{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De verdachte heeft op de terechtzitting gelegenheid gehad om te reageren op de conclusies van de rapporteurs en heeft zijn visie uiteengezet inhoudende dat hij zich niet kan vinden in de conclusies en dat hij vraagtekens plaatst bij de kwaliteit van de rapporten. Het hof constateert echter dat de rapporten verschillende opties en alternatieve straffen en behandelingen uiteenzetten en uiteindelijk tot conclusies komen die navolgbaar zijn. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. Het hof volgt de verdediging niet in de stelling dat de rapporten niet concludent zijn. Het hof stelt vast dat de rapporteurs melding hebben gemaakt van enkele voorbehouden, zoals het niet hebben gesproken van de ouders van verdachte of anderen in zijn netwerk, omdat verdachte daar geen toestemming voor wilde geven. Het hof is van oordeel dat de beide Pro Justitia-rapportages bruikbaar zijn bij de beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte het volgende overwogen. Het hof neemt dat over.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psychiater diagnosticeert bij verdachte een narcistische persoonlijkheidsstoornis met schizo-typische en antisociale kenmerken. Klinisch-psychiatrisch gezien lijkt er waarschijnlijk sprake te zijn van een autistische spectrum stoornis gecombineerd met een non-verbale leerstoornis, waar volgens de psychiater ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake van was. De psychiater acht het recidiverisico erg groot. Een interventie-advies is volgens het rapport van de psychiater lastig te geven omdat verdachte geen ziekte-inzicht heeft. Verdachte vindt dat hij in zijn recht staat en dat anderen ongelijk hebben, aldus de psychiater. Mogelijk zou een gesprekstherapie kunnen helpen om zijn eigen denken, gevoelens en gedrag tegen het licht te houden, systematisch uit te pluizen en zodoende tot andere inzichten te komen. Ook andere vormen van psychotherapie zouden kunnen helpen. Daarvoor moet iemand wel enig vermogen hebben voor zelfreflectie en dit lijkt bij verdachte niet sterk ontwikkeld. Behandeling zal dan ook klinisch moeten volgens de psychiater aangezien verdachte in het geval van ambulante behandeling onmiddellijk weer zal vervallen in oud gedrag. Er is geen sprake van een waan in het kader van schizofrenie waarbij medicatie zou kunnen helpen. Vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht bij verdachte is behandeling binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel of het kader van de maatregel van tbs met voorwaarden niet aangewezen. Verdachte zal niet mee willen werken. De problematiek bij verdachte lijkt evenmin geschikt voor een zorgmachtiging. Volgens de psychiater is een tbs met dwangverpleging dan aangewezen voor behandeling. De psychiater merkt op dat verdachte, zeker in eerste instantie, de hakken in het zand zal gaan zetten en niet zal meewerken aan behandeling. Het zou hem zelfs kunnen bekrachtigen in ideeën dat de overheid onbetrouwbaar is. Omdat behandeling moeilijk zal zijn acht de psychiater oplegging van alleen een gevangenisstraf met daarbij de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel eveneens een optie. Met de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zou het recidiverisico enigszins binnen de perken kunnen worden gehouden volgens de psychiater, maar uiteindelijk geen oplossing bieden. Alles overwegende lijkt een tbs met dwangverpleging volgens de psychiater het meest doelmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psychiater heeft haar rapport ter terechtzitting van 19 mei 2025 toegelicht en gepersisteerd in haar advies dat de maatregel van tbs met dwangverpleging het meest doelmatig is. Binnen deze behandeling zou cognitieve gedragstherapie moet plaatsvinden waarbij verdachte reflecteert op zijn manier van denken en redeneren en de gevolgen daarvan voor anderen, met als doel dat hij minder rigide en milder wordt in zijn denken en gedrag. Dit zal een intensief traject van jaren zijn. Het zal geen eenvoudige behandeling worden, maar behandeling is niet onmogelijk. De problematiek bij verdachte is niet passend bij verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging en in de situatie waarin verdachte kaal wordt afgestraft is het risico op het plegen van nieuwe strafbare feiten hoog. Omdat verdachte het probleem buiten zichzelf legt, is een voorwaardelijk strafkader met voorwaarden waaraan verdachte zich moet houden, niet aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psycholoog diagnosticeert bij verdachte een narcistische- en schizo-typische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en een paranoïde waanstoornis (querulantenwaan), waar volgens de psycholoog ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake van was. Verdachte valt volgens de psycholoog te beschouwen als een rancuneuze stalker die overtuigd is dat hem onrecht is aangedaan en dat hij is vernederd. Het primaire motief is volgens de psycholoog wraak. De psycholoog heeft in haar rapport geconcludeerd dat sprake is van een hoog recidiverisico en acht in principe een klinische behandeling aangewezen. De behandeling dient zich te richten op het verkrijgen van enige vorm van samenwerking met verdachte. Dit met als doel het verkrijgen van voldoende kwaliteit van leven voor hem in de toekomst, gebaseerd op een realistische grondslag. Mogelijk dat een langdurig klinisch verblijf (medicamenteus en/of via psychotherapie) enig perspectief biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psycholoog beschrijft dat er twee opties resteren. De eerste is geen behandeling, maar afstraffen. Feitelijk is dat wat er tot nog toe steeds is gebeurd en wat niet heeft geleid tot recidivevermindering, aldus de psycholoog. De tweede optie is behandeling in een tbs-kader. De psycholoog verwacht op grond van de psychische stoornis van en de ervaringen met verdachte dat verdachte niet in staat is zich binnen een tbs met voorwaarden aan voorwaarden te houden, zodat de behandeling zal moeten plaatsvinden binnen het kader van de dwangverpleging en met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Tegelijkertijd merkt de psycholoog op dat er weinig redenen zijn om al te positieve verwachtingen te hebben over de behandeling. Er is namelijk sprake van een groot gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht en verdachte ziet geen noodzaak voor behandeling en is daartoe niet gemotiveerd. Voorts kenmerkt de persoonlijkheids- en psychiatrische problematiek van verdachte zich intrinsiek door het rigide karakter ervan en door de geringe ontvankelijkheid voor medicatie van de waanstoornis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psycholoog heeft haar rapport ter terechtzitting van 19 mei 2025 toegelicht en gepersisteerd in haar advies dat de maatregel van tbs met dwangverpleging het meest doelmatig is. Binnen deze behandeling zou schematherapie of cognitieve gedragstherapie moeten plaatsvinden, met als doel dat verdachte op een andere manier naar problemen en oplossingen leert kijken dan hij nu doet en waarin hij op dit moment vastloopt. Gelet op de rigiditeit van verdachte en het recidiverisico moet dit een intensief traject van vele jaren zijn, wil er enige kans zijn op gedragsverandering. De maatregel ziet niet alleen op het volgen van therapie, maar ook op het leven in een groep en het gedrag dat iemand in een groep vertoont. Gelet op de rigiditeit van denken en handelen van verdachte is een ander kader niet aangewezen. De psychiater en psycholoog concluderen dat de gediagnostiseerde stoornissen bij verdachte (duidelijk) hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde en adviseren het ten laste gelegde respectievelijk verminderd en sterk verminderd aan verdachte toe rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psychiater overweegt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkene is cognitief goed in staat om zich te realiseren dat hetgeen hij deed - de ten laste gelegde feiten grensoverschrijdend zijn en mensen angstig kunnen maken. (...) Zijn oplossingsvaardigheden zijn beperkt tot het nog harder of op nog grovere wijze roepen van hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De psycholoog overweegt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit zijn kwetsbare gevoel van eigenwaarde is betrokkene uiterst gevoelig voor afwijzing. (...) Hij roept deze afwijzing telkens weer over zich af door het stellen van irreële onhaalbare eisen. Het lukt betrokkene niet om vanuit een adequate realiteitstoetsing te komen tot overeenstemming (...). Vanuit de beperkte gewetensontwikkeling is betrokkene in het algemeen gericht op eigen behoeftebevrediging en heeft hij nauwelijks oog voor de rechten van de ander. Het rigide en wraakzuchtige denken leidt er mede toe dat hij niet wil/kan stoppen en tot op de dag van vandaag blijft doorgaan met zijn gelijk te bevechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt voormelde conclusies van de PJ-rapporteurs ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en maakt deze tot de hare.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank rekent het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Straf en maatregelen Straf Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt het hof in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van de verdachte van 1 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens bedreiging, belediging en poging tot ambtsdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet anders dan de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, geen reden in strafverminderende zin rekening te houden met het geconstateerde vormverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de start van de redelijke termijn. De redelijke termijn in de zaak met parketnummer 18-303460-22 is op 20 november 2022 gaan lopen, op welke datum verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld. Verdachte heeft in de periode vanaf die datum tot de uitspraak van de rechtbank verschillende periodes in voorlopige hechtenis doorgebracht, maar niet meer dan 16 maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar geldt en dat deze in eerste aanleg met ruim zes maanden is overschreden. Het hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden gelet op het feit dat verdachte hoger beroep heeft aangetekend op 16 juni 2025 en het arrest zal worden uitgesproken binnen de termijn van twee jaar. Het hof zal gelet op de overschrijding in eerste aanleg evenals de rechtbank een maand gevangenisstraf in mindering brengen op de op te leggen straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen. Het hof neemt deze overwegingen (cursief) over en maakt deze tot de zijne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de hierboven genoemde pro Justitia-rapportages, de toelichting daarop ter terechtzitting en de informatie over de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat er is sprake van complexe en hardnekkige problematiek waarvoor verdachte een langdurige en intensieve klinische behandeling nodig heeft om de samenleving te beschermen en om gevaar voor recidive te beperken. Om de problematiek van verdachte zo doelmatig mogelijk te kunnen behandelen en ter optimale bescherming van de maatschappij, is de rechtbank van oordeel dat alleen kan worden volstaan met een tbs-maatregel met dwangverpleging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt in dit verband dat de gedragsdeskundigen het risico op recidive hoog achten indien verdachte onbehandeld blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt aanvullend het volgende. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, te meer nu verdachte ter zitting in hoger beroep volhardt in zijn visie dat hij het gelijk aan zijn zijde heeft. Verdachte verklaarde onder meer dat bij invrijheidstelling de strijd door gaat tot verdachte een torenhoge schadevergoeding heeft gehad. Daarnaast verklaarde verdachte dat de “oorlog” met de gemeente zichzelf niet oplost en dat de gemeente weigert de “oorlog” te beëindigen. Daarnaast meldt de reclassering in een brief van 12 mei 2025 dat verdachte onverminderd doorgaat met het sturen van dreigbrieven die bol staan van lasterlijke uitspraken. De advocaat-generaal heeft ter zitting bevestigd dat er minimaal zes brieven vanuit de penitentiaire instelling door verdachte zijn verstuurd na januari 2026 en dat aan verdachte een postmaatregel is opgelegd. Daarnaast beschrijft de brief van de reclassering een incident waarbij verdachte fysiek agressief is geweest tegen het afdelingshoofd van de penitentiaire inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rapportages en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat het verdachte ontbreekt aan probleeminzicht en zelfreflectie en dat, gelet op verdachtes rigide wijze van denken en handelen, behandeling in een vrijwillig kader geen reëel en effectief alternatief is. Hierdoor vallen lichtere maatregelen, zoals tbs met voorwaarden of een klinische behandeling in het kader van een voorwaardelijke straf, af. Aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging, zoals opgenomen in de artikelen 37a en 37b Sr, is voldaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte een misdrijf heeft gepleegd waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf is gesteld van vier jaar. Daarbij stelt de rechtbank op grond van de hiervoor weergegeven rapportages van deskundigen vast dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die bestond ten tijde van het strafbare feit. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de stoornissen van verdachte zodanig zijn dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat het door de gedragsdeskundigen geschetste (mogelijk) ontbreken van veel behandelperspectief op korte termijn aan oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging niet in de weg staat. De psychiater en psycholoog schetsen beiden dat juist een langdurig en intensief traject nodig zal zijn, waarbij verdachte (mogelijk) (eerst) de hakken in het zand zal zetten. Daarbij weegt de rechtbank verder mee dat de deskundigen enig perspectief op gedragsverandering in een ander kader dan tbs met dwangverpleging zo goed als uitsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de maatregel is opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De bewezenverklaarde feiten zijn niet zonder meer aan te merken als een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e Sr, maar onder omstandigheden kan echter ook in het geval van een bewezenverklaring van bijvoorbeeld bedreiging een ongemaximeerde tbs- maatregel worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank moet in dat kader alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en kan daarbij onder meer betrekken of de bedreiging werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, alsmede of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte op 31 juli 2023 toen hij zou worden aangehouden een scherp voorwerp in zijn handen heeft gehad dat hij richtte op de verbalisanten en dat verdachte dat scherpe voorwerp ook nadat zijn voordeur werd geforceerd en er een taser op verdachte was gericht heeft vastgehouden tot het moment waarop verdachte overmeesterd werd. Hierbij heeft verdachte, terwijl hij dat scherpe voorwerp op hen richtte, zich bewogen richting de verbalisanten en gezegd dat hij de verbalisanten zou doodmaken als zij zijn woning zouden betreden. Gelet op het naar de verbalisanten blijven wijzen met het scherpe voorwerp tot dit voorwerp met geweld van hem werd afgenomen, in combinatie met hetgeen verdachte daarbij heeft gezegd, was naar het oordeel van de rechtbank destijds aannemelijk dat verdachte zijn bedreiging zou uitvoeren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e Sr. De duur van de tbs-maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de oplegging van de maatregel van 38v Sr, te weten het contactverbod. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de maatregel wordt opgelegd conform de beslissing van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is, gelet op het hoge recidiverisico, van oordeel dat oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte gedurende 5 jaren op geen enkele wijze direct of indirect contact mag opnemen met (voormalig) (gemeente)ambtenaren die door verdachte (in het bijzonder) zijn beledigd, belaagd of bedreigd, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden. Het hof zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat op het beslag kan worden beslist conform de beslissing van de rechtbank te weten: verbeurdverklaring van de degen en teruggave van de telefoon en tablet aan de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt opheffing van het beslag ten aanzien van de tablet en de telefoon. Ten aanzien van de degen refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof Het hof zal de inbeslaggenomen degen verbeurd verklaren, omdat dit een voorwerp is met betrekking tot welke het onder parketnummer 18/192191-23 onder 2 bewezenverklaarde is begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal de teruggave gelasten van de mobiele telefoon en tablet, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetsartikelen De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 24, 33, 33a, 37a, 37b, 38v, 38w, 55, 57, 63, 179, 266, 267, 284, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de dagvaarding partieel nietig in de zaak met parketnummer 18/192191-23 onder 1 met betrekking tot het onderdeel 'en/of een of meer medewerkers van de [gemeente] en [gemeente] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de dagvaarding partieel nietig in de zaak met parketnummer 18/327654-24 onder 1 met betrekking tot het onderdeel 'en/of andere medewerkers van de [gemeente] '.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-327654-24 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-226579-22 onder 2 en in de zaak met parketnummer 18-303460-22 en in de zaak met parketnummer 18-192191-23 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-143539-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-327654-24 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-226579-22 onder 2 en in de zaak met parketnummer 18-303460-22 en in de zaak met parketnummer 18-192191-23 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-143539-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum ] 1958; [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum ] 1979; [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum ] 1959; [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum ] 1964; [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum ] 1957.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat deze opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">I STK Degen (goednummer: 1628620).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>STK Samsung telefoon (goednummer 1628618);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>STK Samsung tablet (goednummer 1628619).</div></div>", "next": 0}