{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">[medeverdachte 7] schrijft in juni 2008 in een e-mail naar [verdachte] : “ik wil met [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] zaken doen, niet met dhr [betrokkene 1] ”. [medeverdachte 6] bestempelt de situatie met [betrokkene 1] vervolgens in een e-mail naar [medeverdachte 7] als een “neptoestand”. [verdachte] en [medeverdachte 5] bleven zich dus gedragen alsof zij de aandeelhouders van SGI waren. Met de aandelenoverdracht veranderde hun invloed op het besluitvormingsproces binnen SGI niet. Dat [betrokkene 1] geen actief aandeelhouder van SGI zou zijn was uitdrukkelijk de bedoeling, zo volgt uit het document “Afspraken tussen [betrokkene 1] en [verdachte] ” dat op de computer van [verdachte] is aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de zitting van het hof verklaart [verdachte] dat de overdracht naar [betrokkene 1] achteraf bezien “geen toegevoegde waarde had”.172 Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat ook na de overdracht van de aandelen in SGI aan [betrokkene 1] de beslissingen over (de aandelen in) SGI feitelijk werden gemaakt door en met [verdachte] en [medeverdachte 5] . Het hof stelt aldus vast dat door deze overdracht van de aandelen in SGI aan [betrokkene 1] feitelijk niets veranderde. Ook hier was derhalve sprake van een schijnconstructie die tot doel had om voor de buitenwereld te (blijven) verhullen wie de feitelijke zeggenschap had binnen SGI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overname aandelen SGI door Woldomus en Marella Op 29 november 2009 besluit Marella de koopoptie op de aandelen in SGI uit te oefenen. Hierbij verkrijgt zij voor een koopprijs van € 5.000,- een belang van 20% in SGI. Woldomus koopt op 2 december 2009 voor € 15.000,- het aandelenpakket in SGI van [betrokkene 1] (60%) terug. Op 2 december 2009 verkoopt en levert Woldomus 20% van de aandelen in SGI aan Marella voor € 5.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op grond hiervan dat [verdachte] en [medeverdachte 5] via Marella en Woldomus vanaf 2 december 2009 samen 60% van de aandelen in SGI bezitten en daarmee samen een meerderheidsbelang in SGI hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkoop door SGI van haar eigen aandelen Uit de bewijsmiddelen blijkt dat na de overdracht van de aandelen aan [betrokkene 1] in toenemende mate – om verschillende redenen – wrijvingen en onenigheid ontstaat tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] aan de ene kant en [verdachte] en [medeverdachte 5] aan de andere kant. Dit leidt ertoe dat zij in de loop van 2009 besluiten dat SGI de aandelen van Woldomus en Marella zal inkopen. De vele correspondentie over dit onderwerp wordt gevoerd met [verdachte] (en [medeverdachte 5] ) en daarmee volledig buiten de formele meerderheidsaandeelhouder 171 V08-01, pagina 2595.</p>\n<p class=\"lf-p\">172 De verklaring van [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 september 2022. [betrokkene 1] om. [verdachte] (en [medeverdachte 5] ) blijven aldus feitelijk als aandeelhouder optreden en met een meerderheidsbelang invloed binnen SGI uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een e-mail van [medeverdachte 7] aan [verdachte] van 27 september 2009 schrijft [medeverdachte 7] dat [verdachte] heeft aangegeven de aandelen van [verdachte] en [medeverdachte 5] te willen verkopen aan [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 7] schrijft: “Voorwaarde voor een dergelijke transactie is dat de project continuïteit van SGI gewaarborgd blijft en dat een overname uit eigen middelen wordt gefinancierd”. [verdachte] schrijft in een e-mail van 15 oktober 2009 aan [medeverdachte 7] : “Wij wensen nadrukkelijk vast te houden aan direct verkopen via een verkoopovereenkomst maar de levering van de aandelen pas te doen, nadat de laatste euro is betaald van het pay out schema”. [medeverdachte 7] stuurt op 3 november 2009 een e-mail naar [verdachte] en deelt mee dat hij zich ondertussen hard heeft gemaakt om EPC in te brengen in SGI zodat SGI de aandelen van [verdachte] en [medeverdachte 5] kan inkopen. [verdachte] reageert per e-mail van 5 november 2009 dat [medeverdachte 7] het goed heeft aangevoeld dat de betaling op 22 december voor [verdachte] en [medeverdachte 5] zeer belangrijk is. Verder schrijft [verdachte] dat wat [verdachte] en [medeverdachte 5] betreft bij dit soort transacties ook een “stukje aanbetaling” hoort; [verdachte] schrijft: “ergo boter bij de vis”. [verdachte] schrijft verder: “Gezien de zeer korte termijn die wij nog hebben om tot een gedragen voorstel te komen, stellen wij voor dat SGI de bedragen die zij dan nog ontbeert voor zover die niet uit het zuiden komen leent van de suikeroom”. [medeverdachte 7] laat [verdachte] per e-mail van 6 november 2009 weten: “Prima, ik zal spoed achter de zaak zetten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stappenplan inkoop aandelen Voorafgaand aan de nadere aandeelhoudersovereenkomst van 22 december 2009 is een “stappenplan inkoop aandelen” opgesteld, dat vervolgens is bevestigd in die aandeelhoudersvergadering. In dit stappenplan wordt beschreven welke handelingen ondernomen moeten worden om de inkoop van de aandelen en de betaling daarvan mogelijk te maken. Daarnaast zijn onder meer afspraken opgenomen over de uitbetaling van de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella, over een sale and leaseback transactie tussen SGI en Rendo op 27 november 2009 en het omzetten van de huidige lening van 14 miljoen euro naar een lening van 8 miljoen euro aan SGE en een lening van 7,8 miljoen euro aan SGC op 30 november 2009. [medeverdachte 5] verklaart dat hij ervan op de hoogte was dat SGI haar eigen aandelen zou inkopen van Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierna nader wordt uiteengezet, vindt de inkoop door SGI van haar eigen aandelen vervolgens ook plaats volgens dit stappenplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inbreng EPC in SGI Op 22 december 2009 brengen Ntech en Bio-Coal EPC in als dochteronderneming in SGI in tegen uitgifte van aandelen in SGI. SGI koopt de aandelen van Woldomus in SGI (40%) en van Marella in SGI (20%) in voor een bedrag van (in totaal) 8,1 miljoen euro (5,4 miljoen euro voor Woldomus en 2,7 miljoen voor Marella). Een deel wordt op de verkoopdatum uitbetaald en een deel wordt omgezet in een rentedragende lening waarop op gezette tijden moet worden afbetaald. [medeverdachte 7] verklaart als verdachte bij de FIOD dat er geen vrije liquide middelen waren en verder dat EPC een vehikel is dat ze gebruikt hebben om de vermogenspositie van SGI te verhogen.173 Ook verklaart hij: “De reden om EPC te laten waarderen was om een mogelijkheid te creëren om de aandelen van de andere aandeelhouders, niet zijnde van mij of 173 V-07-02, pagina 2533. [medeverdachte 6] in te kunnen kopen. De andere aandeelhouders betroffen Woldomus en Marella BV. Je kunt pas inkopen als je een positief eigen vermogen hebt. De waarde van de aandelen van EPC zorgde hiervoor.”174 [medeverdachte 7] verklaart bij de rechter-commissaris als getuige over de inbreng van EPC en de financiering van de inkoop van de aandelen het volgende: “Het klopt dat [verdachte] en ik in november 2009 over en weer e-mailden over de inbreng van EPC en de financiering van de inkoop van de aandelen. U vraagt mij wie het zogenaamde stappenplan dat hiervoor is gemaakt, heeft bedacht. Ik denk dat dit in interactie is gebeurd en dat het een combinatie van ideeën was. [verdachte] wilde wel dat de stappen in een document werden vastgelegd. Ik weet niet wie dit heeft opgesteld. De aandelenovereenkomst die ook onderdeel was van dit stappenplan, is door [medeverdachte 5] opgesteld.”175 [medeverdachte 6] verklaart bij de FIOD als verdachte als volgt over het inkopen van aandelen door SGI op 22 december 2009: “Wij zagen dat er steeds meer belangstelling was en wij wilden van de overige aandeelhouders af. De constructie rond EPC is bedacht door een combinatie van [medeverdachte 7] , Tamek en Mazars.”.176 Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de inkoop door SGI van haar eigen aandelen van [verdachte] (via Woldomus) en [medeverdachte 5] (via Marella) plaatsvindt conform het vooraf opgestelde stappenplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie tussen geldstromen van Rendo naar SGI en SGI naar Woldomus en Marella Eind 2008 had SGI een negatief (geconsolideerd) eigen vermogen van € 433.704,-.177 Daarvan was € 1.025.000,- en € 3.469.928,- geïnvesteerd in vaste activa en € 4.616.451,- in onderhanden werk. De kortlopende vorderingen waren € 1.220.413,- (inclusief een latente belastingvordering van € 284.304,-) en de liquide middelen € 8.283.476,-, zodat de kortlopende activa ex onderhanden werk € 9.503.889,- bedroegen. Van de liquide middelen stond € 5.917.557,- op een ABN AMRO parkeerrekening. Volgens de toelichting in de jaarrekening 2010 stond dit bedrag geblokkeerd.178 Daartegenover stonden langlopende schulden ad € 18.617.135,- en kortlopende schulden ad € 431.837,-. Van de langlopende schulden was 12 miljoen euro afkomstig van Rendo Holding N.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eind 2009 was dat beeld aanzienlijk veranderd.179 Door de inbreng van EPC, de inkoop van aandelen en een jaarverlies 2009 van € 1.649.485 na (latente) belasting, bedroeg het groepsvermogen € 3.066.811,-. Opgemerkt wordt dat dit vermogen inclusief het immateriële vermogen (goodwill in de vorm van winstverwachtingen) van EPC ad € 13.232.000,- is. Slechts door (met name) de achterstelling van de Rendo leningen ad € 15.800.000,- resteert jegens de ABN AMRO een garantievermogen van € 3.957.967,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kortlopende activa ex onderhanden werk bedroegen € 2.976.196,- (vorderingen) en € 4.266.614,- (liquide middelen) ofwel € 7.242.810,-. Daartegenover stonden kortlopende 174 V-07-02, pagina 2528.</p>\n<p class=\"lf-p\">175 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris d.d. 11 oktober 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">176 V08-01, pagina 2610.</p>\n<p class=\"lf-p\">177 D-573, pagina 6797.</p>\n<p class=\"lf-p\">178 Zie ook de voorwaarden van Amstel Lease in AH-063, pagina 1935.</p>\n<p class=\"lf-p\">179 D-674, pagina 8108. schulden ad € 14.286.735,-, inclusief € 8.150.000,- Amstel Lease. Uit het kasstroomoverzicht180 volgt een afname van de beschikbare geldmiddelen van € 4.016.862,- (hierin is de inkoop ad € 8.100.000,- waarvan € 1.500.000,- is betaald begrepen). Het totaal aan kortlopende schulden aan aandeelhouders, Rendo en Amstel Lease NV bedroeg € 11.150.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de voorwaarden van Amstel Lease wordt het leasekrediet aangewend voor de betaling van de facturen van een Duits bedrijf dat de installaties bouwt en heeft Rendo haar vorderingen achtergesteld bij de vorderingen van Amstel Lease.181 De (resterende) schuld uit hoofde van de inkoop van aandelen is niet achtergesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begin december 2009 neemt de kaspositie van SGI aanzienlijk toe door de sale and leaseback transactie. Op 2 december 2012 ontvangt SGI uit dien hoofde (na verrekening met openstaande vorderingen) ruim 5,8 miljoen op haar rekening, waarvan 2 miljoen wordt aangewend ter aflossing van de ABN AMRO hypotheek. Volgens de verklaring van [medeverdachte 6] is het geld van de sale and leaseback transactie aangewend voor de betaling van de 1,5 miljoen inkoopschuld. [medeverdachte 7] heeft dienovereenkomstig verklaard.183 Het hof concludeert op grond van het voorgaande:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dat de liquide middelen ad 4,266 miljoen euro eind 2009 niet geheel ter vrije beschikking staan, een deel van 2,1 miljoen euro was immers geblokkeerd op grond van de lease-financiering; (het saldo op SGI-rekeningnummer eindigend op [nummer] was € 1.106.280, zodat er op overige rekeningen (m.n. SGC en SGE) nog een bedrag van iets meer dan een miljoen euro moet hebben gestaan. En dat bedrag – en zelfs meer dan dat – is ook weer afkomstig van overboekingen gedurende de maand december van de rekening van SGI.) 2. dat de kortlopende schulden de kortlopende activa (exclusief onderhanden werk) zonder rekening te houden met de sale and leaseback ad 7 miljoen euro en de lening ad 1,8 miljoen euro in december 2009 verre overtreffen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>dat, mede met inachtneming van de achterstelling van haar vorderingen bij Amstel Lease, N.V. Rendo Holding verreweg de belangrijkste financier is van SGI en haar dochters (afgezien van de financiering van het onderhanden werk); en 4. dat derhalve de aflossing van de inkoopschuld ook voor een belangrijk deel, zo niet geheel, is gefinancierd door N.V. Rendo Holding. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] hebben in hoger beroep een document getiteld “tweede rode draad” aan het dossier laten toevoegen en daarbij een beroep gedaan op bijlage 45184 bij deze tweede rode draad. Dit betreft een liquiditeitsprognose “SGI – model Steenwijk” die op 14 oktober 2009 per e-mail is verzonden door MBCF. Deze voorspelling op dat moment leidt niet tot een andere conclusie, reeds omdat deze is opgemaakt vóór de afspraken en uitvoering van het “stappenplan”, waaronder de betaling van de 1,5 miljoen euro wegens de inkoop van aandelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">180 D-573, pagina 6797.</p>\n<p class=\"lf-p\">181 AH-063, pagina 1959.</p>\n<p class=\"lf-p\">182 V08-04, pagina 2632.</p>\n<p class=\"lf-p\">183 V07-02, pagina 2528. V07-09, pagina 2586.</p>\n<p class=\"lf-p\">184 En schriftelijk stuk, genaamd de “Tweede rode draad”, ingebracht door verdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] in hoger beroep, in het bijzonder: Bijlage 45 - 2009-10-14 (9) mail MBCF met aangepaste liquiditeitsberekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste betaling op 23 december 2009 Op 23 december 2009 betaalt SGI – via de notaris – 0,5 miljoen euro aan Marella en 1 miljoen euro aan Woldomus met de omschrijving “verkoop aandelen”. Deze betaling is voldaan uit gelden die afkomstig zijn van Rendo, namelijk lening 6: de verhoging van de lening aan SGC van 25 november 2009 en de op 27 november 2009 uitgevoerde sale en leaseback transactie tussen Rendo en SGI (sale and leaseback transactie 1).185 In de brief van [verdachte] (namens Rendo) aan SGC van 25 november 2009 staat vermeld dat Rendo naar aanleiding van positieve berichten over de voortgang een nieuwe leningsaanbieding wil doen. Dit terwijl uit de notulen van de RvC-vergadering van Rendo van 17 december 2009 volgt dat het project biomassacentrale in Steenwijk “qua realisatie achter loopt op de planning”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat SGI de financiële middelen niet had om Marella en Woldomus 1,5 miljoen euro te betalen volgt ook uit de verklaring van [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] verklaart bij de FIOD als verdachte: “Wij hadden niet de financiële middelen om € 1,5 miljoen aan Woldomus en Marella te betalen (…) Ik ben het met u eens dat zonder de sale-leaseback transactie met Rendo, Marella en Woldomus niet betaald worden konden.”186 Uit het verdere verloop van de bankrekening van SGI blijkt dat tussen 24 en 30 december 2009 een bedrag van ongeveer 1,3 miljoen nodig was om verschillende betalingen aan derden te verrichten, waarvoor het saldo anders zou hebben ontbroken.187 Gelet op het voorgaande concludeert het hof ten aanzien van de eerste betaling aan Woldomus en Marella als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhoging van de lening is doelbewust aangegaan om het geld te generen dat nodig was om Woldomus en Marella te betalen voor hun aandelen in SGI. Het hof wijst hierbij op het “stappenplan”, het feit dat de betaling van Rendo aan SGI (via SGC) op 23 december 2009 kort daarna gevolgd wordt door de betalingen van SGI aan Woldomus en Marella. Met de rechtbank concludeert het hof dat [verdachte] in zijn e-mail van 5 november 2009 aan [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] met de term “suikeroom” doelde op Rendo. Van Rendo als suikeroom moesten de ontbrekende gelden worden geleend volgens [verdachte] . Niet is namelijk gebleken dat er andere (rechts)personen waren die noemenswaardige investeringen hebben gedaan of leningen hebben verstrekt aan SGI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts volgt uit een e-mail van [medeverdachte 7] aan [betrokkene 3] van 14 december 2009 (in kopie verzonden aan [medeverdachte 6] ) een duidelijk verband tussen enerzijds het verhogen van de lening en anderzijds het via de notaris betalen van Woldomus en Marella in verband met de inkoop van aandelen in SGI. In deze e-mail vraagt [medeverdachte 7] immers [betrokkene 3] om het restant van de lening van Rendo op te vragen en – in dezelfde volzin – om 1,5 miljoen euro over te maken naar de rekening van de notaris ter (gedeeltelijke) betaling van de inkoopschuld. Dat de bancaire overboeking van de 1,5 miljoen euro enkele dagen vóór de ontvangst van de 1,8 miljoen euro lening188 geschiedt – mogelijk geworden door de sale and leaseback transactie van begin december 2009 – doet aan de onverbrekelijke samenhang tussen de financiering door Rendo en de betaling van de 1,5 miljoen euro niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">185 AH-065, pagina 2171.</p>\n<p class=\"lf-p\">186 V08-04, pagina 2632.</p>\n<p class=\"lf-p\">187 AH-065, pagina 2171.</p>\n<p class=\"lf-p\">188 door SGC ontvangen op 23 december 2009 en op 24 december 2009 doorgeboekt naar SGI.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sale and leaseback transactie is eveneens doelbewust aangegaan om het geld te generen dat nodig was om Woldomus en Marella te betalen voor hun aandelen in SGI. Het hof baseert dit op het stappenplan en de feitelijke gang van zaken die overeenkomt met dit stappenplan. Daarnaast volgt uit de bevindingen van de FIOD dat tussen 2 en 18 december 2009 geen andere geldbedragen op deze rekening zijn binnengekomen, maar dat er wel diverse betalingen vanaf deze rekening hebben plaatsgevonden, met als gevolg dat op 18 december 2009 – toen SGI een bedrag van 1,5 miljoen euro naar de notaris heeft overgemaakt – een saldo van (bijna) 1,8 miljoen euro resteerde.189 Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de verhoging van lening 6 en de sale and leaseback transactie 1 doelbewust mede zijn aangegaan om voor SGI het geld te generen dat nodig was om Woldomus en Marella te kunnen betalen voor hun aandelen in SGI. Het eerdere “stappenplan inkoop aandelen” wordt gevolgd, zo is te zien in de feitelijke gang van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede betaling op 29 juni 2010 SGC betaalt op 29 juni 2010 1 miljoen euro aan Woldomus en 0,5 miljoen euro aan Marella. De betaling heeft de omschrijving “aflossing lening”. Deze betaling is ook voldaan uit gelden die afkomstig zijn van Rendo (lening 7: de lening van 4,5 miljoen aan SGC van 18 juni 2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">De chronologische volgorde van de betalingen speelt ook bij deze betalingen een rol. De betalingen van Rendo aan SGI (via SGC) op 22 juni 2010 en op 25 juni 2010 worden kort daarna (29 juni 2010) gevolgd door de betalingen van SGI aan Woldomus en Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de offerte van [verdachte] (namens Rendo) aan SGC en SGE van 18 juni 2010 staat dat Rendo een nieuwe lening aanbiedt van 4,5 miljoen euro ten behoeve van de financiering van een aantal in deze brief genoemde roerende en onroerende zaken. Ter onderbouwing van deze aanvullende lening zendt MBCF een brief aan [verdachte] , gedagtekend op 17 juni 2010, waarin wordt omschreven waarom extra financiering door Rendo noodzakelijk is en waar deze financiering aan zal moeten worden besteed. Deze brief is blijkens een e-mailwisseling tussen medewerkers van MBCF onderling en een medewerker van MBCF en [verdachte] op verzoek van [verdachte] opgesteld en, ondanks de dagtekening, pas in definitieve vorm gereedgekomen ná 1 juli 2010, dat wil zeggen ongeveer twee weken na het uitbrengen van de offerte die deze brief had moeten onderbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 3 juni 2010 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 7] per e-mail blijkens het onderwerp een aangepast “spoorboekje”, dat resulteert in een nadere afspraak, waarbij een extra lening wordt verstrekt ad 4,5 miljoen euro, waarvan 1,5 miljoen euro is bedoeld voor aflossing van leningsverplichtingen per 1 juli 2010. 190 Hoewel [verdachte] de afzender is van de e-mail aan [medeverdachte 7] , kan uit de inhoud worden afgeleid dat hij deze e-mail mede uit naam van [medeverdachte 5] schrijft. Er wordt immers meerdere keren over “we” en “wij” gesproken in de context van de uitbetalingen aan Woldomus en Marella. Het bijgevoegde document getiteld “Contouren aangaande vereisten voor verdere leningverstrekking aan SGC” (kennelijk het spoorboekje in kwestie) houdt onder meer de volgende passage in: “ RENDO geeft een extra lening van 4,5 miljoen; deze wordt gebruikt voor: (. . .) b. 1,5 miljoen tbv aflossen leningsverplichtingen per 1/7”. De lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de uitbetaling van Woldomus en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [verdachte] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat 189 AH-065, pagina 2171.</p>\n<p class=\"lf-p\">190 D207a, pagina 4464. D-207B, pagina 4468. de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de werkelijk beoogde besteding te misleiden. Het hof komt hier bij de bespreking van feit 6 nog op terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 juni 2010 vraagt [medeverdachte 7] per e-mail aan [verdachte] en [medeverdachte 5] “een overzicht van de te betalen bedragen per bankrekeningnummer”. Hierop reageert [verdachte] op dezelfde dag onder verwijzing naar een bijgevoegd bestand, door hem aangeduid als het “spoorboekje voor de betalingen naar Woldomus en Marella”. Tevens wijst [verdachte] er in deze mail op dat SGI is gehouden om voor l juli 2010 uitbetalingen te doen aan Woldomus en Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de aanvullende lening noodzakelijk was voor SGC om de betalingen aan Woldomus en Marella te kunnen doen, volgt ook uit de verklaringen van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 7] verklaart bij de FIOD als verdachte dat de lening van 4,5 miljoen euro van Rendo het resultaat was van een offerte van ABN AMRO waarin de bank voorstelt Steenwijk te financieren op voorwaarden (onder andere borgstelling Rendo) die voor Rendo niet acceptabel waren. Hierop is [verdachte] met “contouren van een voorstel” gekomen waarin 4,5 miljoen euro door Rendo gefinancierd zou worden, aldus [medeverdachte 7] . Hij verklaart ook dat wanneer het Steenwijk project volgens planning was gestart, ze de 4,5 miljoen euro van Rendo niet nodig hadden gehad en de lening op de aandeelhouders uit eigen middelen hadden kunnen betalen.191 [medeverdachte 6] verklaart bij de FIOD als verdachte dat de niet achtergestelde lening van 4,5 miljoen euro ten dele werd gebruikt voor het aflossen van de lening van Woldomus en Marella omdat daarvoor de financiële middelen bij SGI ontbraken. Ze hadden bij SGI de financiële middelen niet en konden op dat moment niet aan de verplichtingen uit het stappenplan voldoen. Ze stonden met de rug tegen de muur. In het zuiden bij de Stramproy Groep stond een bedrag van circa 0,85 miljoen euro open die SGI/SGT nog moest betalen, aldus [medeverdachte 6] .192 De liquiditeitspositie van SGI is nooit goed geweest, ze hadden nog geen inkomsten, enkel uitgaven. 193 [medeverdachte 6] heeft in een schriftelijke verklaring toegevoegd dat de continuïteit van SGI in gevaar kwam doordat [verdachte] een integraal stappenplan heeft gemaakt waarin verkoop van onroerend goed, inkoop, levering en een deelbetaling van de aandelen verplichte onderdelen waren.194 Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat lening 7 doelbewust is aangegaan om voor SGC het geld te generen dat nodig was om Woldomus en Marella te kunnen betalen voor hun aandelen in SGI. Hier wordt eveneens het eerdere “stappenplan inkoop aandelen” gevolgd, zo is te zien in de feitelijke gang van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde betaling op 22 september 2011 Op 22 september 2011 koopt Horizon de aandelen van Marella en Woldomus in SGI over voor 3,5 miljoen euro (€ 2.250.000,- voor Marella en € 1.250.000,- voor Woldomus). Op 22 september 2011 wordt een deel van de koopprijs – via de notaris – aan Woldomus en Marella betaald. Ze ontvangen beiden 0,5 miljoen euro. Woldomus doet afstand van een deel 191 V07-09, pagina 2586.</p>\n<p class=\"lf-p\">192 V08-04, pagina 2632.</p>\n<p class=\"lf-p\">193 V08-01, pagina 2595.</p>\n<p class=\"lf-p\">194 D-625, pagina 7279. van haar aanspraak op ontvangst van een deel van de aankoopprijs (€ 1.750.000,-) en dit deel wordt omgezet in een lening van Woldomus aan Marella. Marella doet afstand van haar aanspraak op ontvangst van een deel van de aankoopprijs (€ 750.000,-) en ook dit deel wordt omgezet in een lening aan Horizon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier volgt niet dat er na 2011 nog betalingen worden gedaan aan Woldomus op het overgebleven deel van haar vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde betaling (aan Marella) op 10 juli 2012 Op 10 juli 2012 betaalt Horizon – via de notaris – € 750.000,- aan Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap RvC/AvA (indirect) aandeelhouderschap en geldstromen naar Rendo directie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap (indirect) aandeelhouderschap?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor overwogen hebben de RvC en de AvA in hun vergaderingen van respectievelijk 13 september 2007 en 20 december 2007 bij het noodstroomproject met redenen uitdrukkelijk voorbehouden dat exploitatie door een derde onafhankelijke partij zou plaatsvinden. Uit het dossier dan wel uit de grote hoeveelheid door verdachten in eerste aanleg en in hoger beroep ingediende stukken blijkt niet dat dat de RvC en de AvA door [verdachte] , [medeverdachte 5] (of [medeverdachte 8] ) vervolgens op enig moment op de hoogte zijn gebracht van het feit dat zij als Rendo directeuren, feitelijk (het grootste deel van) de zeggenschap binnen SGI hadden en dus deelnamen in de exploitatiemaatschappij van de installatie die gestookt wordt op bio-brandstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op dit uitdrukkelijke, ingegeven door de op handen zijnde WON, gemaakte voorbehoud van zowel de RvC als AvA had deze tournure direct na genoemde vergaderingen uiteraard formeel voorgelegd moeten worden aan deze verantwoordelijke organen van Rendo. De deelname van Rendo directeuren in SGI is echter niet voorgelegd of besproken, laat staan dat uitdrukkelijke en noodzakelijke toestemming daartoe was gegeven door de RvC of AvA. Ook niet informeel. Dat is op geen enkele manier uit het dossier eenduidig komen vast te staan. [betrokkene 4] (de toenmalige president-commissaris) verklaart bij de FIOD als getuige dat de RvC en hijzelf niet op de hoogte waren van deelname door de directie van Rendo in SGI. Het betrof een puur financiële participatie door Rendo, het was niet de bedoeling dat Rendo de bedrijfsvoering zou verzorgen of deze mede zou aansturen. De Rendo directie heeft niet om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit en de directieleden zouden daarvoor toestemming moeten hebben gevraagd. Dit is evident, want Rendo zou als bedrijf een financiële participatie in dit bedrijf nemen. De RvC heeft dit nooit geweten en zou daar ook nooit toestemming voor hebben verleend, ook niet voor de leningen door Rendo.195 Bij de rechter-commissaris verklaart [betrokkene 4] dat het de Raad van Commissarissen niet bekend was dat de directie direct of indirect als aandeelhouder, zou deelnemen in SGI. Dat is ook nooit bekend geweest, totdat in 2012 deze zaak ging spelen. Er is nooit toestemming gegeven aan werknemers of de directie voor enige deelname in SGI.196 In het dossier bevinden zich de verslagen van de RvC vergaderingen.197 Uit die verslagen blijkt op geen enkele wijze dat de deelname van de directie in SGI daar expliciet is besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">195 G04-01, pagina 2739.</p>\n<p class=\"lf-p\">196 Het proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris d.d. 8 december 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">197 Als overzicht opgenoemd in D-630, pagina 7521.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integendeel. Zo wordt in de vergadering van 17 december 2009 verslag198 gedaan van het project Steenwijk: “Er wordt melding van gemaakt dat het project biomassacentrale in Steenwijk qua realisatie achter loopt op de planning. Deze achterstand hield verband met een revisieaanvraag van de vergunning. Het project blijft rendabel. Waarschijnlijk start de levering van stroom nu echter pas in het tweede kwartaal van 2010. Om de RENDO belangen veilig te stellen en in de ontstane extra liquiditeitsbehoefte van de exploitant te voorzien, zal RENDO een aankoop gaan doen van de desbetreffende grond en opstallen. De exploitant huurt deze activa vervolgens van RENDO terug, tegen een rendement van 8%.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt met geen woord over de betrokkenheid van de directie gerept. Dit terwijl er op dat moment tussen de aandeelhouders van SGI zelfs van alles speelde rond die betrokkenheid. [getuige 1] (destijds wethouder van de gemeente De Wolden en aandeelhouder van Rendo) verklaart bij de FIOD als getuige dat de AvA niet op de hoogte was van de (middellijke) deelname van [verdachte] en [medeverdachte 5] in SGI. Het werd gepresenteerd alsof er een derde partij bij betrokken was. De verbondenheid met de directeuren van Rendo was de AvA niet bekend.199 [getuige 2] (destijds wethouder van de gemeente Hardenberg en commissaris van Rendo) verklaart eveneens bij de FIOD als getuige dat de RvC niet op de hoogte was van de (middellijke) deelname van [verdachte] en [medeverdachte 5] in SGI. [getuige 2] wist niets van een binding tussen Rendo en SGI.200 [getuige 3] (toenmalig gemeenteraadslid van de gemeente Staphorst en aandeelhouder van Rendo) verklaart bij de FIOD als getuige dat hij bij zijn aantreden als aandeelhouder in 2010 niet wist wie er aandeelhouder waren van SGI. De aandeelhouders of RvC van Rendo wisten niet van de (middellijke) deelname van [verdachte] en [medeverdachte 5] in SGI. [getuige 3] noemt het “buiten kijf” dat je toestemming moet hebben als je zoveel aandelen van SGI bij de directie van Rendo zet. [getuige 3] verklaart: “Het moet in ieder geval bekend zijn en zij hadden dat moeten melden”.201 Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de RvC en AvA geen wetenschap hadden van het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo-directie.202 [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben via listige constructies met buitenstaanders hun feitelijke zeggenschap binnen SGI voor de buitenwereld verhuld. Daaruit volgt dat Rendo doelbewust door [verdachte] en [medeverdachte 5] is misleid omtrent hun belang in SGI. In de praktijk hadden de twee Rendo-directeuren gezamenlijk een meerderheidsbelang in SGI. [verdachte] en [medeverdachte 5] oefenden in de praktijk ook een bepalende invloed binnen SGI uit. De RvC en AvA van Rendo hadden hier geen weet van. Door het (indirecte) aandeelhouder zijn van de beide Rendo 198 D-626, pagina 7619.</p>\n<p class=\"lf-p\">199 G11-01, pagina 2872.</p>\n<p class=\"lf-p\">200 G20-01, pagina 2979.</p>\n<p class=\"lf-p\">201 G10-01, pagina 2858.</p>\n<p class=\"lf-p\">202 Hoewel hun formele positie binnen Rendo van elkaar verschilde, konden [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] de titel van directeur voeren en het hof zal hen in voorkomende gevallen als zodanig aanduiden. directeuren was geen sprake van een derde partij zoals door de RvC en AvA van Rendo was beoogd en bedongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap geldstromen van Rendo naar Rendo-directeuren Geld van Rendo dat bestemd was voor de financiering van SGI en haar dochtermaatschappijen is – in ieder geval voor een deel – aangewend voor het doen van betalingen aan haar eigen directeuren [verdachte] en [medeverdachte 5] . Uit niets blijkt dat Rendo ooit heeft beoogd om haar geld voor dit doel te (laten) gebruiken, alleen al niet omdat [verdachte] en [medeverdachte 5] steeds bewust verzwegen hadden dat zij een belang in SGI hadden. Het ligt daarnaast ook niet voor de hand, nu het gaat om (een aanzienlijke hoeveelheid) publiek geld terwijl [verdachte] en [medeverdachte 5] als directeuren van Rendo al een vast salaris in dienst van Rendo genoten. Uit de hiervoor genoemde verklaringen van leden van de RvC en de AvA van Rendo blijkt ook dat Rendo geen geld had verstrekt aan SGI als bekend was geweest dat haar directeuren een belang hadden in SGI en het project in Steenwijk, en daardoor en daarenboven mede werd aangewend ter verrijking van haar eigen directeuren. Rendo is reeds door hun heimelijke deelname in SGI misleid ten aanzien van het doel en de besteding van door haar aan SGI (en dochters) verstrekte financiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rollen verdachten Verhullende handelingen naast constructies feitelijke zeggenschap binnen SGI Op 2 november 2007 e-mailt [betrokkene 3] aan [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [verdachte] en deelt mee dat op 1 november 2007 besloten is “om bij gevoelige informatie vanaf nu af aan de prive email adressen te gebruiken”. Het hof stelt vast dat het grootste deel van de e-mails in het dossier aangaande SGI ook daadwerkelijk zijn verstuurd van en naar de privé e-mailadressen van verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorts vast dat de namen van [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] en [verdachte] uit de notulen van de AvA van SGI en SGT van 28 januari 2008, 3 maart 2008, 14 april 2008 en 5 september 2008 zijn gehaald. [verdachte] verzoekt op 5 maart 2010 per e-mail aan de accountant van Woldomus om uit de jaarrekening van Woldomus de naam Stramproy Green Investments weg te halen. Ook verzoekt [verdachte] op 8 maart 2010 (via [medeverdachte 7] ) de accountant van SGI om in elke jaarrekening (intern en extern per vennootschap) de verwijzingen naar Marella, Woldomus, N.V. Rendo Holding, Rendo N.V., Rendo en alle soortgelijke verwijzingen naar externe partijen te schrappen. [verdachte] verzoekt dit “zeeeeer zorgvuldig” per pagina door te voeren en dit verzoek niet één op één door te sturen via e-mail. Het hof stelt vast dat aan dit verzoek van [verdachte] ook wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat verdachten meermalen handelingen hebben verricht om het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo-directeuren bij SGI te blijven verhullen en daarmee te verduurzamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oogmerk Uit de aandeelhoudersovereenkomst SGI van 20 december 2007 blijkt dat het van meet af aan bij alle bij deze overeenkomst betrokken partijen duidelijk was dat Rendo de activiteiten van SGI voor het overgrote deel zou financieren. Daarmee ontstond op 20 december 2007 de situatie dat [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] , als directeuren van Rendo en in het geval van [verdachte] ook nog met een statutaire bevoegdheid om over het verstrekken van financieringen te beschikken, een rechtstreeks financieel belang hadden gekregen bij de onderneming waarin Rendo een aanzienlijke hoeveelheid geld zou gaan investeren. Dat [verdachte] en [medeverdachte 5] dit financieel belang via hun persoonlijke vennootschappen hadden, maakt dat niet anders nu ook in die situatie geen sprake is van een (van Rendo) onafhankelijke derde partij. Een dergelijke constructie leidt tot een zodanig groot risico dat op enig moment de belangen van Rendo en die van de aandeelhoudende directeuren met elkaar in strijd zouden komen – een situatie die zich later ook heeft gerealiseerd – dat ook om deze reden volstrekt onaannemelijk is dat de RvC en de AvA van Rendo dit zouden hebben geweten en toestemming daarvoor zouden hebben gegeven. Daar komt bij dat de uit de WON voortkomende verplichtingen ten aanzien van nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer actueel waren en dat RvC en AvA – daarmee bekend zijnde – hierop al in een vroeg stadium anticipeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de eerder aangehaalde verklaringen van de commissarissen en aandeelhouders van Rendo blijkt dat de RvC en de AvA nooit zouden hebben ingestemd met het verstrekken van geld aan SGI als bij hen bekend was geweest dat [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] een belang hadden bij die onderneming. In het licht van de ondubbelzinnige afspraken en het gemaakte voorbehoud in de vergaderingen van 13 september en 20 december 2007 omtrent het uitbesteden van de exploitatie van het project aan een derde partij, bij welke vergaderingen [verdachte] en [medeverdachte 5] aanwezig waren, wisten beiden dat de besluitvorming in de RvC en de AvA anders zou zijn verlopen indien deze van hun belangen bij SGI op de hoogte waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft de Rendo-directie zelf in een notitie aan de RvC opgenomen dat Rendo vanwege de WON geen aandeelhouder kon zijn van een dergelijk project betreffende elektriciteitsproductie. Dat [verdachte] en [medeverdachte 5] noch op dat moment noch op enig moment nadien, de RvC en de AvA van hun belangen op de hoogte hebben gesteld, maakt dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat zij de RvC en de AvA van Rendo bewust hebben misleid, om zo te bewerkstelligen dat SGI toch door Rendo zou worden (en blijven) gefinancierd. Uit deze conclusie volgt ook dat alle vormen van financiering die Rendo vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, aangemerkt moeten worden als vrucht van deze oplichting, waarmee (in ieder geval) SGI werd bevoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat Rendo hierdoor is benadeeld is evident, nu zij niet uit vrije wil dit geld heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit al het voorgaande volgt ook dat Rendo door [verdachte] en [medeverdachte 5] niet alleen doelbewust is misleid omtrent hun (feitelijke) belang in SGI, maar ook omtrent het doel en de besteding van de financiering die Rendo (in alle gevallen vertegenwoordigd door diezelfde [verdachte] ) aan SGI en haar dochter SGC heeft verstrekt. Het gaat hierbij om de uitbetaling van Woldomus en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010. Op deze wijze hebben [verdachte] en [medeverdachte 5] bewerkstelligd dat geld, dat in de valselijk gewekte voorstelling van zaken zoals die aan Rendo werd voorgespiegeld voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk was bestemd, is toegevloeid naar haar eigen directeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nota bene terwijl dat project nog geen moment rendabel was geweest en het voortbestaan daarvan bovendien, ten tijde van de tweede uitbetaling op 29 juni 2010, door het vasthouden aan de betalingen aan Woldomus en Marella rechtstreeks in gevaar werd gebracht. [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen (€ 15.000,- voor [verdachte] en € 5.000,- voor [medeverdachte 5] ) een financieel belang in SGI verkregen. Bij de verkoop van dit belang hebben zij vervolgens aanzienlijk grotere geldbedragen ontvangen (2,5 miljoen euro voor [verdachte] en € 1.250.000,- voor [medeverdachte 5] ). Zij hebben privé uit eigen financieel gewin gehandeld en hebben naar het oordeel van het hof – alles overziend – daarmee oogmerk gehad op wederrechtelijke bevoordeling van Rendo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resumerend komt het hof tot het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 5] zich vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo door Rendo te misleiden omtrent hun feitelijke deelname aan SGI. Al het geld dat Rendo vanaf die datum aan SGI of haar dochters heeft verstrekt is de vrucht van deze oplichting geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 5] zich bij de uitbetaling van Woldomus en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010 eveneens schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo, door Rendo te misleiden omtrent het doel en de besteding van de door Rendo in dit verband aan SGI verstrekte gelden. Op grond van al het voorgaande stelt het hof bovendien vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] stelt het hof vast dat zij wisten dat de inkoop van de aandelen door SGI van Woldomus en Marella in beide gevallen betaald werd met geld van Rendo. Het hof acht het op grond van het hiervoor overwogene ten aanzien van de misleiding onaannemelijk dat dit met wetenschap van Rendo kon gebeuren. In een fase waarin het project nog volop financiering nodig had en nog niet rendeerde, is het immers niet voorstelbaar dat Rendo miljoenen zou betalen aan haar eigen directeuren, zeker niet als daardoor, zoals al overwogen, op enig moment zelfs het voortbestaan van het project in gevaar zou worden gebracht. Het hof gelooft [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] niet in hun verklaring dat zij meenden dat Rendo wist van en instemde met het betalen voor de inkoop van de aandelen van haar directeuren. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] hadden direct zicht op de eerder beschreven schijnconstructies bij de oprichting van SGI in 2007 en de overdracht van de aandelen aan [betrokkene 1] in 2008. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] hebben op de zitting van de rechtbank van 1 december 2017 beiden verklaard dat zij ervan op de hoogte waren dat de Rendo-directeuren feitelijk zouden participeren in SGI en niet Woldomus, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .203 Het hof is evenwel van oordeel dat de wetenschap en daarmee het oogmerk van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] niet vóór halverwege 2009 is ontstaan. Ten aanzien van [medeverdachte 7] wijst het hof hiervoor op een e-mail van 27 september 2009 als startpunt van het oogmerk. In deze e-mail spreekt [medeverdachte 7] zijn verbazing uit naar [verdachte] over de intentie van [medeverdachte 5] en [verdachte] hun aandelen te willen verkopen aan [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 7] benoemt als voorwaarde voor een dergelijke transactie dat de continuïteit van SGI gewaarborgd blijft en dat een overname uit eigen middelen wordt gefinancierd. [medeverdachte 7] vraagt [verdachte] voor welk bedrag de aandelen over zouden gaan en hoe dit gefinancierd moet worden. Via de weg van het medeplegen met [medeverdachte 7] kan eveneens als begindatum van de bewezenverklaarde pleegperiode in de zaak van zijn compagnon [medeverdachte 6] 27 september 2009 worden aangenomen. Het voorgaande brengt mee dat het hof van oordeel is dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] vanaf 27 september 2009 het oogmerk hadden op wederrechtelijke bevoordeling. Het hof merkt deze datum in hun geval aan als startdatum van de bewezenverklaarde pleegperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het vervolgens gaat om de besteding van de aanvullende lening van 4,5 miljoen euro aan SGC komt daar nog bij dat zij, gezien het op 3 juni 2010 door [verdachte] aan [medeverdachte 7] per e-mail gestuurde “spoorboekje” op de hoogte waren van het feit dat deze lening, in tegenstelling tot wat valselijk aan Rendo werd voorgespiegeld, mede besteed zou worden aan inkoop van de aandelen SGI en vervolgens uitbetaling van Woldomus en Marella. Door onder de gegeven omstandigheden hun op instandhouding van SGI gerichte medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de bewuste gelden van Rendo en aan de doorbetaling van een 203 De verklaring van verdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] ter terechtzitting van de rechtbank van 1 december 2017. deel daarvan aan Woldomus en Marella, is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 5] bij het oplichten van Rendo in zodanige mate dat van medeplegen kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] geen medeplegers zijn van het oplichten van Rendo met betrekking tot de andere geldverstrekkingen, in het bijzonder de sale and leaseback transacties van 30 december 2010 en 22 september 2011. [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben actief een belang in SGI ten opzichte van de eigen RvC en AvA van Rendo verhuld en/of verzwegen. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] hebben daaraan toen niet deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking verweren verdediging Causaliteit De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake was van causaal verband tussen het heimelijk vervullen van functies en het verstrekken van leningen en sale and leaseback transacties door Rendo. Zoals hiervoor overwogen volgt het hof de verdediging niet in de stelling dat de RvC van Rendo op de hoogte moet zijn geweest van het (indirect) aandeelhouderschap van [verdachte] en [medeverdachte 5] in SGI. Wat de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, is niet meer geweest dan een reeks suggesties. Enige objectieve onderbouwing daarvan ontbreekt. In de voorgaande bewijsoverwegingen heeft het hof reeds vastgesteld dat Rendo via leningen en sale and leaseback transacties geld heeft geïnvesteerd in SGI en dat zij dit niet zou hebben gedaan als zij weet zou hebben gehad van het (indirecte) belang van onder andere [verdachte] in SGI. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een rechtstreeks verband tussen het heimelijk vervullen van functies en het verstrekken van leningen en sale and leaseback transacties door Rendo. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oogmerk Daarnaast was volgens de verdediging geen oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling aanwezig. Het hof heeft ten aanzien van het oogmerk van [verdachte] op wederrechtelijke bevoordeling eveneens in de bewijsoverwegingen vastgesteld dat hiervan sprake was. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en de overwegingen hierover. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie hof ten aanzien van feit 1 (oplichting Rendo) Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen door listige kunstgrepen bij Rendo een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor zij is bewogen tot de afgifte van enig goed door Rendo en het tenietdoen van een inschuld van Rendo. Het hof komt daarmee tot bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting van Rendo (feit 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2 (opzettelijk openbaar maken onware jaarstukken) Bespreking begrippen Het hof bespreekt eerst twee begrippen die bij dit feit een belangrijke rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbonden partijen In deze strafzaak speelt de vraag of een partij, waarmee (een dochtervennootschap van) Rendo een transactie heeft gesloten, als verbonden partij kan worden aangemerkt. De vraag of een partij als verbonden partij kan worden aangemerkt is relevant, omdat een relatie tussen verbonden partijen invloed kan hebben op de winst of het verlies en op de financiële positie van een entiteit. Transacties en relaties met verbonden partijen moeten worden toegelicht in de jaarrekening. Verder moet bij transacties met verbonden partijen de zakelijkheid van de transactie onderzocht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de IAS-normen (International Accounting Standards), en meer specifiek IAS 24, volgt dat een verbonden partij een natuurlijke persoon of een entiteit is die verbonden is met de entiteit die haar jaarrekening opstelt. Verder is in deze norm onder meer bepaald: (a) Een natuurlijke persoon of een nauwe verwant van de natuurlijke persoon is met een verslaggevende entiteit verbonden indien deze persoon: (i) zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap over de verslaggevende entiteit uitoefent; (ii) invloed van betekenis over de verslaggevende entiteit uitoefent; dan wel (iii) behoort tot de managers op sleutelposities in de verslaggevende entiteit of in een moedermaatschappij van de verslaggevende entiteit. ( b) Een entiteit is met een verslaggevende entiteit verbonden indien: (…) (vi) Een onder (a) bedoelde natuurlijke persoon zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap uitoefent over de entiteit. (vii) Een onder (a)(i) bedoelde persoon invloed van betekenis uitoefent over de entiteit of behoort tot de managers op sleutelposities in de entiteit (of in een moedermaatschappij van de entiteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Letter of Representation (LOR) In een Letter of Representation (hierna: LOR) bevestigt het bestuur van een onderneming (en/of eventueel andere betrokkenen), zoals blijkt uit de ondertekening van de LOR, dat zij ervoor verantwoordelijk zijn dat de jaarrekening en/of andere financiële verantwoording een getrouwe weergave bevat in overeenstemming met van toepassing zijnde grondslagen voor verslaggeving. Tevens bevestigt het bestuur dat de accountant inzage is gegeven in de gehele administratie en de daaraan ten grondslag liggende gegevens aan de accountant zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof [verdachte] was in de hoedanigheid van algemeen directeur van Rendo over de jaren 2007 tot en met 2010 (eind)verantwoordelijk voor het jaarverslag en de jaarrekening van Rendo.204 Onder verantwoordelijkheid van [verdachte] zijn over de jaren 2007 tot en met 2010 de jaarrekeningen gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel205 en zodoende openbaar gemaakt in de zin van artikel 336 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft vastgesteld dat [verdachte] vanaf de oprichting van SGI een bepalende rol heeft gespeeld bij SGI. Meer in het bijzonder kan op grond van de stukken worden vastgesteld dat de drie Rendo-directeuren die bij SGI betrokken waren ( [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] ) 204 Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 27 november 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">205 D-453, pagina 5886 (2007). D-455, pagina 5933 (2008). D-457, pagina 5975 (2009). D-459, pagina 6026 (2010). in wisselende samenstelling vanaf het begin een meerderheidsbelang van 60% in deze onderneming hebben gehad, waarmee vaststaat dat de Rendo-directie doorlopend beleidsbepalende invloed had in SGI en die invloed kon uitoefenen op haar financiële en zakelijke beleid. Dit blijkt onder andere uit de hierboven beschreven gang van zaken bij de besluitvorming over de inkoop door SGI van haar eigen aandelen. Het hof merkt daarbij net zoals de rechtbank op dat de feitelijke situatie daarbij doorslaggevend is en niet de formeel- juridische werkelijkheid, nog daargelaten dat die juridische werkelijkheid in dit geval opzettelijk is opgetuigd om de feitelijke situatie te verhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat Rendo en SGI over de jaren 2007 tot en met 2011 voor wat betreft de verplichting tot vermelding in de jaarrekening als verbonden partijen moeten worden beschouwd. Of de wet- en regelgeving voor de jaarverslagging correct is toegepast is een oordeel van juridische aard dat het hof toekomt. Daarom zal het hof anders dan de rechtbank bij dit oordeel de rapportages van de deskundigen [deskundige 2] en [deskundige 1] niet betrekken. Nu het hof reeds in het voorgaande heeft geoordeeld dat de transacties tussen Rendo (zowel de Holding als Rendo Duurzaam) en SGI en haar dochters hebben plaatsgevonden als gevolg van de opzettelijke misleiding van Rendo, waarmee gegeven is dat zij onder niet-normale marktvoorwaarden tot stand zijn gekomen, is daarom al ten onrechte in de ten laste gelegde jaarrekeningen 2007 tot en met 2010 niet vermeld dat Rendo met SGI was verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt [verdachte] niet in zijn verklaring dat hij niet van deze verplichting in de jaarrekening te vermelden dat Rendo en SGI als verbonden partijen moesten worden beschouwd, op de hoogte was en/of op dit punt heeft gedwaald. In de bevestigingsbrieven die aan de verschillende accountants zijn toegezonden (de Letters of Representation) staat vermeld dat alle relevante informatie, waaronder die over het eventueel bestaan van met Rendo verbonden partijen, naar waarheid is verstrekt. Deze bevestigingsbrieven zijn over de jaren 2007 tot en met 2010 getekend door [verdachte] en wat 2011 betreft door [medeverdachte 5] .206 Nu [verdachte] wist dat hij al die jaren (over 2011 in ieder geval tot de uiteindelijke overname door Horizon) samen met de andere Rendo-directeur(en) een bepalende invloed uitoefende in SGI,207 kan niet worden volgehouden dat hij verontschuldigbaar vergeten zou zijn om de accountant daarvan op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is gesteld noch gebleken dat [verdachte] volledige openheid van zaken heeft gegeven tegen de accountant over de constructie met SGI, zodat niet vastgesteld kan worden dat de accountant op basis van alle relevante aangeleverde informatie gedegen onderzoek heeft kunnen doen en een gedegen oordeel heeft kunnen vellen waarop [verdachte] zich volledig kon verlaten. Veeleer moet worden aangenomen dat [verdachte] juist bewust deze informatie heeft verzwegen om het feitelijke belang van de Rendo-directeuren in SGI te (blijven) verhullen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] opzettelijk onwaarheden in de openbaar gemaakte jaarrekeningen over 2007 tot en met 2010 heeft vermeld. Van medeplegen met een ander, zoals [medeverdachte 5] , is daarbij naar het oordeel van het hof geen sprake geweest, nu uit de stukken volgt dat diens actieve bijdrage er over die jaren slechts uit heeft bestaan dat hij enkele teksten heeft aangeleverd voor jaarverslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">206 D-489, pagina 6273 (2007). D-271, pagina 4811 (2008). D-272, pagina 4814 (2009). D-273, pagina 4817 (2010). D-268, pagina 4799 (2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">207 De stemverhouding bleef ook na het besluit tot inkoop van de aandelen door SGI en tot aan de overname van SGI door Horizon op 22 september 2011 ongewijzigd, zoals blijkt uit de aanvullende aandeelhoudersovereenkomst van 22 december 2009 (D-040, pagina 3408), in het bijzonder punt 2 onder h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de teksten die in de jaarverslagen zijn opgenomen is het hof met de rechtbank van oordeel dat artikel 336 Sr enkel ziet op het openbaar maken van onware financiële stukken. De in dit artikel opgesomde stukken zijn dan ook allemaal van louter financiële aard. Een jaarverslag is dit, gezien de definitie in artikel 2:391 BW, niet. Dat een jaarverslag zo nodig enkele financiële gegevens kan bevatten, maakt dit niet anders. Bovendien ziet de tenlastelegging op dit punt juist op de niet-financiële onderdelen van de jaarverslagen. Nu de in de tenlastelegging opgenomen onderdelen uit de jaarverslagen geen onware staat, onware balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten en toelichting op één van deze stukken zijn, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijspraak feit 4 (valsheid in geschrift tweetal e-mails) In de bij feit 4 ten laste gelegde e-mails wordt toegelicht waarom ervoor gekozen is om [betrokkene 1] een rol te geven bij SGI. Er wordt – kort gezegd – beschreven dat [betrokkene 1] eerdere werkzaamheden voor Rendo dan wel SGI heeft verricht. Het hof heeft eerder in dit arrest ten aanzien van feit 1 geoordeeld dat deze omschrijving van [betrokkene 1] en zijn werkzaamheden in het verleden niet strookt met de waarheid. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de aangehaalde bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaring van [betrokkene 1] zelf. In die zin zijn de in de tenlastelegging opgenomen e-mails valselijk opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat de e-mail van 20 juni 2008 niet door [verdachte] is opgemaakt, zodat hij niet als pleger van deze gedraging kan worden aangemerkt. Nu uit niets blijkt dat [betrokkene 2] van de onwaarheid van de door hem gebruikte informatie op de hoogte was, is van medeplegen evenmin sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is daarnaast van oordeel dat de e-mail van 13 juni 2008 afkomstig van [verdachte] naar zijn aard geen geschrift is dat “bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen”, zoals dat wel is ten laste gelegd en vereist is in artikel 225 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt het hof tot de conclusie dat [verdachte] van feit 4 zal worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 5 (valsheid in geschrift Letters of Representation) Uit de overwegingen van het hof bij feit 2 over de jaarrekening en de opzettelijk niet nagekomen verplichting om daarin te vermelden dat SGI een met Rendo verbonden partij was, vloeit logischerwijs voort dat de in dat verband al aangehaalde door [verdachte] getekende bevestigingsbrieven bewust niet naar waarheid zijn opgemaakt, door daarin te vermelden dat van een dergelijke verbondenheid nou juist geen sprake was, met als kennelijke doel om ook hier tegenover de buitenwereld te verhullen dat [verdachte] en [medeverdachte 5] een belang in SGI hadden. Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 5 wordt door het hof op dezelfde manier verworpen als het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden, zij het bij zowel [verdachte] als [medeverdachte 5] alleen als plegers ten aanzien van de brieven waarvoor zij verantwoordelijk waren en niet als medeplegers van alle brieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 6 (valsheid in geschrift offerte) Uit de overwegingen van het hof bij feit 1 over de oplichting van Rendo volgt reeds dat de offerte van 18 juni 2010 van [verdachte] valselijk is opgemaakt en dat dit is gebeurd om te verhullen dat een deel van deze lening in werkelijkheid gebruikt zou worden voor de uitbetaling van Woldomus en Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze offerte is door [medeverdachte 6] namens SGC en SGE ondertekend in de wetenschap, zoals het hof hierboven heeft aangegeven, dat de inhoud daarvan niet met de werkelijkheid overeenstemt. In zoverre kan dit feit ten aanzien van zowel [verdachte] als [medeverdachte 6] wettig en overtuigend bewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank spreekt het hof partieel vrij van het volgende onderdeel van de brief: “Onderstaand komen wij terug op het recentelijk met u gevoerd gesprek over uw bedrijven zijnde: Stramproy Green Coal B.V. (verder te noemen SGC); Stramproy Green Electricity B.V. (verder te noemen SGE).”. Het hof stelt vast dat niet te duiden is wie “uw bedrijven” zijn, nu op het moment van opmaken van de brief onduidelijk was wie SGC en SGE bezat. SGC en SGE bevonden zich immers op dat moment in een proces van overdracht en het hof stelt vast dat de juridische en economische eigendomspositie uiteenliepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair verweer verdediging ten aanzien van alle feiten De verdediging heeft als een – zo vat het hof dit op – subsidiair verweer ten aanzien van alle feiten bepleit dat door de (onvolledige) samenstelling van het dossier geen sprake kan zijn van overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van alle feiten en dat op grond daarvan vrijspraak dient te volgen van alle ten laste gelegde feiten. Het hof overweegt hierover als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in dit arrest bij het bespreken van het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie reeds vastgesteld dat niet is gebleken dat het dossier dat door het openbaar ministerie is samengesteld onvolledig is. Het hof heeft daarom geen reden om aan de in dit strafdossier opgenomen bewijsmiddelen niet de overtuiging te kunnen ontlenen dat de feiten 1, 2, 5 en 6 heeft begaan. Het hof verwerpt dit subsidiaire verweer van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaardelijke getuigenverzoeken De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht om [betrokkene 4] en [betrokkene 11] als getuige te horen. Het hof acht het horen van [betrokkene 4] niet noodzakelijk. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, aangezien [betrokkene 4] op 8 december 2016 in het bijzijn van de toenmalige raadsman van [verdachte] bij de rechter-commissaris is gehoord. De verdediging van [verdachte] heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen. Bij die gelegenheid heeft de verdediging deze getuige ook daadwerkelijk vragen gesteld. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuige, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Nu het hof verder de verklaring(en) van [betrokkene 11] niet zal gebruiken voor het bewijs, is aan de door de verdediging gestelde voorwaarde voor dit verzoek niet voldaan. Het hof wijst deze voorwaardelijke verzoeken af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de verdediging verzocht prof. dr. [deskundige 1] en drs. [deskundige 2] als getuige te horen omtrent hun uitgebrachte deskundigenrapportages over de jaarrekeningen van Rendo. Nu het hof deze deskundigenrapportages niet zal gebruiken voor het bewijs, is aan de door de verdediging gestelde voorwaarde voor dit verzoek niet voldaan. Het hof wijst deze voorwaardelijke verzoeken af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte heeft de verdediging verzocht om [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] (werkzaam bij de [naam organisatie] ), [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] en [betrokkene 15] (Trip advocaten) als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht het horen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] niet noodzakelijk. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, aangezien [medeverdachte 5] op 20 september 2022 in het bijzijn van de raadsman en [verdachte] op de zitting van het hof als getuige is gehoord en [medeverdachte 7] op 11 oktober 2017 door de rechter-commissaris. De verdediging heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen. Bij die gelegenheden heeft de verdediging deze getuigen ook daadwerkelijk vragen gesteld. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuigen, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht het horen van [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] en [betrokkene 15] niet noodzakelijk voor enige in de zaak op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De verdediging heeft bij brief van 1 december 2020 ten behoeve van de eerste regiezitting in hoger beroep op 9 december 2020 het hof verzocht om deze getuigen te horen. Bij tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof gemotiveerd waarom het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv. De verdediging heeft aan de herhaling van dit verzoek om deze getuigen geen nadere of aanvullende onderbouwing ten grondslag gelegd. Het hof ziet in wat er sinds de regiezitting van 9 december 2020 aan informatie en stukken met het hof is gedeeld geen aanleiding om de eerdere afweging van het hof bij tussenarrest van 23 december 2020 te herzien. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het horen van deze getuigen, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>hij in de periode van 20 december 2007 tot en met 22 september 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, N.V. Rendo Holding en/of Rendo Beheer B.V., en/of Rendo Duurzaam B.V. en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met “Rendo”) heeft bewogen tot:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verstrekken van leningen en achtergestelde leningen en het betalen van geldbedragen in het kader van één of meer leningen en achtergestelde leningen, tot een totaal bedrag van circa EUR 20.300.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aangaan van sale- and leasebacktransacties;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het op 22 september 2011 kwijtschelden door Rendo van de huur over de jaren 2011 en 2012 voor percelen industrieterrein gelegen aan de Dolderweg en Langebaan te Steenwijk, gehuurd door Stramproy Green Investments B.V. (verder te noemen SGI) van Rendo voor een bedrag van in totaal EUR 1.360.45,00 (excl. BTW), derhalve tot de afgifte van enig goed en het teniet doen van een inschuld; immers hebbende verdachte en zijn medeverdachten:</div>\n<p class=\"lf-p\">A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo indirect aandeelhouder te zijn van SGI;</p>\n<p class=\"lf-p\">B. de Raad van Commissarissen (hierna “RvC”) van Rendo en de aandeelhouders van Rendo niet geïnformeerd over het belang dat hij en zijn medeverdachten hadden bij SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van Rendo en zonder toestemming van de aandeelhouders van Rendo en door tussenkomst van de besloten vennootschappen Woldomus B.V. en Marella B.V. en door tussenkomst van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , een belang verkregen in SGI en haar dochtervennootschappen Stramproy Green Coal B.V. (hierna “SGC”) en Stramproy Green Energy B.V. (hierna “SGE”) en Stramproy Green Technologie B.V. (hierna “SGT”);</p>\n<p class=\"lf-p\">F. er voor zorggedragen dat [betrokkene 1] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van SGI, die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en zijn medeverdachten, heeft gehouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">H. de RvC van Rendo niet (volledig) geïnformeerd over nadere met SGI en haar dochtervennootschappen gesloten (achtergestelde) leningen en over de totale omvang van de vorderingen van Rendo op SGI en haar dochtervennootschappen; als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo verstrekken van leningen aan SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">J. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo aangaan van sale- and leasebackovereenkomsten met SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">K. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo betalen voor investeringen aan SGI en haar andere dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">L. als bestuurder van Rendo opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door Rendo kwijtschelden van huur verschuldigd door SGI en/of haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">M. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo doen van betalingen aan SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">N. heimelijk gecommuniceerd door voor e-mailcommunicatie tussen hemzelf en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] aangaande SGI privé e-mailadressen te gebruiken;</p>\n<p class=\"lf-p\">P. niet in de jaarrekeningen en de jaarverslagen over 2007, 2008, 2009 en 2010 van Rendo vermeld en/of laten vermelden aan wie Rendo (achtergestelde) leningen had verstrekt en dat Rendo aan SGE en SGC geld had geleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Q. niet in de jaarrekeningen van Rendo over 2007, 2008, 2009 en 2010 vermeld en/of laten vermelden dat er sprake was van SGI en/ SGE en/of SGC als verbonden partijen;</p>\n<p class=\"lf-p\">R . de namen van “Marella” en “Woldomus” en “Rendo” uit de concept-jaarrekening van SGI over 2009 laten verwijderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">S . door Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (hierna “MBCF”) en/of de heer mr. ing. [betrokkene 2] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door Rendo aan SGI mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door SGI;</p>\n<p class=\"lf-p\">T. de hiervoor vermelde brief met een onjuiste datum op laten maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">U. voor de RvC van Rendo en de aandeelhouders van Rendo verhuld dat één of meerdere door Rendo aan SGI verstrekte leningen door SGI aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>hij, als bestuurder van N.V. Rendo Holding en Rendo Beheer B.V. en N.V. Rendo en Rendo Energieservice B.V. en Rendo Electriciteitsnetwerken B.V. en Rendo Gasnetwerken B.V. en [bedrijf] voormalig [bedrijf] Th. Thijssen en Rendo Duurzaam B.V. en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met “Rendo”), in de periode van 1 juni 2008 tot en met 29 juni 2011, in Nederland, telkens, opzettelijk een onware staat en/of een onware balans en/of winst- en verliesrekening, en/of staat van baten en lasten en/of toelichting op één van deze stukken, openbaar gemaakt, immers heeft verdachte opzettelijk de hiernavolgende documenten: Jaarstukken 2007:</div>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2007, met daarin meer in het bijzonder onder het onderdeel “Verbonden partijen”, de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn geen andere maatschappijen verbonden met de rechtspersoon”; en Jaarstukken 2008:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2008 met daarin meer in het bijzonder onder “Verbonden partijen”, de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn er op grond van de bestaande regelgeving geen nadere vermeldingen onder dit hoofd te doen”; en Jaarstukken 2009:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2009, met daarin meer in het bijzonder onder “Verbonden partijen” de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn er op grond van de bestaande regelgeving geen nadere vermeldingen onder dit hoofd te doen”; en Jaarstukken 2010:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2010, met daarin meer in het bijzonder onder “Verbonden partijen” de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn er op grond van de bestaande regelgeving geen nadere vermeldingen onder dit hoofd te doen”; telkens door middel van deponering bij de Kamer van Koophandel en door middel van publicatie op de eigen internetsite van Rendo, [website] , openbaar gemaakt;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>hij, op 28 mei 2008 en 25 mei 2009 en 9 april 2010, in Nederland, Letters of Representation, elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, de valsheid hieruit bestaande dat verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid de Letter of Representation van 2007 en 2008 en 2009 en 2010 heeft ondertekend en daarin heeft opgenomen:</div>\n<p class=\"lf-p\">2007, 2008, 2009: “Wij bevestigen de volledigheid van de verstrekte informatie met betrekking tot de identificatie van verbonden partijen en aangaande transacties met deze partijen die materieel zijn voor de jaarrekening. De identiteit van, en de balansposten en transacties met, verbonden partijen zijn juist opgenomen, en indien van toepassing adequaat toegelicht in de jaarrekening.” en 2010: “14. Wij hebben de bij ons bekende informatie met betrekking tot de identificatie van verbonden partijen en aangaande transacties met deze partijen volledig aan u verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>De relaties en transacties met verbonden partijen zijn op passende wijze in de jaarrekening verwerkt en toegelicht in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW.” met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>hij, op 18 juni 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een brief afkomstig van N.V. Rendo Holding gericht aan Stramproy Green Coal B.V. en Stramproy Green Electricity B.V., zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, de valsheid hieruit bestaande dat verdachte en zijn mededader valselijk en/of in strijd met de waarheid in deze brief heeft opgenomen / doen opnemen dat: “U gaf aan dat u graag een aanbieding zou willen hebben voor een extra lening van 4,5 miljoen euro bij N.V. RENDO Holding ten behoeve van de financiering van de volgende onroerende en roerende zaken: o Torrefactie machine nummer 1 (zie bijlage 1 voor de facturen); o Biomassa aanvoerinstallatie (zie bijlage 1 voor de facturen); o Silo' s (zie bijlage 1 voor de facturen); o Diverse andere onroerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen); o Diverse roerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen).” wetende dat een substantieel deel van de gevraagde financiering bestemd was voor de financiering van de inkoop van eigen aandelen door SGI, met het oogmerk om deze brief als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: de voortgezette handeling van het medeplegen van oplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware toelichting op een staat, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 5 bewezenverklaarde levert op: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 6 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van valsheid in geschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 2007 en 2011 is het energiebedrijf Rendo, eigendom van een negental gemeenten in Drenthe en Overijssel, het slachtoffer geworden van een buitengewoon ernstige vorm van oplichting en fraude, gepleegd door twee van haar voormalige directeuren, verdachte en [medeverdachte 5] . Zij hebben het vanuit hun functie mogelijk gemaakt dat Rendo vanaf 20 december 2007 ruim 30 miljoen euro aan gemeenschapsgeld heeft geïnvesteerd in SGI, opgericht voor de bouw en exploitatie van een warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk, terwijl zij al die jaren voor Rendo verborgen hebben gehouden dat zij zelf aandeelhouder waren en een (financieel) belang in deze onderneming hadden. Beiden wisten dat Rendo dat geld nooit zou hebben verstrekt als zij van deze vorm van belangenverstrengeling had geweten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte 5] – samen met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] – in 2009 en 2010 op geraffineerde wijze, onder meer door het plegen van valsheid in geschrift, ervoor gezorgd dat een deel van het geld dat Rendo in SGI investeerde, door SGI gebruikt kon worden voor de inkoop van de aandelen van verdachte en [medeverdachte 5] , waarmee zij enkele miljoenen hebben verdiend. Op deze manier hebben zij ook zichzelf persoonlijk, ten koste van gemeenschapsgeld, grovelijk verrijkt. Zij hebben zodoende hun werkgever jarenlang en met grote gevolgen opgelicht, vanuit een positie van macht en vertrouwen. Het hof tilt daar zeer zwaar aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 augustus 2022, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld. Het hof houdt rekening met artikel 63 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zeer listige wijze waarop de fraude is gepleegd, in combinatie met de jarenlange duur daarvan, de omvang van de benadeling van Rendo, zijn positie bij Rendo waar verdachte misbruik van heeft gemaakt en zijn initiërende rol rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren. In beginsel kan in dit geval niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie. Het hof weegt in dit verband ook mee dat verdachte niet alleen gehandeld heeft maar diverse andere personen, ook uit zijn directe (familie)omgeving, heeft meegezogen in de oplichtingsconstructie. Daarbij acht het hof van belang dat hij gedurende al die jaren geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft willen nemen. Het hof is van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van in beginsel vijf jaren passend en geboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat sinds de bewezen verklaarde feiten inmiddels geruime tijd is verstreken en dat de redelijke termijn over het geheel van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep genomen, is geschonden. Het hof verdisconteert dit in de op te leggen straf en zal verder rekening houdend met al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 56, 57, 63, 225, 326 en 336 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1, 2, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mr. W.M. Weerkamp en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier, en op 21 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p></div>", "next": 0}