{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De gebruikelijke toetsing of het te vervolgen feit bewijsbaar en strafbaar is, en of vervolging van de geconstateerde feiten opportuun is, dient onverkort plaats te vinden. Terzake van feiten die normaal gesproken geseponeerd zouden worden, dient sepot te volgen; voor feiten waarin het aanbieden van transactie gebruikelijk is, dient een transactievoorstel te worden gedaan. Dergelijke feiten dienen in het kader van een te maken afspraak buiten beschouwing te blijven. Anders zou immers aan de getuige een voordeel in het vooruitzicht worden gesteld, dat geen reëel voordeel is, doch de uitkomst van het normale afwegingsproces dat aan de vervolgingsbeslissing vooraf gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2001 heeft de minister het volgende geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van het wetsvoorstel is steeds uitgangspunt geweest dat ten aanzien van een verdachte eerst de gebruikelijke vervolgingsbeslissing op basis van het bestaande vervolgingsbeleid wordt genomen en dat onaanvaardbaar is dat een verdachte in het geheel aan vervolging zou kunnen ontkomen door het afleggen van een belastende verklaring. Er moet uiteraard wel sprake zijn van een verdachte met een vervolgbare zaak. Indien er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling heeft de officier van justitie geen onderhandelingsbasis; er is dan geen reële tegenprestatie van de zijde van het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over dit uitgangspunt van de minister is gedurende de parlementaire behandeling geen discussie geweest. Wel is meermalen uitgebreid stilgestaan bij de consequentie van dit uitgangspunt, namelijk dat de officier van justitie niet mag onderhandelen over de inhoud en omvang van de tenlastelegging, noch daarover toezeggingen mag doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit zogeheten immuniteitsverbod heeft de verdediging onder meer bij pleidooi gewezen. Het opportuniteitsbeginsel zou hiermee aan banden zijn gelegd. Daarbij wordt evenwel over het hoofd gezien dat deze normering of begrenzing van de discretionaire ruimte van de officier van justitie uitsluitend betrekking heeft op vervolgingsbeslissingen die zijn genomen bij wijze van toezegging. Dit heeft de wetgever ook voor ogen gestaan bij zijn beschouwingen over de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel en het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geen van de stadia van de behandeling van het wetsontwerp heeft de wetgever enige begrenzing van het opportuniteitsbeginsel als zodanig voor ogen gestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de verdediging heeft gewezen op bepaalde, tegen de kroongetuige [Peter La S.] gerezen verdenkingen die telkens het instellen van strafvervolging zouden hebben gerechtvaardigd zal het hof hebben na te gaan of de beslissingen van het Openbaar Ministerie om van vervolging af te zien in strijd zijn geweest met de (bedoeling van) de wettelijke regeling. Immers, wanneer komt vast te staan dat de stelling van de verdediging hout snijdt, ligt vervolgens ter beantwoording voor de vraag of de wijze waarop ten aanzien van die kroongetuige telkens invulling is gegeven aan het vervolgingsbeleid op één lijn moet worden gesteld met ongeoorloofde toezeggingen tot het verlenen van immuniteit (door de raadsman aangeduid als “verkapte immuniteitstoezeggingen”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het gaat om de door het hof aan te leggen maatstaf voor de beoordeling van de vervolgingsbeslissing in de sleutel van het gevoerde verweer knoopt het hof aan bij door de Hoge Raad ontwikkelde rechtspraak met betrekking tot de beoordeling van de beslissingen waarbij de vervolging wél is ingesteld of wordt voortgezet. Volgens die vaste rechtspraak leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegespitst op het zich hier voordoende spiegelbeeldige geval, waarin het Openbaar Ministerie afziet van het instellen van vervolging zal het hof met inachtneming van de bij zijn beoordeling in het algemeen te betrachten terughoudendheid een toets hebben uit te voeren. De daarbij te hanteren maatstaf luidt of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien, waarbij dat lid wordt geacht de door strafrechtelijke handhaving te beschermen belangen in zijn afweging betrokken te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert, terwijl de vigerende beleidskaders die de beslissingen in het kader van opsporing en vervolging nader normeren, ook in het geval van de criminele getuige op overeenkomstige wijze de beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie normeren en beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.2.6.2.3 [slachtoffer 11] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] Wat betreft de beslissingen om [Peter La S.] niet separaat te vervolgen voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] acht het hof de toelichting die is gegeven door de advocaat-generaal bij repliek toereikend in het licht van de hiervoor gegeven beoordelingsmaatstaf. Onder verwijzing naar de toelichting van de officier van justitie heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat ten aanzien van [slachtoffer 11] alleen de eigen verklaring van [Peter La S.] belastend was. Bij [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] zou het stadium van strafbare voorbereidingshandelingen niet zijn bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is meegedeeld dat het Openbaar Ministerie [Peter La S.] wel als strafbare deelnemer aan een criminele organisatie heeft beschouwd. Echter, zowel de strafbare als de niet strafbare doch wel laakbare handelingen waren al verdisconteerd in de basisstrafeis waardoor aparte vervolging vanwege deelneming aan een criminele organisatie van weinig toegevoegde waarde werd geoordeeld. Ook deze beslissing kan de uit te voeren marginale toetsing doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt voorts op dat waar het de voorgenomen moord op [slachtoffer 11] betreft zelfs met zoveel woorden aan [Peter La S.] kenbaar is gemaakt dat er op grond van een zelfstandige afweging geen vervolging zal plaatsvinden wegens gebrek aan bewijs. Dit blijkt uit het verslag van het gesprek dat officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] hebben gehad op 22 november 2006. Tijdens dat gesprek, waarvan delen verbatim zijn uitgewerkt, heeft mr. [officier van justitie 2] meegedeeld dat [Peter La S.] niet zal worden vervolgd wegens “gewoon onvoldoende bewijs” en dat vervolging daarom niet mogelijk is “ook al zouden we dat willen”. Mr. [officier van justitie 2] laat in dat verband de term “immuniteitsverbod” ook vallen. Hierin is een sterke aanwijzing gelegen dat de officier van justitie bij het aangaan van de afspraak dit wettelijke uitgangspunt heeft gehanteerd, ook buiten de beoordeling van de zaak- [slachtoffer 11] .</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.2.6.2.4 [Peter La S.] en de aanslag op [slachtoffer 15] Het hof stelt voorop, dat op het moment van het maken van de verklaringsafspraak de verbinding tussen [Peter La S.] en dit feit door de officier van justitie in het geheel nog niet kon worden gelegd, met gevolg dat dit feit reeds om die reden geen onderwerp van bespreking of aanspraak kon zijn. Daarbij komt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van de tijd die op de aanslag (gepleegd in 2000) is gevolgd zijn door meer personen inhoudelijk wisselende verklaringen afgelegd. In essentie is het door verscheidene personen vertelde verhaal dat [Peter La S.] degene is geweest die anderen ertoe heeft gebracht om op [slachtoffer 15] een aanslag te plegen. De ontwikkeling van die verklaringen over opdrachtgever(s) levert als het resultaat van onderzoek niet meer dan – in de woorden van de officier van justitie – een brij van onduidelijkheden op. Die uiteenzetting volgend en de duiding ervan begrijpend kan worden geoordeeld dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie in redelijkheid van het instellen van vervolging heeft kunnen afzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.2.6.2.5 [Peter La S.] en de gewelddadige dood van G. [slachtoffer 13] Met betrekking tot de door de verdediging veronderstelde strafbare betrokkenheid van [Peter La S.] bij de gewelddadige dood van G. [slachtoffer 13] overweegt het hof het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de schriftelijke verklaringsafspraak (paragraaf 1.5) van 20 februari 2007 met [Peter La S.] volgt, dat hij voor zijn rekening neemt dat de inhoud van zijn eerder afgelegde verklaringen, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal die als bijlagen zijn gevoegd, volledig op waarheid berust. In het proces-verbaal van 31 oktober 2006 heeft [Peter La S.] als getuige verklaard over o.m. hetgeen hij heeft meegemaakt en ondervonden met betrekking tot gedragingen van o.a. Jesse [Jesse R.] in relatie tot de dood van die [slachtoffer 13] . De onderbouwing van dit onderdeel van het verweer houdt niet in dat ook ten tijde van de totstandkoming van de verklaringsafspraak er voor het Openbaar Ministerie aanknopingspunten bestonden voor het richten van het vervolgingsvizier op [Peter La S.] . Dit onderdeel van het verweer houdt wel het verwijt aan de officier van justitie in dat hij tegen beter weten in is blijven afzien van strafvervolging tegen [Peter La S.] terwijl feiten en omstandigheden aan het licht waren gekomen die (in weerwil van de verklaringen van [Peter La S.] ) wezen op diens strafbare betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer 13] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof begrijpt dit onderdeel van het verweer aldus dat het Openbaar Ministerie onwaarachtig is blijven vasthouden aan de afspraak met [Peter La S.] terwijl de ontbinding daarvan (paragraaf 3.1) in de rede lag. Zodoende is het Openbaar Ministerie [Peter La S.] ten onrechte blijven begunstigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop, dat in het licht van de gegeven toelichting de verdediging er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat het hof de vraag beantwoordt of er voor de officier van justitie termen aanwezig (kunnen) zijn voor het ontbinden dan wel niet of onvolledig nakomen van de met [Peter La S.] gemaakte verklaringsafspraak. Voor zover met het verweer is beoogd dat het hof zich hierover zal uitlaten, leent dit onderdeel ervan zich niet voor bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt ten overvloede dat het Openbaar Ministerie in een overweging in het vonnis waarvan beroep aanleiding heeft gezien voor het instellen van een review-onderzoek in het dossier [slachtoffer 13] . De resultaten daarvan zijn toegevoegd aan het strafdossier in de vorm van het onderzoeksdossier Dalhart. Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van de advocaat-generaal als standpunt kenbaar gemaakt dat ook de resultaten van dat review-onderzoek geen feiten en omstandigheden hebben blootgelegd die de vervolging van [Peter La S.] kunnen rechtvaardigen, onder (herhaalde) mededeling dat als op enig moment mocht blijken van leugens van [Peter La S.] hij alsnog die vervolging tegemoet kan zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt dit onderdeel van het verweer zodat dit niet kan bijdragen aan de bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie die, zo begrijpt het hof, het resultaat dient te zijn van alle door de raadsman gesignaleerde (vorm)verzuimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht immers geen grond aanwezig voor het oordeel dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie niet tot het door de advocaat-generaal gehuldigde standpunt had kunnen komen. Daarbij kent het hof gewicht toe aan hetgeen door de advocaat-generaal ter toelichting in het bijzonder is aangeduid. Dit houdt het volgende in. Waar het gaat om de kerngetuige [Opa-getuige-2] is gebleken van wezenlijke discrepanties in zijn verklaringen. Volgens zijn mededeling aan [slachtoffer 15] en Korterink blijkt niet van betrokkenheid van [Peter La S.] , wel van [Jesse R.] en Ebeli, terwijl hij als getuige ter terechtzitting van de rechtbank spreekt over betrokkenheid van [Peter La S.] en Ebeli, en vermoedelijk ook van [Jesse R.] . Voorts heeft de advocaat-generaal beredeneerd betoogd dat de wordingsgeschiedenis van de verklaring van de getuige F3 voor de betrouwbaarheid van die verklaring vragen oproept die niet bevredigend zijn beantwoord. Naar aanleiding van de verklaringen van de getuige [getuige 6] is op grond van de inconsistenties daarvan aanzienlijke twijfel over de betrouwbaarheid gerezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevoerde verweer kan niettemin betekenis hebben in de sleutel van de waardering van de betrouwbaarheid van door [Peter La S.] als getuige afgelegde verklaringen. Dit onderwerp wordt op een andere plaats in dit arrest besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.2.6.2.6 Het afzien van voordeelsontneming in relatie tot de verklaringsafspraak In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Aanwijzing mag het openbaar ministerie in ruil voor verklaringen aan een potentiële criminele getuige toezeggen een vordering tot ontneming tot ten hoogste de helft van het wederrechtelijk verkregen bedrag achterwege te laten. Deze toezegging kan de vorm aannemen van een schikking ex artikel 511 Sv. Een dergelijke toezegging komt aan de orde op het moment dat het openbaar ministerie normaal gesproken, dus als er geen overeenkomst tot het afleggen van verklaringen was, tot ontneming van het volledige bedrag zou overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie ten aanzien van de getuige met wie het een overeenkomst zou willen sluiten, altijd gehouden is om ten minste de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel te vorderen. Voor zover het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de considerans bij de OM-deal heeft het openbaar ministerie besloten in de zaak Houtman om redenen van opportuniteit geen ontnemingsmaatregel te vorderen aangezien [Peter La S.] ten tijde van het sluiten van de deal geen verhaal bood, er naar verwachting financiële maatregelen in het kader van getuigenbescherming zouden worden genomen en [Peter La S.] bij de overeenkomst afstand deed van enige beloning als bedoeld in de RBO. Tevens werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank slaat geen acht op de stelling van het openbaar ministerie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 65.000 kan worden weggestreept tegen tip- en toondergeld, nu onvoldoende is komen vast te staan dat [Peter La S.] hierop zonder overeenkomst ex art. 226g Sv daadwerkelijk recht zou hebben gehad. Evenwel heeft het openbaar ministerie naar het oordeel van de rechtbank in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [Peter La S.] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij is van belang dat [Peter La S.] na ommekomst van een langdurige vrijheidsstraf door middel van getuigenbeschermingsmaatregelen vanaf de grond een zelfstandig bestaan zou moeten gaan opbouwen, waardoor een ontnemingsmaatregel in feite een vestzak-broekzak-kwestie zou worden. Bovendien is een voorbehoud gemaakt voor het geval alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu voorts niet is gebleken dat het openbaar ministerie met [Peter La S.] heeft onderhandeld over het al dan niet achterwege laten van een ontnemingsvordering, is er geen sprake van een toezegging in ruil voor af te leggen verklaringen. De stelling dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de Aanwijzing mist dan ook feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging van de rechtbank en neemt deze over. Het hof bezigt dezelfde overwegingen waar het gaat om de beoordeling van het verweer dat het afzien van voordeelsontneming onder de criminele getuige [Fred R.] in strijd is met de (bedoeling van de) Wet toezeggingen aan getuigen. Het hof voegt daaraan nog toe dat de officier van justitie de in artikel 311, eerste lid, derde volzin, Sv bedoelde mededeling niet heeft gedaan, hetgeen de drempel voor indiening van een ontvankelijke ontnemingsvordering vrijwel onneembaar heeft gemaakt. Daarnaast overweegt het hof dat de in de schriftelijke afspraak (blz. 6, laatste gedachtestreep) weergegeven feiten en omstandigheden in redelijkheid tot de beslissing tot afzien van een ontnemingsvordering hebben kunnen leiden. De beslissingen van de officier van justitie om tegen [Peter La S.] noch tegen [Fred R.] een vordering tot voordeelsontneming te doen zijn derhalve niet in strijd met de door de verdediging aangehaalde regels, die voortvloeien uit het beloningsverbod, genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.2.6.2.7 De hoogte van de basis-strafeis in relatie tot de omvang van de toezegde vordering tot vermindering De verdediging heeft in hoger beroep andermaal betoogd dat de strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten hoger had kunnen zijn, te meer nu hij voor een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet voor zijn betrokkenheid daarbij is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken ( [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [Ali A.] , [Dino S.] , [Fred R.] en [Jesse R.] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [Peter La S.] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het navolgende overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisstrafeis Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt dat de tegen [Peter La S.] geformuleerde basisstrafeis van 16 jaren verhoudingsgewijs zo laag is dat kennelijk sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de basisstrafeis heeft het openbaar ministerie in de eerste plaats de ernst van de feiten ingewogen. Het openbaar ministerie betrok daarbij dat voor de aan [Peter La S.] ten laste gelegde feiten, die alle dateren van voor 1 februari 2006, als tijdelijke vrijheidsstraf ten hoogste een gevangenisstraf van 20 jaren zou kunnen worden opgelegd. Daarnaast is ingewogen dat er, voordat [Peter La S.] ging verklaren, geen enkele reden was om hem in verband te brengen met de feiten waarover hij verklaarde, en dat hij uit het criminele milieu wilde stappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft gesteld dat de hoedanigheid van zelfmelder al is verwerkt in de halvering van de strafeis en niet ook nog mag meetellen bij de vaststelling van de basisstrafeis. De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen. De regel dat de strafeis voor een kroongetuige met ten hoogste de helft mag worden verminderd heeft ook betrekking op de verdachte die, nadat hij is aangehouden, probeert zijn procespositie te verbeteren door een overeenkomst te sluiten tot het afleggen van verklaringen tegen andere personen. De rechtbank ziet geen enkele reden waarom in het voordeel van een kroongetuige die nog geen verdachte was, niet zou mogen meewegen dat hij zichzelf heeft gemeld. Dit is immers een omstandigheid die bij de bepaling van de strafeis jegens andere verdachten ook pleegt te worden meegewogen. Dat [Peter La S.] mogelijk ook is gaan verklaren uit angst dat hij op enig moment toch verdacht zou worden van betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl maakt niet dat het openbaar ministerie aan het feit dat [Peter La S.] zichzelf heeft gemeld terwijl hij nog geen verdachte was, geen betekenis had mogen hechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de ernst van de wens van [Peter La S.] om het criminele milieu te verlaten. De rechtbank zal dit punt in het midden laten, nu er in ieder geval geen aanleiding is om te veronderstellen dat het openbaar ministerie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zoveel twijfels moest hebben bij deze wens dat deze voor de basisstrafeis geen wegingsfactor had mogen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank slaat ten slotte geen acht op de stellingen van partijen omtrent de invloed van gedragingen die wel verwerpelijk zijn maar waarvoor [Peter La S.] niet wordt vervolgd op de basisstrafeis. De rechtbank kan de rechtmatigheid van die eis immers slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [Peter La S.] ten laste zijn gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van zestien jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof onderschrijft de juistheid van deze overweging en conclusie van de rechtbank en neemt deze over. Het hof verbindt daaraan de gevolgtrekking dat de hoogte van de basis-strafeis niet kan worden geduid als een toezegging van de officier van justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.2.6.2.8 De “ [Willem H.] -weglatingen” als onrechtmatige toezegging van het Openbaar Ministerie aan de kroongetuige [Peter La S.] Tijdens de gedingfase in eerste aanleg (2011) is gebleken dat door [Peter La S.] in zijn kluisverklaringen ook is verklaard over hetgeen door hem is waargenomen en ondervonden met betrekking tot betrokkenheid van W.F. [Willem H.] bij strafbare feiten. [Peter La S.] heeft naar zijn zeggen om redenen van vrees voor bedreiging door [Willem H.] aan de officier van justitie gevraagd de onderdelen van zijn bij de politie afgelegde verklaringen die betrekking hebben op die [Willem H.] niet in de van zijn verklaringen opgemaakte processen-verbaal op te nemen. Het Openbaar Ministerie heeft met dat verzoek ingestemd en de verklaringen in even bedoelde zin “geschoond” gevoegd bij de afspraak die aan de rechter-commissaris ter rechtmatigheidstoetsing is voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vervolg vanaf het beschikbaar komen van die processen-verbaal in 2007 heeft het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris, de rechtbank en de verdachten in wier zaken (de processen-verbaal, houdende de kluisverklaringen van) [Peter La S.] als getuige is ingezet onwetend gehouden van deze, wat is gaan heten, weglatingsafspraak. Het onrechtmatige karakter van deze toezegging en de schade voor de waarheidsvinding, toegebracht door deze afspraak en de lange duur van het onbekend blijven daarvan, en de aldus door het Openbaar Ministerie bij [Peter La S.] gewekte verwachtingen dat hij als getuige met de waarheid een loopje mocht nemen, dienen als onderdeel van onrechtmatig gedane toezeggingen bij te dragen aan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer valt uiteen in enkele onderdelen. Het eerste houdt in dat het beloningsverbod is overtreden. De verklaringsbereidheid van de getuige is beïnvloed door de toezegging dat hij niet hoefde te verklaren over [Willem H.] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede onderdeel bevat de klacht dat door de weglatingsafspraak belangrijke delen van de verklaringen van de getuige lange tijd buiten de processtukken zijn gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afzonderlijke, daarmee samenhangende, derde deelklacht luidt dat de getuige gedurende zeer lange tijd verklaringen is blijven afleggen op basis van deze weglatingsafspraak waardoor hij niet steeds naar waarheid althans onvolledig op vragen heeft geantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wordt geklaagd dat de weglatingsafspraak tot gevolg heeft gehad dat de verklaringen van de getuige mogelijk zijn beïnvloed doordat alternatieve herinneringen zich hebben vastgezet in zijn geheugen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gestelde overtreding van het beloningsverbod is een zelfstandig vormverzuim. Daarnaast houden alle in de vier onderdelen bedoelde punten in dat er onherstelbare schade is toegebracht aan de waarheidsvinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer wordt voor een deel opgevat als een verweer als bedoeld in artikel 359a Sv. Een ander deel, in het bijzonder het derde, heeft direct betrekking op het recht op een eerlijk proces. De onderdelen worden hierna in hun samenhang besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CIE-officier van justitie die met [Peter La S.] heeft onderhandeld over de afspraak heeft er mee ingestemd dat deze zijn wetenschap over de rol van [Willem H.] buiten de van zijn af te leggen verklaringen op te maken processen-verbaal zou houden. De tussen mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] bestaande overeenstemming hierover is niet opgenomen in de afspraak op de voet van artikel 226g Sv. Het ging dus om een “geheime afspraak” die niet kenbaar was, niet voor de officier van justitie die ter terechtzitting het Openbaar Ministerie vertegenwoordigde, noch voor de verdachte en de verdediging. En ook niet voor de rechter. De advocaat-generaal en de verdediging zijn het erover eens dat het hier om een vormverzuim gaat. De vraag of het herstelbaar is houdt hen echter verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst is aan de orde de vraag of het hier is gegaan om een beloning voor de bereidheid tot verklaren. Indien dat het geval is, heeft die beloning van meet af aan bestaan. Als dan bovendien causaal verband tussen de veronderstelde beloning en verklaringsbereidheid wordt aangenomen, kan redelijkerwijs van herstelbaarheid geen sprake meer zijn. De vraag is echter of het hier gaat om een toezegging waarop het verbod om te belonen betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basis van de kroongetuigenregeling is dat overheid en verdachte afspreken elk een prestatie te leveren. De afspraak die tot stand komt heeft aldus een “do ut des”-karakter. Tegenover de door de overheid toegezegde prestatie staat de bereidheid van de kroongetuige om met het prijsgeven van zijn verschoningsrecht verklaringen over nader bepaalde personen en delicten af te leggen. Die prestatie van de overheid bestaat in een aangepaste strafeis, die lager zal liggen dan in het geval er geen medewerking van de getuige is. Met de toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen is ontegenzeggelijk een context geschapen waarbinnen de bereidheid van [Peter La S.] tot zijn voortgaan op het pad van het afleggen van zijn verklaringen, in positieve zin werd beïnvloed. Deze is evenwel niet ontstaan doordat de overheid hier een prestatie tegenover heeft geplaatst. Dit kan ook blijken uit de wijze waarop die context permanent door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] is bewaakt. Hij heeft de verhoren van de getuige voortdurend “gemonitord”. Het doel hiervan was om te volgen of de getuige niet toch over [Willem H.] zou gaan verklaren waarvoor, wat mr. [officier van justitie 2] betreft, geen enkele belemmering bestond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit licht bezien kan de gegeven toestemming voor de [Willem H.] -weglatingen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als een vorm van beloning worden aangemerkt. Reeds daarom mist dit onderdeel van het verweer doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat vast dat delen van de kluisverklaringen van [Peter La S.] , afgelegd in de periode van 11 september tot en met 2 november 2006, niet bij de processtukken zijn gevoegd. Dat er delen waren weggelaten is wel van meet aan bekend geweest. Maar over het feit dat het hier deels om belastende mededelingen over [Willem H.] ging en over de omstandigheid dat angst van [Peter La S.] voor [Willem H.] aan de verhulling ten grondslag lag, waren procespartijen en rechter onwetend gehouden. Deze situatie heeft voortgeduurd tot oktober 2011. Deze gang van zaken houdt in dat er van inhoudelijke onderdelen van de afgelegde verklaringen niet ten spoedigste proces-verbaal is opgemaakt. Voor zover dit wel is geschied (bijvoorbeeld het proces-verbaal van 7 november 2006 over op 2 november 2006 door [Peter La S.] gemaakte opmerkingen) zijn deze stukken aan de verdachte onthouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee zijn kernvoorschriften van strafvordering, die mede strekken tot het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, te weten artikel 152 Sv en artikel 33 Sv, zoals dat luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding, in zeer aanzienlijke mate geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de totstandkoming van de afspraak tussen [Peter La S.] en de Staat zijn de gebeurtenissen als volgt geweest. Op 3 oktober 2011 heeft [Peter La S.] , ter terechtzitting van de rechtbank als getuige gehoord, het bestaan van de [Willem H.] -weglatingen onthuld. Dit is in een proces-verbaal van 10 oktober 2011 door CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] bevestigd. Vervolgens zijn deze [Willem H.] -weglatingen, gespreid over enkele tranches, aan het dossier toegevoegd. Daaraan zijn toegevoegd enkele processen-verbaal van de CIE-officier van justitie en het hiervoor genoemde proces-verbaal van 7 november 2006 van enkele CIE-ambtenaren. In deze documenten is de gang van zaken rondom de totstandkoming van de weglatingen gerelateerd en verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze heeft volledig herstel plaatsgehad in die zin dat al hetgeen [Peter La S.] heeft gezegd over [Willem H.] in de verhoren die hebben geleid tot de vijftien kluisverklaringen in het procesdossier is ingebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ligt anders voor de verklaringen die [Peter La S.] vanaf 15 maart 2007 heeft afgelegd. De weglatingsafspraak heeft erin geresulteerd dat [Peter La S.] onvolledig is geweest in de beantwoording van vragen die hem op en na die datum zijn gesteld tijdens verhoren door politieambtenaren en door en ten overstaan van rechter-commissaris en zittingsrechter. Hij heeft voortgezet verklaard in lijn met de niet-kenbare weglatingsafspraak. Daarom is deze gang van zaken naar zijn aard onherstelbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu hieraan de instemming van het Openbaar Ministerie ten grondslag heeft gelegen, leent dit zich in elk geval voor de constatering dat op de kwaliteit en de volledigheid van de waarheidsvinding een inbreuk is gemaakt, waardoor het Openbaar Ministerie is tekort geschoten in zijn bijdrage aan de eerlijkheid van het proces, zoals dat is gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Indien en voor zover de politieverhoren van [Peter La S.] als parallel opsporingsonderzoek worden aangemerkt, is op diezelfde grond tevens sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. In elk geval is de ongeschreven rechtsregel dat het opsporingsonderzoek in alle opzichten aan eisen van integriteit dient te voldoen, niet volledig nageleefd. Deze verzuimen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. [Peter La S.] heeft in de periode 15 maart 2007 tot 3 oktober 2011 informatie over [Willem H.] buiten zijn verklaringen gehouden. Bij vragen waar een vollediger beeld zou zijn ontstaan als [Willem H.] wel in het antwoord zou zijn betrokken, is deze toch niet door hem genoemd. Bij de bespreking van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] zal hierop uitgebreider worden ingegaan. Het kernpunt waar het hier in het bijzonder om gaat is dat [Peter La S.] een drietal personen heeft genoemd die allen een rol zouden hebben gehad in de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit zijn [Ali A.] , [Willem H.] en [Dino S.] . Sprekend over diverse moorden heeft [Peter La S.] er melding van gemaakt dat zij alle drie een rol van betekenis hebben gespeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het ontstane nadeel voor de verdachte overweegt het hof nader als volgt. [Peter La S.] heeft vanaf 3 oktober 2011 zijn voorbehoud ten aanzien van [Willem H.] laten vallen. Sindsdien heeft hij over diens rol naar eigen zeggen niet langer gemankeerde antwoorden op vragen gegeven. [Peter La S.] is ter terechtzitting van de rechtbank diverse malen bevraagd over de rol van [Willem H.] bij de verstrekking van opdrachten voor moorden. Dit is aanvankelijk gebeurd zonder dat de weggelaten passages van de kluisverklaringen beschikbaar waren, direct volgend op de onthulling van de weglatingsafspraak. Nadat de weglatingen in de processen-verbaal van verhoor waren teruggeplaatst is hij daarover nog meermalen gehoord. Bovendien is als gevolg van de onthulling door de rechtbank bepaald dat de eerste twee kluisverklaringen, die tot dan toe als oriënterend en vertrouwelijk van karakter waren beschouwd, woordelijk dienden te worden uitgewerkt en aan de processtukken moesten worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zijn in opdracht van de rechtbank de relevante onderdelen van het gesprek tussen officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en [Peter La S.] van 22 november 2006 in woordelijk uitgewerkte vorm aan de processtukken toegevoegd. Hiermee is hetgeen [Peter La S.] in het prille begin aan de CIE had toevertrouwd vollediger dan tot dan toe het geval was ter kennis gekomen van procespartijen en van de rechter. De betrokken CIE-officier van justitie en de CIE-medewerkers die met [Peter La S.] in de beginperiode hadden gesproken (de zogeheten Z-verbalisanten) zijn ter terechtzitting van de rechtbank of door de rechter-commissaris gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep zijn op last van het hof de processtukken nader aangevuld. De journaals van de CIE over de contacten met [Peter La S.] vanaf 10 augustus 2006 en processen-verbaal met daarin de woordelijke uitwerking van opnames van gesprekken met [Peter La S.] in de oriënterende fase, voor zover nog niet ingebracht, zijn aan het dossier toegevoegd. Alleen enkele onderdelen die in verband met veiligheidsbelangen vertrouwelijk dienden te blijven zijn na een toets door de rechter-commissaris buiten de toegevoegde stukken gebleven. [Peter La S.] , CIE-officier van justitie mr. [officier van justitie 2] en de verbalisant Z-038 van de CIE zijn in de appelfase bovendien opnieuw als getuigen gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorts vast dat de politieambtenaren die belast waren met het opsporingsonderzoek in de zaak van de verdachte geen van allen kennis droegen van de weglatingsafspraak. Hetzelfde geldt voor de officieren van justitie die aan dit onderzoek leiding hebben gegeven en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van de rechtbank hebben vertegenwoordigd. Dit betekent dat noch in het opsporingsonderzoek noch bij de ondervraging van getuigen en van de verdachte ten overstaan van de rechter de weglatingsafspraak strategisch is ingezet door het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze omstandigheden brengen geen verandering in de hiervoor geconstateerde gebreken maar relativeren wel de mate waarin deze aan het Openbaar Ministerie kunnen worden verweten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van een vormverzuim dat niet kon worden gerepareerd maar dat wel toereikend is gecompenseerd. Als gevolg van het in eerste en tweede aanleg uitgevoerde aanvullende onderzoek is in ruime mate compensatie geboden voor het nadeel dat voor de verdachte is ontstaan. Daarom kan worden volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden en hoeft hieraan naar het oordeel van het hof geen rechtsgevolg te worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee resteert de vraag of [Peter La S.] niet alleen onvolledig maar daarnaast ook niet naar waarheid heeft verklaard. Het hof heeft het verweer bij de weergave van de onderdelen ervan zo opgevat dat dit twee aspecten heeft. [Peter La S.] zou in zijn pogingen om niet over [Willem H.] te spreken onjuiste antwoorden kunnen hebben gegeven, onder meer over andere betrokken personen. Daarnaast zouden zijn telkens gegeven onjuiste antwoorden hebben geleid tot blijvende verandering van zijn herinneringen hetgeen ook in niet met de werkelijkheid overeenkomende antwoorden kan hebben geresulteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt op dat deze vragen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] . Deze zullen in een hiernavolgend onderdeel van dit arrest worden besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3 De tweede rubriek: de mate van door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid bij (het bijdragen aan) de waarheidsvinding De raadsman heeft verwezen naar een samenstel van in eerste aanleg gevoerde verweren. Deze betreffen in de woorden van de raadsman “de wijze waarop het Openbaar Ministerie in dit onderzoek Passage en in de zaak van de verdachte heeft geacteerd”. Het gaat blijkens de gegeven toelichting niet om de afzonderlijke vormverzuimen of de in een specifiek geval vastgestelde wijze van opereren van het Openbaar Ministerie, “maar om het beeld dat daar als geheel opstijgt”. Al deze verweren hebben als kenmerk dat geklaagd wordt over niet-magistratelijk optreden van de vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verweren zijn door de raadsman aangevuld met verweren die betrekking hebben op de gang van zaken in hoger beroep. Zij luiden samengevat als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie is op grond van de bij zijn handelen te betrachten magistratelijkheid gehouden om aan gewijzigde inzichten metterdaad vorm en inhoud te geven. Echter, de totale draai die door het Openbaar Ministerie in hoger beroep is gemaakt op het punt van de inhoudelijke waardering van door [Fred R.] als getuige afgelegde verklaringen kan niet anders worden verklaard dan dat het Openbaar Ministerie die [Fred R.] tegen beter weten thans wél wenst te geloven, louter omdat dat in de bewijskraam van de zaken waarin [Fred R.] als kroongetuige is ingezet goed van pas komt. Deze wijze van opereren dient te worden betrokken bij de toetsing van de behoorlijkheid van het proces, in het bijzonder de beginselen van een redelijke en billijke belangenafweging en de zuiverheid van oogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie heeft zonder redelijke grond ten aanzien van de in de zaak figurerende anonieme bedreigde getuigen a charge (getuige Q5) en a decharge (de F-getuigen) met twee maten gemeten, in het algemeen met het aan de dag leggen van een kritische blik en in het bijzonder waar het gaat om de behartiging van de belangen die met die anonimiteit worden nagestreefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">En waar door één van die F-getuigen en door de getuige [slachtoffer 15] voor de kroongetuige [Peter La S.] belastend en daardoor voor het Openbaar Ministerie onwelgevallig is verklaard heeft het Openbaar Ministerie in plaats van het vizier open te houden door (pro)actief aan waarheidsvinding bij te dragen stilgezeten, weggekeken of zelfs waarheidsvinding bemoeilijkt. Dit alles kennelijk met het oog op het overeind houden van die kroongetuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze niet-magistratelijke houding van het Openbaar Ministerie is eveneens gebleken bij de gang van zaken met betrekking tot de getuige [getuige 1] . Kennelijk gedreven door de wens de bewijsvoering in de verschillende zaken rond te krijgen is deze getuige gestimuleerd om belastende verklaringen af te leggen, en is daarmee zijn belang om in aanmerking te komen voor getuigenbeschermingsmaatregelen in zekere zin gecreëerd. Op die manier is er tevens een belang voor [getuige 1] gecreëerd om voor de verdachte belastend te (blijven) verklaren, opdat hij kon blijven profiteren van die maatregelen. Vervolgens is ook nog eens zonder grond voorbij gegaan aan de verplichting om zijn verhoren op te nemen en op een gegevensdrager vast te leggen. Dit nalaten levert niet alleen op zichzelf beschouwd een onherstelbaar vormverzuim op, maar illustreert bovendien de hierboven bedoelde houding van het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten van dezelfde aard en strekking heeft de raadsman geuit over de gang van zaken rondom de getuige [getuige 32] ten aanzien van wie eveneens beschermingsmaatregelen zijn getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telkens is het standpunt van de verdediging dat het Openbaar Ministerie onvoldoende afstand heeft genomen van de wens om de bewijsvoering rond te krijgen. Het heeft niet de vereiste kritische benadering gehad die verwacht mag worden en bovendien het gedrag van getuigen beïnvloed. Dit dient te worden beoordeeld in de context van de beginselen van een behoorlijk proces, in het bijzonder de redelijke en billijke belangenafweging en de zuiverheid van oogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof begrijpt uit de toelichting dat de raadsman deze beschouwingen deels heeft gegeven ter aanvulling op dan wel ter nadere onderbouwing van zijn standpunten over concrete door hem aangeduide vormverzuimen. In zoverre heeft het hof de eerlijkheid van het proces betrokken bij de beoordeling van verweren over die gestelde vormverzuimen, in overeenstemming met de daarbij aan te leggen maatstaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover met dit samenstel van verweren is beoogd te betogen dat de genoemde feiten en omstandigheden eraan hebben bijgedragen dat het proces als geheel oneerlijk is geweest, kan het hof niet meegaan in de gedachtegang van de raadsman. Daartoe verwijst het hof allereerst naar het oordeel dat het telkens bij de bespreking van verweren over gestelde vormverzuimen heeft gegeven en nog zal geven. Deze verweren worden of zullen worden verworpen, in elk geval waar het om enige vorm van verzochte sanctionering van verzuimen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige geldt dat de verdediging elk standpunt van het Openbaar Ministerie ten overstaan van de rechter heeft kunnen betwisten. Reeds daarom valt niet in te zien dat de verweren, die overigens een zeer hoog niveau van algemeenheid hebben, doel kunnen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4 De derde rubriek: de deplorabele detentieomstandigheden van [Jesse R.] in Marokko en het aldaar verstoken zijn en blijven van toegang tot een Nederlandse raadsman 2.1.4.1 Wat is aangevoerd In deze rubriek heeft de raadsman van [Jesse R.] samengevat het volgende aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen in het bijzonder tijdens de gedingfase in hoger beroep is komen vast te staan wettigt de vaststelling dat de wijze van tenuitvoerlegging van de detentie van [Jesse R.] in Marokko deplorabel is geweest. Zo heeft hij gedurende 10 maanden van zijn aldaar ondergane detentie in isolatie verbleven en is hij verstoken gebleven van de mogelijkheid tot contact met familieleden, terwijl hij overigens met anderen niet of nauwelijks heeft kunnen spreken. Bovendien is hij afgesneden geweest van de ondersteuning en voedselvoorziening die in het Marokkaanse gevangenissysteem noodzakelijk is voor de vervulling van de eerste dagelijkse behoeften. Dit alles is gebeurd met wetenschap en onder verantwoordelijkheid van de Staat der Nederlanden. In het licht van de extraterritoriale werking die in de jurisprudentie van het EHRM aan de bescherming van de in artikel 3 EHRM beschermde belangen wordt gegeven komt aan [Jesse R.] een beroep op schending van die bepaling toe. [Jesse R.] is tijdens zijn detentie in Marokko als verdachte gehoord, terwijl zowel voor de met het verhoor belaste ambtenaren van politie als voor het Openbaar Ministerie duidelijk was dat [Jesse R.] was verstoken van ieder contact met zijn (Nederlandse) raadsman, terwijl hij dat contact wél wenste te hebben. Het Openbaar Ministerie was verantwoordelijk voor het waarborgen van de rechten van [Jesse R.] . Deze gang van zaken levert een schending op van artikel 6 EVRM (en dient in elk geval te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de processen-verbaal waarin zijn met die schending verkregen verklaringen zijn vervat).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.2 Beoordeling door het hof Het hof zal eerst het toepasselijke wettelijke kader schetsen, vervolgens de relevante feiten in kaart brengen en ten slotte overwegingen en een beslissing geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.2.1 Juridisch kader Het hof stelt voorop dat een uitleveringsverzoek niet tot het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv kan worden gerekend. Niettemin kan de strafrechter onder omstandigheden ook buiten het kader van art. 359a Sv. consequenties verbinden aan de vaststelling van een schending van een fundamenteel recht zoals art. 3 of 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verhoor afgenomen door politieambtenaren dat plaatsvindt tijdens uitleveringsdetentie behoort, indien dat verhoor plaatsvindt in het kader van het onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde feit, tot het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het beroep op de in het EVRM gewaarborgde rechten geldt het volgende. Uit artikel 1 van het EVRM volgt dat een verdragspartij een ieder die ressorteert onder haar rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van het EVRM moet verzekeren. Niet ter discussie staat dat Nederland partij is bij het EVRM, maar Marokko is dat niet. De aanwezigheid van rechtsmacht is een noodzakelijke voorwaarde om aan een verdragspartij een gedraging of nalatigheid als zijnde een verdragsschending te kunnen toerekenen. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat de genoemde rechtsmacht van partijen primair territoriaal van aard is. Dat betekent dat de verantwoordelijkheid van een verdragspartij is beperkt tot personen die zich op het grondgebied van die verdragspartij bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen gedragingen van een verdragspartij die zijn verricht c.q. hun effect hebben buiten haar grondgebied als extraterritoriale uitoefening van rechtsmacht worden aangemerkt. Zo’n uitzonderlijk geval kan zich onder meer voordoen als sprake is van zogenoemde ‘state agent authority and control”, te weten als de Staat (al dan niet door tussenkomst van consulair medewerkers) in een ander land een deel van de publieke taken uitvoert en bevoegdheden van dat land toepast of fysieke macht over een persoon uitoefent. Het aannemen van een dergelijke uitzonderlijke situatie vereist een bijzondere rechtvaardiging. Het verdrag strekt er immers niet toe partijen te verplichten verdragsrechtelijke standaarden aan andere staten, die geen partij zijn bij het verdrag, op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte komt, aldus het EHRM, gewicht toe aan het nuttig effect van uitlevering bij het beëindigen van situaties waarin verdachten van strafbare feiten hun berechting dreigen te ontlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat de uitlevering van een persoon vanaf het grondgebied van een verdragspartij naar een ander land onder omstandigheden schending van artikel 2 of 3 kan opleveren. Deze jurisprudentie ziet echter op een fundamenteel andere situatie, te weten die waarin een persoon zich binnen de rechtsmacht van een verdragspartij bevindt en door de uitlevering buiten die rechtsmacht terecht dreigt te komen. In de onderhavige zaak doet zich juist het spiegelbeeldige geval voor, zodat de in die rechtspraak ontwikkelde waarborgen niet zonder meer kunnen worden ingeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie van het EHRM kan niet worden afgeleid dat een verzoek van een verdragspartij aan een niet-verdragspartij, strekkende tot internationale rechtshulp zoals de uitlevering van een persoon, rechtsmacht van de verzoekende staat vestigt. De door de verdediging aangehaalde zaak Stojkovic dwingt niet tot een andere conclusie, reeds omdat, anders dan in de onderhavige strafzaak, in die zaak zowel de verzoekende (Frankrijk) als de aangezochte staat (België) verdragspartij bij het EVRM was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.2.2 Feitelijke gang van zaken Uit berichtenwisselingen tussen [Jesse R.] enerzijds en [Peter La S.] en [Peter R.] anderzijds blijkt dat [Jesse R.] in het najaar van 2006 wist dat [Peter La S.] op het punt stond hem belastende verklaringen af te leggen. Met de rechtbank constateert het hof dat de getuige F3 heeft gezegd dat [Jesse R.] deze getuige heeft verteld dat hij in Marokko is ondergedoken om strafvervolging in Nederland te ontlopen. Dat zijn verhouding met politie en justitie een rol speelde bij de beslissing om naar Marokko af te reizen blijkt ook uit de verklaring van [Jesse R.] ter terechtzitting van het hof van 18 april 2016. Uit die verklaring volgt ook dat [Jesse R.] zich in Marokko bovendien bezig hield met de handel in verdovende middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 18 januari 2007 is [Jesse R.] internationaal gesignaleerd in de politiesystemen en is zijn aanhouding door de officier van justitie bevolen. Op 12 februari 2007 is [Jesse R.] in Marokko aangehouden en in detentie genomen. Op 14 februari 2007 heeft de officier van justitie de Marokkaanse autoriteiten om de uitlevering van [Jesse R.] verzocht. Uit de stukken blijkt dat [Jesse R.] zich door het aanwenden van rechtsmiddelen heeft verzet tegen zijn uitlevering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklaring van [Jesse R.] volgt dat hij zich tijdens zijn detentie in Marokko in strijd met de interne regels van de gevangenis bediende van telefoons. In het voorjaar van 2007 is [Jesse R.] in de gevangenis in Marokko in een individuele cel geplaatst naar aanleiding van signalen dat hij bezig was binnen de gevangenis een machtsbasis te verwerven, interne en externe contacten had gelegd om een uitbraak/ontsnapping voor te bereiden en door bezoekers werd voorzien van mobiele telefoons. Het dossier bevat in dat verband een reeks processen-verbaal uit 2007 van de Utrechtse en Amsterdamse CIE met de strekking dat door en namens [Jesse R.] ontsnappingsplannen in de steigers werden gezet. Onder meer betreft het een proces-verbaal van 13 september 2007 inhoudende de als betrouwbaar aangemerkte informatie dat de vader van [Jesse R.] koste wat het kost [Jesse R.] vrij wil krijgen, daartoe diverse personen heeft benaderd en grof geweld niet zal schuwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de diverse mutaties van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (de zogenoemde case note reports), maakt het hof op dat door Nederland verstrekte informatie en met Nederland gevoerd overleg in elk geval mede ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van de Marokkaanse gevangenisdirectie om [Jesse R.] in afzondering te plaatsen. Overigens staat niet vast dat uitsluitend door Nederland verstrekte informatie hieraan ten grondslag heeft gelegen. Evenmin staat vast dat de door Nederland verstrekte informatie een doorslaggevende rol heeft gespeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de case note reports blijkt dat [Jesse R.] gedurende de uitleveringsdetentie regelmatig door een consulair medewerker is bezocht, bij welke gelegenheden hij zich een aantal keren (doch niet telkens en zeker niet telkens indringend) heeft beklaagd over het op hem toegepaste detentieregime, de voedselvoorziening en zijn toegang tot rechtskundige bijstand. Het hof constateert dat de consulair medewerker hierop activiteiten heeft ontplooid, door navraag te doen bij de gevangenisdirectie of de klachten van [Jesse R.] op waarheid berustten, door zich bereid te verklaren te bemiddelen bij het bestellen van boodschappen en door etenswaren mee te nemen. Het hof constateert voorts dat de klachten met betrekking tot de voedselvoorziening bij navraag door de gevangenisdirectie overigens zijn weersproken. Het hof constateert ten slotte dat de consulair medewerkers contacten hebben onderhouden met de Marokkaanse en de Nederlandse raadslieden van [Jesse R.] en hebben geadviseerd over de te volgen procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het beroep op het geschonden consultatierecht stelt het hof vast dat [Jesse R.] op 3 augustus 2007 en 30 november 2007 door Nederlandse politiefunctionarissen als verdachte is verhoord. Niet kan worden vastgesteld dat, voorafgaand aan die verhoren, aan hem de gelegenheid tot consultatie van een Nederlandse raadsman is geboden, noch dat hij contact met een Nederlandse raadsman heeft gehad. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit is niet gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een rechtsgang in Marokko is [Jesse R.] op 22 januari 2008 door de Marokkaanse autoriteiten aan Nederland uitgeleverd en is hij op de luchthaven Schiphol door de politie als verdachte aangehouden en overgebracht naar het politiebureau en aldaar ingesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.2.3 Beoordeling door het hof Schending van art. 3 EVRM?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek tot uitlevering komt als zodanig niet in strijd met art. 3 EVRM. Uit het voorgaande blijkt dat [Jesse R.] zich vrijwillig onder de rechtsmacht heeft geplaatst van een vreemde staat die de inachtneming van de in het EVRM voorziene rechten en vrijheden niet garandeert. [Jesse R.] wist dat [Peter La S.] met justitie sprak. Er zijn aanwijzingen dat [Jesse R.] zich naar Marokko heeft begeven in een poging strafvervolging in Nederland te ontlopen, terwijl hij zich aldaar bovendien heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Naar het oordeel van het hof heeft [Jesse R.] daarmee het risico op vrijheidsbeneming in de vorm van een langdurig verblijf in een Marokkaanse penitentiaire inrichting op de koop toe genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank is het hof van oordeel dat art. 3 EVRM de verdragsstaten niet verbiedt de uitlevering te verzoeken van een persoon die zich op het grondgebied en binnen de rechtsmacht bevindt van een staat die geen partij is bij het EVRM en waar de detentieomstandigheden niet noodzakelijkerwijs voldoen aan de eisen die daaraan in Nederland mede op grond van art. 3 EVRM worden gesteld. Een dergelijke uitleg van het verdrag zou, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, immers tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat een persoon zich middels verblijf in een dergelijk land voor onbepaalde tijd van straffeloosheid kan verzekeren. Het hof neemt in aanmerking het belang dat met de uitlevering van [Jesse R.] was gediend, nu [Jesse R.] werd verdacht van een veelheid aan levensdelicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer strekt voorts ten betoge dat de door de Staat gespeelde rol impliceert dat sprake is geweest van extraterritoriale rechtsmacht. Echter ook in zoverre faalt het verweer. Gesteld noch gebleken is dat Nederlandse functionarissen in Marokko fysieke macht of controle over [Jesse R.] hebben uitgeoefend of dat beslissingen aangaande het detentieregiem van [Jesse R.] door Nederlandse functionarissen zijn genomen. Dat [Jesse R.] op basis van een uitleveringsverzoek en mede op grond van door Nederland gevoerd overleg en verstrekte informatie is onderworpen aan een bepaald detentieregime, is voor het aannemen van rechtsmacht ontoereikend. Van feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel, is niet gebleken. Niet valt in te zien waarom Nederland niet gerechtigd zou zijn om in het kader van een lopende uitleveringsprocedure informatie te verstrekken over mogelijk ontsnappingsgevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande bestaat voor een concrete toetsing van de detentieomstandigheden aan de maatstaf van art. 3 EVRM geen grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de stelligheid waarmee de verdediging de Staat heeft beschuldigd van een laakbare, te weten volstrekt passieve opstelling, ziet het hof aanleiding om ten overvloede te overwegen dat die stelling feitelijke grondslag mist. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in feitelijke zin is vastgesteld. Dat leidt tot de conclusie dat de door [Jesse R.] geuite klachten serieus zijn genomen en meermalen tot inspanningen van de zijde van de Staat hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander leidt tot de slotsom dat het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending van art. 6 EVRM?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de door [Jesse R.] in Marokko afgelegde verklaringen niet voor het bewijs bezigen, zodat dit onderdeel van het verweer, voor zover dat strekt tot bewijsuitsluiting dan wel beoogt bij te dragen aan het meeromvattende niet-ontvankelijkheidsverweer, bij gebrek aan belang van de zijde van de verdachte geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5 Eindconclusie In dit hoofdstuk is het ontvankelijkheidsverweer in al zijn onderdelen besproken en beoordeeld. In de gang van zaken rondom de [Willem H.] -weglatingen heeft het hof een onherstelbaar vormverzuim vastgesteld, dat evenwel toereikend is gecompenseerd. Op die grond heeft het hof volstaan met de constatering dat het verzuim is opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door het hof verrichte onderzoek naar aanleiding van al hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, gerubriceerd als bovenvermeld (paragraaf), heeft het hof niet gebracht tot de vaststelling van feiten of omstandigheden, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. Dit betekent dat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hof ook geen aanleiding ziet voor honorering van de subsidiair en meer subsidiair bepleite gevolgen die door de verdediging aan de verweren zijn verbonden. Dit betekent dat, in ieder geval op de gronden die in het kader van deze verweren zijn aangevoerd, geen reden is voor bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [Peter La S.] , [Fred R.] , [getuige 32] en [getuige 1] en evenmin voor vermindering van een op te leggen straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Geheimhoudersgesprekken Ter terechtzitting van 13 januari 2017 is door de verdediging, in mondelinge aanvulling op de schriftelijke pleitaantekeningen, nog een verweer gevoerd dat ziet op in 1994 afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, die door [Jesse R.] met zijn toenmalige raadsman zijn gevoerd. De verdediging heeft ter toelichting op dit verweer verwezen naar hetgeen bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg daaromtrent was aangevoerd. In aanvulling daarop heeft de verdediging gesteld dat dit afluisteren heeft plaatsgevonden in de zaak Cobra en niet, zoals de rechtbank had overwogen, in het onderzoek naar een overval. De verdediging heeft gesteld dat het hier een vormverzuim betreft dat als bouwsteen kan bijdragen aan de eindconclusie dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. Subsidiair zou het als bouwsteen moeten bijdragen aan de conclusie dat strafvermindering op zijn plaats is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer. Voor zover er al sprake zou zijn van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zaak Cobra, geldt dat er voor een sanctie daarop in de onderhavige zaak geen aanleiding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat uit hetgeen door de advocaat-generaal bij repliek (p.38-40) uiteen is gezet, blijkt dat er telefoongesprekken tussen [Jesse R.] en zijn toenmalige raadsman zijn afgeluisterd. Dit is gebeurd toen hij zich in voorlopige hechtenis bevond voor een overval die [Jesse R.] in 1993 met Stevens had gepleegd. Eveneens blijkt dat de betreffende tapjournaals afkomstig zijn uit het toenmalige (1994) onderzoek Cobra.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie luidt dat sprake is van een vormverzuim, nu kennelijk de betreffende tapverbalen, in strijd met de destijds geldende regelgeving, niet onmiddellijk waren vernietigd. Vastgesteld kan verder worden dat de toenmalige raadsman zich in 1995 tegenover de rechter-commissaris heeft beklaagd dat die gesprekken waren afgeluisterd en dat de opnames en verslagen ervan vervolgens niet waren vernietigd. De advocaat-generaal heeft medegedeeld dat bij een ‘geheimhoudersactie’ in 2009, waarbij het gehele Passagedossier (en ook de dossiers betreffende de ‘oude’ onderzoeken Tanta, Opa en Cobra) is gecontroleerd op de aanwezigheid van geheimhoudersgesprekken, de betreffende gesprekken niet zijn aangetroffen. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat, naar aanleiding van de klacht van de toenmalige raadsman de opnames van die gesprekken alsnog zijn vernietigd, zulks voordat het onderzoek Cobra in 2007 werd heropend. In zoverre is het verzuim hersteld. Nu die vernietiging echter niet onmiddellijk is geweest, maar pas na verloop van tijd is geweest, bestaat echter in beginsel het risico dat in de tussenliggende periode, in strijd met de bedoeling van het voorschrift, de inhoud van de gesprekken in het onderzoek is gebruikt. Dit laatste is weliswaar door de verdediging gesuggereerd, maar niet onderbouwd. Het is ook niet aannemelijk geworden dat dit geval zich heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zodat het verweer op die grond wordt verworpen. Bovendien is dit naar zijn aard herstelbare verzuim daadwerkelijk hersteld. Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover het verzuim wel als onherstelbaar en niet hersteld zou moeten worden aangemerkt, niet gebleken is welk nadeel de verdachte daarvan in de onderhavige zaak zou hebben ondervonden, zodat voor toepassing van sancties als door de verdediging primair en subsidiair bepleit geen aanleiding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Korte samenvatting Hoofdstuk 2</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het hof heeft het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen. Dit verweer is gegrond op een aantal pijlers. De belangrijkste pijlers zijn de volgende.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De vraag of na een eis tot levenslang tegen [Fred R.] in eerste aanleg later in hoger beroep met hem een kroongetuige-afspraak kan worden gemaakt wordt in beginsel door de officier van justitie beantwoord. Want de vraag naar het inbrengen van verklaringen van een kroongetuige in een strafzaak is het resultaat van afweging van strategie en tactiek in de opsporing en de vervolging. De rechter heeft daarin in beginsel geen rol.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Er is geen (wettelijke) verplichting voor de officier van justitie om de met kroongetuigen over hun bescherming gemaakte afspraken aan de rechter-commissaris ter toetsing voor te leggen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Op grond van wat in de loop van het proces wél over de bescherming bekend zou zijn geworden kan niet worden geoordeeld dat daarin sterke aanwijzingen zijn gelegen dat de bescherming van de kroongetuigen bovenmatig is en als financiële en dus verboden beloningen moeten worden aangemerkt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De beslissingen van de officier van justitie om [Peter La S.] niet ook voor een aantal andere zaken strafrechtelijk te vervolgen kunnen de toets doorstaan, en zijn om verschillende redenen niet aan te merken als verkapte en daarom verboden toezeggingen en beloningen. Hetzelfde geldt voor de beslissing om niet over te gaan tot ontneming van de door [Peter La S.] ontvangen beloning voor zijn aandeel in de moord op Houtman;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De basisstrafeis tegen [Peter La S.] van 16 jaren is in het licht van het in zijn zaak te hanteren maximum voor de tijdelijk op te leggen gevangenisstraf (20 jaren) niet onbegrijpelijk en is niet aan te merken als een verkapte beloning;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het bewilligen in de [Willem H.] -weglatingen levert een vormverzuim op. Dit verzuim is ten dele hersteld en overigens heeft wat het onherstelbare deel betreft door gehouden onderzoek voldoende compensatie plaatsgevonden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdediging heeft als standpunt naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie in het streven het bewijs rond te krijgen uit de bocht is gevlogen. Waar het Openbaar Ministerie steeds magistratelijk dient te opereren heeft het dat nagelaten. Het hof acht deze opvatting ongegrond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In artikel 3 EVRM is geen grond gelegen voor toetsing door het hof van de detentieomstandigheden van [Jesse R.] in Marokko, na zijn aanhouding in 2007. Overigens mist het namens [Jesse R.] aan de Nederlandse Staat gemaakte verwijt van laakbaar, want volstrekt passief blijven feitelijke grondslag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De regels die gelden voor vernietiging van geheimhoudersgesprekken, gevoerd in 1994, zijn niet op de juiste wijze nageleefd. Die gesprekken zijn vernietigd, zij het laat. Van misbruik van mogelijk door kennisneming van de inhoud van die gesprekken verkregen informatie is niet gebleken.</div>\n<p class=\"lf-p\">3Het bewijs 3.1 Algemeen: verkenning van het bewijs in de zaak Passage Het hof heeft in het voorgaande de bezwaren onderzocht die door de verdediging zijn ingebracht tegen de wijze waarop door het Openbaar Ministerie vorm en inhoud is gegeven aan met (kroon)getuigen gesloten overeenkomsten, en de mate van de daarbij door het Openbaar Ministerie betrachte magistratelijkheid. De vorenweergegeven eindconclusie leidt het hof tot een nadere verkenning van het voorhanden bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Liquidatieproces Passage gaat het om het onderzoek naar zeven moorden en de berechting van (thans) tien verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer van dit zeer omvangrijke dossier slechts oppervlakkig wordt kennisgenomen springt – naast de ernst van de beschuldigingen – onmiddellijk de proceshouding van de verdachten in het oog. De onderlinge verschillen zijn niet groot. Met uitzondering van de twee verdachten die ook kroongetuigen zijn geworden, wijzen de andere acht verdachten met meer of minder woorden elke beschuldiging van betrokkenheid bij de aan ieder van hen ten laste gelegde moorden (inclusief pogingen en voorbereidingen daartoe) met klem van de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat standpunt impliceert, dat het niet anders kan zijn dan dat de kroongetuigen niet naar waarheid hebben verklaard althans dat hun bronnen hen onjuist hebben geïnformeerd. Kortom, het is voor ieder van hen in feite zwart of wit, van grijstinten lijkt geen sprake te zijn. De verklaringen van verdachten en kroongetuigen sluiten elkaar over en weer uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het voor het hof bij het nemen van bewijsbeslissingen werkelijk aankomt op het doorhakken van knopen. De opdracht aan het hof is om te onderzoeken of het op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen – waaronder de verklaringen van die kroongetuigen – de overtuiging bekomt dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre bestaat er geen verschil met andere strafzaken, waarin tegenover de meer of minder gemotiveerde ontkenning van de verdachte de belastende verklaringen van getuigen staan. Echter, gelet op de ernst van de tenlastegelegde feiten en de duur van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraffen, zijn de belangen in dit proces wel bijzonder groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kennelijke context waarin de tenlastegelegde misdrijven zijn begaan compliceert de beantwoording van de voor het hof voorliggende bewijsvragen. Immers, veel wijst erop dat het hier gaat om moorden, op bestelling gepleegd en die zijn gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Toegespitst op het bewijs betekent dit doorgaans voor het Openbaar Ministerie dat veel, zo niet alles, uit de strafvorderlijke en tactische kasten moet worden gehaald om een dossier te kunnen vormen waarvan de inhoud toereikend is voor het rekwireren tot bewezenverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, in het bijzonder waar het gaat om de verdenking van het opdrachtgeven ontbreekt het in de regel aan direct bewijs. Opdrachten worden niet schriftelijk verstrekt en biologische sporen die leiden naar die opdrachtgevers of hun tussenpersonen zijn meestal niet voorhanden. En in de regel ontbreekt het in het dossier aan verslagen van afgeluisterde en opgenomen (telefoon)gesprekken waarin met opdrachtgevers wordt gesproken of waarin die opdrachtgevers met naam en toenaam ondubbelzinnig worden genoemd. En dat het afleggen van verklaringen met ernstige risico’s is omgeven blijkt uit het aantal getuigen ten aanzien van wie de noodzaak tot het treffen van beschermingsmaatregelen is aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het bewijs vooral zal moeten worden ontleend – behoudens toevalstreffers – aan verklaringen van personen die om hun moverende redenen ervoor kiezen om te verklaren, over hun eigen gedragingen en die van (mede)verdachten. Maar ook dan is de bewijslevering niet zonder complicaties. In het algemeen is de veronderstelling niet gewaagd dat de verklaring (zowel het afleggen als de inhoud daarvan) kan zijn ingegeven door andere krachten en drijfveren dan alleen het verlangen om zonder aanzien des persoons frank en vrij te openbaren wat is gezien, gehoord en ondervonden. Daarbij komt, dat misdrijven van dit kaliber gepaard gaan met speculaties in het criminele milieu over de daders en hun achtermannen, met het gevolg dat die speculaties een eigen leven gaan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het bewijs van daderschap van personen die belang hebben bij het op bestelling vermoorden van personen is voor het Openbaar Ministerie bepaald geen gemakkelijke opgave, ook niet nadat het kroongetuigen in stelling heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het licht dat door de verklaringen van die kroongetuigen op de zaken wordt geworpen heeft niet tot gevolg dat daarmee alle vragen die zich opdringen afdoende kunnen worden beantwoord. Uit het navolgende zal blijken dat de interactie in de lijn van opdrachtgevers, tussenpersonen en de feitelijke plegers van die moorden allerminst de vorm aanneemt van een gestructureerde, gedetailleerde en uitputtende uitwisseling van samenhangende informatie over de motieven, achtergronden en instructies. Dat laat zich goed verklaren door een ver doorgevoerd onderscheid tussen need to know en nice to know. Daarmee wordt onmiskenbaar ook en vooral het door opdrachtgevers nagestreefde belang om ongrijpbaar te blijven voor politie en justitie gediend. Zo bezien is het even voorstelbaar als voorspelbaar dat de inhoud van de verklaringen van de naar justitie overgelopen tussenpersoon in de hiervoor bedoelde zin gemankeerd zal zijn. Deze vaststelling strekt er niet toe dat het hof in de onderhavige zaak de bewijsdrempel verlaagt. Wel markeert het hof hiermee dat met betrekking tot de gepleegde moorden niet alle vragen naar context, achtergrond en motieven steeds voor bevredigende en ondubbelzinnige beantwoording gereed zullen liggen. En als die antwoorden uitblijven is daarmee de (intrinsieke) onbetrouwbaarheid van hetgeen is verklaard nog niet gegeven. Wel kan in die omstandigheid een relevante bevestiging worden gevonden van de juistheid van het hiervoor geschetste beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn kroongetuigen bijzondere getuigen, vooral het gegeven dat zij in de kern ook normale getuigen zijn mag niet uit het oog worden verloren: personen die mededeling doen over feiten en omstandigheden, die zij volgens hun verklaring hebben waargenomen of ondervonden (art. 342 Sv). Niet meer, maar ook niet minder. Met het door de verdediging van de medeverdachte [Dino S.] verwoorde uitgangspunt dat een “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” wordt een maatstaf geformuleerd die de wet niet kent. Voor zover de verdediging met die stelling de rechter attendeert op de door hem te betrachten behoedzaamheid bij bewijsgebruik heeft de verdediging wél een punt. De opdracht van de wetgever aan de rechter om bij bewijsgebruik van de verklaring van de kroongetuige daarvoor “de bijzondere reden” te geven is ingegeven door het aan de figuur van kroongetuigen verbonden risico. Immers, de voordelen die hen uit hoofde van de met hen gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuigen in meer of mindere mate een loopje nemen met hun verplichting om naar waarheid mededeling te doen van die even bedoelde feiten en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat is ook het volgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voorgaande is toegelicht dat en waarom kroongetuigen zowel bijzondere als gewone getuigen zijn. Zij zijn hoe dan ook en vooral criminele getuigen: getuigen die ook zelf verdachte zijn en die, door hun verklaren, bijdragen aan het (opsporings)onderzoek naar zeer ernstige misdrijven. De wetgever staat het bewijsgebruik van verklaringen van kroongetuigen slechts toe bij misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die in georganiseerd verband zijn gepleegd en die bovendien gezien hun aard, of samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De andere categorie van misdrijven waarbij de wetgever de inzet van kroongetuigen toestaat wordt gevormd door misdrijven, waarop ten minste acht jaren gevangenisstraf is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wettelijke begrenzing werpt ook een andere schaduw vooruit van wat de feitenrechter te wachten staat. Aangenomen mag worden dat de “verdachte getuige” die kan verklaren over die zeer ernstige misdrijven zich heeft opgehouden in een onderwereld, waar bepaald andere codes en gedragsregels gelden dan in de bovenwereld. Praten met politie en justitie is doorgaans om meer redenen een doodzonde. En als er wél een verklaring wordt afgelegd ligt het risico op de loer dat de getuige daarbij ook wordt gedreven door tot (drie)dubbele criminele agenda’s te herleiden belangen en motieven. En daarmee is er naast het risico van beloning voor de waarheidsvinding nog een ander risico verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders gezegd: deze getuigen zijn allesbehalve koorknapen en de rechter zal daarom extra alert dienen te zijn op het risico dat onware verklaringen worden afgelegd. Zo ligt het voor de hand dat verklaren over de criminele kompaan ook betekent dat over het eigen criminele gedrag moet worden verklaard. En het ligt evenzeer voor de hand dat de criminele getuige (mede) wordt gedreven door tot onderlinge criminele verhoudingen te herleiden motieven, die voor de rechter niet-kenbaar zijn. En als dat verklaren aanwijzingen oplevert dat door de criminele getuige de waarheid geweld wordt of is aangedaan, zal de rechter hebben na te gaan of reeds daarom alle door die criminele getuige afgelegde verklaringen terzijde dienen te worden geschoven, of dat er niettemin reden is om de betekenis van (de aanwijzing voor) die verklaarde onwaarheid voor de in de strafzaak te beantwoorden bewijsvragen te relativeren. In dat laatstbedoelde geval kan de uitkomst zijn dat een aanwijzing voor onwaarheid spreken toch geen betekenis heeft voor de in de voorliggende strafzaak te nemen bewijsbeslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit dit perspectief bezien lijkt de door de verdediging van [Dino S.] verwoorde maatstaf dat de “kroongetuige van een onbesproken en onberispelijk verklaringsgedrag dient te zijn” in zoverre van realiteitszin gespeend te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke definitie van de getuigenverklaring in artikel 342 Sv blinkt uit door haar eenvoud. De praktijk wijst in het algemeen uit dat aan de rechterlijke waardering van getuigenverklaringen al naar gelang de houding van procespartijen en de daarmee nagestreefde belangen – de strafrechter bewegen tot vrijspraak of tot bewezenverklaring – een enigszins voorspelbare gang van zaken voorafgaat. De onderhavige zaak vormt op die ervaringsregel bepaald geen uitzondering. Integendeel, gelet op het gewicht van de op het spel staande belangen heeft het patroon dat voor de strafrechter doorgaans herkenbaar is in het Passageproces soms karikaturale trekken gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is ten overstaan van het hof door de ene getuige in antwoord op vragen in ernst verklaard dat hij zich zelfs niet kan herinneren wat hij de voorgaande avond heeft gegeten. De andere getuige daarentegen heeft het haast bovenmenselijke vermogen getoond om een mededeling die de kroongetuige hem vele jaren tevoren heeft gedaan met indrukwekkende precisie stellig, samenhangend en in detail te reproduceren. Het hof is voorts geconfronteerd met een breed scala aan (medische) redenen om opmerkelijk geheugenverlies van getuigen te verklaren. Daarbij heeft het hof ook een aantal malen ondervonden dat het geheugen van de getuige weer snel kon terugkeren na één of meer onderbrekingen van het verhoor (al dan niet na confrontatie van de getuige met mogelijke of zich realiserende strafvorderlijke consequenties). Meer dan eens hebben getuigen de vrijheid genomen om ongevraagd, onverholen en ongeremd hun ongepolijste, en zelden relevante, mening met het hof te delen over de figuur van de kroongetuige in het algemeen, en over de personen van de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] in het bijzonder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel getuigen zijn door het hof gehoord in de sleutel van het verifiëren en falsifiëren van de pas tijdens het geding in hoger beroep ingebrachte verklaringen van de kroongetuige (en terecht staande verdachte) [Fred R.] . Het zijn vooral getuigen van de laatstbedoelde categorie geweest die</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>hoewel daartoe door het hof bepaald niet uitgenodigd – hun min of meer principieel getoonzette weerzin tegen de persoon van de “koopgetuige” [Fred R.] niet onder stoelen of banken hebben gestoken. Naast hetgeen door die groep van getuigen min of meer inhoudelijk is verklaard, kleeft ook dat aspect aan de indruk die het hof van hun verklaringen heeft bekomen. Het hof releveert dit een en ander op deze plaats, omdat de getuigen bij hun verhoren, door de inhoud van hun verklaringen en/of door de wijze waarop zij verklaarden, motieven hebben laten doorschemeren die aanzienlijk dominanter aanwezig leken dan hun drijfveer om op aan hen als getuigen gestelde vragen gortdroog antwoord te geven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Anders gezegd: het heeft soms erop geleken dat ten overstaan van het hof getuigen in stelling zijn gebracht althans dat door de getuigen stelling is genomen, letterlijk en figuurlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuigen zijn soms ook indringend verhoord. In dat verband is het verhoor van een getuige wel gekwalificeerd als grillen. Op deze plaats roept het hof de door een van de figurerende raadslieden ter terechtzitting gebezigde typering van “het uit de rails trekken” van een getuige in herinnering. Deze, kennelijk bij sommige verhoren nagestreefde, dynamiek hing onmiskenbaar ook samen met de op het spel staande partijbelangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de twee kroongetuigen is in het bijzonder [Peter La S.] door de jaren heen vele tientallen malen uitgebreid gehoord. Wanneer het potentiële soortelijk gewicht van zijn verklaringen in de context van de onderhavige strafzaken wordt bezien roept dat gegeven op zichzelf geen verbazing op. Echter, het gegeven dat ook deze getuige na verloop van jaren een minder scherp reproduceerbaar zicht heeft gekregen op zijn redenen van wetenschap of dat hij op inconsistenties kon worden betrapt hoeft op zichzelf genomen in redelijkheid evenmin verbazing te wekken, niet bij de vriend noch bij de vijand. De daarop gegronde diskwalificatie van deze getuige als een volstrekt onbetrouwbaar persoon althans als iemand die diep onbetrouwbaar verklaart lijkt dan een gevolgtrekking die – voorzichtig gezegd – daaruit niet dwingend volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In vergelijking met [Peter La S.] is de kroongetuige [Fred R.] tot dusver aanzienlijk minder vaak gehoord, reeds omdat de processen-verbaal waarin zijn (kluis)verklaringen zijn gerelateerd pas in de fase van het hoger beroep door de advocaat-generaal zijn overgelegd. Dit verschil in aantallen van verhoren heeft voor een aantal verdachten niet in de weg hoeven staan aan het op grond daarvan krachtig diskwalificeren van ook zijn persoon en zijn verklaringen. In een enkel geval heeft zelfs de rechtsgeleerde verdediging ervoor gekozen het onderscheid tussen scherp diskwalificeren van de persoon van de getuige en de door hem afgelegde verklaringen geheel uit het oog te verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">En dan is er nog het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustreert volgens de ene procesdeelnemer een gedetailleerde verklaring over een in een ver verleden gedane waarneming onmiskenbaar het vermogen tot oplichting door de getuige, de andere procesdeelnemer werpt de getuige die tot het aanbrengen van detaillering niet of minder in staat blijkt tegen dat hij slechts onware, ingestudeerde oneliners ten beste geeft. Wordt door de een de getuige om zijn geloofwaardigheid geprezen omdat hij ook na herhaald verhoren en verklaren door de jaren heen op het niveau van de inhoud van zijn verklaringen consistent blijft, de ander diskwalificeert diezelfde getuige omdat in die consistentie een belangrijke aanwijzing zou zijn gelegen voor een ingestudeerde inhoud en daarmee voor zijn leugenachtigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar verschillende getuigen over één en dezelfde gebeurtenis eensluidend verklaren, is dat voor dezelfde procesdeelnemer de ene keer een aanwijzing dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, terwijl de andere keer juist verschillen tussen de verklaringen leiden tot het standpunt dat die verklaringen onbruikbaar zijn. En als de feiten of omstandigheden waarover de getuige verklaart al eerder voor het publiek kenbaar waren door kennisneming van de inhoud van een ander strafdossier of van pennenvruchten van misdaadjournalisten, dan kan het daarom niet anders zijn dan dat de getuige zijn kennis niet aan eigen waarneming of ervaring ontleent, maar dat door hem slechts is nagepraat wat hij eerder moet hebben gelezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt de inhoud van de verklaringen van een getuige verankering in het dossier, dan is dit vervolgens een aanwijzing dat hij zijn verklaringen daarop heeft afgestemd; tegelijkertijd leidt het ontbreken van een dergelijke verankering tot de conclusie dat de getuige maar wat verzint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze thematiek bij de waardering van getuigenverklaringen in strafzaken is niet nieuw maar het heeft in het Passageproces grote proporties gekregen. Bovendien heeft het geleid tot sterk gepolariseerde standpunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande illustreert ook de lastige taak waarvoor het hof zich na de vele terechtzittingen gesteld ziet. Tegelijkertijd dient niet uit het oog te worden verloren dat, anders dan voor de procespartijen, er vanzelfsprekend voor het hof geen belang op het spel staat. Het hof zal zoals in elke strafzaak het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijs op zijn bruikbaarheid hebben te beoordelen, niet meer en ook niet minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is het bij uitstek aan het hof als feitenrechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat het uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze formule sluit in dat aan het hof op het terrein van bewijsbeslissingen een grote vrijheid toekomt, waarbij de verantwoording die ter zake door het hof wordt afgelegd door de Hoge Raad als cassatierechter doorgaans slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar in de wet noch in de rechtspraak van de Hoge Raad expliciete maatstaven zijn geformuleerd die in het algemeen voor het hof bij de beoordeling van potentiële bewijsmiddelen op hun bruikbaarheid leidend zijn, dringt zich in de onderhavige zaak aan het hof de vraag op naar de opportuniteit van het formuleren van ijkpunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, in iedere strafzaak waar de beantwoording van bewijsvragen voorligt zal de feitenrechter zijn bewijsoordeel dienen te motiveren, waarmee – het zij herhaald – in zoverre de onderhavige zaak zich niet van andere strafzaken onderscheidt. In het algemeen geldt, dat waar de bruikbaarheid van gepresenteerd bewijs min of meer indringend voorwerp van debat is geweest de rechterlijke verantwoording van het bewijsgebruik met een zekere diepgang zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak is de waardering van de betrouwbaarheid van de door de kroongetuigen afgelegde verklaringen een kernpunt. De pijlen van de verdediging zijn stelselmatig en bij voortduring gericht geweest op die betrouwbaarheid. In dat verband zijn soms ook grote woorden gebruikt. Maar het is niet louter om die reden dat de betrouwbaarheid en daarmee de bruikbaarheid voor het bewijs van die verklaringen centraal staat. Kroongetuigen zijn ook bijzondere getuigen, in zoverre dat op grond van de inhoud van de met ieder van hen gemaakte afspraken aan hen voordelen toevallen. Daarom heeft het hof ook ambtshalve de plicht zich ervan te vergewissen of hun verklaringen voor bewijsgebruik in aanmerking komen en is het in het voorkomende geval op grond van de wet (artikel 360, lid 2, Sv) gehouden in het bijzonder te verantwoorden op welke gronden het tot bewijsgebruik van door hen afgelegde verklaringen is overgegaan. Het hof heeft dit al eerder uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de door [Fred R.] als kroongetuige afgelegde verklaringen heeft nog in het bijzonder te gelden dat het hof als eerste en tevens laatste feitelijke instantie over de bruikbaarheid van zijn verklaren zal hebben te oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal onderzoeken of de voor het bewijs relevante (onderdelen van) verklaringen van de kroongetuigen de door het hof te verrichten betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Dit geschiedt primair ambtshalve als ook naar aanleiding van de gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Opmerking verdient, dat de feitelijke breedte en detaillering waarvan de verdediging de onderbouwing van haar standpunten in het voorkomende geval heeft voorzien in het geval van niet-aanvaarding van dat standpunt niet meebrengt dat het hof zijn motivering op ieder onderdeel van die onderbouwing zal hebben toe te spitsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer in het bijzonder: de moorden op Houtman en Van der Bijl De ervaring leert in het algemeen dat het nemen van afstand het oog voor detail doet verminderen, het krijgen van samenhangend zicht op het geheel wordt daarentegen gemakkelijker. Wanneer van de inhoud van het omvangrijke dossier in enige mate afstand wordt genomen kan het volgende worden waargenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slachtoffers Houtman en Van der Bijl hebben bij leven min of meer deel uitgemaakt van het Amsterdamse criminele milieu. In dat milieu hebben ook [Willem H.] , [Dino S.] , [Ali A.] , [Jesse R.] , [Peter La S.] , [Fred R.] en [Sjaak B.] zich bewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel Houtman als Van der Bijl zijn in een tijdsbestek van ongeveer zes maanden vermoord op een wijze die het predicaat liquidatie rechtvaardigt. Ten aanzien van beide slachtoffers kan worden aangenomen dat zij in een, minst genomen, problematische verhouding stonden tot de eerder in dit arrest genoemde [Willem H.] ; vanuit de onderscheiden kringen van familie en bekenden van deze twee slachtoffers is direct met de beschuldigende vinger gewezen naar [Willem H.] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Door degenen van wie kan worden aangenomen dat zij in feitelijke zin bij deze twee moorden betrokken zijn geweest zijn verklaringen afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de kroongetuige [Peter La S.] is verklaard over degenen die hij als opdrachtgevers aanmerkt: [Willem H.] , [Dino S.] en [Ali A.] . Hij wijst [Jesse R.] aan als zijn mededader bij de moord op Houtman en als betrokkene bij de aan de moord op Van der Bijl voorafgegane poging en voorbereiding. Hij wijst [Fred R.] aan als degene die bij de moord op Van der Bijl heeft gefungeerd als schakel tussen de twee feitelijke uitvoerders en de opdrachtgevers, onder wie [Dino S.] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De twee feitelijke uitvoerders van de moord op Van der Bijl hebben verklaard dat [Fred R.] het is geweest die hen heeft benaderd en geïnstrueerd om die moord te begaan. Zij verklaren bovendien over [Jesse R.] als iemand die naast [Fred R.] daarbij betrokken is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is er verklaard door [betrokkene 1] , een man die enige tijd in de directe omgeving van [Fred R.] heeft geleefd. Volgens [betrokkene 1] heeft [Fred R.] hem benaderd om de moord op Van der Bijl te begaan, wat [betrokkene 1] volgens zijn verklaring ertoe heeft gebracht om in dat kader activiteiten te ondernemen. Naast [Fred R.] wijst deze [betrokkene 1] ook nog [Jesse R.] aan als iemand die bij de moord op Van der Bijl is betrokken. Voorts stelt [betrokkene 1] in de betreffende periode uit de mond van [Fred R.] te hebben gehoord dat een ander, bijgenaamd “de Commissaris” de grote man op de achtergrond is. Het hof volstaat op deze plaats met de vaststelling dat het de verdachte [Dino S.] is die achter deze bijnaam schuilgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de kroongetuige [Fred R.] is verklaard dat hij met [Jesse R.] en [Peter La S.] betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) moord op Van der Bijl. [Fred R.] heeft uiteengezet dat hij [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de voorbereiding en uitvoering van de moord op Van der Bijl heeft ingeschakeld. Door [Fred R.] is voorts verklaard dat hij op zijn beurt is ingeschakeld door [Dino S.] , dat ook [Ali A.] daarin zijdelings een rol heeft gespeeld en dat naast [Dino S.] ook [Willem H.] als opdrachtgever van deze moord moet worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan is er de anonieme bedreigde getuige Q5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze persoon heeft als getuige verklaard zelf uit de mond van een persoon uit de directe omgeving van [Dino S.] te hebben gehoord dat hij, [Dino S.] , in verband met problemen met zowel Houtman als Van der Bijl, wilde dat zij zouden worden vermoord. Deze Q5 heeft op een ander moment [Dino S.] , [Willem H.] en [Ali A.] in elkaars gezelschap in een club in het Rotterdamse nachtleven horen roepen dat zij personen gingen vermoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier bevat voorts verklaringen van getuigen die melding maken van door [Willem H.] en [Dino S.] onderhouden contacten, terwijl het dossier ook overigens daarvoor aanknopingspunten bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot kan op grond van de inhoud van het dossier worden vastgesteld dat er onderlinge contacten hebben bestaan tussen [Fred R.] , [Jesse R.] en [Peter La S.] , tussen [Fred R.] en [Dino S.] , tussen [Jesse R.] en [Ali A.] , tussen [Dino S.] en [Ali A.] en tussen [Willem H.] en [Dino S.] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [Jesse R.] valt in het bijzonder nog het volgende op. Waar op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat [Jesse R.] met tal van in het dossier figurerende personen contacten heeft onderhouden – onder wie [Peter La S.] , [Fred R.] , [Ali A.] , [Willem H.] , [betrokkene 6] , [getuige 7] , [getuige 9] – valt de uitdrukkelijke ontkenning van zijn met [Dino S.] onderhouden contacten onmiddellijk op. Dat die ontkenning op gespannen voet staat met de inhoud van dat dossier zal hierna nog blijken. Op deze plaats wijst het hof erop dat niet alleen door de kroongetuigen [Peter La S.] en [Fred R.] gewag wordt gemaakt van contact van [Jesse R.] met [Dino S.] , maar dat daarvoor ook uit andere hoek bevestiging kan worden gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het op hoofdlijnen van de inhoud van het dossier verkregen beeld van het gepresenteerde bewijs tegen opdrachtgevers en tussenpersonen op het eerste gezicht meer belastende onderdelen bevat dan op grond van het eerder inleidend als algemene verwachting omschreven beeld werd aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Algemeen: betrouwbaarheid Q5 3.2.1 Inleidend Aan de getuige Q5 is op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris de status verleend van bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv. De getuige heeft een verklaring afgelegd bij enkele opsporingsambtenaren. De samengevatte zakelijke inhoud daarvan, ook wel aangeduid als de rompverklaring, is vastgelegd in een proces-verbaal van de officier van justitie. Na de statusverlening door de rechter-commissaris is de getuige in twee rondes gehoord door de rechter-commissaris aan de hand van schriftelijke vragen van de officier van justitie en van de verdediging. Bij deze verhoren zijn in de loop der tijd twee rechters-commissarissen betrokken geweest. Zij hebben ieder voor zich geoordeeld dat de getuige betrouwbaar is. Wat betreft de zaak van de verdachte [Dino S.] is een afzonderlijke beslissing tot statusverlening genomen door de rechter-commissaris, enkele maanden nadat de verdachte was gedagvaard in de zaak-Passage. In een aanvullend verhoor in die zaak heeft de getuige geantwoord te blijven bij de eerder afgelegde verklaringen. In de periode 1 januari tot en met 17 maart 2016 is de getuige nogmaals gehoord door de rechter-commissaris in het kader van de strafzaak tegen [Willem H.] . Het proces-verbaal van het verhoor, gedateerd 17 maart 2016, is toegevoegd aan het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige Q5 heeft verklaard dat hij in een uitgaansgelegenheid in Rotterdam, de Baja Beach Club (de BBC), meermalen heeft gezien dat daar [Dino S.] , [Willem H.] en [Ali A.] aanwezig waren in gezelschap van anderen. Hij heeft in de periode van midden 2005 tot en met oktober 2005 enkele malen door hen gemaakte opmerkingen opgevangen waarvan het volgens hem duidelijk was dat het ging om aanstaande liquidaties. Daarvan heeft de getuige van een persoon die in rechtstreeks contact stond met [Dino S.] bevestiging gekregen. Deze persoon heeft hem verteld dat [Dino S.] en [Willem H.] problemen hadden met Houtman, Van der Bijl, Hingst en Mieremet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.2 Gevoerde verweren Namens de verdachte is betoogd dat de verklaringen van Q5 onbetrouwbaar, onvoldoende toetsbaar en daarom niet bruikbaar voor het bewijs zijn. Daartoe is het volgende aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Q5 is een anonieme bedreigde getuige. De verdediging heeft deze getuige niet rechtstreeks kunnen ondervragen. Dat dient te leiden tot behoedzaamheid bij de beoordeling van de verklaringen van de getuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weliswaar zijn drie rechters-commissarissen tot de slotsom gekomen dat de getuige betrouwbaar is maar aan dat oordeel komt geen bijzonder gewicht toe. Het is niet transparant, niet objectief en het ziet bovendien slechts op het optreden van de getuige bij diens verhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor enkele inhoudelijke punten heeft de verdediging in het bijzonder de aandacht gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn tegenstrijdigheden tussen de rompverklaring en de RC-verklaringen ten aanzien van hetgeen Q5 heeft horen roepen. In de rompverklaring zegt Q5 dat hij zich “precieze bewoordingen” niet kan herinneren maar in latere verklaringen weet hij wel uitspraken weer te geven in diverse varianten. Springend punt in dat verband is dat Q5 in de rompverklaring zegt dat hij zich één keer concreet kan herinneren dat [Willem H.] , [Dino S.] en [Ali A.] er alle drie tegelijk waren. Zijn latere verklaringen houden in dat hij dat veel vaker heeft waargenomen. Q5 noemt voorts in de rompverklaring vier namen (van der Bijl, Houtman, Mieremet en Hingst) en bij de rechter-commissaris nog maar twee (Mieremet en Hingst). Over zijn bronnen van wetenschap is Q5 in de loop der tijd uiteenlopend gaan verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast ontbreekt het aan precisie in de verklaringen van Q5. Over de uitlatingen die hij zegt zelf te hebben opgevangen, verklaart hij weinig nauwkeurig, zowel in de rompverklaring als in latere verklaringen. Q5 heeft voor een deel slechts gesproken over indrukken die hij heeft opgedaan m.b.t. de onderlinge rolverdeling tussen [Dino S.] , [Willem H.] en [Ali A.] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op onderdelen ontbreekt het aan geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Zo is hetgeen Q5 zegt te hebben opgevangen, intrinsiek ongeloofwaardig. Er zou geschreeuwd zijn, er zouden namen zijn genoemd, Q5 heeft uitlatingen gehoord ondanks de harde muziek. Verder heeft Q5 mogelijk de media nagepraat. Hij is pas gaan verklaren eind 2009, nadat verklaringen van [Peter La S.] , [getuige 17] en Teeven over de Baja Beach Club als ontmoetingsplaats al naar buiten waren gekomen. Hij heeft bovendien de inhoud van zijn verklaringen afgestemd op gerealiseerde liquidaties: op basis hiervan heeft hij een invulling gegeven aan hetgeen hij eerder van [Dino S.] en anderen had gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is door de verdediging gewezen op een gebrek aan bevestiging voor de verklaringen van Q5. Deze worden zelfs tegengesproken door diverse andere getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo hebben [Dino S.] en [Ali A.] elkaar pas in zomer 2004 leren kennen, wat is bevestigd door [Ali A.] en Vrij. Q5 plaatst in strijd daarmee de eerste momenten van samenzijn van [Dino S.] en [Ali A.] veel eerder in de tijd. Daarnaast is er een groot aantal getuigen (bijna allen werkzaam in de Baja Beach Club (hierna: BBC) en Bar Eten en Drinken (hierna: BED), gedurende de relevante periode) die geen van allen de verklaring van Q5 ondersteunen dat [Dino S.] en [Ali A.] elkaar veelvuldig in Rotterdamse horecagelegenheden ontmoetten. Ook de door Q5 genoemde aanwezigheid van [Willem H.] daarbij wordt door geen van hen bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afzonderlijk punt van aandacht is dat Q5 niet expliciet heeft verklaard dat zijn bron, de persoon uit de omgeving van [Dino S.] , de door hem gegeven informatie van [Dino S.] zelf heeft gekregen. Er heeft misschien zelfs nog een schakel gezeten tussen deze bron en [Dino S.] . Voorts valt niet te beoordelen wat de belangen en positie van deze bron zijn geweest en of deze persoon mogelijk dezelfde bron als die van andere getuigen is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat Q5 heeft verklaard over de BBC en [Peter La S.] over de BED. Reeds hierom kunnen de verklaringen van Q5 niet als bevestiging van de verklaringen van [Peter La S.] dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot zover de raadsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar het wettelijke stelsel gesteld dat het betrouwbaarheidsoordeel van de rechter-commissaris een toereikende basis biedt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, de verklaringen voor het bewijs te bezigen. Er bestaan volgens de advocaat-generaal ook geen inhoudelijke redenen om de verklaringen van de getuige Q5 onbetrouwbaar te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.3 De totstandkoming van de statusverlening en van het oordeel van de rechters-commissarissen De getuige Q5 heeft op eigen initiatief de politie benaderd met als doel een verklaring af te leggen onder de garantie dat zijn identiteit niet zal worden onthuld. Hij is vervolgens in het najaar van 2009 enkele malen gehoord door opsporingsambtenaren. Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris op 28 december 2009 aan Q5 de status van bedreigde getuige verleend. Bij beschikking van 4 februari 2010 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Vervolgens is de samengevatte zakelijke weergave van de verklaringen van Q5, zoals neergelegd in het proces-verbaal van de officier van justitie van 4 februari 2010, aan de processtukken toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste rechter-commissaris heeft zich een oordeel gevormd over de betrouwbaarheid van de getuige na twee rondes van verhoren. De eerste ronde heeft plaatsgehad in de periode 4 februari 2010 tot en met 27 april 2010; de eerste sessie van de tweede ronde tussen 27 april 2010 en 12 mei 2010. Het oordeel van deze rechter-commissaris luidt dat de getuige de gestelde vragen volledig heeft beantwoord. Hij verklaarde zonder aarzelen en gedetailleerd. Ook heeft de getuige inzicht geboden in diens redenen van wetenschap. Hierop kan de rechter-commissaris vrijwel geen toelichting geven gelet op het belang van afscherming van de identiteit van de getuige. Op diezelfde grond zijn de gegeven antwoorden die betrekking hebben op de redenen van wetenschap van de getuige buiten het proces-verbaal van verhoor gehouden. Van een verborgen agenda of van op de achtergrond meespelende eigen belangen van de getuige is volgens de rechter-commissaris niet gebleken. Evenmin heeft de getuige de indruk gewekt zijn verklaring mooier of interessanter te maken, dat hij loog of fantaseerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot een zelfde oordeel is een tweede rechter-commissaris gekomen op 21 mei 2010 op basis van de tweede ronde nadat zij de eerste sessie hiervan had bijgewoond en de tweede sessie had geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een proces-verbaal van de tweede, bij de verhoren betrokken, rechter-commissaris van 10 augustus 2010 kan worden opgemaakt dat beide rechters-commissarissen hebben beschikt over de inhoud van een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van Q5 maar dat zij overigens geen externe bronnen hebben geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de derde, bij de verhoren van de getuige Q5 betrokken, rechter-commissaris heeft ongeveer zes jaar later, te weten op 17 maart 2016, na een ronde van ondervraging als haar oordeel uitgesproken dat de getuige betrouwbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.4 Aard en betekenis van het betrouwbaarheidsoordeel Voorafgaand aan de inhoudelijke beschouwingen overweegt het hof het volgende over de context waarin het oordeel van respectievelijk de rechter-commissaris en de zittingsrechter over de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige tot stand komen het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter-commissaris baseert zijn oordeel op de volledige antwoorden die de getuige heeft gegeven op alle vragen die door raadslieden en de officier van justitie zijn opgegeven (de zogeheten bruto-antwoorden). Uit de processen-verbaal van verhoor van de rechters-commissarissen valt op te maken dat in de beantwoording van tal van vragen sprake is geweest van nadere details die niet ter kennis van procespartijen kunnen komen in verband met het belang van afscherming van de identiteit van de getuige. Hierbij heeft de getuige onder meer, zo valt af te leiden uit de gestelde vragen, zijn redenen van wetenschap toegelicht. Dit betekent dat de rechter-commissaris, anders dan de verdediging heeft gesteld, telkens zijn oordeel over de betrouwbaarheid heeft gebaseerd op meer dan alleen indrukken. De rechter-commissaris beoordeelt de bruto-antwoorden op onderlinge consistentie en de wijze waarop zij door de getuige worden toegelicht en verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De status van de getuige brengt met zich dat de rechter-commissaris de overwegingen niet heeft kunnen delen met procespartijen en ook niet met de zittingsrechter. Deze beperking, gevoegd bij de inbreuk op het ondervragingsrecht, vormt de grondslag voor de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering die nadere regels stellen voor het gebruik van verklaringen van een anonieme getuige voor het bewijs. Deze houden, kort gezegd, een instructie aan de zittingsrechter in om behoedzaam te zijn bij de waardering en het gebruik van een dergelijke verklaring in de bewijsvoering. In de rechtspraak wordt mede op grond hiervan aangenomen dat de zittingsrechter zich zelfstandig een oordeel over de betrouwbaarheid van de anonieme getuige dient te vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit oordeel heeft de zogeheten netto-antwoorden van de getuige als object. De beperkte inhoudelijke verstrekking door de rechter-commissaris van de van zijn verhoren opgemaakte processen-verbaal vormt uit de aard van die beperking een intrinsiek smalle basis voor de mogelijkheid van een zelfstandig betrouwbaarheidsoordeel. Het is daarom, dat de zittingsrechter, naast dat zelfstandig door hem te vormen oordeel, bij zijn eigen oordeel ook het eerder door de rechter-commissaris gegeven betrouwbaarheidsoordeel zal hebben te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zittingsrechter beschikt over het volledige procesdossier. Het door hem te geven betrouwbaarheidsoordeel heeft betrekking op de samenhang tussen de verklaringen van de bedreigde getuige en de overige processtukken. Daarbij wordt de vraag beantwoord of voor de netto-verklaring steun kan worden gevonden in de inhoud van die stukken. Voorts kan hierbij worden betrokken de interne consistentie van de verklaringen zoals zij in netto-vorm ter kennis van procespartijen en de rechter zijn gebracht. Gezien de hiervoor bedoelde beperkte grondslag hiervan komt dit oordeel tot stand mede op geleide van het oordeel van de rechter-commissaris en de daarvoor, naar haar aard eveneens beperkte, gegeven motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.5 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige De rompverklaring van de officier van justitie heeft het inhoudelijke startpunt van de ondervraging van de getuige Q5 gevormd. Het bevat, zoals het proces-verbaal vermeldt, de “samengevatte zakelijke weergave” van wat Q5 “heeft aangegeven als anonieme bedreigde getuige te kunnen en willen verklaren.” Tijdens de tweede ronde, sessie 1, heeft de getuige aangegeven dat hij tegen de verbalisanten meer heeft gezegd dan is opgenomen in de rompklaring. Daarnaast heeft hij opgemerkt dat door de vele verdiepingsvragen die tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris zijn gesteld er nog dieper op de zaak is ingegaan hetgeen, zo begrijpt het hof, tot aanvullingen en preciseringen in de beantwoording heeft geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat de rompverklaring, die minder dan twee pagina’s A4 beslaat, niet uitputtend is en evenmin is opgesteld met de intentie deze een volledige weergave van de wetenschap van de getuige, voor zover van belang, te doen zijn. De inhoud van de rompverklaring leent zich er, gezien deze beperkte reikwijdte, niet voor om deze en detail te vergelijken met de inhoud van de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen met het oog op beoordeling van de consistentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige heeft op een aantal punten opgemerkt dat hij aanvankelijk verkeerd is begrepen waarna hij het volgens hem juiste antwoord bij de rechter-commissaris heeft gegeven. Dit geldt ook voor elementen in de verklaringen waaruit volgens de verdediging de onbetrouwbaarheid van Q5 zou blijken. Het hof wijst op de passage in de rompverklaring dat de getuige zegt zich van één keer concreet te kunnen herinneren dat [Willem H.] , [Dino S.] en [Ali A.] tegelijk in de BBC waren. Tijdens de eerste ronde heeft hij gezegd dat hij verkeerd is begrepen en dat de drie genoemde personen jarenlang een paar keer per week kwamen en dan bij elkaar waren. Op een herhaalde vraag hierover heeft de getuige in de eerste sessie van de tweede ronde opnieuw gezegd dat er een misverstand was doordat hij de vraag verkeerd had begrepen. Hij heeft hiervoor een, volgens de rechter-commissaris logische, verklaring gegeven. De getuige Q5 zegt dan, mede in antwoord op een andere vraag, dat [Willem H.] , [Ali A.] en [Dino S.] een paar keer per maand in de Baja waren in de periode midden tot en met oktober 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander voorbeeld is de kwestie of de getuige heeft waargenomen dat [Willem H.] , [Dino S.] en [Ali A.] zich afzonderden. In de rompverklaring is de passage opgenomen dat de getuige de indruk had “dat als er zakelijk werd gesproken zij afgezonderd met hun drieën spraken.” Tijdens de eerste verhoorronde bij de rechter-commissaris daarentegen heeft Q5 verklaard dat hij niet de indruk had dat ze zich afzonderden. Naar het oordeel van het hof manifesteert zich hier het beperkte karakter van zowel de rompverklaring als de verklaringen die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd. Het gaat om formuleringen die elkaar niet uitsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over doel, reikwijdte en totstandkoming van de rompverklaring kan aan verschillen van deze aard dan ook geen bijzondere betekenis worden toegekend in de sleutel van een betrouwbaarheidsoordeel. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de rompverklaring en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen op relevante hoofdpunten inhoudelijk overeenstemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén van de redenen van wetenschap voor Q5 vormen de mededelingen die aan hem zijn gedaan door een persoon uit de omgeving van [Dino S.] , die rechtstreeks met laatstgenoemde in contact stond. Q5 heeft de naam van deze persoon aan de rechter-commissaris genoemd. Vanwege afschermingsbelangen kan de naam niet worden prijsgegeven. Anders dan de verdediging heeft gesteld heeft deze persoon zijn informatie volgens de getuige rechtstreeks van [Dino S.] verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het antwoord op de vraag of deze bron al dan niet deel uitmaakte van het gezelschap van [Willem H.] , [Dino S.] , [Ali A.] en anderen heeft de rechter-commissaris niet opgenomen in een proces-verbaal. Maar Q5 heeft, zo blijkt uit de verklaringen, in elk geval bevestiging gekregen voor datgene wat hij op enige afstand van de groep in de Baja zegt te hebben gehoord over conflicten en voorgenomen moorden. Deze bron noemde [Dino S.] “Dino”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is mogelijk nog een bron van Q5 geweest. De antwoorden op vragen die erop waren gericht dit nader te verkennen, zijn vanwege afschermingsbelangen niet in de processen-verbaal van de rechter-commissaris opgenomen. Deze persoon die mogelijk niet samenvalt met het hiervoor bedoelde rechtstreekse contact van [Dino S.] noch met een lid van het gezelschap in de Baja waarover Q5 heeft verklaard, is blijkens de rompverklaring voor Q5 een directe bron geweest van de informatie dat drie of vier personen er “snel aan zouden gaan”. Indien en voor zover moet worden uitgegaan van het bestaan van deze bron is het van belang dat ook deze persoon volgens Q5 een rechtstreekse bron van informatie voor hem is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige Q5 heeft blijkens zijn verklaringen informatie uit verschillende bronnen gecombineerd. Namens de verdachte is hierop bij pleidooi gewezen. Het gaat op de eerste plaats om de opmerkingen die Q5 een paar keer heeft opgevangen vanuit het gezelschap [Willem H.] , [Dino S.] , [Ali A.] en andere personen die met hen in de Baja aanwezig waren (vrouwen, portiers, “lijfwachten” van [Ali A.] ). Deze opmerkingen gingen over personen die “eraan gaan” waarbij de getuige namen heeft opgevangen van onder anderen Houtman en Van der Bijl. Daarnaast is er de persoon die in rechtstreeks contact met [Dino S.] stond. Deze heeft aan Q5 onder meer verteld dat [Dino S.] en [Willem H.] problemen hadden met Van der Bijl, Houtman, Hingst en Mieremet en dat zij hen om het leven wilden brengen. Verder is de getuige “heel kort daarna”, “hooguit een paar weken” later uit berichtgeving gebleken dat deze personen zijn vermoord. Hierna wist hij dat deze personen de beoogde slachtoffers van het gezelschap waren. Daarnaast heeft de getuige nog enkele punten gekenmerkt als zijnde van algemene bekendheid, zoals de achtergronden van het conflict tussen [Willem H.] en Mieremet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de getuige deze gebeurtenissen heeft gepresenteerd als door hem gemaakte gevolgtrekkingen. Deze hebben evenwel ook het karakter van zelfstandige waarnemingen waarvan Q5 feitelijk mededeling heeft gedaan. Daarom hebben zijn verklaringen, ook als wordt afgezien van de door de getuige gelegde verbanden, betrekking op feiten en omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen of ondervonden als bedoeld in artikel 342, lid 1, Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft een beeld geschetst van het door de getuige omschreven gedrag van de betrokken personen in de Baja dat naar zijn verschijningsvorm ongeloofwaardig moet worden geacht. Dat beeld verdient nuancering. De getuige heeft gezegd dat [Willem H.] sprak “van mond tot oor”. Maar “zeker als er flink was gedronken werd die afstand ook wel groter, tot zeg maar een halve meter”. En: “je kon het horen als je erbij stond of langs kwam lopen”. Meer mensen moeten opmerkingen hebben opgevangen volgens de getuige. Degene die zo schreeuwde had duidelijk niet door dat anderen in de directe omgeving dat konden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Q5 weet zeker van [Dino S.] te hebben opgevangen: “drie, vier man gaan we pakken” en dat [Willem H.] vaker schreeuwde: “die pak ik, die maak ik af”. Hij heeft een paar keer opmerkingen van deze aard opgevangen in een periode waarin de betrokkenen een paar keer per week in de Baja kwamen en dan bij elkaar waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het was dus zeker niet zo dat [Willem H.] en anderen onvoorzichtig waren in het algemeen. “Zij kwamen scherper op mij over als ze niet veel gedronken hadden”. Ook heeft de getuige onderlinge verschillen waargenomen waar het gaat om de mate van luidruchtigheid en de positie van elk van de betrokkenen in de groep. Dat laatste is, in de woorden van de verdediging, weliswaar een indruk maar de getuige heeft dit aan de hand van concrete, door hem waargenomen, gedragingen gesubstantieerd. Eén daarvan is dat hij heeft gezien dat [Dino S.] machtiger was dan [Willem H.] : “dat zag je ook aan de wijze waarop iedereen om Dino heen kwam staan (..) Dino bleef daar rustig bij”. [Willem H.] was een opschepper, wilde het middelpunt zijn; vooral hij vestigde de aandacht op zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geheel overziend dient de conclusie te zijn dat de inhoud van de verklaringen zelf geen aanleiding vormt voor vragen die van zodanige betekenis zijn dat moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien bieden onderzoeksbevindingen bevestiging voor onderdelen van deze verklaring. De getuige [getuige 10] , ex-vriendin van [Willem H.] , heeft verklaard dat [Willem H.] kan schreeuwen, in het bijzonder na drankgebruik. L. [getuige 5] heeft op 9 mei 2007 als getuige bij de politie verklaard dat [Ali A.] altijd twee grote mannen bij zich had als hij ergens binnen kwam, van wie zij dacht dat het bodyguards waren. [Dino S.] heeft ontkend dat hij ooit samen met [Ali A.] en [Willem H.] gelijktijdig in de Baja Beach Club is geweest. Hij heeft [Ali A.] in de tweede helft van 2005 twee keer ontmoet in de Baja. [Dino S.] was daar toen telkens met zijn vriendin [getuige 4] . Na 2003 kwam [Dino S.] niet vaak meer in de Baja. Zijn vriendin [getuige 4] werkte er niet meer en er kwam ”Cherso-publiek”. Hij ging wel eens naar een horecagelegenheid in Rotterdam maar dat was doorgaans de BED. Dat geldt ook voor de tweede helft van 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groot aantal getuigen is gehoord over het horecabezoek in Rotterdam. Van enkele getuigen zijn verklaringen opgenomen op een moment vóórdat de officier van justitie de getuige Q5 had geïntroduceerd. De getuige [getuige 5] , een goede vriendin van de vriendin van [Dino S.] , heeft op 4 augustus 2006 verklaard: “als ik Willem ergens zag was Dino ook in de buurt”. E. [getuige 4] , in 2005 de vriendin van [Dino S.] , heeft op 2 juli 2007 verklaard dat zij [Ali A.] al kent sinds 1999. In diezelfde verklaring heeft zij gezegd dat zij en [Dino S.] twee keer per maand [Ali A.] en [Willem H.] ontmoetten in Rotterdam. Daar waren altijd anderen bij; [getuige 8] was er vaak bij. De getuige [getuige 13] (gehoord op 10 december 2009) heeft in de Baja gewerkt van 1995 tot 2008. Hij heeft verklaard dat hij de “laatste jaren” [Ali A.] vaak met [Dino S.] zag in de Baja. [Willem H.] is hem niet opgevallen. Maar later heeft hij van anderen gehoord dat deze er ook kwam. Deze verklaringen bieden bevestiging voor hetgeen Q5 heeft verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn diverse andere getuigen gehoord die ieder voor zich accenten hebben gelegd, resulterend in een beeld dat [Willem H.] , [Dino S.] en [Ali A.] niet of vrijwel niet gezamenlijk in de Baja Beach Club aanwezig (kunnen) zijn geweest. Met de advocaat-generaal stelt het hof vast dat het hierbij deels om getuigen gaat uit de kring van [Dino S.] . De getuige [getuige 14] , portier bij de Baja, is een vriend van [Dino S.] , zo is onder meer door [getuige 13] in de hiervoor aangehaalde verklaring gezegd. Daarnaast gaat het om [getuige 8] , een goede vriend van [Dino S.] , die op 31 augustus 2011 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij vaak met [Dino S.] ging stappen in Rotterdam en dat zij dan ook wel [Willem H.] tegenkwamen. Maar zij gingen zelden naar de BBC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrij en [getuige 14] hebben op 25 januari 2006 een telefoongesprek gevoerd waarbij [getuige 8] aankondigt naar Rotterdam te komen; daarna belt Vrij met [Dino S.] over de afspraak in Rotterdam. Op de dag na het bezoek aan Rotterdam, 28 januari 2006, is [getuige 8] gebeld door [betrokkene 6] . In dit gesprek zegt [getuige 8] dat Hollie (zijn naam voor [Willem H.] ) en [getuige 15] ( [getuige 15] , op dat moment een vriendin van [Willem H.] ) en de andere jongens er ook waren. Ze hebben met [getuige 8] aan één tafel gezeten. [betrokkene 6] zegt daarop tegen [getuige 8] dat Hollie daar veel komt. [getuige 8] zegt: “alleen maar”. [getuige 8] zegt dat “hij” snel weg ging, want Foef was er niet. Als Foef er wel is, dan gaat “die” tot het einde of als laatste weg. [Dino S.] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als verdachte verklaard dat hij ook wel “Foef” wordt genoemd. Het proces-verbaal van deze zitting maakt deel uit van de processtukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof hecht waarde aan dit telefoongesprek. Het geeft weliswaar geen uitsluitsel over de locaties waar men is geweest (in andere gesprekken die dagen worden Jackie en de Cinema genoemd) maar het bevestigt dat er meer contact is geweest tijdens het uitgaan in Rotterdam tussen [Dino S.] en [Willem H.] dan [Dino S.] heeft verklaard. Uit enkele gesprekken, gevoerd door Vrij op 27 januari 2006, blijkt bovendien dat er contact is met één of meer personen die met [Ali A.] op stap zijn en dat er wordt afgesproken elkaar te ontmoeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder valt op dat [getuige 4] tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris op 20 augustus 2010 de contacten van [Dino S.] met [Ali A.] en [Willem H.] minimaliseert ten opzichte van haar verklaring uit 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot betrekt het hof in deze beschouwing wat elders in dit arrest is overwogen over het standpunt van de verdachte [Dino S.] dat hij en [Willem H.] na de zomer van 2005 geen contact meer hadden. Kort gezegd houdt dit in dat uit diverse onderzoeksbevindingen blijkt dat niet aannemelijk is dat er tussen hen in die periode geen enkel contact is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is erop gewezen dat de verklaringen van Q5 niet kunnen worden beschouwd als ondersteuning voor de verklaringen van [Peter La S.] over de opdrachten die in de BED zijn gegeven voor de moorden op Houtman en Van der Bijl. Daartoe is aangevoerd dat Q5 over een andere Rotterdamse uitgaansgelegenheid heeft gesproken. Met de verdediging stelt het hof vast dat [Peter La S.] en Q5 over gebeurtenissen in de BED respectievelijk de BBC hebben verklaard. Over verstrekking van opdrachten heeft Q5 evenwel niet verklaard en [Jesse R.] heeft hij nooit gezien. In zoverre is er geen overlap tussen de verklaringen. Er is evenwel geen enkele reden om ze op die grond niet als onderling aanvullend te beschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat Q5 heeft willen verklaren op een wijze die aansluit bij de verklaringen van [Peter La S.] . Immers, pas in oktober 2011 heeft [Peter La S.] de zogeheten [Willem H.] -weglatingen onthuld en werd duidelijk dat hij ook over de rol van [Willem H.] bij de moorden op Houtman en Van der Bijl had verklaard. [Peter La S.] en Q5 hebben derhalve ieder voor zich op basis van eigen ervaring mededeling gedaan van hetgeen zij hebben waargenomen en ondervonden. Deze ervaringen, hoewel verschillend van karakter en inhoud, sluiten inhoudelijk op elkaar aan. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom de verklaringen van Q5 en [Peter La S.] niet als onderling ondersteunend kunnen worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.6 Conclusie Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat, in het licht van hetgeen de medeverdachte [Dino S.] over (het ontbreken van) ontmoetingen met [Willem H.] en [Ali A.] heeft verklaard, het dossier voldoende steun biedt voor de verklaringen van Q5 om deze in de bewijsvoering te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt tot slot vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 344a, eerste en tweede lid, Sv. De verklaringen die zijn afgelegd door de getuige Q5 zullen, op de wijze zoals blijkt uit de weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen, voor het bewijs worden gebruikt. Het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan is niet uitsluitend of in beslissende mate op deze verklaringen gebaseerd. Daarnaast is voldaan aan de procedurele vereisten voor statusverlening aan en ondervraging van de getuige. Voorts gaat het om ernstige strafbare feiten die, gezien hun aard, het georganiseerd verband waarin ze zijn gepleegd en hun onderlinge samenhang een ernstige inbreuk op de rechtsorde hebben opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Korte samenvatting Hoofdstuk 3.2</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De verdediging heeft aangevoerd dat het hof de verklaringen van de anonieme getuige Q5 niet voor het bewijs zou moeten gebruiken, omdat die verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden getoetst vanwege de aan zijn status klevende beperkingen op het ondervragingsrecht. Het hof heeft een algemene beschouwing gewijd aan de figuur van de anonieme bedreigde getuige, en aan de verklaringen van Q5 in het bijzonder. De uitkomst daarvan is dat er geen redenen zijn om die verklaringen van het bewijs uit te sluiten.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.3 [Peter La S.] : betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen 3.3.1 Inleiding In deze paragraaf zal het hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Peter La S.] nader onderzoeken. Het hof doet dit ter uitvoering van de wettelijke opdracht om bij bewijsgebruik van verklaringen van een kroongetuige daarvoor in het bijzonder de reden te geven. Tevens bevat deze paragraaf de antwoorden van het hof op de door de raadsman gevoerde verweren. Deze zijn naar voren gebracht bij pleidooi. Voorts heeft de raadsman aangesloten bij de betrouwbaarheidsverweren die zijn gevoerd door de raadslieden van medeverdachte [Dino S.] . Ook hierop zal in het navolgende worden ingegaan. “Ik was een crimineel die een deal wilde”, waren de woorden van de getuige [Peter La S.] tijdens de terechtzitting van de rechtbank op 12 maart 2009. Deze wens van [Peter La S.] en de wijze waarop deze wens in de loop van het proces heeft vorm gekregen vormen een rode draad door het Passageproces.</p></div>", "next": 239947}