{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ofschoon het op zichzelf juist is dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om (getuige 1) over zijn ‘verklaring’ zoals die is opgenomen in document G01 te bevragen, waardoor het verdedigingsrecht niet geëffectueerd kon worden, en het hof voorts van oordeel is dat aan deze verklaring en de wijze van totstandkoming (onherstelbare) gebreken kleven, komt het hof anderzijds tot het oordeel dat deze omstandigheden, afzonderlijk noch gezamenlijk, voldoende zijn om op voorhand document G01 geheel uit te sluiten van het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die omstandigheden maken wél dat behoedzaam moet worden omgegaan met dit document en dat deze slechts in verband met de verklaring van de ISTAR-officier (G02) en met de inhoud van andere bewijsmiddelen kan worden gebruikt. Daarbij is de ondergrens van het gebruik van document G01, dat slechts die delen van het document voor gebruik in aanmerking komen waarover de ISTAR-officier (G02) later heeft verklaard dat deze onderdelen de weergave vormen van de verklaring van genoemde (getuige 1). Hierbij merkt het hof op dat de verdediging in staat en gelegenheid is geweest de ISTAR-officier (G02) op dit punt te bevragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft tenslotte nog aangevoerd dat document G01 moet worden uitgesloten van het bewijs omdat de identiteit van (getuige 1)niet is vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs; (getuige 1) niet is gewezen op zijn rechten en plichten; de ISTAR-officier (G02) er geen rekening mee heeft gehouden dat zijn verslag van het gesprek met (getuige 1) – te weten document G01 –, zou worden gebruikt in een strafprocedure en, tenslotte, het verslag niet direct na het horen opgemaakt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze omstandigheden, afzonderlijk noch gezamenlijk noch in samenhang met de eerder genoemde feiten en omstandigheden, leiden tot het oordeel dat document G01 (geheel) voor het bewijs dient te worden uitgesloten. In dit verband overweegt het hof dat vast is komen te staan dat een persoon die zich noemt (getuige 1) op de Feddah is aangetroffen en dat hij behoorde tot de Iraanse bemanningsleden van het schip. Dat zijn identiteit niet door middel van identiteitspapieren is vastgesteld beïnvloedt noch de betrouwbaarheid van zijn verklaring, noch de bruikbaarheid van document G01. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van de ISTAR-officier (G02) d.d. 30 augustus 2011, gelezen in onderling verband en samenhang met document G01, heeft (getuige 1) als getuige een verklaring afgelegd. Dat de verhorend officier hem bij die gelegenheid op zijn rechten en plichten had dienen te wijzen, vindt geen steun in het recht. Het hof is voorts van oordeel dat er niet zo veel tijd is verstreken tussen het horen van (getuige 1) (op 2 april 2011) en het opmaken van het verslag (op 3 april 2011) dat dit afdoet aan de bruikbaarheid van document G01 voor het bewijs. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de ISTAR-officier (G02) aantekeningen heeft gemaakt van het gesprek, die hij nadien heeft gebruikt bij het opstellen van dit document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt tenslotte dat evenmin aannemelijk is geworden dat de aangetroffen (getuige 1) een andere (getuige 1) is dan de (getuige 1) over wie de bewijsmiddelen verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden zijn niet aannemelijk geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van G14 De verdediging stelt zich tevens op het standpunt dat de verklaring van de minderjarige getuige G14 bij de KMar d.d. 8 april 2011 niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De verdediging voert hiertoe aan, kort gezegd, dat dit verhoor niet auditief of audiovisueel is geregistreerd. Voorts stelt de verdediging dat zij het ondervragingsrecht niet ten volle heeft kunnen uitoefenen. Bovendien is de verklaring volgens de verdediging onder dwang afgelegd en is de getuige mishandeld en, zo begrijpt het hof, mogelijk zelfs gefolterd zodat de verklaring onbetrouwbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.2.1. Auditief of audiovisueel geregistreerd Met inachtneming van hetgeen hierover eerder onder de bespreking van de vormverzuimen is overwogen, doet de enkele omstandigheid dat het verhoor van G14 bij de KMar d.d. 8 april 2011 niet auditief of audiovisueel is opgenomen op zichzelf niet af aan de betrouwbaarheid van het op ambtseed opgemaakte verslag van dat verhoor. De met tussenkomst van een tolk opgemaakte verklaring is, na voorlezing, bovendien door hem ondertekend. Derhalve moet minst genomen aannemelijk worden gemaakt dat de verslaglegging onjuist of onvolledig is en de verdediging heeft op dit punt geen althans onvoldoende bijzondere feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Verder stelt het hof vast dat de verklaring zoals door G14 bij de KMar is afgelegd in een zogeheten vraag-antwoord vorm is opgenomen, hetgeen controleerbaar maakt op welke specifieke vraag door de getuige antwoord is gegeven. Tenslotte is de verdediging in de gelegenheid geweest om G14 bij gelegenheid van zijn latere verhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 april 2011 te ondervragen, van welke gelegenheid blijkens het proces-verbaal van verhoor ook gebruik is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.2.2. Ondervragingsrecht Ook het hof is zich ervan bewust dat de ondervraging door de rechter-commissaris in een vroeg stadium van het onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er later nadere onderzoeksresultaten bekend zijn geworden. De verdediging stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat zij het ondervragingsrecht niet ten volle heeft kunnen uitoefenen, al moet wel worden opgemerkt dat G14 wel degelijk kon worden bevraagd over de door hem afgelegde en voor de verdachte belastende verklaring. De raadsman van de verdachte beschikte immers voorafgaand aan het verhoor over de eerdere verklaring van G14. De stelling dat G14 niet kon worden geconfronteerd met gestelde inconsistenties, generalistische en ongefundeerde aannames in zijn verklaring bij de KMar, is dus feitelijk onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.2.3. Dwang Anders dan de verdediging, acht het hof voorts niet aannemelijk geworden dat de getuige zijn verklaringen zowel bij de KMar als nadien bij de rechter-commissaris onder invloed van dwang of pressie in de zin van artikel 29 eerste lid Sv heeft afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het hof is onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gang van zaken rondom de verhoren van de getuige G14 die van betekenis zouden kunnen zijn voor de vraag of de getuige die verklaringen in vrijheid en niet onder druk heeft kunnen afleggen. Blijkens het daartoe opgemaakte proces-verbaal van relaas d.d. 20 december 2013, met bijlagen, zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de getuige bij gelegenheid van zijn eerdergenoemde verhoren van 8 april 2011 en/of 12 april 2011 onder druk en in ieder geval niet in vrijheid heeft verklaard. In dit proces-verbaal is onder meer vermeld dat de getuige tijdens zijn verhoor op 8 april 2011 een ontspannen indruk maakte en dat hij geen zichtbare verwondingen had. Zijn verklaring werd spontaan door hem verteld en op geen enkele manier is door G14 aangegeven dat hij door anderen onder druk was gezet om zijn verhaal te vertellen. Dat was ook later bij ondertekening van zijn verklaring niet het geval. Ook overigens is niet gebleken van enige onregelmatigheden tijdens die verhoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is gebleken dat de getuige voorafgaand aan zijn verklaring bij de KMar op 8 april 2011 in de gelegenheid is gesteld om telefonisch met zijn raadsman te spreken en dat hij op 12 april 2011 tegenover de rechter-commissaris op vragen van de raadsman van de verdachte heeft verklaard dat hem (hof: door de KMar) was verzocht een verklaring af te leggen gebaseerd op de waarheid, over hoe het gegaan is en dat hij dat had gedaan. Hij verklaarde verder dat hij de verklaring zonder dwang en in zijn moedertaal heeft afgelegd. In zijn telefonische verhoor van 9 januari 2014 heeft hij tegenover de rechter-commissaris bevestigd dat hij eerder tegenover de rechter-commissaris de waarheid heeft gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weliswaar heeft de getuige in dat verhoor op 9 januari 2014 tevens verklaard dat hij in april 2011 niet vrijuit kon praten omdat hij onder dwang werd gehouden, dan wel werd vastgehouden met dwang, maar waaruit die dwang, anders dan dat hij zich mogelijk tegen zijn zin op een marineschip bevond en niet vrijelijk kon gaan en staan waar hij wilde, meer concreet heeft bestaan, wordt verder niet inzichtelijk gemaakt. Wel kan het hof zich voorstellen dat het verhoor aan boord van een marineschip op de minderjarige getuige indruk heeft gemaakt, maar dit is van onvoldoende betekenis voor de vraag of de getuige die verklaringen in vrijheid en niet onder dwang of pressie heeft afgelegd. De aan hem aan boord van de Tromp op 12 april 2011 gegeven waarschuwing, zoals daarvan blijkt uit het eerdergenoemde proces-verbaal van relaas, is daartoe mede in het licht van de latere verklaringen van de bij de rechter-commissaris afgelegd, eveneens ongenoegzaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de getuige G14 aan boord van de Tromp zou zijn mishandeld of zelfs gefolterd zou zijn, zoals de verdediging bij dupliek heeft gesuggereerd, is evenmin aannemelijk geworden. De getuige G14 heeft in augustus 2013 in Somalië tegenover de raadslieden mr. Pestman en mr. Sluiter voor het eerst aangegeven dat hij is mishandeld. Het hof merkt op dat de getuige over die beweerdelijke mishandeling - met name over de aard daarvan en door wie en wanneer - weinig specifiek en bovendien wisselend heeft verklaard. Zo spreekt hij in zijn verklaring eerst over een donkere Nederlandse man die hem zou hebben geschopt en geslagen en even later over één, twee of drie commando’s die hem zouden hebben geschopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt bij de beoordeling van het vorenstaande tevens het hiervoor reeds aangehaalde relaas van bevindingen d.d. 20 december 2013, met bijlagen, betreffende de feiten en omstandigheden met betrekking tot de verhoren van G14. Uit dit proces-verbaal blijkt, voor zover relevant, dat G14 tijdens zijn verhoor door de KMar een ontspannen indruk maakte en op hem geen (zichtbare) verwondingen zijn aangetroffen. Onder de verhorende personeelsleden van de KMar bevond zich geen persoon met een donkere huidskleur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin is met betrekking tot de gang van zaken bij en rondom zijn verhoor door de rechter-commissaris op 12 april 2011 van enige onregelmatigheid gebleken. Het hof kent daarbij betekenis toe aan de omstandigheid dat G14 zijn beschuldiging later in zijn telefonische verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 20 januari 2014 niet met zoveel woorden heeft herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan in de verklaring van augustus 2013 is geen enkele aanwijzing aannemelijk geworden voor de gestelde beweerdelijke mishandeling van de getuige G14, laat staan van foltering. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de inhoud van de verklaringen van G14 in zodanige twijfel te trekken dat ze dienen te worden uitgesloten voor het bewijs. Dat er, zoals ook door het hof is geconstateerd, op onderdelen sprake is van inconsistenties tussen de opvolgende verklaringen, maakt dit niet anders. De verklaringen van G14 die het hof laat meewegen voor het bewijs vinden immers op redengevende onderdelen steun in ander bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al met al concludeert het hof dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot bewijsuitsluiting van de verklaring van de getuige G14 wegens op hem uitgeoefende dwang of pressie in de zin van artikel 29, eerste lid Sv. Het verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.2.4. Voorwaardelijk verzoek horen G14 Door de verdediging is het voorwaardelijke verzoek gedaan om de getuige G14 nader te doen horen indien het hof voornemens is de verklaringen van deze getuige voor het bewijs te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het hof gedeelten van de verklaringen van de getuige G14 voor het bewijs zal gebruiken zal het hof op het verzoek als volgt reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld zij dat het hof de rechter-commissaris op 18 maart 2013 heeft verzocht te onderzoeken of de getuige G14 traceerbaar is, of een verhoor van de getuige binnen een aanvaardbare termijn mogelijk en uitvoerbaar is en zo ja, te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris is gebleken, kort samengevat, dat de getuige weliswaar traceerbaar is maar dat een verhoor van de getuige door de rechter-commissaris in of in de buurt van Somalië niet uitvoerbaar is, evenmin als de overbrenging van de getuige naar Nederland voor een verhoor bij de rechter-commissaris dan wel ter terechtzitting. De verdediging - in het bijzonder mrs. Sluiter en Pestman, raadslieden van respectievelijk V06 en de verdachte - heeft zelfstandig in Somalië de getuige G14 ondervraagd. Een beeld- en geluidverslag van een gedeelte van die ondervraging zijn ter terechtzitting van het hof vertoond en een transcriptie van het gehele verhoor door de raadslieden is in de dossiers in alle zaken gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter-commissaris heeft vervolgens de getuige nog telefonische vragen gesteld waarbij de advocaat-generaal en de raadslieden aanwezig waren of konden zijn. Daarna heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat het uiteindelijk -mede door de opstelling van de getuige- niet mogelijk bleek verder te komen met een daadwerkelijk inhoudelijk verhoor. Ter terechtzitting van 10 februari 2014 heeft het hof daarop geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat er gegronde redenen zijn om voor de gezondheid en het welzijn van de getuige te vrezen indien hij bij gelegenheid van een telefonisch verhoor tot beantwoording van vragen zou moeten overgaan en dat het - gelet op de bevindingen van de rechter-commissaris - niet aannemelijk is dat hierin in de nabije toekomst verandering zal optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder deze omstandigheden wijst het hof - nu omtrent het voorgaande geen nieuwe informatie ter kennis van het hof is gebracht - het (voorwaardelijke) verzoek tot het doen horen van de getuige G14 af, omdat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking van eerdere verklaringen De verdediging heeft er op gewezen dat de getuige G14 en ook een aantal medeverdachten nadien zijn teruggekomen op hun eerdere bij de KMar afgelegde verklaring. Dit dient er (eveneens) toe te leiden dat die eerdere verklaringen, voor zover belastend voor de verdachte, buiten het bewijs worden gehouden, nu die verklaringen het enige bewijs vormen waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten rechtstreeks blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Indien een getuige in het opsporingsonderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd en die belastende verklaring ten overstaan van een rechter heeft ingetrokken en die verklaring het enige (“solely and decisive”) bewijsmiddel is van de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde dient de getuige ter terechtzitting opgeroepen te worden, bij gebreke waarvan zijn belastende verklaringen tegenover de politie niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, tenzij er sprake is van compenserende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vast staat dat de getuige G14 is gehoord door de rechter-commissaris en dat de verdediging in de gelegenheid is geweest de getuige vragen te stellen om aldus de betrouwbaarheid van die verklaring ter discussie te stellen. De verdediging heeft verder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om medeverdachten als getuigen op te doen roepen, teneinde hen ten overstaan van de rechter te ondervragen, met uitzondering van de verdediging van de verdachte V06 die medeverdachte V15 als getuige heeft laten horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt voorts dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door meerdere bewijsmiddelen. Het hof ziet derhalve, alles afwegende, geen reden om de door de verdediging bedoelde verklaringen, voor zover zijn belastend zijn voor de verdachte, buiten het bewijs te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending van het ondervragingsrecht De verdediging heeft betoogd dat de getuigenverklaringen van G14 en van (getuige 1) bij de KMar en, voor zover het hof begrijpt, eveneens de belastende onderdelen van de KMar-verklaring van V15, voor het bewijs dienen te worden uitgesloten wegens schending van het ondervragingsrecht. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om het in artikel 6 EVRM gegarandeerde ondervragingsrecht (ten volle) uit te oefenen en de betrouwbaarheid de verklaringen te toetsen, terwijl aan de verdachte niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dienaangaande als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorop gesteld moet worden dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om getuigen à charge te ondervragen teneinde de betrouwbaarheid van de getuige hetzij de onjuistheid van de getuigenverklaring aan te kunnen tonen. Worden getuigenverklaringen gebruikt ten nadele van de verdachte, dan moet de verdachte in beginsel in de gelegenheid worden gesteld zijn visie op de ten laste gelegde feiten en omstandigheden te geven of te staven. Anderzijds is de enkele omstandigheid dat de verdediging een getuige niet heeft kunnen ondervragen naar vaste rechtspraak onvoldoende om te concluderen dat diens verklaring moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit wordt niet anders indien het niet kunnen ondervragen (beweerdelijk) het gevolg is van handelen of nalaten van de Staat, zodat hier in het midden kan blijven of de Staat zich in de rechtshulprelatie met Somalië en Iran voldoende heeft ingespannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt daartoe allereerst het volgende vast. De verdediging heeft in geen enkel stadium van het geding de gelegenheid gehad om de getuige (getuige 1)als getuige te ondervragen. Het heeft de verdediging daarmee ontbroken aan “an adequate and proper opportunity to question a witness against him either when he or she was testifiying or at a later stage of the proceedings”.Wel heeft de verdediging de getuige G02, die (getuige 1) heeft verhoord, over dit verhoor kunnen ondervragen bij de rechter-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens het proces-verbaal van verhoor van de getuige G14 door de rechter-commissaris d.d. 12 april 2011 is de verdediging in de gelegenheid geweest om deze getuige vragen te stellen. Ook nadien is de verdediging in staat geweest om de getuige in Somalië vragen te stellen. De getuige is niet ter terechtzitting gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte V15 tenslotte, is zowel in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep (alleen) als getuige in de zaak tegen de verdachte V06 gehoord. Hij heeft zich daarbij telkens op zijn verschoningsrecht beroepen. Het staat vast dat de verdediging in de zaak van de verdachte V06 hierdoor niet (meer) in de gelegenheid is geweest om hem te bevragen omtrent de belastende gedeeltes van zijn verklaring ten zijnde zodoende de betrouwbaarheid daarvan te beproeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus kon het (rechtstreekse) ondervragingsrecht niet, althans niet ten volle, worden uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een geval waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die eerder een verklaring bij de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen staat, volgens bestendige jurisprudentie, artikel 6 EVRM niet aan de weg aan het gebruik tot het bewijs van die verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist. Indien het aan voldoende steunbewijs ontbreekt, dient aan de verdachte die de desbetreffende verklaring op haar betrouwbaarheid wenst te toetsen een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie te worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van de getuige, een en ander afhankelijk van de omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen de achtergrond van dit toetsingskader is van belang dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad om G14 te ondervragen bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris. Blijkens het proces-verbaal van dat (video)verhoor d.d. 12 april 2011 heeft de verdediging ook van het ondervragingsrecht gebruik gemaakt. Voorts is deze getuige telefonisch gehoord door de rechter-commissaris d.d. 9 januari 2014. Ook heeft de verdediging, meer in het bijzonder mrs. Pestman en Sluiter, raadslieden van respectievelijk de verdachte en de verdachte V06, deze getuige vragen kunnen stellen en ook gesteld bij zijn verhoor in Somalië in augustus 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het hof de rechter-commissaris eveneens had opgedragen de mogelijkheden te onderzoeken tot het horen van de getuige (getuige 1) heeft de rechter-commissaris bevonden dat, ondanks zijn aandringen, het ministerie van Veiligheid en Justitie eenmaal en andermaal heeft aangegeven niet mee te willen werken aan het verzoek om rechtshulp aan Iran. De rechter-commissaris is er derhalve niet in geslaagd deze Iraanse getuige te horen (proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 28 januari 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft vervolgens ter terechtzitting d.d. 14 februari 2014 beslist dat verdere pogingen om de verblijfplaats van deze getuige te achterhalen teneinde deze getuige ter terechtzitting van het hof binnen een aanvaardbare termijn niet uitvoerbaar is en om die reden heeft het hof afgezien van een hernieuwde oproeping van deze getuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte V15 heeft bij de KMar meerdere verklaringen afgelegd. In de zaak tegen de verdachte V06 is hij voorts als getuige gehoord. Hij heeft zich zowel in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep als getuige in de zaak tegen zijn medeverdachte V06 op zijn verschoningsrecht beroepen, waardoor de verdediging in de zaak van de verdachte V06, zoals hiervoor reeds is overwogen, het ondervragingsrecht niet (ten volle) heeft kunnen uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens rijst de vraag of de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die door de verdediging worden betwist. Het hof is van oordeel dat zulks het geval is en ziet, onder verwijzing naar hetgeen hierover ook elders wordt overwogen, voorts geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen. Gelet hierop, in samenhang bezien met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ligt als oordeel van het hof besloten dat de desbetreffende verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen, wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit, in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen en derhalve (mede) voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending van het consultatierecht De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring(en) van de verdachte door de KMar voor het bewijs dienen te worden uitgesloten, kort gezegd, nu het recht op consultatiebijstand is geschonden. Dit levert een schending op van artikel 6 lid 3 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dienaangaande als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de feitelijke gang van zaken rond de (totstandkoming van de) inhoudelijke verhoren van de verdachte verwijst het hof naar hetgeen daarover eerder onder §8.4.6.3 is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet, tegen de achtergrond van het vooropgestelde juridisch kader, gelet op het geconstateerde onherstelbare vormverzuim en nu de verdachte door het verzuim zonder waarborgen inhoudelijk is verhoord over de ernstige feiten waarvan hij werd verdacht, aanleiding om de verklaringen voortvloeiende uit het eerste inhoudelijke verhoor van 11 april 2011 van het bewijs uit te sluiten in de strafzaak van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">15Beoordeling van feit 1 Aan de verdachte is ten laste gelegd, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij zich als pleger dan wel als medepleger heeft schuldig gemaakt aan zeeroof.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd, kort gezegd, dat er onvoldoende bewijs is voor zeeroof en/of de betrokkenheid van de verdachte hierbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel hof 15.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten en omstandigheden Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken neemt het hof bij de beoordeling van het ten laste gelegde als uitgangspunt de onder § 8.3 vastgestelde feiten en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, vormen in de kern – en aangevuld met andere ondersteunende bewijsmiddelen – de opmaat voor het bewijs dat de verdachte en zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde zeeroof.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband overweegt het hof voorts dat de getuige G14 bij zijn verhoor door de KMar heeft verklaard dat hij voor piraterij de zee op is gegaan, dat hij samen met anderen op de Feddah is gekomen en dat de groep Somaliërs die op het schip is aangetroffen, was samengesteld om een schip te kapen. De Iraanse bemanningsleden van het schip werden in bedwang gehouden door Somaliërs. (Betrokkene 1) was volgens G14 de leider aan boord van het schip en de verdachte V02 diens plaatsvervanger. G14 heeft voorts verklaard dat hij op het schip meer dan 10 AK47’s heeft gezien. De getuige G14 wijst de verdachten V02, V06, V11 en V13 aan als met AK47 gewapende soldaten. De verdachte V02 beheerde ook de munitie. (Betrokkene 1) heeft opdracht gegeven om op de marine te schieten en volgens G14 heeft hij gezien dat verschillende kapers hebben geschoten en dat de beschietingen plaatsvonden vanaf het achterdek. De verdachte V02 heeft volgens de getuige opdracht gegeven om te vluchten en de wapens mee te nemen in de skiff. Volgens G14 werd de skiff bestuurd door de verdachte V01. De getuige G14 heeft zijn verklaring in grote lijnen en in de kern herhaald bij de rechter-commissaris. In zijn telefonische verhoor door de rechter-commissaris d.d. 21 januari 2014 heeft hij tenslotte verklaard dat hij eerder bij de KMar de waarheid heeft gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van G14 vindt op essentiële onderdelen bevestiging in andere verklaringen in het dossier. Zo blijkt uit de verklaring van de getuige (getuige 1), de Iraanse kapitein van de Feddah – in samenhang gelezen met de verklaring van ISTAR-officier (G02) – dat zijn schip eerder was gekaapt en dat zij aan boord door Somaliërs werden gegijzeld. Hij verklaarde verder dat er vuurwapens aan boord van het schip waren. De piraten hebben bij de nadering van de marine vuurposities in de opbouw (kajuit) van het schip ingenomen en hebben gewacht totdat de RHIBS van de marine dichterbij kwamen. Vervolgens heeft hij gehoord dat de piraten het vuur hebben geopend. Voorts verklaart ook de verdachte V01 dat de Iraanse kapitein werd gedwongen om hun groep ergens heen te varen. Volgens de verdachte V06 had de Feddah een bestemming buiten de territoriale wateren, maar waren zij per ongeluk uit koers geraakt. Deze verklaringen worden in zoverre ondersteund door getuige (getuige 4) die tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat de Feddah naar de verre zee moest worden begeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de aanwezigheid van wapens aan boord verklaren ook de verdachten V05, V06, V09, V10, V11 en V15. De verdachte V06 verklaarde verder dat het de bedoeling was om de wapens te gebruiken in geval van gevaar. De verklaring van de verdachte V15 biedt bovendien steun aan G14’s verklaring dat de verdachten V02, V06 en V09 gewapend waren. De verdachte V15 noemt voorts, naast anderen, de verdachten V01 en V09 als bezitters van een wapen aan boord. Hij had een vermoeden dat de verdachten V11, V12 en V13 ook een wapen hadden. De verdachte V15 verklaart tenslotte dat hij had gehoord dat anderen de verdachte V06 ervan beschuldigden dat hij met schieten was begonnen en dat het zijn schuld was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de door G14 genoemde (betrokkene 1), noemen ook de verdachten V06, V12 en V015 hem als leider aan boord van de Feddah.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte V06 bevestigt verder dat (betrokkene 1) aan boord gewapend was. Volgens de verdachte V15 hoorde hij dat (betrokkene 1) de marine wilde spreken en dat de marine naar hen toekwam. Hij bevond zich op dat moment in de directe omgeving van de stuurhut van de Feddah.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat vanaf de Feddah op de marine is geschoten vanaf het achterdek, zoals G14 verklaart, vindt voorts bevestiging in de verklaringen van de als getuigen G18 en G19 gehoorde bemanningsleden van de RHIBS. Zij vertelden mondingsvuur te hebben gezien ter hoogte van de stuurhut. Het staat vast dat de stuurhut zich op het achterdek van de Feddah bevond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de vlucht van met de skiff hebben de verdachten V05 en V09 tenslotte verklaard dat zij in de skiff zaten die is gevlucht en dat zij wapens bij zich hadden. Dat is ook door de verdachte V15 gezien. Volgens de verdachte V09 zijn toen 6 AK’s en een machinegeweer in zee gegooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewuste en nauwe samenwerking Vast staat dat de verdachte op 2 april 2011, samen met zijn medeverdachten, aan boord van de Feddah was, toen het door de Nederlandse marine werd onderschept. Voorts is aannemelijk geworden dat de oorspronkelijke bemanningsleden, te weten Iraniërs, aan boord verbleven. De Feddah was een gekaapt schip; de Iraniërs werden gegijzeld door de Somaliërs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal thans onderzoeken of de verdachte zich, samen anderen, heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde zeeroof, zoals door het openbaar ministerie is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van medeplegen sprake is – kort gezegd – indien de verschillende daders hebben gehandeld in een bewuste en nauwe (intensieve) samenwerking, hetgeen opzet impliceert. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens (opzettelijk) moeten hebben samengewerkt tot het verrichten van de ten laste gelegde delictueuze gedraging(en). Indien daarvan sprake is, doet niet beslissend ter zake welke feitelijke handelingen door de verdachte dan wel door (één van) zijn mededaders is gepleegd. Ofschoon de bijdrage van de medepleger substantieel moet zijn, is het niet noodzakelijk dat de verdachte zelf een uitvoeringshandeling heeft verricht. Evenmin hoeft ieder van de medeplegers precies op de hoogte te zijn van de bijdragen die een andere medepleger aan (de uitvoering van ) het strafbare feit heeft geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intensieve samenwerking kan blijken uit</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>uitdrukkelijke of feitelijke – afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid ten tijde van het delict, actieve aansporing van feitelijke uitvoerders, een rechtsplicht tot handelen die opzettelijk wordt veroorzaakt, het niet benutten van een mogelijkheid tot distantie, bijvoorbeeld door niet in te grijpen of een combinatie van deze elementen.</div>\n<p class=\"lf-p\">In een geval als het onderhavige, waarin het aan de verdachte verweten medeplegen is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit (in het onderhavige geval: zeeroof), is het bovendien geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds voordien, is ontstaan. Het hof zal hier bij de bespreking van het onder 2 ten laste gelegde nader op reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzet op het delict Zoals hiervoor werd overwogen impliceert medeplegen een zeker opzet, hetgeen tot uitdrukking komt in het vereiste van een bewuste samenwerking. Het hof overweegt voorts dat medeplegen als bewuste samenwerking opzet op de delictsgedraging als grondfeit impliceert. Dit houdt naar het oordeel van het hof in dat medeplegen een gemeenschappelijke kern in het opzet van de deelnemers impliceert. Of er sprake is van opzet zal mede afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachten een hechte dadergroep vormden die gewapend met zware (automatische) vuurwapens en munitie en de nodige brandstof, water, voedsel en ladders met de Iraanse Feddah en haar gegijzelde bemanning naar de open zee zijn gevaren met als doel om een schip te kapen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof betrekt daarbij de modus operandi, de plaats van aantreffen van de Feddah, de aangetroffen wapens en munitie, ladders, brandstof en skiffs. Aan boord van de Feddah was sprake van een duidelijke leider (betrokkene 1) en daaruit voortkomende taakverdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leiderschap is naar het oordeel van het hof noodzakelijk om een schip op zee te kunnen laten varen en, zoals in het onderhavige geval, aan boord van dat schip een groep mensen in gijzeling te houden en nadien andere schepen te kapen. Daarbij blijkt uit de verklaring van G14 dat het voor de verdachte meteen duidelijk was wat de bedoeling aan boord van de Feddah was, dat de verdachte ook daadwerkelijk aan het werk moest en dat de verdachte op zee is gegaan om mensen te beroven. Gelet hierop valt genoegzaam af te leiden dat de verdachte minst genomen op het moment dat hij aan boord van de Feddah ging wist dat de Feddah bestemd was om daden van geweld op open zee te plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is voorts niet aannemelijk dat de verdachte tegen zijn wil is meegenomen en de gepresenteerde alternatieve scenario’s zijn, zoals hierna wordt overwogen, evenmin aannemelijk. Onder die omstandigheden is het redelijkerwijs uitgesloten dat de verdachte of een van zijn medeverdachten niet wist wat er gaande was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij merkt het hof op dat niet is gebleken dat de verdachte zich op enig moment van het doel van de zeeroof heeft gedistantieerd ofschoon daar, gelet op de aanwezigheid van twee skiffs aan boord van de Feddah, naar het oordeel van het hof wel degelijk de mogelijkheid toe was. Het feit dat een aantal verdachten na de confrontatie met de marine in een skiff trachtte te vluchten is daartoe onvoldoende en deze omstandigheid doet evenmin af aan het oordeel dat alle verdachten in ieder geval tot dat moment als één groep zijn opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende is het hof derhalve van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de samenwerking van de verdachte en zijn mededaders zodanig nauw is geweest dat er sprake is van medeplegen van zeeroof in de zin der wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige overwegingen Het hof merkt op dat het misdrijf zeeroof verschillende varianten kent. Naast een onderscheid tussen de schipper en de schepeling, kent het delict een intentievariant en een uitvoeringsvariant. De uitvoeringsvariant vereist het plegen van geweld tegen andere vaartuigen of zich daarop bevindende personen of goederen in open zee. De intentievariant vereist wetenschap, bij de aanmonstering, tijdens het dienstdoen of het vrijwillig in dienst blijven, dat het desbetreffende vaartuig bestemd is om in open zee dergelijke daden van geweld te plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.1. Schipper Het hof is, met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit blijkt dat de verdachte als schipper in de ten laste gelegde zin kan worden aangemerkt. De verdachte zal derhalve ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.2. Gepleegde daden van geweld tegen de Feddah en andere schepen Ofschoon aannemelijk is geworden dat de Iraanse Feddah, met haar Iraanse opvarenden, eerder – en ruim vóór 11 april 2011 – was gekaapt door een groep Somalische piraten, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te kunnen concluderen dat de verdachte dienst heeft gedaan op een schip dat een daad van geweld heeft gepleegd tegen de Feddah of tegen enig ander schip dat zich op opne zee bevond, zodat hij ook van dit onderdeel (de uitvoeringsvariant) van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Het hof merkt hierbij tevens en ten overvloede op dat vaststaat dat het vuurgevecht tussen de Feddah en de marine zich binnen de territoriale wateren van Somalie – en niet op open zee – heeft afgespeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.3. Uitleg ‘dienst nemen’ 15.2.5.3.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich bij pleidooi op het standpunt gesteld dat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte op het moment dat hij aan boord van de Feddah ging of daartoe besloot – het dienst nemen – wist dat het de bedoeling was daarmee daden van geweld op open zee te plegen. De verdediging voert in dit kader aan dat het bestandsdeel ‘dienst nemen’ zoals opgenomen in artikel 381 lid 1 sub 2, Sr niet gelijk kan worden gesteld met het bestanddeel ‘dienst doen’ zoals opgenomen in artikel 381 lid 1, sub, 1 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft voorts bepleit dat evenmin bewijs voorhanden is dat de verdachte op een zeker moment bekend is geworden met de gewelddadige bestemming van de Feddah en dat hij vanaf dat moment vrijwillig in dienst is gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.3.2. Oordeel van het hof Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – genoegzaam blijkt dat de verdachte op het moment dat hij aan boord van de Feddah ging wist dat het de bedoeling was daarmee daden van geweld op open zee te plegen. Het hof betrekt daar in het bijzonder bij de verklaring van G14 dat het voor de verdachte meteen duidelijk was wat de bedoeling aan boord van de Feddah was, dat de verdachte ook daadwerkelijk aan het werk moest en dat de verdachte heeft gezegd op zee te zijn gegaan om mensen te beroven. Voorts hebben meerdere verdachten verklaard dat er aan boord van de Feddah sprake was van een duidelijke leider van de Somaliërs (betrokkene 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht derhalve het bestanddeel ‘dienst nemen’ bewezen en ziet dan ook geen aanleiding om de verweren met betrekking tot de bestanddelen ‘dienst doen’ en ‘vrijwillig in dienst blijven’ te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.4. Geen ‘machtiging’ of ‘oorlogsmarine’ Gesteld noch gebleken is dat de verdachte en zijn medeverdachten door een oorlogvoerende mogendheid tot hun daden zijn gemachtigd of dat zij tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden is gekomen tot de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief scenario De verdediging heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de ten laste gelegde zeeroof niet kan worden bewezen, omdat er sprake is van een alternatief scenario dat niet in strijd is met de bewijsmiddelen en waarmee het hof derhalve en in doorslaggevende zin bij de beoordeling van de zaak rekening dient te houden. Een aantal verdachten was aan boord van de Feddah in het kader van een zogeheten anti-piraterijmissie en andere verdachten zijn aan boord gekomen om te vissen. De aanwezigheid van wapens aan boord van de Feddah laat zich verder verklaren uit de veiligheidssituatie in Somalië die noodzaakt tot bewapening, aldus de raadslieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gegeven alternatieve verklaringen voor de aanwezigheid van de verdachte en zijn medeverdachten aan boord van de Feddah worden weerlegd in door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof kent daarbij betekenis toe aan de verklaringen van de getuigen G14 en (getuige 1), welke verklaringen – aangevuld met andere bewijsmiddelen – betrouwbaar worden geacht. Het hof merkt voorts op dat de verdachten wisselend en tegenstrijdig verklaren omtrent de reden van hun aanwezigheid aan boord van de Feddah, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid en daarmee aan de betrouwbaarheid van die verklaringen en uiteindelijk aan de aannemelijkheid van het gepresenteerde alternatieve scenario. Hetzelfde geldt voor de diverse verklaringen omtrent de aanwezigheid en gebruik van vuurwapens aan boord van het schip. Het is voorts minst genomen opmerkelijk dat de verschillende groepen Somaliërs aan boord van de Feddah niet van elkaars missie op de boot zouden weten.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.6.1. Anti-piraterijmissie Een aantal verdachten en de getuige (getuige 5) hebben verklaard dat de Feddah eerder gekaapt was door een groep piraten en dat dit schip bevrijd is door de groep Somaliërs die door de marine aan boord van de Feddah zijn aangetroffen. Volgens sommigen waren de wapens die aan boord zijn aangetroffen bestemd om de Feddah en haar bemanning te beschermen tegen andere piraten. Vast staat dat de Nederlandse marine ter plaatse patrouilleerde in het kader van een anti-piraterijmissie. Hiermee zouden de desbetreffende verdachten dezelfde doelstellingen hebben als de marine, namelijk het bestrijden van piraterij. Gezien deze gezamenlijke doelstelling had het voor de hand gelegen dat de Somalische bemanning van de Feddah de Iraanse bemanningsleden vrijwillig en zonder daartoe (eerst) in gevecht te geraken met het oorlogsschip en zijn bemanning aan de marine had overgedragen, althans haar voornemens aan de marine kenbaar zou hebben gemaakt. Redelijkerwijs kan immers niet worden volgehouden dat de Nederlandse oorlogsbodem een schip was waartegen de Iraanse bemanningsleden van de Feddah bescherming behoefde. Kennelijk stond de Somalische bemanning wel in contact met andere ter anker liggende gekaapte schepen. Immers na de actie van de marine heeft de Albedo haar anker gelicht en is onder dreigende taal naar de marine opgestoomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte verhoudt ook het type wapens dat aan boord van de Feddah is aangetroffen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het een aanvalswapen betreft, zich niet met het door de verdediging geschetste alternatieve scenario waarin van een anti-piraterijmissie wordt uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.6.2. Visserij Tenslotte is niet aannemelijk geworden dat een aantal verdachten, zoals zij verklaren, aan boord van de Feddah was met de bedoeling om met het schip op open zee te gaan vissen. De verdachten die hebben verklaard dat zij waren aangenomen als vissers verklaren tegenstrijdig met de verdachte V11, die verklaarde tot de antipiraterijgroep te behoren, over de plaats waar ze zouden gaan vissen. De eerste groep wilde volgens sommigen gaan varen in de Somalische territoriale wateren, terwijl de verdachte V11 verklaart dat de antipiraterijgroep moest voorkomen dat de Feddah in hun territoriale wateren ging vissen. Deze bewering staat bovendien haaks op de door de marine waargenomen vaarrichting van de Feddah. Deze was komende uit de internationale wateren. Voorts kan in redelijkheid niet worden volgehouden dat de aangetroffen (automatische) wapens waaronder een raketwerper met munitie, alsmede diverse uitschuifbare ladders dienstig zijn voor de beweerdelijke visserij. Dit past veeleer bij de modus operandi van de in de Golf van Aden opererende Somalische piraten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht, alles afwegende, de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s niet aannemelijk geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Beoordeling van feit 2 Aan de verdachte is ten laste gelegd, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij zich als pleger dan wel als medepleger schuldig heeft gemaakt aan primair poging tot moord, subsidiair poging tot gekwalificeerde doodslag en meer subsidiair gekwalificeerde geweldshandelingen op/jegens personeel van de marine, zich bevindende op één of meerdere van marinevaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van het openbaar ministerie De verdachte is in eerste aanleg van feit 2 in al zijn onderdelen vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er een onvoldoende wettige en overtuigende basis voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het schietincident.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoger beroep van het openbaar ministerie richt zich tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen. Het openbaar ministerie heeft zich daartoe verkort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten medeplegers van de onder 1 ten laste gelegde zeeroof waren. Zij vormden een groep die samen plannen had gemaakt, samen optrok, en door hun gezamenlijke optreden nadien in de confrontatie met de marine, waarbij er met vuurwapens op marinepersoneel is geschoten, is beland. Op deze wijze hebben zij gezamenlijk de situatie gecreëerd waarin het geweld jegens marinepersoneel plaatsvond. Dat daarbij dodelijk letsel zou kunnen ontstaan was voor de verdachten voorzienbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de verdediging De verdediging heeft als verweer aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven, dat onvoldoende bewijs aanwezig is om de verdachte als (mede)dader van het onder 2 ten laste gelegde te kunnen aanmerken. Voorts heeft de verdediging betoogd dat, zo de verdachte al betrokken is geweest bij het ten laste gelegde schietincident, er sprake was van een noodweersituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof 16.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plegen Het hof overweegt primair dat er, ofschoon als vaststaand wordt aangenomen dat er vanaf de Feddah met vuurwapens schoten zijn afgevuurd op, althans in de richting van personeel van de marine, geen althans onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich als pleger heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 2 ten laste gelegde. Er is immers geen bewijsmiddel voorhanden waaruit – buiten redelijke twijfel – kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die heeft geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplegen Vervolgens zal moeten worden bezien of de verdachte en zijn medeverdachten zich als medeplegers schuldig hebben gemaakt aan het schietincident als dat onder 2 is ten laste gelegd, zoals door het openbaar ministerie wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht bewezen dat de verdachte, samen met zijn medeverdachten, aan boord van de Feddah was om met of vanaf dit schip daden van geweld te plegen tegen een ander vaartuig of zich daarop bevindende personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij hebben, als dadergroep, nauw en bewust samengewerkt om daaraan uitvoering te geven. Het gezamenlijk doel was om een ander schip te kapen en, gelet op de aanwezigheid van (automatische) vuurwapens aan boord, hield men daarbij ook rekening met het gebruik van geweld. Bezien moet worden of de aan het medeplegen van zeeroof ten grondslag liggende redengevende inhoud van de bewijsmiddelen, eventueel aangevuld met andere feiten en omstandigheden, tot de conclusie leiden dat de verdachte en zijn medeverdachten tevens nauw en bewust hebben samengewerkt ter zake van de ten laste gelegde (gekwalificeerde) geweldshandelingen (waaronder poging moord en doodslag) jegens marinepersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt daarbij op dat enkele feit dat het hof tot het oordeel komt dat er sprake is van medeplegen zeeroof, niet betekent dat hieruit zonder meer (impliciet) opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op het nadien gepleegde geweld jegens het marinepersoneel kan worden afgeleid. Daarvoor is vereist dat er een nauw verband bestaat tussen de zeeroof en het daadwerkelijk (nadien) plegen van geweld jegens het marinepersoneel en dan nog moet er, in geval van mededaderschap, niet alleen sprake zijn van opzet gericht op de samenwerking maar ook op de te verrichten geweldsgedragingen (kort gezegd: het schietincident). De vereiste nauwe samenwerking kan volgen uit het verrichten van een uitvoeringshandeling of uit een gezamenlijk plan of uit beide of uit andere compenserende feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte kan niet zonder meer als medepleger aansprakelijk zijn voor het handelen van de schutter(s). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden noodzakelijk die zulk een conclusie rechtvaardigen. Of daarvan sprake is lijkt (mede) af te hangen van een nadere vraag, namelijk of het schieten vanaf de Feddah plaatsvond in het kader van de verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Als het gebruik van gewelddadig verzet in het geval van een onderschepping door derden was ingecalculeerd en als het ware was ingebakken in het oorspronkelijke plan om een ander schip te kapen, kan mogelijk wel worden gesproken van handelen in bewuste en nauwe samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof eerder heeft overwogen valt niet uit te sluiten dat indien het aan de verdachte verweten medeplegen is voorafgegaan aan het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit (in casu de zeeroof), geenszins is uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf (moord c.q. doodslag c.q. gekwalificeerde geweldshandelingen) relevante samenwerking reeds voordien is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ofschoon vast staat dat er vanaf de Feddah op marinepersoneel is geschoten, kan enige rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte hierbij niet worden vastgesteld. De getuige G14 heeft weliswaar bij de KMar verklaard dat piraten AK47’s hebben gepakt en dat hij de wapens heeft gezien toen het schieten begon, maar hij weet anderzijds niet precies wie er geschoten hebben. Ook in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris op 12 april 2011 kan hij niet aangegeven wie er nu precies hebben geschoten. Ook de getuige (getuige 1) heeft niet gezien wie er geschoten heeft. Daarbij komt dat volgens de getuige G14 sommigen vroegen om niet te schieten, maar om zich over te geven toen de marine op hen afkwam. Ook de verdachte V15 heeft in dit verband verklaard dat hij getuige was van een discussie waarbij een groep Somaliërs, waaronder de verdachten V02, V09, V11, V12 en V13, zeiden dat ze geen problemen wilden met de marine. Naar het oordeel van het hof kan hieruit in redelijkheid worden geconcludeerd dat tenminste een deel van de groep van de Somaliërs zich van het schieten wilde distantiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts ontbreekt ieder bewijs waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte bij de planning en organisatie of op andere wijze, afgezien van zijn aanwezigheid op de Feddah, bij die schietpartij betrokken is geweest. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten (voorafgaand) het besluit hadden genomen om zich koste wat het kost aan de aanhouding van de marine of van enig ander schip met opvarenden te onttrekken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat zich een grote groep verdachten aan boord van de Feddah bevond toen er geschoten werd en niet valt uit te sluiten dat de verdachte zich – al dan niet slapend – op een andere plek op de Feddah heeft bevonden toen de schietpartij begon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is derhalve, alles afwegende, van oordeel er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, zodat de verdachte voor dit feit, in al zijn onderdelen, zal worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om het door de verdediging gedane beroep op een strafuitsluitingsgrond en andere met dit feit samenhangende verweren en verzoeken - al dan niet in voorwaardelijke zin - te bespreken. Evenmin ziet het hof nog aanleiding om de door het openbaar ministerie verzochte tolk (alsnog) als getuige te horen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplegen van zeeroof.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Strafmotivering 19.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren, met aftrek van voorarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafmotivering De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van het feit De afgelopen jaren heeft er een groot aantal gevallen van piraterij plaatsgevonden rondom de kuststreek van Somalië en de nabijgelegen internationale wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het gevaar van tegen schepen gerichte piraterij en gewapende overvallen is de veiligheid van de handelsroutes over zee en de internationale zeevaart onder druk komen te staan en daarmee ook de levering van humanitaire hulp in Somalië. Met grote - ook internationale en militaire - inspanningen wordt getracht de piraterij een halt toe te roepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is gebleken dat door piraterij grote sommen geld als losgeld voor gegijzelde bemanningsleden en gekaapte schepen zijn afgedwongen. De opbrengsten zijn kennelijk ook geïnvesteerd in middelen om de zeeroof te professionaliseren. Tegen deze achtergrond vraagt de ernst van de bewezen verklaarde feiten om oplegging van forse gevangenisstraffen, waarbij de - ook internationale - uitstraling van de berechting en bestraffing een strafverzwarend effect moet hebben om een duidelijk signaal af te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zeeroof. De controle van een aan Iraniërs toebehorend schip is overgenomen (“gekaapt” heeft de Iraanse kapitein verklaard) met de kennelijke bedoeling om dat schip bij verdere kapingspogingen te gebruiken en de beschikking over de boot is pas door het optreden van de Nederlandse marine - na ongeveer twee maanden - weer in handen van de Iraanse bemanning teruggekeerd. De verdachte heeft aldus bijgedragen aan langdurige angsten en onzekerheden bij die bemanning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aannemelijk is overigens geworden dat de verdachte niet zelf de schipper (in de zin van de artikelen 85 en 381 Sr) is geweest en niet behoort tot de kring van opdrachtgevers, noch tot de kring die, naar moet worden aangenomen, bijzondere financiële voordelen uit de piraterij haalt, terwijl evenmin is vastgesteld dat de verdachte zelf zich zou hebben schuldig gemaakt aan gebruik van de vuurwapens of van ander geweld, hetgeen het hof in enigszins matigende zin bij de straftoemeting heeft betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoonlijke omstandigheden van de verdachte Het hof heeft daarnaast, evenals de rechtbank, acht geslagen op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is afkomstig uit Somalië. Het is algemeen bekend dat Somalië een onveilig land is, zonder effectief centraal gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strijdende partijen vechten hun conflicten uit in een sfeer van straffeloosheid, bij welke conflicten reeds veel burgerslachtoffers zijn gevallen. Daarbij worden de mensenrechten met voeten getreden en wordt Somalië geteisterd door droogte en ernstige hongersnood.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft verklaard dat hij een klein beetje kan lezen en schrijven en in een kamp in Somalië te wonen waar hij naar toe is gevlucht in verband met de oorlog. De situatie voor de familie is daar zeer slecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn inmiddels aan aantal familieleden door de oorlog omgekomen. De verdachte heeft veel last van de opgelopen verwondingen omdat er nog kogels in zijn lichaam zitten. De verdachte was in Somalië sjouwer en was leerling-visser.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is niet in staat voldoende duidelijkheid te verkrijgen over de door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden. De daarover door de verdachte zelf verstrekte gegevens zijn oncontroleerbaar maar zonder twijfel schrijnend. Het hof heeft zich ook rekenschap gegeven van de voor een Somalische verdachte bijzonder zware omstandigheden van langdurige detentie in een voor hem onbekend land, zonder reële mogelijkheden tot het onderhouden van sociale- en familiecontacten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht die aspecten van enige strafmatigende, zij het tegenover de ernst van de feiten marginale, betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijkbare gevallen Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof in meer algemene zin getracht aansluiting te zoeken bij min of meer vergelijkbare strafzaken. Daarbij moet overigens worden bedacht dat daarin slechts een beperkt aanknopingspunt kan worden gevonden, gelet op het geringe aantal vergelijkbare zaken dat in Nederland, maar ook daarbuiten, is berecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straf Al met al komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur vier jaren en zes maanden. Het hof heeft onvoldoende aanleiding gezien om op grond van de hiervoor besproken vormverzuimen te komen tot een strafmatiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merkt het hof daarbij nog op dat tegen de achtergrond van de strafmaatoverwegingen de redenen om de door de verdediging bepleite beperking van de straf tot maximaal 17 maanden en 29 dagen beduidend te licht zijn bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat thans niet geheel duidelijk is in hoeverre de verdachte op enig moment in aanmerking komt voor vervroegde invrijheidsstelling en onder welke voorwaarden brengt mee dat het hof daarmee bij de strafoplegging thans geen rekening houdt. Evenmin kan het hof, hoewel door de verdediging verzocht, thans een exacte datum van invrijheidsstelling bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voetspoor van artikel 75 lid 6 Sv zal overigens worden bepaald dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven zodra de duur ervan gelijk is aan die van de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke termijn De verdediging heeft erop gewezen dat er sprake zou zijn van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 eerste lid van het EVRM nu de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep langer heeft geduurd dan de voorgeschreven termijn van 16 maanden per instantie. Deze overschrijding zou tot een strafkorting van 10% dienen te leiden, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot dit strafmaatverweer als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling van de strafzaak in twee instanties heeft langer geduurd dan gemiddeld genomen wenselijk is maar de redelijkheid van de duur is mede afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de verdachte en/of de raadsman op het procesverloop. Het hof stelt vast dat er sprake is van een gelijktijdige berechting van negen verdachten en dat de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzoeken heeft gedaan tot nadere onderzoekshandelingen. Daartoe is de rechter-commissaris ingeschakeld hetgeen de nodige tijd heeft gevergd mede gezien de complexiteit van die onderzoekshandelingen. Voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de conclusie dat, nu de totale behandelingsduur van de onderhavige zaak in twee instanties, tot op de dag van de uitspraak in hoger beroep minder dan 36 maanden bedraagt, er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn. Voor een strafmatiging is dan ook geen plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">20Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 381, aanhef en lid 1 sub 2, van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. S. van Dissel, mr. R.A.Th.M. Dekkers en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier mr. A. Vasak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2014. a. wederrechtelijk en opzettelijk een ander verwondt of doodt in verband met het plegen van een van de strafbare feiten omschreven in artikel 3, eerste lid, 3bis, of 3ter;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471, NJ 2002, 559.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis Rechtbank Rotterdam d.d. 12 oktober 2012, pagina 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109 en Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad 30 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a.: EHRM van 27 november 2008, application No. 36391/02 (Salduz vs. Turkije); EHRM van 11 december 2008, 4268/04, (Panovits tegen Cyprus) en Hoge Raad van 30 juni 2009 (LJN BH3079, BH3081 en BH3084.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bijlage gevoegd bij de brief van het Ministerie van Defensie aan de officier van justitie d.d. 10 februari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 maart 2010, ECLI:NL:HR:2000:ZD1753, NJ 2000/483.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de rechter-commissaris mr. E.J. Stalenberg aan AIRS d.d. 14 juni 2013, proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 17 juli 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vide respectievelijk de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 16 augustus 2013 aan de rechter-commissaris, als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2013 en de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 27 januari 2014 aan de rechter-commissaris, als bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 7 juli 2011 (veroordeelde), ECLI:NL:GHSGR:2011:BR068.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: E.Rassin en P.J. van Koppen, Het kind als slachtoffer van een zedendelict: bewijsperikelen, in: Reizen met mijn rechter: Psychologie van het recht, P.J. van Koppen e.a., Deventer 2010, blz 583 en 585.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: EHRM 2 juli 2002, NJ 2003, 671 (Vidgen) en voorts o.a.: HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1633, NJ 2006, 332.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: EHRM, 15 december 2011, nr. 26766/05, nr. 22228/06 (Al-Khawaja en Tahery v. Verenigd Koninkrijk), NJ 2012/283; EHRM, 27 februari 2001, no. 333354/96 (Lucà v. Italië) en EHRM, 4 november 2010, nr. 47023/99 (Sokolov v. Macedonië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.a. Hoge Raad 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:774 en Hoge Raad 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4480, NJ 2013/193.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966.</p></div>", "next": 0}