in hun geheel beschouwd;2° worden het goed of de delen ervan die krachtens de ruilverkaveling of de herverkaveling in het vermogen komen van één of meer andere eigenaars, vrij van alle hierboven bedoelde rechten, oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding en rechtsvorderingen in dat vermogen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overbedeelde kwijt zich op geldige wijze door de prijs of de opleg in de Deposito- en Consignatiekas te storten. (182)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van vernietiging, herroeping of ontbinding heeft de overdracht van ambtswege plaats onverminderd de vergoedingsregeling die tussen partijen moet worden getroffen telkens als het ruilverkaveld perceel of de nieuwe kavel meer waard is dan het vorige perceel. (184)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals deze in artikel 83 zijn omschreven, kunnen slechts tegen derden worden ingeroepen nadat de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling op het hypotheekkantoor van de goederen is overgeschreven, en bovendien, wat de overdracht of het tenietgaan van de voorrechten en hypotheken betreft, pas vanaf de dag dat op de kant van de inschrijving betreffende die rechten melding is gemaakt van de tot stand gekomen overeenkomst Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende instantie, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt : 1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser;2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld goed;4° de vermeldingen voorgeschreven bij de wetgeving inzake hypotheken. De bewaarder overhandigt aan de verzoeker de akte en één van de borderellen, waarop hij onderaan verklaart de melding te hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Gewest de onroerende verrichtingen voor eigen rekening neemt, draagt het de kosten van de hypotheekformaliteiten ten aanzien van de rechten die de ruilverkavelde of herverkavelde goederen bezwaren. (186)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht van huur betreffende ruilverkavelde of herverkavelde goederen, met uitzondering van de pacht, gaat over op de nieuwe kavel die aan de verhuurder is toebedeeld, behoudens verlaging of verhoging van de huurprijs en tenzij de huurder de huurovereenkomst wenst op te zeggen. (188) TITEL III. - STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENINGEN HOOFDSTUK I. - Algemeen Art. 87.De stedenbouw van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt door de voldende verordeningen vastgelegd : 1. de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen;2. de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen.(190) HOOFDSTUK II. - Gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen Art. 88.De Regering kan één of meer gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen vaststellen, die bepalingen bevatten om onder meer te voorzien in : 1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid en de fraaiheid van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, aismede hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming;2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning;3° de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de schoonheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan;4° de aanleg van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van de gebouwen, met name wat betreft de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie en de vuilophaling;5° de minimumnormen inzake bewoonbaarheid van de woningen;6° de woonkwaliteit en het gemak van het langzaam verkeer met name door voorkoming van lawaai, stof en rook bij de uitvoering van werken, en door deze werken op bepaalde uren en dagen te verbieden;7° de toegang voor de personen met verminderde beweeglijkheid tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen;8° de gebruiksveiligheid van een voor het publiek toegankelijk goed Deze verordeningen kunnen betrekking hebben op de bouwwerken en installaties boven en onder de grond, op de uithangborden en de reclame-inrichtingen, de antennes, de leidingen, de afsluitingen, de opslagplaatsen en onbebouwde terreinen, de beplantingen, de wijziging van het reliëf van de bodem, en de inrichting van ruimten ten behoeve van het verkeer en het parkeren van voertuigen buiten de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze stedenbouwkundigeverordeningen mogen niet afwijken van de opgelegde voorschriften inzake de grote wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij zijn van toepassing op het gehele grondgebied van het gewest, of op een deel ervan waarvan zij de grenzen bepalen. (192) Art. 89.§ 1. De Regering stelt het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundigeverordening vast en organiseert een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente van het Gewest, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid alsmede door een mededeling op radio en televisie volgens de door de Regering bepaalde regels. In deze aankondiging worden de begin- en einddatum van het onderzoek vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze aankondigingen wordt het ontwerp van verordening gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het ontwerp van verordening slechts voor een deel van het grondgebied van het gewest van toepassing is, beperkt het openbaar onderzoek zich tot de betrokken gemeenten. § 2. Wanneer het ontwerp van verordening op het hele grondgebied van het gewest van toepassing is, worden de bezwaren en opmerkingen binnen de termijn van het onderzoek bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de Regering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verstrijken van de onderzoekstermijn beschikken de gemeenteraden en de adviesorganen, waarvan de lijst door de Regering werd vastgelegd, over een termijn van dertig dagen om hun advies te geven. De adviezen die niet uitgebracht werden binnen die termijn worden gunstig geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp van verordening wordt samen met de bezwaren en opmerkingen en adviezen aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd. De Gewestelijke Commissie brengt binnen dertig dagen na ontvangst van het volledige dossier advies uit. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de Gewestelijke Commissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven. Indien op het ogenblik dat de Commissie haar advies moet uitbrengen zij niet geldig is samengesteld bij gebreke aan de aanwijzing van haar leden binnen de bij artikel 7 bepaalde termijn, gaat de termijn van dertig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. (194) Ten minste de helft van de in het tweede en derde lid van deze paragraaf bedoelde termijnen valt buiten de periodes van de schoolvakanties. § 3. Wanneer het ontwerp van verordening slechts op een deel van het grondgebied van het gewest van toepassing is, worden de bezwaren en opmerkingen - waarvan door de indiener een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente kan worden gestuurd - aan de Regering toegezonden binnen de termijn van het onderzoek bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opmerkingen en bezwaren worden binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de betrokken overlegcommissie voorgelegd. Deze raadpleegt de besturen en organen waarvan de Regering de lijst vastlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze besturen en organen brengen hun advies uit binnen dertig dagen na de aanvraag van de overlegcommissie. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn worden deze besturen en organen geacht een gunstig advies te hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overlegcommissie brengt binnen zestig dagen na ontvangst van het dossier advies uit. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste de helft van de in lid 3 en 4 voorgeschreven termijnen valt buiten de periodes van de schoolvakanties. § 4. Het advies van de Gewestelijke Commissie of van de overlegcommissie wordt aan de Regering toegezonden die de gewestelijke stedenbouwkundigeverordening definitief vaststelt. Wanneer de beslissing van de Regering afwijkt van het advies van de Gewestelijke Commissie of van de overlegcommissie wordt deze met redenen omkleed. (196) Art. 90.De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening treedt in werking binnen de door de Regering vastgestelde termijn, of bij ontstentenis daarvan, vijftien dagen na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewestelijke stedenbouwkundigeverordening ligt ter beschikking van de bevolking in elk gemeentehuis, of in het betrokken gemeentehuis, indien de verordening enkel een deel van het grondgebied van het gewest betreft, binnen drie dagen na de bekendmaking ervan. (198) HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Art. 91.De gemeenteraad kan stedenbouwkundigeverordeningen vaststellen voor het gemeentelijk grondgebied of een deel ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke stedenbouwkundigeverordeningen hebben betrekking op dezelfde materies als deze die geregeld worden door de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen, die ze kunnen aanvullen. Zij kunnen, overeenkomstig de artikelen 100, § 3, 2e lid en 112, § 3, 2e lid, de omstandigheden vaststellen waarin stedenbouwkundige lasten kunnen worden opgelegd bij het afleveren van een stedenbouwkundigevergunning, alsook de omvang van deze lasten. (200) Art. 92.De gemeenteraad neemt voorlopig het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening aan en onderwerpt het aan een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt door aanplakking aangekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp van verordening wordt gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaren en opmerkingen worden binnen deze termijn ter kennis gebracht van het college van burgemeester en schepenen en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp van verordening wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd. Deze brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het onderzoek. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad heeft, na het advies van de overlegcommissie, dertig dagen tijd om kennis te nemen van de resultaten van het onderzoek en van het advies, en neemt de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening definitief aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste de helft van de termijn toebedeeld aan de overlegcommissie om advies uit te brengen en aan de gemeenteraad om de verordening definitief aan te nemen, valt buiten de periodes van de schoolvakanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeenteraad van de bezwaren en opmerkingen, uitgebracht gedurende het onderzoek of van het advies van de overlegcommissie afwijkt, wordt zijn beslissing met redenen omkleed. (202) Art. 93.De gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening wordt door de Regering goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering verleent haar goedkeuring binnen een termijn van drie maanden gerekend vanaf de ontvangst van het dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met drie maanden worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een beslissing van de Regering binnen de voorgeschreven termijnen, wordt de gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening geacht te zijn goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de goedkeuring wordt geweigerd, wordt het besluit van de Regering met redenen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de andere vigerende wijzen van bekendmaking wordt het besluit houdende goedkeuring van de gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening of het advies tot vaststelling van de goedkeuring van de verordening bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, op initiatief van de meest gerede betrokken partij. De gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening ligt ter beschikking van de bevolking in het gemeentehuis binnen drie dagen van de bekendmaking ervan. (204) HOOFDSTUK III. - Gevolgen van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Art. 94.De voorschriften van de vigerende gewestelijke en gemeentelijke verordeningen zijn enkel van toepassing op het grondgebied gedekt door een overeenkomstig titel II opgemaakt plan in de mate dat ze niet strijdig zijn met de verordenende voorschriften van deze plannen. (206) Art. 95.De gewestelijke stedenbouwkundige verordening heft de niet-conforme bepalingen van de gemeentelijke verordeningen op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een gewestelijke verordening in werking treedt, past de gemeenteraad op eigen initiatief of binnen de hem door de Regering opgelegde termijn, de gemeentelijke verordening aan de bepalingen van de gewestelijke verordening aan. (208) Art. 96.De gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen een vergunning opleggen voor de uitvoering van handelingen en werken die niet in artikel 98, § 1, worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze handelingen en werken worden echter van een dergelijke vergunning vrijgesteld indien zij op de in artikel 98, § 2, bedoelde lijst staan. (210) HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Art. 97.De regels met betrekking tot het opstellen van de gewestelijke en gemeentelijke verordeningen zijn van toepassing op de wijziging ervan. (212) TITEL IV. - VERGUNNINGEN EN ATTEST HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige vergunning Afdeling I. - Handelingen en werken onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning Art. 98.§ 1. Niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen : 1° bouwen, een grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer vaste inrichtingen, reclame-inrichtingen en uithangborden inbegrepen; onder bouwen en plaatsen van vaste inrichtingen wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een kunstwerk of het plaatsen van een inrichting, zelfs uit niet duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, op de grond of op een bestaand bouwwerk is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden; 2° verbouwen van een bestaand bouwwerk met uitzondering van instandhoudings- en onderhoudswerken;onder verbouwen wordt verstaan de wijziging - binnen of buiten - van een gebouw, kunstwerk of een inrichting, door onder meer toevoeging of afschaffing van een plaats, een dak, wijziging van het aspect van het bouwwerk of het gebruik van andere materialen, zelfs als deze werken de omvang van het bestaande gebouw niet wijzigen; 3° een bouwwerk afbreken;4° herbouwen;5° de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, zelfs als deze wijziging geen werken vereist; het gebruik van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, zelfs als die wijziging geen werken vereist, maar voorzover die wijziging is opgenomen in een door de regering vastgestelde lijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men bedoelt met : a) « gebruik », het feitelijk gebruik van een onbebouwd goed of van één of meer vertrekken van een bebouwd goed;b) « bestemming », de bestemming van een onbebouwd goed of van één of meer vertrekken van een bebouwd goed, zoals aangegeven in de bouw- of stedebouwkundigevergunning of, bij gebrek aan dergelijke vergunning of aanduiding in deze vergunning, de bestemming aangegeven in de bestemmingsplannen;6° het reliëf van de bodem aanzienlijk wijzigen;7° ontbossen;8° hoogstammige bomen vellen;9° ontginnen of de vegetatie wijzigen van elk gebied waarvan de bescherming noodzakelijk wordt geacht door de Regering;10° een grond gewoonlijk gebruiken voor : a) het opslaan van één of meer gebruikte voertuigen, van schroot, van materialen of afval;b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens voor reclamedoeleinden inbegrepen;c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen, tenten.Er is evenwel geen vergunning vereist voor het kamperen met verplaatsbare inrichtingen op een kampeerterrein in de zin van de wetgeving op het kamperen; 11° handelingen en werken ondernemen of laten ondernemen voor de restauratie, de uitvoering van opgravingen of wijziging van het uitzicht van delen of van het geheel van een goed dat is beschermd of ingeschreven op de bewaarlijst, of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is of over te gaan tot het verplaatsen van een dergelijk goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf vast. § 2. De Regering kan de lijst vaststellen van de werken en handelingen waarvoor, wegens hun geringe omvang, geen vergunning vereist is. De lijst is evenwel niet van toepassing op de handelingen en werken aan een goed dat is beschermd of ingeschreven op de bewaarlijst of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is. § 3. De bepalingen van dit Wetboek zijn van toepassing op de niet in § 1 opgesomde handelingen en werken, wanneer een stedenbouwkundige verordening voor de uitvoering ervan een vergunning voorschrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke verordening kan evenwel geen betrekking hebben op handelingen en werken die voorkomen op de in § 2 bedoelde lijst. (214) Art. 99.De notaris vermeldt in alle akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar, van een bebouwd of ongebouwd goed, alsmede in alle akten van vestiging van erfpacht of van opstal, de voorziene bestemming in de bestemmingsplannen op het ogenblik dat de akte wordt verleden en de verklaring van de verkoper, van de verhuurder of van de erfpachtof opstalgever, hetzij dat voor het goed een stedenbouwkundige vergunning is verleend of een stedenbouwkundig attest dat laat voorzien dat een dergelijke vergunning zou kunnen worden verkregen, hetzij, bij ontstentenis van die vergunning of dat attest, dat geen verzekering kan worden gegeven omtrent de mogelijkheid om op het goed een van de werken en handelingen bedoeld in artikel 98, § 1, te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij vermeldt bovendien dat geen van de werken en handelingen bedoeld in artikel 98, § 1 mogen worden verricht op het goed waarop de akte betrekking heeft, zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde verklaring. (216) Afdeling II. - Stedenbouwkundige lasten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering kunnen, in naleving van het evenredigheidsbeginsel, aan de afgifte van de vergunningen lasten verbinden die zij aan de aanvrager menen te moeten opleggen. Deze lasten bevatten onder meer, buiten de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan, de kosteloze verwezenlijking, verbouwing of renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen en woongebouwen Zij kunnen bovendien de afgifte van de vergunning doen afhangen van een verklaring, waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt, wanneer de werken zijn begonnen, aan de gemeente kosteloos, vrij en onbelast en zonder kosten voor haar, de eigendom over te dragen van openbare wegen, openbare groene ruimten, openbare gebouwen, openbare nutsvoorzieningen, en woonblokken evenals de gronden waarop deze worden of zullen worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kunnen, in de plaats van of als aanvulling op de uitvoering van de hogerop vermelde lasten en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk maken van een storting van een geldsom tot financiering van handelingen en werken die zij bepalen en die de verwezenlijking, de verbouwing en de renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen of woningen tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lasten worden vermeld in de stedebouwkundigevergunning. § 2. De Regering kan de prioriteiten op vlak van de bestemming van de stedebouwkundigelasten vastleggen, alsook het bedrag van de financiële garanties die geëist kunnen worden en de termijnen binnen welke de lasten gerealiseerd moeten worden. § 3. De Regering bepaalt de omstandigheden onder welke het opleggen van de stedenbouwkundige lasten verplicht is en legt tevens de minimale waarde van de stedenbouwkundige lasten die in die omstandigheden opgelegd worden, vast. De Regering kan eveneens de omstandigheden bepalen onder welke het opleggen van zowel verplichte als facultatieve stedenbouwkundige lasten uitgesloten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overeenstemming met het voorafgaande lid, kan de gemeenteraad, door middel van een bijzonder bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening, hetzij de waarde van de verplichte stedenbouwkundige lasten bedoeld in het voorgaande lid verhogen, hetzij andere omstandigheden bepalen waaronder het opleggen van stedenbouwkundige lasten verplicht is en hun waarde vastleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de perimeters en in de omstandigheden waaronder de gemeenteraad gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden beschreven in het voorafgaande lid, kunnen het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering geen stedenbouwkundige lasten opleggen die van een andere omvang zijn dan die voorzien door de gemeenteraad. § 4. Er wordt een voor het publiek toegankelijk en door het bestuur beheerd register van de stedenbouwkundige lasten opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan de vorm, de inhoud en de totstandkomingsprocedure van dit register bepalen. (218) Afdeling III. - Verval en verlenging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 101</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De vergunning vervalt indien de vergunninghouder binnen twee jaar na afgifte niet duidelijk met de verwezenlijking van de vergunning van start is gegaan of wanneer hij in de bij artikel 98, § 1, 1°, 2° en 4° bepaalde gevallen niet met de ruwbouw is begonnen of indien hij in voorkomend geval de bij toepassing van artikel 100 opgelegde lasten niet heeft uitgevoerd Bij onderbreking van de werken gedurende meer dan een jaar, vervalt de vergunning eveneens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verval van de vergunning geschiedt van rechtswege. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn van twee jaar kan evenwel, op verzoek van de houder, voor een periode van één jaar verlegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging kan eveneens jaarlijks hernieuwd worden, telkens wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn vergunning door overmacht niet heeft kunnen aanwenden of wanneer hij zich beroept op een tegen zijn vergunning bij de afdeling administratie van de Raad van State ingesteld beroep tot nietigverklaring waarover nog geen uitspraak is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om verlenging of hernieuwing moet, op straffe van verval, minstens twee maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke of verlengde vervaltermijn gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging wordt door het college van burgemeester en schepenen verleend indien dit laatste de vergunning heeft verleend. In de andere gevallen, daarbij inbegrepen het geval voorzien in artikel 187, wordt de verlenging toegekend door de gemachtigde ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een beslissing van de bevoegde overheid na het verstrijken van de termijn van twee jaar, wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot weigering van de verlenging van de vergunning kan geen voorwerp zijn van de in artikelen 165, 169, 180 en 184 bedoelde beroepen. § 3. In het geval van een gemengd project, in de zin van artikel 124, § 2, wordt de stedenbouwkundige vergunning geschorst zolang er geen definitieve milieuvergunning werd verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitieve weigeringsbeslissing over de aanvraag om milieuvergunning houdt van rechtswege de nietigheid van de stedenbouwkundige vergunning in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit Wetboek is een beslissing slechts definitief wanneer alle openstaande administratieve beroepen tegen deze beslissing door dit Wetboek of door de ordonnantie betreffende de milieuvergunning uitgeput zijn of de termijnen om deze in te stellen verstreken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in paragraaf 1 bedoelde verval begint maar te lopen zodra de houder van de stedenbouwkundige vergunning de milieuvergunning gekregen heeft. (220) Afdeling IV. - Vergunning van beperkte duur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 102</span><span class=\"lf-art-t\">De geldigheidsduur van de vergunning is beperkt voor de handelingen en werken waarvan de aard en het voorwerp zulks vereisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regering stelt de lijst vast van de handelingen en werken waarvoor de geldigheidsduur van de vergunning beperkt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldigheidsduur van de vergunning loopt vanaf de dag waarop de overheid, die ze heeft verleend, ofwel de vergunning zelf ofwel een attest waaruit blijkt dat de afgifte van de vergunning is verleend, aan de aanvrager ter kennis brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de verwezenlijking van de vergunning niet van start is gegaan, leidt niet tot het verval ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbreking gedurende meer dan een jaar van de toegestane handelingen of werken leidt niet tot het verval van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning kan niet worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verstrijken van de termijn is de vergunninghouder verplicht om de plaats te herstellen in de staat waarin deze zich vóór de uitvoering van de vergunning bevond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast. (222) HOOFDSTUK II. - Verkavelingsvergunning Afdeling I. - Handelingen onderworpen aan een verkavelingsvergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 103</span><span class=\"lf-art-t\">Niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen een stuk grond verkavelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder \"verkavelen\" wordt verstaan een goed verdelen in één of meer kavels teneinde ten minste een van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht over te dragen of een van deze overdrachtsvormen aan te bieden voor woningbouw of voor het opstellen van vaste en verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt. (224) Art.104. Bij verdeling van een goed waarvoor geen verkavelingsvergunning is afgegeven wordt door de notaris het plan van de verdeling alsmede een attest waarin de aard van de akte en de in de akte te vermelden bestemming van de kavels nader wordt aangegeven aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemachtigde ambtenaar medegedeeld en dit twintig dagen vóór de datum die voor de openbare verkoping of voor de ondertekening van de akte is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar geven eventueel, ter inlichting, kennis van hun opmerkingen. Deze moeten in de akte worden vermeld, evenals een verklaring van de verdeler dat voor de verdeling geen verkavelingsvergunning of stedenbouwkundigevergunning werd afgegeven en, behoudens overlegging van een stedenbouwkundig attest dat laat voorzien dat een dergelijke vergunning zou kunnen worden verkregen, dat hij geen enkele verbintenis aangaat betreffende de mogelijkheid om een van de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1 op het goed te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De notaris vermeldt bovendien in de akte dat geen van de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1, mogen worden verricht op het goed waarop de akte betrekking heeft, zolang de stedenbouwkundigevergunning niet is verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt voor alle akten van eigendomsoverdracht of eigendomsverklaring, genot, erfpacht of opstal, van een ongebouwd gedeelte van een goed, met uitzondering van de akten waarbij een landpacht wordt geregeld. (226) Afdeling Il. - Gevolgen van de verkavelingsvergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verkavelingsvergunning heeft verordenende waarde. (228) Art. 106.De niet-vervallen verkavelingsvergunning, afgegeven na 1 januari 1981, stelt de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen en om stedenbouwkundigeattesten vrij van de speciale regelen van openbaarmaking, vereist door de plannen De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is evenwel niet van toepassing op de aanvragen betreffende de handelingen en werken strekkende tot de aanleg of de wijziging van verkeerswegen. (230) Art. 107.Vóór de vervreemding, verhuring voor meer dan negen jaar of vestiging van een zakelijk recht, met inbegrip van bezwaring met hypotheek, aangaande een in een verkavelingsvergunning vermelde kavel, moet op verzoek van de eigenaar of eigenaars van de stukken grond, door een notaris akte van de verdeling van die stukken grond en van de aan de verkaveling verbonden lasten worden verleden. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen vermelden, de eigenaars identificeren in de vorm bepaald in de wetgeving inzake hypotheken, en hun titel van eigendom aangeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkavelingsvergunning en het verkavelingsplan worden als bijlagen bij die akte gevoegd om, samen met de akte en ten verzoeke van de notaris die de akte heeft verleden, binnen twee maanden na het verlijden ervan, te worden overgeschreven op het hypotheekkantoor van het arrondissement Brussel. De overschrijving van het verkavelingsplan mag worden vervangen door de neerlegging op het hypotheekkantoor van een door de notaris gewaarmerkte afdruk van dat plan. (232) Art. 108.De notaris geeft aan de partijen kennis van de akte van verdeling en van het bestek der verkaveling, van de bepalingen der verkavelingsvergunning, alsook in voorkomend geval van de wijzigingsbepalingen. Hij maakt in de akte van verkoop, van verhuring, van erfpacht of opstal melding van die kennisgeving, alsook van de datum der vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij vermeldt ook in de akte dat geen van de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1, mogen verricht worden op het goed waarop de akte betrekking heeft, zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde vermeldingen. (234) Art. 109.Niemand mag een kavel, begrepen in een verkavelingsvergunning of in een fase ervan, die de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, de verbreding of de opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen bevat, vrijwillig te koop stellen of verkopen, voor meer dan negen jaar te huur stellen of verhuren, alvorens de houder van de vergunning de voorgeschreven werken en lasten heeft uitgevoerd, of de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan heeft verstrekt. De vervulling van deze formaliteit wordt geconstateerd door een bewijs dat door het college van burgemeester en schepenen afgegeven en bij ter post aangetekende brief aan de verkavelaar medegedeeld wordt. Het college van burgermeester en schepenen deelt aan de gemachtigde ambtenaar een afschrift van dat bewijs mede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve wanneer de uitrusting door de overheid is uitgevoerd, blijft de houder van de verkavelingsvergunning met de aannemer en de architect tien jaar lang voor de krachtens de verkavelingsvergunning uitgevoerde uitrusting hoofdelijk aansprakelijk tegenover het Gewest, de gemeente en de kopers van de percelen, binnen de bij de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken. (236) Art. 110.Reclame met betrekking tot een verkavelingsvergunning mag niet worden gemaakt dan met vermelding van de gemeente waar het goed, dat het voorwerp van een vergunning uitmaakt, gelegen is, alsmede van de datum en het nummer van de vergunning. (238) Art. 111.Indien de inhoud van de verkavelingsaanvraag strijdig is met door &gt;s mens toedoen gevestigde erfdienstbaarheden of met bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen en indien de modaliteiten van artikel 196 in acht werden genomen, doet de vergunning deze erfdienstbaarheden en verplichtingen teniet, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van deze rechten, ten laste van de aanvrager. (240) Afdeling III. - Stedenbouwkundige lasten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering kunnen, in naleving van het evenredigheidsbeginsel, aan de afgifte van de vergunningen lasten verbinden die zij aan de aanvrager menen te moeten opleggen. Deze lasten bevatten onder meer, buiten de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan, de kosteloze verwezenlijking, verbouwing of renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen en woongebouwen Zij kunnen bovendien de afgifte van de vergunningen doen afhangen van een verklaring, waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt, wanneer de werken zijn begonnen aan de gemeente kosteloos, vrij en onbelast en zonder kosten voor haar, de eigendom over te dragen van openbare wegen, openbare groene ruimten, openbare gebouwen en nutsvoorzieningen, woongebouwen evenals de gronden waarop deze worden of zullen worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kunnen, in de plaats van of als aanvulling op de uitvoering van de hogerop vermelde lasten en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk maken van een storting van een geldsom tot financiering van handelingen en werken die zij bepalen en die de verwezenlijking, de verbouwing of de renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen of woongebouwen tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lasten staan vermeld in de verkavelingsvergunning. § 2. De Regering kan de prioriteiten op vlak van de bestemming van de stedenbouwkundige lasten vastleggen, alsook het bedrag van de financiële garanties die geëist kunnen worden en de termijnen binnen welke de lasten gerealiseerd moeten worden. § 3. De Regering bepaalt de omstandigheden onder welke het opleggen van de stedenbouwkundige lasten verplicht is en legt tevens de minimale waarde van de stedenbouwkundige lasten die in die omstandigheden opgelegd worden vast. De Regering kan eveneens de omstandigheden bepalen in welke het opleggen van zowel verplichte als facultatieve stedenbouwkundige lasten uitgesloten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overeenstemming met het voorafgaande lid, kan de gemeenteraad, door middel van een bijzonder bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening, of de omvang van de verplichte stedenbouwkundige lasten bedoeld in het vorige lid verhogen, of andere omstandigheden bepalen onder welke het opleggen van stedenbouwkundige lasten verplicht is en de waarde ervan vastleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de perimeters en in de omstandigheden waaronder de gemeenteraad gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden beschreven in het voorafgaande lid, kunnen het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering geen stedenbouwkundige lasten opleggen die van een andere waarde zijn dan die voorzien door de gemeenteraad. § 4. Er wordt een voor het publiek toegankelijk en door het bestuur beheerd register van de stedenbouwkundige lasten opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering kan de vorm, de inhoud en de totstandkomingsprocedure van dit register bepalen. (242) Afdeling IV. - Vervaltermijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verkavelingsvergunning geen aanleg van nieuwe verkeerswegen, noch tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen bevat, vervalt de vergunning voor het overige gedeelte, indien binnen vijf jaar na de afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, de vestiging van een erfpachtof opstalrecht van ten minste één derde van de kavels niet is geregistreerd De vergunning vervalt eveneens indien de houder ervan binnen deze termijn de bij toepassing van artikel 112 opgelegde lasten niet heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen niet heeft verstrekt. Het bewijs van de verkopen of de verhuringen wordt geleverd door kennisgeving aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemachtigde ambtenaar van de uittreksels uit de akten, die door de notaris of de ontvanger van de registratie gewaarmerkt zijn vóór het verstrijken van voormelde termijn van vijf jaar. (244) Art. 114.Indien de verkavelingsvergunning de aanleg van nieuwe verkeerswegen, een tracéwijziging, de verbreding of de opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen bevat, vervalt de vergunning indien de houder ervan de voorgeschreven werken en lasten binnen vijf jaar na de afgifte niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt. (246) Art. 115.Indien de verkavelingsvergunning in fasen mag worden uitgevoerd, bepaalt de vergunning het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste. (248) Art. 116.De verkavelingsvergunning vervalt van rechtswege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen constateert echter het verval door een proces-verbaal, dat bij een ter post aangetekende zending aan de verkavelaar wordt medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen zendt naar de gemachtigde ambtenaar een afschrift van het proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft het college van burgemeester en schepenen twee maanden na het verstrijken van de termijn het verval niet geconstateerd, dan wordt het proces-verbaal tot vaststelling van het verval opgemaakt door de gemachtigde ambtenaar en dit bij een ter post aangetekende brief betekend aan de verkavelaar en aan het college van burgemeester en schepenen. (250) Art. 117.Op verzoek van de vergunninghouder kan de vergunning met één jaar worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging kan eveneens jaarlijks hernieuwd worden, telkens wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn vergunning door overmacht niet heeft kunnen aanwenden of wanneer hij zich beroept op met een tegen zijn vergunning bij de afdeling administratie van de Raad van State ingesteld beroep tot nietigverklaring waarover nog geen uitspraak is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om verlenging of hernieuwing moet, op straffe van verval, minstens twee maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke of verlengde vervaltermijn gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging wordt door het college van burgemeester en schepenen verleend indien dit laatste de vergunning heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de overige gevallen, met inbegrip van het in artikel 187 bedoelde geval, wordt de verlenging door de gemachtigde ambtenaar verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van een beslissing van de in het vierde en vijfde lid bedoelde overheden na het verstrijken van de termijn van vijf jaar, wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot weigering van de verlenging van de vergunning kan geen voorwerp zijn van de in de artikelen 165, 169, 180 en 184 bedoelde beroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging kan jaarlijks verleend worden, volgens dezelfde modaliteiten, telkens wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn vergunning door overmacht niet heeft kunnen tenuitvoerleggen of wanneer hij zich beroept op een beroep tot nietigverklaring voor de afdeling administratie van de Raad van State ingesteld tegen zijn vergunning en waarover nog geen uitspraak is gedaan. De aanvraag om verlenging moet gebeuren minstens twee maanden vóór het verstrijken van de in de artikelen 113, 114 en 115 bedoelde termijn, zoals eventueel verlengd krachtens deze bepaling, op straffe van verval. (252) Afdeling V. - Wijziging van de verkavelings vergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een wijziging van een in een verkavelingsvergunning begrepen kavel kan op verzoek van de eigenaar van deze kavel worden toegestaan voor zover zij geen afbreuk doet aan de rechten ontstaan uit overeenkomsten tussen partijen. (254) Art. 119.De bepalingen tot regeling van de verkavelingsvergunning zijn van toepassing op de wijziging ervan, onverminderd de vervulling van de navolgende formaliteiten Alvorens zijn aanvraag in te dienen, zendt de eigenaar een eensluidend afschrift ervan, bij een ter post aangetekende brief, aan alle eigenaars van een kavel die de aanvraag niet medeondertekend hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De postbewijzen van afgifte der aangetekende zendingen worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd. De bezwaren worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de datum van afgifte der aangetekende zendingen bij de post.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijziging wordt geweigerd indien de eigenaar of eigenaars van meer dan een vierde van de in de oorspronkelijke vergunning toegestane kavels hun verzet aan het college van burgemeester en schepenen te kennen geven bij een ter post aangetekende brief die binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot verlening of weigering van de wijzigingsvergunning wordt met redenen omkleed. (256) Art. 120.De verkavelingsvergunning kan eveneens worden gewijzigd onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald bij artikelen 53 tot 57. (258) Art. 121.De wijziging van de verkavelingsvergunning heeft geen gevolg op de vervaltermijn van de verkavelingsvergunning waarvan de wijziging is aangevraagd. (260) Art. 122.Heeft een eigenaar van een kavel een wijziging van de verkavelingsvergunning verkregen, dan moet, op zijn verzoek, door een notaris akte worden verleden van de wijzigingen die werden aangebracht in de verdeling van de terreinen of in de lasten van de verkaveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen op het tijdstip van het verlijden vermelden, alle eigenaars van de in de verkavelingsvergunning vermelde percelen identificeren in de vorm bepaald in de wetgeving inzake hypotheken en hun titel van eigendom aangeven; zij moet eveneens een nauwkeurige opgave van de overschrijving der verdelingsakte van de terreinen bevatten. De beslissing tot wijziging van de verkavelingsvergunning en, in voorkomend geval, het nieuwe verkavelingsplan worden als bijlage bij deze akte gevoegd, om samen met deze akte te worden overgeschreven zoals in artikel 167 is bepaald. (262) Art. 123.Wanneer de Regering beslist dat de verkavelingsvergunning dient te worden gewijzigd overeenkomstig artikel 54 kan zij in het belang van de goede plaatselijke aanleg bij een met redenen omkleed besluit de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar, van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht van het geheel of van een gedeelte van de in de verkavelingsvergunning begrepen percelen. (264) HOOFDSTUK III. - Indiening en behandeling van de vergunningsaanvragen en beroepen Afdeling I. - Indiening van de aanvraag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 124</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De Regering bepaalt aan welke voorwaarden een dossier over een vergunningsaanvraag moet voldoen om als volledig te worden beschouwd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvraagdossier bevat het voorafgaand advies van de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp, tenzij het betrekking heeft op handelingen en werken die er door de Regering van zijn vrijgesteld wegens hun geringe omvang. § 2. In het geval van een gemengd project, met name een project dat op het ogenblik van zijn indiening zowel een milieuvergunning met betrekking tot de installatie van klasse 1 A of 1 B als een stedenbouwkundige vergunning vereist : 1° moeten de aanvragen om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning en om milieu-attest en milieuvergunning gelijktijdig worden ingediend, hetzij in de vorm van een milieuattest en stedenbouwkundig attest, hetzij in de vorm van een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning;2° is het dossier van de aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning onvolledig bij gebrek aan indiening van de overeenkomstige aanvraag om milieu-attest of milieuvergunning, vereist door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;3° de aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest en milieuvergunning en milieu-attest worden door de bevoegde overheid gelijktijdig om advies voorgelegd aan de personen of de diensten bedoeld in artikel 156, § 4, wanneer de geraadpleegde personen of diensten dezelfde zijn voor de twee procédures;4° de aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest en milieu-attest of milieuvergunning worden gezamenlijk onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking;5° de aanvragen om stedenbouwkundig attest of om milieuvergunning en milieu- attest of milieuvergunning maken, naargelang het geval, het voorwerp uit van een voorbereidende nota op de effectenstudie, van een bestek, een effectenverslag of een studie van eenmalige effecten;6° de bevoegde overheden gaan, krachtens dit Wetboek en de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, gezamenlijk over tot het onderzoek van de aanvragen om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en milieu-attest of -vergunning;de Regering regelt de modaliteiten van deze samenwerking. 7° een ontvangbewijs van het dossier van de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning mag niet worden afgegeven bij gebrek aan ontvangbewijs van de aanvraag om milieu-attest of -vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van alle administratieve stukken of documenten die door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar naar de aanvrager worden verstuurd, wordt tegelijkertijd door hen verzonden naar het Brusselse Instituut voor Milieubeheer dat bevoegd is om de milieu-attesten en milieuvergunningen af te geven. (266)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 125</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag kan op het gemeentehuis worden ingediend. Een indieningsbewijs ervan wordt dadelijk afgegeven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag kan ook bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan het college van burgemeester en schepenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag zendt de gemeente aan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief een ontvangstbewijs indien zijn dossier volledig is. Is dit niet het geval, deelt ze hem op dezelfde wijze mede dat zijn dossier niet volledig is met vermelding van de ontbrekende documenten of inlichtingen; de gemeente geeft het ontvangstbewijs af binnen twintig dagen na ontvangst van deze documenten of inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie van de brief die de gemeente met toepassing van het derde lid van de aanvrager zendt, wordt gelijktijdig verzonden naar de gemachtigde ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van afgifte van het ontvangstbewijs of de kennisgeving dat het dossier niet volledig is, worden de bij artikel 156 bepaalde proceduretermijnen berekend vanaf de eenentwintigste dag na ontvangst, naargelang van het geval, van de aanvraag of van de documenten of inlichtingen bedoeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van besturen of instellingen, zendt het college van burgemeester en schepenen aan deze laatste een afschrift van het volledige dossier binnen tien dagen na de verzending van het ontvangbewijs bedoeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvraag aan de overlegcommissie om advies wordt voorgelegd, verstuurt het college van burgemeester en schepenen aan de instellingen vertegenwoordigd in de overlegcommissie de documenten die bepaald zijn door de Regering, binnen tien dagen na de verzending van het ontvangbewijs bedoeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvraag om vergunning betrekking heeft op een goed in de nabijheid van een gebied waarin vestigingen kunnen komen die een zwaar risico inhouden voor de personen, de goederen of het milieu in de zin van de richtlijn 96/82/EG, of in de nabijheid van een dergelijke vestiging of ook nog betrekking heeft op een dergelijke vestiging, wordt het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer gevraagd. (268) Art. 126.§ 1. In het geval van artikel 153, wanneer de aanvraag niet aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen, verstuurt het college van burgemeester en schepenen aan de gemachtigde ambtenaar alle documenten die bepaald zijn door de Regering, waaronder het verslag van het college van burgemeester en schepenen, binnen dertig dagen na het in artikel 125 bedoelde ontvangstbewijs en dit bij een ter post aangetekende brief of bij eenvoudige afgifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van artikel 153 en dat van artikel 155, § 2, wanneer de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen, verstuurt het college van burgemeester en schepenen aan de gemachtigde ambtenaar alle documenten die bepaald zijn door de Regering, waaronder het verslag van het college van burgemeester en schepenen, binnen tien dagen na het in artikel 151 bedoelde advies van de overlegcommissie of binnen tien dagen na het verstrijken van de termijn van dertig dagen om dit advies uit te brengen. § 2. Het college van burgemeester en schepenen geeft de aanvrager kennis van de datum waarop de documenten vermeld in § 1 werden toegezonden aan de gemachtigde ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de documenten vermeld in de §§ 1 en 3 worden neergelegd op het bureau van de gemachtigde ambtenaar, wordt er onmiddellijk een indieningsbewijs afgegeven. § 3. Wanneer de in § 1 bedoelde documenten niet aan de gemachtigde ambtenaar toegezonden worden binnen de in § 1, eerste lid, gestelde termijn van dertig dagen of binnen de in § 1, tweede lid, gestelde termijn van tien dagen, geeft de gemachtigde ambtenaar kennis van het in artikel 153, § 1, bedoelde advies of de in artikel 155, § 2, bepaalde beslissing zonder nog langer te wachten totdat de gemeente ze hem toezendt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe nodigt hij de aanvrager uit hem de documenten die hij aanduidt, toe te zenden. Zij worden hem toegezonden bij een ter post aangetekende brief of worden neergelegd op zijn bureau. § 4. De gemachtigde ambtenaar gaat na of de documenten die hem worden toegezonden met toepassing van § 1 of van § 3, volledig zijn. Stelt hij vast dat aan die voorwaarde niet is voldaan, dan geeft hij kennis van die vaststelling binnen vijftien dagen te rekenen van de ontvangst van het dossier en de documenten aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen, waarbij hij in voorkomend geval aangeeft welke stukken ontbreken en er op wijst dat de termijn van vijfenveertig dagen, gesteld in artikelen 153, § 1, en 155, § 2, berekend wordt vanaf de datum waarop hij alle stukken heeft ontvangen waarvan hij heeft vastgesteld dat ze ontbreken. § 5. Wanneer de gemachtigde ambtenaar kennis geeft van het onvolledige karakter van de in de §§ 1 en 3 bedoelde documenten binnen de termijn en onder de voorwaarden gesteld in § 4, wordt de in de artikelen 153, § 1, en 155, § 2, gestelde termijn van vijfenveertig dagen berekend vanaf de ontvangst door de gemachtigde ambtenaar van alle documenten waarvan hij heeft vastgesteld dat ze ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemachtigde ambtenaar geen kennis geeft van het onvolledige karakter van de in de §§ 1 en 3 bedoelde documenten binnen de termijn en voorwaarden gesteld in § 4, wordt de in de artikelen 153, § 1, en 155, § 2 gestelde termijn van vijfenveertig dagen berekend vanaf de ontvangst ervan. (270) Afdeling II Voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten Art. 127.§ 1. Een voorafgaande effectenbeoordeling is vereist voor de openbare en particulière projecten die onder meer door hun omvang, aard of ligging het leefmilieu of het stedelijk milieu ingrijpend kunnen aantasten, of die belangrijke sociale of economische gevolgen kunnen hebben. § 2. Onder \"effecten van een project\" verstaat men de rechtstreekse en indirecte, tijdelijke, toevallige en permanente effecten op korte en lange termijn van een project op : 1° de mens, de fauna en de flora;2° de bodem, het water, de lucht, het klimaat, het geluid en het landschap;3° de stedenbouw en het onroerend erfgoed;4° het sociale en economische vlak;5° de globale mobiliteit;6° de wisselwerking tussen deze factoren. § 3. Vóór de gemeente het ontvangbewijs van de vergunningsaanvraag afgeeft, gaat zij na of de aanvraag aan een effectenstudie of een effectenverslag onderworpen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier van de aanvraag om een vergunning of een attest is onvolledig bij ontstentenis van de door de artikelen 129 en 143, vereiste documenten. (272) Onderafdeling 1. - Aanvragen onderworpen aan een effectenstudie Art. 128.§ 1. Voor de projecten vermeld in bijlage A van dit Wetboek is een effectenstudie vereist. § 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenstudie is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een dergelijke studie, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, of in de perimeter van een niet vervallen verkavelingsvergunning waaraan, bij toepassing van dit Wetboek, een effectenstudie is voorafgegaan en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt de onder artikel 129 bedoelde effectenstudie zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door de effectenstudie die aan de verkavelingsvergunning is voorafgegaan. (274)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. Bij de aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning voor ieder in bijlage A van dit Wetboek vermeld project, wordt een voorbereidende nota gevoegd, die ten minste uit de volgende elementen bestaat : 1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;2° de aanduiding van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben;3° een eerste inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein;4° de opsomming van de wettelijke en reglementaire bepalingen en voorschriften die van toepassing zijn;5° de beschrijving van de voornaamste geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen;6° voorstellen in verband met de inhoud van het bestek van de effectenstudie en met de keuze van de opdrachthouder;7° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde elementen. De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van de voorbereidende nota bepalen De aanvrager kan, voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag om attest of vergunning, de bevoegde overheid om advies vragen over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen. Daartoe raadpleegt de bevoegde overheid het bestuur over de aard en de omvang van de vereiste inlichtingen. Het bestuur maakt zijn advies over aan de aanvrager en aan de bevoegde overheid binnen dertig dagen na de overdracht van de aanvraag en de bevoegde overheid brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen van de aanvraag. Bij ontstentenis van een advies van de bevoegde overheid binnen de toegestane termijn, baseert de aanvrager zich op het advies van het bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de bevoegde overheid een advies heeft uitgebracht over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen, belet de bevoegde overheid of de bestuursorganen die in de effectenevaluatieprocedure tussenbeide komen niet om de bouwheer later te vragen bijkomende inlichtingen voor te leggen. § 2. De aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning wordt samen met de voorbereidende nota ingediend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 125 en 176.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overheid die het ontvangbewijs aflevert wanneer het dossier volledig is, stuurt tegelijk een exemplaar van het dossier naar het Bestuur. (276) Art. 130.§ 1. Binnen een termijn van dertig dagen na de afgifte van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de termijn bedoeld in de artikelen 125 en 176 stelt het Bestuur het ontwerp van bestek op van de effectenstudie die hij de aanvrager toestuurt en verzendt het hele dossier, samen met eventuele opmerkingen, naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste deel van het project uitgevoerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van tien dagen na het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in de artikelen 125 en 176 bedoelde termijn roept het Bestuur het begeleidingscomité bijeen nadat het, naast de in het artikel 131, aangewezen leden, er de samenstelling van heeft bepaald. Het Bestuur houdt het begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van de evolutie van de opmaak van het ontwerp van bestek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier onderwerpt het college van burgemeester en schepenen het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking. Het openbaar onderzoek duurt vijftien dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het niet-naleven door het college van de in het derde lid bepaalde termijn, maant het Bestuur het collège aan over te gaan tot de speciale regelen van openbaarmaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen dertig dagen volgend op het einde van het openbaar onderzoek, moet de overlegcommissie : 1° advies uitbrengen over het ontwerp van bestek;2° advies uitbrengen over de voorstellen inzake de keuze van de opdrachthouder van de studie;3° in voorkomend geval de volledige samenstelling van het begeleidingscomité, zoals vastgesteld door het Bestuur, vervolledigen. De in het vorige lid bedoelde adviezen worden aan het Bestuur betekend binnen tien dagen te rekenen vanaf de vergaderdatum van de overlegcommissie. Binnen vijf dagen na ontvangst van de betekeningen, roept het Bestuur het begeleidingscomité opnieuw samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overlegcommissie haar adviezen over de in het vijfde lid bedoelde punten 1° tot 2°, niet heeft bekendgemaakt binnen de vereiste termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die worden uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de voormelde termijn van dertig dagen. Het Bestuur roept het begeleidingscomité bijeen overeenkomstig artikel 132, na de definitieve samenstelling ervan te hebben bepaald. § 2. De Regering kan een typebestek opstellen voor elke categorie van de in bijlage A en B van dit Wetboek bedoelde projecten. (278) Art. 131.§ 1. Het begeleidingscomité wordt ermee belast de procedure tot uitvoering van de effectenstudie te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van iedere gemeente op wier grondgebied het project moet worden uitgevoerd, één vertegenwoordiger van het Brussels Instituut voor Milieubeheer en één vertegenwoordiger van het Bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het secretariaat van het begeleidingscomité wordt door het Bestuur waargenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van gemengd project wordt het secretariaat gezamenlijk verzorgd door het Bestuur en het Brussels Instituut voor Milieubeheer. § 2. De Regering bepaalt de samenstelling en de werking van het begeleidingscomité, alsook de onverenigbaarheidsregels. (280) Art. 132.§ 1. Binnen vijf dagen na de ontvangst van de adviezen van de overlegcommissie of na het verstrijken van de aan de commissie opgelegde termijn om haar adviezen kenbaar te maken, roept het Bestuur het comité bijeen. Binnen de tien daaropvolgende dagen : 1° stelt het begeleidingscomité het bestek van de effectenstudie definitief vast;2° bepaalt het begeleidingscomité de termijn waarbinnen de effectenstudie moet worden verricht;3° spreekt het begeleidingscomité zich uit over de keuze van de opdrachthouder;4° deelt het begeleidingscomité zijn beslissing mode aan de aanvrager. § 2. Indien het begeleidingscomité niet instemt met de keuze van de opdrachthouder, verzoekt het de aanvrager nieuwe voorstellen te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begeleidingscomité spreekt zich uit over de keuze van de opdrachthouder en brengt zijn beslissing ter kennis van de aanvrager, binnen vijftien dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen. § 3. De Regering erkent, met toepassing van artikel 70 en volgende van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunning, de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die als opdrachthouder kunnen worden aangewezen. (282) Art. 133.Indien het begeleidingscomité zijn beslissing binnen de in artikel 132, bedoelde termijn van tien dagen niet heeft medegedeeld, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zestig dagen te rekenen vanaf de aanhangigmaking spreekt de Regering zich uit over de in artikel 132, § 1, 1 tot 3, bedoelde punten en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering de keuze van de opdrachthouder niet goedkeurt, verzoekt zij de aanvrager haar nieuwe voorstellen te laten geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering beslist over de keuze van opdrachthouder en maakt haar beslissing kenbaar aan de aanvrager binnen vijftien dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering haar beslissing niet kenbaar maakt binnen de termijnen, kan de aanvrager, per aangetekend schrijven, een rappelbrief richten aan de Regering. Wanneer er opnieuw dertig dagen verstreken zijn na het verzenden van de bij ter post aangetekende rappelbrief en de Regering haar beslissing nog niet kenbaar heeft gemaakt, dan worden het ontwerp van bestek alsmede de keuze van de opdrachthouder door de aanvrager geacht bevestigd te zijn. De termijnen binnen welke de effectenstudie moet uitgevoerd worden, bedraagt maximum zes maanden. (284) Art. 134.In de overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachthouder moeten de beslissingen die overeenkomstig artikel 132, of artikel 133, zijn genomen, worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de effectenstudie komen ten laste van de aanvrager. (286)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 135</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De effectenstudie moet uit volgende elementen bestaan : 1° de door de aanvrager verstrekte gegevens met betrekking tot de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;2° de opgave van de voltooide prestaties, de vermelding van de gebruikte analysemethodes en de beschrijving van de ondervonden moeilijkheden met inbegrip van de gegevens gevraagd door de opdrachthouder en die door de aanvrager, zonder enige rechtvaardiging, niet werden meegedeeld;3° de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de elementen waarop het project gevolgen kan hebben binnen het geografische gebied zoals afgebakend in het bestek;4° de inventaris en de gedetailleerde en nauwkeurige beoordeling van de effecten van het project en van het bouwterrein;5° de door de aanvrager verstrekte gegevens omtrent maatregelen die worden gepland om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen;6° de beoordeling van de doelmatigheid van de in punt 5° vermelde maatregelen onder meer ten opzichte van de bestaande normen;7° de vergelijking met vervangingsoplossingen die redelijkerwijs in aanmerking kunnen komen, met inbegrip, in voorkomend geval, van het verzaken aan het project, alsmede een beoordeling van hun effecten;8° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde elementen De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aan vullen. Ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van de effectenstudie bepalen. (288)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 136</span><span class=\"lf-art-t\">§ 1. De opdrachthouder houdt het begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van het verloop van de effectenstudie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij beantwoordt de vragen en de opmerkingen van het begeleidingscomité.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf. § 2. Wanneer de opdrachthouder van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, bezorgt de aanvrager een exemplaar ervan aan het begeleidingscomité. (290) Art. 137.Wanneer het begeleidingscomité van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, moet het binnen dertig dagen na ontvangst van bedoelde studie : 1° de effectenstudie sluiten : 2° de lijst vastleggen van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten van het Gewest en waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;3° zijn beslissing aan de aanvrager ter kennis brengen met opgave van het aantal exemplaren van het in artikel 140, tweede lid, bedoelde dossier die aan het Bestuur geleverd moeten worden met het oog op het openbaar onderzoek. Indien het begeleidingscomité beslist dat de effectenstudie niet in overeenstemming is met het bestek, deelt het binnen dezelfde termijn aan de aanvrager mede welke aanvullende elementen bestudeerd moeten worden of welke wijzigingen in de studie moeten worden aangebracht en verantwoordt het zijn beslissing. In dit geval deelt het aan de aanvrager de termijn mee binnen welke deze overgezonden moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het begeleidingscomité de termijn bedoeld in het eerste en in het tweede lid niet in acht neemt, kan de aanvrager zijn dossier bij de Regering aanhangig maken. Hij kan dit eveneens wanneer de beslissing van het begeleidingscomité de effectenstudie onvolledig verklaart. De Regering treedt in de plaats van het begeleidingscomité.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering deelt haar beslissing mede binnen dertig dagen na de aanhangigmaking. (292) Art. 138.De aanvrager wordt geacht zijn aanvraag te behouden tenzij hij, binnen vijftien dagen na de bekendmaking van de beslissing van het begeleidingscomité, of bij ontstentenis de Regering om de studie te sluiten, het Bestuur op de hoogte brengt van zijn beslissing : 1° hetzij om zijn aanvraag in te trekken;2° hetzij om ze te wijzigen zodat het project verenigbaar is met de besluiten van de effectenstudie.(294) Art. 139 In het geval bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, zendt de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning over aan het begeleidingscomité of aan de Regering alsook aan het Bestuur en aan de afleverende overheid, binnen zes maanden na de in artikel 137, bedoelde kennisgeving van de sluiting van de effectenstudie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn heeft bezorgd, wordt hij geacht zijn aanvraag te hebben ingetrokken. (296) Art. 140.Vanaf de ontvangst van de door de aanvrager geleverde exemplaren van het dossier dat in voorkomend geval overeenkomstig artikel 138, eerste lid, 3°, werd gewijzigd, zendt het Bestuur of in het geval bedoeld in artikel 137, derde lid, de Regering een exemplaar over aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente die bij de effecten van het project betrokken is en waar het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking onderworpen dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit : 1° de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning;2° het bestek van de effectenstudie;3° de effectenstudie;4° de beslissing tot afsluiting van de effectenstudie;5° in voorkomend geval, de beslissing van de aanvrager om de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning te bevestigen of te wijzigen of de vaststelling dat de in artikel 138, eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen overschreden is;6° de eventuele wijzigingen in de in artikel 139, bedoelde aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning.(298) Art. 141.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar onderzoek verloopt in elke gemeente en duurt dertig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bestuur bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten worden gesloten. § 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd, maakt het dossier aanhangig bij de overlegcommissie die uitgebreid wordt met de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project, binnen vijftien dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overlegcommissie brengt haar advies uit bij het Bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen binnen dertig dagen na de beëindiging van het openbaar onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de overlegcommissie haar advies niet kenbaar heeft gemaakt binnen de gestelde termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met het advies dat wordt uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn. (300) Onderafdeling 2 Aanvragen die onderworpen worden aan een effectenverslag Art. 142.§ 1. Aan een effectenverslag worden onderworpen, de projecten vermeld in bijlage B van dit Wetboek. § 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenverslag is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een dergelijk verslag, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, of in de perimeter van een niet vervallen verkavelingsvergunning waaraan, bij toepassing van dit Wetboek, een effectenverslag is voorafgegaan en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt de onder artikel 143 bedoelde effectenverslag zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door de effectenverslag die aan de verkavelingsvergunning is voorafgegaan. (302)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 143</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de attest- of vergunningsaanvraag voor ieder in bijlage B van dit Wetboek vermeld project, wordt een effectenverslag gevoegd dat ten minste uit volgende elementen bestaat : 1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;2° de synthese van de in aanmerking genomen oplossingen die ten grondslag hebben gelegen aan de keuze van het door de aanvrager ingediende project, gelet op het milieu;3° de beschrijving van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben, met name aan de hand van plannen;4° de inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein;5° de beoordeling van deze effecten in vergelijking met de bestaande toestand;6° de opsomming van de wettelijke en reglementaire bepalingen en voorschriften die van toepassing zijn;7° de beschrijving van de geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen, onder meer ten opzichte van de bestaande normen;8° een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen. De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van het effectenverslag bepalen De aanvrager kan, voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag om attest of vergunning, de bevoegde overheid om advies vragen over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen. Daartoe raadpleegt de bevoegde overheid het bestuur over de aard en de omvang van de vereiste inlichtingen. Het bestuur maakt zijn advies over aan de aanvrager en aan de bevoegde overheid binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag en de bevoegde overheid brengt haar advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis van een advies van de bevoegde overheid binnen de toegestane termijn, baseert de aanvrager zich op het advies van het Bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de bevoegde overheid een advies heeft uitgebracht over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen, belet de bevoegde overheid of de bestuursorganen die in de effectenevaluatieprocedure tussenbeide komen niet om de bouwheer later te vragen bijkomende inlichtingen voor te leggen. (304) Art. 144.De aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning en het effectenverslag worden samen ingediend, overeenkomstig de artikelen 125 of 176.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overheid, waarbij de aanvraag werd ingediend, stuurt gelijktijdig met het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in artikel 125 of in artikel 176 bedoelde termijn, een exemplaar van het dossier naar het Bestuur als het dossier niet bij haar aanhangig gemaakt is. (306) Art. 145.§ 1. Binnen dertig dagen na het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in de artikelen 125 of 176 bedoelde termijn, gaat het Bestuur over tot : 1° het onderzoeken van het effectenversiag;2° het vastleggen van de lijst van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten van het Gewest en waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;3° het aanwijzen van de gemeente die ermee belast wordt de overlegcommissie bijeen te roepen overeenkomstig artikel 147, § 2;4° het mededelen aan de aanvrager van het aantal hem te leveren exemplaren van het in artikel 146, tweede lid, bedoelde dossier met het oog op het houden van het openbaar onderzoek. § 2. Wanneer het Bestuur oordeelt dat het effectenverslag aangevuld dient te worden, betekent het deze beslissing aan de aanvrager binnen de in § 1 bedoelde termijnen, met de vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen tien dagen na de ontvangst ervan, verricht het Bestuur de in § 1 bepaalde handelingen. § 3. Wanneer het Bestuur, bij het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijnen, haar beslissing niet kenbaar heeft gemaakt, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zestig dagen na de aanhangigmaking verricht de Regering de in § 1 bedoelde handelingen. (308) Art. 146.Vanaf de ontvangst van de exemplaren van het dossier geleverd door de aanvrager, zendt het Bestuur er een exemplaar van aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente van het Gewest die bij de effecten van het project betrokken is en waar het openbaar onderzoek moet worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit : 1° de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning;2° het effectenverslag;3° de stukken of inlichtingen die de aanvrager heeft verstrekt met toepassing van artikel 145, § 2.(310) Art. 147.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking binnen vijftien dagen na de ontvangst van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar onderzoek wordt in elke gemeente gehouden en duurt vijftien dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bestuur bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten gesloten worden. § 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd, maakt binnen vijftien dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek het dossier aanhangig bij de overlegcommissie die uitgebreid wordt tot de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overlegcommissie brengt haar advies uit bij het Bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen binnen dertig dagen na het beëindigen van het openbaar onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de overlegcommissie haar advies niet kenbaar heeft gemaakt binnen de gestelde termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die worden uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn. (312) Art. 148.§ 1. In uitzonderlijke omstandigheden kan de overlegcommissie in een bijzonder met redenen omkleed advies, de Regering aanbevelen een effectenstudie te laten verrichten. § 2. Wanneer de Regering van mening is dat een effectenstudie dient te worden verricht, brengt ze haar beslissing ter kennis van de aanvrager binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval : 1° verzoekt de Regering de aanvrager om één of meer voorstellen betreffende de keuze van de opdrachthouder aan het Bestuur te doen toekomen;2° belast de Regering het Bestuur met het opstellen van het ontwerp van bestek voor de effectenstudie binnen dertig dagen.In geval van gemengd project regelt de Regering de wijze van samenwerking tussen het Bestuur en het Brussels Instituut voor Milieubeheer; 3° bepaalt de Regering, naast de leden aangesteld overeenkomstig artikel 131, de samenstelling van het begeleidingscomité en brengt dit ter kennis van het Bestuur. Na de opmaak van het in § 2, tweede lid, 2° bedoelde ontwerp van bestek, zendt het Bestuur het dossier, samen met de eventuele opmerkingen, naar de aanvrager en naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste deel van het project moet worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen tien dagen na de ontvangst van de samenstelling van het begeleidingscomité roept het Bestuur dit laatste bijeen. Het Bestuur houdt het begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van de evolutie van de opmaak van het ontwerp van bestek van de effectenstudie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen vijf dagen na het opmaken van het ontwerp van bestek, roept het Bestuur het begeleidingscomité opnieuw bijeen en wordt de procedure overeenkomstig de artikelen 132 tot 141, voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de Regering een dergelijke studie niet geraden acht, omkleedt zij haar beslissing met redenen en zendt ze het dossier binnen de in het eerste lid van § 2, bedoelde termijn aan de afleverende overheid. § 3. Het stilzwijgen van de Regering na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn geldt als een weigering om de effectenstudie te laten uitvoeren. § 4. Wanneer de effectenstudie is uitgevoerd, moet het dossier dat overeenkomstig artikel 140, aan het openbaar onderzoek wordt onderworpen, bovendien volgende gegevens bevatten : 1° de bezwaren en de opmerkingen die in het kader van het in artikelen 146, en 147, bedoelde openbaar onderzoek aan het college van burgemeester en schepenen werden gericht, alsmede het proces-verbaal van sluiting van dit onderzoek;2° de notulen van de overlegcommissie;3° het in § 1 bedoeld advies van de overlegcommissie.(314) Afdeling III. - Speciale regelen van openbaarmaking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 149</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het gewestelijk bestemmingsplan, een gewestelijke stedenbouwkundige verordening, een bijzonder bestemmingsplan alsook een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan de behandeling van sommige aanvragen om een vergunning of een attest afhankelijk worden gesteld van speciale regelen van openbaarmaking. (316) Art. 150.Wanneer speciale regelen van openbaarmaking worden voorgeschreven, organiseert het college van burgemeester en schepenen een openbaar onderzoek op eigen initiatief, binnen vijftien dagen na de verzending van het ontvangstbewijs van het volledige dossier bedoeld in artikel 125, of binnen vijftien dagen na de aanvraag van het Stedenbouwkundig College, wanneer het beslist op basis van de artikelen 167 en 183, van de gemachtigde ambtenaar wanneer hij beslist op basis van de artikelen 164 en 175 en van de Regering, wanneer ze beslist op basis van de artikelen 172 en 187 Het dossier van de aanvraag kan door de bevolking op het gemeentebestuur worden geraadpleegd tijdens de duur van het onderzoek waarvan het begin en het einde op de berichten van onderzoek staan vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaren en opmerkingen worden gericht aan het college van burgemeester en schepenen binnen de bepaalde termijn en worden bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college van burgemeester en schepenen binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn opgemaakt. (318) Art. 151.De aanvraag wordt samen met de bezwaren en opmerkingen en het procesverbaal van sluiting van het onderzoek binnen vijftien dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze brengt binnen dertig dagen na de sluiting van het onderzoek haar advies uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie van het advies van de overlegcommissie wordt door de gemeente aan de gemachtigde ambtenaar verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van advies van de overlegcommissie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van dertig dagen, zet het college van burgemeester en schepenen de behandeling van de aanvraag voort overeenkomstig artikel 126 en volgende, zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die uitgebracht worden meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn. (320) Art. 152.Het Stedenbouwkundig College, wanneer het beslist op basis van de artikelen 167 en 183, de gemachtigde ambtenaar, wanneer hij beslist op basis van de artikelen 164 en 175 en de Regering, wanneer ze beslist op basis van de artikelen 172 en 187 kunnen, na een schriftelijke herinnering, een ambtenaar van het Bestuur ermee belasten zich naar het bevoegd gemeentebestuur te begeven om, op kosten van deze laatste, de in de artikelen 150 en 151 bedoelde wettelijke verplichtingen, die nog niet nagekomen zouden zijn binnen vijftien dagen na de herinnering, te laten uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de inning van de kosten wordt overgegaan op initiatief van het Bestuur, bij een ter post aangetekende brief. Wanneer het gemeentebestuur verzuimt de kosten te betalen, kan de terugvordering ervan worden toevertrouwd aan de ontvanger van het Bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (322) Afdeling IV Beslissing van het college van burgemeester en schepenen Art. 153.§ 1. Wanneer voor het grondgebied waar het goed gelegen is, geen geldend bijzonder bestemmingsplan of nietvervallen verkavelingsvergunning bestaat, wordt de aanvraag om advies voorgelegd aan de gemachtigde ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde ambtenaar geeft kennis van zijn advies aan het college van burgemeester en schepenen binnen vijfenveertig dagen na de datum die volgt uit de toepassing van artikel 126, § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien van het advies van de gemachtigde ambtenaar kennis wordt gegeven aan het college van burgemeester en schepenen binnen de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen, dan kan het collège de vergunning enkel afgeven na eensluidend en uitdrukkelijk advies van de gemachtigde ambtenaar, daar de vergunning het beschikkende gedeelte moet omvatten van het advies van de gemachtigde ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij het verstrijken van de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen, de gemachtigde ambtenaar geen kennis heeft gegeven van zijn advies aan het college van burgemeester en schepenen, dan wordt zijn advies over de aanvraag geacht gunstig te zijn. Het college van burgemeester en schepenen spreekt zich uit over de aanvraag zonder rekening te houden met het advies van de gemachtigde ambtenaar wanneer het later zou worden verleend, zonder evenwel de afwijkingen te kunnen toestaan bedoeld in artikel 153, § 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvraag afwijkingen inhoudt bepaald in artikel 153, § 2, dan zal het ontbreken van een kennisgeving van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar binnen de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen neerkomen op een weigering van deze afwijkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemachtigde ambtenaar tot de bevinding komt dat de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van besturen of instellingen en dat het college van burgemeester en schepenen hiertoe niet is overgegaan, raadpleegt hij deze zelf en geeft hij kennis hiervan aan het collège en aan de aanvrager. In dat geval wordt de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen verlengd met dertig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemachtigde ambtenaar tot de bevinding komt dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen en dat het college van burgemeester en schepenen zulks niet heeft gedaan, nodigt hij het collège uit deze regelen in te stellen binnen tien dagen na zijn aanvraag. In dat geval wordt de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen verlengd met dertig dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de speciale regelen van openbaarmaking ingesteld worden tijdens de schoolvakanties, wordt de termijn die volgt uit de toepassing van het zevende lid, verlengd met : 1° tien dagen voor de Paas- of Kerstvakantie;2° vijfenveertig dagen voor de zomervakantie. § 2. Wanneer de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies uitbrengt, kan hij aan de afgifte van de vergunning voorwaarden verbinden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde ambtenaar kan afwijken van de voorschriften van de stedenbouwkundige verordeningen, van de bouwverordeningen of van de verordeningen betreffende de achteruitbouwstroken, hetzij in het geval bedoeld in het eerste lid, hetzij wanneer de afwijking wordt gevraagd in de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de afwijking de omvang, de plaatsing en de esthetische aard van de bouwwerken betreft, wordt de aanvraag aan de in de artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager is gehouden de in het advies van de gemachtigde ambtenaar gestelde voorwaarden in acht te nemen. § 3. Het advies van de gemachtigde ambtenaar kan, mits behoorlijk met redenen omkleed, tot weigering van de vergunning besluiten. § 4. De gemachtigde ambtenaar steunt zijn ongunstig advies op één van volgende redenen : 1° de aanvraag is niet conform een in werking getreden ontwerp van bijzonder bestemmingsplan.2° de aanvraag is niet conform een in werking getreden ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan. Hij kan tevens een met redenen omkleed ongunstig advies uitbrengen wanneer de regering besloten heeft het gewestelijk bestemmingsplan te wijzigen, zo nodig in afwijking van de bepalingen waarvan tot wijziging is besloten. § 5. De beslissing waarbij de vergunning wordt geweigerd, wordt met redenen omkleed. (324) Art. 154.De Regering kan de lijst vaststellen van de werken en handelingen waarvoor, wegens hun geringe omvang, het advies van een gemachtigde ambtenaar niet is vereist. In dat geval is artikel 155 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werken en de handelingen die ontheven zijn van het advies van een gemachtigde ambtenaar worden ook ontheven van de bijzondere maatregelen tot openbaarmaking bedoeld onder artikel 149 en van het advies van de overlegcommissie bedoeld in artikel 151. (326) Art. 155.§ 1. Wanneer voor het gebied waarin het goed gelegen is, een vigerend bijzonder bestemmingsplan of een niet-vervallen verkavelingsvergunning bestaat, beslist het college van burgemeester en schepenen over de aanvraag. § 2. De gemachtigde ambtenaar kan, op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen, afwijkingen van de voorschriften van een bijzonder bestemmingsplan of van een verkavelingsvergunning toestaan, alleen wat de perceelsafmetingen, de omvang, de plaatsing en de esthetische aard van de bouwwerken betreft, voor zover deze afwijkingen geen afbreuk doen aan de wezenlijke gegevens van het plan of van de vergunning en de vergunningsaanvraag voorafgaandelijk aan de in de artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking werd onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afwijking met betrekking tot de plaatsing of de omvang van de bouwwerken in een gebied kan een afwijking van de bestemming van een aangrenzend gebied met zich meebrengen, in zoverre zij de wezenlijke kenmerken van het aangrenzend gebied niet in gevaar brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde ambtenaar kan ook afwijken van de voorschriften van de stedenbouwkundigeverordeningen, de bouwverordeningen of van de verordeningen betreffende de achteruitbouwstroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtigde ambtenaar geeft kennis van zijn beslissing over het voorstel van afwijking aan het college van burgemeester en schepenen binnen vijfenveertig dagen na de datum die volgt uit de toepassing van artikel 126, § 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontbreken van kennisgeving van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar over het voorstel van afwijking binnen de in het vierde lid gestelde termijn van vijfenveertig dagen, komt neer op een weigering van deze afwijking. (328)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 156</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">§ 1. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van de vergunning wordt gelijktijdig aan de aanvrager en aan de gemachtigde ambtenaar bij een ter post aangetekende brief betekend. § 2. Deze kennisgeving geschiedt binnen de volgende termijnen te rekenen vanaf de datum van het in artikel 125 voorgeschreven ontvangbewijs : 1° vijfenveertig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar noch speciale regelen van openbaarmaking bedoeld in artikelen 150 en 151 vereist;2° vijfenzeventig dagen indien de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist, maar niet het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar;3° negentig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar vereist, maar geen speciale regelen van openbaarmaking;4° honderdtwintig dagen wanneer de aanvraag het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar vereist en speciale regelen van openbaarmaking Indien de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist en haar behandeling gedeeltelijk tijdens de schoolvakanties plaatsvindt, worden de termijnen verlengd met : 1° tien dagen voor de Paas- of Kerstvakantie;2° vijfenveertig dagen voor de zomervakantie. Wanneer de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist en de overlegcommissie haar advies niet heeft uitgebracht binnen de in artikel 151, eerste lid, bedoelde termijn van dertig dagen, worden de termijnen verlengd met dertig dagen. § 3. Wanneer de vergunningsaanvraag voorafgegaan wordt door een effectenstudie, bedoeld in artikel 128, of vergezeld is van een effectenverslag, bedoeld in artikel 142 geschiedt de kennisgeving van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van de vergunning binnen volgende termijnen, te rekenen vanaf de datum waarop de overlegcommissie haar advies heeft gegeven binnen de termijn bedoeld in artikel 141, § 2, derde lid, of in artikel 147, § 2, derde lid of bij ontstentenis vanaf het verstrijken van deze termijn : 1° vijfenveertig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar niet vereist;2° negentig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de overlegcommissie echter, met toepassing van artikel 148, de Regering aanbeveelt een effectenstudie te laten verrichten, dan begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen vanaf : 1° hetzij de dag van de kennisgeving van de beslissing van de Regering bedoeld in artikel 148, § 2, zesde lid, waarbij zij meent dat een dergelijke studie niet geraden is;2° hetzij de dag van het advies van de overlegcommissie uitgebracht binnen de termijn bedoeld in artikel 141, § 2, derde lid, of bij ontstentenis, na het verstrijken van deze termijn. § 4. Indien de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van betrokken besturen of instellingen, worden de in §§ 2 en 3 bedoelde termijnen met dertig dagen verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer voor de afgifte van de vergunning een afwijking overeenkomstig artikel 155, § 2, nodig is, worden de termijnen met vijfenveertig dagen verlengd. § 5. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. (330) Art. 157.§ 1. Van de met toepassing van artikel 153 afgegeven vergunning mag gebruik worden gemaakt indien de gemachtigde ambtenaar binnen twintig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, geen met redenen omklede beslissing tot schorsing van de vergunning ter kennis van de aanvrager heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde termijn begint te lopen op de dag waarop de schorsing bedoeld in artikel 101, § 2 opgeheven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het eerste lid moet in de vergunning worden opgenomen. § 2. Van de met toepassing van artikel 155 afgegeven vergunning mag gebruik worden gemaakt indien de gemachtigde ambtenaar binnen dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, geen met reden omklede beslissing tot schorsing van de vergunning ter kennis van de aanvrager heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde termijn begint te lopen op de dag waarop de schorsing bedoeld in artikel 101, § 2 opgeheven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het eerste lid moet in de vergunning worden opgenomen. (332) Art. 158.Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, moet op het terrein worden aangeplakt door de aanvrager, hetzij, wanneer het werken betreft, vóór de aanvang van de werken en tijdens de hele duur ervan, hetzij, in de overige gevallen, vanaf de voorbereidingen voor de handeling of handelingen en tijdens de hele uitvoering ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende die tijd moet de vergunning en het bijbehorende dossier, of een door het gemeentebestuur of de gemachtigde ambtenaar gewaarmerkt afschrift van deze stukken, voortdurend ter beschikking van de in artikel 301 aangewezen ambtenaren liggen, op de plaats waar de werken worden uitgevoerd en de handeling of handelingen verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast. (334) Art. 159.De plaatsing van de nieuwe gebouwen wordt ter plaatse aangegeven door het college van burgemeester en schepenen, dat zich gedraagt naar het advies van de gemachtigde ambtenaar en bovendien, zo het een bouwwerk aan een grote weg betreft, naar de reglementen en adviezen van het betrokken bestuur. (336) Afdeling V. - Schorsing en vernietiging van de vergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 160</span><span class=\"lf-art-t\">In het in artikel 153, § 1, derde lid, bedoelde geval gaat de gemachtigde ambtenaar na of de procedure regelmatig was en of zijn advies in acht werd genomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het in artikel 153, § 1, vierde lid, bedoelde geval gaat de gemachtigde ambtenaar na of de procedure regelmatig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoniet schorst hij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en geeft aan dit laatste alsook aan de aanvrager en aan het Stedebouwkundig College kennis ervan binnen twintig dagen na ontvangst van de vergunning. (338) Art. 161.§ 1. In het in artikel 155 bedoelde geval wordt een afschrift van de vergunning samen met het dossier gezonden aan de gemachtigde ambtenaar, die nagaat of de vergunning overeenstemt met het bijzonder bestemmingsplan of met de verkavelingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regering bepaalt welke documenten het college van burgemeester en schepenen voegt bij het afschrift van de beslissing waarbij de vergunning, waarvan zij kennis geeft aan de gemachtigde ambtenaar, afgegeven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien gaat de gemachtigde ambtenaar na of de vergunning met de vigerende reglementering overeenstemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van niet-overeenstemming schorst de gemachtigde ambtenaar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en stelt dit laatste alsook de aanvrager en het Stedebouwkundig College daarvan in kennis binnen dertig dagen na ontvangst van de vergunning. § 2. De gemachtigde ambtenaar schorst de vergunning die, hoewel steunende op een bijzonder bestemmingsplan of op een niet-vervallen verkavelingsvergunning, niet overeenstemt met de voorschriften van een ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan dat in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemachtige ambtenaar kan eveneens de vergunning schorsen wanneer hij meent dat de overeenkomstig de vergunning of het bijgevoegde dossier geplande werken een goede plaatselijke aanleg in gevaar kunnen brengen, zodra de Regering heeft besloten tot de wijziging van het bijzonder bestemmingsplan of het opmaken van een bijzonder bestemmingsplan strekkende tot de wijziging of de vernietiging van de verkavelingsvergunning. (340) Art. 162.Binnen zestig dagen na de kennisgeving van de schorsing bedoeld in artikelen 160 en 161 vernietigt de Regering op advies van het Stedebouwkundig College indien nodig de vergunning en geeft van haar beslissing gelijktijdig kennis aan het college van burgemeester en schepenen en aan de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde en de vergunninghouder of zijn raadsman worden, op hun verzoek, door het Stedebouwkundig College gehoord. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partij en de gemachtigde ambtenaar opgeroepen. In dit geval wordt de termijn met vijftien dagen verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontstentenis van kennisgeving van de vernietiging binnen voornoemde termijnen wordt de schorsing opgeheven.</p></div>", "next": 239950}