{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het vorenstaande brengt mee dat het hof, evenals de rechtbank en onder aanvulling van gronden, van oordeel is dat [appellanten] slechts de vordering hiervoor in r.o. 6.83 onder a) vermeerderd met de daarover verschuldigde rente, te weten € 220.349,- op [geïntimeerden] geldend kan maken. Deze vordering is door [geïntimeerden] in hoger beroep niet bestreden. Door de verdeling in de rangregelinsprocedure zijn [appellanten] daarom voor een bedrag van € 251.061,80 minus € 220.349,- overbedeeld, te weten € 30.712,80. Zoals hierna nog aan de orde komt, hebben [appellanten] zich echter terecht op het standpunt gesteld dat zij op het aan hen uitbetaalde surplus ook nog een bedrag van € 10.606,57 in mindering mogen brengen. Het dan per saldo nog aan [geïntimeerden] te betalen bedrag uit hoofde van het surplus is € 20.106,23. Tot dat bedrag zijn [appellanten] ongerechtvaardigd verrijkt en zijn [geïntimeerden] verarmd. Tot dat bedrag zal de vordering van [geïntimeerden] worden toegewezen. In zoverre slagen de grieven 6, 8 en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resterende vorderingen (grieven 10 en 11) 6.99 Daarmee komt het hof toe aan enkele resterende vorderingen die partijen al dan niet verwerkt in een grief aan de orde stellen. In de eerste plaats de vordering die [appellanten] stellen te hebben op [geïntimeerden] wegens “wanordelijkheden” veroorzaakt door [geïntimeerde1] (grief 11 in het principaal appel). Ten tweede vorderen [appellanten] vergoeding van kosten gemaakt voor het bewijsbeslag. Deze kosten komen bij de beoordeling van de proceskosten aan de orde. Ten derde verzetten [appellanten] zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de door [geïntimeerden] verzochte verklaring voor recht dat [appellanten] niets meer van hen te vorderen heeft (grief 12 in het principaal appel). Ten vierde vorderen [geïntimeerden] terugbetaling van door hen betaalde contractuele rente (grief 2 incidenteel appel). Het hof zal deze grieven achtereen volgens bespreken, waarbij grief 12 in het principaal appel het laatst aan de orde komt omdat het hof dan eerst op alle vorderingen over en weer beslist heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering wegens wanordelijkheden door [geïntimeerden] (grief 11 principaal appel) 6.100 [appellanten] (Demajo en Auto Center Losser) hebben aangevoerd dat [geïntimeerden] zich schuldig hebben gemaakt aan het beschadigen van beveiligingscamera’s die waren opgehangen aan het bij [appellanten] in gebruik zijnde bedrijfspand en het bekladden van de muren van dat pand. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.52 van haar vonnis van 26 juni 2019 geoordeeld dat aan Demajo geen vordering toekomt met betrekking tot de kosten voor reparatie/vervanging van veiligheidscamera’s en/of het reinigen van met verf bekladde muren omdat [geïntimeerde1] op dat moment eigenaar was van het pand betreffende pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.101 [appellanten] komen in hoger beroep op tegen dat oordeel. Zij wijzen erop dat over het gebruik dat zij maken enkele malen een kort geding procedure is gevoerd en dat daarbij telkens door de voorzieningenrechter is geoordeeld dat [geïntimeerden] Auto Center Losser vrij toegang tot het pand moest verlenen voor het daarin door haar geëxploiteerde garagebedrijf. Deze uitspraken werden gedaan op 25 augustus 2016, 26 september 2016, 6 januari 2017 en 16 maart 2017. Vorderingen tot ontruiming door [appellanten] van het pand werden daarbij afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.102 Het hof oordeelt hierover als volgt. Buiten discussie staat dat het bedrijfspand waarom het hier gaat in de periode waarom het hier gaat (2016/2017) eigendom was van [geïntimeerde1] . Daarmee is echter nog niet gegeven dat het [geïntimeerde1] vrij stond de aan dat pand bevestigde beveiligingscamera’s te beschadigen en het gebouw te bekladden. Daarvoor is redengevend dat de voorzieningenrechter meerdere malen als ordemaatregel heeft bepaald dat [appellanten] in die periode gebruik kon blijven maken van het bedrijfspand.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.102 Daarnaast hebben [geïntimeerden] gevorderd dat [appellanten] voor de hele hier aan de orde zijnde periode een marktconforme gebruiksvergoeding diende te betalen. Die vordering is door rechtbank en hof ook als toewijsbaar beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.104 Het enerzijds ontvangen van een marktconforme gebruiksvergoeding voor het pand en het anderzijds inbreuk maken op dat gebruik door de beschadiging van beveiligingscamera’s en het bekladden van het gebouw met verf verdragen zich niet met elkaar. Het stond [geïntimeerden] niet vrij om op deze wijze inbreuk te maken op het gebruik door [appellanten] Dat [geïntimeerde1] gefrustreerd waren door de hele gang van zaken rond het pand maakt dat niet anders, ook als die frustratie begrijpelijk zou zijn. In het midden kan daarmee ook blijven of de camera’s door natrekking eigendom van [geïntimeerden] waren geworden of dat deze eigendom van Auto Center Losser waren gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.105 Aan het verweer dat niet vaststaat dat het [geïntimeerde1] zelf was die de vernielingen en bekladding heeft veroorzaakt maar dat dit ook Beltman en Pijnappel kunnen zijn geweest, gaat het hof voorbij. Op zich is onduidelijk welke schade door [geïntimeerde1] , welke door Beltman of welke door Pijnappel is veroorzaakt of dat deze handelingen gezamenlijk plaatsvonden. In ieder geval is het hof uit het dossier gebleken dat zowel Beltman als Pijnappel nauw bij het geschil tussen partijen waren betrokken. Beltman voerde namens [geïntimeerde1] in en buiten rechte het woord en sommeerde Auto Center Losser in een e-mail van 4 juli 2017 om de nieuw aangebrachte beveiligingscamera’s per omgaande te verwijderen. Beltman schrijft in een e-mail van 25 november 2016 over de beschadiging van de camera’s op enigszins smalende toon dat ook Pijnappel zeer nauw was betrokken bij het conflict en dat uit de door [appellant1] overgelegde cameraopnamen diens betrokkenheid bij de vernieling van de camera’s blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel voor Beltman als Pijnappel geldt dat dezen naast [geïntimeerde1] zo nauw en actief bij het conflict (ook voor wat betreft de hier bedoelde beschadigingen) waren betrokken dat het aan [geïntimeerden] , die “de wanordelijkheden” ook uitdrukkelijk erkent, was om onderbouwd door feiten aan te tonen wie van hen uiteindelijk welke beschadigingen heeft veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.106 De hier omschreven nodeloze handelwijze door [geïntimeerde1] was in het licht van het vorenstaande onrechtmatig tegenover Autocenter Losser en maakt dat [geïntimeerden] gehouden zijn de daardoor aan [appellanten] veroorzaakte schade te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.107 [appellanten] hebben hun schade als volgt onderbouwd.(a) Kosten gemaakt voor het camerasysteem € 7.677,60 (productie 54)(b) Kosten voor reiniging van het bedrijfspand € 2.928,97 (productie 56) € 10.606,57 6.108 Tegen de door [appellanten] met facturen onderbouwde vorderingen is door [geïntimeerden] geen onderbouwd verweer gevoerd. Het hof zal de daarin genoemde kosten als uitgangspunt nemen bij het vaststellen van de omvang van de door [geïntimeerden] veroorzaakte schade. Daarbij gaat het hof uit van de bedragen exclusief btw omdat de btw door [appellanten] bij de belastingdienst zal zijn teruggevorderd als zogenoemde “voordruk”.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.109 Het hof is daarmee van oordeel dat grief 11 slaagt en [appellanten] hebben terecht aanspraak gemaakt op dit bedrag van € 10.606,57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugbetaling van door [geïntimeerden] betaalde contractuele rente (grief 2 incidenteel appel) 6.110 [geïntimeerden] vorderen (terug)betaling door [appellanten] van door deze ontvangen contractuele rente over de aan [appellanten] geleende bedragen. [appellanten] heeft deze rente betaald gekregen uit de executie-opbrengst van de bedrijfspanden van [geïntimeerden] In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] de hier bedoelde vordering tot terugbetaling aan de rechtbank voorgelegd met een beroep op matiging van de rente, onvoorziene omstandigheden, misbruik van recht en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank heeft de vordering voor alle hier genoemde gronden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.111 In hoger beroep wensen [geïntimeerde1] nog slechts hun beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als grondslag voor de terugvordering aan de orde te stellen. De rechtbank heeft daarover in haar vonnis van 29 juni 2019 onder 4.39 terecht overwogen dat de rechter bij toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudendheid moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.112 Vooraf merkt het hof op dat [geïntimeerden] in dit verband voortdurend gebruik maken van het woord “ommekomst” hoewel de betekenis daarvan niet geheel duidelijk is. Ook niet contextueel. In de regel wordt met dit woord bedoeld verstreken of afloop. Mogelijk bedoeld [geïntimeerden] het woord hier in de betekenis van “betaalde”. In ieder geval zal het hof het woord hier in deze betekenis opvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.113 Het standpunt dat [geïntimeerden] bepleiten komt er op neer dat alle gevolgen van de vernietiging van de koopovereenkomst en daarmee de constatering achteraf dat het bedrijfspand steeds eigendom is gebleven van [geïntimeerden] eveneens ongewijzigd hebben voortbestaan. Zo is onder meer de schuld van [geïntimeerden] aan [appellanten] blijven voortbestaan. Dat de situatie als gevolg van de vernietiging ook negatieve effecten heeft voor partijen mag waar zijn maar het is de vernietiging die [geïntimeerde1] zelf heeft nagestreefd. Dat betekent dat ook de aanvankelijke verplichting van [geïntimeerden] om contractuele rente te betalen is blijven bestaan. Dat laatste op zich wordt door [geïntimeerde1] in hoger beroep ook niet betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.114 Bepleit wordt echter dat dit gevolg (de contractuele rente) buiten beschouwing moet worden gelaten. Het hof volgt [geïntimeerden] niet in dat standpunt omdat nu juist de verschuldigde rente de prijs is die partijen contractueel hebben afgesproken voor het uitblijven van volledige betaling 6.115 De rechtbank overweegt terecht dat het herleven (waarmee kennelijk bedoeld is: het voortbestaan) van de verplichting tot betaling van contractuele rente aan Demajo Onroerend Goed een rechtstreeks uit de wet voortvloeiend voorzienbaar gevolg is van de door [geïntimeerden] zelf gevorderde vernietiging van de koopovereenkomst van het onroerend goed. Zoals de rechtbank terecht overweegt verdraagt zich het hier door [geïntimeerden] bepleitte standpunt niet met de omstandigheid dat door de vernietiging ook het recht op een gebruiksvergoeding over de periode dat partijen uitgingen van rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst blijkt te hebben voortbestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.116 [geïntimeerden] wijzen er nog op dat sprake is van een wanverhouding tussen de verschuldigde rente en de hoofdsom van de leningen. Dit argument baat [geïntimeerden] niet. Dat de rente tot een hoog bedrag was opgelopen is wellicht waar maar is het gevolg van de rentevoet waartoe partijen zich vrijwillig hebben verbonden en de omstandigheid dat betaling meerdere jaren is uitgebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.117 De afwijzing van deze rentevordering betekent dat ook de rente over de periode vanaf aanvang van de lening tot en met februari 2012, volgens [geïntimeerden] € 14.999,94 zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.118 Ook de argumenten die zijn terug te voeren op het onderliggende argument dat het onbillijk is dat [appellanten] door het uitoefenen van ongeoorloofde druk op [geïntimeerden] de verkoop van de panden hebben bewerkstelligd en dat dit niet beloond hoort te worden door het ontzeggen van een rentevergoeding slaagt niet. [geïntimeerden] presenteren hier de contractuele rente als een beloning van de vernietiging van de koop. Dat argument is gebaseerd op een denkfout. Het achteraf ontzeggen van hetgeen [appellanten] contractueel toekomt zou niet passen binnen de grote terughoudendheid die de rechter in acht dient te nemen bij het toepassen van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.119 Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat grief 2 in het incidenteel appel faalt. De rentevordering is terecht afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring voor recht dat [appellanten] niets meer van [geïntimeerden] te vorderen hebben (grief 12 principaal appel).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.120 [geïntimeerden] vorderen een verklaring voor recht die inhoudt dat Demajo Onroerend Goed niets meer van [geïntimeerden] te vorderen heeft. De rechtbank heeft die verklaring voor recht uitgesproken. [appellanten] verzetten zich daar in grief 12 in het principale appel tegen. Zij betogen ten eerste dat een dergelijke verklaring voor recht niet in algemene zin kan worden uitgesproken. In ieder geval is daarvoor, aldus [appellanten] , vereist dat [geïntimeerde1] voldoende “daartoe voldoende specifiek heeft gesteld”. Het hof begrijpt dat standpunt in die zin dat volgens [appellanten] [geïntimeerden] aan vordering voldoende feiten ten grondslag moet leggen en kennelijk bij betwisting moet bewijzen. Beide door [appellanten] ingenomen standpunten zijn onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.121 Voor het antwoord op de vraag of de hier gevorderde verklaring voor recht in het algemeen toewijsbaar is, zijn de artikelen 3:303 en 3:302 BW van belang. In artikel 3:302 BW is bepaald dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht kan uitspreken. Daartoe is dan wel vereist dat de eisende partij bij zijn vordering een belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW. Het bijzondere aan de hier gevorderde verklaring voor recht is dat aan de rechter wordt gevraagd omtrent “een rechtsverhouding” een verklaring van recht uit te speken maar juist (negatief geformuleerd) vast te stellen dat geen rechtsverhouding tussen partijen (meer) bestaat: [geïntimeerden] hoeven niets (meer) te betalen. Ook voor een dergelijke negatieve verklaring voor recht is vereist dat [geïntimeerden] daarbij een belang hebben in de zin van artikel 3:303 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.122 Door [appellanten] is niet gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat [geïntimeerden] een voldoende belang hebben bij de gevraagde verklaring voor recht. Het hof kan zich ook geheel vinden in die beslissing van de rechtbank en sluit zich daarbij aan. [geïntimeerden] hebben er een gerechtvaardigd belang bij een einde te maken aan onzekerheid over de vraag of [appellanten] jegens hen nog vorderingen geldend kunnen maken. Het hof ziet ook in hetgeen [appellanten] in hoger beroep op dit punt naar voren hebben gebracht geen grond om, rekening houdend met eventuele belangen van [appellanten] , vraagtekens te plaatsen bij een voor [geïntimeerden] rechtens relevant belang bij de gevorderde negatieve verklaring voor recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.123 Onjuist is ook het standpunt dat het aan [geïntimeerden] is om daartoe voldoende en concrete feiten en omstandigheden te stellen en deze bij betwisting te bewijzen. De verlangde negatieve verklaring voor recht luidt immers dat [appellanten] geen vordering op [geïntimeerden] hebben. Als [appellanten] menen dat zij wel een vordering op [geïntimeerden] hebben zal zij de feiten en omstandigheden die steun geven aan dat rechtsgevolg (de verschuldigdheid door [geïntimeerden] ) moeten stellen en zonodig bewijzen. Die regel vloeit rechtstreeks voort uit de hoofdregels voor stelplicht en bewijslast gegeven in artikel 149 en 150 Rv. De Hoge Raad heeft in die zin geoordeeld in HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opmerking die [appellanten] maken dat een dergelijke verklaring voor recht een beperkte strekking heeft, is in zoverre juist dat bij toewijzing van de gevraagde negatieve verklaring voor recht zij slechts betekent dat op het moment dat de rechter die verklaring uitspreekt geen sprake is van verschuldigdheid. Zij staat er niet aan in de weg dat nadien wel weer vorderingen en schulden tussen partijen kunnen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.124 Het tweede bezwaar dat [appellanten] maken tegen de toewijzing van de negatieve verklaring voor recht is inhoudelijk. Volgens [appellanten] hebben zij per saldo nog wel degelijk een vordering op [geïntimeerden] Hoewel, zoals hiervoor is overwogen de stelplicht en bewijslast daarvoor op [appellanten] rusten, handelt deze procedure in hoger beroep over de vorderingen van partijen over en weer. Partijen hebben daarbij in een uitputtend debat betoogd wie wat en hoeveel kan vorderen van de andere partij. Het hof zal daarom in het onderstaande een overzicht geven van de vorderingen die partijen over een weer op elkaar menen te hebben en hoe het hof daarover heeft geoordeeld. Als [geïntimeerden] per saldo nog iets is verschuldigd aan [appellanten] slaagt de grief en zal de negatieve verklaring voor recht worden afgewezen. Als dat niet het geval is, faalt de grief en zal het hof de door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht bekrachtigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.125 In onderstaande zijn zowel de toegewezen als de afgewezen vorderingen opgenomen. Zoveel mogelijk wordt verwezen naar de relevante rechtsoverwegingen in het vorenstaande. De vorderingen waar achter een bedrag is vermeld zijn nog niet voldaan. De vorderingen waar achter geen bedrag is vermeld zijn voldaan of door het hof afgewezen. Waar nodig wordt in een noot onder het overzicht toegelicht waarom en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen. Deze noten maken een integraal onderdeel uit van de rechtsoverwegingen van dit arrest.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Vordering [geïntimeerde1] inzake de verkochte roerende zaken (r.o. 6.5 - 6.36) € afgewezen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Vordering [geïntimeerde1] inzake executie van de bedrijfspanden (r.o. 6.60 - 6.74) € afgewezen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Vordering [geïntimeerde1] gebruiksvergoeding bedrijfspanden (r.o. 6.37 - 6.59) € 383.748,-</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>Vordering [geïntimeerde1] inzake executie surplus (r.o. 6.75 – 6.93) € 30.712,80</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">e)</span>Vordering [geïntimeerde1] inzake terugbetaling contractuele rente (r.o. 6.105 – 6.114) € afgewezen totaal: € 414.460,80</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">f)</span>Vordering [appellant1] wegens Sale and Leaseback transacties € afgewezen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">g)</span>Vordering [appellant1] betreffende ‘wanordelijkheden’ (r.o. 6.95 - 6.104) € al voldaan**</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">h)</span>Vordering [appellant1] verbeteringen bedrijfspand (6.50 – 6.53) € afgewezen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">i)</span>Vordering [appellant1] voor gebruik auto door Kuipers € afgewezen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">j)</span>Vordering door [appellant1] aangeduid als “restvordering” (€ 87.378,11) € afgewezen* totaal € nihil *: De vordering die is aangeduid als restvordering komt, verspreid in het dossier en telkens bijna terloops aan de orde. De herkomst en omvang van deze vordering wordt echter uit de standpunten van [appellanten] niet, voor het hof begrijpelijk, uiteengezet en volgt evenmin kenbaar uit productie 50 bij conclusie van antwoord waarnaar in dit verband wordt verwezen. Voor zover [appellanten] al hebben bedoeld hier een beroep te doen op enige vordering met een omvang van € 87.378,11 wordt deze vordering bij gebrek van een begrijpelijke onderbouwing afgewezen.**: In verband met de wanordelijkheden als gevolg van onrechtmatig handelen door [geïntimeerden] heeft het hof bij de behandeling van grief 11 geoordeeld dat [appellanten] recht hebben op een vergoeding van € 10.606,57. Dat bedrag is echter aan [appellant1] betaald doordat zij zich daarvoor terecht heeft voldaan uit het executie-surplus. Het hof heeft bij de vaststelling van het als surplus te veel ontvangen bedrag met deze kosten ook rekening gehouden. De hier bedoelde kostenvergoeding kan daarom voor de beoordeling van grief 12 geen argument meer opleveren dat [appellanten] nog een vordering op [geïntimeerden] hebben.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.126 Het behoeft na het vorenstaande getallen overzicht geen breed betoog dat [appellanten] onvoldoende heeft aangetoond dat zij nog een vordering heeft op [geïntimeerden] De gevorderde negatieve verklaring voor recht is om die reden terecht toegewezen en grief 12 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Slotsom 7.1 Uit het vorenstaande vloeit het volgende voort.- Grief 12 in het principaal appel faalt, zodat het hof de vordering van [geïntimeerden] zoals in dit arrest weergegeven in 6.2 onder a zal toewijzen.- De grieven 1A en 1B in het principale appel slagen en grief 3 in het incidenteel appel faalt, zodat het hof de vordering van [geïntimeerden] onder 6.2 sub b (onrechtmatige verkoop van “het materieel actief”), van € 420.479,- zal afwijzen;- Grief 2 in het principaal appel (Sale and leaseback) faalt, omdat de grieven 1A en 1B in het principaal appel slagen. [appellanten] hebben geen afzonderlijk belang meer bij behandeling van grief 2; - De grieven 3 voor het overige en 4 en 5 in het principaal appel en grief 4 in het incidenteel appel falen, zodat het hof het vonnis van de rechtbank waarin aan [geïntimeerden] een vergoeding onder 6.2 sub c. van € 383.748,00 voor gebruik door [appellanten] van het bedrijfspand werd toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 22 februari 2018 zal bekrachtigen;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 1 in het incidenteel appel en de daaraan voorafgaande inleidende opmerkingen (voor zover daarin een verdere toelichting op grief 1 moet worden gelezen) falen. Om die reden zal het hof de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [geïntimeerden] onder 6.2 sub d met betrekking tot de (onrechtmatige) executie van de bedrijfspanden bekrachtigen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 2 in het incidenteel appel faalt, zodat het hof de door [geïntimeerden] ingestelde vorderingen onder 6.2 sub e (“de ommekomst” van rente) zal afwijzen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 5 in het principaal appel faalt, de rechtbank heeft terecht de aanspraak van [appellanten] tot vergoeding van de door hen gemaakte kosten van verbetering aan het bedrijfspand niet gehonoreerd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De grieven 6 tot en met 9 in het principaal appel betreffen de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellanten] uit het executie-surplus na veiling van de bedrijfspanden een bedrag van € 38.712,62 te veel heeft ontvangen en dit bedrag moet betalen aan [geïntimeerden] Van deze grieven slaagt uitsluitend grief 7, hetgeen meebrengt dat het vonnis van de rechtbank op dit punt ten dele zal worden vernietigd en dat het hof opnieuw rechtdoende aan [geïntimeerden] een bedrag van € 30.712,80 ( vordering onder 6.2 sub g) zal toewijzen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 10 in het principaal appel faalt, zodat het hof de afwijzing door de rechtbank van de aanspraak die [appellanten] voor wat betreft het gebruik door [geïntimeerde1] van een auto van [appellanten] (besloten in de berekening van de omvang van het executie-surplus) zal bekrachtigen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 11 in het principaal appel slaagt, zodat het hof de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [appellanten] tot vergoeding van kosten door onrechtmatige wanordelijkheden (besloten in de berekening van de omvang van het executie-surplus) zal vernietigen en daarmee bij de vaststelling van de omvang van het executie-surplus rekening te houden (zie hiervoor 6.121 onder noot **);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 12 in het principaal appel faalt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grief 4 in het incidenteel appel bestaat in een wijziging van eis die is toegestaan maar in zichzelf niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen.</div>\n<p class=\"lf-p\">8Afhandeling van de zaak en verdere verloop van de procedure 8.1 Het hof heeft in deze zaak geoordeeld over zuivere tussenvonnissen. Dat wil zeggen dat de rechtbank in haar dictum nog geen definitief oordeel over een of meerdere vorderingen heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat na beoordeling van een dergelijke tussenvonnissen de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank die met inachtneming van de door het hof gegeven oordelen de zaak verder beoordeelt. In artikel 356 Rv is echter bepaald dat als de rechter in hoger beroep een tussenvonnis vernietigt, hij de zaak aan zich kan houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61 met verwijzing naar oudere rechtspraak bepaald dat het aan het beleid van de appelrechter is overgelaten om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid tot evocatie. Wel overwoog de Hoge Raad dat de bevoegdheid de zaak zelf af te doen wordt begrensd door de eisen van een goede procesorde en in het bijzonder door het beginsel van hoor en wederhoor. Uitgangspunt is echter dat partijen rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de appelrechter gebruik zal maken van de hier bedoelde bevoegdheid en dat zij, voor zover de rechtsstrijd in hoger beroep daartoe aanleiding geeft, hun stellingen op het gebruik van die mogelijkheid dienen af te stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 In de onderhavige zaak hebben partijen zeer gedetailleerd hun standpunten uitgewisseld en elkaars standpunten weersproken. Daarbij is een grote hoeveelheid producties de revue gepasseerd. Dit uitgebreide debat waarin zeer breed is gegriefd omtrent nagenoeg alle punten die ook in eerste aanleg aan de orde zijn gekomen maakt dat terugwijzing naar de rechtbank in deze zaak weinig zinvol zou zijn omdat de beslissingsruimte die de rechtbank dan nog zou hebben minimaal is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Het hof houdt de zaak om die reden aan zich en zal deze definitief afdoen zonder terugwijzing. Partijen dienen de rechtbank, waar de procedure zich nog op de rol bevindt in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep, daarover te informeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9De proceskosten 9.1 Het hof is van oordeel dat partijen in dit hoger beroep en daarmee uiteindelijk ook in eerste aanleg over en weer in het ongelijk gesteld zijn. Om die reden zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat ieder van partijen haar eigen kosten dient te dragen. Vanwege het feit dat het hof de zaak definitief afdoet zal het hof ook (voor het eerst) de proceskostenveroordeling betreffende de eerste aanleg uitspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Op het vorenstaande (compensatie van kosten) dient naar het oordeel van het hof één uitzondering te worden gemaakt. Deze uitzondering betreft de kosten voor het bewijsbeslag. De reden daarvoor is dat dit bewijsbeslag betrekking had op stukken uit de administratie van [geïntimeerden] die slechts door dit bewijsbeslag in de procedure konden worden betrokken door [appellanten] ter onderbouwing van haar standpunten. [appellanten] is aangaande die standpunten in hoger beroep mede op grond van informatie verkregen uit de onder het beslag vallende stukken in het gelijk gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 De omstandigheid dat het bewijsbeslag noodzakelijk was en informatie heeft opgeleverd die in deze procedure kon worden gebruikt, maken dat het compenseren van de daarvoor gemaakte kosten volledig voor rekening van [geïntimeerden] komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Voor wat betreft de omvang van de kosten voor het bewijsbeslag geldt het volgende. [appellanten] hebben onder overlegging van facturen gesteld dat zij voor een bedrag van € 14.537,09.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 [geïntimeerden] heeft daartegen naar voren gebracht dat de vraag in hoeverre deze kosten door hen moeten worden gedragen afhangt van de beoordeling van de zaak in hoger beroep omdat deze kosten onderdeel uitmaken van de proceskosten. Daarnaast zijn [geïntimeerden] van oordeel dat € 14.537,09 een absurd duur beslag is afgezet tegen de beperkte informatie die het [appellanten] heeft opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 In het licht van wat het hof hiervoor heeft overwogen snijden die standpunten van [geïntimeerden] geen hout. Dat de kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd absurd hoog zouden zijn is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Het in beslag nemen van bedrijfsadministraties die ten dele fysiek ten dele digitaal zijn vereist zowel voor wat betreft de inbeslagneming als zodanig, als voor wat betreft de verwerking daarvan de inzet van meerdere betrokkenen gedurende langere tijd. De kosten komen het hof om die reden niet onredelijk hoog voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">10De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep:</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1 vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van 20 juni 2018, 26 juni 2019, 11 maart 2020 en 28 oktober 2020 gewezen door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen onder zaaknummer/rolnummer C/19/121582 / HA ZA 18-12;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 houdt de zaak op grond van artikel 356 Rv aan zich en zal in hoger beroep de zaak zelf afdoen. Het hof beslist als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 verklaart voor recht dat [appellanten] , althans de onderscheiden entiteiten behorende tot [appellanten] , niets meer van [geïntimeerden] te vorderen hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 veroordeelt Demajo Onroerend Goed aan Kuipers te betalen een gebruiksvergoeding wegens het zonder recht of titel in gebruik nemen van onroerend goed van [geïntimeerde1] , over de periode 1 juni 2012 tot en met 8 maart 2018 met een beloop van € 383.748,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 22 februari 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 veroordeelt [appellanten] aan [geïntimeerde1] te betalen een bedrag van € 20.106,23 vanwege overbedeling uit de rangregelingprocedure;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 compenseert de kosten van procedure in eerste aanleg in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten dient te dragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 compenseert de kosten van procedure in dit hoger beroep (zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep) in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten dient te dragen. Dit onverminderd de veroordeling onder 10.8;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 veroordeelt [geïntimeerden] tot betaling aan [appellanten] van de kosten van het bewijsbeslag voor een bedrag van € 14.537,09;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 wijst af het ander of meer gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. J. Smit en mr. A.L. Goederee is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 april 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 27 bij dagvaarding eerste aanleg. Zie voort productie 28 blad 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 1 bij CvA in het incident provisionele vorderingen d.d. 31 oktober 2018 Zie productie 28 bij dagvaarding eerste aanleg Zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2329 r.o. 4.8.3.</p></div>", "next": 0}