{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de raadsman de verweren niet heeft gespecificeerd en heeft toegespitst op de bewijsconstructie ten aanzien van de verweten handelingen, terwijl dit wel van hem verwacht mag worden. Hierdoor is het niet duidelijk op welke tapverslagen dit verweer doelt, wie de gespreksdeelnemers betreffen, of deze verblijven in Nederland of in een buitenland en zo dit laatste het geval is, welk buitenland dit betreft. De algemene verwijzing naar taplijn 11 maakt dit verweer ook niet specifiek. Deze taplijn ziet immers op een groot aantal tapverslagen, gevoerd door verschillende personen en vanaf verschillende locaties, welke voornamelijk relevantie hebben voor de beoordeling van feit 1, voor welk feit het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in haar vervolging vanwege een potentiële schending van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is hierdoor van oordeel dat de onderbouwing van het verweer onvoldoende specifiek en concreet is en niet kan leiden tot bewijsuitsluiting van alle tapverslagen. Wanneer bij een specifiek (onderdeel van een) feit een concreet bewijsverweer wordt gevoerd op dit punt, zal daarop hieronder bij de bespreken van de feiten van de tenlastelegging nog nadere worden gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld wie de gespreksdeelnemers zijn van tapgesprekken en dat de stemherkenning die zijn verricht door de tolk onvoldoende bewijswaarde heeft. Er kan -zo begrijpt het hof dit verweer- niet overtuigend worden vastgesteld dat verdachte aan tapgesprekken heeft deelgenomen. Dit dient te leiden tot uitsluiting van de tapgesprekken van het bewijs. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verweer geen concrete tapverslagen genoemd, behalve dan dat hij verwezen heeft naar een verslag van het tapgesprek van 3 december 2017 van 11.54 uur, waarin staat genoteerd dat de beller [verdachte] belt met het ‘telefoonnummer [nummer] , tenaamstelling [medeverdachte 2] , [adres] ’. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat mede ter discussie wordt gesteld dat verdachte de gespreksdeelnemer is geweest van dit gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt in dit verband vast dat het onderzoek Sprinkhaan veelomvattend is geweest. Er zijn 22 bevelen opnemen telecommunicatie gegeven ten aanzien van diverse nummers in het kader van het onderzoek tegen verdachte. Daarnaast is sprake van diverse onderzoeksresultaten, waarvan de beoordeling relevant kan zijn voor de beantwoording van de vraag of verdachte de gespreksdeelnemer is van een bepaald opgenomen telefoongesprek. Zo kan de inhoud van het betreffende gesprek relevantie hebben, evenals de locatiegegevens, observatieverslagen, vluchtgegevens en ook eventuele verklaringen die getuigen hebben afgelegd over de inhoud van specifieke tapverslagen. Het verweer is hier dan ook algemeen geformuleerd en niet toegespitst op specifieke in het dossier genoemde verslagen, dan wel door de rechtbank gebruikte tapverslagen, en ook niet taplijnen, met uitzondering van het in zijn verweer specifiek genoemde tapverslag van 3 december 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft dit tapverslag stelt het hof vast dat de gebelde volgens het tapverslag, [medeverdachte 2] , diverse malen is gehoord door zowel de politie en daarna ook door de rechter-commissaris en wat betreft dit specifieke telefoongesprek stelt dat hij en verdachte de gespreksdeelnemers waren. Het hof is hierdoor van oordeel dat het verweer onvoldoende concreet en specifiek is om de tapverslagen waarin sprake is van stemherkenning van verdachte in algemene zin en het tapgesprek van 3 december 2007 in het bijzonder uit te sluiten van bewijs bij gebreke aan betrouwbaarheid van de stemherkenning.Wanneer bij een specifiek (onderdeel van een) feit naast het hierboven al besproken tapverslag van 3 december 2007, nog een concreet bewijsverweer wordt gevoerd op dit punt, zal daarop hieronder bij de bespreken van de feiten van de tenlastelegging nog nadere worden gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte heeft de raadsman verzocht om bewijsuitsluiting vanwege de documenten die zijn aangetroffen bij de doorzoeking van de woning aan de [adres] te Veenendaal van [medeverdachte 2] (SVO-7001). Het hof is van oordeel dat geen reden is voor bewijsuitsluiting en verwijst daarbij naar hetgeen hier eerder over is opgemerkt ten aanzien van het ontvankelijkheidsverweer van de raadsman op dit punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermeende hasjboekhouding Op 21 april 2008 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in onder andere de woning van [verdachte] en van diens echtgenote en medeverdachte [medeverdachte 3] aan de [adres] te Arnhem . Daarbij zijn twee notitieblokken (SVO 1061-1 en SVO 1061-2) aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de doorzoeking is voorts in beslag genomen een bedrag van € 187.928,36 in contanten, en een geldtelmachine.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dezelfde dag is bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres] te Veenendaal een rode ordner in beslag genomen voorzien van tabbladen en handgeschreven vellen papier (SVO 7001-1 tot en met SVO 7001-12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreffen de aangetroffen documenten een hasjboekhouding?</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak tegen [verdachte] is (de interpretatie van) de inbeslaggenomen (door de politie genoemde) “hasjboekhouding”, van doorslaggevend belang. Naast dit feit volgen de overige ten laste gelegde feiten, het witwassen van de opbrengst van de hasjhandel en de daaraan verbonden “valsheids- en fiscale delicten”, strafrechtelijk het lot van de beoordeling van de hasjhandel. Ook daarvoor is interpretatie van die ‘boekhouding’ onontbeerlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit punt heeft de rechtbank een uitvoerige overweging in haar vonnis opgenomen. Die overweging onderschrijft het hof, reden waarom die hier, met enkele kleine aanpassingen, integraal wordt overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de twee notitieblokken (SVO 1061-1 en 1061-2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Data In beide blokken is een kolom opgenomen met cijfers in de vorm van (bijvoorbeeld) “6/10” respectievelijk (bijvoorbeeld) “15-01-06”. Het hof concludeert uit de wijze waarop deze cijfers zijn genoteerd dat sprake is van data, nu het een feit van algemene bekendheid is dat data vaak op een dergelijke wijze worden genoteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het notitieblok met SVO 1061-1 staat geen algemeen jaartal genoteerd. Op verschillende bladen staan data genoemd zonder jaaraanduiding. Die data betreffen data in de maanden september tot en met november. Op blad 7 van het betreffende proces-verbaal (de bladzijden van het notitieblok zelf zijn niet genummerd) is de datum “4/11/05” opgenomen. Het hof concludeert hieruit dat dat notitieblok betrekking heeft op de maanden september tot en met november van het jaar 2005. Hierna wordt dat notitieblok aangeduid als “2005 blok”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het eerste blad van notitieblok met SVO 1061-2 staat bovenaan “2006”. Op een aantal bladen daarna staan kennelijke data genoteerd. Die data betreffen de maand januari. Het hof concludeert daaruit dat dat notitieblok betrekking heeft op de maand januari van het jaar 2006. Hierna wordt dat blok aangeduid als “2006 blok”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud Bij de interpretatie van de inhoud van de notitieblokken gebruikt het hof blad 5 van het proces-verbaal met betrekking tot het notitieblok 2005 als leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Foto Naast de kolom met data staat een kolom met cijfers. Boven deze kolom staat “Geg:”. Rechts staat een tweede kolom met cijfers en als kop “ONT:”. Onder de kolom Geg. staat vermeld: “570 x 610 = 347.700”. Onder de kolom “ONT”: staat “300.000”. Voorts staat op het blad: “Nog = 47.700”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de som van de cijfers in de kolom “Geg.” 570 is en van de cijfers in de kolom “ONT” is dat 300. Het hof stelt voorts vast dat de som van de kolom “Geg.” is vermenigvuldigd met het getal 610, voorts dat van het verkregen product de som van de kolom “ONT” wordt afgetrokken en dat het verschil van 47.700 op het blad als “nog” wordt aangeduid. Het hof concludeert uit de notatie van “300.000” en “47.700” en het op enkele andere bladen in die kolom vermelde “Bet” (het is een feit van algemene bekendheid dat dit een afkorting is voor: betaald) dat de cijfers in de kolom “ONT” geldbedragen zijn. Nu de cijfers in de kolom “ONT” een product is, concludeert het hof dat hetzij de cijfers in de kolom “Geg.” hetzij het getal 610 eveneens een geldbedrag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tezamen met de twee notitieblokken werd op de computertafel in de woning aan de [adres] te Arnhem een aantal losse documenten aangetroffen. Een daarvan is aangeduid als SVO 1061-5. Dit document kent, net als de inhoud van de twee notitieblokken, een indeling in twee kolommen. De rechterkolom is voorzien van eurotekens. Het hof concludeert hieruit dat de cijfers in die kolom bedragen zijn, en wel in euro. Dit ondersteunt de conclusie dat de ONT-kolommen in de notitieblokken ook bedragen zijn. Het hof concludeert voorts op basis daarvan dat de bedragen in de ONT kolommen ook in euro luiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de cijfers in de linkerkolom op SVO 1061-5 zijn de volgende woorden geschreven: “DOB”, “ POLM ”. Het is een feit van algemene bekendheid dat ‘ polm ’ een aanduiding is voor hasj. Aldus concludeert het hof dat de cijfers in de linkerkolom hoeveelheden of aantallen zijn. Voorts dat dit ook geldt voor de Geg.-kolommen in de notitieblokken. Het hof vindt daarvoor ondersteuning in het volgende. Op blad 20, 21 en 25 van het 2006 blok wordt onder de kolom “Geg.” respectievelijk vermeld: “30 Bloem ”, “40 Bloem ” en “600 Bloem ”. In de woning waar [betrokkene 6] verbleef, is 911 gram hasj aangetroffen. De hasj was in plakken verpakt en in de plakken was het logo van een bloem geperst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande trekt het hof de conclusie dat het getal 610 op blad 5 van het 2005 blok een geldbedrag betreft en wel kennelijk een prijs per hoeveelheid of aantal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namen Boven alle bladen van het 2005 blok staat de letter “K” geschreven met daarachter, per pagina, de volgende woorden: “ [afkorting] ” ; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] “; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] .”; ” [afkorting] ”; “ [afkorting] “. Op bladen van het 2006 blok is het volgende genoteerd: “ [afkorting] ”;“ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”; “ [afkorting] ”. De woorden “ [afkorting] ” en “ [afkorting] ” komen ook voor in de aantekeningen die deel uitmaken van de ordner (SVO 7001- 1 t/ m 12) . Dat geldt ook voor het woord “ [bijnaam 1] ”. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [betrokkene 6] al jaren kent en dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam is van [betrokkene 6] . [medeverdachte 2] is tijdens zijn laatste politieverhoor en het verhoor door de rechter-commissaris deels teruggekomen op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaringen. Met name verklaarde hij dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is om zonder de hulp van een tolk te worden gehoord en dat hij niet aan de politie heeft verklaard dat hij weet dat ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam is van [betrokkene 6] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat uit van de eerste vier politieverklaringen van [medeverdachte 2] . Het hof stelt uit de processen-verbaal van die verhoren vast dat daarbij geen gebruik is gemaakt van een tolk, noch dat door [medeverdachte 2] om een tolk is gevraagd. Tijdens diens eerste verhoor verklaarde [medeverdachte 2] op de vraag of hij de Nederlandse taal verstaat en begrijpt: “Ik spreek Nederlands. Als ik u niet begrijp dan zal ik dat zeggen.” In het proces-verbaal van het derde verhoor is onder het kopje ‘advocaat’ opgenomen dat [medeverdachte 2] kort voorafgaand aan dat verhoor overleg heeft gehad met zijn raadsman. Dat overleg, zo stelt het hof aan de hand van het proces-verbaal van dat verhoor vast, heeft niet geleid tot een verzoek van [medeverdachte 2] om inschakeling van een tolk noch tot een mededeling over zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal. De verhorende verbalisanten hebben in een aanvullend proces-verbaal van 5 november 2008 verklaard dat [medeverdachte 2] tijdens de verhoren in goed Nederlands sprak en dat uit de door hem gegeven antwoorden bleek dat hij de Nederlandse taal goed beheerste en de aan hem gestelde vragen goed begreep. Het hof concludeert uit het voorgaande dat [medeverdachte 2] tijdens zijn eerste vier politieverhoren de Nederlandse taal voldoende beheerste om de hem gestelde vragen te begrijpen en te beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde verhoor heeft [medeverdachte 2] verklaard: “Hoe heet de persoon op de foto? Dat is [betrokkene 6] , zijn achternaam ken ik niet. Wat is de roepnaam van deze persoon en heeft hij een bijnaam of bijnamen? Ik ken hem als [betrokkene 6] en ik weet dat hij ook wel [bijnaam 1] wordt genoemd.” Tijdens het vierde verhoor heeft [medeverdachte 2] verklaard: “Wij tonen u een pagina uit het rode boek met nummer SVO 7001-8. Op deze pagina tonen wij u het woord [bijnaam 1] en het woord geldmachines. Wat kunt u hierover vertellen? Ik kan daar niets over vertellen. Ik zie dat het er staat maar ik weet niet waar het over gaat omdat de map niet van mij is.” In het aanvullend proces-verbaal van 5 november 2008 bevestigen de verhorende verbalisanten de volgorde van de genoemde gebeurtenissen. Temeer nu [medeverdachte 2] bij diens verhoor door de rechter-commissaris, na door deze te zijn geconfronteerd met zijn eerdere verklaringen, zegt het zich niet meer te kunnen herinneren, en het hof geen redenen heeft te twijfelen aan de juistheid van de processen-verbaal, gaat het hof uit van de volgorde dat [medeverdachte 2] eerst is gevraagd naar bijnamen voor [betrokkene 6] en pas in het verhoor daarna de rode ordner met het woord [bijnaam 1] is getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord [bijnaam 1] is in de aantekeningen in de ordner op een vergelijkbare wijze verwerkt als de woorden [afkorting] en [afkorting] . Het hof concludeert hieruit dat [afkorting] en [afkorting] , net als het woord [bijnaam 1] , namen van, dan wel aanduidingen voor, personen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert daaruit vervolgens dat dat ook geldt voor de woorden “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] , “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] .”, ” [afkorting] ”, “ [afkorting] “ ,“ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ”, “ [afkorting] ” en “ [afkorting] ” uit het 2005 blok en het 2006 blok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie t.a.v. de documenten, inbeslaggenomen in de woning van verdachte [verdachte] Het 2005 blok, het 2006 blok en het losse blad (SVO 1061-5) bevatten data en hoeveelheden van de aan- of verkoop van goederen van of aan derden, de daarvoor verschuldigde prijs en de eventuele schuld aan of vordering op die derde. De documenten vormen daarom naar het oordeel van het hof een ‘boekhouding’ van daarin genoemde transacties. In het 2005 en 2006 blok is geen notitie gemaakt op welke goederen de transacties zien. Dat doet wel het losse blad (SVO 1061-5). Uit dat blad concludeert het hof dat de daarin genoemde transacties (voor zover daarin naar Polm wordt verwezen) hasj betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat de verhouding tussen de hoeveelheden/aantallen enerzijds en de prijzen anderzijds zoals die blijken uit SVO 1061-5, overeenkomen met de verhoudingen tussen hoeveelheden/aantallen en prijzen zoals die blijken uit de transacties in het 2005 blok en 2006 blok. Daaruit concludeert het hof dat de transacties die in de notitieblokken zijn vastgelegd ook betrekking hebben op de aan- of verkoop van hasj.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt hiervoor ook nog ondersteuning in hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aanduiding ‘ Bloem ’ in het 2006 blok en de hasj die is aangetroffen in de woning waar [betrokkene 6] verbleef. Het hof vindt daarvoor voorts nog steun in het feit dat in het 2006 blok de woorden “ ster ”, “ bloem ” en “ kom ” worden gebruikt, welke woorden - zoals blijkt uit het hierna volgende oordeel van het hof - aanduidingen zijn voor hasj.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit alles trekt het hof de conclusie dat sprake is van een hasjboekhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de documenten in de ordner (SVO 7001-1 t/ m 12) Deze ordner bevat tabbladen met achter de tabbladen plastic inschuifmappen. Elk van die inschuifmappen bevat een aantal met de hand beschreven bladen. Soms zijn de bladen met een nietje gebonden, andere zijn los. Sommige tabbladen hebben een opschrift. Per inschuifmap is een apart SVO nummer gemaakt en wel 7001-1 t/ m 7001-12. Uit het feit dat bladen zijn gebundeld in één ordner concludeert de rechtbank dat deze bladen samenhangen en voorts dat bladen die zijn samengevoegd in een inschuifmap, een verdergaande samenhang hebben. Het hof deelt die conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitleg van de inhoud van de ordner maakt het hof gebruik van het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 15 maart 2008 is door [betrokkene 7] bij de Ikea-vestiging in Utrecht een pakket hasj opgehaald. [betrokkene 7] is vervolgens door de politie aangehouden en de hasj die hij vervoerde is in beslag genomen. Het bleek te gaan om 30 kilogram hasj verpakt in een jute zak en verdeeld in 25 pakketjes. Op de jute zak staat ‘119.30’ geschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verschillende plaatsen wordt in de ordner ‘ [bijnaam 2] ’ genoemd. Onder andere als volgt: ‘ Code naam 8-3 1x 2/2 2300 1x 119.3 3500 1x vingers 3500 9300 15-3 30x 119.3 93.000 + 102.300 15-3 50.000 – Betaald 52.300 51.480 – Betaald 820 820 – Wil niet betalen 0 kwijtgescholden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de regel “15-3 30x 119.3 93.000 +” concludeert het hof dat de op 15 maart 2008 bij Ikea Utrecht geleverde, en nadien in beslag genomen, partij hasj in de ordner is genoteerd. “ [bijnaam 2] ” is daarom de naam of aanduiding van een afnemer van hasj, genoemd naar de ontmoetingsplaats de Ikea-vestiging te Utrecht . Het hof vindt daarvoor steun in het volgende. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [betrokkene 6] al jaren kent en dat de bijnaam voor [betrokkene 6] ‘ [bijnaam 1] ’ is. Het woord [bijnaam 1] is in de aantekeningen in de rode ordner op een vergelijkbare wijze verwerkt als het woord [bijnaam 2] . Het hof concludeert hieruit dat [bijnaam 2] , net als [bijnaam 1] , de naam van een afnemer is. Verder concludeert het hof dat “15-3” een datum is, en wel in het jaar 2008. “30x 119.3” is daarom een notatie voor 30 kilogram hasj van de soort “119.3”. Uit de woorden “betaald”, “wil niet betalen” en “kwijtgescholden” concludeert het hof dat de rechter kolom met cijfers op het blad, bedragen zijn. Het blad geeft daarom een overzicht van hetgeen aan [bijnaam 2] op 8 en 15 maart 2008 is verkocht en van het feit dat [bijnaam 2] op 15 maart 2008 een bedrag van 50.000,- heeft betaald en nadien nog een bedrag van 51.480,-. Voorts volgt hieruit dat hem een bedrag van 820,- is kwijtgescholden. Het blad is daarom een soort debiteurkaart van de debiteur/afnemer [bijnaam 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle bladen uit de inschuifmap SVO 7001-3, waarvan het bovenstaande blad deel uitmaakt, hebben een vergelijkbare opbouw. Het hof concludeert daaruit dat de bladen uit die inschuifmap eveneens overzichten per afnemer zijn van aan hen verkochte goederen, de verkoopprijs daarvan en de betaling daarvoor. Het hof concludeert daaruit voorts dat “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ” en “ [bijnaam ] ” eveneens namen van afnemers zijn. Voorts concludeert het hof dat, gezien de samenhang van de bladen gebundeld in één ordner en de vergelijkbare opzet en indeling van de bladen, alle hoeveelheden op alle bladen zijn gesteld in kilogrammen. Alle data genoteerd op de bladen, dateren van de maanden maart t/ m december. Het hof concludeert daaruit dat SVO 7001-3 de periode omvat van maart t/ m december 2008 nu de hiervoor aangehaalde levering aan [bijnaam 2] in 2008 plaatsvond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een blad uit de inschuifmap SVO 7001-2 zijn de volgende twee aantekeningen gemaakt: “15-3 [bijnaam 2] 50000” en “17-3 [bijnaam 2] 51480”. Gezien de overeenkomst met de voor [bijnaam 2] op hiervoor aangehaalde debiteurkaart genoteerde betalingen, concludeert het hof dat op het blad uit inschuifmap SVO 7001-2 de betalingen door [bijnaam 2] voor de door deze aangekochte hasj zijn genoteerd en wel op 15 en 17 maart 2008. De inschuifmap SVO 7001-3 bevat nog een blad ten aanzien van leveringen aan, en betalingen door, [bijnaam 2] . Uit dat blad maakt het hof op dat [bijnaam 2] voor leveringen respectievelijk 61.000,-, 115.000,- 54.200,-, 82.200,-, 83.170,-, 125.800,-, 70.950,- en 73.000,- heeft betaald. Al deze bedragen en betalingen vindt het hof terug in het SVO 7001-2, dat daarmee naar zijn oordeel een soort kasboek is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle bladen uit de inschuifmap SVO 7001-2 zijn vergelijkbaar van opzet. Daaruit concludeert het hof dat deze bladen de betalingen bevatten van de daarin genoemde afnemers over de daarin genoemde periode. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat namen die in het kasboek zijn genoteerd, namen zijn van afnemers. Naast de hiervoor genoemde namen geldt dat daarom tevens voor de volgende namen: “ [naam] ”, “ [naam] ”, “ [naam] ”, “ [naam] ”, “ [naam] ”, “ [naam] ”, “ [naam] ” en “ [naam] ”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen die voor afnemers zijn genoteerd, worden in het kasboek opgeteld. Uit het kasboek blijkt dat ook bedragen in mindering worden gebracht, hetgeen het hof concludeert uit het feit dat die bedragen steeds van een saldo worden afgetrokken. In het kasboek wordt op 1810 een bedrag van 54.000,- in mindering gebracht. Daarbij is vermeld: ‘A6’. Voorts wordt op 4-12 een bedrag van 680,- in mindering gebracht. Daarbij is vermeld: ‘bekeuringen (19)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toekomstige woning van [verdachte] aan de [adres] te Winssen zijn bij de zoeking op 21 april 2008 onder meer 19 bekeuringen aangetroffen. Zeven van deze bekeuringen hebben betrekking op overtredingen begaan tussen 19 oktober 2007 en 13 november 2007 met een auto met het kenteken [kenteken] Het totale boetebedrag van deze 19 bekeuringen bedroeg € 673,-. Het kenteken hoort bij een auto van het type Audi A6. Deze auto staat sinds 17 oktober 2007 op naam van [autobedrijf] , het autobedrijf van [eigenaar autobedrijf] . Deze [eigenaar autobedrijf] heeft verklaard dat hij de auto tussen 17 oktober en 17 november 2007 voor € 54.000,- of € 55.000,- contant heeft verkocht aan een Marokkaan uit Arnhem of Amsterdam .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert uit het voorgaande dat de notatie van een betaling van 54.000,- met de vermelding “A6”, de betaling weergeeft van de koopsom van de Audi A6 met het kenteken [kenteken] Voorts dat met de genoteerde datum, 18 oktober 2007 wordt bedoeld. Voorts dat de notatie van een betaling van 680,- met de vermelding “bekeuringen”, de betaling weergeeft van de 19 bekeuringen uit de woning van [verdachte] en wel op 4 december 2007 (zie verder feit 4.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert daaruit dat in het kasboek ook verplichtingen en betalingen ten behoeve van [verdachte] werden genoteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien concludeert het hof dat de bedragen genoemd in SVO 7001-2 en 3 in euro luiden. Gezien de samenhang van alle bladen, gebundeld in één ordner en de vergelijkbare opzet en indeling van de bladen, concludeert het hof dat alle bedragen op alle bladen in de ordner zijn gesteld in euro’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat op de bladen in het kasboek een staffel is gemaakt, waarbij van boven naar beneden bedragen worden opgeteld of afgetrokken. Het laatste bedrag op ieder blad vormt het saldo van dat blad en de beginstand van het volgende blad. Daaruit concludeert het hof dat de bladen in SVO 7001-2 in omgekeerde chronologie in de ordner zijn opgenomen. Pagina 64 is daarom het oudste blad en pagina 22 het jongste. Het hof heeft al geconcludeerd dat twee betalingen door [bijnaam 2] plaatsvonden in 2008 en dat de betaling van de Audi A6 en de bekeuringen plaatsvonden in het jaar 2007. Het hof concludeert daaruit dat notities in het kasboek beginnen op 29 november 2006 en sluiten op 8 april 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de twee hiervoor aangehaalde debiteurenkaarten van [bijnaam 2], staan naast “119.3” eveneens vermeld: “2/2”, “ vingers ”, “ bloem ” en “ com ”. Het hof heeft al geoordeeld dat “119.3” de aanduiding is voor hasj. Op grond van de wijze en plaats waarop de andere woorden zijn gebruikt op de debiteurenkaarten van [bijnaam 2] , concludeert het hof dat ook “2/2”, “ vingers ”, “ bloem ” en “ com ” aanduidingen zijn voor hasj. Het hof vindt daarvoor steun in het feit dat op 21 maart 2008 in de woning waar [betrokkene 6] verbleef 911 gram hasj is aangetroffen. De hasj was in plakken verpakt en in de plakken was het logo van een bloem geperst. Op de overige bladen van SVO 7001-3, die voor iedere afnemer vergelijkbaar is, worden verder nog de navolgende woorden gebruikt: “top”, “HM”, “X5”, “ stier ”, “XXL”, “100”, “XX7”, “X77”, “999”, “3700”, “ polm ”, “2.1”, “3.8”, “4”, “ ketama ”, “ lexus ”, “ Marlboro ”, “ 444 ”, “200”, “ RBD/14 ” en “750”. Deze woorden worden gebruikt op dezelfde wijze als “119.3”, “2/2”, “ vingers ”, “ bloem ” en “ com ”. Het hof concludeert hieruit dat: “top”, “HM”, “X5”, “ stier ”, “XXL”, “100”, “XX7”, “X77”, “999”, “3700”, “ polm ”, “2.1”, “3.8”, “4”, “ ketama ”, “ lexus ”, “ Marlboro ”, “ 444 ”, “200”, “ RBD/14 ” en “750” aanduidingen zijn voor hasj. Het hof vindt daarvoor steun in het feit, zoals al overwogen, dat “ polm ” een aanduiding is voor hasj en dat het een feit van algemene bekendheid is dat met “ Ketama ” een hasjsoort wordt aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht het niet aannemelijk dat de gebruikte woorden letterlijk dienen te worden genomen, voor zover deze al een letterlijke betekenis hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen in inschuifmap aangeduid als SVO 7001-4 zijn anders van inrichting en opzet dan de hiervoor behandelde bladen. Op deze bladen komt de afnemer [bijnaam 2] als volgt voor: “90 – 26-6 [bijnaam 2]  13-7” “90 – 27-6 [bijnaam 2]  13-7” “136 – 28-6 [bijnaam 2]  13-7”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de debiteurenkaart van [bijnaam 2] in inschuifmap SVO 7001-3 is aangetekend dat aan [bijnaam 2] op 26/6, 27/6 en 28/6 respectievelijk 90, 90 en 136 kilogram “ com ” is geleverd en door hem is betaald. Het hof concludeert dat dit dezelfde leveringen betreft als hierboven geciteerd uit SVO 7001-4 en voorts dat de data “13-7” de betaaldatum betreft. De betalingen vindt het hof vervolgens terug in het kasboek SVO 7001-2. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de bladen in de inschuifmap, aangeduid als SVO 7001-4, een voorraadadministratie betreft van de drugssoort “ com ”. Leveringen aan andere, op bladen van SVO 7001-4 genoteerde, afnemers zijn op vergelijkbare wijze verwerkt en komen eveneens terug op de van die afnemers in SVO 7001-3 opgenomen debiteurkaarten en het in SVO 7001-2 opgenomen kasboek. Het hof heeft al geconcludeerd welke periode het kasboek SVO 7001-2 beslaat. Daaruit concludeert het hof dat de drie hiervoor aangehaalde leveringen aan en betalingen door [bijnaam 2] plaatsvonden in het jaar 2007. De pagina’s 103 t/ m 106 van SVO 7001-4 vertonen in de staffel van de voorraad en de daarbij genoteerde data een oplopende volgorde. Daaruit concludeert het hof dat die pagina’s leveringen betreffen in de periode van 16 mei 2007 t/ m 17 augustus 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen in de inschuifmappen SVO 7001-5 en SVO 7001-7 zijn wat betreft opzet en indeling vergelijkbaar met die in inschuifmap SVO 7001-4, met dien verstande dat bovenaan de bladen de volgende aanduidingen worden aangetroffen: “576/2”, “60/2”, “120H”, “30hi”, “ stier ”, “750”, “ RBD/14 ”, “X500”, “100”, “XLL”, X200” en “ bloem ”. Hiervoor heeft het hof al geconcludeerd dat “ stier ”, “750”, “ RBD/14 ”, “100” en “ bloem ” aanduidingen zijn voor hasj. Daaruit concludeert het hof dat de woorden en cijfers “576/2”, “60/2”, “120H”, “30hi” en “X500”, “XLL” en “X200” eveneens aanduidingen zijn voor hasj. Gezien de vergelijkbare opzet als de bladen in inschuifmap SVO 7001-4 concludeert het hof dat de bladen in inschuifmap SVO 7001-5 en SVO 7001-7 eveneens een voorraadadministratie bevatten en wel van de op de bladen genoemde aanduidingen voor hasj.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft per blad behorend tot SVO 7001-7 een daarop genoteerde levering van hasj vergeleken met de inhoud van de bladen in inschuifmap 7001-2, en wel aan de hand van de datum die achter het -teken staat genoteerd. Uit deze steekproef heeft het hof geconstateerd dat de betalingen van die leveringen ook genoteerd staan op de bladen behorend tot SVO 7001-2. Het hof heeft al geconcludeerd welke periode het kasboek SVO 7001-2 beslaat. Op grond daarvan concludeert het hof dat de betalingen die zijn genoteerd in SVO 7001-7 plaatsvonden in het jaar 2007, waaruit het hof concludeert dat de daarmee samenhangende leveringen eveneens plaatsvonden in het jaar 2007 en voorafgaand aan de data 27 november t/ m 26 december op bladen 129 en 130, in 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op gelijke wijze vergeleek het hof de inhoud van SVO 7001-5 met SVO 7001-2. Daaruit bleek het hof dat, behoudens de inhoud van de bladen 108 tot en met 112 waarop kennelijke betaaldata ontbreken, de betalingen voor de leveringen op de overige bladen eveneens voorkomen op bladen in SVO 7001-2. Het hof concludeert daaruit dat de leveringen, genoteerd op bladen in SVO 7001-5, dateren uit het jaar 2007 en, voor zover de datum ligt voor 1 januari, in 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groot deel van de bladen uit inschuifmap SVO 7001-8 zijn wat betreft inhoud en opzet vergelijkbaar met de inhoud van de bladen in inschuifmap SVO 7001-2. Die bladen zijn naar het oordeel van het hof daarom eveneens een kasboek waarin inkomsten en uitgaven, in euro, zijn genoteerd. De overige bladen in de inschuifmap SVO 7001-8 zijn wat betreft inhoud en opzet vergelijkbaar met de inhoud van de bladen in inschuifmap SVO 7001-4. De bladen bevatten een vergelijkbare telling van een hoeveelheid product waarop kennelijke leveringen aan afnemers in mindering worden gebracht. De bladen bevatten daarom naar het oordeel van het hof een voorraadadministratie. Op pagina 179 begint de linkerkolom met het getal 2431 en eindigt met 1895,5, met welk getal de linkerkolom op pagina 180 begint. Pagina 180 eindigt met 434, met welk getal pagina 172 begint. Op de laatste pagina van SVO 7001-8, pagina 178, leiden de afboekingen in de linkerkolom tot het getal 0. Het hof concludeert hieruit dat de volgorde van de desbetreffende bladen dient te zijn 179, 180, 172 t/ m 178. Het hof vindt hierin steun bij de opvolging van de op de bladen opgenomen data.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 179 staat genoteerd: “120 – [bijnaam ] 11-5  20-5”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 150 staat genoteerd: “72000 + [bijnaam ] 20-5 (120)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van hetgeen het hof heeft geconcludeerd over de inhoud van de bladen, deel uitmakend van SVO 7001-8, concludeert het hof tevens dat de geciteerde notitie op pagina 179 de levering aan de afnemer [bijnaam ] op 11-5 weergeeft van 120 kilogram van een product, met de aantekening dat de koopsom op 20-5 werd voldaan. De notitie op pagina 150 geeft de betaling van die levering ad € 72000,- op 20-5 weer. Hieruit concludeert het hof dat SVO 7001-8 deels een voorraadadministratie en deels een kasboek is betreffende dezelfde leveringen aan afnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 175 staat “20-09-2006” en op pagina 176 staat “20-10-2006” genoteerd. Het hof stelt vast dat die noteringen chronologisch passen in de overige noteringen, op de bladen met paginanummers 179, 180 en 172 t/m 178, van kennelijke data. Daaruit concludeert het hof dat pagina’s 179, 180 en 172 t/m 178 van SVO 7001-8 noteringen bevatten van leveringen in de periode 27 april 2006 t/m 30 november 2006. De kennelijke data op de pagina’s 147 t/m 177 van SVO 7001-8 (het kasboek gedeelte van de inschuifmap), vertonen een chronologisch en oplopend patroon. Het hof heeft al geconcludeerd dat de betaling van de hiervoor genoemde levering aan [bijnaam ] , is genoteerd op pagina 150. Het hof concludeert daarom dat de levering heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006 en de betaling daarvan op 20 mei 2006. Daaruit concludeert het hof dat de pagina’s 147 t/m 169 de periode beslaan van 24 april 2006 t/m 28 december 2006 en de pagina’s 170 t/m 171 de periode 27 januari 2007 t/m 6 april 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen in de inschuifmap aangeduid als SVO 7001-9 zijn wat betreft opzet en indeling vergelijkbaar met die in inschuifmappen SVO 7001-5 en SVO 7001-7 met dien verstande dat boven de bladen de volgende aanduidingen worden aangetroffen: “ Blauw 25 ”, “ Vis ”, “ RT 210 euro ”, “M” en “ Ster ”. De pagina’s 188 t/m 191 vormen een opeenvolgende opsomming van de voorraad van het product “ ster ”. Het hof concludeert hieruit dat alle in die pagina’s gebruikte woorden ter kennelijke aanduiding van de verkochte producten, namen zijn ter aanduiding van “ ster ”. Op pagina’s 186 en 187 worden de kennelijk verkochte producten aangeduid als “ krar ”, “ ster ”, “M” en “ bloem ”. Het hof heeft al geconcludeerd dat bloem een aanduiding is voor hasj. Uit de notatiewijze op de bladen 186 en 187 concludeert het hof dat de namen “ krar ”, “ ster ”, “M” eveneens aanduidingen zijn voor hasj. Het hof vindt daarvoor steun in hetgeen is aangetroffen bij de doorzoeking van “ [bedrijf 5] ” aan de [adres] te Huissen op 3 maart 2006. Voor dat pand stond een vrachtauto met kenteken [kenteken] geparkeerd. In de laadruimte van de vrachtauto en in het perceel zelf is in totaal 2.684 kilo hasj aangetroffen. De partij bestond uit 84 gesloten pakken en twee losse pakken. Op een deel van die pakken waren stempels gezet met een ster . Daaruit concludeert het hof dat de overigens op bladen van SVO 7001-9 genoteerde woorden “ Blauw 25 ”, “ Vis ” en “ RT 210 euro ” eveneens aanduidingen zijn voor hasj.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 181 is genoteerd “20-09-2006” en “20-10-2006”. Voorts stelt het hof vast dat de kennelijke data op de bladen behorend bij SVO 7001-9, per drugssoort, een oplopende chronologische volgorde vertonen. Het hof concludeert daaruit dat alle kennelijke data betrekking hebben op het jaar 2006, met uitzondering van de twee data van 9 januari op pagina 182 die, gezien de chronologie, betrekking hebben op het jaar 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">SVO 7001-10 betreft bladen in een inschuifmap waaraan een tabblad voorafgaat met het opschrift “ [afkorting] ”. Op pagina 198 staat genoteerd: “ 9-10 60 ster 60000 ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 191 van SVO 7001-9 met als koptekst “ ster ” staat genoteerd: “ 60 – 9-10 [afkorting] ”</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voorgaande heeft het hof al geconcludeerd dat [afkorting] de aanduiding is voor een afnemer, voorts dat ster een aanduiding is voor hasj. Het hof concludeert daaruit dat [afkorting] een aanduiding voor een afnemer van hasj is. Wat opzet en inhoud van de bladen betreft, komen deze deels overeen met de opzet en inhoud van de bladen deel uitmakend van de inschuifmap SVO 7001-3. Het hof concludeert daaruit dat de bladen genummerd 192 t/ m 199, deel uitmakend van SVO 7001-10, een debiteurenoverzicht bevatten van de afnemer aangeduid als [afkorting] . De bladen bevatten de verkopen van de in die bladen genoemde producten, waarvan het hof al heeft geconcludeerd dat daarmee hasj wordt bedoeld, en de door [afkorting] daarvoor gedane betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert uit de twee geciteerde notities dat deze betrekking hebben op dezelfde levering van hasj aan de afnemer aangeduid als [afkorting] . Het hof heeft al geconcludeerd dat de datum 9-10 op pagina 191 van SVO 7001-9 betrekking heeft op het jaar 2006. Op grond daarvan concludeert het hof dat de datum 9-10 op pagina 198 van SVO 7001-10 eveneens betrekking heeft op het jaar 2006 en dat, gezien de oplopende chronologie, de kennelijke data op de pagina’s 192 t/ m 199 eveneens betrekking hebben op het jaar 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 202 staat in de linkerkolom genoteerd: “ 90 ster 90000 15-1 ” “ 120 ster 120000 17-1 ” “ 30 ster 30000 21-1 ” “ 30 bloem 33000 ” (…) “ 25 marlb 27500 ”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rechterkolom staat genoteerd: “ 68000 100000 100000 174000 64000 122500 37500 47300 114000 5000 20000 (…) ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het eerste blad van het 2006 blok dat bij [verdachte] in beslag is genomen staat, naast hetgeen hiervoor reeds is weergegeven, genoteerd: “ Geg:</p>\n<p class=\"lf-p\">15-01-2006 [afkorting] 90 ster 17-01-2006 [afkorting] 120 ster 21-01-2006 [afkorting] 30 ster ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het tweede blad staat genoteerd: “ Ont.</p>\n<p class=\"lf-p\">17-01-2006 [afkorting] 47.3 19-01-2006 [afkorting] 114 ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander blad uit dit blok vermeld onder de kop “ [afkorting] ”: “ ST 200 x 1000 = 200000 ST 90 x 1000 = 90000 ST 120 x 1000 = 120000 ST 30 x 1000 = 30000 ” (…) “ BL 30 x 11000 = 33000 ML 25 x 11000 = 27500 ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blad hierna vermeld verschillende getallen met daarvoor telkens vermeld “gekr”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo worden de volgende getallen genoteerd: “ gekr 68000 gekr 100000 gekr 174000 gekr 64000 gekr 122500 gekr 37500 gekr 47300 gekr 114000 gekr 5000 gekr 20000 ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen het hof hiervoor reeds heeft overwogen omtrent “ ster ” en “ [afkorting] ”, concludeert het hof dat zowel het 2006 blok dat bij [verdachte] in beslag is genomen als de ordner die bij [medeverdachte 2] in beslag is genomen een weergave bevat van de hoeveelheden hasj die (onder meer in de maand januari 2006) zijn geleverd aan de afnemer aangeduid met “( [afkorting] ) [afkorting] ” of “ [afkorting] ” alsook de bedragen die hiervoor ontvangen zijn. Voorts stelt het hof vast dat de hiervoor genoemde leveringen van hasj aan en betalingen door afnemer [afkorting] , zowel zijn genoteerd in het bij [verdachte] in beslag genomen 2006 blok als op bladen deel uitmakend van de ordner die bij [medeverdachte 2] in beslag is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen in de inschuifmap aangeduid als SVO 7001-11 zijn wat betreft opzet en indeling vergelijkbaar aan die in inschuifmappen SVO 7001-5 en SVO 7001-7, met dien verstande dat boven de bladen de volgende aanduidingen worden aangetroffen: “ ketama ”, “ 58H ”, “ Marlboro ”, “ Lexus ”, “ 444 ”. Aan de inschuifmap gaat een tabblad vooraf met het opschrift “ Polm ”. Van de woorden: “ ketama ”, “ Marlboro ”, “ Lexus ”, “ 444 ” en “ Polm ” heeft het hof al geconcludeerd dat dit aanduidingen zijn voor een hasjsoort. Gezien de gelijke wijze waarop het woord “ 58H ” op bladen, deel uitmakend van deze inschuifmap, is gebruikt, concludeert het hof dat met “ 58H ” eveneens hasj wordt aangeduid. Gezien de vergelijkbare opzet als de bladen in inschuifmap SVO 7001-5 en SVO 7001-7 concludeert het hof dat de bladen in inschuifmap SVO 7001-11 eveneens een voorraadadministratie bevatten en wel voor de op de bladen genoemde hasjsoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen in de inschuifmap aangeduid als SVO 7001-12 komen wat betreft inhoud en opmaak overeen met de bladen deel uitmakend van SVO 7001-3, en vormen naar het oordeel van het hof daarom eveneens debiteurenkaarten. Boven de bladen staat genoteerd: “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ” en “ [bijnaam ] ”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ”, “ [bijnaam ] ” en “ [bijnaam ] ” heeft het hof al geconcludeerd dat dit aanduidingen voor afnemers zijn. Gezien de gelijke wijze waarop de woorden “ [bijnaam ] ” en “ [bijnaam ] ” op de bladen zijn gebruikt, concludeert het hof dat ook dit aanduidingen zijn voor afnemers. Van de op de bladen genoteerde aanduidingen van producten heeft het hof al geconcludeerd dat dit aanduidingen zijn voor soorten hasj.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen die deel uitmaken van de inschuifmap SVO 7001-1 wijken af van de bladen in andere inschuifmappen, in die zin dat daarop verschillende gegevens zijn gegroepeerd. De opmaak en inhoud van de linkerkolom komt overeen met die van de bladen in SVO 7001-4, waaruit het hof concludeert dat deze een voorraadadministratie behelst. De rechterkolom komt overeen met die van de bladen in SVO 7001-2, waaruit het hof concludeert dat deze een kasadministratie bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 3 staat in de linker kolom genoteerd: “ 1 – 23-6 [bijnaam ]  ” “ 16 26-6 [bijnaam ]  ” “ 24 – 7-7 [bijnaam ]  ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 3 staat in de rechter kolom genoteerd: “ 15-7 [bijnaam ] (41) 94300 ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande concludeert het hof dat de geciteerde notities uit de linkerkolom de levering van in totaal 41 kilogram aan de afnemer [bijnaam ] beschrijft. De notitie in de rechter kolom beschrijft de betaling daarvan door afnemer [bijnaam ] door voldoening van € 94.300,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen die door het hof zijn aangemerkt als kasboek geven, in euro, de inkomsten en uitgaven weer. Die inkomsten worden gevormd door betalingen door afnemers van hasj. Aan de bovenzijde van pagina 3 van SVO 7001-1, dat het eerste blad is in de inschuifmap, staat genoteerd “ Ketama ” en “2006”. Van Ketama heeft het hof al geconcludeerd dat dit een aanduiding is voor een hasjsoort. Overigens bevatten de bladen in deze inschuifmap geen andere aanduiding van producten, waaruit het hof concludeert dat, voor zover sprake is van een voorraadboekhouding, deze ziet op de verkoop van hasj. Behoudens de naam “ [bijnaam ] ” heeft het hof van alle op de bladen voorkomende namen al geconcludeerd dat dit afnemers van hasj zijn. Om die reden concludeert het hof dat “ [bijnaam ] ” eveneens een aanduiding is voor een afnemer van hasj.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het feit dat aan de bovenzijde van pagina 3 van SVO 7001-1 staat genoteerd “2006” terwijl geen ander jaartal op de bladen is genoteerd, concludeert het hof dat de eerste data op de bladen in de inschuifmap SVO 7001-1 betrekking hebben op het jaar 2006. De leveringen beslaan daarom een periode van 23 juni 2006 t/ m 7 december 2006. Op pagina 7 zijn leveringen in de periode 1 februari t/ m 13 maart genoteerd. De op die pagina opgenomen rechterkolom, waarvan het hof heeft geconcludeerd dat dit een kasadministratie is, begint met de stand 281700. Dit is tevens de eindstand van het daaraan voorafgaande blad waaruit het hof afleidt dat de bladen elkaar in cijfermatige en daarom ook in chronologische volgorde opvolgen. De leveringen op pagina 7 vonden daarom plaats in het jaar 2007, net als de betalingen vanaf 13 januari op dezelfde pagina. De betalingen op pagina 21 vanaf 12 januari zijn daarom gedaan in 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ten aanzien van de documenten in de ordner (SVO 7001-1 t/ m 12) Het hof concludeert op basis van het voorgaande samenvattend het volgende omtrent de inhoud van de bladen uit de rode ordner.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen die door het hof zijn aangemerkt als voorraadadministratie geven de inkoop en verkoop weer van, op die bladen met een naam aangeduide soort, hasj. Uit die bladen blijkt tevens aan welke afnemers die hasj is geleverd. De hoeveelheid hasj is voorts aangeduid in kilogrammen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen die door het hof zijn aangemerkt als debiteurenkaarten geven per afnemer, op die bladen aangeduid met een pseudoniem, aan welke hoeveelheid en soort hasj werd gekocht, welke koopsom daarvoor verschuldigd was en of en wanneer die koopsom werd betaald. Alle bedragen luiden in euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bladen die door het hof zijn aangemerkt als kasadministratie geven de stand van de kas per datum aan, alsmede van de ontvangsten van afnemers van hasj en van uitgaven. En voorts dat alle bedragen luiden in euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie [verdachte] en de hasjboekhouding Het hof stelt vast dat een deel van de hasjboekhouding (SV-1061-1 en 1061-2) in de woning van [verdachte] en zijn toenmalige echtgenote [medeverdachte 3] aan de [adres] te Arnhem in beslag is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast stelt het hof vast dat via het telefoonnummer [nummer] in telefoongesprekken die de gebruiker van dit telefoonnummer voert met [medeverdachte 2] in december 2007 en januari 2008 vraagt naar spullen die [medeverdachte 2] voor hem bewaart. Deze telefoongesprekken zijn afgeluisterd onder lijn 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning aan de [adres] is een Samsung telefoon in beslaggenomen. In die telefoon komt de naam ' [bijnaam ] ' voor met het telefoonnummer [nummer] . In de woning van [verdachte] aan de [adres] te Arnhem is een Nokia telefoon aangetroffen. In de inbox van die telefoon is een sms'je opgenomen waarin wordt vermeld 'Hallo [bijnaam ] '. Op een simcard van Maroc telecom, aangetroffen in de auto op naam van [naam] , komt onder de naam ' [bijnaam ] ' het telefoonnummer [nummer] voor. In een Nokia telefoon die in beslag is genomen in de woning van de moeder van [verdachte] , aan de [adres] te Arnhem , wordt het telefoonnummer [nummer] aangetroffen onder de naam ' [bijnaam ] ' .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het telefoonnummer [nummer] is in het Sprinkhaanonderzoek afgeluisterd onder lijn 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, staat voor het hof vast dat [verdachte] de telefoongesprekken heeft gevoerd door middel van de telefoonaansluiting met nummer [nummer] , afgeluisterd onder lijn 1. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [verdachte] en [betrokkene 6] al jaren kent en dat de bijnaam voor [betrokkene 6] ‘ [bijnaam 1] ’ is. De naam ‘ [bijnaam 1] ‘is ook terug te vinden in de hasjboekhouding. Dat [medeverdachte 2] de rode ordner waarin de hasjboekhouding is neergelegd, gevonden heeft in een telefooncel, zoals door hem verklaard, acht het hof, mede gelet op het voorgaande, niet geloofwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning van [betrokkene 6] is een koopovereenkomst aangetroffen. [naam] heeft verklaard dat deze geschreven is door [betrokkene 6] . Het handschrift op deze koopovereenkomst is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) vergeleken met het handschrift zoals aangetroffen op pagina’s uit de hasjboekhouding die bij [medeverdachte 2] is aangetroffen. De conclusie van het NFI is dat de pagina’s uit de hasjboekhouding hoogstwaarschijnlijk zijn geschreven door degene die de koopovereenkomst heeft geschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor al overwogen en hier ter wille van de leesbaarheid herhaald, zijn in de toekomstige woning van [verdachte] aan de [adres] te Winssen op 21 april 2008 onder meer 19 bekeuringen aangetroffen. Zeven van deze bekeuringen zien op overtredingen begaan tussen 19 oktober 2007 en 13 november 2007 met een auto met het kenteken [kenteken] Het totale boetebedrag van deze 19 bekeuringen bedroeg € 673,-. Dit kenteken hoort bij het merk en type auto Audi A6. Deze auto staat sinds 17 oktober 2007 op naam van [autobedrijf] , het autobedrijf van [eigenaar autobedrijf] . Deze [eigenaar autobedrijf] heeft verklaard dat hij de auto contant verkocht heeft tussen 17 oktober en 17 november 2007 voor € 54.000,- of € 55.000,- aan een Marokkaan uit Arnhem of Amsterdam . De bekeuringen van die auto heeft hij meegegeven aan die man. Die man was op de zaak. Ze kwamen soms met z’n tweeën of drieën. [betrokkene 6] was er één van. [betrokkene 8] heeft verklaard dat hij de Audi A6 vanaf 20 juni 2008 ongeveer acht á negen weken in zijn bezit heeft gehad en dat de auto toen is gebracht door [verdachte] en [betrokkene 7] . [betrokkene 8] zou de auto voor [verdachte] bewaren totdat hij hem weer zou komen ophalen. [betrokkene 8] kent [verdachte] en [betrokkene 7] van een vakantie in Marokko. Op foto 1 herkent hij [verdachte] . De betreffende foto die aan [betrokkene 8] wordt getoond is een foto van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hasjboekhouding die bij [medeverdachte 2] is aangetroffen, wordt op de datum 18-10 een bedrag van 54.000,- in mindering gebracht. Daarbij is vermeld: ‘A6’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In diezelfde hasjboekhouding wordt op de datum 4-12 een bedrag van 680,- in mindering gebracht. Daarbij is vermeld: ‘bekeuringen (19)’. Het hof gaat ook hier uit van notatie in euro’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande concludeert het hof allereerst dat de administraties die bij [verdachte] en bij [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, betrekking hebben op transacties die (mede) door of namens [verdachte] zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop staat voor het hof dan ook vast dat [verdachte] de Audi A6 contant heeft gekocht met geld afkomstig uit de handel in hasj zoals verantwoord in de hasjboekhouding. Daarmee heeft hij naar het oordeel van het hof ook de 19 bekeuringen betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande, in onderling samenhang en tijdsverband bezien met hetgeen hiervoor onder de feiten ten aanzien van de hasjboekhouding is weergegeven, staat voor het hof vast dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander een hasjboekhouding heeft bijgehouden die de verantwoording van de handel in hasj weergeeft over de periode van september 2005 tot april 2008. Het hof zal deze stukken in dit arrest daarom verder aanduiden als de hasjboekhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling ten laste gelegde (deel)feiten Feit 2.1 “34.489 kilo (april 06- augustus 07)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor omtrent de hasjboekhouding die in de woning van [medeverdachte 2] is aangetroffen, is overwogen, omvat deze verschillende voorraadadministraties die de inkoop (hoeveelheden die worden bijgeboekt) en verkoop (hoeveelheden die in mindering worden gebracht) weergeven van verschillende soorten hasj, waarbij de hoeveelheden hasj aangeduid zijn in kilogrammen. Uit die administraties blijkt tevens aan welke afnemers de hasj is geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover hier van belang staan daarin de volgende hoeveelheden genoteerd die worden ingekocht en vervolgens weer worden verkocht, met daarbij de vermelding van de volgende data: ‘ 594 kilo 25-4’ , ‘ 990 kilo 29-4’ ‘ 2578 kilo 27-4’ ‘ 1290 kilo 15-6’ , ‘ 990 kilo 15-6’ , ‘ 1220 kilo 15-6’ . ‘ 810 kilo 15-6’ . ‘ 170 kilo 15-6’ . ‘ 300 kilo 21-6’ . ‘ 330 kilo 21-6’ . ‘ 360 kilo 21-6’ . ‘ 150 kilo 23-6’ . ‘ 182 kilo 9-7’ . ‘ 450 kilo 12-7’ . ‘ 104 kilo 14-7’ . ‘ 300 kilo 15-8’ . ‘ 130 kilo 16-8’ . ‘ 120 kilo 16-8’ . ’ 20 kilo 29-8’ . ‘ 1410 kilo 20-09-2006’ . ‘ 225 kilo 20-09-2006’ . ‘ 1500 kilo 20-10-2006’ . ‘ 100 kilo 20-10-2006’ . ‘ 420 kilo 26-11’ . ‘ 990 kilo 26-11’ . ‘ 100 kilo 26-11’ . ‘ 120 kilo 28-11’ . ‘ 300 kilo 26-11’ . ‘ 100 kilo 27-11’ . ‘800 kilo 12-01’ . ‘ 1290 kilo 5-2’ . ‘ 100 kilo 5-2’ . ‘ 480 kilo 5-4’ . ‘ 240 kilo 5-4’ . ‘ 1230 kilo 16-5’ . ‘ 150 kilo 19-5’ . ‘ 2070 kilo 25-5’ . ‘ 1664 kilo 25-5’ . ‘ 1830 kilo 25-5’ . ‘ 2972 kilo 16-6’ . ‘ 810 kilo 5-8’ . ‘ 3000 kilo 5-8’ . ‘ 300 kilo 17-8’ . ‘ 1200 kilo 17-8’ .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal aantal kilo’s hasj dat is ingekocht en verkocht aan diverse afnemers betreft 34.489 kilo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen hiervoor tevens is overwogen omtrent SVO’s 7001-1, 7001-4, 7001-5, 7001-7, 7001-8, 7001-9 en 7001-11 betreft het in-, en verkopen over de periode van 25 april 2006 tot en met 17 augustus 2007 acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat in de periode van 25 april 2006 tot en met 17 augustus 2007 een totaal van 34.489 kilogram hasj is ingekocht en is verkocht aan diverse afnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien hetgeen het hof heeft geconcludeerd omtrent de betrokkenheid van [verdachte] bij de hasjboekhouding acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid van 34.489 kilo hasj in de genoemde periode heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 2.2 “10.100,8 kilo (sept 05-nov 05)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hiervoor omtrent de hasjboekhouding die bij [verdachte] is aangetroffen en aangeduid is met SVO 1061-1 (‘2005 blok’) reeds overwogen dat deze de in-, en verkopen van kilo’s hasj aan diverse afnemers weergeeft over de periode van september 2005 tot en met november 2005. De kolommen die worden aangeduid met ‘Geg’ geven de hoeveelheden verkochte kilo’s hasj aan. Het totale aantal van alle hoeveelheden betreft 10.100,8 kilo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat in de maanden september 2005 tot en met november 2005 een totaal van 10.100,8 kilo hasj is ingekocht en is verkocht aan diverse afnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen het hof heeft geconcludeerd omtrent de betrokkenheid van [verdachte] bij de hasjboekhouding acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid van 10.100,8 kilo hasj in de genoemde periode heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 2.3 “2.437 kilo (jan. 06)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hiervoor omtrent de hasjboekhouding die bij [verdachte] is aangetroffen en aangeduid is met SVO 1061-2 (‘2006 blok’) reeds overwogen dat deze de in-, en verkopen van kilo’s hasj aan diverse afnemers weergeeft over de maand januari 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheden verkochte kilo’s hasj die vermeld worden zijn: ’ 90 ster ’, ‘ 120 ster ’, ’ 30 ster ’. ’ 30 bloem ’, ’ 30 ster ’. ’ 40 bloem ’, ’ 30 ster ’. ’ 40 kom ’, ’ 30 bloem ’, ’ 30 bloem ’, ‘ 100 bloem ’, ‘ 100 kom ’. ‘ 210 bloem ’. ‘ 150 ster ’. ‘ 600 bloem ’, ’ 30 ster ’, ’ 30 100’, ’ 88 100’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal betreft 1.778 kilo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts bevindt zich in dit notitieblok een lijst aangeduid met de naam van een afnemer te weten ‘ [afkorting] ’ (zoals al eerder door het hof geconcludeerd) waarin de volgende berekeningen opgenomen zijn: ‘ST 200 x 1000 = 200000’, ‘ST 90 x 1000 = 90000’, ‘ST 120 x 1000 = 120000’, ‘ST 30 x 1000 = 30000’, ‘(..) 132 x 1100 = 145200’, ‘ST 1 x 1000 = 1000’, ‘BL 1 x 1100 = 1100’, ‘BL 30 x 1100 = 33000’, ‘ML 25 x 1100 = 27500’, ‘K 30 x 600 = 18.000’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen het hof hiervoor omtrent afnemer ‘ [afkorting] ’ onder SVO 7001-10 heeft weergegeven, zien de getallen die ná de hiervoor vermelde afkortingen worden genoemd, eveneens op hoeveelheden verkochte kilo’s hasj. Het totaal betreft 659 kilo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat in de periode van januari 2006 een totaal van 2.437 kilo (1.778 + 659) hasj is ingekocht en is verkocht aan diverse afnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen het hof heeft geconcludeerd omtrent de betrokkenheid van [verdachte] bij de hasjboekhouding acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid van 2.437 kilo hasj in de genoemde periode heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijspraak feit 2.4 “15.000 kilo; 8 maanden (augustus 07- april 08) x 1875 kilo”</p>\n<p class=\"lf-p\">De hasjboekhouding houdt de voorraadadministratie bij tot 17 augustus 2007. Onder 2.4 is [verdachte] verweten dat hij ook daarna heeft gehandeld in hasj en is een hoeveelheid aan kilo’s ingeschat op basis van extrapolatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van dit deelfeit. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn van het voortgaan van de handel in deze periode, zal het hof gezien het feit dat verdachte zijn aanwezigheidsrecht op zitting in hoger beroep niet ten volle heeft kunnen effectueren -in zijn voordeel- geen bewijsredenering op basis van extrapolatie hanteren en hem van dit feit vrijspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten 3 en 4 Algemene overwegingen over witwassen Het hof zal ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde witwassen eerst enkele algemene overwegingen geven en vervolgens ten aanzien van ieder van de onder 3 en 4 tenlastegelegde deelfeiten de vraag behandelen of verdachte betrokken is bij de tenlastegelegde transactie en deze feiten als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Witwassen is, kort weergegeven, het verhullen van de werkelijke aard van uit misdrijf verkregen voorwerpen en/of het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de raadsman is gesteld, kort weergegeven, dat de in Nederland gehanteerde witwastypologieën niet kunnen worden gehanteerd in Marokko maar moeten worden bezien in het licht van de Marokkaanse (economische) normen en gebruiken; dat het Openbaar Ministerie een onderzoeksplicht heeft ten aanzien van verklaringen of bewijsmiddelen met betrekking tot een alternatieve herkomst van voorwerpen, goederen of gelden en dit nagenoeg achterwege heeft gelaten; de vermengingstheorie niet onbegrensd kan worden toegepast maar dat (onder meer) in de beoordeling moet worden betrokken: de verhouding tussen legale en illegale vermogensbestanddelen, het tijdsverloop, het aantal of bijzondere veranderingen in het vermogen en het (incidentele karakter) van de vermenging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte is een succesvol zakenman en door te handelen met van leningen afkomstige gelden heeft hij buiten Nederland hoge legale inkomsten genoten. Verdachte was er niet van op de hoogte was dat hij ook zijn buitenlandse inkomsten aan de Nederlandse fiscus moest opgeven. Er is geen sprake is van “uit enig misdrijf afkomstige gelden”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Doordat verdachte niet is gehoord is gehoord, is het hem onmogelijk gemaakt om zijn legale buitenlandse inkomsten nader te onderbouwen. Daarom kan niet worden gesteld dat bij gebrek aan onderbouwing van legale inkomsten “het niet ander kan zijn” dat de gelden van [verdachte] van misdrijf afkomstig moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt deze verweren, ook waar deze door de raadsman bij de verschillende deelfeiten worden herhaald. a. Witwastypologieën Zoals hiervoor onder V sub a bij de bespreking van de ontvankelijkheidsverweren reeds is overwogen is het Koninkrijk Marokko deelnemer aan het VN-verdrag van New York, van 15 november 2000, tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad welk verdrag de deelnemende staten verplicht om witwassen strafbaar te stellen. Voorts is Marokko lid van MenaFATF, een soortgelijke organisatie als de Financial Action Task Force (FATF), met Arabische en Noord-Afrikaanse landen als lid. Deze organisatie hanteert soortgelijke witwastypologieën als de FATF. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de in Nederland gehanteerde witwastypologieën niet op financiële transacties in Marokko zijn toe te passen. b. Onderzoeksplicht Openbaar Ministerie naar alternatieve herkomst Het hof is van oordeel dat weliswaar “van verdachte kan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld” maar dat dit er niet toe leidt dat “het dan zonder meer aan verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is”. Echter, anders dan in de door de raadsman aangehaalde beslissing van de Hoge Raad in de ‘Air Holland zaak’, is het hof van oordeel dat de namens de verdachte de verklaarde herkomst van de gelden zo onwaarschijnlijk is dat deze bij de vorming van het bewijsoordeel terzijde kan worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het Openbaar Ministerie kan worden gevergd dat zij (nader) onderzoek laat verrichten naar door de verdediging gestelde legale inkomstenbronnen. Naar oordeel van het hof doet deze situatie zich alleen voor als de alternatieve verklaring voorzien is van enige onderbouwing waaruit tenminste een begin van aannemelijkheid volgt. Mede gelet op hetgeen hierna onder “e” wordt overwogen over de administratieplicht, kan niet worden volstaan met een enkele verklaring van verdachte of een getuige. c. Vermengingstheorie Uit de wetsgeschiedenis van art. 420bis en 420quater Sr moet als bedoeling van de wetgever worden afgeleid dat deze het noodzakelijk achtte voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen Als vermenging van legale met illegale inkomsten heeft plaatsgevonden, kan onderscheid woorden gemaakt tussen: de situatie waarin het vermogen ‘gedeeltelijk’ van misdrijf afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is ‘besmet’ doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en de situatie waarin het vermogen ‘middellijk’ van misdrijf van afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide situaties vallen onder het (ruime) toepassingsbereik van de witwasbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar oordeel van het hof staat het zeer beperkte legale vermogen van verdachte en zijn medeverdachten in geen enkele verhouding tot het enorme door hen witgewassen vermogen. Daarom acht het hof de uitzonderingen op voormelde hoofdregel, zoals gegeven in Hoge Raad, 23-11-2010 LJN, BN0578, niet van toepassing. d. Uit enig misdrijf afkomstige gelden De stelling dat [verdachte] en/of [medeverdachte 1] een door middel van het handelen (met geleend geld) een groter legaal inkomen verworven hebben dan bekend bij de (Nederlandse) ficus wordt wegens gebrek aan afdoende onderbouwing verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof maakt bij de beantwoording van de vraag of sprake van uit enig misdrijf afkomstige gelden onderscheid tussen de periode vóór en na september 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder feit 2 is bewezenverklaard, kort weergegeven, dat verdachte samen met anderen in de periode van september 2005 tot en met augustus 2007 opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd grote hoeveelheden hasjiesj, tot een totaal van 62.026 kilo. De verkoop van (grote) partijen hasj is zeer winstgevend. Op grond hiervan acht het hof bewezen dat verdachte samen met anderen tenminste vanaf september 2005 beschikte over grote hoeveelheden uit misdrijf verkregen geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de ten laste gelegde periode vóór september 2005 valt en er geen direct verband te leggen is met de verkoop van hasj geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de door de Nederlandse Belastingdienst verstrekte informatie blijkt dat het legaal bekende inkomen van [verdachte] over het jaar 2003 tot 2007 bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">2003: € 4.243,- 2004: € -,- 2005: € 14.610,- 2006: € 85.774,- 2007: € 37.326,- Het legaal besteedbaar inkomen van [medeverdachte 1] bedraagt in::</p>\n<p class=\"lf-p\">1986 – 1997 ( € 1000, p/ m sociale dienst Nederland) € 4.243,00 Opgegeven inkomen Belastingdienst Marokko 1993 / 2007 € 2.249.022,00 Ten aanzien van de periode voor september 2005 overweegt het hof dat (ook toen) de hoogte van de door verdachte, samen met anderen, gedane uitgaven, zoals hierna onder de feiten 3 bewezen worden verklaard, in geen enkele verhouding staat tot de legale inkomens van [verdachte] , [medeverdachte 1] , noch tot de legale inkomens van de medeverdachten van de verschillende deelfeiten. De transacties die onder verschillende deelfeiten ten laste zijn gelegd, vertonen één of meer van de volgende kenmerken die wijzen op het witwassen van geld, te weten: grote geldbedragen worden in kleine coupures betaald; grote geldbedragen worden contant naar het buitenland vervoerd en/of het geld wordt vervolgens (kort daarna) opgenomen of overgeschreven naar andere rekeningen; de hiervoor gebruikte bankrekening kunnen niet worden aangemerkt als een gewone (zakelijke) bankrekening, nu zij gedurende een relatief korte periode gebruikt en er geen andere transacties plaatsvonden via deze rekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder ten aanzien van de hoogte van het legale inkomen van verdachte, de bewezenverklaring van de handel in hasj en de winst die daarmee is gegenereerd in de periode na september 2005, en het ontbreken van een afdoende verklaring voor de herkomst van de gelden verkregen vóór september 2005, kan het niet anders zijn dan dat de gelden die verdachte, samen met anderen vóór september 2005 heeft gestort en/of betalingen voor (onroerende) goederen mee heeft verricht, ook uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor zover verdachte legale inkomsten heeft genoten is dit in verhouding zeer geringe deel door vermenging besmet. Hieruit volgt dat het gehele vermogen van [verdachte] van enig misdrijf afkomstig is. e. Het niet horen van [verdachte] Het is juist dat [verdachte] niet als verdachte is verschenen in zijn eigen strafzaak (in eerste aanleg en hoger beroep). Dit was echter niet de oorzaak van het gebrek aan onderbouwing van alternatieve scenario’s voor de (vermeende) legale inkomsten. [verdachte] is gedurende de gehele strafzaak door zijn gevolmachtigde raadsvrouw of raadsman vertegenwoordigd. Zij konden, namens verdachte, de alternatieve scenario onderbouwen met (financiële) gegevens van vermeende (buitenlandse) bedrijven en/of inkomsten of met gegevens betreffende zijn financiële transacties en/of de (mede)eigendom van bedrijven. Daardoor zouden genoten legale inkomen aannemelijk zijn geworden. Hiervoor zou moeten kunnen worden geput uit bestaande (bedrijfs)administraties. Immers, ook in Marokko en Spanje dienen (rechts)personen belasting af te dragen en moeten (rechts)personen inkomen, vermogen en omzet administreren. De hoogte van de (uitstaande) schulden en de daarop verrichte aflossingen zijn onderdeel van een (bedrijfs)administratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal vervolgens ingaan op de verschillende feiten. Hierbij zal het standpunt van de raadsman niet worden vermeld bij die feiten waarbij hij enkel op grond van de in het algemeen gevoerde verweren tot vrijspraak heeft geconcludeerd. Hetzelfde geldt voor de advocaat-generaal indien deze uitsluitend op grond van de zich in dossier bevindende bewijsmiddelen of onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank bewezenverklaring heeft gevorderd. Het hof zal de feiten, net als de rechtbank deed, bespreken aan de hand van de samenhang van handelingen die wordt verweten en hanteert hierdoor een van de tenlastelegging afwijkende volgorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Storten geldbedragen in Spanje en Marokko, feiten 3.8, 3.9, 4.20 t/ m 4.23, 4.26 t/ m 4.29 Feit 3.8 “grote bedragen in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirham, gestort op rekening(en) van [medeverdachte 1] bij de BMCE-bank , van in totaal € 1.030.146,02”</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op de Dirham-bankrekening van [medeverdachte 1] , eindigend op 78.35 bij de BMCE-bank te Al Hoceima , Marokko hebben de volgende contante stortingen plaatsgevonden. Onderstaande bedragen hebben als omschrijving “ [afkorting] ”, worden op de afschriften vermeld in MAD en zijn door verbalisanten weer omgerekend naar euro’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het saldo was voor de storting op 24-12-2003 nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">24-12-2003 MAD 4.852.800,00 = € 437.966,48 16-1-2004 MAD 1.083.700,00 = € 97.804,21 19-1-2004 MAD 2.167.400,00 = € 195.608,42 17-3-2005 MAD 218.900,00 = € 19.755,78 17-3-2005 MAD 437.800,00 = € 39.511,57 22-3-2005 MAD 325.416,00 = € 29.368,88 22-3-2005 MAD 327.600,00 = € 29.565,99 28-3-2005 MAD 381.360,00 = € 34.417,84 28-3-2005 MAD 435.840,00 = € 39.334,68 15-4-2005 MAD 1.076.031,00 = € 97.112,08 17-1-2006 MAD 107.480,00 = € 9.700,10 Totaal MAD 11.414.327,00 = € 1.030.146,03 Van deze bankrekening werden de volgende overboekingen gedaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">22-01-04, Notariskantoor [notariskantoor 1] MAD 1.547.855,71 = € 139.287,88 30-01-04, [notariskantoor 2] , Notarissen, Goes MAD 6.119.395,54 = € 550.000,00 20-06-05, Notaris [notariskantoor 3] , Rheden MAD 1.325.581,49 = € 120.000,00 24-10-05, [bedrijf 1] , Arnhem MAD 1.652.286,31 = € 150.000,00 Totaal: € 959.287,88 Deze bedragen worden voor een belangrijk gedeelte gebruikt voor de aankoop van onroerend goed in Nederland, zie deelfeiten 3.1 t/ m 3.3. Voorts vonden er afschrijvingen plaats in verband met de uitbetaling van uitgeschreven cheques en opnamen van ronde bedragen met als onderdeel van de omschrijving GAB. Dit is de afkorting van ‘guichets automatiques bancaires’ (geldautomaat). Op 13 juli 2006 bedroeg het saldo op de rekening MAD 1.241,55. Vanaf deze datum tot 30 juni 2008 vonden er geen transacties meer plaats via deze rekening. Andere dan de hiervoor omschreven transacties vonden niet plaats via deze rekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de doorzoeking van de woning [adres] te Arnhem , de woning van [verdachte] werden een drietal overboekingformulieren gevonden van de bankrekening van [medeverdachte 1] , eindigend op 78.35 bij de BMCE-bank waarmee de opdracht werd gegeven tot het overboeken van geldbedragen naar notariskantoren in Nederland vanaf deze rekening die op naam staat van [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt advocaat-generaal De stortingen zijn niet te verklaren vanuit het legale inkomen van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] , de overeenkomsten waarbij [verdachte] geld leent van [medeverdachte 1] zijn vals, de overschrijvingen volgen op stortingen van grote contante bedragen en er is een relatie te leggen tussen reisbewegingen van [verdachte] , [medeverdachte 1] en aan hen gelieerde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Nergens blijkt uit dat de gestorte bedragen afkomstig zijn van enig misdrijf en dat de bedragen door [verdachte] zijn gestort. Uit de op de afschriften vermelde term “ [afkorting] ” volgt niet dat sprake is van aankoop deviezen / vreemde valuta. In algemene zin heeft de raadsman nog verwezen naar de verklaring [medeverdachte 1] afgelegd bij de raadsheer-commissaris en gesteld dat deze een aanvulling vormt voor zijn stellingen in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling De omschrijving van de voormelde stortingen, “ [afkorting] ”, ziet naar het oordeel van het hof op de afkorting van “achat devises billets banque” en daarmee wordt naar oordeel van het hof het storten van buitenlandse bankbiljetten (billets de banque) op de bankrekening bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rondom een deel van deze stortingen zijn de volgende in- en uitreizen uit Marokko opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 24 december 2003: [medeverdachte 2] , [betrokkene 6] en [verdachte] reisden Marokko in op 22 december 2003. Op 2, 3 en 6 januari 2004 reisden zij achtereenvolgens weer uit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stortingen 16 en 19 januari 2004: Op 13 januari 2004 reisde [medeverdachte 1] Marokko in en uit. Op 14 januari 2004 reisde [verdachte] in en op 16 januari 2004 reisde hij weer uit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stortingen 17 maart 2005: Op 12 maart 2005 reisde [medeverdachte 1] Marokko in. Op 29 maart 2005 reisde hij uit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 22 maart 2005: Op 19 maart 2005 reisde [medeverdachte 3] in en op 23 maart 2005 weer uit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stortingen 28 maart 2005: [medeverdachte 1] reisde op 12 maart 2005 in en op 29 maart weer uit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 15 april 2005: op 9 april 2005 reisde [medeverdachte 1] Marokko weer in;</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 16 januari 2006: op 10 januari 2006 reisde [verdachte] Marokko in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verschillenden stortingen plaatsvonden reisden [verdachte] en de aan hem gelieerde personen [medeverdachte 2] , [betrokkene 6] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] Marokko in. Er zijn stortingsformulieren voor een deel van de overgemaakte gelden bij [verdachte] thuis aangetroffen. Van deze rekening werd in totaal € 959.287,88 overgeschreven naar Nederland ten behoeve van [verdachte] of aan hem gelieerde rechtspersonen. Immers het bedrag van € 139.287,88 is gebruikt voor de aankoop van de [adres] te Roosendaal (zie deelfeit 3.1), het bedrag van € 550.000,- voor de [adres] te Roosendaal (zie deelfeit 3.2) en de € 120.000,- voor de [adres] te Kesteren (zie deelfeit 3.3). Het bedrag van € 150.000,- is overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 1] Op 24-10-2005 wordt € 150.000,- gestort op de rekening van [bedrijf 1] , [adres] te Arnhem . Het bedrag is afkomstig van [medeverdachte 1] . Nu rekeninghouder, datum en bedrag overeenkomen, is het hof van oordeel dat het bedrag groot € 150.000,- van deze bankrekening afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resterende geld werd in Marokko contant opgenomen. De rekening werd gedurende een relatief korte periode gebruikt en er vonden geen andere transacties via deze rekening. De rekening kan daarom niet worden aangemerkt als een gewone (zakelijke) bankrekening. Daarom is het hof van oordeel dat [verdachte] samen met anderen deze rekening heeft gebruikt voor het storten van grote sommen contant geld. Vervolgens werd dit geld grotendeels weer teruggesluisd naar Nederland voor investeringen in onroerend goed. Het resterende geld is contant in Marokko opgenomen. In totaal is er op rekening van [medeverdachte 1] eindigend op 78.35 bij de BMCE-bank is € 1.030.146,02 contant gestort. Daarom kan bewezen worden dat [verdachte] samen met anderen € 1.030.146,02 op rekening van [medeverdachte 1] bij de BMCE-bank hebben gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris op 29 en 30 augustus 2016 en de door hem ingebrachte stukken maken de conclusie van het hof niet anders, nu zijn verklaring onvoldoende is onderbouwd met financiële stukken en/of documenten van bedrijfsadministratie. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] over een uitdeling in 1998 van de erfenis van zijn in 1976 overleden vader acht het hof niet aannemelijk geworden, nu [medeverdachte 1] niet wordt genoemd in de verklaring van de te verdelen nalatenschap, nog daargelaten het tijdsverloop tussen 1976 en 1998 en het feit dat de hoogte van het gestelde aandeel in de nalatenschap van MAD 2.300.000 (ongeveer € 205.756,-) zich niet verhoudt met de hoogte van de stortingen van feiten 3.8, 3.9 en 4.26 t/ m 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 3.9 “grote bedragen in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirhams, gestort of overgemaakt op rekening van [medeverdachte 1] bij de Attijariwafabank , eindigend op [nummer] , van in totaal € 1.694.782,01”</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Het saldo van de bankrekening van [medeverdachte 1] , eindigend op [nummer] bij de Attijariwafa Bank te Tanger , Marokko was voor de eerste overboeking nihil. Op deze rekening zijn de volgende bedragen overgemaakt/gestort. Het eerste bedrag is een overboeking, de vier laatste bedragen hebben als omschrijving “achat devises billets banque”, contante stortingen in vreemde valuta. De bedragen zijn door verbalisanten omgerekend naar euro’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">8-2-2006 (interne overboeking) MAD 4.938.914,55 = € 445.738,34 9-2-2006 MAD 532.091,00 = € 48.021,35 23-2-2006 MAD 759.150,00 = € 68.513,49 1-3-2006 MAD 5.422.500,00 = € 489.382,06 21-3-2006 MAD 7.126.092,96 = € 643.131,77 In totaal MAD 18.778.748,51 = € 1.694.787,01 Vanaf 20 juni 2006 is het saldo van de rekening MAD 2.454,69 waarna er tot 31 mei 2008 geen noemenswaardige transacties meer plaatsvinden. Er vonden geen andere transacties via deze rekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Zie deelfeit 3.8 Beoordeling Rondom een deel van deze stortingen zijn de volgende in- en uitreizen uit Marokko opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 8 februari 2006: op 6 februari 2006 reisde [betrokkene 9] Marokko in en op 8 februari 2006 reisde hij ’s avonds weer uit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 9 februari 2006: op 9 februari 2006 reisde [betrokkene 9] Marokko weer in en op 15 februari 2006 reisde hij weer uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 23 februari 2006: op 18 februari 2006 reisden [betrokkene 33] en [betrokkene 6] in. Op 21 februari 2006 reisden zij weer uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 1 maart 2006: op 26 februari 2006 reisde [medeverdachte 1] uit en een paar uur later weer in en op 8 maart 2006 reisde hij weer uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Storting 21 maart 2006: op 15 maart 2006 reisde [betrokkene 1] Marokko in en op 28 maart 2007 weer uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de stortingen reisden aan [verdachte] gelieerde personen, te weten [betrokkene 9] , [betrokkene 33] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] , Marokko in. Tijdens de twee reizen die [betrokkene 9] naar Marokko maakte, maakte hij gebruik van de Mercedes 412 D met kenteken [kenteken] die op naam stond van [betrokkene 24] . Onder feit 4.15 overweegt het hof dat deze auto feitelijk toebehoort aan [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de omschrijving “achat devises billets banque” wordt naar oordeel van het hof het storten van buitenlandse bankbiljetten op de bankrekening bedoeld. Van deze rekening werd ronde bedragen afgeschreven voornamelijk wegens het uitschrijven van cheques en voorts wegens “Retrait GAB”, opname bij een geldautomaat. De bestemming van het geld is niet bekend. Uiteindelijk resteert een verwaarloosbaar saldo en wordt de rekening niet meer gebruikt. De rekening werd gedurende een relatief korte periode gebruikt en er vonden geen andere transacties plaats via deze rekening. De rekening kan daarom niet worden aangemerkt als een gewone (zakelijke) bankrekening. De herkomst van de interne overboeking is onbekend maar verder werd de rekening gevoed door contante stortingen in (voor Marokko) buitenlandse valuta.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is het hof van oordeel dat [verdachte] samen met anderen deze rekening heeft gebruikt voor het storten van grote sommen contant geld en deze gelden vervolgens via contante opnamen te gebruiken in Marokko. Nu de herkomst van de interne overboeking, groot € 445.738,34, niet bekend is, kan niet worden bewezen dat het stortingen in voor Marokko vreemde valuta betreft. Daarom kan niet bewezen worden verklaard dat [verdachte] samen met anderen,”in totaal € 1.694.782,01” op rekening van [medeverdachte 1] bij de Attijariwafa bank is gestort of overgemaakt. Wel kan bewezen worden verklaard dat “grote bedragen (...) zijn gestort (...) van in totaal € 1.249.048,67”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris op 29 en 30 augustus 2016 en de door hem ingebrachte stukken maken de conclusie van het hof niet anders, nu zijn verklaring onvoldoende is onderbouwd met financiële stukken en/of documenten van bedrijfsadministratie. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] over een uitdeling in 1998 van de erfenis van zijn in 1976 overleden vader acht het hof niet aannemelijk geworden, nu [medeverdachte 1] niet wordt genoemd in de verklaring van de te verdelen nalatenschap, nog daargelaten het tijdsverloop tussen 1976 en 1998 en het feit dat de hoogte van het gestelde aandeel in de nalatenschap van MAD 2.300.000 (ongeveer € 205.756,-) zich niet verhoudt met de hoogte van de stortingen van feiten 3.8, 3.9, en 4.26 t/ m 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.20 “bedragen van 700.000 en 1.840.000 Dirham gestort d.d. 16/8/06 en 26/1/07 op een bankrekening bij de Attijariwafabank ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Door de raadsman is gesteld dat uit het dossier zou blijken dat [verdachte] en [medeverdachte 3] met Marokkaanse Dirhams Marokko zouden zijn ingereisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op de bankrekening, eindigend op [nummer] , bij de Attijariwafabank te Tanger , Marokko, ten name van [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn de volgende bedragen gestort:</p>\n<p class=\"lf-p\">16 augustus 2006 MAD 700.000,- = € 63.175,18 26 januari 2007 MAD 1.840.000,- = € 166.060,49 Voor de storting op 16 augustus 2006, was het saldo van deze rekening nihil. Van de rekening worden door het uitschrijven van cheques bedragen opgenomen, waarna het saldo op 25 april 2008 MAD 869,17 bedraagt. Andere transacties vinden niet via deze rekening plaats. Het postadres van de bankrekening was appartement [adres] te Tanger . Dat appartement staat op naam van [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Het verweer wordt verworpen nu de raadsman miskend dat geldbedragen in Euro’s kunnen worden omgewisseld in Marokkaanse Dirhams voor storting op de Marokkaanse bankrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt uit de feiten af dat in een periode van drie maanden een bedrag van ongeveer € 490.000,- contant is gestort op de gezamenlijke bankrekening van [verdachte] en [medeverdachte 3] . Het saldo van de rekening was voor de eerste contante storting nihil. Op 21 januari 2007 reisden [verdachte] en [medeverdachte 3] en op 24 januari 2007 reisde [betrokkene 9] Marokko in. Van deze rekening werden ronde bedragen afgeschreven voornamelijk door het uitschrijven van cheques en na 25 april 2008 was het saldo verwaarloosbaar. De rekening werd gedurende een relatief korte periode gebruikt en er vonden geen andere transacties plaats via deze rekening. De rekening kan dus niet worden aangemerkt als een gewone (zakelijke) bankrekening. Daarom is het hof van oordeel dat [verdachte] samen met anderen bedragen van MAD 700.000 en MAD 1.840.000 (€ 229.235,67) heeft gestort op 16 augustus 2006 en 26 januari 2007 op een bankrekening bij de Attijariwafabank . Vervolgens werden de gelden in Marokko opgenomen / besteed door het uitschrijven van cheques. Het legale inkomen en vermogen van verdachte kan dergelijke hoge stortingen niet verklaren, terwijl voor het hof wel vaststaat dat verdachte beschikte over grote sommen contante gelden, verdiend met de handel in hasj. Het gestorte geld moet dan ook uit misdrijf afkomstig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.21 “bedragen ter waarde van 128000 euro en 199000 euro en 159000 euro, welke op enig moment zijn gestort op 30/4/07 en 3/7/07 en 20/7/07 op een bankrekening bij de Banque Central Populare ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op de bankrekening, eindigend op [nummer] , bij de Banque Central Populare te Tanger (‘ Agence Playa ’), Marokko, ten name van [verdachte] , zijn de volgende bedragen gestort:</p>\n<p class=\"lf-p\">30 april 2007 MAD 1.428.830,00 = € 128.952,28 3 juli 2007 MAD 2.186.612,00 = € 199.000,00 20 juli 2007 MAD 1.762.400,00 = € 159.057,07 De omschrijving luidde “Achat devises par la banque”, aankoop vreemde valuta door de bank. De bankafschriften waren geadresseerd aan: mr [naam] , [adres] te Arnhem . Het saldo voor de eerste storting was nihil. De rekening werd vanaf 30 april 2007 tot 24 april 2008 gebruikt en er vonden geen andere transacties plaats via deze rekening. Van de rekening werden op 31 juli 2007, 08 augustus 2007 en 22 augustus 2007 telkens € 150.000,- overgeboekt naar een Spaanse Bankrekening bij de Cajamarbank te Mellila . Dit geld werd (deels) gebruikt voor de uitbreiding van het kapitaal van [bedrijf 6] (zie feit 4.19). MAD 310.000 werd contant door [verdachte] opgenomen. Uit een in de woning van [verdachte] in beslaggenomen reçu blijkt dat de storting op 3 juli 2007 bestond uit 3.980 biljetten van € 50,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling De volgende personen reisden Marokko in: op 30 april 2007 [medeverdachte 3] , op 3 juli 2007 [medeverdachte 1] , op 20 juli 2007 [betrokkene 11] en [betrokkene 39] , op 19 juli [betrokkene 6] en op 20 juli [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In een periode drie maanden is totaal MAD 5.377.842,- = € 487.009,35 contant gestort op een rekening van [verdachte] bij de Banque Central Populare . Het saldo van de rekening was voor de eerste contante storting nihil. De rekening werd gedurende een relatief korte periode gebruikt en er vonden geen andere transacties plaats via deze rekening. De rekening kan dus niet worden aangemerkt als een gewone (zakelijke) bankrekening. Gelet op de hoogte van de gestorte bedragen is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] samen met anderen bedragen ter waarde van 128.000 euro en 199.000 euro en 159.000 euro (totaal € 486.000,-), heeft gestort op 30 april 2007, 3 juli 2007 en 20 juli 2007 op zijn bankrekening bij de Banque Central Populare . Dit had ten doel de werkelijke herkomst van het geld te verhullen. Vervolgens werden de gelden overgemaakt naar een Spaanse rekening bij de Cajamarbank te Mellila en door hem contant in Marokko opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.23 “bedrag van 250.000 euro, welke op enig moment is gestort op een Spaanse bankrekening bij de BBVA ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Het verweer van de raadsman, voor zover het betrekking heeft op dat deel van het verwijt dat het hof bewezen acht, is reeds bij de bespreking van de algemene verweren verworpen Feiten Op de bankrekening, eindigend op [nummer] , van [medeverdachte 3] bij de BBVA -bank in Spanje wordt op 2 januari 2007 € 250.000,- contant gestort. Het saldo van de rekening is voor deze storting nihil. Tussen 2 januari 2007 en juli 2008 worden 7 transacties via deze rekening verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Over de storting van € 250.000,- heeft [medeverdachte 3] op 23 april 2008 verklaard dat zij dit geld contant vanuit Marokko heeft ingevoerd en meteen op haar bankrekening heeft gestort. Het betrof een persoonlijke lening van een man uit Marokko. Hiervan is een contract opgemaakt en dit contract ligt bij de man in Marokko. Als het contract wordt gehaald, kan ze de naam van die man vertellen. Ze heeft nog niets van de lening terugbetaald. Er is ook geen rente gerekend, omdat dit normaal is in Marokko. De lening moest voor januari 2010 afbetaald zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhandse leenovereenkomst tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 12] laat zien dat [betrokkene 12] op 13 november 2006 een bedrag van € 250.000,- heeft geleend aan verdachte, met een jaarlijkse rentevergoeding van 6%. Tot aan 13 mei 2008 hoefde geen rente betaald te worden. Binnen 25 jaar zou de lening afbetaald moeten zijn, hetgeen neerkwam op een maandelijkse afbetaling van € 833,33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 3] over de lening niet aannemelijk. Immers komt haar verklaring over de afbetaling en de rentebetaling niet overeen met hetgeen daarover in de leenovereenkomst is opgenomen. Tevens blijkt uit het dossier niets van een maandelijkse afbetaling van € 833,33. De storting van € 250.000,- blijft aldus onverklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkenheid van [verdachte] bij dit geldbedrag leidt het hof af uit de omstandigheden dat het hof onder deelfeit 4.19 een groot deel van de € 250.000,-, te weten € 177.298,57 is aangewend voor de aankoop van de fincanummers [nummer] en [nummer] te Melilla , ten behoeve van [bedrijf 6] , de vennootschap [verdachte] en [medeverdachte 3] . Daarom acht het hof bewezen dat [verdachte] samen met een ander op een bankrekening, eindigend op [nummer] , van [medeverdachte 3] bij de BBVA -bank in Spanje op 2 januari 2007 € 250.000,- contant gestort heeft gestort. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben aldus een geldbedrag voorhanden gehad waarvan in het dossier geen herkomst te vinden is. Gelet op het geringe aantal transacties en het beginsaldo is het hof van oordeel dat geen sprake is van een gewone (zakelijke) bankrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.26 “grote bedragen (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirhams) welke op enig moment zijn gestort en/of overgemaakt op de rekening(en) van [medeverdachte 1] bij de Credit Agricole , eindigend op [nummer] en/of [nummer] tot een (totaal) bedrag van 8.725.851,46 euro respectievelijk 1.450.000 euro”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Nergens blijkt uit dat de gestorte bedragen afkomstig zijn van enig misdrijf en dat de bedragen door [verdachte] zijn gestort. De stortingen op de rekening zijn niet te koppelen aan de hasjboekhouding. Niet blijkt dat de bedragen contant zijn gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Het saldo van de bankrekening van [medeverdachte 1] , eindigend op [nummer] , bij de Credit Agricole te Tetouan , Marokko was voorafgaand aan de eerste storting nihil. Op deze rekeningen de volgende bedragen contant gestort onder vermelding van ‘Lui meme’, hij zelf. Verbalisanten hebben de bedragen omgerekend naar Euro’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 juli 2006 MAD 153.346,68 = € 13.839,58 1 september 2006 MAD 301.005,23 = € 27.165,80 21 september 2006 MAD 6.132.022,54 = € 553.416,65 20 november 2006 MAD 4.120.295,55 = € 371.857,76 27 november 2006 MAD 7.734.115,10 = € 698.005,93 3 januari 2007 MAD 10.739.067,75 = € 969.203,70 25 januari 2007 MAD 11.354.700,00 = € 1.024.764,67 12 februari 2007 MAD 4.624.272,00 = € 417.341,77 23 maart 2007 MAD 514.806,00 = € 46.461,38 11 april 2007 MAD 1.111.660,00 = € 100.327,61 30 mei 2007 MAD 6.675.390,00 = € 602.455,71 6 juli 2007 MAD 9.134.700,00 = € 824.409,09 11 juli 2007 MAD 6.135.360,00 = € 553.717,86 7 september 2007 MAD 5.567.600,00 = € 502.477,37 7 november 2007 MAD 5.628.071,13 = € 507.934,91 23 november 2007 MAD 9.048.400,00 = € 816.620,49 27 december 2007 MAD 5.624.900,00 = € 507. 648 ,71 14 maart 2008 MAD 1.455.340,00 = € 131.344,82 16 mei 2008 MAD 630.000,00 = € 56.857,67 In totaal MAD 96.685.051,98 = € 8.725.851,46 In totaal wordt van de rekening een bedrag van MAD 52.221.500,- = € 4.713.004,16 opgenomen onder vermelding van ‘Moi meme’, ik zelf. Van deze rekening worden ook bedragen naar derden overgeschreven en de rekening heeft op 31 mei 2008 nog een saldo van MAD 633.630,60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het saldo van de bankrekening van [medeverdachte 1] , eindigend op [nummer] , bij de Credit Agricole te Al Hoceima , Marokko was tot februari 2007 nihil. Op de rekening zijn de volgende bedragen in Euro’s contant gestort:</p>\n<p class=\"lf-p\">16 maart 2007 MAD 14.923.575,00 o.v.v. ACH/C € 1.350.000,00 20 maart 2007 MAD 1.107.200,00 o.v.v. ACH/C € 100.000,00 In totaal MAD 16.030.775,00 € 1.450.000,00 Nagenoeg het gehele saldo werd in maart 2007 weer van de rekening afgeschreven. Op 31 mei 2008 bedroeg het saldo € 29.516,88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Het verweer van de raadsman wordt verworpen op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang met hetgeen over de algemene verweren m .b.t. het witwassen is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreffende [nummer] :</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 14 en 15 maart 2007 zijn [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] Marokko in gereisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreffende [nummer] :</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de stortingen op de bankrekening met het rekeningnummer eindigend op [nummer] in MAD geen ronde bedragen betreffen, is het hof van oordeel dat het stortingen in (voor Marokko) vreemde valuta betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt over [nummer] en [nummer] als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Het hof ziet in de aangetroffen hasjboekhouding de volgende posten: ’500000 - [bijnaam ] sraifi belg 5-9‘ ’250000 - [bijnaam ] sraifi oud 9-9’ ‘60000 - [bijnaam ] 12-9’ Gelet hierop en op hetgeen hiervoor onder de ‘de vermeende hashboekhouding’ is overwogen concludeert het hof dat op 14, 20 en 26 oktober 2007 bedragen van € 500.000,-, € 250.000,- en € 60.000,- in mindering zijn gebracht op het kassaldo. De vertaling van de Marokkaanse aanduiding ‘Sraifi’ is ‘geldwisselaar’. In het verlengde daarvan overweegt het hof dat in hetzelfde kasboek tevens uitgaven zijn opgenomen waarachter een kennelijk bestedingsdoel is aangegeven, zoals ‘telmachine’, ‘telefoons(10)’ en ‘tanken’. Bij deze drie posten is dat, behoudens de vermelding van ‘ [bijnaam ] ’ en/of ‘sraifi’ niet het geval. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van het inboeken van uitgaven maar van kasopnamen. Vervolgens is in het overzicht van de Marokkaanse douane is te zien dat op 18 september 2006 [verdachte] en [medeverdachte 3] Marokko inreisden, waarna op 21 september 2006 € 553.416,65 op de Marokkaanse rekening, eindigend op [nummer] , wordt gestort. Hieruit concludeert het hof dat de kasopnamen grotendeels zijn gestort op de betreffende Marokkaanse bankrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aangetroffen aantekening de volgende post: ‘1.000.000 - [bijnaam ] 31-10 sraifi, België’ Gelet hierop concludeert het hof dat op 31 oktober 2006 een bedrag van € 1.000.000,- in mindering is gebracht op het kassaldo. Op 14, 15 en 18 november 2006 reisden achtereenvolgens [verdachte] (voor een paar uur), [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] Marokko in. [medeverdachte 1] reisde op 23 november 2006 weer uit en op 25 november 2006 weer in. Op 20 november 2006 werd € 371.857,76 op de rekening, eindigend op [nummer] , gestort en op 27 november 2006 een bedrag van € 698.005,93. Hieruit concludeert het hof dat de kasopname op de Marokkaanse bankrekening is gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aangetroffen aantekeningen de volgende posten: ‘1.050.000 – 24-12 [bijnaam ] ’ ‘500.000 – 28-12’ Gelet hierop concludeert het hof dat op 24 en 28 december 2006 bedragen van € 1.050.000,- en € 500.000,- in mindering zijn gebracht op het kassaldo. Op 26 december 2006 reisde [medeverdachte 2] Marokko in. Op 29 december 2006 reisden [verdachte] en [medeverdachte 3] in en op 30 december 2006 reisde [betrokkene 6] in en op 31 december weer uit. Op 3 januari 2007 werd een bedrag van € 969.203,70 op de rekening, eindigend op [nummer] , gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aangetroffen aantekeningen de volgende post: ‘410000 – 7-2 [bijnaam ] / [bijnaam ] ’ Het hof heeft overwogen dat ‘ [bijnaam ] ’ of ‘ [bijnaam 1] ’ een bijnaam is van [betrokkene 6] . Gelet hierop concludeert het hof dat op 7 februari 2007 een bedrag van € 410.000,- in mindering is gebracht op het kassaldo en bij [betrokkene 6] terecht is gekomen. Vervolgens is te zien dat [betrokkene 6] en [verdachte] op 8 februari 2007 Marokko inreisden en op 12 februari 2007 weer uitreisden. Op 12 februari 2007 is € 417.341,77 op de rekening, eindigend op [nummer] gestort. Hieruit concludeert het hof dat de kasopname op de Marokkaanse bankrekening is gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aangetroffen aantekeningen de volgende post: ‘3-7 [bijnaam ] sraifi 1000000’ Gelet hierop en op hetgeen het hof heeft overwogen over SVO 7001-2, overweegt het hof dat op 3 juli 2007 een bedrag van € 1.000.000, in mindering is gebracht op het kassaldo. Op 4 juli 2007 reisde [verdachte] Marokko in en op 9 juli 2007 weer uit. Op 6 juli 2007 is € 824.409,09 op de rekening, eindigend op [nummer] , gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aangetroffen aantekening de volgende posten: ’14-10 [bijnaam ] Sraifi, [naam] 1000000-‘ ‘20-10 [bijnaam ] sraifi, [naam] 1000000’ ’26-10 [bijnaam ] sraifi 250000’ Gelet hierop, concludeert het hof dat op 14, 20 en 26 oktober 2007 twee keer € 1.000.000,- en € 250.000,- in mindering is gebracht op het kassaldo. Op 22 oktober 2007 reisde [medeverdachte 1] Marokko uit en op 5 november 2007 reisde hij Marokko weer in. Op 31 oktober 2007 reisde [betrokkene 9] Marokko in. Vervolgens vonden op 7 november 2007 de contante stortingen plaats op de rekeningen, eindigend op [nummer] (€ 507.934,91) en [nummer] (€ 95.408,43). Het hof neemt tevens mee dat in de periode van 25 oktober 2006 tot en met 3 november 2006 IMEI-nummers die bij het Marokkaanse telefoonnummer [telefoonnummer] horen, door zendmasten in Nederland werden geregistreerd, onder meer door zendmasten die gelegen zijn in Arnhem -Zuid , in de buurt van de woning van [verdachte] aan de [adres] . Verbalisanten stellen vast dat deze nummers langdurig en frequent werd geregistreerd in Arnhem -Zuid . Het telefoonnummer is volgens het hof in gebruik is bij [medeverdachte 1] , omdat het telefoonnummer in Marokko op naam van [medeverdachte 1] stond geregistreerd en omdat telefoons van [verdachte] en mensen om hem heen dit nummer onder vermelding van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] in het telefoonboek hebben opgeslagen. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] in de genoemde periode in Nederland is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens concludeert het hof dat de opgenomen kasbedragen op de Marokkaanse bankrekeningen zijn gestort. Zie ook feit 4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aangetroffen aantekeningen de volgende posten: ’14-11 [bijnaam ] Sraifi ( com ) 450000 (Rb. of 430000)’ ’16-11 [bijnaam ] (sraif) com 139500’ ’19-11 [bijnaam ] → [naam] 25000’ Op 19 november 2007 reisden [verdachte] en [medeverdachte 3] Marokko in en op 22 november 2007 reisden zij weer uit. Op 23 november 2007 vond een storting van € 816.620,49 plaats en op 27 december 2007 een storting van € 507. [nummer] ,71, beide op de rekening, eindigend op [nummer] . Hieruit concludeert het hof dat de kasbedragen op de Marokkaanse bankrekening zijn gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rekeningen werden gedurende een relatief korte periode gebruikt, waarbij het grootste deel van de stortingen binnen korte tijd weer van de rekening werd afgehaald. De rekeningen kunnen dus niet worden aangemerkt als gewone (zakelijke) bankrekeningen. Wel zijn de stortingen in mindering gebracht op het kassaldo van de zogenaamde hasjboekhouding van [verdachte] en naar het oordeel van het hof naar Marokko gebracht door [verdachte] en [medeverdachte 1] en aan hen gelieerde personen. Daarom is het hof van oordeel dat [verdachte] samen met anderen grote bedragen (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse Dirhams) welke op enig moment zijn gestort en/of overgemaakt op de rekening(en) van [medeverdachte 1] bij de Credit Agricole , eindigend op [nummer] en/of [nummer] tot een (totaal) bedrag van 8.725.851,46 euro respectievelijk 1.450.000 euro, voorhanden heeft gehad. Vervolgens werden de gelden in Marokko contant opgenomen of naar derden overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris op 29 en 30 augustus 2016 en de door hem ingebrachte stukken maken de conclusie van het hof niet anders, nu zijn verklaring onvoldoende is onderbouwd met financiële stukken en/of documenten van bedrijfsadministratie. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] over een uitdeling in 1998 van de erfenis van zijn in 1976 overleden vader acht het hof niet aannemelijk geworden, nu [medeverdachte 1] niet wordt genoemd in de verklaring van de te verdelen nalatenschap, nog daargelaten het tijdsverloop tussen 1976 en 1998 en het feit dat de hoogte van het gestelde aandeel in de nalatenschap van MAD 2.300.000 (ongeveer € 205.756,-) zich niet verhoudt met de hoogte van de stortingen van feiten 3.8, 3.9 en 4.26 t/ m 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.27 “een bedrag van 396.812,36 euro (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse dirhams) welke op enig moment zijn gestort op de rekening van [medeverdachte 1] bij de Credit Immorbilier et Hotelier , eindigend op [nummer] ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Nergens blijkt uit dat de gestorte bedragen afkomstig zijn van enig misdrijf en dat de bedragen door [verdachte] zijn gestort. De stortingen op de rekening zijn niet te koppelen aan de hasjboekhouding. Niet blijkt dat de bedragen contant zijn gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op de bankrekening van [medeverdachte 1] bij de Credit Immobilier et Hotelier te Al Hoceima , Marokko, eindigend op [nummer] is op 10 augustus 2007 een bedrag van MAD 4.396.800,- = € 396.812,36 gestort onder vermelding van ‘Achat Billets Etrangers’, ‘aankoop buitenlandse bankbiljetten’. Het saldo was voor deze storting nihil. Op 16 augustus 2007 wordt MAD 3.937.891,71 = € 355.395,77 overgemaakt onder vermelding van ‘Transert Devise, tranfer’ / ‘overboeking naar het buitenland’. Op 28 en 29 januari 2008 werd in totaal MAD 100.000 opgenomen. In mei 2008 werd MAD 350.022,- opgenomen waarna het saldo op de rekening verwaarloosbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Het verweer van de raadsman wordt verworpen op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang met hetgeen over de algemene verweren m .b.t. het witwassen is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 9 augustus 2007 reisden [verdachte] en [medeverdachte 1] samen Marokko in. Nu de rekening voor het eerst voor het storten van dit bedrag is gebruikt, het bedrag binnen enkele dagen grotendeels naar het buitenland werd overgemaakt, waarna de rekening een slapend bestaan leidde tot het resterende saldo bijna geheel werd opgenomen, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een gewone zakelijke bankrekening. Gezien het gezamenlijk inreizen van [verdachte] en [medeverdachte 1] in Marokko op de dag voor de storting acht het hof bewezen dat zij samen een bedrag van 396.812,36 euro (in vreemde valuta, anders dan Marokkaanse dirhams) op de rekening van [medeverdachte 1] bij de Credit Immorbilier et Hotelier , eindigend op [nummer] hebben gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris op 29 en 30 augustus 2016 en de door hem ingebrachte stukken maken de conclusie van het hof niet anders, nu zijn verklaring onvoldoende is onderbouwd met financiële stukken en/of documenten van bedrijfsadministratie. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] over een uitdeling in 1998 van de erfenis van zijn in 1976 overleden vader acht het hof niet aannemelijk geworden, nu [medeverdachte 1] niet wordt genoemd in de verklaring van de te verdelen nalatenschap, nog daargelaten het tijdsverloop tussen 1976 en 1998 en het feit dat de hoogte van het gestelde aandeel in de nalatenschap van MAD 2.300.000 (ongeveer € 205.756,-) zich niet verhoudt met de hoogte van de stortingen van feiten 3.8, 3.9 en 4.26 t/ m 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.28 “grote bedragen welke op enig moment zijn gestort en/of overgemaakt op de rekening van [medeverdachte 1] bij de Credit Immobilier et Hotelier eindigend op [nummer] tot een totaalbedrag van 998.245,53 euro”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman Nergens blijkt uit dat de gestorte bedragen afkomstig zijn van enig misdrijf en dat de bedragen door [verdachte] zijn gestort. De stortingen op de rekening zijn niet te koppelen aan de hasjboekhouding. Niet blijkt dat de bedragen contant zijn gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op de bankrekening van [medeverdachte 1] , eindigend op [nummer] , geopend in oktober 2007 bij de Credit Immobilier et Hotelier te Al Hoceima , Marokko, zijn de volgende bedragen in MAD bijgeschreven, met de omschrijving ‘versements du’ (storting), ‘virement interne emis’ (interne overboeking), of ‘regt remise encaiss’ (verzilvering cheque). Verbalisanten hebben de bedragen omgerekend in Euro’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">2 oktober 2007, overschrijving MAD 500.000,00 = € 45.125,13 7 november 2007, storting MAD 10.143.000,00 = € 915.408,43 27 november 2007, MAD 300.000,00 = € 27.075,08 12 dec 2007, verzilvering cheque MAD 67.860,00 = € 6.124,38 5 juni 2008, storting MAD 50.000,00 = € 4.512,51 In totaal MAD 11.060.860,00 = € 998.245,53 Vervolgens werden bedragen van de rekening afgeschreven met de omschrijving, interne overboeking en cheque. Op 31 januari 2008 bedroeg het saldo MAD 1.455792,50 en op 31 juli 2008 MAD 7.582,25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Het verweer van de raadsman wordt verworpen door de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang met hetgeen over het algemeen over de verweren m .b.t. het witwassen is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooral de storting van € 915.408,43 op 7 november 2007 valt op vanwege de hoogte van het bedrag. Deze storting betreft naar het oordeel van het hof een deel van de gelden die op 14, 20 en 26 oktober 2007 te weten bedragen van € 1.000.000,-, € 1.000.000,- en € 250.000,- in mindering zijn gebracht op het kassaldo. Zie hieromtrent de overwegingen onder deelfeit 4.26 onder F. De andere gedane stortingen zijn aanzienlijk lager. De rekening werd kort voor de eerste overschrijving geopend en gedurende een relatief korte periode gebruikt, waarbij het grootste deel van de stortingen binnen korte tijd weer van de rekening werd afgehaald. De rekening kan dus niet worden aangemerkt als een gewone (zakelijke) bankrekening. Het hof is van oordeel dat bewezen kan worden dat [verdachte] samen met anderen grote bedragen (uit misdrijf verkregen geld) heeft gestort en/of overgemaakt op de rekening van [medeverdachte 1] bij de Credit Immobilier et Hotelier eindigend op [nummer] tot een totaalbedrag van € 998.245,53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris op 29 en 30 augustus 2016 en de door hem ingebrachte stukken maken de conclusie van het hof niet anders, nu zijn verklaring onvoldoende is onderbouwd met financiële stukken en/of documenten van bedrijfsadministratie. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] over een uitdeling in 1998 van de erfenis van zijn in 1976 overleden vader acht het hof niet aannemelijk geworden, nu [medeverdachte 1] niet wordt genoemd in de verklaring van de te verdelen nalatenschap, nog daargelaten het tijdsverloop tussen 1976 en 1998 en het feit dat de hoogte van het gestelde aandeel in de nalatenschap van MAD 2.300.000 (ongeveer € 205.756,-) zich niet verhoudt met de hoogte van de stortingen van feiten 3.8, 3.9 en 4.26 t/ m 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4.29 “geldbedragen welke op enig moment zijn overgemaakt en/of gestort op rekening van [betrokkene 13] bij de Credit Immobilier et Hotelier , eindigend op [nummer] ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op de bankrekeningen van [betrokkene 13] , eindigend op [nummer] en [nummer] , bij de Credit Immobilier et Hotelier te Al Hoceima , Marokko zijn omgerekend in euro’s de volgende bedragen gestort of overgemaakt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op rekening [nummer] :</p>\n<p class=\"lf-p\">10 augustus 2007 MAD 2.198.400,00 = € 198.406,18 28 januari 2008 MAD 60.000,00 = € 5.415,02 29 januari 2008 MAD 40.000,00 = € 3.610,01 In totaal MAD 2.298.400,00 = € 207.431,21 Op rekening [nummer] :</p>\n<p class=\"lf-p\">30 april 2007 MAD 10.000,00 = € 902,50 4 juni 2007 MAD 50.000,00 = € 4.512,51 25 juni 2007 MAD 20.000,00 = € 1.805,01 28 juni 2007 MAD 10.000,00 = € 902,50 26 juli 2007 MAD 200.000,00 = € 18.050,05 2 augustus 2007 MAD 100.000,00 = € 9.025,03 15 augustus 2007 MAD 240.000,00 = € 21.660,06 11 september 2007 MAD 50.000,00 = € 4.512,51 14 september 2007 MAD 100.000,00 = € 9.025,03 19 september 2007 MAD 1.000.000,00 = € 90.250,26 28 september 2007 MAD 35.861,61 = € 3.236,52 17 oktober 2007 MAD 1.100.000,00 = € 99.275,29 19 oktober 2007 MAD 200.000,00 = € 18.050,05 25 augustus 2008 MAD 2.000,00 = € 180,50 28 augustus 2008 MAD 3.500,00 = € 315,88 In totaal MAD 3.121.361,61 = € 281.703,71 Beoordeling Het hof acht t.a.v. de rekeningen van [betrokkene 13] wat betreft de storting op 10 augustus 2007 van € 198.406,18 op rekening eindigend op [nummer] de Credit Immobilier et Hotelier in Marokko wettig en overtuigend bewezen dat dit geldbedrag een criminele herkomst had. [verdachte] en [medeverdachte 1] reisden op 9 augustus 2007 samen Marokko in. Van deze bankrekening van [betrokkene 13] is € 100.000,00 naar notariskantoor [notariskantoor 4] overboekt (zie verder feit 4.2). Dit heeft [betrokkene 13] gedaan in opdracht van haar vader, [medeverdachte 1] , aldus het tapgesprek op 31 januari 2008. Dit geldbedrag is dus afkomstig van [medeverdachte 1] . Hierover heeft hij verklaard dat het ging om een lening aan [verdachte] voor de aankoop van het [adres] te Druten . De ouders van [betrokkene 13] hebben daarnaast beiden verklaard dat [betrokkene 13] geen inkomsten had. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij degene was die de bankrekening van [betrokkene 13] voedde. Het geld was dus niet afkomstig van [betrokkene 13] . Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat [verdachte] samen met anderen een geldbedrag groot € 198.406,18 heeft of gestort op rekening van [betrokkene 13] bij de Credit Immobilier et Hotelier , eindigend op [nummer] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris op 29 en 30 augustus 2016 en de door hem ingebrachte stukken maken de conclusie van het hof niet anders, nu zijn verklaring onvoldoende is onderbouwd met financiële stukken en/of documenten van bedrijfsadministratie. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] over een uitdeling in 1998 van de erfenis van zijn in 1976 overleden vader acht het hof niet aannemelijk geworden, nu [medeverdachte 1] niet wordt genoemd in de verklaring van de te verdelen nalatenschap, nog daargelaten het tijdsverloop tussen 1976 en 1998 en het feit dat de hoogte van het gestelde aandeel in de nalatenschap van MAD 2.300.000 (ongeveer € 205.756,-) zich niet verhoudt met de hoogte van de stortingen van feiten 3.8, 3.9 en 4.26 t/ m 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder t.a.v. de stortingen van geldbedragen in Marokko en Spanje Verdachte wordt onder de feiten 3.8, 3.9, 4.20 t/ m 4.23, 4.26 t/ m 4.29, kort weergegeven, verweten dat hij samen met anderen geld heeft witgewassen door contante bedragen te storten op bankrekeningen in Marokko en Spanje. Hierna zal het hof overwegen dat een verband bestaat tussen de contante stortingen ten laste gelegd onder 3.8, 4.21 en 4.29 en de aankopen van onroerend goed onder 3.1 tot en met 3.3, en 4.2. Ook zal het hof nader toelichten dat storting ten laste gelegd onder 4.23 deels is aangewend voor de aankoop van de fincanummers [nummer] en [nummer] te Melilla . Voorts heeft het hof een verband gelegd tussen in de hasjboekhouding afgeboekte onttrekkingen van grote sommen geld, reizen van geldkoeriers en de storting daar van op rekening eindigend op [nummer] , bij de Credit Immobilier et Hotelier te Marokko van [medeverdachte 1] (feit 4.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de stortingen tenlastegelegd onder 3.9 en 4.20 is geen rechtstreeks verband te leggen met andere tenlastegelegde feiten. De bankrekening, eindigend op [nummer] , bij de Attijariwafabank te Tanger , Marokko, staat op naam van [verdachte] en [medeverdachte 3] . Hiermee is verdachtes betrokkenheid bij de geldstortingen ten laste gelegd onder feit 4.20 voldoende bewezen. Over feit 3.9 overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderstaande schema wordt een overzicht gegeven van aan stortingen te relateren reisbewegingen van [verdachte] en [medeverdachte 1] en aan hen gelieerde personen. Ten aanzien van de overige personen is tevens hun relatie tot de verdachten en de overige ten laste gelegde feiten weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoon Relatie Verdachte/ Medeverdachte Geldkoerier Rekeninghouder Relatie tot feiten Verdachte 3.8, 4.20, 4.21, 4.26, 4.27 4.20, 4.21 Medeverdachte 3.8, 3.9, 4.21, 4.26, 4.27 3.8, 3.9, 4.26, 4.27, 4.28 3.1, 3.2, 3.3 Betrokkende 4.10, 4.11 Medeverdachte 4.29 4.2 Betrokkende 3.9, 4.20, 4.26 3.1, 4.13 Medeverdachte feit 3.8 4.5 Medeverdachte 3.9, 4.2, 4.26, 4.11 Betrokkende 4.21 4.2, 4.10, 4.24, 4.25 Betrokkende 4.26 Betrokkende 3.9, 4.21 Betrokkende 3.8, 4.21, 4.26 4.13, 4.14, 4.15 Medeverdachte 4.21 4.10 Medeverdachte 4.21 4.4, 4.15 Medeverdachte 3.8, 4.20, 4.21, 4.26 4.20, 4.23 3.7, 4.1, 4.19, 4.23 Betrokkende 4.21 4.9 Betrokkende 4.13, 4.14 en 4.15 Dat [verdachte] samen met anderen grote bedragen vanuit Nederland naar Marokko en Spanje vervoerde berust niet alleen op de stortingen op de verschillende bankrekeningen, maar ook op de volgende bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een autorit van Rhenen naar Malaga te Spanje werd [betrokkene 14] op 4 september 2006 ter hoogte van Biriatou te Frankrijk staande gehouden door de Franse autoriteiten. In de door hem bestuurde auto, achter de bestuurdersstoel, lag een plastic tas met daarin een geldbedrag van € 200.000,-, in coupures van € 50,-. [betrokkene 14] heeft wisselend en aantoonbaar onjuist verklaard over de herkomst van het geld:  voor het aantreffen van het geld heeft hij gezegd dat hij geen geld bij zich had.  het geld zou afkomstig zijn van de verkoop van een appartement in Las Chapas , Spanje, voor € 180.000,- terwijl de verkoopakte aantoont aan dat het appartement op 8 maart 2005 is verkocht voor € 140.000,- waarbij de kopende partij nog ruim € 40.000,- heeft ingehouden.  later heeft [betrokkene 14] verklaard dat hij aan de verkoop van het appartement in Spanje € 95.000,- heeft overgehouden.  De auto waarin [betrokkene 14] het geld vervoerde, was van [bedrijf 7] , zijnde het autobedrijf van [verdachte] , en was door [verdachte] aan [betrokkene 14] ter beschikking gesteld.  Nadat [betrokkene 14] in [voertuignaam] was gesteld, heeft hij een telefoongesprek met [verdachte] gevoerd waarin hij [verdachte] mededeelde dat hij er niet doorheen was gekomen met de auto en dat er geld in beslag is genomen. [betrokkene 15] heeft over zijn rol bij het drugstransport met de [voertuignaam] verklaard dat hij op 25 juni 2007 is opgehaald door ‘ [medeverdachte 7] ’ en dat zij samen naar Spanje zijn gevlogen. Tijdens de vliegreis hoorde hij van [medeverdachte 7] dat hij er € 25.000,- voor zou krijgen. En op Schiphol had [medeverdachte 7] aan [betrokkene 15] gevraagd of hij tijdens de reis een stapel geld in zijn tas bij zich kon houden. Hij dacht dat het zo’n € 20.000,- in briefjes van 50 euro betrof. Eenmaal in Vigo werden ze met een auto met een Nederlands kenteken naar de haven gebracht waar de [voertuignaam] lag. [medeverdachte 7] had de bestuurder van de auto een stapeltje van ongeveer drie á vier centimeter geld gegeven, bestaande uit allemaal briefjes van vijftig. De [voertuignaam] moest gereed gemaakt worden om hasj in te voeren en er moest onderhoud worden gepleegd. [betrokkene 16] gaf hiervoor de opdracht en hij betaalde de kosten voor deze reparaties contant. De [voertuignaam] is medio februari 2007 gekocht door [betrokkene 16] voor € 190.000,- contant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder deelfeit 4.17 overweegt het hof dat het geld dat [betrokkene 16] hiervoor heeft gebruikt, afkomstig is uit de hasjhandel van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van hetgeen voorafgaand aan de feiten 3 en 4 is overwogen over het criminele vermogen van [verdachte] , van voormeld overzicht en de bewijsmiddelen van de verschillende deelfeiten stelt het hof vast dat voor al de tenlastegelegde stortingen van grote bedragen geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gelden worden gestort op rekeningen van [verdachte] (feiten 4.20 en 4.21), zijn halfbroer ( [medeverdachte 1] , feiten 3.8, 3.9, 4.26, 4.27 en 4.28), zijn vrouw ( [medeverdachte 3] , 4.20 en 4.23) en zijn nicht ( [betrokkene 13] , feit 29);</p>\n<p class=\"lf-p\">De contante stortingen tenlastegelegd onder 3.8, 4.21 en 4.29 zijn direct te relateren zijn aan de aankoop van onroerend goed onder 3.1 tot en met 3.3, en 4.2 en/of de hasjboekhouding (feit 4.26), feiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inreizen in Marokko voorafgaand aan alle stortingen van [verdachte] en [medeverdachte 1] en/of aan hen gelieerde personen, te weten familieleden of medeverdachten van een of meer feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voor de stortingen gebruikte bankrekeningen niet kunnen worden beschouwd als normale (zakelijke) bankrekeningen. Ze worden kort voor de eerste storting geopend of het saldo daarvoor was nihil. Ze worden gedurende een relatief korte tijd gebruikt om geld te storten en het er vervolgens weer vanaf te halen. Er vinden via deze rekeningen geen transacties plaats die te herkennen zijn als plaats normale (zakelijke) transacties, b.v. het ontvangen of betalen van salarissen, betalen of ontvangen van huur en/of hypotheek, het betalen of ontvangen van facturen. Voorts is het doel van onttrekkingen aan de rekeningen niet te achterhalen omdat het gaat om contante opnamen of betalingen per cheque.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 8 februari 2006 en 21 maart 2006 zijn de gelden gestort op de rekening van [medeverdachte 1] , eindigend op [nummer] bij de Attijariwafa Bank te Tanger , Marokko, feit 3.9. Deze stortingen sluiten aan op de stortingen tenlastegelegd onder de feiten 3.8 (tussen 24-12-2003 en 17-1-2006) en 4.20 (tussen 16-08-2006 en 26-01-2007).</p>\n<p class=\"lf-p\">De stortingen staan in geen enkele verhouding tot het legale inkomen van [verdachte] , [medeverdachte 3] en een afdoende verklaring voor de herkomst van de gelden is door hem, noch door [medeverdachte 3] en [betrokkene 13] gegeven.. Het hof stelde al eerder vast dat [medeverdachte 1] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de stortingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit in beslagname van € 200.000,- en de verklaringen van [betrokkene 14] en [betrokkene 15] volgt dat grote geldbedragen vanuit Nederland contant naar het buitenland werden vervoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande en hetgeen in het algemeen deel is overwogen over het criminele vermogen van [verdachte] is het hof van oordeel dat ten aanzien van feit 3.9, om dezelfde werkwijze gaat dan ten aanzien van de overige stortingen van geldbedragen waarbij telkens met hasjhandel verdiende gelden contant worden gestort en vervolgens (deels) voor andere doeleinden worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom kan, naast de feiten 3.8, 4.20 t/ m 4.23, 4.26 t/ m 4.29 ook ten aanzien van 3.9 steeds bewezen worden dat [verdachte] samen met anderen geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf contant op bankrekeningen in Marokko en Spanje heeft gestort, vervolgens heeft opgenomen of overgemaakt naar andere rekeningen en (deels) heeft omgezet in (onroerende) goederen.. Naast de rekeninghouders en de eigenaren ziet het hof de geldkoeriers als medeplegers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederlands onroerend goed, deelfeiten 3.1, 3.2, 3.3, 4.1 en 4.2 Feit 3.1 “panden/onroerend goed gelegen aan de [adressen] Roosendaal”</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op 30 januari 2004 verwierf [verdachte] het eigendom van het pand aan de [adres] te Roosendaal . Hij kocht het pand voor € 130.000,- . Door [medeverdachte 1] is op 19 januari 2004 vanaf zijn bankrekening bij de BMCE-bank € 139.287,88 overgemaakt op de derdengelden-rekening van notariskantoor [notariskantoor 1] te Roosendaal . Aan deze betaling lag een leenovereenkomst tussen [verdachte] [medeverdachte 1] van 16 januari 2004 ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 14 februari 2005 verwierf [verdachte] het eigendom van het pand aan de [adres] te Roosendaal voor € 89.500,- exclusief kosten koper (verder: k.k.), € 99.362,85 inclusief k.k. Hij heeft € 5.000,- van de aankoopprijs en kosten contant betaald en € 94.362,85 overgemaakt vanaf zijn bankrekening, eindigend op [nummer] , bij de Rabobank . Op deze bankrekening waren in de weken voorafgaand aan de overboeking de volgende gelden ontvangen:</p>\n<p class=\"lf-p\">27-1-2005 € 20.000,00 als ‘lening van [betrokkene 9] ;</p>\n<p class=\"lf-p\">9-2-2005 € 9.000,00 als ‘lening van [betrokkene 3] – Huissen ’;</p>\n<p class=\"lf-p\">10-2- 2005 € 9.000,00 als ‘lening van [bedrijf 8] ’;</p>\n<p class=\"lf-p\">14-2-2005 € 6.500,00 als ‘lening van [betrokkene 3] – Huissen ’;</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal leningen € 44.500,00 14-2-2005 € 17.928,60 als ‘storting [bedrijf 1] ’;</p>\n<p class=\"lf-p\">14-2-2005 € 17.928,60 als ‘storting [bedrijf 7] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal stortingen € 35.857,20 Beoordeling [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben tezamen en in vereniging de panden [adres] te Roosendaal verworven en voorhanden gehad. Onder feit 3.8 acht het hof bewezen dat verdachte samen met anderen de rekening bij de BMCE-bank heeft gebruikt voor het storten van grote sommen contant geld afkomstig uit de hasjhandel en het vervolgens grotendeels terugsluizen hiervan naar Nederland ten behoeve van investeringen in, onder meer, onroerend goed. Hieruit volgt dat de leenovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] ten doel had de werkelijke herkomst van dit geld te verhullen. [verdachte] is degene die het eigendom van de [adres] verwierf en van zijn bankrekening is de aankoopprijs betaald. [betrokkene 3] heeft € 15.500,- gestort op de rekening van [verdachte] . In de dagen daarvoor is € 16.100,- contant op haar rekening gestort. [bedrijf 8] heeft € 9.000,- gestort op de rekening van [verdachte] . In de dagen daarvoor is € 9.500,- contant op haar rekening gestort. [betrokkene 3] heeft omtrent de contante stortingen op haar bankrekening verklaard dat zij de transacties voor haar ex-man heeft verricht, dat deze betrekking hadden op de autohandel en dat de overboeking naar de rekening eindigend op [nummer] een terugbetaling van een lening aan [verdachte] betrof. Haar ex-man, [naam] , exploiteerde [bedrijf 8] . [verdachte] schrijft op 10 april 2006 aan de Belastingdienst dat hij de leningen aan [betrokkene 3] en [bedrijf 8] heeft terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu er meer contant geld wordt gestort dan dat er wordt overgemaakt en [betrokkene 3] verklaarde dat zij voor haar ex-man een lening aan [verdachte] moest terugbetalen terwijl [verdachte] aan de Belastingdienst (nu juist) schrijft dat hij de leningen van [bedrijf 8] en [betrokkene 3] (bijna) terug heeft betaald, acht het hof de verklaring die [verdachte] aan de Belastingdienst heeft gegeven niet aannemelijk. Derhalve is het hof van oordeel dat de leningen van [betrokkene 3] en [bedrijf 8] aan [verdachte] fictieve leningen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de stortingen door [bedrijf 1] en [bedrijf 7] merkt het hof op dat [verdachte] stelt dat hij op 3 januari 2005, 1 maart2005 en 8 maart2005 in totaal € 750.000,- van verdachte heeft geleend, dat hij € 600.000,- uitleent aan [bedrijf 1] en dat deze holding vervolgens weer € 425.000,- leent aan [bedrijf 7] . Gelet op hetgeen hiervoor in het algemeen over het criminele vermogen van [verdachte] en [medeverdachte 1] is overwogen, acht het hof bewezen dat verdachte samen met [verdachte] en anderen de panden [adressen] te Roosendaal heeft aangekocht en het aankoopbedrag van € 218.650,73, (gedeeltelijk) heeft gefinancierd met geld dat afkomstig is van misdrijf. Daarom is sprake van het medeplegen van witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 3.2 “panden/onroerend goed gelegen aan de [adressen] te Roosendaal”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt raadsman M ’ [verdachte] Chilh was voldoende vermogend om de lening van [verdachte] aan hem te rechtvaardigen. Nu hij niet is gehoord, is het onderzoek onvolledig geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten Op 10 februari 2004 verwierven [verdachte] , zijn neef [betrokkene 17] en anderen het eigendom van het pand aan de [adressen] te Roosendaal . Het deel van [verdachte] bedroeg 12/100, wat neerkomt op betaling van € 125.400,-, een bedrag dat hij heeft gefinancierd met een lening. Daarnaast heeft [verdachte] aan één van de andere kopers, [betrokkene 17] , € 400.000,- geleend om diens deel in de aankoopprijs te kunnen voldoen. [medeverdachte 1] heeft op 21 januari 2004 de BMCE-bank opdracht gegeven € 550.000,- over te maken naar de derdengelden-rekening van de notaris als betaling van het aandeel van [verdachte] van € 125.400,- en van een gedeelte van het aandeel van [betrokkene 17] . Aan dit geldbedrag lagen de leenovereenkomsten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] van 24 december 2003 en 16 januari 2004 van respectievelijk € 450.000,- en € 240.000,-, ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling [verdachte] heeft voor de aankoop van het onroerend goed aan de [adressen] te Roosendaal naast zijn eigen aandeel van € 125.400,-, ook € 400.000,- van het aandeel van [betrokkene 17] gefinancierd. [medeverdachte 1] heeft hiertoe € 550.000,- van zijn Marokkaanse bankrekening overgemaakt. Gelet op de herkomst van dit geld, zoals onder feit 3.8 bewezen is verklaard, is het hof van oordeel dat verdachte samen met anderen de rekening bij de BMCE-bank heeft gebruikt voor het storten van grote sommen contant geld en het vervolgens grotendeels terugsluizen van dat geld naar Nederland voor investeringen in onroerend goed. De leenovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] had ten doel de werkelijke herkomst van dit geld te verhullen. Daarom acht het hof bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen, door de panden gelegen aan de [adressen] Roosendaal voor een bedrag van € 525.400,- aan te kopen met door misdrijf verkregen geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat, ondanks dat [betrokkene 17] niet is gehoord het onderzoek volledig is geweest. De beantwoording van de vraag of [betrokkene 17] kredietwaardig genoeg was om de lening van [verdachte] aan hem te rechtvaardigen, is niet van belang voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De kredietwaardigheid van [betrokkene 17] zegt immers niets over de vraag of het door [verdachte] aan [betrokkene 17] geleende geld van misdrijf afkomstig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 3.3 “pand(en)/onroerend goed gelegen aan de [adres] Kesteren”</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten</p></div>", "next": 238762}