{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de verhoging van lening 6 en de sale and leaseback transactie 1 doelbewust mede zijn aangegaan om voor SGI het geld te generen dat nodig was om Woldomus en Marella te kunnen betalen voor hun aandelen in SGI. Het eerdere “stappenplan inkoop aandelen” wordt gevolgd, zo is te zien in de feitelijke gang van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede betaling op 29 juni 2010 SGC betaalt op 29 juni 2010 1 miljoen euro aan Woldomus en 0,5 miljoen euro aan Marella. De betaling heeft de omschrijving “aflossing lening”. Deze betaling is ook voldaan uit gelden die afkomstig zijn van Rendo (lening 7: de lening van 4,5 miljoen aan SGC van 18 juni 2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">De chronologische volgorde van de betalingen speelt ook bij deze betalingen een rol. De betalingen van Rendo aan SGI (via SGC) op 22 juni 2010 en op 25 juni 2010 worden kort daarna (29 juni 2010) gevolgd door de betalingen van SGI aan Woldomus en Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de offerte van [medeverdachte 1] (namens Rendo) aan SGC en SGE van 18 juni 2010 staat dat Rendo een nieuwe lening aanbiedt van 4,5 miljoen euro ten behoeve van de financiering van een aantal in deze brief genoemde roerende en onroerende zaken. Ter onderbouwing van deze aanvullende lening zendt MBCF een brief aan [medeverdachte 1] , gedagtekend op 17 juni 2010, waarin wordt omschreven waarom extra financiering door Rendo noodzakelijk is en waar deze financiering aan zal moeten worden besteed. Deze brief is blijkens een emailwisseling tussen medewerkers van MBCF onderling en een medewerker van MBCF en [medeverdachte 1] op verzoek van [medeverdachte 1] opgesteld en, ondanks de dagtekening, pas in definitieve vorm gereedgekomen ná 1 juli 2010, dat wil zeggen ongeveer twee weken na het uitbrengen van de offerte die deze brief had moeten onderbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 3 juni 2010 stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 4] per e-mail blijkens het onderwerp een aangepast “spoorboekje”, dat resulteert in een nadere afspraak, waarbij een extra lening wordt verstrekt ad 4,5 miljoen euro, waarvan 1,5 miljoen euro is bedoeld voor aflossing van leningsverplichtingen per 1 juli 2010. Hoewel [medeverdachte 1] de afzender is van de e-mail aan [medeverdachte 4] , kan uit de inhoud worden afgeleid dat hij deze e-mail mede uit naam van [verdachte] schrijft. Er wordt immers meerdere keren over “we” en “wij” gesproken in de context van de uitbetalingen aan Woldomus en Marella. Het bijgevoegde document getiteld “Contouren aangaande vereisten voor verdere leningverstrekking aan SGC” (kennelijk het spoorboekje in kwestie) houdt onder meer de volgende passage in: “ RENDO geeft een extra lening van 4,5 miljoen; deze wordt gebruikt voor: (. . .) b. 1,5 miljoen tbv aflossen leningsverplichtingen per 1/7”. De lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de uitbetaling van Woldomus en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [medeverdachte 1] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de werkelijk beoogde besteding te misleiden. Het hof komt hier bij de bespreking van feit 6 nog op terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 juni 2010 vraagt [medeverdachte 4] per e-mail aan [medeverdachte 1] en [verdachte] “een overzicht van de te betalen bedragen per bankrekeningnummer”. Hierop reageert [medeverdachte 1] op dezelfde dag onder verwijzing naar een bijgevoegd bestand, door hem aangeduid als het “spoorboekje voor de betalingen naar Woldomus en Marella”. Tevens wijst [medeverdachte 1] er in deze mail op dat SGI is gehouden om voor l juli 2010 uitbetalingen te doen aan Woldomus en Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de aanvullende lening noodzakelijk was voor SGC om de betalingen aan Woldomus en Marella te kunnen doen, volgt ook uit de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] verklaart bij de FIOD als verdachte dat de lening van 4,5 miljoen euro van Rendo het resultaat was van een offerte van ABN AMRO waarin de bank voorstelt Steenwijk te financieren op voorwaarden (onder andere borgstelling Rendo) die voor Rendo niet acceptabel waren. Hierop is [medeverdachte 1] met “contouren van een voorstel” gekomen waarin 4,5 miljoen euro door Rendo gefinancierd zou worden, aldus [medeverdachte 4] . Hij verklaart ook dat wanneer het Steenwijk project volgens planning was gestart, ze de 4,5 miljoen euro van Rendo niet nodig hadden gehad en de lening op de aandeelhouders uit eigen middelen hadden kunnen betalen. [medeverdachte 5] verklaart bij de FIOD als verdachte dat de niet achtergestelde lening van 4,5 miljoen euro ten dele werd gebruikt voor het aflossen van de lening van Woldomus en Marella omdat daarvoor de financiële middelen bij SGI ontbraken. Ze hadden bij SGI de financiële middelen niet en konden op dat moment niet aan de verplichtingen uit het stappenplan voldoen. Ze stonden met de rug tegen de muur. In het zuiden bij de Stramproy Groep stond een bedrag van circa 0,85 miljoen euro open die SGI/SGT nog moest betalen, aldus [medeverdachte 5] . De liquiditeitspositie van SGI is nooit goed geweest, ze hadden nog geen inkomsten, enkel uitgaven. [medeverdachte 5] heeft in een schriftelijke verklaring toegevoegd dat de continuïteit van SGI in gevaar kwam doordat [medeverdachte 1] een integraal stappenplan heeft gemaakt waarin verkoop van onroerend goed, inkoop, levering en een deelbetaling van de aandelen verplichte onderdelen waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat lening 7 doelbewust is aangegaan om voor SGC het geld te generen dat nodig was om Woldomus en Marella te kunnen betalen voor hun aandelen in SGI. Hier wordt eveneens het eerdere “stappenplan inkoop aandelen” gevolgd, zo is te zien in de feitelijke gang van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde betaling op 22 september 2011 Op 22 september 2011 koopt Horizon de aandelen van Marella en Woldomus in SGI over voor 3,5 miljoen euro (€ 2.250.000,- voor Marella en € 1.250.000,- voor Woldomus). Op 22 september 2011 wordt een deel van de koopprijs – via de notaris – aan Woldomus en Marella betaald. Ze ontvangen beiden 0,5 miljoen euro. Woldomus doet afstand van een deel van haar aanspraak op ontvangst van een deel van de aankoopprijs (€ 1.750.000,-) en dit deel wordt omgezet in een lening van Woldomus aan Marella. Marella doet afstand van haar aanspraak op ontvangst van een deel van de aankoopprijs (€ 750.000,-) en ook dit deel wordt omgezet in een lening aan Horizon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier volgt niet dat er na 2011 nog betalingen worden gedaan aan Woldomus op het overgebleven deel van haar vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde betaling (aan Marella) op 10 juli 2012 Op 10 juli 2012 betaalt Horizon – via de notaris – € 750.000,- aan Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap RvC/AvA (indirect) aandeelhouderschap en geldstromen naar Rendo directie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap (indirect) aandeelhouderschap?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor overwogen hebben de RvC en de AvA in hun vergaderingen van respectievelijk 13 september 2007 en 20 december 2007 bij het noodstroomproject met redenen uitdrukkelijk voorbehouden dat exploitatie door een derde onafhankelijke partij zou plaatsvinden. Uit het dossier dan wel uit de grote hoeveelheid door verdachten in eerste aanleg en in hoger beroep ingediende stukken blijkt niet dat dat de RvC en de AvA door [medeverdachte 1] , [verdachte] (of [medeverdachte 8] ) vervolgens op enig moment op de hoogte zijn gebracht van het feit dat zij als Rendo directeuren, feitelijk (het grootste deel van) de zeggenschap binnen SGI hadden en dus deelnamen in de exploitatiemaatschappij van de installatie die gestookt wordt op bio-brandstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op dit uitdrukkelijke, ingegeven door de op handen zijnde WON, gemaakte voorbehoud van zowel de RvC als AvA had deze tournure direct na genoemde vergaderingen uiteraard formeel voorgelegd moeten worden aan deze verantwoordelijke organen van Rendo. De deelname van Rendo directeuren in SGI is echter niet voorgelegd of besproken, laat staan dat uitdrukkelijke en noodzakelijke toestemming daartoe was gegeven door de RvC of AvA. Ook niet informeel. Dat is op geen enkele manier uit het dossier eenduidig komen vast te staan. [betrokkene 4] (de toenmalige president-commissaris) verklaart bij de FIOD als getuige dat de RvC en hijzelf niet op de hoogte waren van deelname door de directie van Rendo in SGI. Het betrof een puur financiële participatie door Rendo, het was niet de bedoeling dat Rendo de bedrijfsvoering zou verzorgen of deze mede zou aansturen. De Rendo directie heeft niet om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit en de directieleden zouden daarvoor toestemming moeten hebben gevraagd. Dit is evident, want Rendo zou als bedrijf een financiële participatie in dit bedrijf nemen. De RvC heeft dit nooit geweten en zou daar ook nooit toestemming voor hebben verleend, ook niet voor de leningen door Rendo.Bij de rechter-commissaris verklaart [betrokkene 4] dat het de Raad van Commissarissen niet bekend was dat de directie direct of indirect als aandeelhouder, zou deelnemen in SGI. Dat is ook nooit bekend geweest, totdat in 2012 deze zaak ging spelen. Er is nooit toestemming gegeven aan werknemers of de directie voor enige deelname in SGI.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het dossier bevinden zich de verslagen van de RvC vergaderingen. Uit die verslagen blijkt op geen enkele wijze dat de deelname van de directie in SGI daar expliciet is besproken. Integendeel. Zo wordt in de vergadering van 17 december 2009 verslag gedaan van het project Steenwijk: “Er wordt melding van gemaakt dat het project biomassacentrale in Steenwijk qua realisatie achter loopt op de planning. Deze achterstand hield verband met een revisieaanvraag van de vergunning. Het project blijft rendabel. Waarschijnlijk start de levering van stroom nu echter pas in het tweede kwartaal van 2010. Om de RENDO belangen veilig te stellen en in de ontstane extra liquiditeitsbehoefte van de exploitant te voorzien, zal RENDO een aankoop gaan doen van de desbetreffende grond en opstallen. De exploitant huurt deze activa vervolgens van RENDO terug, tegen een rendement van 8%.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt met geen woord over de betrokkenheid van de directie gerept. Dit terwijl er op dat moment tussen de aandeelhouders van SGI zelfs van alles speelde rond die betrokkenheid. [getuige 1] (destijds wethouder van de gemeente [gemeente] en aandeelhouder van Rendo) verklaart bij de FIOD als getuige dat de AvA niet op de hoogte was van de (middellijke) deelname van [medeverdachte 1] en [verdachte] in SGI. Het werd gepresenteerd alsof er een derde partij bij betrokken was. De verbondenheid met de directeuren van Rendo was de AvA niet bekend. [getuige 2] (destijds wethouder van de gemeente [gemeente 1] en commissaris van Rendo) verklaart eveneens bij de FIOD als getuige dat de RvC niet op de hoogte was van de (middellijke) deelname van [medeverdachte 1] en [verdachte] in SGI. [getuige 2] wist niets van een binding tussen Rendo en SGI. [getuige 3] (toenmalig gemeenteraadslid van de gemeente [gemeente 2] en aandeelhouder van Rendo) verklaart bij de FIOD als getuige dat hij bij zijn aantreden als aandeelhouder in 2010 niet wist wie er aandeelhouder waren van SGI. De aandeelhouders of RvC van Rendo wisten niet van de (middellijke) deelname van [medeverdachte 1] en [verdachte] in SGI. Talen noemt het “buiten kijf” dat je toestemming moet hebben als je zoveel aandelen van SGI bij de directie van Rendo zet. Talen verklaart: “Het moet in ieder geval bekend zijn en zij hadden dat moeten melden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de RvC en AvA geen wetenschap hadden van het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo-directie. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben via listige constructies met buitenstaanders hun feitelijke zeggenschap binnen SGI voor de buitenwereld verhuld. Daaruit volgt dat Rendo doelbewust door [medeverdachte 1] en [verdachte] is misleid omtrent hun belang in SGI. In de praktijk hadden de twee Rendodirecteuren gezamenlijk een meerderheidsbelang in SGI. [medeverdachte 1] en [verdachte] oefenden in de praktijk ook een bepalende invloed binnen SGI uit. De RvC en AvA van Rendo hadden hier geen weet van. Door het (indirecte) aandeelhouder zijn van de beide Rendo directeuren was geen sprake van een derde partij zoals door de RvC en AvA van Rendo was beoogd en bedongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap geldstromen van Rendo naar Rendo-directeuren Geld van Rendo dat bestemd was voor de financiering van SGI en haar dochtermaatschappijen is – in ieder geval voor een deel – aangewend voor het doen van betalingen aan haar eigen directeuren [medeverdachte 1] en [verdachte] . Uit niets blijkt dat Rendo ooit heeft beoogd om haar geld voor dit doel te (laten) gebruiken, alleen al niet omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] steeds bewust verzwegen hadden dat zij een belang in SGI hadden. Het ligt daarnaast ook niet voor de hand, nu het gaat om (een aanzienlijke hoeveelheid) publiek geld terwijl [medeverdachte 1] en [verdachte] als directeuren van Rendo al een vast salaris in dienst van Rendo genoten. Uit de hiervoor genoemde verklaringen van leden van de RvC en de AvA van Rendo blijkt ook dat Rendo geen geld had verstrekt aan SGI als bekend was geweest dat haar directeuren een belang hadden in SGI en het project in Steenwijk, en daardoor en daarenboven mede werd aangewend ter verrijking van haar eigen directeuren. Rendo is reeds door hun heimelijke deelname in SGI misleid ten aanzien van het doel en de besteding van door haar aan SGI (en dochters) verstrekte financiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rollen verdachten Verhullende handelingen naast constructies feitelijke zeggenschap binnen SGI Op 2 november 2007 e-mailt [betrokkene 3] aan [medeverdachte 8] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en deelt mee dat op 1 november 2007 besloten is “om bij gevoelige informatie vanaf nu af aan de prive email adressen te gebruiken”. Het hof stelt vast dat het grootste deel van de emails in het dossier aangaande SGI ook daadwerkelijk zijn verstuurd van en naar de privé e-mailadressen van verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorts vast dat de namen van [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 1] uit de notulen van de AvA van SGI en SGT van 28 januari 2008, 3 maart 2008, 14 april 2008 en 5 september 2008 zijn gehaald. [medeverdachte 1] verzoekt op 5 maart 2010 per e-mail aan de accountant van Woldomus om uit de jaarrekening van Woldomus de naam Stramproy Green Investments weg te halen. Ook verzoekt [medeverdachte 1] op 8 maart 2010 (via [medeverdachte 4] ) de accountant van SGI om in elke jaarrekening (intern en extern per vennootschap) de verwijzingen naar Marella, Woldomus, N.V. Rendo Holding, Rendo N.V., Rendo en alle soortgelijke verwijzingen naar externe partijen te schrappen. [medeverdachte 1] verzoekt dit “zeeeeer zorgvuldig” per pagina door te voeren en dit verzoek niet één op één door te sturen via e-mail. Het hof stelt vast dat aan dit verzoek van [medeverdachte 1] ook wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat verdachten meermalen handelingen hebben verricht om het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendodirecteuren bij SGI te blijven verhullen en daarmee te verduurzamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oogmerk Uit de aandeelhoudersovereenkomst SGI van 20 december 2007 blijkt dat het van meet af aan bij alle bij deze overeenkomst betrokken partijen duidelijk was dat Rendo de activiteiten van SGI voor het overgrote deel zou financieren. Daarmee ontstond op 20 december 2007 de situatie dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 8] , als directeuren van Rendo en in het geval van [medeverdachte 1] ook nog met een statutaire bevoegdheid om over het verstrekken van financieringen te beschikken, een rechtstreeks financieel belang hadden gekregen bij de onderneming waarin Rendo een aanzienlijke hoeveelheid geld zou gaan investeren. Dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dit financieel belang via hun persoonlijke vennootschappen hadden, maakt dat niet anders nu ook in die situatie geen sprake is van een (van Rendo) onafhankelijke derde partij. Een dergelijke constructie leidt tot een zodanig groot risico dat op enig moment de belangen van Rendo en die van de aandeelhoudende directeuren met elkaar in strijd zouden komen – een situatie die zich later ook heeft gerealiseerd – dat ook om deze reden volstrekt onaannemelijk is dat de RvC en de AvA van Rendo dit zouden hebben geweten en toestemming daarvoor zouden hebben gegeven. Daar komt bij dat de uit de WON voortkomende verplichtingen ten aanzien van nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer actueel waren en dat RvC en AvA – daarmee bekend zijnde – hierop al in een vroeg stadium anticipeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de eerder aangehaalde verklaringen van de commissarissen en aandeelhouders van Rendo blijkt dat de RvC en de AvA nooit zouden hebben ingestemd met het verstrekken van geld aan SGI als bij hen bekend was geweest dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 8] een belang hadden bij die onderneming. In het licht van de ondubbelzinnige afspraken en het gemaakte voorbehoud in de vergaderingen van 13 september en 20 december 2007 omtrent het uitbesteden van de exploitatie van het project aan een derde partij, bij welke vergaderingen [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig waren, wisten beiden dat de besluitvorming in de RvC en de AvA anders zou zijn verlopen indien deze van hun belangen bij SGI op de hoogte waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft de Rendo-directie zelf in een notitie aan de RvC opgenomen dat Rendo vanwege de WON geen aandeelhouder kon zijn van een dergelijk project betreffende elektriciteitsproductie. Dat [medeverdachte 1] en [verdachte] noch op dat moment noch op enig moment nadien, de RvC en de AvA van hun belangen op de hoogte hebben gesteld, maakt dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat zij de RvC en de AvA van Rendo bewust hebben misleid, om zo te bewerkstelligen dat SGI toch door Rendo zou worden (en blijven) gefinancierd. Uit deze conclusie volgt ook dat alle vormen van financiering die Rendo vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, aangemerkt moeten worden als vrucht van deze oplichting, waarmee (in ieder geval) SGI werd bevoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat Rendo hierdoor is benadeeld is evident, nu zij niet uit vrije wil dit geld heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit al het voorgaande volgt ook dat Rendo door [medeverdachte 1] en [verdachte] niet alleen doelbewust is misleid omtrent hun (feitelijke) belang in SGI, maar ook omtrent het doel en de besteding van de financiering die Rendo (in alle gevallen vertegenwoordigd door diezelfde [medeverdachte 1] ) aan SGI en haar dochter SGC heeft verstrekt. Het gaat hierbij om de uitbetaling van Woldomus en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010. Op deze wijze hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] bewerkstelligd dat geld, dat in de valselijk gewekte voorstelling van zaken zoals die aan Rendo werd voorgespiegeld voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk was bestemd, is toegevloeid naar haar eigen directeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nota bene terwijl dat project nog geen moment rendabel was geweest en het voortbestaan daarvan bovendien, ten tijde van de tweede uitbetaling op 29 juni 2010, door het vasthouden aan de betalingen aan Woldomus en Marella rechtstreeks in gevaar werd gebracht. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen (€ 15.000,- voor [medeverdachte 1] en € 5.000,- voor [verdachte] ) een financieel belang in SGI verkregen. Bij de verkoop van dit belang hebben zij vervolgens aanzienlijk grotere geldbedragen ontvangen (2,5 miljoen euro voor [medeverdachte 1] en € 1.250.000,- voor [verdachte] ). Zij hebben privé uit eigen financieel gewin gehandeld en hebben naar het oordeel van het hof – alles overziend – daarmee oogmerk gehad op wederrechtelijke bevoordeling van Rendo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resumerend komt het hof tot het oordeel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo door Rendo te misleiden omtrent hun feitelijke deelname aan SGI. Al het geld dat Rendo vanaf die datum aan SGI of haar dochters heeft verstrekt is de vrucht van deze oplichting geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich bij de uitbetaling van Woldomus en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010 eveneens schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo, door Rendo te misleiden omtrent het doel en de besteding van de door Rendo in dit verband aan SGI verstrekte gelden. Op grond van al het voorgaande stelt het hof bovendien vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] stelt het hof vast dat zij wisten dat de inkoop van de aandelen door SGI van Woldomus en Marella in beide gevallen betaald werd met geld van Rendo. Het hof acht het op grond van het hiervoor overwogene ten aanzien van de misleiding onaannemelijk dat dit met wetenschap van Rendo kon gebeuren. In een fase waarin het project nog volop financiering nodig had en nog niet rendeerde, is het immers niet voorstelbaar dat Rendo miljoenen zou betalen aan haar eigen directeuren, zeker niet als daardoor, zoals al overwogen, op enig moment zelfs het voortbestaan van het project in gevaar zou worden gebracht. Het hof gelooft [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] niet in hun verklaring dat zij meenden dat Rendo wist van en instemde met het betalen voor de inkoop van de aandelen van haar directeuren. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hadden direct zicht op de eerder beschreven schijnconstructies bij de oprichting van SGI in 2007 en de overdracht van de aandelen aan [betrokkene 1] in 2008. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben op de zitting van de rechtbank van 1 december 2017 beiden verklaard dat zij ervan op de hoogte waren dat de Rendodirecteuren feitelijk zouden participeren in SGI en niet Woldomus, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is evenwel van oordeel dat de wetenschap en daarmee het oogmerk van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] niet vóór halverwege 2009 is ontstaan. Ten aanzien van [medeverdachte 4] wijst het hof hiervoor op een e-mail van 27 september 2009 als startpunt van het oogmerk. In deze e-mail spreekt [medeverdachte 4] zijn verbazing uit naar [medeverdachte 1] over de intentie van [verdachte] en [medeverdachte 1] hun aandelen te willen verkopen aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] benoemt als voorwaarde voor een dergelijke transactie dat de continuïteit van SGI gewaarborgd blijft en dat een overname uit eigen middelen wordt gefinancierd. [medeverdachte 4] vraagt [medeverdachte 1] voor welk bedrag de aandelen over zouden gaan en hoe dit gefinancierd moet worden. Via de weg van het medeplegen met [medeverdachte 4] kan eveneens als begindatum van de bewezenverklaarde pleegperiode in de zaak van zijn compagnon [medeverdachte 5] 27 september 2009 worden aangenomen. Het voorgaande brengt mee dat het hof van oordeel is dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] vanaf 27 september 2009 het oogmerk hadden op wederrechtelijke bevoordeling. Het hof merkt deze datum in hun geval aan als startdatum van de bewezenverklaarde pleegperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het vervolgens gaat om de besteding van de aanvullende lening van 4,5 miljoen euro aan SGC komt daar nog bij dat zij, gezien het op 3 juni 2010 door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] per email gestuurde “spoorboekje” op de hoogte waren van het feit dat deze lening, in tegenstelling tot wat valselijk aan Rendo werd voorgespiegeld, mede besteed zou worden aan inkoop van de aandelen SGI en vervolgens uitbetaling van Woldomus en Marella. Door onder de gegeven omstandigheden hun op instandhouding van SGI gerichte medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de bewuste gelden van Rendo en aan de doorbetaling van een deel daarvan aan Woldomus en Marella, is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] bij het oplichten van Rendo in zodanige mate dat van medeplegen kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] geen medeplegers zijn van het oplichten van Rendo met betrekking tot de andere geldverstrekkingen, in het bijzonder de sale and leaseback transacties van 30 december 2010 en 22 september 2011. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben actief een belang in SGI ten opzichte van de eigen RvC en AvA van Rendo verhuld en/of verzwegen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben daaraan toen niet deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreken verweren verdediging Causaliteit De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake was van causaal verband tussen het heimelijk vervullen van functies en het verstrekken van leningen en sale and leaseback transacties door Rendo. Het hof volgt de verdediging niet in de (niet onderbouwde) stelling dat de RvC van Rendo op de hoogte was van het (indirect) aandeelhouderschap van [medeverdachte 1] en [verdachte] in SGI. In de voorgaande bewijsoverwegingen heeft het hof reeds vastgesteld dat Rendo via leningen en sale and leaseback transacties geld heeft geïnvesteerd in SGI en dat zij dit niet zou hebben gedaan als zij weet zou hebben gehad van het (indirecte) belang van onder andere [verdachte] in SGI. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een rechtstreeks verband tussen het heimelijk vervullen van functies en het verstrekken van leningen en sale and leaseback transacties door Rendo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft hierbij ook naar voren gebracht dat de status van de WON onduidelijk was en onverbindend in de periode van 22 juni 2010 tot en met 26 juni 2015. Naar het oordeel van het hof laat dit onverlet dat – zoals hiervoor bij de overwegingen omtrent het bewijs van feit 1 is overwogen – [verdachte] en [medeverdachte 1] ervan op de hoogte waren dat de RvC en AvA verlangden dat de exploitatie van de torrefactiecentrale en warmtekrachtcentrale door een derde partij binnen de kaders van de WON moest worden uitgevoerd. Het gaat om de door de RvC en AvA gestelde voorwaarden en daar zit geen licht tussen. Het hof merkt overigens op dat de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) op de WON duidelijk is in de bedoelingen: Netbeheerders mogen niet langer deel uitmaken van een groep waarbinnen productie, levering of handel plaatsvindt. De MvT bevat hier een verwijzing naar 2:24b BW als het gaat om de betekenis van “een groep.” Daarvan is volgens dit artikel en dus de MvT sprake wanneer rechtspersonen/vennootschappen zijn verbonden binnen een economische eenheid met als belangrijk kenmerk centrale leiding. Voor het begrip economische eenheid is van belang of het gaat om zodanige economische samenhang dat vermelding in het jaarverslag zinvol is. Rendo wordt met zoveel woorden genoemd als te ontvlechten bedrijf. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen sprake van ‘bestuurder’ Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat [verdachte] als bestuurder kan worden aangemerkt zoals ten laste is gelegd. Het hof heeft eerder over de functie van [verdachte] het volgende vastgesteld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zelfstandig bevoegd directeur van Rendo Netbeheer B.V., vanaf 1 januari 2003 tot 4 augustus 2008;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>volledig gevolmachtigd directeur ten behoeve van N.V. Rendo Beheer sinds 21 november 2008;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>titulair directeur van N.V. Rendo Holding van 8 juni 2012 tot 31 december 2012.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan, zijn taak, zeggenschap en positie, merkt het hof [verdachte] aan als bestuurder van Rendo. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplegen In de voorgaande bewijsoverwegingen heeft het hof reeds vastgesteld dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering zodat van medeplegen kan worden gesproken. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oogmerk Met betrekking tot het oogmerk overweegt het hof ten aanzien van [verdachte] nog als volgt. [verdachte] heeft aangevoerd dat hij niet de intentie heeft gehad om de RvC en de AvA te misleiden en heeft daartoe gewezen op het feit dat hij expliciete toestemming had van [medeverdachte 1] voor deelname aan de constructie en bovendien van [medeverdachte 1] had vernomen dat deze op zijn beurt de toestemming had van de president-commissaris [betrokkene 4] . Het hof acht echter niet geloofwaardig dat [verdachte] daadwerkelijk meende dat hij handelde met medeweten en instemming van de RvC en AvA. Hij was immers zelf aanwezig bij de vergaderingen van de RvC van 13 september 2007 en van de AvA op 20 december 2007, zodat het bepaald niet voor de hand lag dat [betrokkene 4] buiten die vergaderingen om alsnog zou hebben ingestemd met een constructie die in strijd is met wat door zijn RvC was afgesproken en die bovendien aanzienlijke risico's op een tegenstrijdig belang zou meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook op latere RvC vergaderingen was [verdachte] aanwezig, zoals bijvoorbeeld de vergadering van 17 december 2009. Terwijl hij wist wat er op dat moment speelde bij SGI bleef hij (volgens de notulen) zwijgen waar spreken geboden was. Op de RvC vergadering van 23 november 2012 beweert hij zelfs “dat er binnen RENDO alleen onze voormalig directeur met dit project bezig is geweest en dat er verder niemand iets vanaf wist.”: Een glasharde leugen die naar de mening van het hof niet anders kan worden uitgelegd dan om zijn eigen nauwe betrokkenheid te verhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor hemzelf lag toestemming krijgen bovendien des te minder voor de hand nu hij, als directeur netbeheer, wist dat de statuten van N.V. Rendo – waarvan hij via Rendo Beheer directeur was – hem expliciet verboden om in enige vorm deel te nemen in een energie producerend bedrijf. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 3 (medeplegen valsheid in geschrift) Bespreking begrippen Het hof bespreekt eerst twee begrippen die bij dit feit een belangrijke rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbonden partijen In deze strafzaak speelt de vraag of een partij, waarmee (een dochtervennootschap van) Rendo een transactie heeft gesloten, als verbonden partij kan worden aangemerkt. De vraag of een partij als verbonden partij kan worden aangemerkt is relevant, omdat een relatie tussen verbonden partijen invloed kan hebben op de winst of het verlies en op de financiële positie van een entiteit. Transacties en relaties met verbonden partijen moeten worden toegelicht in de jaarrekening. Verder moet bij transacties met verbonden partijen de zakelijkheid van de transactie onderzocht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de IAS-normen (International Accounting Standards), en meer specifiek IAS 24, volgt dat een verbonden partij een natuurlijke persoon of een entiteit is die verbonden is met de entiteit die haar jaarrekening opstelt. Verder is in deze norm onder meer bepaald: (a) Een natuurlijke persoon of een nauwe verwant van de natuurlijke persoon is met een verslaggevende entiteit verbonden indien deze persoon: (i) zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap over de verslaggevende entiteit uitoefent; (ii) invloed van betekenis over de verslaggevende entiteit uitoefent; dan wel (iii) behoort tot de managers op sleutelposities in de verslaggevende entiteit of in een moedermaatschappij van de verslaggevende entiteit. ( b) Een entiteit is met een verslaggevende entiteit verbonden indien: (…) (vi) Een onder (a) bedoelde natuurlijke persoon zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap uitoefent over de entiteit. (vii) Een onder (a)(i) bedoelde persoon invloed van betekenis uitoefent over de entiteit of behoort tot de managers op sleutelposities in de entiteit (of in een moedermaatschappij van de entiteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Letter of Representation (LOR) In een Letter of Representation (hierna: LOR) bevestigt het bestuur van een onderneming (en/of eventueel andere betrokkenen), zoals blijkt uit de ondertekening van de LOR, dat zij ervoor verantwoordelijk zijn dat de jaarrekening en/of andere financiële verantwoording een getrouwe weergave bevat in overeenstemming met van toepassing zijnde grondslagen voor verslaggeving. Tevens bevestigt het bestuur dat de accountant inzage is gegeven in de gehele administratie en de daaraan ten grondslag liggende gegevens aan de accountant zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof LOR en jaarrekeningen Onder verantwoordelijkheid van [verdachte] als waarnemer van [medeverdachte 1] is over het jaar 2011 de jaarrekening gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en zodoende openbaar gemaakt in de zin van artikel 336 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in het kader van feit 1 vastgesteld dat [medeverdachte 1] en [verdachte] vanaf de oprichting van SGI een bepalende rol hebben gespeeld binnen SGI. Meer in het bijzonder kan op grond van de stukken worden vastgesteld dat de drie Rendo-directeuren die bij SGI betrokken waren ( [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 8] ) in wisselende samenstelling vanaf het begin een meerderheidsbelang van 60% in deze onderneming hebben gehad. Daarmee staat vast dat de Rendo-directie doorlopend beleidsbepalende invloed had in SGI en die invloed kon uitoefenen op haar financiële en zakelijke beleid. Dit blijkt onder andere uit de hierboven beschreven gang van zaken bij de besluitvorming over de inkoop door SGI van haar eigen aandelen. Het hof merkt daarbij op, net zoals de rechtbank, dat de feitelijke situatie daarbij doorslaggevend is en niet de formeel-juridische werkelijkheid, nog daargelaten dat die juridische werkelijkheid in dit geval opzettelijk is opgetuigd om de feitelijke situatie te verhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat Rendo en SGI over de jaren 2007 tot en met 2011 voor wat betreft de verplichting tot vermelding in de jaarrekening als verbonden partijen moeten worden beschouwd. Of de wet- en regelgeving voor de jaarverslagging correct is toegepast is een oordeel van juridische aard dat het hof toekomt. Daarom zal het hof anders dan de rechtbank bij dit oordeel de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] niet betrekken. Nu het hof reeds in het voorgaande heeft geoordeeld dat de transacties tussen Rendo (zowel de Holding als Rendo Duurzaam) en SGI en haar dochters hebben plaatsgevonden als gevolg van de opzettelijke misleiding van Rendo, waarmee gegeven is dat zij onder niet-normale marktvoorwaarden tot stand zijn gekomen, is daarom al ten onrechte in de ten laste gelegde jaarrekeningen 2007 tot en met 2010 niet vermeld dat Rendo met SGI was verbonden .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt [verdachte] niet in zijn verweer dat hij niet van deze verplichting op de hoogte was en/of op dit punt heeft gedwaald. In de bevestigingsbrief over 2011 die aan de accountant is toegezonden (de Letter of Representation) staat vermeld dat alle relevante informatie, waaronder die over het eventueel bestaan van met Rendo verbonden partijen, naar waarheid is verstrekt. De bevestigingsbrieven zijn wat de jaren 2007 tot en met 2010 betreft getekend door [medeverdachte 1] en voor 2011 door [verdachte] . Nu [verdachte] wist dat hij in 2011 (in ieder geval tot de uiteindelijke overname door Horizon) samen met de andere Rendodirecteur(en) een bepalende invloed uitoefende in SGI, kan niet worden volgehouden dat hij verontschuldigbaar vergeten zou zijn om de accountant daarvan op de hoogte te stellen. Verder is gesteld noch gebleken dat [verdachte] volledige openheid van zaken heeft gegeven tegen de accountant over de constructie met SGI, zodat niet vastgesteld kan worden dat de accountant op basis van alle relevante aangeleverde informatie gedegen onderzoek heeft kunnen doen en een gedegen oordeel heeft kunnen vellen waarop [verdachte] zich volledig kon verlaten. Veeleer moet worden aangenomen dat [verdachte] juist bewust deze informatie heeft verzwegen om het feitelijke belang van de Rendodirecteuren in SGI te (blijven) verhullen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] als waarnemend directeur opzettelijk onwaarheden in de openbaar gemaakte jaarrekening over 2011 heeft vermeld. Van medeplegen met een ander, zoals [medeverdachte 1] , is daarbij naar het oordeel van het hof geen sprake geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over eerdere jaren volgt uit de stukken dat de actieve bijdrage van [verdachte] er slechts uit heeft bestaan dat hij enkele teksten heeft aangeleverd voor de jaarverslagen. Bij de ondertekening van de bevestigingsbrieven over eerdere jaren is [verdachte] niet betrokken geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de teksten die in de jaarverslagen zijn opgenomen is het hof met de rechtbank voorts van oordeel dat artikel 336 Sr enkel ziet op het openbaar maken van onware financiële stukken. De in dit artikel opgesomde stukken zijn dan ook allemaal van louter financiële aard. Een jaarverslag is dit, gezien de definitie in artikel 2:391 BW, niet. Dat een jaarverslag zo nodig enkele financiële gegevens kan bevatten, maakt dit niet anders. Bovendien ziet de tenlastelegging op dit punt juist op de niet-financiële onderdelen van de jaarverslagen. Nu de in de tenlastelegging opgenomen onderdelen uit de jaarverslagen geen onware staat, onware balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten en toelichting op één van deze stukken zijn, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intentieverklaring Het hof heeft in het kader van feit 1 vastgesteld dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] vanaf het moment van de oprichting van SGI op 20 december 2007 de feitelijke zeggenschap hadden over de aandelen in SGI, terwijl deze formeel op naam stonden van respectievelijk Woldomus, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . De beslissingen binnen en over SGI werden feitelijk door [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] genomen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben via een schijnconstructie met andere partijen hun feitelijke zeggenschap binnen SGI voor de buitenwereld verhuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze feitelijke gang van zaken veranderde niets op en na het moment dat Marella werd opgericht en, na uitoefening van de inmiddels door haar van [medeverdachte 6] verkregen koopoptie, formeel eigenaar werd van een aandelenbelang in SGI. Ook na 2 december 2009 bleef het [verdachte] die de beschikkingsmacht over deze aandelen uitoefende en alle relevante beslissingen op dat gebied nam. Dit blijkt overigens ook uit de hierboven beschreven gang van zaken bij de besluitvorming over de inkoop door SGI van haar eigen aandelen. Bij de oprichting van Marella en overname van de aandelen SGI door Marella was daarmee naar het oordeel van het hof opnieuw sprake van een schijnconstructie, waarbij niet [medeverdachte 2] maar [verdachte] feitelijk alle zeggenschap had binnen Marella. Deze schijnconstructie had tot doel om de hierboven beschreven feitelijke situatie voor de buitenwereld te verhullen. [medeverdachte 2] en [verdachte] tekenen op 27 december 2008 als partijen een overeenkomst met als titel “intentieverklaring”. Deze komt erop neer dat begin 2009 een vennootschap zal worden opgericht door [medeverdachte 2] met de naam Marella. Na oprichting zal 99% van de aandelen verkocht worden aan [verdachte] . Vervolgens richten op 26 maart 2009 [verdachte] en [medeverdachte 2] Marella op. [medeverdachte 2] is sinds die dag algemeen directeur. Op de dag van de oprichting verkoopt en levert [medeverdachte 2] 99% van de aandelen in Marella aan [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover van belang houdt de intentieverklaring het volgende in: “Overwegende dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[verdachte] werkzaam is als (niet statutair) directeur bij een energiebedrijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dit energiebedrijf als netbeheerder gezien de huidige wet- en regelgeving geen activiteiten mag verrichten die te maken hebben met de productie en/of levering van energie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[verdachte] soms in contact komt met bedrijven die van zijn kennis en kunde gebruik wensen te maken en waarbij zijn werkgever gezien de wettelijke netbeheerstaken geen partij mag zijn; (…)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>partijen hiervoor een nieuwe vennootschap wensen op te richten om zodoende een aan [verdachte] aangeboden aandelenoptie van een energieproducerend bedrijf als eerste in onder te brengen (…)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[verdachte] belang heeft om gezien zijn werknemerspositie bij een energiebedrijf en conform de afspraken met zijn directie, dit low profile op te zetten en zo veel mogelijk \"uit zicht\" wil blijven voor onder meer zijn collega's, temeer om verkeerde interpretaties van mensen die de achtergrond niet kennen te voorkomen. (…)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[verdachte] wil zorgdragen dat de activiteiten onafhankelijk van zijn werknemerschap worden uitgevoerd en dat [medeverdachte 2] mogelijke belangentegenstellingen beoordeelt, zodat elke schijn van belangenverstrengeling zoveel mogelijk wordt voorkomen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de zakelijke integriteit voor partijen erg-belangrijk is gezien de goede reputatie van partijen bij collega's, belastingdienst, bedrijfsleven, banken en afnemers;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 2] aangeeft dit graag voor [verdachte] als broer te willen doen en leuk vindt als klankbord te fungeren en op deze wijze verder zakelijke ideeën te kunnen bespreken. (…)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Partijen deze intenties en afspraken door middel van deze verklaring wensen vast te leggen;</div>\n<p class=\"lf-p\">Komen als volgt overeen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 Oprichting vennootschap Partijen komen overeen dat er bij een nader te benoemen notaris een vennootschap wordt opgericht met de naam Marella (naar de namen van de kinderen [betrokkene 14] , [betrokkene 15] en [betrokkene 16] ). Deze vennootschap zal begin 2009 worden opgericht. Er zal worden gestart met een minimum kapitaal van € 18 .000,00. Oprichting zal gebeuren door [medeverdachte 2] . Daarna zal verkoop van 99% van de aandelen aan [verdachte] plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 Doel en activiteiten Marella heeft als doel om zakelijke kansen te benutten en dit op een efficiënte en effectieve wijze te organiseren. De activiteiten zullen bestaan uit het deelnemen in bedrijven, het verstrekken van leningen aan bedrijven en het voeren van diverse vormen van vermogensbeheer. Van belang is dat activiteiten niet de belangen van de werkgever van [verdachte] mogen schaden en waar ze in de energiebranche plaatsvinden, vooraf afstemming met de werkgever plaatsvindt. Activiteiten dienen verder plaats te vinden in transparantie, in eerbare projecten, tegen beheersbare risico's en met interessante rendementen. De kosten van Marella dienen laag gehouden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 Taakverdeling en directievoering De directievoering zal gebeuren door [medeverdachte 2] . Hij is de enige statutaire bestuurder. In de te maken statuten zal worden opgenomen welke bevoegdheden hij zelfstandig krijgt en voor welke besluiten de aandeelhouders goedkeuring dienen te geven. [medeverdachte 2] wordt tevens voorzitter van de aandeelhoudersvergadering. [verdachte] zal voor de notulen zorgdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen zullen een paar keer per jaar vergaderen. Voorstellen zullen door [verdachte] zo veel mogelijk worden uitgewerkt, zodat [medeverdachte 2] zich daar een goed beeld over kan vormen en zijn zakelijk en onafhankelijk advies over kan geven. De administratie zal worden verzorgd door [verdachte] . Er zal tevens een van goede naam en faam accountant en belastingadviseur worden aangesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] de intentieverklaring samen met [medeverdachte 2] valselijk opgemaakt, nu de oprichting van Marella, zoals hiervoor al vastgesteld, slechts bedoeld was om voor de buitenwereld te verhullen dat [verdachte] een (financieel) belang had in SGI en [medeverdachte 2] ook van dat doel wist. [medeverdachte 2] heeft immers verklaard: “ [verdachte] wilde uit zicht blijven. [verdachte] wilde niet dat hij aan Marella BV gelinkt kon worden.” En: “Met betrekking tot Marella BV was ik eigenlijk een soort stroman. Ik was bijvoorbeeld bij transacties van Marella 'zichtbaar' op papier en niet [verdachte] .”. De in de intentieverklaring beschreven rol voor [medeverdachte 2] , namelijk die van onafhankelijk beoordelaar van het handelen van [verdachte] , heeft in werkelijkheid niet plaatsgevonden. [medeverdachte 2] verklaart hierover immers: “Ik heb nooit zaken beoordeeld over het werknemerschap van [verdachte] en de activiteiten van Marella BV”.Ook het in artikel 3 beschreven directeurschap van [medeverdachte 2] heeft (in ieder geval op het punt van de aandelen SGI) geen enkele praktische invulling gekregen. Feitelijk stond [verdachte] aan het roer binnen Marella, terwijl dit naar maatschappelijke opvattingen [medeverdachte 2] als directeur had moeten zijn. Daarnaast stelt het hof vast dat het [medeverdachte 2] was die het externe gezicht van Marella was, terwijl intern [verdachte] de dienst uitmaakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De (in de tenlastelegging aangeduide passages uit de) intentieverklaring over de rol van [medeverdachte 2] kan (kunnen) naar het oordeel van het hof niet stroken met de werkelijkheid. Hierbij betrekt het hof de feitelijke rolverdeling tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] binnen Marella en de omstandigheid dat [medeverdachte 2] geen verstand heeft van de energiebranche. Dit maakt dat het toebedelen van de rol van onafhankelijk beoordelaar van het handelen van [verdachte] zoals omschreven in de intentieverklaring de facto inhoudsloos was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de tenlastelegging aangeduide passages, met de daarin beschreven achtergronden, doelstellingen, taken en rolverdelingen, zijn – bezien tegen de achtergrond van de intentieverklaring als geheel – naar het oordeel van het hof bedoeld om bij een eventueel onderzoek naar Marella door een derde partij een schijn van legitimiteit te wekken. Van deze passages kan dus niet gezegd worden dat zij geen bewijsbestemming zouden hebben, zoals de verdediging heeft betoogd. Ook naar zijn aard heeft een (schriftelijke en ondertekende) overeenkomst een bewijsbestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] en [medeverdachte 2] zich in vereniging aan feit 3 schuldig hebben gemaakt. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 4 (witwassen) Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 10 juli 2012 maakt Horizon BioEnergy een bedrag van € 750.000,- over naar Marella. Vervolgens maakt Marella op dezelfde dag € 370.000,- over naar [medeverdachte 9] , de vriendin van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nadere aandeelhoudersovereenkomst SGI van 22 december 2009 is onder punt 2 over de aankoop en betaling van de aandelen van (onder meer) Marella afgesproken dat SGI op de aankoopdatum een eerste aanbetaling doet van 0,5 miljoen euro, wat op 23 december 2009 ook is gebeurd, en dat het restant van het totale aankoopbedrag van 2,7 miljoen euro (na 23 december 2009 nog 2,2 miljoen euro) wordt omgezet in een lening tegen een rente van 7%. Deze lening diende vervolgens in drie stappen uitbetaald te worden. Marella heeft in dit verband op 29 juni 2010 nogmaals een betaling van 0,5 miljoen euro ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 september 2011 neemt Horizon Bioenergy de aandelen SGI over. In de akte van aandelenoverdracht is onder meer opgenomen dat Marella haar aandelen en haar resterende vordering op SGI cedeert aan Horizon tegen betaling van € 1.250.000,-. Op grond van deze afspraken ontvangt Marella op 22 september 2011 van Horizon BioEnergy een bedrag van 0,5 miljoen euro en, zoals hierboven al aangegeven, op 10 juli 2012 het nog resterende bedrag van € 750.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van € 750.000,- is aldus rechtstreeks te herleiden tot (de waarde van) de aandelen die Marella in SGI hield. Dat deze aandelen enige waarde hadden is op zijn beurt weer rechtstreeks te herleiden tot het feit dat Rendo aanzienlijke investeringen in SGI heeft gedaan, investeringen waarvan het hof heeft vastgesteld dat die zijn verricht als gevolg van oplichting door (onder andere) [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vast staat tevens dat [verdachte] van deze criminele herkomst van het geld afwist, nu hij, zoals eerder overwogen, medepleger is van het misdrijf waaruit dat geld (middellijk) afkomstig was. Door een gedeelte van dit geld over te boeken naar de spaarrekening van zijn vriendin [medeverdachte 9] heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van een middellijk uit misdrijf verkregen voorwerp, zoals in de tenlastelegging onder onderdeel B opgenomen. Van de in de tenlastelegging onder A opgenomen variant, die kort gezegd neerkomt op het plegen van verhullingshandelingen, is naar het oordeel van het hof geen sprake omdat de overboeking van het geld naar de rekening van [medeverdachte 9] volledig traceerbaar was en in alle openheid heeft plaatsgevonden. Het hof spreekt dan ook – net als de rechtbank – vrij van dit deel van de tenlastelegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake was van medeplegen met de eigen vennootschap van [verdachte] , de rechtspersoon Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 4 subsidiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.hij in de periode van 20 december 2007 tot en met 22 september 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, N.V. Rendo Holding en/of Rendo Beheer B.V., en/of Rendo Duurzaam B.V. en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met “Rendo”) heeft bewogen tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verstrekken van leningen en achtergestelde leningen en het betalen van geldbedragen in het kader van één of meer leningen en achtergestelde leningen, tot een totaal bedrag van circa EUR 20.300.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aangaan van sale- and leasebacktransacties;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het op 22 september 2011 kwijtschelden door Rendo van de huur over de jaren 2011 en 2012 voor percelen industrieterrein gelegen aan de Dolderweg en Langebaan te Steenwijk, gehuurd door Stramproy Green Investments B.V. (verder te noemen SGI) van Rendo voor een bedrag van in totaal EUR 1.360.45,00 (excl. BTW), derhalve tot de afgifte van enig goed en het teniet doen van een inschuld; immers hebbende verdachte en zijn medeverdachten:</div>\n<p class=\"lf-p\">A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo indirect aandeelhouder te zijn van SGI;</p>\n<p class=\"lf-p\">B. de Raad van Commissarissen (hierna “RvC”) van Rendo en de aandeelhouders van Rendo niet geïnformeerd over het belang dat hij en zijn medeverdachten hadden bij SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van Rendo en zonder toestemming van de aandeelhouders van Rendo en door tussenkomst van de besloten vennootschappen Woldomus B.V. en Marella B.V. en door tussenkomst van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [betrokkene 1] , een belang verkregen in SGI en haar dochtervennootschappen Stramproy Green Coal B.V. (hierna “SGC”) en Stramproy Green Energy B.V. (hierna “SGE”) en Stramproy Green Technologie B.V. (hierna “SGT”);</p>\n<p class=\"lf-p\">F. er voor zorggedragen dat [betrokkene 1] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van SGI, die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en zijn medeverdachten, heeft gehouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">I. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo verstrekken van leningen aan SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">J. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo aangaan van sale- and leasebackovereenkomsten met SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">K. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo betalen voor investeringen aan SGI en haar andere dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">L. als bestuurder van Rendo opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door Rendo kwijtschelden van huur verschuldigd door SGI en/of haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">M. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo doen van betalingen aan SGI en haar dochtervennootschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">R. de namen van “Marella” en “Woldomus” en “Rendo” uit de conceptjaarrekening van SGI over 2009 laten verwijderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">S. door Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (hierna “MBCF”) en/of de heer mr. ing. [betrokkene 2] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door Rendo aan SGI mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door SGI;</p>\n<p class=\"lf-p\">T. de hiervoor vermelde brief met een onjuiste datum op laten maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">U. voor de RvC van Rendo en de aandeelhouders van Rendo verhuld dat één of meerdere door Rendo aan SGI verstrekte leningen door SGI aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.hij op 10 augustus 2012 in Nederland, een Letter of Representation, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, de valsheid hieruit bestaande dat verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid de Letter of Representation van 2011 heeft ondertekend en daarin heeft opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2011 “13. Wij hebben de bij ons bekende informatie met betrekking tot de identificatie van verbonden partijen en aangaande transacties met deze partijen volledig aan u verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>De relaties en transacties met verbonden partijen zijn op passende wijze in de jaarrekening verwerkt en toegelicht in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. en hij op of omstreeks 27 december 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, de intentieverklaring, tussen verdachte en [medeverdachte 2] , - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebbende verdachte en zijn medeverdachte, valselijk en/of in strijd met de waarheid/werkelijkheid, niet de bedoeling gehad om de intentie zoals omschreven onder het 12e en/of 13e en 14e gedachtenstreepje van blz. 1 na te komen en genoemd onder artikel 2 en 3 van blz. 2 van D-202, daar hiervan op geen enkele manier is gebleken, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>subsidiair hij op een of meer tijdstippen, in de periode van 10 juli 2012 tot en met heden, in Nederland, een geldbedrag, (Sub B)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overdragen, door toen en daar opzettelijk, op 10 juli 2012 een geldbedrag van EUR 370.000,00 afkomstig van rekeningnummer [bankrekening 3] ten name van Marella B.V., op de bankrekening met het bankrekeningnummer [bankrekening 4] t.n.v. [medeverdachte 9] , te (laten) storten, terwijl verdachte wist dat dit geldbedrag middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: de voortgezette handeling van medeplegen van oplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: valsheid in geschrift en medeplegen van valsheid in geschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde levert op: witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 2007 en 2011 is het energiebedrijf Rendo, eigendom van een negental gemeenten in Drenthe en Overijssel, het slachtoffer geworden van een buitengewoon ernstige vorm van oplichting en fraude, gepleegd door twee van haar voormalige directeuren, [medeverdachte 1] en verdachte. Zij hebben het vanuit hun functie mogelijk gemaakt dat Rendo vanaf 20 december 2007 ruim 30 miljoen euro aan gemeenschapsgeld heeft geïnvesteerd in SGI, opgericht voor de bouw en exploitatie van een warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk, terwijl zij al die jaren voor Rendo verborgen hebben gehouden dat zij zelf aandeelhouder waren en een (financieel) belang in deze onderneming hadden. Beiden wisten dat Rendo dat geld nooit zou hebben verstrekt als zij van deze vorm van belangenverstrengeling had geweten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en verdachte – samen met de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] – in 2009 en 2010 op geraffineerde wijze, onder meer door het plegen van valsheid in geschrift, ervoor gezorgd dat een deel van het geld dat Rendo in SGI investeerde, door SGI gebruikt kon worden voor de inkoop van de aandelen van [medeverdachte 1] en verdachte, waarmee zij enkele miljoenen hebben verdiend. Op deze manier hebben zij ook zichzelf persoonlijk, ten koste van gemeenschapsgeld, grovelijk verrijkt. Zij hebben zodoende hun werkgever jarenlang en met grote gevolgen opgelicht, vanuit een positie van macht en vertrouwen. Het hof tilt daar zeer zwaar aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 augustus 2022, waaruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zeer listige wijze waarop de fraude is gepleegd, in combinatie met de jarenlange duur daarvan, de omvang van de benadeling van Rendo, de positie bij Rendo van verdachte waarvan hij misbruik heeft gemaakt en zijn meewerkende rol rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. In beginsel kan in dit geval niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof weegt in dit verband ook mee dat verdachte niet alleen gehandeld heeft maar diverse andere personen, ook uit zijn directe (familie)omgeving, heeft meegezogen in de oplichtingsconstructie. Ook acht het hof van belang dat hij gedurende al die jaren geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In strafmatigende zin betrekt het hof evenwel dat, ondanks dat verdachte een sleutelpositie heeft gehad binnen de oplichtingsconstructie en de kansen op persoonlijke verrijking heeft gesignaleerd en vervolgens ook heeft aangegrepen, de rol van verdachte een andere is geweest dan die van [medeverdachte 1] . Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat, blijkens een vaststellingsovereenkomst in 2021, verdachte en Marella met het openbaar ministerie, Rendo en de Belastingdienst een schikking hebben getroffen, op basis waarvan verdachte en Marella het in het kader van deze zaak verkregen financiële voordeel afdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht door verdachte en zijn raadsman, en zoals deze blijken uit het reclasseringsrapport van 4 mei 2021. De strafzaak heeft een grote impact gehad op de (psychische en lichamelijke) gezondheid van verdachte en op zijn gezin. Verdachte is als interim adviseur werkzaam bij bedrijven en onthoudt zich hierbij bewust – gelet op deze strafzaak – van eventuele financiële aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat sinds de bewezen verklaarde feiten inmiddels geruime tijd is verstreken en dat de redelijke termijn over het geheel van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep genomen, is geschonden. Het hof verdisconteert dit in de op te leggen straf door in plaats van de in dit geval in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. Het hof heeft voor deze strafoplegging óók aanleiding gezien in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name de schikkingen die verdachte heeft getroffen. Verdachte heeft gevolgen van de strafzaak reeds indringend ondervonden. Niettemin is het, gezien de rol van verdachte in het geheel, uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding ook nodig om naast de voorwaardelijke gevangenisstraf een zeer forse taakstraf op te leggen. Indachtig onder meer het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2022[1] ziet het hof in dit geval aanleiding om ter zake van elk van de feiten 1, 3 en 4 afzonderlijk een taakstraf op te leggen, met een totaal aantal uren van 480 uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat ter zake van feit 1, 3 en 4 subsidiair een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van twee jaren en ter zake van feit 1 een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en ter zake van feit 3 en feit 4 subsidiair steeds een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden is. Deze strafoplegging biedt verdachte de mogelijkheid de door hem – positief – ingeslagen weg voort te zetten en dient tevens al stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 56, 57, 63, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1, 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde tot een tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mr. W.M. Weerkamp en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier, en op 21 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende voetnoten wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar documenten/geschriften die deel uitmaken van het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 50988 Zebra, gesloten op 18 augustus 2014 door [naam 1] en [naam 3] , opsporingsambtenaren bij de Belastingdienst/FIOD.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-062, pagina 1841.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-007, pagina 3091.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-008, pagina 3103.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-488, pagina 6268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn de gemeenten Coevorden, Hardenberg, Hoogeveen, Meppel, Staphorst, Steenwijkerland, Westerveld, De Wolden en Zwartewaterland, pagina 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-789, pagina 8909.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-062, pagina 1841.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-057, pagina 1548.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-622, pagina 7262.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-528, pagina 6583. D-789, pagina 8909.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-096, pagina 3832.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-789, pagina 8909.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-008, pagina 3103.</p>\n<p class=\"lf-p\">V02-01, pagina 2377. D-007, pagina 3092.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-038, pagina 3367.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-097, pagina 3835.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-009, pagina 3113. D-497, pagina 6293.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-022, pagina 3209.</p>\n<p class=\"lf-p\">G-06-01, pagina 2783.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-787, pagina 8898.</p>\n<p class=\"lf-p\">G-08-01, pagina 2822.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-011, pagina 3128. D-002, pagina 3056.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-003, pagina 3062.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-004, pagina 3070.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-005, pagina 3077.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-006, pagina 3084.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-022, pagina 3209.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-010, pagina 3121. V07-03, pagina 2537.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-022, pagina 3209.</p>\n<p class=\"lf-p\">AG-01, pagina 1239.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-024, pagina 3222.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-029, pagina 3231. D-030, pagina 3232. D-076, pagina 3664.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-031, pagina 3236.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-032, pagina 3241.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-032, pagina 3241.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-210, pagina 4481.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-325, pagina 5178.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-075, pagina 3663.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-112, pagina 3861.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-243, pagina 4654.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-034, pagina 3252.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-034, pagina 3252.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-022, pagina 3209.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-011, pagina 3128. D-002, pagina 3056.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-022, pagina 3209.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-071, pagina 3647.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de jaarrekening 2009 van SGI, pagina 6812.</p>\n<p class=\"lf-p\">V03-01, pagina 2446.</p>\n<p class=\"lf-p\">V02-02, pagina 2384.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-675, pagina 8134.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-009, pagina 3113. D-675, pagina 8134 ((het hof leest: 0,05%). D-497, pagina 6293.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-010, pagina 3121.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-006, pagina 3084.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-007, pagina 3091. D-008, pagina 3103.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-136a, pagina 4008. D-136, pagina 3999.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-137a, pagina 4026. D-137, pagina 4017.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-234, pagina 4572.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-082, pagina 3729. D-233, pagina 4569.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-233, pagina 4569. D-080, pagina 3727.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-241, pagina 4623.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-096, pagina 3832 (het hof leest ten aanzien van [medeverdachte 3] : 0,05%).</p>\n<p class=\"lf-p\">D-135, pagina 3998.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-138a, pagina 4038. D-138, pagina 4035.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-139a, pagina 4044. D-139, pagina 4041.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-082, pagina 3729. D-234, pagina 4574.</p>\n<p class=\"lf-p\">V06-01, pagina 2518.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-295, pagina 4996.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-073a, pagina 3655. D-073, pagina 3654.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-244, pagina 4656.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-586, pagina 6901. D-800, pagina 8981.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-077a, pagina 3667.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-843, pagina 9150.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-843, pagina 9150.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-020, pagina 3193. D-021a, pagina 3203.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-072, pagina 3649.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-523, pagina 6525.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-789, pagina 8909.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-235, pagina 4580. D-082, pagina 3729.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-235, pagina 4580. D-080, pagina 3727.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-235, pagina 4582.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-140a, pagina 4056. D-140, pagina 4047.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-130, pagina 3992.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-202, pagina 4427.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-203, pagina 4429.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-001, pagina 3051.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-204, pagina 4448.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-739, pagina 8695.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-174, pagina 4270.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-297, pagina 4999.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-298, pagina 5003.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-064, pagina 3557.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-690, pagina 8315.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-299, pagina 5005.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-300, pagina 5006.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-301, pagina 5007.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-783, pagina 8855.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-397, pagina 5561.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-236, pagina 4584. D-081, pagina 3728.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-232, pagina 4567.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-232, pagina 4567.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-232, pagina 4567.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-404, pagina 5584.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-406, pagina 5591. D-405, pagina 5588.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-141, pagina 4065. D-142, pagina 4068.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-092, pagina 3782. D-576, pagina 6863.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-127, pagina 3980.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-740, pagina 8696.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-576, pagina 6863. D-607, pagina 7093.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-056, pagina 3499.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-057, pagina 3505.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-065, pagina 2152. D-607, pagina 7093.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-681, pagina 8288.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-607, pagina 7093.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-626, pagina 7372.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-626, pagina 7372.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-040, pagina 3408.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-237, pagina 4589. D-083, pagina 3730.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-109a, pagina 3854. D-106a, pagina 3848.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-607, pagina 7093.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-607, pagina 7093.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-715, pagina 8487.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-679, pagina 8198.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-309, pagina 5037.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-207a, pagina 4464.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-207a, pagina 4464.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-779, pagina 8838.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-811, pagina 9042.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-812, pagina 9043.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-813, pagina 9051.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-143a, pagina 4074. D-143, pagina 4072.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-249, pagina 4670.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-249, pagina 4670.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-084, pagina 3731.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-831, pagina 9114. D-527, pagina 6579.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-633, pagina 7714.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-832, pagina 9119.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-271, pagina 4811. D-084, pagina 3731.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-549, pagina 6660. D-110(a), pagina 3855 en 3856.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-238, pagina 4593.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-324, pagina 5172.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-507, pagina 6337. D-508, pagina 6342.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-128, pagina 3984.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-506, pagina 6336.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-312, pagina 5044. D-312a, pagina 5053.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-118, pagina 3889. D-118a, pagina 3896.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-509, pagina 6343.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-579, pagina 6877.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-422, pagina 5704.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-609, pagina 7104. D-550, pagina 6662.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-549, pagina 6660.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-622, pagina 7262.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-176, pagina 4272.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-176, pagina 4272.</p>\n<p class=\"lf-p\">V02-01, pagina 2377.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-743, pagina 8699.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-562, pagina 6711.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-497, pagina 6293.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van het hof d.d. 20 september 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 212, nr. 3, onderdeel 5.2, pagina 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-180, pagina 4298. D-181, pagina 4300. D-182, pagina 4301. D-183, pagina 4303. D-184, pagina 4307. D-185, pagina 4309. D-186, pagina 4311. D-186a, pagina 4313. D-187, pagina 4315.</p>\n<p class=\"lf-p\">V02-02, pagina 2384.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-04-01 pagina 2502.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-180, pagina 4298. D-181, pagina 4300. D-182, pagina 4301. D-183, pagina 4303. D-184, pagina 4307. D-185, pagina 4309. D-186, pagina 4311. D-186a, pagina 4313. D-187, pagina 4315.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-180, pagina 4298. D-181, pagina 4300. D-182, pagina 4301. D-183, pagina 4303. D-184, pagina 4307. D-185, pagina 4309. D-186, pagina 4311. D-186a, pagina 4313. D-187, pagina 4315.</p>\n<p class=\"lf-p\">V7-07, pagina 2571.</p>\n<p class=\"lf-p\">V8-03, pagina 2626 en 2727.</p>\n<p class=\"lf-p\">V06-01, pagina 2517: “ [medeverdachte 1] heeft mij gewoon mondeling verteld dat hij op dat moment in verband met zijn baan bij Rendo niets kon doen.” Pagina 2519 en 2520: “…omdat [medeverdachte 1] directeur van Rendo was en er ook nog een en ander gefinancierd moest worden zou dat belangenverstrengeling zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">V08-01, pagina 2595.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-07-02, pagina 2533.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-07-02, pagina 2528.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4] bij de rechter-commissaris d.d. 11 oktober 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">V08-01, pagina 2610.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-573, pagina 6797.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de voorwaarden van Amstel Lease in AH-063, pagina 1935.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-674, pagina 8108.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-573, pagina 6797.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-063, pagina 1959.</p>\n<p class=\"lf-p\">V08-04, pagina 2632.</p>\n<p class=\"lf-p\">V07-02, pagina 2528. V07-09, pagina 2586.</p>\n<p class=\"lf-p\">En schriftelijk stuk, genaamd de “Tweede rode draad”, ingebracht door verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in hoger beroep, in het bijzonder: Bijlage 45 - 2009-10-14 (9) mail MBCF met aangepaste liquiditeitsberekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-065, pagina 2171.</p>\n<p class=\"lf-p\">V08-04, pagina 2632.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-065, pagina 2171. door SGC ontvangen op 23 december 2009 en op 24 december 2009 doorgeboekt naar SGI.</p>\n<p class=\"lf-p\">AH-065, pagina 2171.</p>\n<p class=\"lf-p\">D207a, pagina 4464. D-207B, pagina 4468.</p>\n<p class=\"lf-p\">V07-09, pagina 2586.</p>\n<p class=\"lf-p\">V08-04, pagina 2632.</p>\n<p class=\"lf-p\">V08-01, pagina 2595.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-625, pagina 7279.</p>\n<p class=\"lf-p\">G04-01, pagina 2739.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris d.d. 8 december 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als overzicht opgenoemd in D-630, pagina 7521.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-626, pagina 7619.</p>\n<p class=\"lf-p\">G11-01, pagina 2872.</p>\n<p class=\"lf-p\">G20-01, pagina 2979.</p>\n<p class=\"lf-p\">G10-01, pagina 2858.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel hun formele positie binnen Rendo van elkaar verschilde, konden [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 8] de titel van directeur voeren en het hof zal hen in voorkomende gevallen als zodanig aanduiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ter terechtzitting van de rechtbank van 1 december 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet in verband met nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 212, nr. 3, onderdeel 5.2, pagina 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-789, pagina 8909.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-008, pagina 3103.</p>\n<p class=\"lf-p\">V02-01, pagina 2377. D-007, pagina 3092.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-626, pagina 7617.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-743, pagina 8701.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-461, pagina 6073.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-489, pagina 6273 (2007). D-271, pagina 4811 (2008), D-272, pagina 4814 (2009), D-273, pagina 4817 (2010). D-268, pagina 4799 (2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">De stemverhouding bleef ook na het besluit tot inkoop van de aandelen door SGI en tot aan de overname van SGI door Horizon op 22 september 2011 ongewijzigd, zoals blijkt uit de aanvullende aandeelhoudersovereenkomst van 22 december 2009 (D-040, pagina 3408), in het bijzonder punt 2 onder h.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-202, pagina 4427.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-12-01, pagina 2674. V-12-02, pagina 2678.</p>\n<p class=\"lf-p\">V-12-02, pagina 278.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-176, pagina 4272.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-040, pagina 3408.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-040, pagina 3408.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-422, pagina 5704.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2022:1191.</p></div>", "next": 0}