{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat BMBN Groza voldoende duidelijke en concrete instructies heeft gegeven over hoe verificatiegesprekken moesten worden gevoerd en waarnaar in die gesprekken diende te worden geïnformeerd. Wat dit laatste betreft valt in het bijzonder te denken aan concrete vragen over wat de klant door de verkoopmedewerkers van Aktua in aanbiedings- of verkoopgesprekken of anderszins was verteld, in het bijzonder ten aanzien van de kansen op bestemmingswijzigingen van de aan te kopen grond(en). Evenmin is gesteld of gebleken dat BMBN Groza heeft geïnstrueerd dat daadwerkelijk en zorgvuldig op eventuele twijfels van de klant moest worden ingegaan en dat in voorkomende gevallen moest worden dóórgevraagd. Meer algemeen: dat desnoods ten koste van het sluiten van de voorliggende koopovereenkomst rekening moest worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sylvestre en BMBN 3.7.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof deelt op grond van al het voorgaande de onder 4.90 verwoorde conclusie van de rechtbank dat Sylvestre en BMBN bewust de ogen hebben gesloten voor de oneerlijke handelspraktijken van Aktua en Groza, al dan niet met het oog op de financiële belangen die voor Groza c.s. op het spel stonden, alsmede, dat daarom moet worden aangenomen dat Sylvestre en BMBN hebben toegelaten dat Groza en Aktua zich hebben schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk, waarvan hun een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Niets van wat Groza c.s. in het kader van hun grief naar voren hebben gebracht leidt tot een ander oordeel. Sylvestre en BMBN zijn dus jegens [geïntimeerden] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld. [appellant 6] en [appellant 3] 3.7.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien hetgeen het hof onder 3.7.2. heeft overwogen, zijn [appellant 6] en [appellant 3] op grond van artikel 2:11 BW met Sylvestre en BMBN hoofdelijk aansprakelijk voor de te dezen door [geïntimeerden] geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen 3.7.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom is dat de grief faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met grief 4 in het incidentele hoger beroep betogen [geïntimeerden] dat de rechtbank ten onrechte Sylvestre, BMBN, [appellant 6] en [appellant 3] slechts aansprakelijk heeft geacht voor wat betreft de periode vanaf 10 april 2017. Deze grief bouwt voort op grief 3 in het incidentele hoger beroep. Aangezien het hof bij de beoordeling van laatstgenoemde grief heeft geoordeeld dat Groza en Aktua niet pas vanaf 10 april 2017, maar reeds vanaf maart 2017 een oneerlijke handelspraktijk hebben verricht, slaagt ook de onderhavige grief – bij gebreke van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen en gelet op de behandeling van grief 2 in het principale hoger beroep – in zoverre. Het behoeft, gezien overweging 3.4.17, geen betoog dat de grief voor wat betreft de periode vóór 1 maart 2017 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diversen: bewijsaanbod, slotsom, proceskosten hoger beroep, geen tussentijds cassatieberoep 3.8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen hebben geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, op enig onderdeel tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden. Hun bewijsaanbiedingen, voor zover in het voorgaande nog niet behandeld, worden daarom als niet ter zake dienend van de hand gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het dictum daarvan in stand kan blijven (met dien verstande dat door de rechtbank een nieuwe roldatum zal moeten worden bepaald), zal het bestreden vonnis ondanks het gedeeltelijk slagen van de grieven 3, 4 en 6 in het incidentele hoger beroep en de gedeeltelijke toewijsbaarheid van de in hoger beroep gewijzigde eis, worden bekrachtigd. De zaak zal op de voet van artikel 355 Rv naar de rechtbank worden verwezen om op de hoofdzaak verder te beslissen, zulks met inachtneming van wat het hof in dit arrest heeft overwogen en beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet voorshands geen aanleiding tussentijds cassatieberoep toe te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groza c.s. zullen, als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het principale hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verschotten (vast recht) € 11.379,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 12.434,00 (twee punten tarief VIII) Totaal € 23.813,00.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat partijen in zoverre over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het incidentele hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd als na te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat de grieven 3, 4 en 6 in het incidentele hoger beroep gedeeltelijk gegrond zijn, dat de gewijzigde eis van [geïntimeerden] in hoger beroep ten aanzien van het petitum onder I a) gedeeltelijk toewijsbaar is en dat een nieuwe roldatum voor de door [geïntimeerde 2] te nemen akte zal moeten worden bepaald; verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Holland om op de zaak verder te beslissen, zulks met inachtneming van hetgeen het hof in dit arrest heeft overwogen en beslist; verwijst Groza c.s. in de kosten van het principale hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] als voormeld begroot op € 23.813,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de veertiende dag na betekening van dit arrest tot aan de dag der voldoening; verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het incidentele hoger beroep aldus dat partijen ieder de eigen kosten daarvan dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D. Kingma en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.</p></div>", "next": 0}