{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Vrijwel al die geschriften zijn door leden van de organisatie onder andere leden van de organisatie verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geschrift (187)'To catch a wolf' is op 1 juni 2004 op internet gepubliceerd. [M.B.] heeft zelf een aantal documenten, naar het hof begrijpt: documenten van zijn hand, op internet geplaatst en wist ook dat 'mijn' documenten stonden op een MSN-groep, waarvan is gebleken dat deze voor eenieder toegankelijk was, welke documenten [M.B.] deels zelf op die groep heeft geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geschrift (204)'Verplichting van het doden van degene die de profeet uitscheld[t]' is vóór of op 2 oktober 2004, kennelijk door verspreiding, in handen van [B.L.] gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geschrift (205)'Zestien argumenten voor de jihad' eindigt met een dringende oproep aan de lezer de verspreiding van dat geschrift voort te zetten, bijv. door het te printen of op internet te publiceren of het e-mailbericht waarin het is opgenomen, door te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van (187)'To catch a wolf' zijn bovendien door [M.B.] ongeveer 150 exemplaren op straat uitgedeeld. [Z.T.] heeft - kennelijk vóór 2 november 2004 - teksten van [M.B.] gekregen, waaronder (187)'To catch a wolf', de (199) open brief aan de islamitische oemma en (195)'Millat Ibrahim'. Hij kreeg documenten van [M.B.] meestal via een USB-stick en kwam deze ook wel op internet tegen. [Z.T.] kopieerde ze 'altijd' op zijn computer en stuurde ze dan per e-mail naar [getuige B.], die ze dan meermalen, vanuit diverse internetcafés, op grote schaal verder verspreidde, naar vele andere e-mailadressen en ook via het forum van marokko.nl. [Z.T.] heeft ook aan [M.B.] verteld dat hij verscheidene van diens open brieven aan [getuige B.] had gegeven en dat [getuige B.] deze had verspreid. [M.B.] heeft kort vóór 2 november 2004 een USB-stick en een begeleidende brief in een enveloppe 'nagelaten' aan [R.B.], ter overhandiging aan [Z.T.], na 2 november 2004. In de begeleidende brief aan [Z.T.] wordt de wens geuit dat op de USB-stick vastgelegde bestanden worden verspreid, binnen de rest van de oemma en 'verder aan de wereld'. Tot de op de USB-stick vastgelegde bestanden behoren (187)'To catch a wolf', de (199) open brief aan de islamitische oemma en (205)'Zestien argumenten voor de jihad'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van betekenis is ook dat het voorlaatst genoemde geschrift als 'open brief' is betiteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is - onder meer - nog van belang, in dit verband, dat de verdachte [I.A.] op 6 november 2004 het plan heeft opgevat en met de verdachte [J.W.] besproken om 'To catch a wolf' en 'al die brieven' - waaronder mogelijk mede was begrepen de zojuist genoemde open brief van [M.B.] - te bundelen en te laten afdrukken om ze te verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder gelet op hetgeen daarbij door de advocaten-generaal en door of namens de verdachten naar voren is gebracht, behoeven andere uitlatingen, al dan niet bij geschrift gedaan, dan de tot nu toe besproken uitlatingen in dit verband geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.2.4 De misdrijven van 285 Sr: al dan niet schriftelijke bedreiging en bedreiging met een terroristisch misdrijf Blijkens het onderzoek ter terechtzitting en het dossier zijn in deze zaak slechts aan de orde bedreigingen die door uitlatingen in woorden, schriftelijk of mondeling, geschieden. Wat betreft schriftelijke bedreigingen zijn, gelet op het hierboven overwogene, nog alleen de zes hierboven (mede) als bedreigend aangemerkte geschriften aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 285 Sr moet worden aangenomen, voor zover thans van belang, dat schriftelijke en mondelinge bedreigende uitlatingen slechts kunnen bijdragen tot het bewijs van het hier aan de orde zijnde oogmerk van de organisatie, indien de volgende aspecten komen vast te staan: dat de bedreigingen voldoende concreet en duidelijk verwoord zijn, dat de bedreigde (groepen) personen daadwerkelijk op de hoogte van de bedreigingen raken, dat de bedreigingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden geschieden dat bij de bedreigde (groepen) personen de redelijke vrees kan ontstaan dat datgene waarmee wordt bedreigd, zal worden verwezenlijkt, alsmede dat op dit alles het oogmerk van de organisatie is gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is niet steeds vereist, waar het gaat om een bedreigde groep, dat een en ander voor alle leden van die groep komt vast te staan; in de regel zal het voldoende zijn als het voor een voldoende groot aantal personen die zich tot de bedreigde groep kunnen rekenen, is vast komen te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mondelinge bedreigingen hebben zich blijkens het onderzoek ter terechtzitting en het dossier onder meer voorgedaan tijdens huiskamerbijeenkomsten en bij andere gelegenheden, echter steeds bij afwezigheid van de bedreigde personen. Niet is vast komen te staan dat de bedreigde persoon of personen daadwerkelijk op de hoogte van die mondelinge bedreigingen zijn geraakt, of dat beoogd was de bedreigde persoon of personen op de hoogte van die bedreigingen te doen geraken. Ook overigens is niet gebleken dat mondelinge bedreigingen door de organisatie waren beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van schriftelijke bedreigingen is uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier slechts gebleken ten aanzien van de zes laatstgenoemde geschriften. Uit voormeld onderzoek en dossier volgt dat de voormelde aspecten ten aanzien van die geschriften in toereikende mate zijn komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebleken is dat de bedreigingen voldoende concreet en duidelijk verwoord zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebleken is ook dat in die geschriften bedreigde individuele personen daadwerkelijk op de hoogte van de bedreiging zijn geraakt. Dat geldt met name voor Hirsi Ali, Aboutaleb en Wilders, zoals blijkt uit hun verklaring in het vooronderzoek. Wat betreft de in die geschriften bedreigde groepen personen - de bevolking van Nederland, iedereen, de ongelovigen - kan ook in toereikende mate als vaststaand worden aangenomen dat telkens een voldoende groot aantal personen die zich tot de bedreigde groepen konden rekenen, daadwerkelijk op de hoogte van de bedreiging is geraakt. Voor zover niet kan worden geoordeeld dat juist dit op de hoogte raken (van individuele personen en groepen van personen) telkens al door de organisatie was beoogd, is in elk geval in voldoende mate komen vast te staan dat de organisatie beoogde het op de hoogte raken op enig tijdstip, toen of later, te bewerkstelligen. In dit verband is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat ook de bedreigende brieven - evenals de opruiende of tot haat of gewelddadig optreden aanzettende brieven - alle door (toedoen van) leden van de organisatie op internet zijn gepubliceerd, op straat uitgedeeld, en/of op grote schaal per e-mail verspreid, alsmede dat ook verspreiding in gebundelde en afgedrukte vorm werd beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen in voldoende mate dat de bedreigingen die door middel van de geschriften reeds zijn geschied of nog waren beoogd, van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden geschiedden of zouden geschieden dat bij de bedreigde personen en bij een aantal personen die zich tot de bedreigde groepen konden rekenen, de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging zou worden verwezenlijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen in toereikende mate dat het daarbij niet om individuele acties van leden van de organisatie ging, maar dat op dit alles het oogmerk van de organisatie was gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorts vast dat één van de in de tenlastelegging bedoelde organisaties vanaf 10 augustus 2004 mede tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten bedreigingen van de bevolking van Nederland met de volgende terroristische misdrijven: 'een aanslag ondernemen met het oogmerk om de grondwettige regeringsvorm te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, begaan met een terroristisch oogmerk', voorzien in artikel 94 in verbinding met 83 Sr, respectievelijk 'moord, begaan met een terroristisch oogmerk' en/of 'doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk', voorzien in de artikelen 288a en 289, in verbinding met 83, Sr. Bij die vaststelling komt in het bijzonder ook belang toe aan de geschriften (187)'To catch a wolf' en (186)'Open brief aan het Nederlandse volk'. Deze geschriften behoren tot de zes ten aanzien waarvan hierboven reeds is overwogen dat de voormelde aspecten in toereikende mate zijn komen vast te staan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, en in het bijzonder ook uit de geschriften zelf, volgt ook zonder meer dat de misdrijven waarmee de organisatie het oogmerk had te bedreigen, zouden worden begaan met het oogmerk de fundamentele constitutionele structuren van Nederland te vernietigen of ernstig te ontwrichten, dan wel (een deel van) de bevolking van Nederland ernstige vrees aan te jagen, en aldus met een terroristisch oogmerk als gedefinieerd in artikel 83a Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.3 Slotsom aangaande oogmerk van de organisatie De slotsom ten aanzien van het oogmerk van de organisatie is dat zowel het oogmerk tot het plegen van misdrijven als - vanaf 10 augustus 2004 - het plegen van terroristische misdrijven aanwezig was, waarbij wordt gezien op de volgende misdrijven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het in het openbaar, bij geschrift, opruien tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, als bedoeld in artikel 131 Sr;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verspreiden en om verspreid te worden in voorraad hebben van een geschrift waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, als bedoeld in artikel 132, eerste lid, Sr;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het in het openbaar, bij geschrift, aanzetten tot haat tegen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging, als bedoeld in artikel 137d Sr;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bedreigingen met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en met enig misdrijf tegen het leven gericht, schriftelijk en al dan niet tevens onder een bepaalde voorwaarde, als bedoeld in artikel 285, eerste en tweede lid, Sr; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bedreigingen met een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 285, derde lid, Sr, te weten bedreiging met 'een aanslag ondernemen met het oogmerk om de grondwettige regeringsvorm te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, begaan met een terroristisch oogmerk', alsmede bedreiging met 'moord, begaan met een terroristisch oogmerk' en/of met 'doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk'.</div>\n<p class=\"lf-p\">Niet bewezen kan worden geacht dat het oogmerk van de organisatie ook op het plegen van andere (terroristische) misdrijven was gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.4 Standpunten namens de verdachte die nog bespreking behoeven Na het voorgaande kan worden volstaan met de navolgende overweging naar aanleiding van hetgeen namens de verdachte met betrekking tot het oogmerk van de organisatie is betoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof kan de verdediging niet volgen in haar bewering dat de opmerking in de 'Open brief aan de wethouder van Amsterdam: Abou Taleb' over Wilders geen bedreiging maar slechts retoriek was. De bewijsmiddelen wijzen uit dat die bewering ongegrond is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover met het betoog van de verdediging, inhoudende dat in het kader van de beoordeling of de onderhavige beperkingen van (de uitvoering van) de fundamentele vrijheden van de verdachten voldoen aan de daarvoor te stellen eisen, de afzonderlijke uitingen secuur en in hun context moeten worden gewogen, bedoeld is dat een uitvoeriger motivering vereist is dan hierboven gegeven, verwerpt het hof dit betoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan namens de verdachte is aangevoerd, mag uit het feit dat [M.B.] de beslissing tot al dan niet verspreiding van de 'Open brief aan het Nederlandse volk' overliet aan de 'broeders', niet worden afgeleid dat het niet reeds vóór de moord op Van Gogh de bedoeling was dat deze geschriften ter kennis van het publiek zouden komen. Integendeel, het hof acht bewezen dat onder het oogmerk van de organisatie ook in die tijd reeds het openbaar maken van de geschriften van [M.B.] en anderen was begrepen. Daarbij heeft het hof onder meer gelet op de verspreidingsactiviteiten van [Z.T.] waarvan is gebleken, terwijl tot dat bewijs wel degelijk ook de betiteling van een aantal geschriften als 'open brief' kan bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de raadsman beschouwt het hof het feit dat [I.A.] het plan heeft opgevat en met [J.W.] besproken om enkele geschriften gebundeld te publiceren, niet als geïsoleerde individuele acties van deze personen. Het hof laat deze activiteiten meewerken tot het bewijs, ook van het oogmerk van de organisatie, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat ze aan de organisatie mogen worden toegerekend. Dat niet is gebleken van enige stap tot verwezenlijking van dit plan, noopt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opnieuw anders dan door de verdediging is betoogd, kan ook de oproep in 'Zestien argumenten voor de jihad' tot verder verspreiding bijdragen tot het bewijs van, onder meer, het oogmerk van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het feit dat verscheidene verdachten belastende documenten in hun bezit hadden, nog niet wil zeggen dat zij die ter verspreiding in voorraad hadden, draagt het voorhanden hebben wel bij tot het bewijs van het in voorraad hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan namens de verdachte is betoogd, heeft het hof voldoende bewijs ervoor aangetroffen, dat (niet alleen [M.B.], maar ook) de organisatie opruiende, tot haat en geweld aanzettende en bedreigende uitlatingen heeft gedaan en tot oogmerk had, ook reeds in de tijd vóór de moord op Van Gogh, (verdere) zodanige uitlatingen te doen. Dat niet is gebleken dat de verdachte zelf bekend was met concrete voornemens dienaangaande bij [M.B.], noopt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover juist zou zijn - zoals de verdediging, naar het hof haar op dit punt minder duidelijke betoog begrijpt, heeft willen aanvoeren - dat de moord op Van Gogh, door de ernst en impact daarvan, heeft meegebracht dat de verdachte de gewraakte geschriften voortaan volkomen anders dan tevoren is gaan uitleggen, dat de verdachte als gevolg daarvan vanaf 2 november 2004 wellicht geen verdere openbaarmaking van die geschriften wenste en dat hij ook geen kans meer had uit de organisatie te treden, kan dat niet afdoen aan bewezenverklaring van het oogmerk van de organisatie en van het behoren van de verdachte tot die organisatie. Als het vereiste oogmerk vóór 2 november 2004 aanwezig was - en het hof heeft het bewijs daarvoor aangetroffen - dan kan dat oogmerk niet 'worden verbroken' door de evengenoemde ontwikkelingen vanaf 2 november 2004, indien onder 'worden verbroken' hier zou moeten worden verstaan: met terugwerkende kracht vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter ook voor de periode vanaf 2 tot en met 10 november 2004 kan de juistheid van het onderhavige betoog niet afdoen aan de evengenoemde bewezenverklaring. Wat de verdachte toen ook mag hebben gewenst, in de periode die in de bewezenverklaring is opgenomen, had de organisatie het daarin eveneens opgenomen oogmerk en behoorde de verdachte tot die organisatie. Zelfs als hij in de periode vanaf 2 tot en met 10 november 2004 tot inkeer zou zijn gekomen - wat overigens niet is aangevoerd en ook niet aannemelijk geworden - dan zou dat nog niet afdoen aan zijn mogelijke individuele aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat niet méér van gesprekken of afspraken tussen de leden van de organisatie over verspreiden van geschriften behoeft te blijken dan uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, terwijl de omstandigheid dat de verspreiding op internet en via e-mail ook door buitenstaanders, zoals [getuige B.], werd gedaan, niet onverenigbaar is met het oordeel over wat bewezen is, waartoe het hof is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het betoog dat het hof in artikel 83 Sr dient in te lezen, gelet op artikel 1 van het in het verband van de Europese Unie vastgestelde Kaderbesluit van 13 juni 2002, dat een terroristisch misdrijf slechts dan aanwezig is, als het misdrijf door aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden, gaat het hof voorbij, nu dit betoog belang ontbeert. Zonder meer kan immers als vaststaand worden aangenomen dat elk van de terroristische misdrijven waarmee naar het oordeel van het hof bedreigd werd of, naar het oogmerk van de organisatie, nog bedreigd zou worden, en die bedreigingen zelf een land of een internationale organisatie ernstig konden schaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van de verdediging dat de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk bij de misdrijven waarmee de organisatie heeft bedreigd, niet is aangetoond, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 DEELNEMING 3.3.1 Inleidend Hiervóór heeft het hof vastgesteld dat er sprake was van een organisatie, dat de verdachte daartoe behoorde en voorts welke (terroristische) misdrijven deze organisatie tot oogmerk had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thans is aan de orde de vraag of de verdachte aan de organisatie heeft deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2 Juridisch kader Volgens bestendige rechtspraak is van deelneming sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; in zoverre is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is niet nodig dat de verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de op 10 augustus 2004 in werking getreden wijziging van het Wetboek van Strafrecht is in een nieuw vierde lid van artikel 140 Sr, welk artikellid van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 140a Sr, bepaald, dat onder deelneming mede wordt begrepen het geven van geldelijke of andere stoffelijke steun aan, alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikellid beoogde een verduidelijking te zijn van het begrip deelneming, maar voegde daar overigens niets aan toe en deed daar niets aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3 In zijn algemeenheid weten Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier volgt in toereikende mate dat de verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten dat de organisatie waartoe hij behoorde tot oogmerk had het plegen van de hiervóór vermelde misdrijven. Het hof leidt dit in het bijzonder af uit het feit dat de verdachte meermalen bijeenkomsten zoals hiervóór omschreven in de woning van [M.B.] heeft bijgewoond, dat door een of meer leden van de groep, in elk geval door [M.B.], opruiende, tot haat of gewelddadig optreden aanzettende en bedreigende teksten zijn opgesteld dan wel vertaald, waaronder teksten inhoudend bedreiging met een terroristisch misdrijf, dat deze teksten zijn verspreid onder meer onder een of meer leden van de groep, dat ook aan de verdachte een aantal van deze opruiende, tot haat of gewelddadig optreden aanzettende en/of bedreigende teksten, waaronder een of meer teksten inhoudend bedreiging met een terroristisch misdrijf, is doorgegeven, en dat de verdachte deze teksten aanwezig heeft gehad en al dan niet ook gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.4 Deelnemingshandelingen Hetgeen in het vorige hoofdstuk omtrent de misdrijven die als oogmerk van de groep golden is overwogen, neemt niet weg dat, zoals uit de bewijsmiddelen volgt, door een of meer leden van de groep in verband daarvan ook activiteiten werden ontplooid, die, hoewel op zichzelf (destijds) niet strafbaar gesteld, wel aan deze misdrijven verwant waren, in het verlengde daarvan lagen of slechts doordat zij niet in het openbaar plaatsvonden, niet strafbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof denkt daarbij bijvoorbeeld aan oproepen via chatgesprekken om aan de gewapende strijd deel te nemen, het verheerlijken van of oproepen tot de gewelddadige jihad of het martelaarschap, dan wel het ten gehore brengen van audiomateriaal waarop dit gebeurt, het oproepen om ongelovigen te haten, het tonen van beeldmateriaal - kennelijk verband houdend met de gewelddadige jihad -, waarop te zien is dat personen om het leven worden gebracht, dan wel zelfmoordaanslagen plegen, het aan derden vertellen dat bepaalde personen dood moeten, of het opslaan en/of aanwezig hebben van documenten/bestanden met een, op zichzelf genomen, voor een derde bedreigende strekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre kunnen gedragingen van de verdachte op die gebieden voor de beoordeling van de vraag of hij aan de organisatie heeft deelgenomen van belang zijn. De deelneming kan immers</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zoals gezegd - bestaan uit, op zichzelf genomen, niet strafbare gedragingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Indien dan de verdachte behoort tot de organisatie en in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en terroristische misdrijven, zijn in elk geval de volgende handelingen deelnemingshandelingen omdat deze onder die omstandigheden moeten worden beschouwd als een aandeel in, dan wel ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie: a. het meermalen bijwonen van voornoemde bijeenkomsten, in samenhang met een of meer van de hierna onder b tot en met i te noemen deelnemingshandelingen; b. het organiseren of faciliteren van voornoemde bijeenkomsten; c. het als spreker of gespreksleider vervullen van een actieve rol op voornoemde bijeenkomsten; d. het ter verspreiding schrijven/opstellen/vertalen of bewerken van opruiende, tot haat of gewelddadig optreden aanzettende of bedreigende geschriften/documenten/bestanden ('bedreigende' al dan niet met een terroristisch misdrijf); e. het verspreiden binnen of buiten de groep van opruiende, tot haat of gewelddadig optreden aanzettende of bedreigende geschriften/documenten/bestanden ('bedreigende' al dan niet met een terroristisch misdrijf) of het daartoe plannen maken; f. het faciliteren van het digitaal verspreiden of anderszins gebruiken van opruiende, tot haat of gewelddadig optreden aanzettende of bedreigende geschriften/documenten/bestanden ('bedreigende' al dan niet met een terroristisch misdrijf), waaronder ook is begrepen het lid maken van een MSN-groep van leden van de groep en het repareren van (hun) computers; g. het in ontvangst nemen en opslaan en/of bewaren van opruiende, tot haat of gewelddadig optreden aanzettende of bedreigende geschriften/documenten/bestanden ('bedreigende' al dan niet met een terroristisch misdrijf), in samenhang met het bijwonen van voornoemde bijeenkomsten; h. het werven voor de gewapende strijd, het verheerlijken van of oproepen tot moord en/of doodslag, de gewelddadige jihad of het martelaarschap, dan wel het ten gehore brengen van audiomateriaal waarop dit gebeurt; i. het tonen van beeldmateriaal - kennelijk verband houdend met de gewelddadige jihad -, waarop te zien is dat personen om het leven worden gebracht, dan wel zelfmoordaanslagen plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.5 Deelneming toegespitst op de verdachten Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier volgt in toereikende mate dat de verdachte een of meer van bovenbedoelde deelnemingshandelingen heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het voorgaande behoeft hetgeen overigens door of namens de verdachte met betrekking tot de deelneming van de verdachte is betoogd, geen verdere bespreking nu dat aan de voorgaande vaststellingen niet kan afdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezen is dan ook dat de verdachte hetgeen hem is ten laste gelegd heeft gepleegd, een en ander zoals in de bewezenverklaring vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 VOORWAARDELIJKE VERZOEKEN De verdediging heeft opnieuw verzocht, nu voor het geval de verdachte niet wordt vrijgesproken, de getuigen [M.F.B.], [Z.A.] en [M. el M.] als getuigen te doen oproepen, alsmede om nader onderzoek te laten verrichten naar de huidige verblijfplaats van [R. al I.], teneinde ook hem te kunnen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de getuigen [M.F.B.] en [Z.A.] zijn onvoldoende inspanningen verricht hen op de zitting te laten verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van [R. al I.] had door middel van een rechtshulpverzoek moeten worden onderzocht of - zakelijk weergegeven - hij inmiddels een bekende woon- of verblijfplaats had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [M. el M.] geldt dat hij weliswaar bij de rechter-commissaris is gehoord, maar zich daar drie maal op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de relevante vragen niet heeft beantwoord. Te verwachten valt dat hij thans wel die vragen zal willen beantwoorden en het horen van hem is noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarde waaronder de verzoeken zijn gedaan is vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft eerder gedane verzoeken betreffende [Z.A.], [M. el M.] en [R. al I.] gemotiveerd afgewezen ter terechtzitting van 2 augustus 2010. Het hof verwijst naar hetgeen het heeft overwogen naar aanleiding van die eerder gedane verzoeken, zoals vervat in het van de terechtzittingen van 16 juli 2010 en 2 augustus 2010 opgemaakte proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts geldt het volgende. [Z.A.] Door de verdediging zijn geen (nieuwe) feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen geven om thans te oordelen dat het niet langer onaannemelijk is dat de getuige [Z.A.] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin is aannemelijk geworden dat nadere inspanningen alsnog tot zulk verschijnen zouden leiden, terwijl de verdediging ook niet duidelijk heeft gemaakt op welke inspanningen zij het oog heeft. Het verzoek om de getuige op de terechtzitting op te roepen wordt daarom afgewezen, nu het hof ook thans oordeelt dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. [R. al I.] Evenmin heeft de verdediging enig (nader) concreet aanknopingspunt naar voren gebracht ten aanzien van een mogelijke verblijfplaats van de getuige [R. al I.]. Onder die omstandigheden is er geen noodzaak voor een nader onderzoek door middel van enig rechtshulpverzoek aan enig land om daar meer duidelijkheid over te krijgen. Dit verzoek wordt daarom bij gebreke van noodzaak eveneens afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verdediging eveneens heeft beoogd opnieuw de oproeping van deze getuige te verzoeken, wordt dit verzoek afgewezen nu (nog steeds) elk aanknopingspunt met betrekking tot de verblijfplaats van de getuige ontbreekt, hetgeen meebrengt dat het hof ook thans oordeelt dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. [M. el M.] Evenmin heeft de verdediging (nieuwe) feiten of omstandigheden naar voren gebracht ter onderbouwing van het verzoek de getuige [M. el M.] als getuige ter terechtzitting op te roepen. Het hof overweegt daarbij nog in het bijzonder dat uit het proces-verbaal van het verhoor van [M. el M.] als getuige bij de rechter-commissaris niet valt af te leiden dat hij zich destijds naar aanleiding van enige vraag van de verdediging van de verdachte op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep op het verschoningsrecht dat de getuige destijds heeft gedaan, gold een vraag van de toenmalige raadsman van de verdachte [J.W.], te weten de vraag of hij en anderen keken naar gewelddadige video's, en een aantal vragen van de officier van justitie, te weten de vragen wat er op de laptops stond, of [N. el F.] een laptop meebracht en of hij USB-sticks heeft gezien. Het hof begrijpt dat deze vragen zagen op de (gang van zaken bij de) zogenaamde huiskamerbijeenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede in het licht van het zeer uitvoerige onderzoek dat in de onderhavige zaak is verricht, waarbij ook op vorengenoemde punten onderzoek is verricht naar het in beslag genomen materiaal, zoals laptops en USB-sticks, en ter zake een lange rij van getuigen en deskundigen in aanwezigheid van de verdediging is gehoord, is de noodzaak tot het oproepen van de getuige [M. el M.] onvoldoende onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verzoek wordt derhalve afgewezen nu de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. [M.F.B.] Naar aanleiding van verzoeken van raadslieden heeft het hof de oproeping bevolen van de getuige [M.F.B.] tegen de terechtzitting van 20 oktober 2010 om 10.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige [M.F.B.] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft toen de standpunten van de verdediging, de advocaat van de getuige [M.F.B.] (tevens diens raadsman als verdachte) en het openbaar ministerie gehoord. Daarbij is toen het volgende voorgevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat van de getuige [M.F.B.] (tevens diens raadsman als verdachte) heeft - zakelijk - het volgende aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als verdachte wenst [M.F.B.] niets toe te voegen aan hetgeen hij eerder heeft verklaard. Als verdachte wenst hij niet bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Als de aanwezigheid van een getuige ter terechtzitting gewenst is, ligt het in de rede dat het openbaar ministerie bevordert dat die getuige in vrijheid ter terechtzitting kan verschijnen en aanwezig kan zijn. Voor de goede orde merk ik op dat iedere beperking van de vrijheid van [M.F.B.] voor hem daarbij onaanvaardbaar is. Hij zal alleen als getuige naar Nederland komen indien hij hier in volledige vrijheid mag verblijven. Het hof gaat er blijkens het proces-verbaal van de regiezitting van uit dat de dagvaarding van de verdachte [M.F.B.] voor de terechtzitting van 16 juli 2010 na aanbieding op het adres van zijn ouders aan hem in persoon is uitgereikt op een postkantoor. Die veronderstelling is onjuist. Niet de verdachte maar zijn broer heeft de dagvaarding daar afgehaald. De verdachte is sinds zijn uitzetting niet meer in Nederland geweest. Desgevraagd bevestig ik dat ik ter terechtzitting van 16 juli 2010 op vragen van uw hof heb geantwoord dat ik mij niet wilde uitlaten over de verblijfplaats van [M.F.B.] en in het bijzonder ook niet over de vraag of hij zich ten tijde van die terechtzitting of bij de uitreiking van de dagvaarding voor die terechtzitting in Nederland bevond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft - zakelijk - het volgende naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van een goed verloop van de inhoudelijke behandeling van deze zaak heeft het openbaar ministerie contact opgenomen met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De IND liet weten dat sprake was van een unieke situatie. Niet alleen is [M.F.B.] tot ongewenst vreemdeling verklaard, ook heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een negatief ambtsbericht over hem opgesteld. Dat heeft tot gevolg dat de IND niet zelfstandig kan beslissen of [M.F.B.] tijdelijk in Nederland mag verblijven en welke voorwaarden aan dat verblijf dienen te worden gesteld. Daarvoor is een beslissing vereist van de minister van Veiligheid en Justitie, hetgeen vanzelfsprekend de nodige tijd zal vergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd door het openbaar ministerie deelde de advocaat/raadsman van [M.F.B.] nog mede dat Marokko, voor zover hem bekend, geen medewerking verleent aan het horen van getuigen door middel van een videoverbinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie, in de persoon van de advocaat-generaal mr. Minks, heeft medegedeeld dat hem is gebleken dat Marokko inderdaad geen medewerking verleent aan het horen van getuigen door middel van een videoverbinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft daarop afgezien van hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige [M.F.B.] omdat het oordeelde dat het, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging zijn geen (nieuwe) feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen geven om thans te oordelen dat het niet langer onaannemelijk is dat de getuige [M.F.B.] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin is aannemelijk geworden dat nadere inspanningen alsnog tot zulk verschijnen zouden leiden, terwijl de verdediging ook niet duidelijk heeft gemaakt op welke inspanningen zij het oog heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek om de getuige op de terechtzitting op te roepen wordt daarom afgewezen nu het hof ook thans oordeelt dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezen verklaarde Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: onder 1 hij in de periode van 1 mei 2003 tot en met 9 augustus 2004 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en [N.A.] en [I.A.] en [Z.A.] en [S.A.] en [M.F.B.] en [R.B.] en [M. el B.] en [M.B.] en [Y.E.] en [N. el F.] en [R. al I.] en [M. el M.] en [Z.T.] en [J.W.], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het in het openbaar, bij geschrift, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verspreiden of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van één of meer geschriften waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanzetten tot haat en geweld, zoals bedoeld en omschreven in artikel 137d Sr, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bedreiging met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht of met enig misdrijf tegen het leven gericht, zulks al dan niet schriftelijk en onder (een) bepaalde voorwaarde(n); onder 2 primair hij in de periode van 10 augustus 2004 tot en met 10 november 2004 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en [N.A.] en [I.A.] en [Z.A.] en [S.A.] en [M.F.B.] en [R.B.] en [M. el B.] en [M.B.] en [Y.E.] en [N. el F.] en [R. al I.] en [M. el M.] en [Z.T.] en [J.W.], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, en terroristische misdrijven, te weten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het in het openbaar, bij geschrift, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verspreiden of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van één of meer geschriften waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanzetten tot haat en geweld, zoals bedoeld en omschreven in artikel 137d Sr, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bedreiging met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht of met enig misdrijf tegen het leven gericht, zulks al dan niet schriftelijk en onder (een) bepaalde voorwaarde(n), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bedreigingen met een terroristisch misdrijf.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezen verklaarde levert op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 1 en 2 primair, eerste alternatief, bewezen verklaarde de voortgezette handeling van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 2 primair, tweede alternatief, bewezen verklaarde het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplegging van straffen De rechtbank Rotterdam, nevenvestigingsplaats Den Haag, heeft de verdachte voor het onder 1, 2 A en 2B (zoals de tenlastelegging toen luidde) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek van voorarrest. Zij hebben voorts gevorderd dat alle in beslag genomen en nog niet aan de verdachte teruggegeven voorwerpen worden verbeurd verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven, meer in het bijzonder van opruiing, verspreiding ter opruiing, aanzetten tot haat of gewelddadig optreden, alsmede bedreigingen, onder meer met een terroristisch misdrijf. De door de organisatie beoogde misdrijven vormen een ernstig gevaar voor de openbare orde en kunnen leiden tot ontwrichting van de samenleving doordat onrust wordt gestookt en vrees wordt aangejaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof eerder heeft overwogen waarborgt het samenstel van fundamentele rechten en vrijheden en de daaraan ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen gestelde beperkingen dat mensen van heel verschillende pluimage in ons land in vrijheid en in vrede met elkaar kunnen leven. Deze waarborg wordt teniet gedaan indien men zich niet houdt aan de gestelde beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door zijn deelneming aan bedoelde organisatie, die misdrijven tot oogmerk heeft die juist die beperkingen minachten, heeft de verdachte het fundamentele recht van de mensen in ons land om in vrijheid en vrede met elkaar te kunnen leven aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht dit een zeer ernstig vergrijp tegen de samenleving, waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank en de advocaten-generaal ziet het hof geen aanleiding te differentiëren naar de mate van deelneming, nu het aandeel van de verdachte niet wezenlijk verschilt van dat van de overige deelnemers aan de organisatie, welke haar kracht juist ontleent aan de bundeling van de bijdragen van die deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt op dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 oktober 2010 eerder voor een andersoortig strafbaar feit is veroordeeld, doch kent daaraan in het kader van de onderhavige straftoemeting geen betekenis toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft kennis genomen van een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Reclassering Nederland van 16 april 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de voorwerpen die verbeurd worden verklaard - kort gezegd - gegevensdragers, heeft het hof vastgesteld dat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke een of meer van de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, hetzij met behulp van welke een of meer van die feiten zijn begaan, hetzij die tot het begaan van een of meer van die feiten zijn vervaardigd of bestemd. De overige voorwerpen worden teruggegeven. Van die voorwerpen heeft het hof het voorgaande niet of onvoldoende kunnen vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 56, 57, 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>een computer, ACER Aspire, BC-01 computer met uitzondering van harde schijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>een harddisk, MAXTOR 90645D4, uit BC-01 gedemonteerd uit volgnummer 3;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5)</span>een computer, IBM THINKPAD, CA-01 laptop in tas en toebehoren met uitzondering van de harde schijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6)</span>een harddisk, Travelstar 11SO8K1089ZJ1S7FHYLB, uit CA-01 gedemonteerd uit volgnummer 5;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10)</span>randapparatuur, GRS-FOUIL-DA USB stick NO2.0.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>een computer, DINY Link, BB-01 computer met uitzondering van harde schijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>een harddisk, DINY Link, uit BB-01 harde schijf uit volgnummer 1;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7)</span>25 compact discs, CA-02 25 CD's;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8)</span>een computer, HP DYKA-23240, DA-01 laptop in groene tas met voeding en CD-rom MO;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9)</span>een harddisk, HP DYKA-23240, uit DA-01 gedemonteerd uit volgnummer 8.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. J.M.J. Chorus en mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2010.</p></div>", "next": 0}