{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de accountantskamer had, gelet op de melding van de ‘significant unresolved matter’ door de Poolse accountant, meer van betrokkenen mogen worden verwacht. Door het ontbreken van bankverklaringen was geen informatie beschikbaar over eventuele zekerheden, garanties en dergelijke verplichtingen. Het ontbreken van de bankverklaringen bevreemdde volgens de accountantskamer te meer gelet op de andere gegevens met betrekking tot de liquide middelen van Imtech Polen die in de van de accountant van Imtech Polen ontvangen IRIS Rapportage Package (IRIS) waren opgenomen. Uit blad RA2 van IRIS blijkt dat de balanspost liquide middelen van Imtech Polen in 2011 gestegen is van PLN 11.081.000 (= € 2.647.245) naar PLN 270.367.000 (= € 64.590.548). Uit blad RA25 van IRIS blijkt dat door Imtech Polen bij banken waarmee vóór 2011 geen zaken werden gedaan, voor een bedrag van PLN 270.297.000 (= € 64.573.825) aan liquide middelen werd aangehouden. Dit was 23% van de geconsolideerde liquide middelen van Imtech. De accountantskamer is van oordeel dat dit alles voor betrokkenen, mede op grond van NVCOS 600.28, aanleiding had moeten vormen om nader onderzoek te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.1.3 De verklaring ter zitting van [naam 1] , dat hij niet wist bij welke bank de liquide middelen werden aangehouden, heeft in dit verband bij de accountantskamer verbazing gewekt. De melding van een ‘significant unresolved matter’ door de Poolse accountant, de ongewone stijging van de liquide middelen van Imtech Polen en het zeer hoge bedrag aan liquide middelen dat werd aangehouden bij banken waarmee Imtech vóór 2011 geen zaken deed, hadden aanleiding moeten vormen om hiernaar onderzoek te verrichten en om vragen te stellen. Betrokkenen hebben, door dit niet te doen, nagelaten om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Zij hebben hierdoor gehandeld in strijd met NVCOS 200.17 en 500.6. Ook hebben zij in strijd met NVCOS 600.28 en 600.42 een door een accountant van een groepsonderdeel gemelde significante aangelegenheid niet, althans onvoldoende, geëvalueerd en in strijd met NVCOS 600.43 evenmin opvolging hieraan gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden betrokkenen 15.2 Betrokkenen kunnen zich niet met dit oordeel van de accountantskamer verenigen. Zij wijzen erop dat [naam 4] Polen de bankverklaringen had ontvangen voordat zij op 26 januari 2012 haar controleverklaring afgaf, maar dat verzuimd is het concept HCM hierop aan te passen. Verder is de accountantskamer volgens betrokkenen voorbijgegaan aan het feit dat door de controle met de dagafschriften over de juistheid van de banksaldi toereikende controle-informatie is verkregen. De accountantskamer is uitgegaan van onjuiste feiten en heeft daaruit bovendien onjuiste conclusies getrokken. Dit betreft, ten eerste, de overweging dat uit blad RA25 van de IRIS rapportage van [naam 4] Polen zou blijken dat liquide middelen werden aangehouden bij banken waarmee vóór 2011 geen zaken werden gedaan, en ten tweede, dat de stijging van de liquide middelen bij Imtech Polen ongebruikelijk was. Ook wijzen betrokkenen erop dat [naam 4] Polen in de mondelinge en schriftelijke communicatie aan [naam 1] heeft laten weten dat de ontbrekende bankverklaringen geen significante aangelegenheid waren. Voorts betekent een significante aangelegenheid op het niveau van een groepsonderdeel nog niet dat een dergelijke aangelegenheid significant is op groepsniveau. Verder is de accountantskamer voorbijgegaan aan feiten waaruit blijkt dat zelfs al zouden de drie bankverklaringen hebben ontbroken, dit geen significante aangelegenheid was op groepsniveau. De accountantskamer heeft NVCOS 600.28 onjuist opgevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt curatoren 15.3.1 Volgens de curatoren doet de stelling dat de Poolse accountant vóór het afgeven van zijn controleverklaring alsnog de ontbrekende bankverklaringen heeft ontvangen niet af aan het verwijt dat betrokkenen aan zijn melding van een ‘significant unresolved matter’, een significante aangelegenheid als bedoeld in NVCOS 230.8, onder c, geen opvolging hebben gegeven. Bovendien laat dit onverlet dat sprake was van een aanwijzing van een significante transactie buiten het normale verloop van de bedrijfsactiviteiten van Imtech Polen (NVCOS 240.32, aanhef en onder c), die betrokkenen hadden moeten onderzoeken. De curatoren kunnen niet verifiëren of de aantekening op de bankverklaring van [naam 10] van de Poolse accountant afkomstig is. De bankverklaringen van Bank [naam 11] en [naam 12] zijn niet overgelegd. Ook met hun stelling dat met de controle van de dagafschriften toereikende controle-informatie is verkregen, gaan betrokkenen voorbij aan het hun gemaakte verwijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3.2 Verder wijzen de curatoren erop dat uit blad RA25 van de IRIS consolidatieset van Imtech Polen blijkt dat de post liquide middelen, gezien de omzet en het beperkte resultaat van Imtech Polen, buitenproportioneel is gestegen van € 2.647.245 naar € 64.590.548. Dit enige positieve banksaldo werd bovendien niet bij een van de vaste cash pool banken (zoals Bank [naam 11] en [naam 12] ) aangehouden en de ontvangen rentevergoeding over dit banksaldo was in verhouding zeer laag (zie RA30 onder ‘interest income banks’ van slechts PLN 9). Ook dit had aanleiding moeten geven tot nader onderzoek en het stellen van vragen. Voor zover de Poolse accountant in zijn communicatie aan [naam 1] zou hebben laten weten dat het ontbreken van de bankverklaringen geen significante aangelegenheid betrof, wijzen de curatoren erop dat het e-mailbericht waarop betrokkenen zich beroepen ruim negen maanden na afronding van de controle is verstuurd en ook niet in het controledossier 2011 is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelling dat een door de accountant van het groepsonderdeel gerapporteerde ‘significant unresolved matter’ niet per definitie een significante aangelegenheid op groepsniveau is, zoals bedoeld in NVCOS 600.42, hebben betrokkenen onderbouwd met een verwijzing naar de opinie van [naam 8] . De alinea waar zij naar verwijzen gaat echter niet over ‘significant unresolved matters’ die de accountant van het groepsonderdeel conform NVCOS 600.41 aan de groepsopdrachtpartner heeft gecommuniceerd. Los van NVCOS 600.28 hadden betrokkenen als professioneel-kritische accountants een cijferanalyse moeten uitvoeren op de gecontroleerde financiële informatie van Imtech Polen ten behoeve van de evaluatie waartoe NVCOS 600.42-44 verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gerapporteerde ‘significant unresolved matter’ gaf daar ook een specifieke aanleiding voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 15.4.1 Het College stelt vast dat de accountant van [naam 4] Polen in zijn Highlights Completion Memorandum van 23 januari 2012 aan [naam 1] en [naam 2] heeft gerapporteerd dat hij als ‘unresolved significant matter’ heeft geïdentificeerd dat van [naam 11] , [naam 12] en de [naam 10] geen standaardbankverklaringen zijn ontvangen. Aan deze gerapporteerde ‘unresolved matter’ heeft hij toegevoegd: “We confirmed the cash in bank balance to the bank statement.” Naar het oordeel van het College hebben betrokkenen onvoldoende opvolging gegeven aan deze door de Poolse accountant gesignaleerde onopgeloste aangelegenheid. De omstandigheid dat de Poolse accountant aan het gerapporteerde had toegevoegd dat [naam 4] Polen de banksaldi met de van deze banken ontvangen bankafschriften had aangesloten, gaf onvoldoende aanleiding te concluderen dat de aangelegenheid alsnog in voldoende mate was opgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die boekhoudkundige exercitie kan immers maar een deel van de informatie opleveren die normaal gesproken uit een standaardbankverklaring blijkt. Het door de Poolse accountant over deze aangelegenheid gerapporteerde, gaf daarom al reden genoeg nadere vragen te stellen, zeker indien hierbij in ogenschouw wordt genomen dat de aanzienlijke stijging van de hoeveelheid liquide middelen van Imtech Polen in 2011 niet in verhouding leek te staan tot de in dat jaar gerealiseerde omzet en winst, en de door Imtech Polen aangehouden liquide middelen bijna een kwart van de geconsolideerde liquide middelen van Imtech uitmaakten. Hetgeen betrokkenen achteraf hebben aangevoerd ter rechtvaardiging van hun nalaten om de hier aan de orde zijnde kwestie nader te onderzoeken, leidt het College niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.4.2 Klachtonderdeel k is in zoverre terecht gegrond verklaard. De hogerberoepsgrond slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachtonderdeel l: betrokkenen hebben in strijd met de voor ‘cash netting’ geldende regels banksaldi gesaldeerd Bestreden uitspraak 16.1 De accountantskamer heeft klachtonderdeel l ten aanzien van [naam 1] gegrond verklaard. Daartoe heeft zij in 4.20 van de bestreden uitspraak overwogen dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op de controle van het salderen van posten in de geconsolideerde jaarrekening van Imtech door middel van cash netting. Imtech maakte in het controlejaar 2011 gebruik van meerdere cash pools. Hierdoor werden voor de renteberekening en voor de hoogte van de kredietverlening de debet- en creditstanden gesaldeerd. De accountantskamer heeft vastgesteld dat ten behoeve van de geconsolideerde jaarrekening 2011 van Imtech ten onrechte niet is gecontroleerd of werd voldaan aan de IAS voorwaarden om banksaldi te salderen. Ten onrechte is niet gecontroleerd of voor alle gesaldeerde posten sprake was van een juridisch afdwingbaar recht hiertoe. [naam 1] heeft erkend dat op dit punt een fout is gemaakt. Hiermee staat vast dat de geconsolideerde jaarrekening 2011 in zoverre niet voldeed aan de toepasselijke wettelijke bepalingen. Dat, zoals [naam 1] heeft betoogd, sprake was van een menselijke fout die gemaakt is door een van de leden van het opdrachtteam, disculpeert hem niet. Het behoorde immers tot zijn taak om toezicht te houden op de juistheid van de door leden van het opdrachtteam verrichte werkzaamheden en om de door leden verrichte werkzaamheden te beoordelen, wat hij niet, althans onvoldoende, heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden [naam 1] 16.2.1 Volgens [naam 1] heeft de accountantskamer een foutief normenkader toegepast met betrekking tot de verantwoordelijkheden van de opdrachtpartner voor de beoordeling van de controledocumentatie en met betrekking tot het uitoefenen van toezicht. Door te oordelen dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden, is zij bovendien buiten de klacht getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.2 Naar de mening van [naam 1] volgt het door de accountantskamer gehanteerde normenkader niet uit de standaarden over de toezichtverantwoordelijkheden die gelden voor de opdrachtpartner. Niet bestreden is dat hij als opdrachtpartner zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht heeft genomen zoals is vereist op grond van NVCOS 220.15, onderdeel a, in samenhang met 220.A15. De accountantskamer heeft niet gemotiveerd waarom hieraan niet zou zijn voldaan. De verantwoordelijkheid van de opdrachtpartner voor aansturing, toezicht en uitvoering van de opdracht houdt niet in dat hij zelf alle verrichte controlewerkzaamheden en daarmee alle controledocumentatie moet beoordelen. Hij heeft de verantwoordelijkheid genomen voor de beoordeling van de controledocumentatie, zoals is vereist op grond van NVCOS 220.16-17 en zoals hij in eerste aanleg heeft toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hebben de curatoren niet bestreden. Zij menen echter dat zijn eindverantwoordelijkheid ertoe leidt dat hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen van al zijn teamleden, een analyse waar de accountantskamer ten onrechte in is meegegaan. Een accountant is alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor zijn eigen handelen of nalaten. Dit volgt onder meer uit NVCOS 220.17 in samenhang met 220.A18, waaruit blijkt dat de opdrachtpartner niet het gehele dossier hoeft te beoordelen. Op grond van NVCOS 220.16 moest hij verantwoordelijkheid nemen voor de beoordelingen van de controledocumentatie, conform de bij [naam 4] geldende kantoorprocedures. Dat is het handelen waarvoor hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk is en dat heeft hij ook gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft vastgesteld dat de gehele controledocumentatie (ook ten aanzien van cash netting) is beoordeeld overeenkomstig de kantoorprocedures van [naam 4] . De controledocumentatie rondom de cash netting is opgesteld door een supervisor en beoordeeld door een manager, tevens registeraccountant.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.3 Daarnaast diende [naam 1] op grond van NVCOS 220.17 in samenhang met 220.A18 als opdrachtpartner zelf de dossierstukken te beoordelen inzake: (i) kritieke onderwerpen voor oordeelsvorming, in het bijzonder over moeilijke of tot discussie aanleiding gevende aangelegenheden die in de loop van de opdracht zijn onderkend; (ii) significante risico’s; en (iii) andere onderwerpen die de opdrachtpartner belangrijk acht. De cash netting was geen onderwerp waarvan hij zelf de controledocumentatie had moeten beoordelen. Het betrof geen significant risico. Ook was dit geen kritiek onderwerp voor de oordeelsvorming, maar een feitelijke aangelegenheid waarbij moest worden gecontroleerd of Imtech (i) het recht had op verrekening en (ii) de intentie had tot verrekening. Aan het vereiste onder (i) werd niet voldaan voor een aantal cash pools. Dit hebben de twee betrokken leden van het opdrachtteam helaas over het hoofd gezien. De cash netting was voorts van geringe betekenis en betrof slechts een rubriceringskwestie in de geconsolideerde balans (op een ondergeschikt punt). De rubriceringsfout die is ontstaan door de onjuiste saldering van de banksaldi raakte daarnaast geen kengetallen die belangrijk zijn voor de lezer van de jaarrekening. Om die reden is de fout niet belangrijk en niet materieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt curatoren 16.3 Voor zover is gesteld dat [naam 1] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor fouten die bij de controle van de banksaldi zijn gemaakt door leden van zijn opdrachtteam, wijzen de curatoren erop dat [naam 1] volgens vaste rechtspraak als opdrachtpartner en (eind)verantwoordelijke voor de controle vaktechnisch verantwoordelijk was voor het handelen of nalaten van de leden van het opdrachtteam die hij ten behoeve van de controle heeft ingeschakeld. [naam 1] heeft erkend dat leden van het opdrachtteam deze fouten hebben gemaakt en dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Hij kan daar dus tuchtrechtelijk voor worden aangesproken. Uit het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid (artikel A-130.5 van de destijds geldende Verordening Gedragscode; VGC), zoals nader uitgewerkt in NVCOS 220.6, onder a, en NVCOS 220.15, onder a, volgt dat [naam 1] verantwoordelijkheid moet nemen voor de aansturing, het toezicht op en de uitvoering van de controle in overeenstemming met professionele standaarden en door wet- en regelgeving gestelde eisen. Betrokkenen proberen het belang van de cash netting ten onrechte te marginaliseren. Het ging om een post van € 200 miljoen die verkeerd in de geconsolideerde jaarrekening was verwerkt. Dit bedrag overtreft ruim 13 keer de algemene materialiteitsgrens op groepsniveau. In de geconsolideerde jaarrekening 2012 hebben betrokkenen de financiële informatie 2011 op dit punt dan ook herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 16.4.1 Het College stelt vast dat [naam 1] als opdrachtpartner beroepsmatig verantwoordelijkheid droeg voor het verkrijgen van voldoende en geschikte controle-informatie ter onderbouwing van de getrokken conclusies alsmede voor de uit te brengen controleverklaring. In die hoedanigheid was hij eindverantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de controleopdracht en voor de werkzaamheden die onder zijn leiding door de leden van het opdrachtteam werden verricht. Als leidinggevende van het opdrachtteam was hij in ieder geval vaktechnisch betrokken bij de opzet en uitvoering van de controle (en de werkzaamheden die rond de cash netting zijn verricht). Anders dan [naam 1] stelt, kan hij tuchtrechtelijk worden aangesproken op het feit dat op dit punt in strijd met de regels een fout is gemaakt en de controle is tekortgeschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4.2 Klachtonderdeel l is op grond hiervan terecht gegrond verklaard. De hogerberoepsgrond slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachtonderdeel n: betrokkenen hebben hun bevindingen bij de controle van de geconsolideerde jaarrekening 2011 onvoldoende gedocumenteerd Bestreden uitspraak 17.1.1 De accountantskamer heeft in 4.22 van de bestreden uitspraak over klachtonderdeel n overwogen dat betrokkenen op grond van NVCOS 230 gehouden waren om hun bevindingen bij de controle voldoende te documenteren. Uit NVCOS 230.8 volgt dat controledocumentatie zo dient te worden opgesteld dat die voldoende is om een ervaren accountant die voorheen niet bij de controle betrokken was in staat te stellen om inzichten te verwerven in: (a.) de aard, timing en omvang van de controlewerkzaamheden die zijn uitgevoerd overeenkomstig de standaarden en in overeenstemming met de van toepassing zijnde door wet- en regelgeving gestelde eisen; (b.) de uitkomsten van de uitgevoerde controlewerkzaamheden, alsmede de verkregen controle-informatie; en (c.) significante aangelegenheden voortgekomen uit de controle, de daaruit getrokken conclusies en significante professionele oordelen die zijn gemaakt om tot die conclusie te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1.2 Uit het controledossier komt volgens de accountantskamer het beeld naar voren dat betrokkenen hun controlewerkzaamheden en -bevindingen summier hebben vastgelegd en dat op verscheidene punten in het dossier sprake is van onvoldoende vastleggingen. Naast hetgeen de accountantskamer in dit verband al heeft vastgesteld bij de klachtonderdelen b, i en k, wordt uit het controledossier niet duidelijk wat de bevindingen van betrokkenen ten aanzien van de waardering van de vorderingen op oude Duitse debiteuren waren. Uit de in het controledossier opgenomen notitie van het bezoekverslag van [naam 1] aan [naam 4] Duitsland, van 7 februari 2012, blijkt dat slechts enkele van deze debiteuren zijn besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een professioneel oordeel ten aanzien van de waardering van het geheel van deze vorderingen ontbreekt in het controledossier. Het door [naam 1] zelf opgestelde verloopoverzicht gaf weliswaar enig inzicht in deze debiteuren, maar voor de waardering van de vorderingen op deze debiteuren was dit onvoldoende. Uit het controledossier wordt niet duidelijk waarom betrokkenen konden instemmen met de waardering van deze vorderingen op een bedrag van € 80,4 miljoen. De beperkte documentatie in het controledossier klemt volgens de accountantskamer te meer nu de waardering van de post debiteuren van Imtech Duitsland in § 2.6.11.7 van het controledossier als significant risico was aangemerkt. De accountantskamer is gelet hierop van oordeel dat betrokkenen de waardering van de vorderingen op oude Duitse debiteuren niet deugdelijk hebben gedocumenteerd en dat zij in zoverre hebben gehandeld in strijd met NVCOS 230.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1.3 Voor wat betreft de opvolging van de door de accountant van Imtech Polen gerapporteerde significante aangelegenheid, heeft de accountantskamer vastgesteld dat betrokkenen hun afwegingen naar aanleiding van de door de Poolse accountant van het groepsonderdeel gemelde significante aangelegenheid niet hebben vastgelegd in het controledossier. Ter zitting heeft [naam 1] erkend dat hij dit niet heeft vastgelegd. Betrokkenen hebben hierdoor naar het oordeel van de accountantskamer gehandeld in strijd met NVCOS 230.8, 230.9 en 230.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden betrokkenen 17.2.1 Betrokkenen verwijzen voor wat betreft de opvolging van de Duitse managementletter (klachtonderdeel b) en de Poolse bankverklaringen (klachtonderdeel k) naar hetgeen zij in hun hogerberoepsgronden tegen het oordeel van de accountantskamer over deze klachtonderdelen hebben aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.2 Met betrekking tot de oude Duitse debiteuren (klachtonderdeel i) wijzen betrokkenen erop dat het om een significante aangelegenheid ging. [naam 4] Duitsland waardeerde de Duitse debiteuren op € 80,4 miljoen. De controle-informatie over (de waardering van) de Duitse (oude) debiteuren bevindt zich in het controledossier van [naam 4] Duitsland, inclusief hun professionele oordeel daarover. NVCOS 600.42 vereist dat de groepsaccountant de significante aangelegenheden evalueert. Betrokkenen hebben de waardering van de debiteuren besproken met de Duitse accountant, het management van Imtech Duitsland en het management en de audit commissie van Imtech. Daarmee hebben zij voldaan aan het bepaalde in NVCOS 600.42, onderdeel a. Deze besprekingen zijn ook gedocumenteerd. Zoals gezegd, achtten betrokkenen het op grond van NVCOS 600.42, onder b, niet noodzakelijk andere delen van de controledocumentatie van [naam 4] Duitsland te beoordelen dan die al waren beoordeeld. Ook was het niet vereist onderdelen van de dossiers van de accountants van groepsonderdelen in het dossier van de groepsaccountant op te nemen, ook niet als bepaalde onderdelen van die dossiers door de groepsaccountant waren beoordeeld. De slotconclusie over de Duitse debiteuren is bovendien in het dossier vastgelegd onder scherm 4.5.4.3 ‘Valuation of trade receivables’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt curatoren 17.3 De gebreken in de interne beheersing van Imtech Duitsland moeten volgens de curatoren worden aangemerkt als een significante tekortkoming en bijgevolg als een significante aangelegenheid in de zin van NVCOS 230.A8. Op grond van NVCOS 600.42-44 hadden betrokkenen aan de gerapporteerde gebreken opvolging moeten geven door te evalueren of ze in de weg stonden aan het verkrijgen van toereikende controle-informatie over de financiële informatie van Imtech Duitsland. Die opvolging en hun professionele oordeelsvorming hadden betrokkenen op grond van NVCOS 230.8, onder c, deugdelijk in hun controledossier moeten vastleggen. Dit geldt ook voor de post ‘oude debiteuren’ van Imtech Duitsland. Met het in het dossier opnemen van het HCM van de Duitse accountant, de gesprekverslagen, de twee lawyer’s letters en het door [naam 1] zelf opgestelde verloopoverzicht van de oude debiteuren is niet voldaan aan NVCOS 600.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">De accountantskamer heeft terecht overwogen dat uit het controledossier niet duidelijk wordt wat de bevindingen van betrokkenen ten aanzien van de waardering van deze post waren, wat het professioneel oordeel was van de accountant van het groepsonderdeel en waarom betrokkenen met de waardering van deze post op € 80,4 miljoen konden instemmen. Ook de door de Poolse accountant gesignaleerde ‘significant unresolved matter’ conform NVCOS 600.41 is een significante aangelegenheid in de zin van NVCOS 230.A8. Daaraan hadden betrokkenen opvolging moeten geven en op basis daarvan hadden zij moeten evalueren of het ontbreken van de bankverklaringen in de weg stond aan het verkrijgen van toereikende controle-informatie over de liquide middelen van Imtech Polen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier hadden zij de opvolging en hun professionele oordeelsvorming deugdelijk in het controledossier moeten vastleggen. [naam 1] heeft erkend dat hij zijn afwegingen niet heeft vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 17.4.1 Het College verwijst naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de klachtonderdelen b, i en k is overwogen. Daaruit blijkt naar het oordeel van het College duidelijk dat de documentatie in het controledossier van betrokkenen op verscheidene punten niet beantwoordt aan de daaraan te stellen eisen. Hierdoor valt, bijvoorbeeld als het gaat om de afwegingen op grond waarvan op groepsniveau genoegen is genomen met de door de accountant van het groepsonderdeel verstrekte informatie terwijl die informatie onvoldoende antwoord geeft op de vooraf geformuleerde vragen of nadere vragen oproept, ook niet vast te stellen of er, zoals betrokkenen stellen, voldoende controlewerkzaamheden zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.2 De hogerberoepsgrond slaagt niet. Klachtonderdeel n is terecht gegrond verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoger beroep van de curatoren Onbehandeld gelaten klacht Gronden curatoren 18.1 De curatoren menen dat de accountantskamer ten onrechte niet is ingegaan op de klacht dat onder verantwoordelijkheid van betrokkenen een accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer is gebracht die een deugdelijke grondslag ontbeert. Naar hun mening moet deze klacht alsnog gegrond worden verklaard. Betrokkenen zijn ernstig tekort geschoten in de opzet en uitvoering van de controle. Zij hebben op essentiële onderdelen van de controle geen voldoende en geschikte controle-informatie verkregen. Daardoor hebben zij geen redelijke mate van zekerheid verkregen over de vraag of de geconsolideerde en enkelvoudige jaarrekening 2011 geen afwijking van materieel belang bevat die het gevolg is van fraude of fouten, zoals is vereist op grond van NVCOS 200.5. Dit betekent dat onder hun verantwoordelijkheid een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer is gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestond (NVCOS 200.3, 200.11 en 200.12 en artikel 2:393, derde lid, van het BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt betrokkenen 18.2 Betrokkenen stellen dat voor de omvang van de klacht alleen bepalend is wat in het klaagschrift als klacht kenbaar is gemaakt. Gezien de opbouw van het klaagschrift bepalen de hoofdstukken 7 tot en met 13 de inhoud van de klachtonderdelen. De curatoren hebben niet geklaagd dat een verklaring zonder deugdelijke grondslag in het maatschappelijk verkeer is gebracht. Zij hebben hun klacht(en) in het algemeen geformuleerd en nader geduid als met name betrekking hebbend op processtappen die binnen en voor de Imtech-organisatie van belang zijn en op een aantal accountancy-specifieke onderwerpen. Een klacht over de uitvoering van de controle is geen klacht over een ondeugdelijke verklaring. Een gebrek in de uitvoering van de controle leidt ook niet per definitie tot een verklaring zonder deugdelijke grondslag. De in het verkeer gebrachte verklaring was deugdelijk. Daar zijn voldoende en geschikte controlewerkzaamheden voor verricht. Zelfs als dat niet het geval zou zijn, dan staat daarmee niet vast dat ten onrechte een goedkeurende verklaring is afgegeven. Dat deze later vanwege de ontdekte fraude van onwaarde is verklaard, maakt dit niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 18.3.1 Het College stelt vast dat de curatoren in het klaagschrift (§ 6.1.3) hebben gesteld dat uit hun klachten volgt dat door betrokkenen: “ a. de controle is uitgevoerd zonder de vereiste professioneel-kritische instelling; b. niet is gehandeld zoals van een deskundig en zorgvuldig handelend accountant mag worden verwacht; c. niet is gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant mag worden verwacht; en d. niet is voorkomen dat een verklaring van de accountant in het maatschappelijk verkeer is gebracht die een deugdelijke grondslag ontbeert.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de conclusie van het klaagschrift hebben de curatoren dit verwijt naar voren gebracht (§ 14.1.1. e.v., met name ook § 14.7.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">De accountantskamer heeft uit de gegrond verklaarde klachtonderdelen geconcludeerd dat betrokkenen in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4, onder c en e, van de VGC hebben gehandeld. Op het onder d. genoemde verwijt is de accountantskamer niet ingegaan. Zonder motivering, die ontbreekt, ziet het College niet in waarom de accountantskamer geen aanleiding heeft gezien om bij haar beoordeling in de bestreden uitspraak de door de curatoren uitdrukkelijk opgeworpen vraag te betrekken of uit de vaststelling dat betrokkenen de voormelde gedrags- en beroepsregels niet hebben nageleefd ook volgt dat zij op basis van de door hen uitgevoerde werkzaamheden geen voldoende deugdelijke grondslag hadden om bij de door hen gecontroleerde jaarrekening 2011 van Imtech een goedkeurende verklaring af te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3.2 Het College is voorts van oordeel dat de door de curatoren opgeworpen vraag bevestigend had moeten worden beantwoord. Zoals in het vorenstaande is geoordeeld, beschikten betrokkenen met name met betrekking tot de voor de geconsolideerde jaarrekening van Imtech materiële post ‘oude debiteuren’ van Imtech Duitsland niet over voldoende en geschikte informatie om te kunnen beoordelen of de controlewerkzaamheden van de Duitse accountant op dit onderdeel voldoende deugdelijk waren geweest. Dientengevolge viel ook niet te zeggen of deze post in alle van materieel belang zijnde opzichten getrouw in de financiële overzichten was weergegeven. Al om die reden was er naar het oordeel van het College geen voldoende deugdelijke grondslag voor het bij de (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening 2011 van Imtech afgeven van een goedkeurende verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3.3 Deze hogerberoepsgrond van de curatoren slaagt. De klacht dient in zoverre alsnog gegrond te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid [naam 2] voor opzet en uitvoering controle Gronden curatoren 19.1 De curatoren zijn van mening dat de accountantskamer in 4.6.1 van de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen [naam 1] verantwoordelijk was voor de opzet en uitvoering van de controle en dat [naam 2] hem daarbij enkel heeft bijgestaan. Het enkele feit dat [naam 2] niet betrokken is geweest bij enkele door haar en [naam 1] als niet significant aangemerkte onderdelen van de controle, zoals de controle van de niet uit de balans blijkende verplichtingen, rechtvaardigt volgens de curatoren geen andere conclusie. Hetzelfde geldt voor het feit dat [naam 2] bij afwezigheid van [naam 1] de accountantsverklaring heeft ondertekend. Gezien hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opzet en uitvoering van de controle en hun gezamenlijke betrokkenheid bij de controle van alle significante onderdelen, doet het er niet toe welke accountant uiteindelijk de accountantsverklaring heeft ondertekend. Beiden hebben immers gezamenlijk geconcludeerd dat zij voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen om die verklaring in het maatschappelijk verkeer te brengen. Zij dragen daar samen de verantwoordelijkheid voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt betrokkenen 19.2 Betrokkenen wijzen erop dat [naam 2] geen opdrachtpartner was en niet de dagelijkse leiding van het opdrachtteam had. De verplichtingen van NVCOS 220 met betrekking tot aansturing, toezicht, uitvoering en beoordeling waren niet op haar van toepassing. Met het mee ondertekenen van stukken heeft zij tot uitdrukking gebracht (of willen brengen) dat er een taakverdeling was tussen haar en [naam 1] , waarbij zij beiden verantwoordelijk waren voor belangrijke delen van de controle. In dat kader heeft zij veel belangrijke stukken van [naam 1] beoordeeld (zoals dat over en weer gebeurde). [naam 2] is tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor haar eigen gedragingen. Met (bijvoorbeeld) de beoordeling van ‘cash netting’ en niet uit de balans blijkende verplichtingen heeft zij zich niet beziggehouden. Er is een onderscheid tussen de opdrachtpartner en de overige partner(s). Er is maar één externe accountant en maar één opdrachtpartner, in dit geval was dat [naam 1] . Zijn naam staat dan ook onder de controleverklaring (dat [naam 2] i/o heeft getekend doet daar niet aan af). De positie en de verantwoordelijkheid van de externe accountant en opdrachtpartner wijken per definitie af van (alle) andere leden van het opdrachtteam, dus ook van [naam 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 19.3.1 Naar het oordeel van het College volgt uit NVCOS 220 en de daarin voor de opdrachtpartner vastgelegde verplichtingen dat [naam 1] , als de in NVCOS 220.7, aanhef en onder a, bedoelde opdrachtpartner, eindverantwoordelijk was voor de hier aan de orde zijnde groepscontrole. Dat [naam 2] het belangrijkste lid was van het opdrachtteam dat hem heeft bijgestaan kan daaraan niet afdoen. De accountantskamer heeft [naam 2] , gelet hierop en het feit dat zij niet bij alle in de klacht aan de orde gestelde controlewerkzaamheden (even) betrokken is geweest, terecht niet in dezelfde mate verantwoordelijk gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.2 Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbehandeld gelaten subverwijten Gronden curatoren 20.1 De curatoren onderschrijven het oordeel van de accountantskamer dat betrokkenen NVCOS 600.42 niet hebben nageleefd doordat zij, voor zover het de accountant van Imtech Duitsland betreft, (-) de door hem geconstateerde gebreken in de interne beheersing onvoldoende hebben opgevolgd (klachtonderdeel b), (-) in zijn controlewerkzaamheden onvoldoende inzicht hebben verworven (klachtonderdeel d) en (-) aan zijn bevindingen inzake de ‘oude’ debiteuren onvoldoende opvolging hebben gegeven en/of daarin onvoldoende inzicht hebben verworven (klachtonderdeel i). Hieraan heeft de accountantskamer echter ten onrechte niet uitdrukkelijk de conclusie verbonden dat betrokkenen ten aanzien van deze essentiële onderdelen van de controle niet deugdelijk hebben geëvalueerd of voldoende en geschikte controle-informatie is verkregen op basis van de controlewerkzaamheden van de accountant van het groepsonderdeel (NVCOS 600.44). Als gevolg daarvan hebben betrokkenen dan ook geen voldoende en geschikte controle-informatie verkregen, zoals is vereist op grond van NVCOS 200.17 en 500.6. Volgens de curatoren heeft de accountantskamer deze subverwijten ten onrechte onbehandeld gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt betrokkenen 20.2 Betrokkenen stellen dat zelfs als zou komen vast te staan dat zij NVCOS 600.42 niet hebben nageleefd – wat zij uitdrukkelijk betwisten – daarmee nog niet vaststaat dat zij ook NVCOS 600.44 hebben geschonden. Het eerste voorschrift heeft betrekking op de evaluatie van de communicatie van de accountant van het groepsonderdeel. Het strekt minder ver dan het tweede voorschrift, dat bepaalt dat de accountant in zijn algemeenheid voldoende en geschikte controle-informatie moet verkrijgen om het controlerisico tot een aanvaardbaar laag niveau terug te brengen. Een schending van NVCOS 600.42 betekent niet in alle gevallen ook een schending van NVCOS 600.44. Van dit laatste is hoe dan ook geen sprake. Er is controle-informatie verkregen uit de werkzaamheden verricht door het groepsopdrachtteam inzake het consolidatieproces, er zijn door het groepsopdrachtteam overige werkzaamheden verricht – zoals de centrale initiële en afsluitende cijferbeoordelingen, de cijferbeoordelingen op niet-gecontroleerde en niet-significante groepsonderdelen (NVCOS 600.28) en de overige NVCOS 600 werkzaamheden – en er is controle-informatie verkregen uit de werkzaamheden verricht door de accountants van de groepsonderdelen en hun rapportages daarover. Volgens ook de accountantskamer is op grond daarvan voldoende en geschikte controle-informatie verkregen. Hetzelfde geldt voor NVCOS 200.17 en NVCOS 500.6, over de schending waarvan bovendien niet eerder is geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 20.3.1 Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is het College met betrekking tot de klachtonderdelen b, d en i van oordeel dat betrokkenen de door de accountant van Imtech Duitsland geconstateerde gebreken in de interne beheersing onvoldoende hebben opgevolgd (klachtonderdeel b), in de controlewerkzaamheden van deze accountant onvoldoende inzicht hebben verworven (klachtonderdeel d) en aan zijn bevindingen inzake de ‘oude’ debiteuren onvoldoende opvolging hebben gegeven (klachtonderdeel i). Aldus hebben betrokkenen NVCOS 600.42 niet nageleefd, dat voorschrijft dat het opdrachtteam op groepsniveau significante aangelegenheden die naar voren komen uit de communicatie van de accountant van het groepsonderdeel met de accountant van het groepsonderdeel, met het management van het groepsonderdeel of, in voorkomend geval, met het management op groepsniveau dient te bespreken, en dient te bepalen of het noodzakelijk is andere relevante delen van de controledocumentatie van de accountant van het groepsonderdeel te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het klaagschrift hebben de curatoren met betrekking tot deze verwijten ook betoogd dat betrokkenen onvoldoende hebben geëvalueerd of zij van de accountant van het groepsonderdeel voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen, zoals is vereist op grond van NVCOS 600.44, en hebben zij, anders dan betrokkenen menen, eveneens betoogd dat betrokkenen, door een deugdelijke evaluatie achterwege te laten, geen voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen, zoals is vereist op grond van NVCOS 200.17 en NVCOS 500.6. Naar het oordeel van het College volgt uit hetgeen met betrekking tot de klachtonderdelen b, d en i is geoordeeld dat betrokkenen eveneens het verwijt treft dat zij NVCOS 600.44 niet hebben nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze standaard schrijft immers voor (onder verwijzing naar hetgeen in NVCOS 200.17 is bepaald) dat de accountant voldoende en geschikte controle-informatie moet verkrijgen teneinde het controlerisico tot een aanvaardbaar laag niveau terug te brengen, en hem in staat te stellen redelijke conclusies te trekken teneinde daarop zijn oordeel te baseren. Eveneens is voorgeschreven dat het opdrachtteam op groepsniveau dient te evalueren of voldoende en geschikte controle-informatie is verkregen vanuit de controlewerkzaamheden die zijn uitgevoerd met betrekking tot het consolidatieproces, alsmede vanuit de werkzaamheden die zijn uitgevoerd door het opdrachtteam op groepsniveau en door de accountants van de groepsonderdelen met betrekking tot de financiële informatie van de groepsonderdelen, teneinde daarop het controleoordeel op groepsniveau te baseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan hebben betrokkenen, zoals gezegd, niet voldaan. Op de in de klachtonderdelen b, d en i bedoelde punten hebben zij de controle met onvoldoende diepgang uitgevoerd. Uit het feit dat betrokkenen niet het onderzoek hebben verricht dat van hen verwacht mocht worden, kan bovendien worden geconcludeerd dat zij kennelijk ook niet de controlewerkzaamheden hebben opgezet en uitgevoerd die in de omstandigheden geschikt waren voor het doel om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen, zoals NVCOS 500.6 verlangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3.2 Deze hogerberoepsgrond van de curatoren slaagt. De accountantskamer heeft bij de gegrondverklaring van de klachtonderdelen b, d en i ten onrechte niet de hier bedoelde subverwijten betrokken. Dit leidt echter in zoverre niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak omdat de klachtonderdelen b, d en i al gegrond zijn verklaard en het College die gegrondverklaring in stand laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachtonderdeel c: betrokkenen hebben onvoldoende opvolging gegeven aan de uit de controlewerkzaamheden van de accountant van Imtech Duitsland blijkende frauderisico’s Bestreden uitspraak 21.1 De accountantskamer heeft in 4.11 van de bestreden uitspraak overwogen dat zij het betoog van de curatoren aldus begrijpt dat zij met klachtonderdeel c doelen op de door de Duitse accountant gerapporteerde bevindingen, zoals genoemd bij klachtonderdeel b. De curatoren hebben volgens de accountantskamer echter niet onderbouwd waarom deze bevindingen met betrekking tot de interne beheersing moeten worden aangemerkt als frauderisico’s. Ook hebben zij de conclusie van de Duitse accountant in het HCM van 24 januari 2012, dat er geen indicaties voor fraude waren, niet weerlegd. De accountantskamer heeft klachtonderdeel c daarom ongegrond verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden curatoren 21.2 Klachtonderdeel c is volgens de curatoren ten onrechte ongegrond verklaard. In met name § 9.3.22 tot en met 9.3.25 van het klaagschrift en § 4.3 van de pleitnotities hebben zij onderbouwd waarom uit de door de Duitse accountant gerapporteerde gebreken met betrekking tot de waardering van projecten, de controle van de crediteurenadministratie en het ontbreken van een adequate functiescheiding binnen de IT-systemen signalen van frauderisico’s voortvloeien. Deze frauderisico-signalen raken de waardering van projecten, het onderhanden werk en de opbrengstverantwoording, welke posten voor de controle zijn aangemerkt als significante risico’s. Voorts bestrijden de curatoren dat zij de conclusie van de Duitse accountant in het HCM van 24 januari 2012, dat er geen indicaties voor fraude waren, niet hebben weerlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de fraudesignalen die hij zelf in zijn management letter had gesignaleerd en gerapporteerd, was de conclusie van deze accountant onjuist. Wanneer de Duitse accountant bevindingen aan betrokkenen rapporteert waaruit frauderisico-signalen voortvloeien ten aanzien van de waardering van projecten, het onderhanden werk en de opbrengstverantwoording, dan hoeven de curatoren zijn conclusie niet uitgebreid te weerleggen. Betrokkenen beschikten met het HCM en de management letter van de Duitse accountant over tegenstrijdige controle-informatie (NVCOS 500.11 en A57 en NVCOS 230.11 en A8). Zij hadden toen zelf moeten evalueren of er een aanwijzing was voor fraude, de implicaties voor de andere aspecten voor de controle moeten beoordelen en een nieuwe inschatting moeten maken van de risico’s van een afwijking van materieel belang voor de uitvoering van de controle teneinde voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt betrokkenen 21.3 Betrokkenen stellen dat de curatoren niet eerder over het onvoldoende opvolgen van frauderisico’s hebben geklaagd. In eerste aanleg klaagden zij over het onvoldoende opvolgen van fraudesignalen die bleken uit de controlewerkzaamheden van de accountant van Imtech Duitsland (zie bijvoorbeeld § 9.3.1 van het klaagschrift). Met een fraudesignaal – een term die sinds 2010 niet meer voorkomt in de NVCOS – wordt gedoeld op informatie die duidt op een aanwijzing van fraude. Alle bepalingen waarnaar de curatoren verwijzen (NVCOS 240.10, onder c, en NVCOS 240.35 en 36) hebben betrekking op aanwijzingen en/of vermoedens van fraude en dus niet op frauderisico’s. De term frauderisico ziet op een risico van een afwijking van materieel belang in de financiële overzichten (in dit geval de jaarrekening van Imtech) als gevolg van fraude.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep gebruiken de curatoren de term frauderisico-signalen, maar die komt niet voor in NVCOS 240. Waar in het klaagschrift erover werd geklaagd dat geen opvolging was gegeven aan de vermeende fraudesignalen die zouden blijken uit de controlewerkzaamheden van [naam 4] Duitsland, wordt in het hogerberoepschrift gedaan alsof geklaagd zou zijn over het niet opvolgen van frauderisico’s. Een frauderisico is iets anders dan een aanwijzing van fraude. De klacht zag uitdrukkelijk op het vermeend niet juist handelen van betrokkenen inzake aanwijzingen van fraude (door de curatoren ook wel aangeduid als fraudesignalen). Zij dienen in hoger beroep dus een nieuwe klacht in. Van een aanwijzing van fraude of van frauderisico’s is bovendien ook geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 21.4.1 Het College stelt vast dat in het klaagschrift (§ 9.1.1) de formulering van het hier aan de orde zijnde klachtonderdeel luidt “dat [naam 1] en [naam 2] bij de controle van het onderhanden werk en de opbrengstverantwoording (…) onvoldoende opvolging hebben gegeven aan de uit de controlewerkzaamheden van de accountant van Imtech Duitsland blijkende fraudesignalen (NV COS 240.35, 36 en 37)”. Dit verwijt hebben de curatoren uitgewerkt in § 9.3.22 tot 9.3.25 van het klaagschrift, onder de kop: “Klacht sub (ii): onvoldoende opvolging fraudesignalen”, waarin zij voornamelijk ingaan op de opmerking van de Duitse accountant dat door hem geconstateerde gebreken in de interne beheersing fraude in de hand zouden kunnen werken. De curatoren bezigen hier op een enkele uitzondering na vooral de term ‘fraudesignalen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.2 Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de klacht van de curatoren uitsluitend betrekking heeft op het naar hun mening door betrokkenen onvoldoende opvolging geven aan de uit de controlewerkzaamheden van de accountant van Imtech Duitsland blijkende fraudesignalen. Waar de accountantskamer spreekt van frauderisico’s is dat niet terecht. Het betoog van de curatoren in hoger beroep over het onvoldoende onderkennen van frauderisico’s, signalen van frauderisico’s of frauderisico-signalen gaat dus niet op. Daar hebben zij niet eerder over geklaagd. Dat uit de controlewerkzaamheden van de accountant van het groepsonderdeel Imtech Duitsland fraudesignalen bleken en dat deze accountant ten onrechte had geconcludeerd dat er geen indicaties voor fraude waren, hebben de curatoren naar het oordeel van het College onvoldoende onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.3 De hogerberoepsgrond slaagt niet. Klachtonderdeel c is terecht ongegrond verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachtonderdeel h: betrokkenen hebben de eliminatie van intercompany-transacties niet, dan wel niet deugdelijk en zorgvuldig gecontroleerd Bestreden uitspraak 22.1 In 4.16 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer geoordeeld dat aan klachtonderdeel h geen zelfstandige betekenis toekomt gelet op hetgeen zij met betrekking tot de eerdere klachtonderdelen heeft overwogen. De accountantskamer heeft klachtonderdeel h daarom buiten beoordeling gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden curatoren 22.2.1 Volgens de curatoren heeft klachtonderdeel h wel zelfstandige betekenis. Dit klachtonderdeel heeft een andere feitelijke grondslag. De klachtonderdelen e‚ f en g betreffen kostenverschuivingen tussen projecten binnen groepsonderdelen. Klachtonderdeel h heeft betrekking op kostenverschuivingen tussen groepsonderdelen. Het gaat om (onjuiste) kostenverschuivingen in de periode 2009-2011 tussen vijf groepsonderdelen voor een bedrag van € 36.095.000 (de curatoren wijzen op het overzicht op bladzijde 26 van het onderzoeksrapport van 14 juni 2013 van [naam 13] N.V.). De curatoren vinden niet alleen de in 2011 gefactureerde kosten relevant. Als was ontdekt dat voor deze facturen een deugdelijke grondslag ontbrak, dan hadden betrokkenen ook de in 2009 en 2010 gefactureerde kosten tussen groepsonderdelen nader moeten onderzoeken en zou in 2012 een kostenverschuiving tussen groepsonderdelen van € 15,7 miljoen vermoedelijk niet hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.2.2 De curatoren wijzen erop dat uit § 7.8.2 van de GAI 2011 blijkt dat het opdrachtteam op groepsniveau verantwoordelijk is voor de aansluiting en eliminatie van intercompany-transacties. Dit houdt meer in dan het op groepsniveau tegen elkaar wegstrepen van vorderingen en schulden tussen groepsonderdelen. Betrokkenen hadden namelijk de waardering van het onderhanden werk, de opbrengstverantwoording en de debiteuren als significant risico aangemerkt. Zij dienden te verifiëren of er een deugdelijke grondslag voor de intercompany-facturen bestond; met name ook of die facturen bij het verzendende en het ontvangende groepsonderdeel op juiste wijze in de financiële administratie waren verwerkt. In § 7.8.2 van de GAI 2011 hebben betrokkenen de accountants van de vijf groepsonderdelen opgedragen inzicht te verwerven in de aard van de intercompany-transacties en te controleren of deze transacties en de saldi juist in de consolidatiesets zijn verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hun HCM hebben deze accountants bevestigd dat zij deze werkzaamheden hebben uitgevoerd. Daaruit volgt echter niet welke controlewerkzaamheden zij precies hebben verricht, wat hun bevindingen waren en op grond van welke overwegingen zij hebben geconcludeerd dat de verwerking juist was. Uit het controledossier blijkt niet dat betrokkenen daar navraag naar hebben gedaan. Dat mocht wel van hen worden verwacht. Op grond van NVCOS 520.6 hadden betrokkenen de gerapporteerde cijfers over de intercompany-transacties nader moeten analyseren op juistheid en bruikbaarheid in de geconsolideerde jaarrekening. Ook hadden zij op grond daarvan de accountants van de vijf groepsonderdelen nader moeten bevragen over de uitgevoerde werkzaamheden en de dossiervastleggingen moeten beoordelen die dienden als onderbouwing van de gegeven antwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkenen mochten niet afgaan op de enkele bevestiging van de accountants in hun HCM’s dat zij de gevraagde werkzaamheden in de GAI 2011 hadden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.2.3 Volgens de curatoren hebben betrokkenen geen enkele aandacht besteed aan het risico van frauduleuze omzetverantwoording bij intercompany-transacties bij Royal Imtech. Deze controle konden betrokkenen niet aan de accountants van de groepsonderdelen overlaten, omdat zij slechts de helft van het verhaal van een intercompany-transactie zagen. Deze verantwoordelijkheid hadden betrokkenen nadrukkelijk aan zichzelf toebedeeld. Zij moesten er per definitie van uitgaan dat er frauderisico’s bestonden bij de opbrengstverantwoording, zeker bij een onderneming zoals Royal Imtech. Als betrokkenen hun verantwoordelijkheid hadden genomen, dan hadden zij mogelijk niet alleen ontdekt dat deze groepsonderdelen valse facturen naar elkaar hadden gestuurd, maar in ieder geval ook dat de ontvangende groepsonderdelen die facturen ten onrechte in het onderhanden werk van projecten hadden opgenomen, waardoor de winst van Royal Imtech ten onrechte is opgeblazen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt betrokkenen 22.3.1 Betrokkenen stellen dat de curatoren de feiten onjuist weergeven. Er was geen sprake van kostenverschuivingen tussen groepsonderdelen, maar van winstverschuivingen tussen de divisie Benelux en de divisie Duitsland &amp; Oost-Europa. Het ging om intercompany-doorbelastingen waarvan de achtergrond verschilt, maar waarvan de gemene deler is dat deze niet ‘at arm’s length’ (op zakelijke grondslag) waren. In de jaarrekening was weergegeven dat dit wel het geval was. Bovendien was een aantal facturen – waaronder exemplaren die in 2011 waren verzonden – vals. Het bedrag van de winstverschuivingen tussen deze divisies betrof € 18,4 miljoen, waarvan € 7 miljoen in 2011. De winst van de divisie Benelux was daarmee in 2011 met € 7 miljoen te hoog voorgesteld. Dit werd gecompenseerd door een lagere winst van de divisie Duitsland &amp; Oost-Europa. De facturen leidden slechts tot een onjuiste verhoging van het resultaat vóór belasting in 2011 met € 2,1 miljoen. Dit is immaterieel. Het cumulatieve effect op de winst tot en met 2011 bedroeg na belasting € 5,6 miljoen en geeft het effect weer op het eigen vermogen. Dit effect is ook immaterieel. De onjuiste verwerking van de intercompany-transacties heeft dus niet tot een materiële fout geleid in de (geconsolideerde) balans en/of de (geconsolideerde) resultatenrekening van Imtech.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3.2 Klachtonderdeel h is volgens betrokkenen niet-ontvankelijk voor zover het ziet op intercompany-transacties (en de eliminatie daarvan) in de jaren 2009 en 2010. Het jaar 2012 is in hoger beroep niet aan de orde. De vraag of zij toereikende controlewerkzaamheden hebben verricht of hebben laten verrichten inzake de intercompany-transacties ziet op de controle over het jaar 2011. Ook hebben de curatoren in hoger beroep het klachtonderdeel met (vier) nieuwe klachten uitgebreid, wat niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3.3 Over het verwijt van de curatoren in eerste aanleg – dat betrokkenen ten aanzien van de intercompany-transacties geen (of onvoldoende) inzicht hebben verkregen in de door accountants van de groepsonderdelen op grond van de GAI 2011 verrichte controlewerkzaamheden – stellen betrokkenen dat de valse facturen bewust waren verhuld, onder meer door deze niet als intercompany-omzet te verantwoorden in de consolidatiesets. Om die reden werden deze transacties niet geëlimineerd en was het opdrachtteam op groepsniveau (inclusief betrokkenen) niet van deze transacties op de hoogte. Er was voorts sprake van samenspanning tussen diverse hoge functionarissen. Het verwijt is ongegrond. De curatoren gaan eraan voorbij dat de eliminatie van de intercompany-transacties, zowel op groepsniveau als op het niveau van de groepsonderdelen, niet als een significant risico is aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De curatoren gaan voorts uit van een onjuiste uitleg van het regelgevend kader, in het bijzonder NVCOS 600 waarvoor betrokkenen ook naar hun eigen hogerberoepschrift en de opinie van [naam 8] verwijzen. De suggestie dat zij precies hoorden te weten welke controlewerkzaamheden de accountants van de groepsonderdelen hebben verricht inzake de controle van intercompany-transacties is onterecht. Ook het verwijt dat betrokkenen niet wisten wat de bevindingen van de accountants van de groepsonderdelen waren, is niet terecht. Bevindingen moesten deze accountants rapporteren in het HCM, eventuele fouten in de opgave omtrent intercompany-transacties en saldi in de verplichte Summary of Audit Misstatements.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder noemen de curatoren een aantal aanvullende elementen op grond waarvan betrokkenen navraag zouden hebben moeten doen, maar deze omstandigheden zijn hoe dan ook niet relevant voor het handelen dat door NVCOS 600 wordt voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3.4 Met betrekking tot de (eerste) uitbreiding van de klacht – dat betrokkenen de gerapporteerde cijfers over de intercompany-transacties nader hadden moeten analyseren op juistheid en bruikbaarheid in de geconsolideerde jaarrekening – wijzen betrokkenen erop dat NVCOS 520.6 ziet op de afsluitende cijferbeoordeling: de accountant moet op het einde van de controle cijferanalyses uitvoeren die hem helpen een algehele conclusie te trekken over de vraag of de financiële overzichten consistent zijn met het inzicht van de accountant in de entiteit. De curatoren miskennen dat deze afsluitende cijferanalyses op een hoog aggregatieniveau (mogen) worden uitgevoerd en dat dit ook is gebeurd. Bovendien miskennen de curatoren dat de afsluitende cijferanalyses op het niveau van zowel de groep als de desbetreffende groepsonderdelen geen afwijkingen aan het licht brachten en ook niet aan het licht hadden kunnen brengen. Ook om die reden is de klacht ongegrond. Het oordeel van de accountantskamer over klachtonderdeel d (over de analyse van de cijfers van Imtech Duitsland) waarnaar de curatoren verwijzen, is zoals eerder aangevoerd onbegrijpelijk. De curatoren miskennen voorts dat dit oordeel ziet op de significante risico’s bij een significant groepsonderdeel. Van het een noch het ander (behoudens Imtech Duitsland) was in dit geval sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3.5 Over de tweede en derde klachtuitbreiding stellen betrokkenen dat de controle van de deugdelijke grondslag van de mogelijk deels frauduleuze intercompany-facturen en de juiste verwerking in de financiële administratie de taak van de accountants van de groepsonderdelen was, net zoals de controle van andere transacties en de verwerking daarvan in de financiële administratie. Alleen zij hadden toegang tot de administratie van de groepsonderdelen. Voor zover de curatoren, ten vierde, hebben gesteld dat betrokkenen zich hadden moeten verdiepen in de redenen voor de onjuiste intercompany-transacties, menen betrokkenen dat onduidelijk is waarom dit had gemoeten nu zij niet van deze transacties afwisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 22.4.1 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel h wel degelijk zelfstandige betekenis heeft. De klachtonderdelen e, f, en g stellen vooral het verschuiven van bedragen (kosten) binnen een bepaald groepsonderdeel aan de orde, terwijl het bij klachtonderdeel h gaat om het verschuiven van bedragen tussen verschillende groepsonderdelen. Van uitbreiding van de klacht, zoals betrokkenen hebben gesteld, is geen sprake. In § 10.3.1 van het klaagschrift hebben de curatoren gesteld dat betrokkenen ten aanzien van de controle van de facturatie/intercompany-transacties tevens het verwijt kan worden gemaakt dat zij de eliminatie van de intercompany-transacties niet, dan wel niet deugdelijk en zorgvuldig hebben gecontroleerd, welk verwijt zij in § 10.3.33 en volgende van het klaagschrift hebben toegelicht. De curatoren hebben op die plaats betoogd dat door [naam 4] , althans betrokkenen, bij de controle van de geconsolideerde jaarrekening ten onrechte niet is opgemerkt dat voor een bedrag van € 30 miljoen aan intercompany-overboekingen een deugdelijke grondslag ontbrak.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.4.2 De hogerberoepsgrond van de curatoren slaagt. De accountantskamer heeft klachtonderdeel h ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Het College zal de zaak zelf afdoen. Klachtonderdeel h is naar het oordeel van het College ongegrond. Hiertoe overweegt het College het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.4.3 Het betoog van de curatoren komt naar het oordeel van het College grotendeels neer op speculatie op basis van achteraf beschikbaar gekomen informatie over de frauduleuze handelingen die (vermeend) hebben plaatsgevonden. De curatoren gaan eraan voorbij dat het door groepsonderdelen op frauduleuze wijze schuiven met bedragen voor de op het niveau van de groep controlerende accountant niet gemakkelijk zichtbaar zal zijn, zeker niet als sprake is van samenspanning (tot op de hogere echelons) door de bij de malversaties betrokken groepsonderdelen. Als het in die situatie al mogelijk zou zijn de valsheid van facturaties of intercompany-transacties te ontdekken, dan zou die mogelijkheid eerder bestaan op het niveau van de verschillende groepsonderdelen. Op dat niveau vindt immers de controle van de deugdelijke grondslag van de intercompany-facturen en de juiste verwerking in de financiële administratie plaats. Gelet op de rapportering van de accountants van de verschillende groepsonderdelen in hun HCM en Summary of Audit Misstatements en het feit dat er ook overigens ten tijde van belang geen signalen waren die betrokkenen op het spoor van de hier bedoelde frauduleuze handelingen zouden hebben kunnen zetten, bestond er voor hen geen aanleiding de accountants van de groepsonderdelen over dit onderwerp nader te bevragen. Het verwijt dat zij op dit punt geen goed werk hebben verricht, houdt geen stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachtonderdeel m: betrokkenen hebben onvoldoende inzicht verworven in de niet uit de balans blijkende verplichtingen van Imtech en zij hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht om na te gaan of deze verplichtingen volledig en juist zijn verwerkt in de enkelvoudige jaarrekening 2011 Bestreden uitspraak 23.1.1 De accountantskamer heeft in 4.21 van de bestreden uitspraak vooropgesteld dat klachtonderdeel m betrekking heeft op de niet uit de balans blijkende verplichtingen zoals opgenomen in de toelichting van de enkelvoudige jaarrekening 2011 van Imtech. Imtech heeft een verklaring van aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 2:403, tweede lid, van het BW afgelegd ten behoeve van de meerderheid van haar Nederlandse dochtermaatschappijen. Daarnaast zijn ten behoeve van projecten van dochtermaatschappijen separate garanties afgegeven. In de enkelvoudige jaarrekening 2011 is aangegeven dat deze ‘contingent liabilities’ in totaal € 865 miljoen bedragen. Verder heeft de accountantskamer overwogen dat [naam 1] heeft aangegeven dat de desbetreffende informatie in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen, waaronder artikel 2:376 van het BW, in de enkelvoudige jaarrekening van Imtech is opgenomen. Hierbij zijn tevens de voorschriften van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ) 252.509 in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.1.2 Naar het oordeel van de accountantskamer is met de vermelding van de aansprakelijkstellingen en garanties voldaan aan de wettelijke eisen met betrekking tot de desbetreffende vermelding. De accountantskamer is niet gebleken dat [naam 1] meer inzicht had moeten verkrijgen en meer controlewerkzaamheden had moeten verrichten ten aanzien van de post niet uit de balans blijkende verplichtingen. De controle aan de hand van het overzicht verkregen uit het IRIS consolidatiesysteem voldeed hiertoe. De voorwaardelijke verplichtingen in de enkelvoudige jaarrekening vormden op dat moment geen significant risico. [naam 1] heeft volgens de accountantskamer voldoende en geschikte controle-informatie vergaard met betrekking tot de niet uit de balans blijkende verplichtingen van Imtech. De accountantskamer heeft klachtonderdeel m daarom ongegrond verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden curatoren 23.2 De curatoren zijn van mening dat klachtonderdeel m ten onrechte ongegrond is verklaard. Zoals zij ter zitting van het College hebben toegelicht, betreft hun klacht in de kern de vraag of de niet uit de balans blijkende verplichtingen op juiste wijze in de toelichting op de enkelvoudige jaarrekening zijn vermeld. In de eerste plaats gaat het om de verplichtingen die voortvloeien uit door Royal Imtech verstrekte ‘parent company guarantees’ en de hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van groepsonderdelen uit bijvoorbeeld bankgarantiefaciliteiten (voor daaronder verstrekte en vervolgens ingeroepen bankgaranties). Betrokkenen hebben hierin onvoldoende inzicht verkregen en zij hebben onvoldoende controlewerkzaamheden verricht om na te gaan of deze verplichtingen volledig en juist in de enkelvoudige jaarrekening zijn toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ontbreekt in het controledossier bijvoorbeeld een overzicht van het verloop en de samenstelling van het aantal verstrekte parent company guarantees per eind 2011. Uit het controledossier blijkt niet dat betrokkenen destijds op basis van de nu aangevoerde argumenten hebben vastgesteld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een beroep op deze verplichtingen zal worden gedaan en dat zij daarom enkel hoefden te controleren of de aard van deze verplichtingen juist is vermeld in de toelichting op de jaarrekening. Dat hadden zij wel moeten doen. Al om deze reden moet de klacht op dit punt gegrond worden verklaard en hoeft niet stil te worden gestaan bij de vraag of het destijds wel of niet zeer onwaarschijnlijk was dat op deze verplichtingen een beroep zou worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede plaats heeft de klacht betrekking op de verplichtingen die voortvloeien uit de door Royal Imtech verstrekte 403-verklaringen voor Nederlandse groepsonderdelen. Voor de controle van het met deze verplichtingen gemoeide bedrag hadden betrokkenen niet mogen volstaan met het louter aansluiten van het bedrag in het overzicht uit IRIS met het bedrag genoemd in de toelichting. Zij hadden de volledigheid en de juistheid van het IRIS-overzicht moeten controleren. Het betrof een zeer materiële post. De potentiële aansprakelijkheid van Royal Imtech uit hoofde van deze niet uit de balans blijkende verplichtingen bedroeg € 865 miljoen, terwijl het gerapporteerde eigen vermogen € 926 miljoen bedroeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkenen hebben de controle van de niet uit de balans blijkende verplichtingen niet deugdelijk uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt betrokkenen 23.3 Betrokkenen stellen dat deze hogerberoepsgrond van de curatoren ten eerste ziet op het vermeend miskennen van de eisen die RJ 252.509 stelt aan verslaggeving over niet uit de balans blijkende verplichtingen uit hoofde van, in dit geval, de parent company guarantees ten behoeve van contractuele verplichtingen van deelnemingen en aansprakelijkheidsverklaringen voor schulden van deelnemingen inzake de bankgaranties. Dit onderdeel richt zich volgens betrokkenen dus niet op de zogenaamde 403-aansprakelijkheidsverklaringen. Ten tweede ziet deze hogerberoepsgrond erop dat onvoldoende inzicht zou zijn verkregen in de drie soorten niet uit de balans blijkende verplichtingen (403-aansprakelijkheidsverklaring, parent company guarantee en aansprakelijkheid voor bankgaranties uitgegeven onder bankgarantiefaciliteiten). Daarnaast stellen de curatoren dat van hen meer controlewerkzaamheden verwacht hadden mogen worden. Beide onderdelen zijn volgens betrokkenen ongegrond. Het eerste onderdeel (het vermeend miskennen van de eisen die RJ 252.509 stelt) is bovendien niet­ontvankelijk omdat hierover pas is geklaagd bij repliek in eerste aanleg. In het klaagschrift wordt er alleen over geklaagd dat de curatoren niet hebben kunnen vaststellen of de parent company guarantees en de bankgaranties in de controle zijn betrokken. Er werd niet geklaagd over de verantwoording in de jaarrekening. De repliek is meer dan zes jaar na de datum van de controleverklaring ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling door het College 23.4.1 In de enkelvoudige jaarrekening 2011 heeft Imtech (bladzijde 153) toegelicht dat de ‘contingent liabilities’ – de ten behoeve van de meerderheid van haar Nederlandse dochtermaatschappijen afgegeven verklaringen van aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 2:403, tweede lid, van het BW – in totaal € 865 miljoen bedragen. Het betoog van de curatoren berust op een verkeerde voorstelling van zaken. Uit de geconsolideerde jaarrekening 2011 van Imtech (bladzijde 99) blijkt dat het eigen vermogen van Imtech € 926 miljoen bedroeg. Dit bedrag is hetgeen overblijft nadat het totaal van de voorzieningen en schulden van het totaal van de activa is afgetrokken. De verplichtingen van € 865 miljoen van de Nederlandse dochtermaatschappijen waarvoor de 403-aansprakelijkheidsverklaringen door Imtech zijn afgegeven zijn als schulden al in dit bedrag aan eigen vermogen verdisconteerd,zoals ook door betrokkenen toegelicht in het verweerschrift in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er al rekening moet worden gehouden met volledige verwezenlijking van deze verplichtingen, zoals de curatoren wederom op basis van uit de controle 2012 en de beoordeling van de halfjaarcijfers 2012 verkregen kennis achteraf beredeneren, dan had Imtech derhalve nog steeds dit vermogen tot haar beschikking. Hetgeen de curatoren meer of anders hebben aangevoerd, maakt dit niet anders. Met betrekking tot de parent company guarantees en aansprakelijkheid voor bankgaranties uitgegeven onder bankgarantiefaciliteiten overweegt het College als volgt. Het betoog van de curatoren over de voorschriften van RJ 252.209 is een reactie op het verweerschrift in eerste aanleg zodat, anders dan betrokkenen stellen, geen sprake is van uitbreiding van de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in RJ 252.509, laatste volzin, is bepaald hoeft de informatie over de aard van de niet in de balans opgenomen verplichtingen niet in de toelichting van de jaarrekening te worden gegeven indien het zeer onwaarschijnlijk is dat voor de afwikkeling van niet in de balans opgenomen verplichtingen middelen nodig zullen zijn. Het College ziet evenals de accountantskamer niet in dat betrokkenen, althans [naam 1] , meer inzicht hadden moeten verkrijgen en meer controlewerkzaamheden hadden moeten verrichten ten aanzien van de post niet uit de balans blijkende verplichtingen. Er waren voor het jaar 2011 geen indicaties dat er aanleiding bestond de risico’s in verband met deze verplichtingen nader te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.4.2 De hogerberoepsgrond slaagt daarom niet. Klachtonderdeel m is terecht ongegrond verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen 24.1 Betrokkenen stellen dat het beeld dat de curatoren schetsen van de groepscontrole en van hen onjuist is en afbreuk doet aan de professionele wijze waarop zij als gedreven, integere en inhoudelijk sterke accountants de controle hebben uitgevoerd. De accountantskamer heeft maatregelen opgelegd die zij als een zware straf ervaren, maar heeft daarbij niet meegewogen: (-) dat sprake was van grootschalige fraude met, volgens de curatoren, wetenschap van het bestuur van Imtech van de frauduleuze facturering en overboekingen, (-) dat betrokkenen dankzij hun doortastend optreden zelf de fraude hebben ontdekt, (-) dat zij in overeenstemming met de kantoorinstructies en kantoorpraktijk van [naam 4] hebben gehandeld, (-) dat de uitleg van NVCOS 600 door de accountantskamer niet voorzienbaar was, (-) dat betrokkenen al door de negatieve publiciteit zijn gestraft, (-) dat de tuchtklachten een grote belasting hebben veroorzaakt voor betrokkenen, en (-) het lange tijdsverloop. Betrokkenen zijn van mening dat de door de accountantskamer opgelegde maatregelen om deze redenen te zwaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.2 De curatoren verzoeken om aan betrokkenen op basis van alle gegrond verklaarde klachtonderdelen – in eerste aanleg en in hoger beroep – een passende maatregel op te leggen die voldoende rekening houdt met de aard en de ernst van de tekortkomingen in de controle en het feit dat Royal Imtech een grote beursgenoteerde onderneming was waarbij de belangen van vele stakeholders waren betrokken van wie het vertrouwen door het handelen van betrokkenen ernstig is geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.3 Het College overweegt dat ten aanzien van de klachtonderdelen a, e, f en g de klacht alsnog ongegrond wordt verklaard. In zoverre hebben betrokkenen, anders dan de accountantskamer had geoordeeld, de gedrags- en beroepsregels wel degelijk voldoende nageleefd. De resterende schendingen van de gedrags- en beroepsregels wegen naar het oordeel van het College, gezien hun aard en ernst, echter zodanig zwaar dat voor matiging van de door de accountantskamer opgelegde maatregelen geen aanleiding bestaat. Het College rekent betrokkenen met name aan dat zij, nadat de accountant van het groepsonderdeel hun niet de informatie verstrekte waar zij bij aanvang van de controle, vanwege het belang van die informatie op groepsniveau, uitdrukkelijk om hadden gevraagd, zoals in het geval van de post ‘oude debiteuren’ bij Imtech Duitsland, en nadat zij signalen kregen dat significante aangelegenheden niet waren opgehelderd, zoals bij de ontbrekende bankverklaring bij Imtech Polen, niet, althans niet voldoende, hebben gereageerd door nadere vragen te stellen en/of nader onderzoek te (laten) verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat betrokkenen op deze cruciale momenten, waarbij het ging om materiële posten of om significante aangelegenheden, niet hebben gehandeld zoals van hen mag worden verwacht, raakt juist de kern van hun rol als groepsaccountant bij de opzet en uitvoering van de controle van de geconsolideerde jaarrekening. Daar komt bij dat door het veronachtzamen van hun taak er bij de (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening 2011 van Imtech een goedkeurende verklaring is afgegeven, terwijl daarvoor onvoldoende deugdelijke grondslag bestond. Naar het oordeel van het College moet het vorenstaande betrokkenen zeer ernstig worden aangerekend. Het verschil in duur van de tijdelijke doorhaling brengt op passende wijze tot uitdrukking welke positie [naam 1] heeft ingenomen als de in het kader van de controle van de jaarrekening 2011 van Imtech eindverantwoordelijke groepsaccountant en de gedeelde verantwoordelijkheid die er, naar zij hebben gesteld, tussen hem en [naam 2] heeft bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College acht de aan [naam 1] respectievelijk [naam 2] opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van respectievelijk drie maanden en één maand passend en geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie 25.1 De slotsom is dat het hoger beroep van betrokkenen gegrond is voor zover het betreft het gegrond verklaren van de klachtonderdelen a, e, f en g. Het College zal de klachtonderdelen a, e, f en g ongegrond verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2 Het hoger beroep van de curatoren is gegrond voor zover het betreft het buiten beoordeling laten van klachtonderdeel h. Het College zal de zaak zelf afdoen en klachtonderdeel h ongegrond verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook slaagt het hoger beroep van de curatoren voor zover zij hebben betoogd dat de accountantskamer aan het – onder andere in het gegrond geoordeelde klachtonderdeel d aan de orde zijnde – handelen en nalaten van betrokkenen ten onrechte niet ook de conclusie heeft verbonden dat zij op basis van de door hen uitgevoerde werkzaamheden geen voldoende deugdelijke grondslag hadden om bij de door hen gecontroleerde (geconsolideerde en enkelvoudige) jaarrekening 2011 van Imtech een goedkeurende verklaring af te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder slaagt het hoger beroep van de curatoren voor zover zij hebben gesteld dat de accountantskamer tot de verwijten op grond waarvan de klachtonderdelen b, d en i gegrond zijn verklaard ook had moeten rekenen het verwijt dat betrokkenen onvoldoende hebben geëvalueerd of zij van de accountant van het groepsonderdeel voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen en het verwijt dat zij, door een deugdelijke evaluatie achterwege te laten, geen voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3 De uitspraak van de accountantskamer moet in zoverre worden vernietigd. Voor het overige blijft de bestreden uitspraak, met inbegrip van de opgelegde maatregelen, in stand.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>De beslissing op deze hoger beroepen berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing Het College:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart het hoger beroep van [naam 1] en [naam 2] gegrond voor zover het betreft het gegrond verklaren van de klachtonderdelen a, e, f en g;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart het hoger beroep van de curatoren gegrond voor zover het betreft het buiten beoordeling laten van klachtonderdeel h en het buiten beoordeling laten van de klacht dat bij de jaarrekening een verklaring is afgegeven die een voldoende deugdelijke grondslag ontbeert;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vernietigt de bestreden tuchtuitspraak in zoverre;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de klachtonderdelen a, e, f, g en h ongegrond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de klacht dat bij de jaarrekening 2011 van Imtech een accountantsverklaring is afgegeven die een voldoende deugdelijke grondslag ontbeert, gegrond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de hoger beroepen voor het overige ongegrond, met instandlating van de zowel aan [naam 1] als [naam 2] opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van respectievelijk drie maanden en één maand.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. drs. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2022. w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede</p></div>", "next": 0}