{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het verwijt van Highfields dat Delta Lloyd niet duidelijk heeft gemaakt hoe de samenwerking met Fubon past in haar strategische langetermijnvisie is niet zonder feitelijke grond, gelet op de beperkte wijze waarop Delta Lloyd vragen daarover van Highfields op de BAVA van 16 maart 2016 heeft beantwoord. Een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken is het echter niet gelet op de beperkte reikwijdte van de Heads of Agreement, welke overeenkomst – voor zover hier relevant – erop neerkomt dat Delta Lloyd Fubon zal ondersteunen indien Fubon haar belang van 7,13% tot maximaal 20% zal uitbreiden en dat Fubon haar belang niet tot boven dit percentage zal uitbreiden zonder voorafgaande toestemming van Delta Lloyd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het verwijt van Highfields dat Delta Lloyd alternatieve samenwerkingsvormen met derden onvoldoende heeft onderzocht komt weinig gewicht toe gelet op hetgeen hierboven sub d werd overwogen over de samenwerking, omdat de samenwerking met Fubon niet in de weg staat aan samenwerking met anderen en omdat Highfields niet heeft gesteld aan welke alternatieven zij denkt en waarom die alternatieven eerst onderzocht hadden moeten worden voordat de overeenkomst met Fubon tot stand kwam. De Ondernemingskamer neemt daarbij voorts in aanmerking dat Fubon al sinds maart 2015 een belang van 7,13% in Delta Lloyd houdt en dat Fubon een branchegenoot is van Delta Lloyd, waarmee Fubon reeds een voor de hand liggende partij is voor samenwerking, ook indien de mogelijkheden daartoe beperkt zijn omdat Delta Lloyd zich richt op de Nederlandse en Belgische markt en Fubon actief is in Azië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delta Lloyd heeft in haar brief van 4 april 2016 aan Highfields te kennen gegeven – kort gezegd – dat zij vóór het sluiten van de overeenkomst met Fubon het mogelijk effect daarvan op toekomstige overnames onder ogen heeft gezien en dat zij heeft geconcludeerd dat die overeenkomst een overname niet belemmert, in het bijzonder gelet op de afspraak met Fubon dat Fubon haar belang in Delta Lloyd niet zal uitbreiden tot meer dan 20% zonder goedkeuring van Delta Lloyd (zie 2.52). De Ondernemingskamer acht dat niet onbegrijpelijk, zij het dat voor de hand zou hebben gelegen dat Delta Lloyd in haar toelichting ook aandacht zou hebben besteed aan de vraag in hoeverre de overeenkomst met Fubon de kans op een overname door een derde zou hebben verkleind. Ook indien de uitbreiding van het belang van Fubon in Delta Lloyd van 7,13% tot 15% of 20% de facto de kans op een succesvol overnamebod door een derde partij verkleint (Fubon kan overigens ook een aantrekkelijk bod van een derde accepteren), is het daarmee gepaard gaande nadeel voor de aandeelhouders (minder kans op een aantrekkelijke overnamepremie) geen omstandigheid die Delta Lloyd in redelijkheid had moeten weerhouden van het aangaan van de overeenkomst met Fubon gelet op het daarbij gemoeide belang van Delta Lloyd (zie 3.7) en de overige inhoud van die overeenkomst. Door de Heads of Agreement worden de overige aandeelhouders niet onevenredig benadeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.32 Delta Lloyd heeft bij brieven van 4 april 2016 (zie 2.52) en 17 mei 2016 (zie 2.55) in antwoord op vragen van Highfields informatie verstrekt over de totstandkoming en de inhoud van de Heads of Agreement. De inhoud van die brieven rechtvaardigt niet de conclusie dat Delta Lloyd aan Highfields hierover enige informatie heeft onthouden die Highfields als aandeelhouder toekomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige gronden en stellingen 3.33 Highfields heeft nog gewezen op een aanmerkelijke daling van de koers van het aandeel Delta Lloyd. De koers is gedaald van € 18,90 op 31 december 2014, naar € 16,17 per 31 juli 2015, naar € 5,45 per 31 december 2015 en naar € 4,08 per 30 maart 2016. Nu de (overige) gronden die Highfields aan haar enquêteverzoek ten grondslag heeft gelegd, ontoereikend zijn voor toewijzing van dat verzoek, is de daling van de beurskoers geen grond voor toewijzing van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.34 De omstandigheid dat een aantal maanden zijn verstreken tussen het vertrek van Emiel Roozen als CFO van Delta Lloyd op 3 augustus 2015 en het aantreden van Abrahams als CFO in januari 2016 is geen grond voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Het door Highfields gesignaleerde verloop onder het hogere management van Delta Lloyd is niet van dien aard dat daarin grond voor toewijzing van het enquêteverzoek gelegen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.35 Delta Lloyd heeft, in haar brieven van 4 april 2016 en 17 mei 2016 (zie 2.52 en 2.55) in antwoord op vragen van Highfields toereikende informatie verschaft over de gang van zaken rondom de BAVA van 16 maart 2016, in het bijzonder met betrekking tot het uiterste tijdstip waarop volmachten zijn geaccepteerd en het tijdstip waarop het bestuur en raad van commissarissen van Delta Lloyd op de hoogte waren van het aantal en de inhoud van die stemvolmachten. Uit die informatie blijkt niet van een onjuiste gang van zaken. Gelet op het hierboven in 3.22 geformuleerde uitgangspunt dat de Ondernemingskamer niet treedt in afwegingen van individuele aandeelhouders, is het niet relevant dat, zoals Highfields heeft becijferd, 83,96% van het ter BAVA van 16 maart 2016 vertegenwoordigde kapitaal bij volmacht heeft gestemd en dus de gedachtewisseling ter vergadering niet heeft afgewacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom en kosten 3.36 De slotsom is dat hetgeen Highfields aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van Delta Lloyd te twijfelen. Het enquêteverzoek zal daarom worden afgewezen. Highfields zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Delta Lloyd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4De beslissing De Ondernemingskamer: wijst het enquêteverzoek van Highfields Capital Management LP, Highfields Capital I LP, Highfields Capital II LP en Highfields Capital III LP af; veroordeelt Highfields Capital Management LP, Highfields Capital I LP, Highfields Capital II LP en Highfields Capital III LP hoofdelijk in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van Delta Lloyd N.V. begroot op € 6.082.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. M.M.M. Tillema, raadsheren, en drs. P.R. Baart en H. de Munnik, raden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen en mr. F.L.A. Straathof, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 12 oktober 2016.</p></div>", "next": 0}