{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij de benoeming en het ontslag van diverse bestuurders is de ondernemingsraad niet in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen (artikel 30 WOR). Dat betrof onder meer het ontslag van [CEO 1] (2.14) en het ontslag van [CCO 1] (2.31). Ook de gang van zaken rondom het terugtreden van [CFO 2] vertoont een zo grote gelijkenis met een voorgenomen besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 30 WOR dat het daarmee op één lijn moet worden gesteld (2.48, 2.49, 2.52 en 2.61). Het wettelijke adviesrecht van de ondernemingsraad werd telkens genegeerd. Wat [CEO2] betreft, acht de onderzoeker het niet aannemelijk dat hij vrijwillig ontslag heeft genomen. Volgens de onderzoeker was hem meermalen te verstaan gegeven dat [DGA] van hem af wilde. [CEO2] genoot desondanks tot 22 mei 2022 de steun van de niet-uitvoerende bestuurders, maar dit werd volgens de onderzoeker anders tijdens de vergadering van 24 mei 2022 waarin het memo van [CEO2] en [financieel directeur] werd besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet-uitvoerende bestuurders concludeerden toen dat de positie van [CEO2] onhoudbaar was geworden vanwege de breuk in zijn relatie met [DGA] . Deze lezing wordt bevestigd door [CEO2] in zijn verweerschrift. Daarmee vertoonde ook het terugtreden van [CEO2] een zo grote gelijkenis met een voorgenomen besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 30 WOR dat de ondernemingsraad tijdig om advies moest worden gevraagd. Opnieuw werden de wettelijke medezeggenschapsregels niet nageleefd. Bij de beoogde benoeming van [NUB4] tot uitvoerende bestuurder werd artikel 30 WOR opnieuw niet in acht genomen. Pas nádat de benoeming van [NUB4] op 7 juni 2022 op de website van Centric bekend was gemaakt, werd de ondernemingsraad hierover op 7 en 8 juni 2022 geïnformeerd en om advies gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies was daarmee niet op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het nog van wezenlijke invloed kon zijn op het besluit (artikel 30 lid 2 WOR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook overigens werden de medezeggenschapsrechten van de ondernemingsraad niet gerespecteerd. Centric voldoet aan de vereisten voor het structuurregime. De onderzoeker is niet nagegaan of het structuurregime correct is toegepast, maar heeft wel geconstateerd dat het versterkte aanbevelingsrecht van de ondernemingsraad voor de voordracht van (ten hoogste een derde) van de niet-uitvoerende bestuurders in de statuten ontbrak, zonder dat is gebleken dat de ondernemingsraad daarvoor toestemming had gegeven (artikel 2:268 lid 6 en 12 BW in verbinding met artikel 2:274a lid 1 BW). De onderzoeker meldt op basis van twee bronnen dat juist [DGA] gekant was tegen een versterkt aanbevelingsrecht van de ondernemingsraad. Gevolg hiervan is dat de ondernemingsraad niet in staat is geweest haar wettelijke medezeggenschapsrechten uit te oefenen bij de benoeming van niet-uitvoerende bestuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer dat de ondernemingsraad juist en volledig wordt ingelicht en dat het medezeggenschapsproces zo wordt ingericht dat de volle werking van de wettelijke medezeggenschapsrechten is gewaarborgd. Bij Centric werden niet alleen de medezeggenschapsrechten van de werknemers structureel in ernstige mate tekort gedaan, het bestuur ontzegde zichzelf hiermee ook de mogelijkheid van tegenspraak en reflectie op de samenstelling en het functioneren van het bestuur, waarbij Centric en haar onderneming hadden kunnen zijn gebaat (vgl. OK 17 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1119, (Estro)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenstelling bestuur 4.20 In vijf jaar tijd zijn zes uitvoerende bestuurders van Centric Holding voortijdig vertrokken of ontslagen. Als gevolg daarvan was het bestuur lange tijd niet naar behoren samengesteld. De onderzoeker is niet gebleken dat de niet-uitvoerende bestuurders ooit een voordracht hebben gedaan voor de benoeming van niet-uitvoerende bestuurders. Daarbij komt dat niet is gebleken dat Centric Holding, zoals wettelijk voorgeschreven, een profielschets voor de niet-uitvoerende bestuurders had vastgesteld (artikel 2:268 lid 3 BW in verbinding met artikel 2:274a lid 1 BW), terwijl documentatie over het besluitvormingsproces bij de benoeming van bestuurders ontbreekt. Een profielschets had kunnen dienen als toetsingskader bij de beoordeling van de geschiktheid van kandidaat-bestuurders, en als waarborg voor een evenwichtige samenstelling van het bestuur, de aanwezigheid van voldoende deskundigheid en het versterken van diversiteit en kritisch vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen werd voor het vervullen van vacatures van bestuurders rondgekeken binnen het eigen netwerk en naar bevriende relaties, zo heeft de onderzoeker geconstateerd. Het ontbreken van een profielschets en een gestructureerd benoemingsproces heeft samen met het niet naleven van de statutaire en wettelijke vereisten er aan bijgedragen dat het bestuur van Centric Holding onvoldoende in staat is geweest om zich op het moment dat dat nodig was, in het belang van Centric en haar onderneming, onafhankelijk van [DGA] op te stellen. Het gevolg was dat [DGA] steeds controle kon blijven uitoefenen over het gehele bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centric raakt verwikkeld in de vete tussen [DGA] en [ex-partner] 4.21 Uit het onderzoeksverslag blijkt dat [DGA] als niet-uitvoerende bestuurder feitelijk de rol van CEO op zich nam, dat hij kritische bestuurders feitelijk zelf ontsloeg zonder acht te slaan op toepasselijke statutaire regels en regels van medezeggenschap en dat nieuwe bestuurders werden aangezocht binnen de relaties van in het bijzonder [DGA] . Als gevolg daarvan is het bestuur onvoldoende in staat geweest om tegenwicht te bieden toen Centric door [DGA] werd betrokken in een privéconflict tussen hem en zijn voormalige partner [ex-partner] . [ex-partner] was in loondienst van Centric Nederland en bestuurder van DSS/Wagner, twee ondernemingen van [DGA] (2.11). Dat het conflict tussen [DGA] en [ex-partner] ook arbeidsrechtelijke gevolgen voor [ex-partner] heeft gehad, is op zichzelf dan niet verrassend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hevigheid van het conflict en de zeer ernstige, ongefundeerde en soms ronduit uitzinnige beschuldigingen van [DGA] aan het adres van [ex-partner] gingen echter alle perken te buiten, zoals inmiddels ook al in diverse rechtszaken is vastgesteld. In deze enquêteprocedure is vooral relevant dat het belang van Centric Holding en haar onderneming meebracht dat Centric geen onderdeel zou worden van het privéconflict van haar bestuurder en grootaandeelhouder. Als bestuurder van Centric Holding had [DGA] uitsluitend dát belang te dienen en ook als (indirect) aandeelhouder had [DGA] moeten voorkomen dat Centric zou worden betrokken in het privéconflict. Ingevolge artikel 2:8 BW diende hij zich immers ook als aandeelhouder jegens Centric te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en mocht hij het belang van de vennootschap in beginsel niet veronachtzamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de (overige) bestuurders van Centric Holding gold eveneens dat zij ervoor dienden te waken dat Centric en haar onderneming geen nadeel zou ondervinden van het privéconflict tussen [DGA] en [ex-partner] . Waar [DGA] het belang van Centric onvoldoende in het oog hield, dienden de (overige) bestuurders [DGA] te corrigeren. Daarbij moet worden bedacht dat de uitvoerende bestuurders ingevolge de statuten niet door [DGA] werden ontslagen, maar door (een besluit van) de niet-uitvoerende bestuurders (artikel 11 lid 4); de niet-uitvoerende bestuurders konden slechts op de voet van artikel 2:271 lid 2 en 3 BW worden geschorst of ontslagen. Dat betekent dat, zo lang het bestuur naar behoren was samengesteld, [DGA] op grond van de statuten niet zelfstandig kon besluiten tot ontslag van bestuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige bestuurders hebben het herhaaldelijk laten gebeuren dat deze kernbepalingen werden genegeerd en zichzelf daarmee in een afhankelijke positie geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Ondanks het voorgaande heeft Centric zich onder leiding van [DGA] rechtstreeks gemengd in het conflict met [ex-partner] . Zo heeft Centric op 23 december 2019 een door [DGA] herschreven interview laten plaatsen op haar website. In dat interview werd [ex-partner] opnieuw en in strijd met het eerste verbodsvonnis ervan beschuldigd achter de FIOD-inval bij Strukton te hebben gezeten (2.27 en 2.51). Op 13 maart 2020 heeft Centric de niet-geanonimiseerde beschikking in de arbeidszaak op haar website geplaatst (2.62). Enkele dagen na de mondelinge behandeling van het hoger beroep van het eerste verbodsvonnis en nadat partijen hadden afgesproken elkaar geen verwijten meer te maken, heeft [DGA] het rapport van Lumen Lawyers op het intranet van Centric laten plaatsen en aan alle groepshoofden van Centric gestuurd (2.73).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit was nádat de gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat Lumen Lawyers niet onafhankelijk was (2.71). Eind februari 2022 heeft [DGA] mr. Van Tilborg geïnstrueerd namens Centric een klacht in te dienen tegen de advocaat van [ex-partner] (2.90). Op 25 maart 2022 heeft mr. Van Tilborg mede namens Centric Holding en DSS ten laste van [ex-partner] onder [DGA] conservatoir derdenbeslag laten leggen op het bedrag van € 1.960.000 dat [DGA] ter zake van verbeurde dwangsommen aan [ex-partner] diende te betalen (2.95). Op 29 maart 2022 hebben [CEO2] en [financieel directeur] , op verzoek van [NUB1] en na overleg met [NUB3] , namens Centric de beslagverklaring getekend (2.96), ondanks dat zij wisten dat de inhoud daarvan niet juist was, dat dit niet in het belang van Centric was en dat Centric zich hier niet in moest mengen (2.93).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens trok bedrijfsjurist Klinkert op 31 maart 2022 en 5 april 2022 tweemaal aan de bel bij [NUB3] , [CEO2] en [financieel directeur] (2.97, 2.98). Klinkert waarschuwde ervoor dat de rechter het beslag bij onvoldoende onderbouwing zou kunnen opheffen en (indien gevorderd) schadevergoeding zou kunnen toewijzen. Ook waarschuwde hij op voorhand voor negatieve publiciteit. Omdat Klinkert kennelijk door [DGA] werd gewantrouwd en buiten het dossier werd gehouden, adviseerde hij dat Centric zich door een eigen advocaat zou laten bijstaan. Het advies werd genegeerd, maar zijn waarschuwingen bleken gegrond; bij vonnis van 2 mei 2022 heeft de voorzieningenrechter het beslag opgeheven op de grond dat dit beslag op onjuiste gronden was gelegd en dat sprake was van misbruik van recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis en de betrokkenheid van Centric werden breed uitgemeten in de pers (2.99, 2.100 en 2.106). Toen [CEO2] en [financieel directeur] naar aanleiding daarvan terecht aandrongen op maatregelen tegen [DGA] werden zij door de niet-uitvoerende bestuurders niet gesteund en zagen zij zich gedwongen te vertrekken (2.107, 2.108 en 2.109). Dit heeft uiteindelijk geleid tot het onderzoek door de advocaat-generaal (2.111) en een definitieve escalatie toen [DGA] op 17 oktober 2022 aankondigde zichzelf weer tot bestuurder van Centric te benoemen (2.116). De e-mail van 23 oktober 2022 waarin vanaf het e-mail adres van [DGA] aan de advocaat-generaal wordt geschreven dat [DGA] geen gevolg zal geven aan het verzoek om terug te treden, staat bol van ongefundeerde beschuldigingen en complottheorieën en is daarmee tekenend voor de chaotische en onwerkbare situatie die inmiddels onder invloed van het steeds irrationeler gedrag van [DGA] in het bestuur van Centric Holding was ontstaan (2.119).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedrag van [DGA] en betrokkenheid [echtgenote] 4.23 Ook in andere opzichten waren het optreden en het gedrag van [DGA] in toenemende mate zorgwekkend. Op 2 april 2019 had de algemene vergadering van Centric Holding (bestaande uit [DGA Investments B.V.] ) de jaarrekening 2018 vastgesteld nadat deze door het bestuur (mede bestaande uit [DGA] ) was opgemaakt (2.20). Nadat [CCO 1] in het kader van de ontbindingsprocedure op basis van die jaarrekening aanspraak op een bonus had gemaakt, stelde Centric Holding zich in rechte op het standpunt dat de jaarrekening een verkeerd beeld gaf; in 2018 zou er geen winst zijn gemaakt in plaats van de gerapporteerde winst van € 18 miljoen. Naar aanleiding van mediaberichten hierover zijn Kamervragen gesteld (2.59).</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoeker heeft geen aanwijzingen gevonden voor onjuistheden in de jaarrekening. Op basis van het vonnis van de kantonrechter in de ontbindingsprocedure tegen [CCO 1] concludeert de onderzoeker dat er geen reden was om de jaarrekening aan te passen. Ongefundeerde beschuldigingen die [DGA] uitte in de richting van [CCO 1] , hadden intussen ook hun uitwerking op EY als controlerend accountant; EY zegde haar dienstverlening aan Centric op (2.20 en 2.75).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 In dezelfde periode raakte [echtgenote] nauw betrokken bij Centric. [echtgenote] had toegang tot de zakelijke en privé e-mail adressen van [DGA] en verzond met grote regelmaat e-mails vanaf deze adressen op naam van [DGA] . Daarbij was in het bestuur van Centric Holding en binnen Centric breed bekend dat [DGA] zelf nooit e-mails verzond en dat het [echtgenote] was die op naam van [DGA] de e-mails verzond. Ook vanaf het e-mail adres van [DGA] bij Strukton werden op naam van [DGA] e-mails verzonden die betrekking hadden op Centric of waarbij bestuurders van Centric werden ingekopieerd (2.33, 2.39, 2.41, 2.42, 2.43, 2.46, 2.47, 2.48, 2.68, 2.79, 2.84, 2.102). Geregeld werden daarin complottheorieën ten beste gegeven of andere buitenissige en ongefundeerde mededelingen gedaan, ook aan derden (2.33, 2.39, 2.42, 2.46, 2.47, 2.68). [DGA] heeft dit steeds toegelaten en ook de overige bestuurders hebben niet ingrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met instemming van [DGA] raakte [echtgenote] betrokken bij de contractonderhandelingen met DNB, zonder dat met haar geheimhouding was overeengekomen (2.16). Op 4 april 2019 verscheen een bericht op de websites van Centric en Strukton dat het management team het volste vertrouwen in de deskundigheid van [echtgenote] had (2.22). Op 28 juni 2019 verscheen een bericht in NRC dat het bestuur van Centric zich tegen de betrokkenheid van [echtgenote] bij de overeenkomst met DNB had verzet (2.28). De betrokkenheid van [echtgenote] bij Centric ging ook aan de media niet voorbij (2.50, 2.52). [echtgenote] werd bijgestaan door dezelfde advocaat als Centric en [DGA] (2.90, 2.104).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 De gevolgen van de vermenging van Centric met de privézaken van [DGA] , het irrationele gedrag van [DGA] en de betrokkenheid van [echtgenote] bij Centric waren groot. Daarbij moet worden bedacht dat het conflict ook los van Centric gepaard ging met de nodige publiciteit, terwijl de reputatie van [echtgenote] , onder meer na haar optreden bij Nieuwsuur aan twijfel onderhevig was (2.10). Al op 7 januari 2020 zijn Kamervragen gesteld over de onrust bij Centric, de rol van [echtgenote] en zorgen om de continuïteit van de onderneming (2.54). Op 29 december 2020 werden opnieuw Kamervragen gesteld of de Nederlandse overheid wel zaken moest blijven doen met [DGA] (TK, 2021/22, Vragen 2022Z11640). In oktober 2021 zegde Rabobank de contractuele relatie op, evenals verzekeraar Zurich en belangrijke klanten als DNB, Menzis, BNG, ASML (2.82, 2.91, 2.93 en 2.108).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van media-aandacht rondom het vertrek van [CEO2] , [financieel directeur] en [managing director divisie] werden andermaal Kamervragen gesteld (TK, 2021/22, Vragen 2022Z11640; 2022Z11642). In juli 2022 stelde RSM als voorwaarde voor voortzetting van haar accountantsdiensten dat [DGA] niet langer betrokken zou zijn bij Centric (2.113). Ook intern werden serieuze zorgen over de continuïteit van de onderneming geuit (2.107 en 2.108). De omzet liep terug van € 468 miljoen (2017) naar € 425 miljoen (2022); het resultaat daalde van € 21,3 miljoen (2017) naar € -3,4 miljoen (2022) en het personeelsbestand liep terug, zowel wereldwijd (4.250 in 2017 naar 3.327 in 2022) als in Nederland (2.661 in 2017 naar 2.113 in 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de negatieve publiciteit rondom [DGA] daarbij een belangrijke rol speelde was binnen het bestuur van Centric Holding bekend (zie bijvoorbeeld 2.77, 2.93, 2.97, 2.103, 2.108 en 2.113). Ook volgens [NUB4] leidde de betrokkenheid van [DGA] bij de bedrijfsvoering van Centric tot grote onrust bij personeel en klanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuur grijpt niet voldoende in 4.26 Uit het verslag blijkt dat diverse bestuurders en werknemers hebben voorzien dat Centric bezig was zichzelf schade te berokkenen. Sommige bestuurders hebben getracht erger te voorkomen en hebben daarmee het belang van Centric gediend. Zo weigerde [CEO 1] mee te werken aan de boekpresentatie van [echtgenote] en was hij ondanks zijn ontslag bereid de jaarcijfers 2018 af te ronden (2.13 en 2.14). [CFO 1] gaf te kennen dat haar zelfgekozen ontslag was ingegeven door het optreden van [DGA] (2.24 en 2.26). [CCO 1] verzette zich intern en extern tegen de betrokkenheid van [echtgenote] bij Centric (2.16 en 2.25), met zijn ontslag tot gevolg. [CFO 2] trof hetzelfde lot toen zij geruchten over een rol van [echtgenote] bij Centric wilde tegenspreken (2.48, 2.49, 2.52, 2.61). [CEO2] en [financieel directeur] maakten weliswaar de fout de beslagverklaring te tekenen (2.96 en 2.97) maar hebben zich beiden wel degelijk verzet tegen het voor Centric nadelige eigenmachtig optreden van [DGA] , zoals blijkt uit de interne e-mails van 9 maart 2022 en 11 mei 2022 van [CEO2] en [financieel directeur] (2.93, 2.94, 2.103 en 2.105) en hun memorandum van 22 mei 2022 waarmee zij intern de noodklok luidden (2.107 en 2.108). Toen zij binnen het bestuur geen steun kregen als gevolg van oppositie door [NUB3] , [NUB1] en ook [NUB4] , hebben [CEO2] en [financieel directeur] noodgedwongen hun conclusies moeten trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 Ondanks het feit dat verschillende bestuurders op gezette tijden hebben getracht [DGA] – en daarmee Centric – bij te sturen, is het bestuur van Centric Holding als collectief daartoe niet in staat geweest. De dominante positie van [DGA] en de vele ontslagen hebben het bestuur verlamd. Maar het is niet alleen het gebrek aan interne tegenspraak waardoor [DGA] Centric kon laten ontsporen, [DGA] is daarin ook herhaaldelijk aangemoedigd en bevestigd. Dit gold bijvoorbeeld voor [werknemer Centric] die [DGA] meermalen en op volstrekt ongepaste wijze aanvuurde (2.45, 2.57, 2.58, 2.60, 2.64, 2.66 en 2.67). [NUB1] heeft weliswaar (op omfloerste wijze) kanttekeningen geplaatst bij het concept rapport van Lumen Lawyers (2.63) en was ook betrokken bij het terugtreden van [DGA] als niet-uitvoerende bestuurder in 2021 (2.77), maar bezien over de gehele periode heeft [NUB1] nooit corrigerend opgetreden op een wijze die van een niet-uitvoerende bestuurder mag worden verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integendeel, zo blijkt uit de aanmoediging van [NUB1] in zijn commentaar op een concept e-mail aan de FIOD (2.40) en op het concept rapport van AB Com (2.43, 2.44) en de tijdlijn van Centric die [NUB1] verzond naar (het e-mail adres van) [DGA] (2.55). Ook was het [NUB1] die [CEO2] en [financieel directeur] verzocht de beslagverklaring te tekenen (2.96). Nádat de rechtbank al had geoordeeld dat daarbij sprake was geweest van misbruik van recht, weigerde [NUB1] nog steeds steun te verlenen aan de noodkreet van [CEO2] en [financieel directeur] (2.109). Ook is niet gebleken dat [NUB1] ooit is opgetreden tegen de bedenkelijke e-mails van [werknemer Centric] (2.45) en de door [echtgenote] van het e-mail adres van [DGA] verzonden e-mails waarbij hij telkens werd ingekopieerd (2.41, 2.42, 2.46, 2.47, 2.68).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook [NUB3] heeft meegewerkt aan de voorbereiding van het onrechtmatige beslag (2.88, 2.89, 2.82 en 2.96) en ook hij liet [CEO2] en [financieel directeur] vallen toen zij erger trachtten te voorkomen (2.109). Hetzelfde geldt voor [NUB4] die evenmin steun verleende aan [CEO2] en [financieel directeur] (2.109). Daarbij zij opgemerkt dat [NUB4] zich uiteindelijk wel achter de verzoeken van de advocaat-generaal heeft geschaard en in het belang van Centric is aangebleven. De door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurders benadrukken in dat verband nog dat [NUB4] zich tot de verkoop van de dochters van Centric Holding als COO is blijven inzetten voor Centric Holding en de OK-bestuurders heeft ondersteund in de dagelijkse leiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvattende bevindingen en slotsom 4.28 Uit het onderzoeksverslag blijkt van wanbeleid bij Centric Holding in de periode van 1 januari 2018 tot 3 november 2022. Het onderzoeksverslag beschrijft nauwgezet en in detail hoe de gang van zaken bij Centric tussen eind 2018 en november 2022 is ontspoord nadat [DGA] vanaf eind 2018 samen met [echtgenote] , deels via Centric een steeds verder escalerend conflict is gaan uitvechten met zijn voormalige partner [ex-partner] . [DGA] is zich daarbij – al dan niet onder invloed van [echtgenote] – in toenemende mate irrationeel gaan gedragen. Dit heeft geleid tot uitzinnige beschuldigingen aan het adres van [ex-partner] en een reeks van rechtszaken waar Centric ook zelf direct bij betrokken is geraakt en een stroom van aanhoudende negatieve media aandacht, waardoor zowel klanten als zakelijk dienstverleners het vertrouwen in Centric hebben verloren, met zeer ernstige nadelige gevolgen voor Centric en de door haar gedreven onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksverslag dat de governance van Centric in die periode onvoldoende heeft gefunctioneerd. De opeenvolgende (niet-)uitvoerende bestuurders van Centric Holding zijn er in wisselende samenstelling telkens niet in geslaagd om voldoende weerstand te bieden aan het steeds irrationeler gedrag van [DGA] . Dat is uiteindelijk ten koste gegaan van Centric en haar onderneming. Uit het onderzoeksverslag volgt dat [DGA] min of meer naar eigen inzicht bepaalde hoe het bestuur van Centric Holding was samengesteld. Hij omringde zich liefst met bevriende relaties, bestuurders die weerstand boden moesten het veld ruimen; in vijf jaar tijd zijn zes uitvoerende bestuurders voortijdig vertrokken of ontslagen. Het bestuur van Centric was gedurende lange tijd onvolledig samengesteld en [DGA] functioneerde in die tijd als feitelijk CEO en beleidsbepaler. De ondernemingsraad werd stelselmatig gepasseerd. Van collegiaal bestuur was geen sprake: inspraak, tegenspraak en medezeggenschap werden monddood gemaakt, omzeild of genegeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 In de onderzoeksperiode is het bestuur van Centric Holding er niet in geslaagd [DGA] te begrenzen. [DGA] werd door het bestuur niet getemperd in zijn ruzie met [ex-partner] , maar door sommigen zelfs geholpen en aangemoedigd. Dat daarmee ook Centric in het geschil werd betrokken werd voor lief genomen. Iedereen wist dat [echtgenote] namens [DGA] de pen voerde richting de pers, overheden en belangrijke klanten, maar niemand greep in. Nadat de situatie eind 2020 volledig uit de hand was gelopen, is [DGA] weliswaar teruggetreden als bestuurder, maar toen hij in 2021 naar aanleiding van de dagvaarding in de Bodemprocedure opnieuw de regie naar zich toetrok, werd dat geaccepteerd, met uiteindelijk desastreuse gevolgen voor de reputatie van Centric en het vertrouwen in haar onderneming. Dit alles is evident strijdig met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. De slotsom is dan ook dat in de onderzoeksperiode bij Centric Holding sprake is geweest van wanbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid voor het wanbeleid 4.31 Voor dat wanbeleid is eerst en vooral [DGA] – en via hem: [DGA Investments B.V.] – verantwoordelijk. De Ondernemingskamer houdt met [DGA] ook [echtgenote] voor het wanbeleid verantwoordelijk. [echtgenote] droeg weliswaar geen formele verantwoordelijkheid voor het beleid van Centric Holding, maar dat laat onverlet dat zij als penvoerder van [DGA] zowel intern als extern welbewust in het bestuur van Centric Holding en namens de vennootschap is opgetreden, zodat zij gezamenlijk met [DGA] verantwoordelijk gehouden kan worden gehouden voor het wanbeleid bij Centric Holding. Daarnaast houdt de Ondernemingskamer [NUB1] en [werknemer Centric] en, in mindere mate, [NUB3] verantwoordelijk voor het wanbeleid. Hun hiervoor onder 4.27 genoemde handelen en nalaten heeft het uiteindelijk mogelijk gemaakt dat door het gedrag van [DGA] het vertrouwen in de reputatie van Centric ernstig is geschaad en het bestendig succes van Centric Holding en haar onderneming serieus in het gedrang is gebracht. Ondanks dat [CEO2] en [financieel directeur] ten onrechte de beslagverklaring hebben getekend, houdt de Ondernemingskamer hen uiteindelijk niet mede verantwoordelijkheid voor het wanbeleid in de onderzoeksperiode, nu zij zich vervolgens alsnog ervoor hebben ingespannen dat maatregelen zouden worden getroffen om de gevolgen van dat wanbeleid af te wenden. Hetzelfde geldt uiteindelijk voor [NUB4] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen en kosten 4.32 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Centric Holding het nodig maakt de navolgende voorzieningen te treffen. Zij zal [DGA] ontslaan als bestuurder van Centric Holding. De Ondernemingskamer zal Wakkie benoemen tot uitvoerende bestuurder en Meijer benoemen tot niet-uitvoerende bestuurder van Centric Holding, vooralsnog voor een periode van twee jaar. De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om alle aandelen in Centric Holding voor een periode van twee jaar ten titel van beheer over te dragen aan Evers. De OK-functionarissen hebben te kennen gegeven dat zij tot een afwikkeling van de vennootschap willen komen, maar dat zij er niet in slagen om daarover met [DGA] of [DGA Investments B.V.] in zinvol overleg te treden. Tegen die achtergrond merkt de Ondernemingskamer op dat indien daar aanleiding toe bestaat ook al op een eerder moment om opheffing van (een deel van) de voorzieningen kan worden verzocht en dat deze zo nodig na twee jaar ook nog kunnen worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 Bij vernietiging van de besluiten van de algemene vergadering tot het verlenen van décharge aan de leden van het bestuur van Centric Holding bestaat geen voldoende belang. Daarbij moet worden bedacht dat de onderneming van Centric Holding inmiddels is verkocht, terwijl een eventuele vordering van Centric Holding op de bestuurders uiteindelijk ten goede zou komen aan [DGA Investments B.V.] en daarmee aan [DGA] die primair verantwoordelijk is voor het gebleken wanbeleid. Dit verzoek zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 De Ondernemingskamer zal bepalen dat Centric Holding de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de bestuurders en de beheerder van aandelen ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling tijdens de tijdelijke aanstelling, betaalt. Onder deze redelijke kosten van verweer worden mede begrepen de kosten van rechtsbijstand en andere deskundigen, alsmede de kosten van de eigen werkzaamheden van de bestuurders en beheerder van aandelen voor zover deze kosten betrekking hebben op het informeren en instrueren van vertegenwoordigers in rechte en andere deskundigen en het bijwonen van besprekingen en mondelinge behandelingen in verband met die procedures, waaronder begrepen de kosten die opkomen nadat de voorzieningen zijn geëindigd. De Ondernemingskamer zal daarbij ook bepalen dat de bestuurders en de beheerder van aandelen namens Centric Holding de nodige maatregelen kunnen treffen om te zorgen dat Centric Holding voor de betaling van die kosten voldoende zekerheid biedt, ook nadat de voorzieningen zullen zijn geëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Bij toewijzing van het verzoek van de advocaat-generaal tot vernietiging van het besluit tot schorsing van [NUB4] als niet-uitvoerende bestuurder van Centric Holding, bestaat geen voldoende belang meer nu [NUB4] inmiddels is teruggetreden als bestuurder van Centric Holding. Dit verzoek zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 De Ondernemingskamer ziet tot slot geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uitspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De Ondernemingskamer: a. verstaat dat uit het onderzoeksverslag blijkt van wanbeleid bij Eukairos Holding B.V. (voorheen Centric Holding B.V.) in de periode van 1 januari 2018 tot 3 november 2022; stelt vast dat [DGA] , [DGA Investments B.V.] en [echtgenote] gezamenlijk voor dat wanbeleid verantwoordelijk zijn; stelt vast dat [NUB1] , [werknemer Centric] en, in mindere mate, [NUB3] voor dat wanbeleid medeverantwoordelijk zijn; ontslaat [DGA] als bestuurder van Eukairos Holding B.V.; benoemt bij wijze van voorziening met onmiddellijke ingang en voor de duur van twee jaar – voor zover nodig in afwijking van de statuten – mr. P.N. Wakkie te Amsterdam en W.L. Meijer te Amsterdam tot uitvoerende bestuurder, respectievelijk niet-uitvoerende bestuurder van Eukairos Holding B.V.; bepaalt bij wijze van voorziening dat de aandelen in Eukairos Holding B.V. voor de duur van twee jaar ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. M.W.E. Evers te Amsterdam; bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurders en de beheerder van aandelen voor rekening komen van Eukairos Holding B.V.; bepaalt dat Eukairos Holding B.V. de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer van mr. P.N. Wakkie, W.L. Meijer, respectievelijk mr. M.W.E. Evers zal betalen in de zin van artikel 2:357 lid 6 BW; i. bepaalt dat onder redelijke kosten van verweer mede zijn begrepen de kosten van rechtsbijstand en andere deskundigen, alsmede de kosten van de eigen werkzaamheden van mr. P.N. Wakkie, W.L. Meijer, respectievelijk mr. M.W.E. Evers, voor zover deze kosten betrekking hebben op het informeren en instrueren van vertegenwoordigers in rechte en andere deskundigen en het bijwonen van besprekingen en mondelinge behandelingen in verband met die procedures, waaronder begrepen de kosten die opkomen nadat mr. P.N. Wakkie respectievelijk W.L. Meijer zijn uitgetreden als bestuurder van Eurkairos Holding of nadat mr. M.W.E. Evers is opgehouden als beheerder van aandelen op te treden; bepaalt dat mr. P.N. Wakkie, W.L. Meijer, respectievelijk mr. M.W.E. Evers de nodige maatregelen kunnen treffen om te zorgen dat Eukairos Holding B.V. voor de betaling van die kosten voldoende zekerheid biedt, ook nadat de getroffen voorzieningen zullen zijn geëindigd; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. J.M. de Jongh en mr. E. Loesberg, raadsheren, en prof. dr. mr. S. ten Have en mr. S.M. Zijderveld, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.C.W. Wijffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.W.H. Vink op 11 december 2025.</p></div>", "next": 0}