{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">5.121. Volgens Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] nemen de Staat c.s. in de onderhavige procedure ten onrechte het daarvan afwijkende standpunt in dat Marsannay een binnenlandse belastingplichtige is omdat [naam 1] mét medeweten van de trustbestuurders in Nederland het beleid heeft bepaald. Zij menen dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, althans de goede procesorde, zich ertegen verzetten dat de Staat c.s. een standpunt innemen dat rechtstreeks ingaat tegen een eerder door hen verdedigd en door de rechter in rechte vastgesteld feit. Dit betoog helpt Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] echter niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.122. Bij de vestiging van de aansprakelijkheid gaat het er alleen om of een ander dan het bestuur (namelijk [naam 7] ) de feitelijke leiding over Marsannay had en wat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] daarvan wisten of behoorden te weten. Het standpunt van de inspecteur in de fiscale procedure, waaraan Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] kennelijk veel gewicht hechten, bevestigt dat het [naam 7] was die de feitelijke leiding over Marsannay had en deze in Nederland uitoefende. Dat wisten of behoorden Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] te weten, zoals hiervoor is toegelicht. Grief 6 van [appellant 1] en [appellant 2] slaagt in zoverre niet. Hetzelfde geldt voor de grieven 2 en 8 (K1) van Tradman NL.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.123. Het verdere betoog van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] komt erop neer dat hen gezien de vaststelling in de uitspraak van 27 oktober 2011 ten onrechte in de schoenen wordt geschoven dat zij betrokken waren bij, en op de hoogte waren van, wat zich precies afspeelde in Marsannay. Dit betoog kan bij de schadebegroting in het licht van art. 6:98 BW mogelijk relevant zijn, voor de vestiging van de aansprakelijkheid is het dat niet. Hetzelfde geldt voor het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] dat uit niets blijkt dat het Luxemburgse trustbestuur [naam 1] heeft gemachtigd rechtshandelingen te verrichten en dat die rechtshandelingen niet aan Marsannay zijn toe te rekenen. Het gaat er nu slechts om wie de feitelijke leiding over Marsannay had (en waar deze werd uitgeoefend) en wat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] daarvan wisten en behoorden te weten. Op de brief van 27 juni 1997 is de naam van Marsannay vermeld, terwijl op de bijgesloten factuur die naam niet voorkwam. [appellant 2] heeft deze brief namens Tradman NL naar het woonadres van [naam 1] in Nederland gestuurd. Alleen al daaruit volgt dat het voor alle betrokkenen duidelijk was wie waar de werkelijke eindverantwoordelijkheid droeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herfacturering was onrechtmatig jegens de Belastingdienst 5.124. Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] voeren aan dat zonder de herfactureringsroute de Belastingdienst ook geen zicht zou hebben gehad op de facturen omdat, kort gezegd, alle facturen in dat geval via Luxemburg waren gelopen, evenals het geval was met de onder 5.35 hiervoor vermelde factuur waarop handgeschreven het bedrag van € 8.000.000 stond. Om iets te verhullen zouden volgens [appellant 1] en [appellant 2] alle facturen van Marsannay moeten zijn geherfactureerd en dat hebben de Staat c.s. volgens hen niet aangetoond. Verder wijzen Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] erop dat op de begeleidende brief van 27 juni 1997 de naam ‘Marsannay’ vetgedrukt vermeld stond. Deze brief zat volgens hen in de administratie van Mubavi. Uit dit een en ander leiden zij af dat er niets is verhuld en dat hen daarvan dus ook geen (persoonlijk) ernstig verwijt treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.125. Dit betoog volgt het hof niet. Hiervoor is geoordeeld dat de herfacturering vaststaat. Door de herfacturering werd het [naam 1] mogelijk gemaakt vanuit Nederland kosten te voldoen zonder dat Marsannay voor de Nederlandse fiscus zichtbaar werd. Een plausibele verklaring, die duidt op een andere reden voor de herfacturering, is niet gegeven. [appellant 1] en [appellant 2] hebben zich bij het voorlopig getuigenverhoor bij vragen over de reden voor de herfacturering op hun verschoningsrecht beroepen als bedoeld in art. 165 lid 3 Rv. Bij het voorlopig getuigenverhoor gaf [naam 2] op een vraag van de rechter-commissaris waarom er indirect en niet rechtstreeks werd gefactureerd als antwoord: ‘Ik zou het niet weten.’ 5.126. In het bestreden vonnis is in dit verband overwogen (rov. 4.123): ‘Juist is weliswaar dat het op zichzelf niet onrechtmatig is om mee te werken aan herfacturering. Daarvoor kunnen ook legitieme (ook fiscale) redenen zijn. Dergelijke legitieme redenen zijn door Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] echter niet aangevoerd, terwijl het wel op hun weg lag specifiek toe te lichten waarom in het onderhavige geval de voor de werkzaamheden ten behoeve van Marsannay uitgeschreven facturen moesten worden geherfactureerd.’ 5.127. Zelfs in hoger beroep, nadat zij op dit punt door de rechtbank in het ongelijk waren gesteld en het belang ervan dus duidelijk was, hebben Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] geen plausibele verklaring gegeven voor de herfacturering. Daardoor is het standpunt van de Staat c.s. onvoldoende weersproken (en moet als vaststaand worden aangenomen) dat de herfacturering ertoe diende om Marsannay buiten het zicht van de Belastingdienst te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.128. Het hof volgt gelet op het voorgaande niet het betoog van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] dat met de herfactureringsroute de facturen juist binnen het bereik en het zicht van de Belastingdienst zijn gekomen en dat er ook overigens niets is verhuld. Dit betoog gaat bovendien aan de werkelijkheid voorbij dat Marsannay vanaf mei althans juli 1996 een binnenlandse belastingplichtige was, maar dat de Belastingdienst pas (ver) na de ontbinding van Marsannay van haar bestaan op de hoogte is geraakt. [naam 1] heeft (mede) door middel van de ‘back-to-back’ facturering (en derhalve door toedoen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] ) Marsannay lange tijd verborgen kunnen houden voor de Belastingdienst. Verhaal bleek niet meer mogelijk nadat Marsannay door de Belastingdienst was ontdekt. Deze schade was voorzienbaar. Het voorgaande rechtvaardigt het oordeel dat onrechtmatig jegens de Belastingdienst is gehandeld, op de grond dat mede door toedoen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] inning van de navorderingsaanslag 1996 niet meer mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.129. Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] betogen dat hen (persoonlijk) geen voldoende ernstig verwijt treft omdat zij niet wisten dat de herfacturering ertoe diende belastingontduiking te faciliteren, alsook dat voor hen niet duidelijk was of had moeten zijn dat de door Tradman NL verleende diensten voor belastingontduiking zouden (kunnen) worden gebruikt. Dat betoog gaat echter niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.130. De rechtbank heeft in rov. 4.67 terecht als maatstaf geformuleerd dat de op Tradman NL, als trustkantoor, toepasselijke integriteitsnormen meebrachten dat indien de door de opdrachtgever verlangde dienstverlening voor belastingontduiking zou kunnen worden gebruikt, maar niet zonder meer daartoe strekt, het onder omstandigheden op de weg van het trustkantoor kan liggen (nader) bij de opdrachtgever te informeren met welk doel de dienst wordt gevraagd, en op welke wijze daarvan gebruik zal worden gemaakt. Krijgt het trustkantoor in een zodanig geval geen bevredigende antwoorden op zijn vragen (dat wil zeggen antwoorden waaruit het redelijkerwijs mag afleiden dat zijn dienstverlening niet voor belastingontduiking wordt gebruikt), dan dient het zijn diensten te weigeren. Het hof onderschrijft deze norm en voegt daaraan toe dat deze ook van toepassing is op (medewerkers van) het trustkantoor als het trustkantoor niet als trustkantoor als bedoeld in (thans) de wet optreedt, maar als opdrachtnemer die diensten aan een klant verleent. Gelet op het voorgaande slaagt grief 8 (K3) van Tradman NL niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.131. Uit het verzoek om herfacturering volgt dat [naam 1] kennelijk wilde voorkomen dat zichtbaar zou worden dat vanuit Nederland ten behoeve van Marsannay kosten werden voldaan. In het verlengde daarvan moet voor Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] ook duidelijk zijn geweest dat Marsannay kennelijk niet voornemens was om belastingaangifte in Nederland te doen. Bovendien was [appellant 1] gedurende twee periodes bestuurder van Marsannay. Ook toen moet hem zijn opgevallen dat geen aangifte in Nederland werd gedaan. Tegelijkertijd wisten Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] dat [naam 7] de feitelijke leiding over Marsannay had en deze in Nederland uitoefende. Bij die stand van zaken, waarbij zij wisten of behoorden te weten dat sprake was van een binnenlandse belastingplicht van Marsannay, had het verzoek om herfacturatie voor hen aanleiding moeten vormen zich ervan te vergewissen of Marsannay wel op de juiste wijze ten overstaan van de Belastingdienst verantwoording aflegde van haar activiteiten, zoals de rechtbank terecht in rov. 4.122 heeft geoordeeld. De klachten tegen dat oordeel van de rechtbank verwerpt het hof dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.132. Anders dan Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] kennelijk menen, is voor de vestiging van aansprakelijkheid en het in dat kader vereiste voldoende ernstig verwijt niet nodig dat zij betrokken waren bij, en op de hoogte waren van wat zich precies afspeelde in Marsannay, noch dat zij precies op de hoogte waren van alle transacties en handelingen van [naam 1] . De omstandigheid dat Marsannay binnenlands belastingplichtig was, en dat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] dit wisten of behoorden te weten, maakte reeds dat zij zich – ook naar hetgeen destijds volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamde – in de gegeven omstandigheden niet met de herfacturering hadden mogen inlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.133. Het hof verwerpt het betoog van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] dat als het werkelijk hun doel was om Marsannay uit het zicht van de Belastingdienst te houden, zij er alleen maar voor hadden hoeven zorgen dat alles vanuit Luxemburg gebeurde. Zij zijn om hen moverende redenen meegegaan in de gekozen route van herfacturering. Tradman NL is een trustkantoor, [appellant 1] en [appellant 2] waren haar bestuurders/werknemers. Bovendien is [appellant 1] [functie 1] en [appellant 2] [functie 2] . Uit het leerstuk van de onrechtmatige daad, tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden van deze zaak, vloeit voort dat van ieder van hen had mogen worden verwacht dat zij er alles aan deden wat redelijkerwijs van hen kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij niet betrokken raakten bij het verhullen van het bestaan van Marsannay voor de Belastingdienst of van de omstandigheid dat Marsannay binnenlands belastingplichtig was in Nederland. Dat hebben zij niet gedaan en daarvan kan elk van hen (persoonlijk) een ernstig verwijt worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schade en condicio sine qua non-verband 5.134. Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] bestrijden dat de Staat c.s. schade heeft geleden, respectievelijk dat deze schade in condicio sine qua non-verband staat tot het handelen dat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] wordt verweten. Dat is echter tevergeefs.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.135. Vaststaat dat de navorderingsaanslag 1996 niet meer inbaar is. Deze aanslag kon pas worden opgelegd nadat Marsannay in 2004 was ontbonden en ná de periode 2004-2007 waarin vrijwel alle tot de Mubavi-groep behorende vennootschappen zijn gefailleerd. Ook [naam 7] en zijn echtgenote verkeerden sinds januari 2007 in staat van faillissement. Pas op 7 oktober 2016 is dat faillissement opgeheven. [naam 7] is volgens de gemeentelijke basisadministratie begin 2012 vertrokken van zijn woonadres in Nederland, met onbekende bestemming. [naam 2] is toegelaten tot de Wsnp. De navorderingsaanslag 1996 kan gelet op het voorgaande niet meer op de gebruikelijke wijze worden verhaald. Daarmee is de mogelijkheid van schade aannemelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.136. Ook aan het condicio sine qua non-verband is voldaan. De herfacturering heeft eraan bijgedragen dat het bestaan van Marsannay voor de Belastingdienst werd verhuld waardoor de navorderingsaanslag 1996 niet meer op de gebruikelijke wijze kan worden verhaald. In dit verband is illustratief wat de Staat c.s. hebben gesteld over de factuur van 27 juni 1997 (bedoeld onder 3.25 hiervoor): ‘In 1998 en 1999 is de factuur tijdens een onderzoek van de Belastingdienst naar aankoopkosten van deelnemingen van Mubavi door de handen gegaan van de controlerend ambtenaar. Zou de factuur zelf hebben verwezen naar de Luxemburgse vennootschap Marsannay, dan zou dit zeker tot nadere vragen hebben geleid. De Belastingdienst had dan tien jaar eerder navorderingsaanslagen kunnen opleggen op een moment dat de verhaalsmogelijkheden bij de gebroeders [naam 1] en de aan hen gelieerde vennootschappen evident groter waren.’ 5.137. Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] bevestigen dat er controles bij de Mubavi-groep plaatsvonden. In dat licht bezien was het herfactureren een noodzakelijke schakel in het ontstaan van de schade die in deze procedure centraal staat. Er is gelet op het voorgaande voldoende gesteld voor het oordeel dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan. Hetgeen Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] hierover in hun aktes van 20 mei 2024 naar voren hebben gebracht, kan bij de schadebegroting mogelijk nog een rol spelen, maar is voor de vestiging van de aansprakelijkheid van onvoldoende gewicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.138. De slotsom van het voorgaande is dat de grieven 2, 6 en 13 van [appellant 1] en [appellant 2] evenals de grieven 2 en 8 van Tradman NL in zoverre niet slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grieven tegen rov. 4.67 van het bestreden vonnis 5.139. Grief 2 van de Staat c.s. richt zich tegen de door de rechtbank in rov. 4.67 genoemde maatstaf. Deze grief is ingesteld omdat volgens de Staat c.s. het beoordelingskader ten aanzien van de kasgeldvennootschappen/vennootschappen met een vervangingsreserve op een ‘niet ondergeschikt punt’ onjuist is. Bij een afzonderlijke behandeling van deze grief hebben de Staat c.s. echter geen belang. Dit komt doordat het geding ten aanzien van de vorenbedoelde vennootschappen al definitief is afgedaan. Een behandeling van deze grief kan ook voor Marsannay of Kooilust/Fenchurch niet tot andere beslissingen leiden dan in dit arrest verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.140. Ook grief 8 (K3) van Tradman NL is tegen rov. 4.67 van de rechtbank gericht. Deze grief slaagt op inhoudelijke gronden niet, zoals onder 5.130 hiervoor is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 5.141. In het bestreden vonnis zijn de onderdelen (iv) en (v) van het gevorderde ten onrechte toegewezen waar het (materieel) de belastingaanslagen 1999-2004 (Marsannay) en 2004 (Kooilust/Fenchurch) betreft. Onderdeel (iv) is op goede gronden toegewezen waar het materieel de navorderingsaanslag 1996 van Marsannay betreft, in die zin dat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] onrechtmatig jegens de Belastingdienst hebben gehandeld door het (behulpzaam zijn bij het) onttrekken van Marsannay aan het zicht van de Belastingdienst, waarbij Tradman NL de voor haar, en [appellant 1] en [appellant 2] als bestuurder en/of medewerker van Tradman NL de voor hen, geldende integriteitsnormen hebben geschonden door mee te werken aan de herfacturering voor Marsannay, waarvan ieder van hen een (persoonlijk en) voldoende ernstig verwijt treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen schadestaatprocedure bij de rechtbank 5.142. Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de Belastingdienst lijdt door het onrechtmatig handelen als onder 5.141 hiervoor bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.143. Anders dan [appellant 1] en [appellant 2] betogen, is van een onaanvaardbare doorkruising van publiekrechtelijke rechtsbescherming in zoverre geen sprake. Ook overigens slaagt het beroep van [appellant 1] en [appellant 2] op niet-ontvankelijkheid niet. Dat geldt ook voor de stelling van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] dat de voorkeur van de Staat c.s. ten onrechte naar aansprakelijkstelling van derden is uitgegaan en dat de Staat c.s. hun pijlen hadden moeten richten op de eigenlijke belastingplichtige (Marsannay) en [naam 1] . Aan dit betoog gaat het hof als ongegrond voorbij omdat er geen rechtsregel geldt die meebrengt dat in dit geval de belangen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] hadden moeten worden ontzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.144. Op grond van art. 612 Rv is uitgangspunt dat de rechter in de hoofdprocedure de schade begroot. Het hof ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Grief 2 van [appellant 1] en [appellant 2] is in zoverre gegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.145. De Staat c.s. maken aanspraak op vergoeding van het bedrag van de navorderingsaanslag 1996, de vergrijpboete en in rekening gebrachte heffingsrente. Op voorhand kan niet worden gezegd dat elk van deze elementen toewijsbaar is en tot welk bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.146. Uit HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686 vloeit voort dat de verhaalsschade in beginsel niet toerekenbaar is in de zin van art. 6:98 BW voor zover zij het door de Ontvanger werkelijk geleden nadeel te boven gaat. De aard van de aansprakelijkheid brengt namelijk mee dat de Staat c.s. van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] als werkelijk nadeel niet méér kunnen vorderen dan het naar objectieve maatstaven te berekenen bedrag van de materiële belastingschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.147. Daarom moet primair worden onderzocht of en in hoeverre de navorderingsaanslag 1996 voor de daarin genoemde bedragen terecht is opgelegd. Daarbij rusten stelplicht en bewijslast van de juistheid van de navorderingsaanslag 1996 op de Staat c.s. Voor een afwijking als door de Staat c.s. bepleit bestaat geen aanleiding (zie ook onder 5.47 hiervoor). De uitspraken in de fiscale procedure hebben in deze procedure slechts beperkte waarde omdat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] daarbij geen partij waren en in de fiscale procedure (in het voordeel van de inspecteur) de bewijslast was omgekeerd en verzwaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.148. In dit kader moet verder worden beoordeeld in hoeverre in 1996 sprake was van winstbestanddelen waarop de verlengde navorderingstermijn van art. 16, vierde lid, AWR van toepassing is. Voor zover de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is, is er immers geen grond voor schadevergoeding (zie ook onder 5.33 e.v. hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.149. Het uitgangspunt dat alleen het werkelijk nadeel toerekenbaar is, brengt voorts mee dat het hof in zijn oordeel moet betrekken of (en in hoeverre) het naar objectieve maatstaven te berekenen bedrag van de materiële belastingschuld wél zou zijn voldaan bij uitblijven van het onrechtmatig handelen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] . Hierbij kan een rol spelen dat (naar eigen zeggen van de Staat c.s.) het vermogen van de Mubavi-groep van [naam 1] kunstmatig groot gehouden werd met gefingeerde vorderingen, alsmede dat (naar eigen zeggen van de Staat c.s.) ‘het leek te gaan om een bloeiende onderneming, terwijl het verdienmodel hoofdzakelijk neerkwam op (vormen van fiscaal) vampirisme’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.150. In dit verband zal ook duidelijk moeten worden op welke datum de Belastingdienst in staat zou zijn geweest over het jaar 1996 een aanslag vennootschapsbelasting op te leggen bij uitblijven van het onrechtmatig handelen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] . Het betoog van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] in hun aktes van 20 mei 2024 komt erop neer dat een factuur die wel zou hebben verwezen naar Marsannay in elk geval niet bij de controle van 1998 en 1999 (bedoeld onder 5.136 hiervoor) tot nadere vragen van de Belastingdienst zou hebben geleid omdat volgens hen die controle slechts een beperkte reikwijdte had. Over dit een en ander zal het debat verder moeten worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.151. In de sleutel van art. 6:98 BW (of meer in het bijzonder: de voorzienbaarheid van de concrete schade) zal het hof verder in zijn beoordeling moeten betrekken dat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] betogen dat hun betrokkenheid bij Marsannay beperkt was. Zij betogen dat hooguit kan worden gezegd dat zij wisten dat [naam 1] administratieve bescheiden aanleverde, maar niet wat er zich precies afspeelde in Marsannay; zij konden slechts met grote moeite informatie vergaren die nodig was voor hun diensten, zoals ook volgt uit de uitspraak in de fiscale procedure, aldus grief 6 van [appellant 1] en [appellant 2] en in dezelfde zin de grieven 2 en 8 (K1) van Tradman NL. De door de Staat c.s. in het geding gebrachte stukken bevestigen volgens Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] dat zij geen weet hadden van relevante transacties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband wijzen zij er onder meer op dat de geldstromen niet uit de bankafschriften van Marsannay blijken. Zij wijzen er voorts op dat het enige concrete bewijsstuk met betrekking tot 1996 de optieovereenkomst van 30 juli 1996 is, en dat dit bewijsstuk niet door hen is getekend, maar door [naam 11] en [naam 13] , die beiden op dat moment werkzaam waren bij Benelux Trust. Hiertegenover staat echter dat tussen partijen niet in geschil is dat het optiecontract op de CD stond, die door Tradman NL in mei 2010 aan de Belastingdienst is verstrekt. Volgens [appellant 1] en [appellant 2] is niet bekend wanneer, door wie en om welke reden de optieovereenkomst in de administratie van Tradman NL is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit debat moet (verder) worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.152. Verder is van belang dat Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] standpunten hebben ingenomen die kunnen worden aangemerkt als een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW), eigen schuld (art. 6:101 BW) en matiging (art. 6:109 BW). Zie over matiging ook HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686, waaruit voortvloeit dat de omvang van het ontvangen honorarium een van de relevante omstandigheden kan zijn waarmee de rechter rekening kan houden bij de schadebegroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.153. In hun memorie van grieven onder 1.2 en bij grief 4 hebben [appellant 1] en [appellant 2] bovendien een beroep gedaan op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Zij betogen (onder meer) dat zij substituut belastingplichtigen zijn en dat bij de schadebegroting rekening moet worden gehouden met hun draagkracht, omdat anders geen sprake is van een fair balance.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.154. Tot slot is het debat over de kwijting die [naam 2] is verleend nog niet voldragen (zie grief 3 van Tradman c.s., en grief 9 van [appellant 1] en [appellant 2] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.155. Uit het voorgaande volgt dat het debat over de schadeomvang nog niet is afgerond. Daarom staat het hof, met de navorderingsaanslag 1996, de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente en de daarbij opgelegde vergrijpboete als materiële basis, een nadere memoriewisseling toe. Daarbij staat het hof een memoriewisseling voor ogen die op zichzelf staat, in die zin dat het hof louter op basis daarvan tot een beslissing over de omvang van de schade kan komen. Op de voet van art. 19, leden 1 en 2, en art. 22 lid 1 Rv beveelt het hof partijen daarom hun memories als volgt in te richten: memorie van de Staat c.s., met een duidelijk petitum, en waarin, zoveel mogelijk onderbouwd met stukken, de omvang van het geleden werkelijk nadeel wordt toegelicht en waarin de elementen van de navorderingsaanslag 1996 ieder afzonderlijk worden besproken. Deze memorie dient tevens de door Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] tegen de omvang van de schade aangevoerde argumenten en zelfstandig bevrijdende verweren en de gronden daarvoor te vermelden (bekend uit de eerste aanleg, het hoger beroep of uit anderen hoofde). De Staat c.s. dienen bovendien direct in deze memorie inhoudelijk daarop te reageren; antwoordmemories van Tradman NL en [appellant 1] en [appellant 2] in reactie op de memorie van de Staat c.s. met eventuele (nieuwe) argumenten en/of (nieuwe) zelfstandig bevrijdende verweren die de omvang van de schade betreffen. Tradman NL en [appellant 1] en [appellant 2] dienen eventuele nieuwe argumenten/zelfstandig bevrijdende verweren uitdrukkelijk in hun memories als ‘nieuw’ te benoemen. Zij dienen hun memories gelijktijdig te nemen; antwoordmemorie van de Staat c.s. op uitsluitend de nieuwe argumenten/zelfstandig bevrijdende verweren van Tradman NL en [appellant 1] en [appellant 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">5.156. Daarna kunnen partijen (opnieuw) om een mondelinge behandeling vragen (waarbij in beginsel geen nieuwe stellingen meer mogen worden ingenomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.157. Omdat de eis strekt tot veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, maar het hof bij het (te zijner tijd) te wijzen eindarrest overeenkomstig art. 6:97 BW de schade zal begroten, dient na het eindarrest alsnog het griffierecht te worden geheven dat partijen verschuldigd zouden zijn geweest, indien de eis in de inleidende dagvaarding had gestrekt tot betaling van een geldsom ten belope van de begrote schade. Het al voldane griffierecht wordt hierop in mindering gebracht (vgl. art. 16, leden 1 en 2, Wet griffierechten burgerlijke zaken).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.158. Uiteraard behoeven partijen het niet op een eindarrest te laten aankomen en staat het hen vrij thans een minnelijke regeling te treffen ter beëindiging van hun geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 5.159. Anders dan de rechtbank zal het hof geen veroordeling uitspreken tot schadevergoeding op te maken bij staat zoals gevorderd bij onderdeel (v). Het hof gelast een nadere memoriewisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotoverwegingen 5.160. Er zijn geen concrete feiten gesteld die, mits bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden. Aan het leveren van (tegen)bewijs wordt daarom niet toegekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.161. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. Dat geldt ook voor de grieven 10 en 11 van Tradman NL. Dat geldt tevens voor de beslissing over de proceskosten en daarmee ook voor (i) het verzoek van [appellant 1] en [appellant 2] onder 18 van hun akte van 10 augustus 2021 om de Staat c.s. in de werkelijke proceskosten te veroordelen, en (ii) hetgeen Tradman c.s. onder 83-86 van hun spreekaantekeningen ter zitting van 1 november 2023 over de kosten van Tradman FS en Tradman IP naar voren hebben gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Beslissing Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus 2024 voor memorie aan de zijde van de Staat c.s. als bedoeld onder 5.155 hiervoor, houdt iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. A.W.H. Vink, M.M. Korsten-Krijnen en mr. J-P.R. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.</p></div>", "next": 0}