{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De benadering van het UWV lijkt mij onnodig omslachtig. De omweg dat (eerst) een afzonderlijk verzoek wordt gedaan door hetzij de eigenrisicodrager hetzij de garantsteller om terug te komen van het toerekeningsbesluit, is niet nodig. Het past binnen de bestaande rechtspraak dat in de procedure tegen het verhaalsbesluit argumenten kunnen worden aangevoerd die tot strekking hebben dat het toerekeningsbesluit evident onjuist is en/of dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden (zie onder 10.16). Dergelijke argumenten doorbreken het uitgangspunt dat bij ketenbesluitvorming wordt uitgegaan van de rechtsgeldigheid van een eerder, onherroepelijk besluit. Het is dus niet nodig dat het toerekeningsbesluit ook formeel van tafel is. Het voordeel van deze werkwijze is dat ook niet ter zake doet of de eigenrisicodrager wel of niet meer bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.26 Ten slotte is nog op te merken dat de voorliggende problematiek – beroep tegen een besluit dat voortbouwt op een eerder, onaantastbaar, besluit in de keten – in de rechtspraak van de CRvB ook wel benaderd is vanuit de regel “dat er bijzondere omstandigheden denkbaar [zijn] waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn”. Ook de rechtbank Midden-Nederland verwijst in zijn onder 10.21 geciteerde overweging naar deze rechtspraak. De hier geformuleerde norm legt de lat inhoudelijk duidelijk hoger dan het ‘evidentiecriterium’, maar lijkt ook ruimte te bieden voor het meewegen van andere feiten en omstandigheden dan de (evidente) onrechtmatigheid van het eerdere besluit. Al met al lijkt deze maatstaf een laatste ‘escape’ om in bijzondere gevallen – die niet vallen onder ‘evidente onjuistheid’ of ‘nieuwe feiten of omstandigheden’ – te ontkomen aan de bindende werking van het eerdere toerekeningsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom: beantwoording vraag 6 10.27 De zesde vraag van het conclusieverzoek luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het UWV verhaalt op de garantsteller: kan de garantsteller dan nog gronden aanvoeren die zien op: a. toerekeningsbesluiten die destijds al aan de ERD zijn gezonden; b. het ontbreken of niet meer reproduceerbaar zijn van toerekeningsbesluiten als de ERD de rechtmatigheid van het verhaal van de desbetreffende uitkeringen niet eerder heeft betwist?</p>\n<p class=\"lf-p\">10.28 In de verhaalsprocedure geldt als uitgangspunt de rechtsgeldigheid van het eerdere, onherroepelijk geworden toerekeningsbesluit. Dat betekent dat de garantsteller in de verhaalsprocedure in beginsel geen argumenten kan aanvoeren die betrekking op het eerdere toerekeningsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.29 Dit ligt anders voor argumenten die tot strekking hebben dat (i) het toerekeningsbesluit evident onjuist is (zie onder 10.16) of (ii) dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat toerekening aan de eigenrisicodrager, ex nunc beoordeeld, onjuist is (zie onder 10.17). Dergelijke argumenten kunnen wel worden aangevoerd door de garantsteller in de procedure tegen het verhaalsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.30 Als er geen toerekeningsbesluit is genomen of als het besluit niet meer traceerbaar is, zal het UWV alsnog zo’n besluit moeten nemen, al dan niet gelijktijdig met het verhaalsbesluit jegens de garantsteller. Een toerekeningsbesluit is een noodzakelijke voorwaarde voor het nemen van een verhaalsbesluit en kan daarin niet impliciet worden gelezen (zie onder 10.6). De eigenrisicodrager zal dan bezwaar en beroep kunnen instellen tegen het toerekeningsbesluit. Dat hij dat eerder niet heeft gedaan tegen een wel genomen maar niet terug te vinden toerekeningsbesluit, maakt dit niet anders. Dit is een omstandigheid die voor risico van het UWV komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.31 Als de eigenrisicodrager ten tijde van het alsnog te nemen toerekeningsbesluit niet meer bestaat, is de garantsteller belanghebbende bij het toerekeningsbesluit en is hij degene die daartegen bezwaar en beroep kan instellen (zie onder 10.11).</p>\n<p class=\"lf-p\">11Beantwoording van de vragen Vraag 1 (zie hoofdstuk 6) 11.1 De eerste twee subvragen van het conclusieverzoek luiden als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1a. Hoe verhoudt de civielrechtelijke garantstelling, die vereist wordt in artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) (betaling op eerste verzoek door het UWV waarin deze schriftelijk meedeelt dat de ERD betalingsverplichtingen niet nakomt) zich tot artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA, dat deze verhaalsmogelijkheid beperkt tot situaties van faillissement of schuldsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">1b. Indien het bepaalde in artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA aldus moet worden uitgelegd dat verhaal slechts mogelijk is indien sprake is van faillissement of schuldsanering van een ERD, strekt de periode waarover vervolgens verhaald kan worden zich dan slechts uit over de periode nadat het faillissement is ingetreden? Dit gelet op artikel 84, derde lid, van de Wet WIA, waaruit volgt dat in geval de ERD de WGA-uitkering niet betaalt, het UWV deze uitkering betaalt en verhaalt op de ERD. Of moet dit artikellid, mede gezien de inhoud van de garantstelling die artikel 40, tweede lid, van de Wfsv voorschrijft, zo worden begrepen dat verhaal - nadat het faillissement eenmaal is ingetreden - ook mogelijk is over daarvoor gelegen periodes waarin de ERD de op hem rustende betalingsverplichtingen op grond van de Wet WIA niet is nagekomen en het UWV de betalingsverplichting op grond van artikel 84, derde lid, van de Wet WIA heeft overgenomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Uit de wetsgeschiedenis van (de voorlopers van) art. 40 lid 2 Wfsv en art. 84 lid 4 Wet WIA blijkt duidelijk dat niet beoogd is dat de garantie uitsluitend kan worden uitgewonnen in geval van faillissement of wanneer de werkgever ophoudt te bestaan. Bedoeld is dat het UWV in alle gevallen waarin de eigenrisicodrager – om welke reden dan ook – niet betaalt, de uitkering op de garantsteller kan verhalen. De regeling in art. 84 lid 4 Wet WIA is louter bedoeld om te verduidelijken dat de garantstelling ook na faillissement (of in de andere daar genoemde gevallen) zijn werking blijft behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Het antwoord op vraag 1a luidt dus dat art. 84 lid 4 Wet WIA als aanvulling op het bepaalde in art 40 lid 2 Wfsv moet worden gezien. Het bepaalde in art. 84 lid 4 Wet WIA vormt geen beperking op de regeling van art. 40 lid 2 Wfsv.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Nu het antwoord op vraag 1a níet luidt dat verhaal enkel mogelijk is in de situaties genoemd in art. 84 lid 4 Wet WIA, behoeft vraag 1b geen beantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 2 (hoofdstuk 7) 11.5 De tweede vraag van het conclusieverzoek luidt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Verplicht artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA of enige andere wettelijke bepaling ertoe dat eerst de faillissementsboedel wordt aangesproken alvorens op de garantsteller wordt verhaald, en zo ja: is dit dan beperkt tot een bepaalde periode?</div>\n<p class=\"lf-p\">11.6 Het antwoord op het eerste deel van deze vraag is ontkennend. Uit de Wet WIA of enige andere wettelijke regeling volgt niet dat bij faillissement van de eigenrisicodrager éérst de faillissementsboedel zou moeten worden aangesproken, voordat op de garantsteller kan worden verhaald. Integendeel, het UWV kan de garantsteller aanspreken zodra de eigenrisicodrager zijn verplichtingen jegens het UWV in verband met het betalen van de WGA-uitkeringen niet nakomt. Dit volgt ook uit de tekst van de garantstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7 Bij deze stand van zaken wordt niet toegekomen aan een antwoord op het tweede deel van vraag 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 3 (hoofdstuk 9) 3. Moet het UWV, alvorens tot verhaal op de garantsteller wordt overgegaan, in alle gevallen eerst onderzoek doen naar een eventuele overgang van de onderneming, of mag het UWV daarbij in beginsel uitgaan van de hem bekende gegevens uit de polis-administratie?</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8 Het antwoord op de eerste subvraag van vraag 3 is ontkennend. Uit de tekst van de garantie volgt, in overeenstemming met het wettelijke systeem, dat de verzekeraar zich verplicht om op eerste verzoek en op enkele schriftelijke mededeling van het UWV dat de eigenrisicodrager zijn verplichtingen die hij als eigenrisicodrager jegens het UWV heeft niet nakomt, gehouden is deze verplichtingen na te komen. Mede in het licht van het wettelijke systeem moet deze bepaling zo worden begrepen, dat het UWV niet eerst hoeft te onderzoeken of sprake is van een eventuele overgang van onderneming alvorens een verhaalsbesluit wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9 Het antwoord op de tweede subvraag van vraag 3 is dat het UWV in beginsel mag afgaan op de hem bekende gegevens uit de polisadministratie. Daaruit lijkt niet steeds te kunnen worden afgeleid dat het risico niet meer berust bij de eigenrisicodrager, maar bij een verkrijgende onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 4 en vraag 5 (hoofdstuk 8) 11.10 De vierde en vijfde vraag van het conclusieverzoek luiden als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien het eigen risico na faillissement op grond van een overgang van onderneming is overgegaan op een verkrijger, verhindert dat (verder) verhaal op de garantsteller in de situatie dat de verkrijger niet betalingsonmachtig is? Zo ja, herleeft dat verhaalsrecht op de oorspronkelijke garantsteller weer op de voet van artikel 40, zevende lid van de Wfsv indien de verkrijger op zijn beurt in faillissement of schuldsanering raakt of dient in zo’n geval de garantsteller van de verkrijger te worden aangesproken, als deze eigenrisicodrager is?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Is het antwoord op vraag 4 anders als de onderneming geheel is overgegaan vóór het faillissement?</div>\n<p class=\"lf-p\">11.11 Het antwoord op de eerste subvraag in vraag 4 luidt in zoverre bevestigend, dat bij overgang van het eigen risico na faillissement als gevolg van een overgang van onderneming op een verkrijger, verhaal op de oorspronkelijke garantsteller slechts mogelijk is indien de verkrijger zijn verplichtingen jegens het UWV niet nakomt. Betalingsonmacht van de verkrijger is niet vereist; het volstaat wanneer de verkrijger zijn verplichtingen uit hoofde van de overgang van het risico, de daaraan verbonden verplichtingen van de oorspronkelijke eigenrisicodrager niet nakomt. Indien de verkrijger zijn verplichtingen wel nakomt, verhindert dit verhaal op de garantsteller.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.12 Het antwoord op de tweede subvraag in vraag 4 is bevestigend. De garantie blijft ook na faillissement zijn werking behouden. Dat geldt ook indien de risico’s die door de garantie zijn gedekt, door overgang van onderneming zijn overgegaan naar een andere onderneming. Indien de verkrijger – om welke reden dan ook – zijn verplichtingen niet nakomt, heeft het UWV dus een verhaalsrecht op de oorspronkelijke garantsteller.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.13 Het antwoord op vraag 5 is ontkennend. Het maakt geen verschil of de onderneming (geheel) is overgegaan vóór of ná het faillissement van de eigenrisicodrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag 6 (hoofdstuk 10) 11.14 De zesde vraag van het conclusieverzoek luidt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Als het UWV verhaalt op de garantsteller: kan de garantsteller dan nog gronden aanvoeren die zien op: a. toerekeningsbesluiten die destijds al aan de ERD zijn gezonden; b. het ontbreken of niet meer reproduceerbaar zijn van toerekeningsbesluiten als de ERD de rechtmatigheid van het verhaal van de desbetreffende uitkeringen niet eerder heeft betwist?</div>\n<p class=\"lf-p\">11.15 In de verhaalsprocedure geldt als uitgangspunt de rechtsgeldigheid van het eerdere, onherroepelijk geworden toerekeningsbesluit. Dat betekent dat de garantsteller in de verhaalsprocedure in beginsel geen argumenten kan aanvoeren die betrekking op het eerdere toerekeningsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.16 Dit ligt anders voor argumenten die tot strekking hebben dat (i) het toerekeningsbesluit evident onjuist is of (ii) dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat toerekening aan de eigenrisicodrager, ex nunc beoordeeld, onjuist is. Dergelijke argumenten kunnen wel worden aangevoerd door de garantsteller in de procedure tegen het verhaalsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.17 Als er geen toerekeningsbesluit is genomen of als het besluit niet meer traceerbaar is, zal het UWV alsnog zo’n besluit moeten nemen, al dan niet gelijktijdig met het verhaalsbesluit jegens de garantsteller. Een toerekeningsbesluit is een noodzakelijke voorwaarde voor het nemen van een verhaalsbesluit en kan daarin niet impliciet worden gelezen. De eigenrisicodrager zal dan bezwaar en beroep kunnen instellen tegen het toerekeningsbesluit. Dat hij dat eerder niet heeft gedaan tegen een wel genomen maar niet terug te vinden toerekeningsbesluit, maakt dit niet anders. Dit is een omstandigheid die voor risico van het UWV komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.18 Als de eigenrisicodrager ten tijde van het alsnog te nemen toerekeningsbesluit niet meer bestaat, is de garantsteller belanghebbende bij het toerekeningsbesluit en is hij degene die daartegen bezwaar en beroep kan instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advocaat-generaal Zie de twee garantieverklaringen in deze procedure zijn overgelegd, d.d. 26 oktober 2012 en 27 december 2012. De twee garantieverklaringen komen inhoudelijk overeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ASR is aangeduid als ‘verzekeraar’ omdat de garantieverklaringen zijn opgenomen in de door de TSN-vennootschappen bij ASR (voorheen Loyalis) afgesloten verzekering voor het risico dat zij dragen voor de betaling van WGA-uitkeringen (‘WGA ERD verzekering conventioneel’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de “Polisvoorwaarden WGA ERD verzekering conventioneel” die in deze procedure zijn overgelegd. De polisvoorwaarden komen inhoudelijk overeen, zodat slechts één van beide verklaringen wordt geciteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het bezwaarschrift d.d. 27 mei 2016 en het bezwaarschrift van 7 juni 2016, onder III.</p>\n<p class=\"lf-p\">De garantsteller heeft met een bezwaarschrift d.d. 27 mei 2016 bezwaar gemaakt tegen acht besluiten, waarvan vijf daterend van 20 april 2016 en drie van 21 april 2016. Met een bezwaarschrift d.d. 7 juni 2016 heeft de garantsteller bezwaar gemaakt tegen de overige vijf besluiten, waarvan twee daterend van 12 mei 2016 en drie van 26 mei 2016. In de bezwaarschriften is te lezen dat de garantsteller de volgens het UWV verschuldigde bedragen aan haar heeft betaald, maar dat die bedragen in de onderhavige procedure worden teruggevorderd. Zie beide bezwaarschriften onder III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing op bezwaar d.d. 19 juli 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 31 januari 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:882.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 31 januari 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:882, rov. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep tegen dit besluit heeft procedurenummer ROE 18/3118. Deze zaak heeft bij de CRvB zaaknummer 21/3756 gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep tegen dit besluit heeft procedurenummer ROE 19/313. Deze zaak heeft bij de CRvB zaaknummer 21/3757 gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 15 september 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:7038.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WGA-uitkering is bedoeld voor verzekerden die nog slechts in staat zijn om maximaal 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur (art. 5 Wet WIA). Tot deze groep behoren zowel mensen die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn, als mensen die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Deze laatsten vormen de grootste groep onder de WGA-gerechtigden. Zie S. Klosse &amp; G.J. Vonk, Hoofdzaken socialezekerheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2022, par. 5.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het eigenrisicodragerschap voor de WGA onder meer S. Klosse &amp; G.J. Vonk, Hoofdzaken socialezekerheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2022, par. 5.7.2; J.P.M. van Zijl, ‘Eigenrisicodragen: onbekend maakt onbemind’, ArbeidsRecht 2020/29. Aan de laatste publicatie ontleen ik het volgende: “Van alle werkgevers in Nederland is maar 3,7% eigenrisicodrager voor de Ziektewet en maar 5,6% eigenrisicodrager voor de WGA. Maar het belang van het eigenrisicodragen is groter dan het lijkt. Omdat vooral grote werkgevers eigenrisicodrager zijn, is het aandeel in de loonsom van eigenrisicodragers voor de WGA 38,1%. Het aandeel in de loonsom van eigenrisicodragers voor de Ziektewet is zelfs 45,4%.” Uit onderzoek van het UWV lijkt te volgen dat het aandeel eigenrisicodragers voor zowel de ZW als de WGA in de periode 2018-2022 redelijk stabiel is gebleven (ca. 46,6% ZW en 38,6% WGA), zie de Brief van de minister van SZW van 11 mei 2023, Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 50, p. 5. In een nieuwsbericht van het UWV van 1 september 2023 is te lezen dat het aandeel eigenrisicodragers voor de WGA stabiel is maar voor de ZW gestaag stijgt, met name bij uitzendbedrijven. Zie: Gedifferentieerde premies WGA en Ziektewet 2024 | UWV (https://www.uwv.nl/nl/publicaties/premienota/2023/gedifferentieerde-premies-wga-en-ziektewet-2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 82 lid 1 Wet WIA jo. art. 83 lid 1 Wet WIA jo. art. 1 Regeling vaststelling periode eigenrisicodragen WGA-uitkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 82 lid 1 Wet WIA, zie hierover tevens: B. Barentsen, T&amp;C Socialezekerheidsrecht, commentaar op art. 82 WIA, aant. 3 (actueel t/m 11 november 2024). Zie over het inlooprisico ook F.J.L. Pennings, ‘Kunnen eigenrisicodragers wel hun eigen risico beïnvloeden?’, TRA 2014/52, par. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 82 lid 2 Wet WIA, zie hierover tevens: B. Barentsen, T&amp;C Socialezekerheidsrecht, commentaar op art. 82 WIA, aant. 3 (actueel t/m 11 november 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Premie Werkhervattingskas. Zie over de verschuldigde premies ingeval van eigenrisicodragerschap de informatievoorziening op www.uwv.nl: Premie WIA, WAO en premie WGA inhoudingen werkgever | UWV (https://www.uwv.nl/nl/premies-bedragen/premie-wia-wao-wga). Zie hierover tevens: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht 2024/7.1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit onderzoek van SEO uit 2020 volgt dat ongeveer 65% van de WGA-eigenrisicodragers zich bij een private verzekeraar herverzekert. Zie: SEO, Ervaringen werknemers met de ZW en de WGA in de hybride markt (2020), SEO-rapport nr. 2020-102, p. 30. Zie verder: AStri Beleidsonderzoek en -advies, Ontwikkeling hybride financiering WGA, 15 februari 2013, p. 16; zie tevens: S. Klosse &amp; G.J. Vonk, Hoofdzaken socialezekerheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 3 april 1985, houdende nadere wijziging van de Ziektewet, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en enige andere wetten (verlaging uitkeringspercentage Ziektewet en premieheffing over uitkeringen bij ziekte), Stb. 1985, 201, p. 3. Ook daarvoor was eigenrisicodragen mogelijk, maar dit was toen nog niet bij wet geregeld, zie hierover: Kamerstukken II 1984/85, 18 752, nrs. 1-3, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 8 februari 1996 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte van de werknemer (Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte), Stb. 1996, 134, p. 12, waar is vermeld dat art. 63 ZW (waar voorheen het eigenrisicodragerschap was geregeld) kwam te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 1995/96, 24 439, nr. 134b (MvA), p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 april 1997 tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), Stb. 1997, 175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.J. Wervelman, De particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering (R&amp;P nr. VR5) 2016/1.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de herintroductie van het eigenrisicodragerschap in de ZW: Kamerstukken II 2001/02, 27 873, nr. 3 (MvT), p. 1-3. Zie voorts over de eigenrisicodragersregeling in de ZW: F.J. L. Pennings, ‘Kunnen eigenrisicodragers wel hun eigen risico beïnvloeden?’, TRA 2014/52; W.L. Roozendaal, ‘De zieke vang-netter met een eigenrisicodrager als ex-werkgever’, TRA 2017/49; L. van den Berg, ‘Re-integratie door de eigenrisicodrager volgens de ZW: de route naar een vast dienstverband?’, TRA 2022/21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 27 873, nr. 3 (MvT), p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee is de verwijzing naar de ZW in art. 40 lid 7 Wfsv komen te vervallen. Deze wijziging is doorgevoerd met de Wet van 4 oktober 2012 tot wijziging van de Ziektewet en enige andere wetten om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken (Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters), Stb. 2012, 464. Zie tevens over deze wijziging: Kamerstukken II 2011/12, 33 241, nr. 3 (MvT), p. 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2004/05, 30 024, nr. 3 (MvT), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over enkele verschillen ten opzichte van de regeling in de WAO: B. Barentsen, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Deventer: Kluwer 2006, par. 11.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3 (MvT), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3 (MvT), p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het model voor de garantieverklaring (2017), raadpleegbaar op www.belastingdient.nl, Garantieverklaring Loonheffingen - Bij de aanvraag eigenrisicodragerschap voor de WGA (https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/garantieverklaring_aanvr_eigenrisicodr_wga_lh4402z5fol.pdf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het model voor de garantieverklaring (2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 79. Ook in het kamerstukdossier waarbij de garantieverklaring voor het eigenrisicodragen voor de ZW is afgeschaft, wordt gesproken over borgstelling. Zie Kamerstukken II 2000/01, 27 873, nr. 3 (MvT), p. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 9 (Nota n.a.v. verslag), p. 3, p. 53, p. 71. Zie ook: Handelingen II 1996/97, 25 698, nr. 22 p. 1683.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 april 1997 tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), Stb. 1997, 175, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 24 december 1997 tot vaststelling van de datum van de inwerkingtreding van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, Stb. 1997, 795.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 25 415, nr. 7 (Nota van wijziging), p. 36-37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 23 november 1994 tot vaststelling van het Besluit eigen risicodragen, Stb. 1995, 820, art. 2 lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat onverlet laat dat wat de eigenrisicodrager en de garantsteller overeenkomen over de garantstelling, vaak is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst, vgl. noot 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld: Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 40 Wfsv, aant. 7 (actueel t/m 15 oktober 2024] (zie ook aant. 6 waarin wordt onderstreept dat geen sprake is van een verzekeringsovereenkomst); V. Gerlach, De ex-werknemer (Monografieën Sociaal Recht nr. 83), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 4.5.4, waar afwisselend wordt gesproken van “garantie” en “bankgarantie”; J.H. Ermers, Module Premie- en verzekeringsplicht, artikel 40 Wfsv, aant. 1.5 (actueel t/m 20 januari 2019), waar afwisselend wordt gesproken van “garantie” en “bankgarantie”; B&amp;B 2006/1914 d.d. 12 oktober 2006 (“Wet Werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)”), onder 2.4.3, waar wordt gesproken van de “bankgarantie”; B. Barentsen, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Deventer: Kluwer 2006, p. 106, waar de auteur spreekt van de “bankgarantie”; zie voorts P.J. Voncken, ‘1998: (En weer) een jaar van grote veranderingen in de arbeidsongeschiktheidswetgeving’, MBB, nr. 4, april 1998, p. 159, waar wordt geopperd dat voor toelating tot het eigenrisicodragerschap “een bankgarantie of een borgtochtverzekering” moet worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bertrams &amp; Russcher, Bankgaranties (R&amp;P nr. CA24) 2022/1.3.2; E.L.A. van Emden &amp; E.A.L. van Emden, Bankgarantie (Recht en Praktijk nr. FR4), Deventer: Kluwer 2014, par. 2.3. Zie ook HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:600, NJ 2015/351 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Amstelpark).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:852 lid 1 BW; zie tevens Asser/Houben &amp; Van Schaick 7-VIII 2023/91. Zie nader over de borgtochtovereenkomst o.a. G.J.L. Bergervoet, Borgtocht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014; J.W.H. Blomkwist, Borgtocht, Deventer: Kluwer 2012. Zie over het verschil op dit punt ten opzichte van de bankgarantie: Bertrams &amp; Russcher, Bankgaranties (R&amp;P nr. CA24) 2022/5-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bertrams &amp; Russcher, Bankgaranties (R&amp;P nr. CA24) 2022, par. 1.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bertrams &amp; Russcher, Bankgaranties (R&amp;P nr. CA24) 2022/3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het verzuim-vereiste Asser/Houben &amp; Van Schaick 7-VIII 2023/76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het UWV stelt in een intern Memo van 27 januari 2021, p. 7 en p. 19-20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bertrams &amp; Russcher, Bankgaranties (R&amp;P nr. CA24) 2022/1-2; Van Emden &amp; van Emden, Bankgarantie(R&amp;P nr. FR4) 2014/1.1. Vgl. m.b.t. het begrip ‘garantuee’ in verhouding tot Engels recht: R.J. Tjittes, Capita selecta commercieel contractenrecht, Den Haag: Boom juridisch 2021, par. 9.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR: NJ 2000, 562 (Mol/Meijer) (rov. 3.3). En m.b.t. het begrip ‘instaan voor’: HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1930, NJ 1996, 300 (ABP/FGH).</p>\n<p class=\"lf-p\">Namelijk in uitspraken van de Rb. Midden-Nederland 1 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:468, rov. 8.3, zie ook de deels gelijkluidende uitspraken van die zelfde datum, met ECLI-nummers 469 t/m 478.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 9 (Nota n.a.v. verslag), p. 94.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelsgewijze toelichting vermeldt enkel: “Nieuw ten opzichte van de bestaande bepalingen is het 12e lid van dit artikel. Hiermee wordt voorzien in rechtsbescherming in de gevallen waarin het eigenrisicodragen van rechtswege eindigt.” Daarmee lijkt met de introductie van art. 40 lid 2 Wfsv geen inhoudelijke wijziging te zijn beoogd ten opzichte van de gelijkluidende bepaling in de WAO. Zie: Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3 (MvT), p. 83. Zie in dit verband ook de transponeringstabel in de MvT; Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3 (MvT), p. 99, waarbij art. 3.5.1.1 correspondeert met art. 40 Wfsv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2004/05, 30 024, nr. 3 (MvT), p. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1997, 175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 78. Overigens was deze bepaling oorspronkelijk opgenomen in art. 75 lid 4 WAO, bij nota van wijziging is deze bepaling in art. 75a WAO terecht gekomen, zie: Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling luidt (voor zover hier relevant): “Indien de eigenrisicodrager de uitkering (…) niet betaalt, betaalt het UWV deze uitkering (…) en verhaalt het UWV de uitkering (…) op de eigenrisicodrager. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 april 1997 tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), Stb. 1997, 175, zie tevens Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 7. Overigens was hetgeen in art. 75b lid 5 WAO was opgenomen, in het oorspronkelijke voorstel opgenomen in art. 75 WAO (oud). Bij nota van wijziging is de redactie van deze regeling in die zin gewijzigd, dat in art. 75 WAO de meer procedurele bepalingen opgenomen, en de materiële bepalingen met betrekking tot het eigenrisicodragen in de artikelen 75a WAO e.v. zijn komen te staan, zie: Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 21: “In de tweede plaats is ervoor gekozen artikel 75 te splitsen in twee artikelen (artikel 75 en artikel 75a) waarbij in artikel 75 de meer procedurele bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het eigen risicodragen en in de artikelen 75a en volgende de materiële bepalingen betreffende het eigen risicodragen zijn opgenomen. Voorts is artikel 75d gewijzigd in artikel 75b omdat het bepaalde in dit artikel aansluit bij het bepaalde in artikel 75a.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 april 1997 tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), Stb. 1997, 175. Bij de introductie van art. 40 lid 2 Wfsv is geen nadere parlementaire toelichting verstrekt. In de wetsgeschiedenis is enkel stilgestaan bij het nieuwe twaalfde lid, zie Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3 (MvT), p. 83 (onder 3.5.1.1): “Nieuw ten opzichte van de bestaande bepalingen is het 12e lid van dit artikel. Hiermee wordt voorzien in rechtsbescherming in de gevallen waarin het eigenrisicodragen van rechtswege eindigt.” Zie in dit verband ook de transponeringstabel in de MvT; Kamerstukken II 2003/04, 29 529, nr. 3 (MvT), p. 99, waarbij art. 3.5.1.1 correspondeert met art. 40 Wfsv. Hieruit volgt ook dat hetgeen voorheen in art. 63 ZW was opgenomen omtrent de aanvraag van het eigenrisicodragerschap, voortaan was opgenomen in art. 40 Wfsv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 25-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 12 (Nader Verslag), p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 25-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 40. Hier is overigens ook te lezen dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels zouden worden gesteld omtrent eigenrisicodragen. Later in het wetgevingsproces is hier echter van teruggekomen, zie de Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 september 1996, Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 9 (Nota n.a.v. verslag), p. 94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 698, nr. 3 (MvT), p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet gelukt om dit commentaar van het Tica boven water te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de parlementaire geschiedenis is verder nog het volgende opgenomen: “De leden van de VVD-fractie zeggen begrip te hebben voor de voorgestelde introductie van de zekerheidsstelling als voorwaarde om eigenrisicodrager te worden. Dit om te voorkomen dat bij betalingsonmacht – deze leden gaan er daarbij vanuit dat mede op faillissementen wordt gedoeld – de lasten niet op derden worden afgewenteld.” Kennelijk werd ervan uitgegaan dat bij betalingsonmacht mede, en dus niet uitsluitend op faillissement werd gedoeld, zie: Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 6 (Verslag), p. 55. In de Nota naar aanleiding van het verslag waar dit citaat uit afkomstig is, is ook niet genoemd dat de zekerheidsstelling uitsluitend bedoeld was voor gevallen van faillissement, zie Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 9 (Nota n.a.v. verslag), waar op p. 93-95 de procedure van het eigenrisicodragen aan bod komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2004/05, 30 118, nr. 3 (MvT), p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de gronden van het hoger beroepschrift van ASR d.d. 9 december 2021, randnr. 19. Overigens lijkt ASR dit standpunt te hebben laten vallen. Waar zij in haar processtukken (verweerschrift in incidenteel hoger beroep d.d. 20 juli 2022, randnr. 19) nog schreef dat het “in strijd met het faillissementsrecht” en “volstrekt onrechtvaardig en onredelijk” is dat zij direct is aangesproken door het UWV zonder dat eerst getracht is de vorderingen op de boedel te verhalen, is in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep (p. 12) te lezen dat de gemachtigde van ASR heeft opgemerkt: “Ik houd niet vast aan het standpunt dat geen verhaalsbesluit genomen had mogen worden zolang niet eerst op faillissementsboedel werd verhaald. Ik denk dat - als naar de datum van faillissement wordt gekeken - zichtbaar is dat de besluiten op zich ingediend hadden moeten worden bij de curator. Echter zal het gezien worden als een concurrente vordering. Daarvan zie ik dat de curator die uiteindelijk niet kan uitbetalen. Wat dat betreft zou je uiteindelijk wel bij ASR terecht komen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover nader P.R.W. Schaink, Arbeidsovereenkomst en insolventierecht, Deventer: Kluwer 2024, par. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover o.a.: Asser/Van Mierlo &amp; Krzeminski 3-VI 2020/491; W.D.M. Rijnenberg, Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 3:288 BW, aant. 4 (publicatiedatum: 28 juli 2023); F.M.J. Verstijlen, T&amp;C BW, commentaar op art. 3:288 BW, aant. 6 (actueel t/m 1 september 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover: J. van der Pijl, Arbeidsrecht en insolventie. Over de positie van de werknemer van een insolvente werkgever (Monografieën Sociaal Recht nr. 75), Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 2.7 over de totstandkoming en achtergrond en over het loon en de loongarantieregeling hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover B. de Pijper, NDSZ deel Werkloosheid, art. 66 WW, aant. 4.2 (publicatiedatum 11 september 2023). Zie over deze materie ook: J. van der Pijl, Arbeidsrecht en insolventie. Over de positie van de werknemer van een insolvente werkgever (Monografieën Sociaal Recht nr. 75), Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 3.7, waar de auteur opmerkt dat het voorrecht van de werknemer in feite verworden is tot een voorrecht van het UWV, omdat UWV in de praktijk veel meer gebaat is bij het preferente karakter van de loonvorderingen dan de individuele werknemer, daar het UWV die vordering immers op grond van art. 66 WW overneemt. Zie over de preferentie van de vordering wegens loon, vakantietoeslag, etc. over de opzegtermijn als bedoeld in art. 40 Fw: F.M. Verburg, GS Faillissementswet, art. 40 Fw, aant. 11.4 (actueel t/m 26 januari 2024); I.M.A. Intel, T&amp;C Insolventierecht, commentaar op art. 40 Fw, aant. 4 (actueel t/m 1 augustus 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">P.R.W. Schaink, Arbeidsovereenkomst en insolventierecht, Deventer: Kluwer 2024, par. 8.10.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.C. van Genugten, ‘De gevolgen van eigenrisicodragerschap bij een doorstart na faillissement’, TvCu 2018/3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de introductie van deze bepalingen: Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2004/05, 30 024, nr. 3 (MvT), p. 205.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling luidt als volgt: “De artikelen 662 tot en met 665 en 670 lid 8 zijn niet van toepassing op de overgang van een onderneming indien: a.de werkgever in staat van faillissement is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort; of b (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze problematiek uitvoerig: M.C. van Genugten, ‘De gevolgen van eigenrisicodragerschap bij een doorstart na faillissement’, TvCu 2018/3, zie tevens: I.M. Dijkmans, ‘Eigenrisicodragerschap bij overgang van onderneming: wat zijn de valkuilen?’, ArbeidsRecht 2011/51.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft verduidelijkt dat het begrip ‘deel’ in art. 82 lid 5 Wet WIA (voorheen art. 84 lid 5 Wet WIA) niet samenvalt met het begrip ‘onderdeel’ in art. 7:662 BW, zie CRvB 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3920, rov. 4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3920, RSV 2020/5 m.nt. R.S. Ferouge, JOR 2020/103 m.nt. M.C. van Genugten, JIN 2020/73 m.nt. H. Mouselli, AR-Updates.nl 2020-0049 m.nt. J.P.M. van Zijl, SZR-Updates.nl 2019-0058 m.nt. J.P.M van Zijl, waarin deels werd teruggekomen van de lijn in CRvB 11 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4322, SZR-Updates.nl 2016-1126 m.nt. J.P.M. van Zijl en CRvB 21 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1608.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 23. Zie voor de tekst van art. 75 lid 7 WAO (oud): Wet van 24 april 1997 tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen), Stb. 1997, 175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het model voor de garantieverklaring (2017), raadpleegbaar op www.belastingdient.nl, Garantieverklaring Loonheffingen - Bij de aanvraag eigenrisicodragerschap voor de WGA (https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/garantieverklaring_aanvr_eigenrisicodr_wga_lh4402z5fol.pdf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F.J.L. Pennings, ‘De invloed van de Wet Pemba op sociale zekerheidsprocedures’, SR 2004, 62, par. 4.3. Overigens gold bij publicatie van deze bijdrage nog een andere nummering in de Wet WIA, zodat waar wordt gesproken van art. 84 lid 3 Wet WIA, art. 82 lid 3 Wet WIA moet worden gelezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem P.R.M. Bierlaagh, NDSZ Commentaar bij art. 40 Wfsv, aant. 4.1 (bijgewerkt tot 11 oktober 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 22 (Tweede nota van wijziging), p. 1, p. 5; Kamerstukken I 1996/97, 25 698, nr. 97 (Gewijzigd voorstel van wet), p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 24-25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 10 (Nota van wijziging), p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 24 698, nr. 22 (Tweede nota van wijziging), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 1996/97, 24 698, nr. 97b (MvA), p. 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van T.N. Sanders bij ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, AB 2019/436 (Dwangsom Tholen), onder 5, met verwijzing naar CBb 7 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:190.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook al spreekt artikel 4:6 Awb over een aanvraag, uit de jurisprudentie blijkt dat de norm die in die bepaling is neergelegd, ook geldt als het herzieningsverzoek een ambtshalve door het bestuursorgaan genomen besluit betreft. Zie A.T. Marseille (red.), Inleiding Bestuursrecht, Den Haag: Boom juridisch 2021, par. 5.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 juni 2004 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en andere wetten in verband met een administratieve lastenverlichting inzake de vaststelling van het premieloon en het uitkeringsloon (Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten), Stb. 2004, 311.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 219, nr. 3 (MvT), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 219, nr. 3 (MvT), p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 219, nr. 3 (MvT), p. 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 29 november 2001, houdende regels tot vaststelling van een structuur voor de uitvoering van taken met betrekking tot de arbeidsvoorziening en socialeverzekeringswetten (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen), Stb. 2001, 624.</p>\n<p class=\"lf-p\">Genoemd wordt onder meer (sub a) van de werknemer gegevens over zijn arbeidsverhouding en uitkeringsverhouding, daaronder begrepen duur, loon en premies werknemersverzekeringen, vast te leggen ten behoeve van de werknemersverzekeringen en (…) en (sub b) besluiten over recht op uitkering of verstrekking te baseren op gegevens als bedoeld in onderdeel a met het oog waarop de werknemer wordt geïnformeerd over die gegevens en het al dan niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit SUWI, art. 5.2 en Bijlage I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo volgt uit Bijlage I. Zie over de gegevens die bij de loonaangifte dienen te worden verstrekt art. 1a lid 2 Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Zie over de polisadministratie tevens: Hoogstraten &amp; Taouil, Loonheffingen 2024/2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Formulier “Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten”, raadpleegbaar op www.belastingdienst.nl: Melding Loonheffingen - Overdracht van activiteiten (https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/melding_loonhef_overdr_activ_lh5921z12fol.pdf). Zie ook Handboek Loonheffingen 2024, p. 39 (par. 2.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 19 september 2024, p. 2: “Idealiter zouden we van alle werknemers weten bij welk onderdeel van TSN zij in dienst waren voordat ze arbeidsongeschikt werden. Het is niet te doen om dat te reconstrueren. De rechtbank heeft het opgelost door te kijken of zij na de overgang nog ergens anders in dienst waren. Dat kan een aanwijzing zijn dat zij bij een zelfstandig gebleken onderdeel werkten. Dus dat blijkt uit de polisadministratie. (…). Op die manier is het achteraf toch min of meer mogelijk te reconstrueren welke werknemers het geweest zijn. Dit geldt inderdaad alleen voor de werknemers die nog in de eerste twee jaar van ziekte zitten. Zij hebben recht op loon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gedurende die periode een overgang van onderneming plaatsvindt, is dat zichtbaar in de polisadministratie. Ten aanzien van de werknemers die al jarenlang een WGA-uitkering ontvangen kunnen wij dat niet zien. Wij zien enkel de eerste registratie, als iemand geen nieuw dienstverband aangaat. (…) Ik denk dat je in de polisadministratie alleen kan zien dat er een loondoorbetalingsverplichting is van een entiteit. Als de 104 weken voorbij zijn, zie je daar – volgens mij – niets meer in. Op het moment dat er een faillissement is, bestaat de veronderstelling dat iedereen civielrechtelijk van rechtswege mee overgaat niet. Dan kan men uit de polisadministratie helemaal niets afleiden. In de regel worden in 99 van de 100 gevallen de zieke broeders en zusters niet mee overgenomen bij een faillissement, doorstart of opvolging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorstel is op 29 mei 2020 ter internetconsulatie voorgelegd, zie: Overheid.nl | Consultatie Wetsvoorstel beschikking bij overgang van onderneming. Zie over dit wetsvoorstel ook de annotatie van R.S. Ferouge in RVS 2023/114, bij CRvB 6 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:928.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concept-wetsvoorstel beschikking bij overgang van onderneming, MvT, p. 5-7, raadpleegbaar via: Documenten bij Wijziging Wfsv en enkele andere wetten in verband met nadere regels inzake een overgang van onderneming | Overheid.nl | Wetgevingskalender.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetsvoorstel beschikking bij overgang van onderneming, MvT, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetsvoorstel beschikking bij overgang van onderneming, MvT, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: wetgevingskalender.overheid.nl: Wijziging Wfsv en enkele andere wetten in verband met nadere regels inzake een overgang van onderneming | Overheid.nl | Wetgevingskalender.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies Raad van State d.d. 29 mei 2024, W12.24.00052/III, raadpleegbaar via www.raadvanstate.nl: Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen, de Ziektewet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met nadere regels inzake een overgang van onderneming. - Raad van State (https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@142503/w12-24-00052-iii/).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Wijziging Wfsv en enkele andere wetten in verband met nadere regels inzake een overgang van onderneming | Overheid.nl | Wetgevingskalender (voor het laatst geraadpleegd op 14 januari 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 31 januari 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:882, rov. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schrijven UWV van 22 augustus 2024, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schrijven UWV van 22 augustus 2024, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over ketenbesluitvorming onder meer: T.N. Sanders, ‘Liever rechtszekerheid dan rechtvaardigheid? De formele rechtskracht bij ketenbesluitvorming in het bestuursrecht’, in: VAR-reeks 162, De toekomst van de formele rechtskracht, Vereniging voor Bestuursrecht 2019, p. 71-135, m.n. p. 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 7 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3936, rov. 7.3.1 en CRvB 5 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:867, rov. 4.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem Rb. Midden-Nederland 1 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:468, rov. 16.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 4 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2716, RSV 2014/21 m.nt. C.W.C.A. Bruggeman, H.W.M. Nacinovic, AB 2014/166 m.nt. R. Ortlep, AB 2014/196 m.nt. I. Sewandono, rov. 5.4. Deze uitspraak is in lijn met het uitgangspunt in de rechtspraak van de Afdeling, zie ABRvS 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4973. Zie over deze rechtspraak ook concl. A-G Widdershoven 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474, randnr. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 24 september 2002, ECLI:NL:CRVB:2022:AE8200.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 10 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0127, RSV 2006/353.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 10 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0127, RSV 2006/353.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:655, rov. 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. A-G Widdershoven 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474, randnr. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 15 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2776, RSV 2019/221, USZ 2019/290, rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. A-G Widdershoven 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474, randnr. 9.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook uitvoerig de conclusies van A-G Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152 (Dwangsom Tholen), en van 6 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2623 (Boetebesluiten), onder 10.1 e.v., in het bijzonder onder 10.8 m.b.t ketenbesluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het evidentiecriterium onder meer J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechter, par. 7.9.1; T.N. Sanders, Liever rechtszekerheid dan rechtvaardigheid? De formele rechtskracht bij ketenbesluitvorming in het bestuursrecht’, in: VAR-reeks 162, De toekomst van de formele rechtskracht, Vereniging voor Bestuursrecht 2019, par. 6.3.2 e.v.; R. Ortlep en M. van Zante, ‘De Purmerend-zaak: de leer van de formele rechtskracht in ketenbesluitvorming’, in: JBplus 2021/04. Vgl. ook F.C.M.A. Michiels, A.B. Blomberg &amp; L.A.J. Spaans, Hoofdzaken van het bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2022, par. 6.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het verschil tussen ‘rechtsgeldigheid’ en ‘rechtmatigheid’ Ortlep en Van Zante, a.w., par. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466 (rov. 2.2), AB 2019/436 m.nt. Sanders, BR 2019/38 m.nt. R. Olivier, Gst. 2019/88 m.nt. P.H.J. de Jonge (Dwangsom Tholen). Vgl. ook de voor de uitspraak genomen conclusie van A-G Wattel 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152. Zie voorts ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:260, onder 35 en 46.1. en ABRvS 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:11 (LPG-tankstation Purmerend). Door Ortlep en Van Zane, a.w., par. 4.1, wordt besproken dat de leer van ‘evidente onrechtmatigheid’ een lange geschiedenis heeft in het bestuursrecht. Zie ook R. Ortlep, De aantasting van stabiele bestuursrechtelijke rechtsvaststellingen in het licht van het Unierecht (Recht en Praktijk nr. SB4) (diss. Utrecht), par. 5.3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze discussie onder meer T.N. Sanders, Liever rechtszekerheid dan rechtvaardigheid? De formele rechtskracht bij ketenbesluitvorming in het bestuursrecht’, in: VAR-reeks 162, De toekomst van de formele rechtskracht, Vereniging voor Bestuursrecht 2019, p. 111-112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie CRvB 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2178; CRvB 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1363, voorafgegaan door de conclusie van A-G Wattel van 6 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2623. Zie over het evidentiecriterium bij verzoeken om terug te komen van een eerder besluit ook G.J. Stoepker en D.T. van der Leek, ‘Daar lusten de honden geen brood van! Handvatten voor de evident onredelijkheids-toets bij toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb’, NTB 2019/40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 1 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:468. De overige uitspraken zijn gelijkluidend. Zie uitvoerig over deze uitspraken: A. Wit, NDSZ deel Arbeidsongeschiktheid, art. 84 Wet WIA, aant. 3.3 (publicatiedatum: 13 november 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwijst daar naar CRvB 8 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3383. Zie over die uitspraak in de hoofdtekst onder 10.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memo UWV d.d. 27 januari 2021, onderwerp: “De garantsteller van de ERD-WGA: waarbij is hij belanghebbend en wat kan hij aanvoeren?”, versie 4, p. 9-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 8 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3383, rov. 5.3. Zie bijv. ook CRvB 24 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:454; CRvB 2 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1370; CRvB 17 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA2154.</p></div>", "next": 0}