{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">[appellanten] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat Propertize, zoals zij stelt, de facturen van Finwire niet (geheel) heeft doorbelast aan Belval. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft Propertize haar stelling, dat dat (grotendeels) niet het geval is geweest omdat dat niet mogelijk was, onvoldoende onderbouwd, terwijl dat – zoals ook ter comparitie in hoger beroep ter sprake kwam – op haar weg lag. Een bewijsopdracht aan Propertize is bij deze stand van zaken niet aan de orde. Het hof zal er bij de begroting van de schade vanuit gaan dat Propertize de btw over de facturen van Finwire terug heeft ontvangen of terug had kunnen ontvangen en de btw-component dus buiten beschouwing laten. Dit onderdeel van de tegen de begroting van de schade gerichte grief slaagt in zoverre.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ligt anders voor de aan TSI over de marge betaalde btw. In de stellingen van [appellanten] c.s. leest het hof niet een verweer zoals dat ten aanzien van de aan Finwire betaalde btw is gevoerd. Voor zover btw over de aan TSI betaalde marges is gevorderd (alleen met betrekking tot de inschakeling van [naam14] ), zal deze in de begroting van de schade van Propertize worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgaande van dit alles en van de in eerste aanleg als productie 163 overgelegde schadeopstelling, die Propertize heeft gebaseerd op gegevens die de FIOD heeft afgeleid uit de administratie en jaarstukken van Finwire en TSI – en die als zodanig niet (gemotiveerd) door [appellanten] c.s. zijn betwist – komt het hof tot de volgende schadebegroting: marges Finwire, exclusief btw € 723.512,50 marge TSI inzake [naam14] , inclusief deel btw € 122.084,75 overige marges TSI, exclusief btw € 46.522,00 + totale schade € 892.119,25 betaling ontvangen van Finwire € 86.500,00 betaling ontvangen van TSI en anderen € 115.000,00 - resterende schade € 690.619,25.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de vaststelling van de schade van Propertize zoals hiervoor uiteengezet, doet niet af dat [appellant1] niet hebben kunnen beschikken over (achterliggende stukken over) de schikkingen die Propertize met Finwire en (aan) TSI (verbonden personen) heeft getroffen. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, acht het hof die informatie daarvoor niet van belang. Van belang is alleen dat de hieruit ontvangen bedragen van de gevorderde schadevergoeding worden afgetrokken en dat is het geval. Ook de inhoud van een eventuele regeling tussen Finwire en [naam8] is in deze procedure niet van belang, want een eventuele betaling door Finwire aan [naam8] is niet van invloed op de hoogte van de schade van Propertize. [appellanten] c.s. hebben daarom geen belang bij verstrekking van de desbetreffende stukken, zodat hun (eventuele) vorderingen op grond van art. 843a Rv niet toewijsbaar (zouden) zijn (geweest). Voor zover het bewijsaanbiedingen in deze procedure betreft, worden zij bij gebrek aan belang gepasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de stelling van Propertize dat haar schade nog (ongeveer) € 67.250,- (exclusief btw) hoger is, gaat het hof voorbij. Propertize baseert dit bedrag op een schatting naar aanleiding van de in 2013 van Finwire ontvangen facturen en de gemiddelde marge die Finwire daarop volgens haar zal hebben gemaakt, gelet op de in de jaren daarvoor gerealiseerde marge. Deze stelling heeft Propertize onvoldoende onderbouwd met concrete gegevens. Dat had wel op haar weggelegen. Bij deze stand van zaken komt het hof niet aan een bewijsopdracht aan Propertize van de juistheid van haar stelling toe. Overigens geldt dat het bedrag van € 67.250,- ook niet hoog genoeg zou zijn om de gevolgen van het deels slagende btw-verweer van [appellanten] c.s. te ondervangen, zoals hierna (rov. 5.1 en 5.6) zal blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen mede- of eigen schuld Propertize 4.59. [appellanten] c.s. kunnen zich voorts niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat geen eigen schuld of medeschuld bestaat aan de zijde van Propertize bij het ontstaan van de schade (rov. 4.39 en 4.41 van het vonnis). Volgens [appellanten] c.s. wist Propertize van de goede banden van [appellant1] met Finwire omdat hij daar werkte en van het feit dat TSI van zijn schoonzoon [naam13] was, mocht hij toch als contactpersoon functioneren en is door Propertize geen onderzoek gedaan. Hierin zien [appellanten] c.s. een schending van de onderzoeksplicht bij Propertize. Met betrekking tot de verzekeringsdekking menen [appellanten] c.s. dat, nu alleen Aquarius contractspartij was – de toepasselijkheid van art. 7:404 BW was immers contractueel uitgesloten – de verzekeringsdekking waarover Propertize schreef alleen kon zien op Aquarius. Nu achteraf blijkt dat alleen voor [appellant1] verzekeringsdekking bestond, is Propertize tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om [appellanten] c.s. beiden te verzekeren, zo stellen zij. Nu zij niet beoogd hebben Propertize te benadelen of zichzelf of Finwire en TSI ongerechtvaardigd te bevoordelen, valt niet in te zien dat hen geen beroep op de verzekeringsdekking zou zijn toegekomen. Het gebrek aan verzekeringsdekking behoort voor rekening van Propertize te blijven, aldus [appellanten] c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de vermeende eigen schuld van Propertize hebben Propertize c.s. gewezen op de hand die [appellanten] c.s. zelf gehad hebben in de ontstane situatie, waarbij zij met list en bedrog ervoor hebben gezorgd dat Propertize overeenkomsten aanging die enkel waren gericht op verrijking van [appellanten] c.s. en/of familieleden van [appellant1] . Zij hebben het vertrouwen dat zij van Propertize kregen geschonden. Dit is zo kwalijk dat áls al sprake zou zijn van eigen schuld, wat Propertize c.s. betwisten, de billijkheid vereist dat de schade volledig voor rekening van [appellanten] c.s. moet blijven. Over de overeengekomen verzekering hebben Propertize c.s. er onder meer op gewezen dat die – kenbaar voor [appellanten] c.s. – alleen op [appellant1] zag en in dit geval geen dekking biedt, omdat er hetzij geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid hetzij sprake is van strafbaar, oneerlijk en frauduleus handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de zijde van Propertize geen eigen schuld bestaat in het ontstaan van de schade in de hier besproken zin. Op grond van de mededelingen (bij TSI via [naam13] ) van [appellant1] (zie 2.17 en 2.48) mocht Propertize ervan uitgaan dat hij geen belangen (meer) had in Finwire en TSI. Dat Propertize wel wist dat [appellant1] betrokken was geweest bij Finwire en dat TSI van zijn schoonzoon [naam13] was, betekent niet dat Propertize had moeten begrijpen of vermoeden dat er nog wel andere belangen van [appellant1] bij deze vennootschappen speelden en dat hij zich daarom bij de inschakeling van Finwire en TSI niet zou laten leiden door de belangen van Propertize. Het gebrek aan volledige en juiste informatie bij Propertize over de belangen van [appellanten] c.s. in en bij Finwire en TSI is volledig aan [appellanten] c.s. toe te rekenen. Hun mededelingsplicht gaat hier vóór op de onderzoekplicht van Propertize. Van een aan Propertize toe te rekenen omstandigheid die tot de schade heeft bijgedragen is hierbij dus geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontbreken van verzekeringsdekking valt Propertize evenmin tegen te werpen. Dat Aquarius niet meeverzekerd was, hadden [appellanten] c.s. kunnen en moeten begrijpen uit de aard van de in de overeenkomsten genoemde verzekering, die uitsluitend dekking biedt voor natuurlijke personen. Ook uit de brief van Propertize aan [appellant1] van 29 november 2010 blijkt dit (2.108). Dat het tekortschietend en/of onrechtmatig handelen van [appellant1] , zoals eerder vastgesteld, (mogelijk) zal vallen onder de uitsluitingen van verzekeringsdekking zoals die blijken uit productie 32 van [appellanten] c.s., is evenmin aan Propertize te wijten. Ook dit beroep op medeschuld faalt daarom. De verplichting van [appellanten] c.s. tot vergoeding van de (resterende) schade van Propertize blijft dus volledig in stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verjaring 4.63. [appellanten] c.s. hebben een beroep gedaan op verjaring van (een deel van) de vorderingen van Propertize, zoals weergegeven in rov. 4.2 van het bestreden vonnis. Zij zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat van verjaring geen sprake is (rov. 4.4 vonnis). Propertize c.s. hebben gemotiveerd betwist dat van verjaring sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt, evenals de rechtbank deed (in haar rov. 4.3), voorop dat de hier toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaren uit art. 3:310 BW pas begint te lopen nadat degene die schade lijdt zowel van de schade als van de daarvoor aansprakelijke persoon op de hoogte is. Uit wat eerder in dit arrest is overwogen, blijkt dat Propertize weliswaar wist dat zij marges betaalde aan Finwire en TSI, maar niet dat de inschakeling van Finwire en TSI (en dus het betalen van die marges) enkel in het belang van [appellanten] c.s. was, vanwege hun persoonlijke belangen bij het financieel welvaren van Finwire en TSI. Pas nadat in 2013 het handelen van [appellanten] c.s. werd onderzocht, nadat eerder al onderzoek naar dat van [naam1] was gestart, wist Propertize van haar schade en wie daarvoor verantwoordelijk was. De verjaringstermijn is dus pas toen gaan lopen en in 2016, ruimschoots binnen vijf jaar, hebben Propertize c.s. [appellant1] in verband met die schade gedagvaard. Van verjaring is dus geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen schending klachtplicht 4.65.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beslissing van de rechtbank (rov. 4.6) tot verwerping van hun beroep op het schenden van de klachtplicht zoals bedoeld in art. 6:89 BW door Propertize c.s. (rov. 4.5) kunnen [appellanten] c.s. zich ook niet vinden. In de toelichting op hun grief houden zij vol dat Propertize c.s. de verwijten die zij [appellanten] c.s. voor het eerst bij de beslagleggingen in december 2015 maakten al kenden in februari 2013 (toen [appellant1] voor het eerst met Integis sprak) althans april 2013 (toen [appellant1] op non-actief werd gesteld en strafrechtelijke aangifte tegen hem werd gedaan). Zij bestrijden verder dat de op non-actiefstelling en aangifte een klacht inhouden in de zin van art. 6:89 BW. [appellanten] c.s. houden ook vol dat zij door het late klagen zijn benadeeld, omdat [appellant1] bij eerdere wetenschap van de verwijten zijn verklaringen tegenover Integis anders zou hebben ingestoken en hij zijn bewijspositie had kunnen versterken, terwijl het late moment van klagen ook invloed heeft gehad op de mogelijkheden om zijn ondernemingsactiviteiten ongehinderd voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan [appellanten] c.s. stellen, heeft de rechtbank niet geoordeeld dat een strafrechtelijke aangifte heeft te gelden als een klacht in de zin van art. 6:89 BW. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] c.s. uit die (later aan [appellant1] bekend geworden) aangifte, maar (vooral) ook uit de op non-actiefstelling op 8 april 2013 (2.112) al hadden moeten en kunnen begrijpen dat hen mogelijk verwijten van belangenverstrengeling werden gemaakt in verband met de uitvoering van de opdrachten voor Propertize. Dat moet voor hen nog duidelijker zijn geweest op grond van het Integis-rapport van 10 juni 2013 (2.114), waarin deze belangenverstrengeling aan de orde kwam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet in geschil is dat [appellant1] destijds gelegenheid heeft gekregen te reageren op het concept hiervan. [appellanten] c.s. hadden dus toen al kunnen overgaan tot het verzamelen van bewijs, voor zover dat nodig was voor hun reactie en ook om zich zo nodig te kunnen verweren tegen voorzienbare aanspraken van Propertize op dit punt. Gelet daarop valt niet in te zien dat [appellanten] c.s. zijn benadeeld doordat zij pas later (eind 2015) op de hoogte zijn gekomen van de definitieve inhoud van de verwijten van Propertize. Dit wordt niet anders door de volgens [appellanten] c.s. afwijkende, geruststellende opvatting van de onderzoeker van Integis (De Bruin) over de verwijtbaarheid van zijn handelen eind februari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de stellingen hierover van [appellanten] c.s. volgt dat, zoals Propertize c.s. (ook) ter zitting in hoger beroep hebben aangevoerd, De Bruin op dat moment nog niet beschikte over allerlei voor [appellanten] c.s. belastende informatie uit het (latere) strafrechtelijk onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde hiervan gaat het betoog van [appellanten] c.s. dat, als Propertize eerder had geklaagd, [appellant1] de gang van zaken eerder had kunnen toelichten, ook niet op. Vlak na de op non-actiefstelling van 8 april 2013 heeft hij immers nog een gesprek gehad met Integis op 13 april 2013 (2.113) waarin hij een verdere toelichting kon geven. Dit geldt nog sterker waar [appellant1] zegt dat hijzelf vond dat dit gesprek kon doorgaan omdat hij niets te verbergen had. Hieruit kan worden afgeleid dat hij kennelijk zijn verklaring op dat moment niet anders zou hebben ingestoken als hij meer kennis over de verwijten had gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het betoog dat het late moment van klagen invloed heeft gehad op de ondernemingsactiviteiten bouwen [appellanten] c.s. voort op de stelling dat het door het tijdsverloop lastig voor hen is geworden om bewijs te verzamelen en zich te verweren. Gelet op het voorgaande ziet het hof echter onvoldoende grond om aan te nemen dat [appellanten] c.s. in dat opzicht zijn benadeeld, zodat dit argument ook niet opgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als de rechtbank komt het hof daarmee tot de conclusie dat, nu niet is gebleken dat de belangen van [appellanten] c.s. zijn geschaad als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat Propertize bij hen over de belangenverstrengeling heeft geprotesteerd, het beroep op het schenden van de klachtplicht niet slaagt. Voor enige bewijsopdracht in dit verband is geen plaats, omdat het aangeboden bewijs voor dit oordeel niet relevant is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Positie en omvang schade SRH 4.70. [appellanten] c.s. zijn het ook oneens met de oordelen van de rechtbank (in rov. 4.45 t/m 4.49 van het vonnis) over i) hun relatie tot hun opdrachtgever Propertize als onderdeel van het SRH-concern, ii) wat dat voor hen – gelet op hun brede werkervaring – met zich bracht in relatie tot SRH en iii) de kwalificatie van hun handelen als (ook) onrechtmatig tegenover SRH. Daarnaast betwisten zij enige norm te hebben geschonden die strekt ter bescherming tegen de schade van SRH. Bij gebrek aan onderbouwing van deze claim, in weerwil van het verweer van [appellanten] c.s., menen zij dat de rechtbank in haar oordelen buiten de rechtsstrijd is getreden en daarbij ook het geldende bewijsrecht heeft geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Propertize c.s. houden vast aan hun stellingen dat [appellanten] c.s. zowel wegens tekortschietend als onrechtmatig handelen tegenover SRH hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die SRH daardoor heeft geleden. Zij hebben zich binnen het concern van SRH, een – naar [appellanten] c.s. wisten – grote bank-verzekeraar, schuldig gemaakt aan, kort gezegd, niet integer handelen en belangenverstrengeling bij en rondom de uitvoering van hun opdrachten voor diverse werkmaatschappijen van dochteronderneming Propertize. Zij hadden met de aard van hun opdrachtgever als onderdeel van een dergelijk concern rekening moeten en kunnen houden bij hun handelen. Datzelfde geldt voor het voorzienbare risico dat in geval van niet integer handelen op het niveau van de moedermaatschappij van zo’n concern onderzoekskosten zouden kunnen worden gemaakt. In dit verband verwijzen Propertize c.s. onder meer naar de door [appellanten] c.s. als productie A10 overgelegde e-mail van Propertize aan [appellant1] van 15 april 2010, waarin staat dat [appellant1] gescreend zou gaan worden ‘omdat SNS Property Finance een bank is’, en naar de ruime werkervaring van [appellant1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [appellanten] c.s. niet letterlijk bij een bank werkten, zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft het hof al besproken in rechtsoverweging 4.47. Het doet er niet aan af dat [appellanten] c.s. rekening hadden moeten en kunnen houden met de al eerder genoemde hoge integriteitseisen die voor hen zouden gelden bij het accepteren van opdrachten vanuit een vennootschap als Propertize, als onderdeel van een groot bank- en verzekeringsconcern (rov. 4.4). Hun laakbare handelwijze, die hen zelfs op strafvervolging is komen te staan, straalt in negatieve zin af op SRH en is schadelijk voor het vertrouwen van het publiek in de integriteit van dat concern. Hieraan doet vanzelfsprekend niet af of en zo ja, in hoeverre, die strafzaken tot vrijspraken (zullen) leiden, zoals [appellanten] c.s. onder meer in dit verband omstandig hebben uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast hadden [appellanten] c.s. moeten begrijpen dat een integriteitskwestie bij een bestuurder van een dochtervennootschap zou worden onderzocht op het niveau van de moedermaatschappij (SRH), zodat op dat niveau kosten worden gemaakt. [appellanten] c.s. hadden in dat opzicht dus ook rekening te houden met de belangen van SRH. Onder deze omstandigheden hebben [appellanten] c.s. ook tegenover SRH onrechtmatig gehandeld door hun tekortschietend en/of onrechtmatig handelen tegenover Propertize. Voor de daardoor ontstane schade – de onderzoekskosten die SRH door hun toedoen in redelijkheid heeft moeten maken – zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. De door hen geschonden normen beogen niet alleen de belangen van Propertize te beschermen, maar ook die van SRH, zodat ook aan de relativiteitseis van art. 6:163 BW is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de omvang van de schade, bestaande uit de op grond van art. 6:96 lid 2 BW gemaakte onderzoekskosten voor zover die aan [appellanten] c.s. zijn toe te rekenen, geldt het volgende. SRH begroot haar schade, na een beredeneerde schatting en na aftrek van het bedrag dat zij bij wijze van minnelijke regeling van TSI, Jupiter en/of [naam13] en Finwire heeft ontvangen, op € 325.536,12. Dit bedrag is door [appellanten] c.s. gemotiveerd betwist. Hoewel het hof aannemelijk acht dat een deel van de door SRH gemaakte onderzoekskosten is veroorzaakt door het handelen van [appellanten] c.s., is het partijdebat over de omvang van het hen in redelijkheid toe te rekenen deel onvoltooid. Naar het oordeel van het hof is het niet opportuun, mede gelet op wat partijen aan het einde van de comparitie hebben verklaard, deze schade in de onderhavige procedure te begroten, na verdere toelichting door de partijen en eventuele instructie. De door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht dat [appellanten] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van SRH bestaande uit onderzoekskosten en veroordeling van [appellanten] c.s. tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat worden daarom gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of ook sprake is van tekortschietend handelen van [appellanten] c.s. in de naleving van contractuele verplichtingen tegenover SRH hoeft, gelet op het voorgaande, niet te worden beantwoord omdat een bevestigend antwoord niet leidt tot aansprakelijkheid voor andere schade dan hiervoor al is bepaald. Bij de daarop gebaseerde, in het incidenteel hoger beroep gevorderde verklaring voor recht heeft SRH geen, althans onvoldoende belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen terugbetaling loon 4.75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Propertize c.s. hebben in het incidenteel hoger beroep gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.58 en 4.61 van het vonnis) dat [appellanten] c.s. niet gehouden zijn tot terugbetaling van de helft van het ontvangen loon. In de (bestuurs)functies die [appellant1] bij dochtervennootschappen van Propertize zou gaan vervullen lag besloten dat hij ten behoeve van Propertize rechtshandelingen zou gaan en zou moeten verrichten. Vast staat dat hij arbeidskrachten moest aantrekken. Het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van Propertize lag dus besloten in de overeenkomsten van opdracht, waardoor deze (ook) als overeenkomsten tot lastgeving kwalificeren zoals bedoeld in art. 7:414 BW en art. 7:418 BW rechtstreeks van toepassing is. Zou dit al anders zijn, dan vallen de met Propertize gesloten overeenkomsten onder de schakelbepaling van art. 7:424 BW, met hetzelfde resultaat, zo betogen Propertize c.s. [appellanten] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat van overeenkomsten sprake is die vallen onder de werking van art. 7:418 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verenigt zich met de uitleg die de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 4.57, 4.58, 4.60 en 4.61 van het vonnis heeft gegeven aan de betekenis van de door Propertize ingeroepen wetsartikelen in het licht van de met [appellanten] c.s. gesloten overeenkomsten. Het komt erop aan of sprake was van lastgeving – een overeenkomst van opdracht waarbij de lasthebber zich jegens de lastgever verbindt om voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten (art. 7:414 lid 1 BW) – of een andere overeenkomst op grond waarvan de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten (art. 7:424 lid 1 BW). Dat was niet het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomsten van opdracht hielden kort gezegd in dat Aquarius (in de persoon van [appellant1] ) deel zou uitmaken van het bestuur van (klein)dochterondernemingen van Propertize. Ook als zij uit hoofde van die positie bevoegd zou zijn om (al dan niet gezamenlijk met andere bestuurders) bepaalde rechtshandelingen namens die vennootschappen te verrichten, wil dat nog niet zeggen dat op grond van de overeenkomsten een verplichting daartoe op haar rustte. Dat [appellanten] c.s. onder meer tot taak hadden om arbeidskrachten voor de projecten aan te trekken, maakt dat niet anders. Van een bevoegdheid van [appellanten] c.s. tot het sluiten van overeenkomsten ten behoeve van Propertize was evenmin sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wordt ook geïllustreerd doordat de overeenkomsten met Finwire en TSI niet zijn gesloten door [appellanten] c.s., maar door Propertize zelf, na ondertekening door tekeningsbevoegde vertegenwoordigers van Propertize. Dat [appellanten] c.s. wel de onderhandelingen voor deze overeenkomsten hebben gevoerd, maakt het voorgaande niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu van lastgeving of een daarmee gelijk te stellen overeenkomst geen sprake is, is het bepaalde in art. 7:418 BW (dat de lasthebber geen recht heeft op loon als hij een direct of indirect belang heeft bij de totstandkoming van de rechtshandeling en hij de lastgever daarvan niet in kennis heeft gesteld) niet van toepassing. De daarop gebaseerde vordering tot terugbetaling van loon is daarom niet toewijsbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.78.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grief van [appellanten] c.s. tegen de door de rechtbank in hun ogen ten onrechte uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordelingen in conventie berust volgens de toelichting op een onjuiste interpretatie door de rechtbank van de door hen overgelegde uitspraak van de Ondernemingskamer uit 2015 over de vermogenspositie van Propertize. Tegen het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader bij de beantwoording van de vraag of uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege moet blijven (rov. 4.67-4.69 tweede zin), is (terecht) niet gegriefd. In de door [appellanten] c.s. aangehaalde uitspraak van de Ondernemingskamer ziet het hof onvoldoende grond om aan te nemen dat (thans) sprake is van een dusdanig restitutierisico dat het belang van [appellanten] c.s. bij behoud van de bestaande toestand tot op een rechtsmiddel is beslist zwaarder moet wegen dan het belang van Propertize c.s. bij directe uitvoerbaarheid van de veroordeling. Bovendien hebben Propertize erop gewezen dat [appellant1] al hebben voldaan aan de veroordelingen, wat [appellanten] c.s. niet hebben betwist, zodat [appellanten] c.s. ook geen belang meer hebben bij beoordeling van deze grief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslagkosten 4.79. [appellanten] c.s. keren zich tegen de toewijzing van de door Propertize gevorderde beslagkosten, omdat zij bestrijden aansprakelijk en schadeplichtig te zijn ten opzichte van Propertize. Zoals uit het voorgaande volgt, deelt het hof echter het oordeel van de rechtbank daarover, zodat de grief faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsaanbiedingen 4.80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen hebben geen (voldoende concrete) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst in het principaal of incidenteel hoger beroep kunnen leiden. Aan hun bewijsaanbiedingen, voor zover in het voorgaande nog niet besproken, gaat het hof daarom voorbij. in voorwaardelijke reconventie:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81. [appellanten] c.s. hebben tot slot gegriefd tegen het buiten behandeling laten door de rechtbank van hun vorderingen in voorwaardelijke reconventie. Ook deze grief faalt, omdat – zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – de voorwaarde waaronder die vorderingen waren ingesteld niet was vervuld. Noch uit de toelichting op deze grief, noch uit andere delen van de memorie van grieven, zoals het petitum, blijkt dat [appellant1] hun eis in voorwaardelijke reconventie in hoger beroep hebben gewijzigd of willen wijzigen in een onvoorwaardelijke eis in reconventie. Voor een ander oordeel in hoger beroep dan in eerste aanleg is daarom geen plaats. Ook in hoger beroep zal het hof de vorderingen in voorwaardelijke reconventie buiten behandeling laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De slotsom gedeeltelijke vernietiging en bekrachtiging voor het overige van het vonnis 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grief van [appellanten] c.s. tegen, kort gezegd, het meenemen van de btw-component in de begroting van de schade die Propertize heeft geleden door de inschakeling van Finwire slaagt. Het hof begroot daardoor de totale schade van Propertize op € 690.619,25. Dit bedrag is lager dan het bedrag van € 823.960,75 dat de rechtbank heeft toegewezen, zodat het dictum onder 6.5 van het vonnis zal moeten worden vernietigd. In plaats daarvan zal het hof de veroordeling van [appellanten] c.s. uitspreken tot betaling van het door het hof begrote bedrag. Nu [appellanten] c.s. niet hebben gegriefd tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van de wettelijke rente zal ook het hof van die datum uitgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder slagen enkele van de grieven van [appellanten] c.s. gericht tegen de vaststelling door de rechtbank van de feiten. Ook de grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [appellanten] c.s. ‘bij’ een bank werkten is terecht voorgesteld. Naar aanleiding van deze grieven heeft het hof echter de feiten anders en nader vastgesteld en die overweging van de rechtbank aangevuld en verbeterd, zodat deze grieven niet tot (verdere) vernietiging van het vonnis hoeven te leiden. De overige grieven van [appellanten] c.s. falen alle.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen van de door Propertize c.s. tegen het vonnis gerichte grieven in het incidenteel appel slaagt. De rechtbank heeft de vordering van Propertize tot terugbetaling door [appellanten] c.s. van de helft van het door hen ontvangen loon terecht afgewezen. De in het incidenteel hoger beroep vermeerderde vordering tot terugbetaling van het volledige aan [appellanten] c.s. betaalde loon is op dezelfde gronden als waarop de grieven falen niet toewijsbaar en zal dus ook worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de (in hoger beroep gewijzigde) eisen van SRH – de verklaring voor recht met betrekking tot de aansprakelijkheid van [appellanten] c.s. op grond van art. 6:74 BW voor de onderzoekskosten en de veroordeling van [appellanten] c.s. tot betaling van een concreet bedrag aan schadevergoeding in plaats van verwijzing naar de schadestaat zullen worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet in geschil is dat [appellant1] naar aanleiding van het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) vonnis van de rechtbank al hebben voldaan aan de veroordeling tot betaling van het bedrag van € 823.960,75 met rente. Dit betekent dat zij, gelet op de onder 5.1 vermelde beslissing, teveel hebben betaald. Hun vordering tot terugbetaling van hetgeen zij hebben voldaan ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank zal in zoverre worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] c.s. in eerste aanleg als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te gelden, zodat zij terecht zijn veroordeeld in de proceskosten daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande betekent dat het hof het vonnis van de rechtbank waarvan beroep onder aanvulling en verbetering van gronden zal bekrachtigen, met uitzondering van het dictum onder 6.5. proceskosten principaal appel 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de in het principaal hoger beroep overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. ook – hoofdelijk, zoals gevorderd – in de kosten daarvan veroordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Propertize c.s. hebben de veroordeling van [appellanten] c.s. in de daadwerkelijke proceskosten, althans een proceskostenveroordeling met toepassing van zesmaal het liquidatietarief gevorderd, in verband met het tegen beter weten in met een memorie van grieven van 309 pagina’s volharden in hun stellingen over het ontbreken van eigen, tegenstrijdig belang. Hierdoor zijn Propertize c.s. op kosten gejaagd, waardoor het gewone liquidatietarief volgens hen niet volstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10. [appellanten] c.s. hebben hiertegen onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad ingebracht dat hun verweer niet ‘evident kansloos’ is en dat het hen vrijstaat, ook door middel van een lijvige memorie van grieven met vele producties, de stellingen van Propertize c.s. in volle omvang te betwisten en te weerleggen, op basis van feiten en omstandigheden die zij daarvoor relevant achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt het volgende voorop. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de proceskostenregeling in de artikelen 237-240 Rv een exclusieve, limitatieve regeling bevat en dat een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten (in afwijking van het liquidatietarief) alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Van misbruik van procesrecht is sprake als de vordering (of het verweer), gelet op de evidente ongegrondheid, achterwege had moeten blijven, namelijk als eiser (of verweerder) op voorhand had moeten begrijpen dat de vordering (of het verweer) geen kans van slagen had. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure of het voeren van verweer past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen de achtergrond van deze jurisprudentie kan het door [appellanten] c.s. gevoerde verweer daarom pas misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren – en Propertize c.s. aanspraak geven op vergoeding van hun daadwerkelijke proceskosten – voor zover dat verweer evident ongegrond was en in verband met de betrokken belangen van Propertize c.s. niet gevoerd had mogen worden. Hiervan kan pas sprake zijn als [appellanten] c.s. hun verweer baseren op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden of behoorden te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand de kansloosheid hadden moeten begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel Propertize c.s. kan worden nagegeven dat, zoals ook volgt uit rov. 4.48, bepaalde als tekortschietend of onrechtmatig handelen van [appellanten] c.s. gekwalificeerde feiten hun opzettelijk schadeveroorzakend handelen impliceren, kan niet worden gezegd dat al (of een groot deel van) het in de memorie van grieven herhaalde en aangevulde verweer tegen de vorderingen van Propertize c.s. evident en op voorhand kansloos was. Dat het hof op een enkel punt na de rechtbank is gevolgd in haar oordelen en beslissingen, maakt dit niet anders. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen is geen sprake, zodat geen grond bestaat voor toewijzing van een proceskostenveroordeling op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Propertize c.s. kan wel worden nagegeven dat de memorie van grieven met haar 309 pagina’s een aanzienlijke omvang heeft, evenals het aantal (deels nogmaals) overgelegde producties (187). Anders dan [appellanten] c.s. menen, was het niet noodzakelijk voor een correcte beoordeling van het geschil in de hoofdtekst van de memorie van grieven veelvuldig de tekst van de producties waarop zij zich wensten te beroepen (ook nog bij herhaling) te citeren en in voetnoten op te nemen. Deze werkwijze was ook niet nodig om zich ervan te verzekeren dat het hof van de volgens [appellanten] c.s. belangrijke producties kennis zou nemen en vergrootte ook niet – integendeel – het leesgemak, zoals [appellanten] c.s. menen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast hebben [appellanten] c.s. zeer uitvoerig de voorgeschiedenis met betrekking tot diverse kwesties geschetst, terwijl dat voor een groot deel niet of minder relevant was en in elk geval aanzienlijk beknopter had gekund. Aannemelijk is dat de omvang en opzet van de memorie van grieven ertoe heeft geleid dat het lezen en doorgronden ervan met het oog op het opstellen van de memorie van antwoord in het principaal appel en het – geruime tijd daarna – voorbereiden van de comparitie voor Propertize c.s. aanzienlijk tijdrovender en kostbaarder is geweest dan noodzakelijk, waardoor een standaard proceskostenveroordeling een onvoldoende tegemoetkoming zou bieden aan de door hen gemaakte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in dit alles aanleiding bij het vaststellen van het salaris advocaat voor het opstellen van de memorie van antwoord in het principaal appel drie punten te rekenen en voor het bijwonen van de comparitie twee, tegen het voor deze zaak gebruikelijke liquidatietarief. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen zal het hof, zoals [appellanten] c.s. onweersproken hebben gevorderd, de kosten van de anticipatie-exploten als nodeloos gemaakt voor rekening van Propertize c.s. laten. Deels zijn deze exploten niet door Propertize c.s. aangebracht en daarna ging het nog maar om een marginale vervroeging, met één week.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Propertize c.s. zullen worden vastgesteld op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 5.270,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 24.255,00 (5 punten x tarief VII). proceskosten incidenteel appel 5.17.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het incidenteel hoger beroep zijn Propertize c.s. te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij, zoals gevorderd, hoofdelijk in de kosten daarvan zullen worden veroordeeld. Aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen deze kosten worden vastgesteld op € 4.851,00 voor salaris advocaat (2 punten x de helft van tarief VII).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 juni 2018, behoudens de in het dictum onder 6.5 gegeven veroordeling, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht; veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, om aan Propertize te betalen een bedrag van € 690.619,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 1 januari 2013 tot de dag van volledige betaling; veroordeelt Propertize tot terugbetaling aan [appellanten] c.s. van hetgeen zij ter voldoening aan de veroordeling onder 6.5 van het vonnis meer hebben betaald dan het hiervoor vermelde bedrag (€ 690.619,25 met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2013), te vermeerderen met de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag met ingang van de dag van betaling door [appellant1] tot de dag van volledige betaling; veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Propertize c.s. vastgesteld op € 5.270,00 voor verschotten en op € 24.255,00 voor salaris overeenkomstig rov. 5.14 van dit arrest; veroordeelt Propertize c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op € € 4.851,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.M.E. Lagarde en R.W.E. van Leuken en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7, p. 332; ECLI:NL:HR:2013:BY7840.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2015:1600, herhaald in ECLI:NL:HR:2017:2360 ECLI:NL:HR:2012:BV7828 ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en ECLI:NL:HR:2017:2360</p></div>", "next": 0}