{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">7.19 Dexia heeft in dit verband aangevoerd dat er (van 1992 tot en met 2003) door Dexia in totaal 713.540 effectenlease-overeenkomsten zijn geslo-ten welke niet vóór 1 januari 1997 zijn beëindigd, met in totaal 394.486, afgerond 395.000, afnemers. Effectenlease-overeenkomsten die vóór 1 januari 1997 zijn beëindigd, zijn (krachtens artikel 2.2 (a) van de WCAM-overeenkomst) buiten de werking van die overeenkomst gelaten, omdat vorde-ringen in verband met dergelijke overeenkomsten veelal verjaard zijn en er bij dergelijke overeenkomsten veelal slechts koerwinst is geboekt. Het ver-schil tussen het genoemde totale aantal effectenlease-overeenkomsten en het genoemde aantal afnemers vloeit voort uit het feit dat sommige afnemers twee of meer effectenlease-overeenkomsten hebben gesloten. Van die 395.000 afnemers zijn er circa 300.000 \"gerechtigden\" in de zin van de WCAM-overeenkomst. De overige circa 95.000 afnemers zijn geen gerechtigden in die zin, omdat zij onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 2.2 (b) tot en met (g) en van artikel 2.3 van de WCAM-overeenkomst vallen. Met een deel van die 95.000 contractanten heeft Dexia reeds een minnelijke regeling ge-troffen, al dan niet op basis van de \"hoofdovereenkomst\". Een dergelijke minnelijke regeling is, aldus is namens Dexia aangevoerd ter zitting van 16 mei 2006, met circa 68.000 contractanten bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 De circa 300.000 gerechtigden in de zin van de WCAM-overeenkomst zijn, aldus de verzoeksters, krachtens een schatting naar de situatie van 10 no-vember 2005, in te delen in vier categorieën: (i) 15.000 gerechtigden hebben overeenkomstig de bepalingen van de WCAM-overeenkomst recht op vergoeding van 100% van hun restschuld; (ii) 110.000 gerechtigden hebben overeenkomstig de bepalingen van de WCAM-overeenkomst recht op vergoeding van 66,67% van hun restschuld; (iii) 50.000 gerechtigden hebben overeenkomstig de bepalingen van de WCAM-overeenkomst recht op vergoeding van 10% van hun restschuld; (iv) 125.000 gerechtigden hebben overeenkomstig de bepalingen van de WCAM-overeenkomst geen recht op een vergoeding: zij hebben ofwel nimmer koers-verlies geleden ofwel hun persoonlijke saldo in de zin van de WCAM-overeenkomst is gelijk aan of groter dan nul.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 Voorts hebben de verzoeksters het navolgende gesteld, voor zover hier van belang.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De onder de WCAM-overeenkomst ressorterende effectenlease-overeenkomsten die per ultimo 2005 een zogenaamde \"onderwaterstand\" in de zin van de WCAM-overeenkomst vertoonden, hadden op laatstgenoemd moment een totale onderwa-terstand van € 1.340.100.000, zijnde een gemiddelde van € 3.536 per over-eenkomst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De totale kosten van de afwikkeling van de effectenlease-overeenkomsten door Dexia bedragen naar (mede op de gemiddelde onderwaterstand gebaseerde) schatting, gemeten naar de aandelenkoersen van 17 oktober 2005, circa één miljard euro.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dit betreft de kosten verbonden aan uitvoering van de WCAM-overeenkomst en aan de uitvoering van de minnelijke regelingen die Dexia – los van de WCAM-overeenkomst – is overeengekomen of zal overeenkomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dexia heeft in verband met deze kosten in 2002 € 477.300.000 aan voorzie-ningen aangelegd, in 2004 € 206.800.000 en in 2005 € 206.800.000, tezamen derhalve € 997.200.000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dexia SA, de (uiteindelijke) houdster van de aandelen van Dexia, heeft zich garant gesteld voor de volledige naleving van de WCAM-overeenkomst door Dexia; deze schriftelijke – in geding gebrachte – verklaring vormt een waarborg van gelijke betekenis als een onherroepelijke bankgarantie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Blijkens haar jaarstukken over 2004 had Dexia SA in dit jaar op geconso-lideerde basis een balanstotaal van € 389 miljard en een eigen vermogen van circa € 12 miljard; haar beurswaarde bedraagt circa € 21 miljard; ook de desbetreffende bescheiden zijn door Dexia in het geding gebracht.</div>\n<p class=\"lf-p\">7.22 Er zijn door verweerders geen feiten of omstandigheden gesteld, en evenmin zijn deze anderszins gebleken, die tot de slotsom leiden dat de vorenvermelde gegevens omtrent de voor Dexia te verwachten kosten (met name wat betreft de hier van belang zijnde kosten van de afwikkeling van de WCAM-overeenkomst, doch ook overigens), omtrent de voorzieningen waarover Dexia in dat verband beschikt en/of omtrent de garantstelling door en de financiële positie van Dexia SA, onjuist zijn of nader onderzoek behoeven. Het hof gaat daarom van die gegevens uit. Gelet op deze gegevens hebben de verzoeksters aannemelijk gemaakt dat er voldoende zekerheid bestaat dat Dexia de WCAM-overeenkomst – na verbindendverklaring – correct zal kunnen uitvoeren. de positie van degene die bij de aankondiging van de verbindendverklaring nog niet met zijn schade bekend kon zijn (artikel 7:908, derde lid, BW) 7.23 Krachtens artikel 7:908, derde lid, BW heeft een verbindend verklaarde overeenkomst als de onderhavige, wanneer zekere voorwaarden zijn vervuld, geen gevolg voor een gerechtigde tot een vergoeding uit hoofde van die overeenkomst, indien die gerechtigde bij de aankondiging van de verbindend-verklaring niet met zijn schade bekend kon zijn. Deze bepaling heeft naar haar aard betrekking op de wijze waarop de WCAM-overeenkomst na verbindend-verklaring moet worden uitgevoerd. In het algemeen speelt die bepaling dan ook geen rol bij de vraag of de WCAM-overeenkomst verbindend dient te wor-den verklaard, tenzij bijzondere omstandigheden een uitzondering op dat algemene uitgangspunt rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Veeleer zijn er aanwijzingen voor de afwezigheid van dergelijke feiten en omstandigheden, omdat de naleving van de desbetreffende wetsbepaling naar verwachting geen onaanvaardbare problemen zal meebrengen. Het gaat hier immers om de vraag of een gerechtigde (in de zin van de WCAM-overeenkomst, waartoe onder meer is vereist dat men partij is bij een in Nederland geslo-ten effectenlease-overeenkomst) ten gevolge van die overeenkomst schade heeft geleden. Gezien de mate en de intensiteit van de publiciteit die er in Nederland is (geweest) omtrent de door Dexia gesloten effectenlease-overeenkomsten, omtrent de vraag naar Dexia’s schadeplichtigheid in verband met die overeenkomsten en omtrent de daarmee in verband staande WCAM-overeenkomst en de onderhavige verzoekschriftprocedure, zal er in beginsel van uit mogen worden gegaan dat een gerechtigde bij de WCAM-overeenkomst (in ieder geval ten tijde van de genoemde aankondiging) met door hem gele-den schade in verband met zijn effectenlease-overeenkomst bekend kan zijn. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om bekendheid met een uit de WCAM-overeenkomst voortvloeiend recht op een vergoeding (of de afwezigheid van een dergelijk recht) als hierboven, onder 7.2, aan de orde, doch met bekendheid met schade tengevolge van de desbetreffende effectenlease-overeenkomst in het algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Ook in verband met vorenomschreven wetsbepaling bestaan er daarom geen beletsels die aan verbindendverklaring van de WCAM in de weg staan. het totaalbedrag van de verschuldigde vergoedingen en eventuele overschrij-ding door dat bedrag van een in een overeenkomst als de onderhavige vastge-steld bedrag (artikel 7:909, vijfde lid, BW) 7.26 Naar blijkt uit de tekst en de geschiedenis van artikel 7:909, vijfde lid, BW, gaat het daarbij om de situatie dat – enerzijds - in een overeen-komst als de onderhavige door de daarbij contracterende partijen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid dat de partij die zich tot vergoeding van scha-de verbindt, daartoe een in de desbetreffende (WCAM)overeenkomst bepaald bedrag betaalt, al dan niet door betaling aan een fonds of door storting op een geblokkeerde derdenrekening, alsmede dat – anderzijds – genoemd bedrag onvoldoende blijkt om daaruit de vergoedingen te voldoen die krachtens die overeenkomst aan de respectieve gerechtigden toekomen, hetgeen zich kan voordoen indien het feitelijke aantal gerechtigden tot een vergoeding gro-ter blijkt te zijn dan ten tijde van de totstandkoming van de (WCAM)overeenkomst was voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.27 In de WCAM-overeenkomst is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid de door Dexia te vergoeden schade voldaan te achten door betaling door Dexia van een in de WCAM-overeenkomst bepaald (totaal)bedrag. Het in artikel 7:909, vijfde lid, BW beschreven geval zal zich daarom na verbindendverkla-ring van de WCAM-overeenkomst niet voordoen. Op Dexia rust, anders gezegd, na verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst de plicht elk van degenen aan wie krachtens de WCAM-overeenkomst een vergoeding toekomt, die vergoe-ding desgevraagd volledig uit te keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28 Reeds hierom vormt de genoemde wetsbepaling geen beletsel die aan ver-bindendverklaring van de WCAM-overeenkomst in de weg staat, nog daargelaten of zulks anders was geweest indien zich de in dat artikel beschreven situa-tie hier wel had voorgedaan. gevolgen van verbindendverklaring voor de (rechterlijke) afdoening van in-dividuele rechtszaken 7.29 Vanuit de kring van verweerders is gesteld dat aan verbindendverkla-ring in de weg staat dat bij verbindendverklaring ervoor moet worden ge-vreesd dat rechters die individuele schadevorderingen in verband met effec-tenlease-overeenkomsten met Dexia zullen hebben te beoordelen (in het geval van een contractant die niet onder de WCAM-overeenkomst valt of die een opt-outverklaring heeft gedaan), geneigd zullen zijn zich te richten naar de onderhavige beschikking van het hof, zonder daarbij voldoende recht te doen aan de omstandigheden van de desbetreffende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30 Bij de beoordeling van die stelling geldt als uitgangspunt dat het hof de WCAM-overeenkomst als vaststellingsovereenkomst heeft getoetst aan de wettelijk voorgeschreven criteria, een en ander zoals hierboven, onder 5 en 6, omschreven, en zonder daarbij de omstandigheden van de individuele ge-vallen te betrekken. Dat betekent dat de geschilpunten tussen Dexia en de-genen die een effectenlease-overeenkomst sloten niet – in het kader van dit geding – ten gronde door het hof zijn beoordeeld op de wijze die past bij de berechting van een individuele schadevordering. Die wijze van berechting zal in rechtszaken waarin een individuele schadevordering is ingesteld alsnog kunnen plaatsvinden. Er moet van worden uitgegaan dat de rechter die in een dergelijke zaak zal hebben te oordelen het voormelde uitgangspunt niet zal miskennen en dat hij overigens op rechtens juiste wijze gebruik zal maken van zijn vrijheid om bij zijn beslissing aan de beschikking van het hof de betekenis toe te kennen, die hij geraden zal achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld of geble-ken die in het licht van de hier beoordeelde stelling aan verbindendverkla-ring van de WCAM-overeenkomst in de weg behoren te staan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Overige kwesties in verband met de toewijsbaarheid van het verzoek 8.1 Tot verweer is nog aangevoerd dat benadeelde beleggers onvoldoende in staat zullen zijn hun individuele proceskansen en procesrisico's te schat-ten om te beoordelen of zij gebruik moeten maken van de uitstapmogelijkheid en om te beoordelen of uitstappen meebrengt dat voor hen geen aanspraken tegen Dexia meer resteren, alsmede of uitstappen invloed heeft op hun even-tuele aanspraken tegen tussenpersonen, toezichthouders en AEGON. De ver-weerders die dit hebben aangevoerd, betogen dat dit in de weg staat aan toewijzing van het verzoek. Daarbij geven zij het hof in overweging de ver-zoeksters op te dragen gedegen en objectief advies ten behoeve van de be-leggers uit te doen brengen door \"personen uit de kringen rond de Hoge Raad\", waarbij de conclusie van dit advies voor de gemiddelde benadeelde, volgens deze verweerders van \"LBO-niveau\", te lezen en te begrijpen moet zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Een antwoord op enkele van de vragen waarvoor de beleggers in de hier bedoelde situaties zich gesteld zullen zien, voor zover die vragen los van de individuele omstandigheden kunnen worden beantwoord, is in de onderhavi-ge beschikking te vinden. Zo heeft het hof als zijn oordeel te kennen gege-ven dat er geen grond is om de hoogte van de door de WCAM-overeenkomst toe-gekende vergoedingen niet redelijk te achten (hierboven, onder 6.16), als-mede dat de belangen van degenen ten behoeve van wie de WCAM-overeenkomst is gesloten, op voldoende wijze zijn gewaarborgd (hierboven, onder 7.17). Ook heeft het hof geoordeeld dat de afnemers en hun eega's voor wie de WCAM-overeenkomst verbindend is, als gevolg van artikel 14.1 van de WCAM-overeenkomst alle verdere rechten en bevoegdheden tegen Dexia, ter zake van de effectenlease-overeenkomsten waarop de WCAM-overeenkomst betrekking heeft, hebben prijsgegeven en dat dit prijsgeven rechtsgeldig is, ook voor zover het rechten en bevoegdheden betreft in verband met van rechtswege nietige, vernietigde of vernietigbare effectenlease-overeenkomsten (hierbo-ven, onder 5.20 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Dit laat onverlet dat ook de onderhavige beschikking niet alle vragen beantwoordt, die los van de individuele omstandigheden kunnen worden beant-woord, en dat zij geen enkele van de vragen beantwoordt die slechts aan de hand van de individuele omstandigheden vallen te beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Het hof ziet geen heil in een advies zoals door deze verweerders voor-gestaan. Zo'n advies zou om evidente, praktische redenen onmogelijk vol-doende kunnen ingaan op de vermoedelijk zeer uiteenlopende, individuele omstandigheden die hier relevant zijn. De nog resterende onbeantwoorde vra-gen die los van de individuele omstandigheden kunnen worden beantwoord, betreffen de invloed van het uitstappen op aanspraken tegen anderen dan Dexia. In redelijkheid behoeven die vragen thans niet in een advies, zoals aan de orde, te worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Het hof ziet ook onvoldoende aanleiding om, alvorens op het verzoek te beslissen, te bewerkstelligen dat de onbeantwoorde vragen op andere wijze geheel of ten dele worden beantwoord. Het staat de bedoelde beleggers vrij niet zonder meer af te gaan op het advies van de verzoeksters 2 tot en met 5, dat ertoe strekt dat beleggers in het algemeen niet moeten uitstappen. Zij mogen rekening houden met de mogelijkheid dat, als zij dit advies volgen, onvoldoende recht wordt gedaan aan hun individuele omstandigheden, en/of met de mogelijkheid dat al dan niet uitstappen invloed heeft op hun eventuele aanspraken tegen anderen dan Dexia. Het is evenwel niet onredelijk dat deze beleggers de last van het inwinnen van nader advies nu zelf zullen moeten dragen, ook als zij daarvan dan veelal zullen afzien omdat zij die last niet kunnen dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Dit leidt ertoe dat vastgesteld moet worden dat het verweer dat hier aan de orde is, weliswaar ten dele feitelijke grond heeft maar niet in de weg staat aan toewijzing van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Daarmee is het laatste verweer ten aanzien van de toewijsbaarheid van het verzoek tot verbindendverklaring aan de orde gekomen, dat uitdrukkelijke be-spreking behoeft. Er is nog meer verweer gevoerd, maar dat kan nu buiten be-spreking blijven, omdat het niet kan leiden tot afwijzing van het verzoek, terwijl het in het licht van het tussen de partijen gevoerde debat ook niet nodig is dit nader toe te lichten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Conclusie over de toewijsbaarheid van het verzoek tot verbindendverklaring De gevolgtrekking uit het voorgaande moet zijn dat het verzoek tot verbin-dendverklaring van de gewijzigde WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006, zoals ver-beterd gelezen, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet is gebleken dat er aanleiding is om de verzoeksters gelegenheid tot (verdere) aanvulling of wijziging van de overeenkomst te geven. Er is geen grond gevonden om het ver-zoek af te wijzen. De verbindendverklaring zal daarom worden uitgesproken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Verdere afhandeling duur van de opt-outperiode 10.1 Ten aanzien van de verzochte duur van de opt-outperiode, te weten, voor zover thans van belang, zes maanden, (zoals hierboven, onder 4.1, ge-releveerd) is door één verweerder betoogd dat deze duur op één jaar zou moeten worden gesteld. Dienaangaande geldt het volgende. Gewaarborgd moet zijn dat de individuele belegger, casu quo ook zijn eega, redelijkerwijs geacht kan worden op de hoogte te zijn van het bestaan en de strekking van de WCAM-overeenkomst, van de verbindendverklaring en van zijn uitstapmoge-lijkheid, en voorts dat hij voldoende tijd heeft gehad om zich te vergewis-sen van de pro's en contra's van het gebruikmaken van de uitstapmogelijk-heid en voldoende gelegenheid om daartoe deskundig advies in te winnen (waarover ook hierboven, onder 5.7). Anderzijds moet ook het belang in aan-merking worden genomen, dat de aangelegenheid met voortvarendheid wordt afgewikkeld. Dit is niet alleen een belang van Dexia, maar ook een algemeen belang. Gelet op beide gezichtspunten kan de termijn in redelijkheid op ongeveer zes maanden worden gesteld, zoals hierna te doen. toepassing van artikel 1017, lid 3, Rv 10.2 In deze zaak komt het doelmatig en verantwoord voor dat aan artikel 1017, lid 3, Rv als volgt toepassing wordt gegeven. In het bijzonder is, gelet op het grote aantal \"gerechtigden\" en de grote omvang van deze be-schikking, aanvaardbaar dat Dexia afschrift (op papier) van de beschikking alleen op aanvraag behoeft te verstrekken, nu de beschikking al meteen op diverse websites zal worden gepubliceerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.3 De verzoeksters dienen mededeling te doen van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een korte omschrijving van de WCAM-overeenkomst en in het bijzonder van de wijze waarop vergoeding kan worden verkregen en de termijn waarbinnen daarop aanspraak dient te worden gemaakt:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gevolgen van de verbindendverklaring;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de termijn waarbinnen en de wijze waarop de \"gerechtigden\" zich van de gevolgen van de verbindendverklaring kunnen bevrijden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de mogelijkheid de beschikking en de WCAM-overeenkomst in te zien op de website van het gerechtshof te Amsterdam (www.rechtspraak.nl en vervolgens 'actualiteiten/dossier') en, voor de \"gerechtigden\", op aanvraag, bij de griffie van de handelssector van dit hof;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de mogelijkheid de beschikking en de WCAM-overeenkomst in te zien op de website van Dexia en, voor zover van toepassing, die van de andere verzoek-sters, met vermelding van de adresgegevens van die websites;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de mogelijkheid, op aanvraag, een afschrift (op papier; of als de aanvrager dat wenst, een elektronische versie) van de beschikking en de WCAM-overeenkomst te verkrijgen bij Dexia, met vermelding van een postadres in Nederland en een e-mailadres waar de aanvraag kan worden gedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.4 De onder 10.3 bedoelde mededeling moet zo spoedig mogelijk nadat deze beschikking onherroepelijk is geworden, worden gedaan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij gewone brief aan de bij de verzoeksters bekende \"gerechtigden\" tot een vergoeding (in de zin van artikel 1017, lid 3, Rv), alsmede aan de verweer-sters-rechtspersonen 1, 2, 3 en 5;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij advertentie in de nieuwsbladen De Volkskrant, De Telegraaf en Het Fi-nancieele Dagblad;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij bericht op de website van de verzoeksters.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.5 Bovendien moet de tekst van deze beschikking en die van de WCAM-overeenkomst op de website van Dexia en desgewenst van de andere verzoeksters worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Zo spoedig mogelijk nadat namens of door een \"gerechtigde\", of door één van de verweersters-rechtspersonen 1, 2, 3 en 5, nadat deze beschikking on-herroepelijk is geworden, aan Dexia, op één van de overeenkomstig 10.3 opge-geven adressen, is verzocht om afschrift (op papier, of een elektronische versie) van de beschikking en/of de WCAM-overeenkomst, dient Dexia, op haar kosten, aan dit verzoek te voldoen. reconventionele verzoeken 10.7 De verweerder 7 kan niet worden ontvangen in zijn zelfstandige verzoek dat het hof aan het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst de schorsende werking zal ontnemen. Slechts in een ingevolge artikel 1015, lid 1, RV geschorst geding kan aan de orde worden gesteld of dat geding moet worden hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 De verweerder 13, indien overigens al ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoek met betrekking tot, kort gezegd, de vraag of Dexia aandelen heeft aangekocht en behouden, heeft bij het verzochte onvoldoende belang na het onderzoek dat de AFM in deze zaak heeft verricht (waarover hierboven, onder 6.13). Het verzoek is niet toewijsbaar. proceskosten 10.9 Een aantal verweerders heeft verzocht om veroordeling van de verzoek-sters in de proceskosten. Het hof zal de kosten van de deskundige AFM ten laste van Dexia brengen, op de voet van artikel 1016, lid 2, Rv, en deze kos-ten vaststellen overeenkomstig de declaratie van de AFM, nu Dexia te kennen heeft gegeven dat zij geen bezwaar tegen zodanige vaststelling heeft. Voor het overige is er onvoldoende reden voor een kostenveroordeling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Beslissing Het hof: verstaat dat in artikel 2.3 (a) alsmede in artikel 3, eerste volzin, van de gewijzigde WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006 de passage \"artikel 4 tot en met 8\" telkens verbeterd wordt gelezen als \"artikel 4 tot en met 9\"; verklaart de (gewijzigde) WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006 (inclusief haar Bijlage A) verbindend voor de personen die in artikel 2 van die overeenkomst als \"gerechtigden\" zijn omschreven, en voor de in artikel 7:907, lid 1, laat-ste volzin, BW bedoelde rechtverkrijgenden; bepaalt dat de termijn waarbinnen een \"gerechtigde\" als voormeld door een schriftelijke mededeling kan laten weten niet gebonden te willen zijn (de opt-outperiode), begint op de dag van aankondiging (in de in deze beschikking aangewezen nieuwsbladen) dat deze beschikking onherroepelijk is geworden, en eindigt op de laatste dag van de zesde kalendermaand na afloop van de kalen-dermaand waarin deze dag van aankondiging valt; bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk, bij gewone brief een afschrift van deze beschikking, alsmede per e-bericht een elektronische versie van deze beschikking, aan de procureurs van de verzoeksters zal verstrekken; beveelt de verzoeksters te handelen zoals onder 10.2 tot en met 10.6 voor-zien; verwijst Dexia in de kosten van de deskundige AFM en stelt vast dat deze kos-ten € 148.000,00 bedragen; verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst het over en weer meer of anders verzochte af.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.J. Chorus, R.A. Steenbergen en W.H.F.M. Cortenraad en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2007.</p></div>", "next": 0}