{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Volgens G2 was de verdachte V15 een van hen. Er werd heen en weer geschoten. Toen er werd geschoten werden de (Iraanse) bemanningsleden als schild gebruikt, aldus G2. V14 heeft volgens G2 geschoten op 3 bootjes die hen kwamen redden. Later hoorde hij van anderen dat gewapende piraten zich achter de rand van het schip verscholen hielden. Voorts heeft ook G3 heeft verklaard dat er veel geschoten werd, maar hij heeft niet precies gezien wie er toen allemaal geschoten hebben. Tenslotte heeft G16, een Somaliër die verklaarde dat hij als bewaker aan boord van de dhow was, verklaard dat er aan de achterkant van de dhow werd geschoten toen de drie bootjes (het hof begrijpt: de RHIBS) naderden en dat hij zag dat de Somaliërs dekking zochten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij verklaarde verder te hebben gezien dat de Somaliërs zich klein maakten en hun wapens richtten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verdere vragen van de rechter-commissaris verklaarde G1 dat hij er met zijn gedachten niet bij is en in zijn eerdere verhoor beter geconcentreerd was. Blijkens dit eerdere, eerste verhoor, heeft G1 onder andere verklaard dat hij zich in de buurt van het stuurwiel bevond toen de schietpartij begon. De verdachte zou hem een pistool op zijn hoofd hebben gezet en gezegd hebben dat hij richting de kust moest gaan. G2 heeft in dit verband verklaard dat ze vroeg in de ochtend een Nederlandse boot aan zagen komen. Ze moesten zich toen verzamelen bij de stuurhut van het schip. Ze zeiden tegen de kapitein dat hij de boot moest starten. Hij heeft voorts bevestigd dat de kapitein, G1, een wapen tegen zijn hoofd kreeg en opdracht kreeg om de boot te starten en richting het strand te varen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarover nader bevraagd, verklaarde G1 dat er, behalve de baas van de Somaliërs, vier andere Somaliërs naast hem stonden. Twee daarvan stonden aan de ene kant en de twee anderen aan de andere kant. Zij stonden klaar om zodra de boot kwam te gaan schieten. Hij zag ze overleggen. Ze hadden allemaal wapens. Ook verklaarde hij dat de piraten dekking zochten en klaar stonden tot de kruiser kwam om hen aan te vallen. Voorts heeft hij verklaard dat de Somaliërs zeiden ‘als ze schieten, dan raken de kogels jullie maar’. Ook G2 heeft verklaard dat toen er geschoten werd, de bemanningsleden als schild werden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de beelden van de Scan eagle, welke synchroon zijn gebracht met de beelden van de huidluik camera van de Hr. Mrs. Rotterdam, is tenslotte gebleken dat 7 a 8 personen allemaal tegelijk de boeg verlaten om vervolgens langs de reling van het schip aan de rechterzijde, richting stuurhut te lopen (08:56:30) en dat even later (08:57:03 tot en met 08:57:33) 9 onbekende personen de deuropening aan de rechterzijde van de stuurhut binnenlopen. Kort nadien (08.59.32) komen meerdere onbekende personen aan de rechterzijde uit de deuropening van de stuurhut en rennen voor de stuurhut langs naar de linkerzijde van de dhow. Op dat zelfde moment is aan de rechterzijde in de stuurhut een vuurbal zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rol van de verdachte bij het schietincident .</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte zich als pleger of medepleger schuldig heeft gemaakt van de primair ten laste gelegde poging tot moord, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van het subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van (gekwalificeerde) poging tot doodslag overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit is, zo begrijpt het hof het standpunt van het openbaar ministerie, aldus omschreven dat er sprake zou zijn geweest van (medeplegen) poging tot doodslag in verband met een voorafgaande zeeroof en daarop volgende gijzeling, waarbij het gebruikte geweld ertoe strekte om bij betrapping op heterdaad straffeloosheid voor de kaping/gijzeling te bewerkstelligen en/of het bezit van het gekaapte schip te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen is voor medeplegen vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict, in casu het doden van marinepersoneel op de RHIBS. De van medeplegen verdachte persoon moet daarnaast aan de totstandkoming van het delict een intellectuele en/of materiële bijdrage hebben geleverd die van voldoende gewicht is, waarbij niet doorslaggevend is dat de van medeplegen verdachte persoon ook de daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van hetgeen hierover voorts onder de bewijswaardering in algemene zin is overwogen, is het hof van oordeel dat de verklaringen van de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen voldoende betrouwbaar zijn om aan het bewijs te kunnen bijdragen. Deze door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen worden (op onderdelen) ondersteund door onderdelen van verklaringen van de andere genoemde getuigen, die elkaar aanvullen en versterken. Noch in de wijze van waarneming, noch in de mate van consistentie op de voor het bewijs van de tenlastelegging essentiële onderdelen zijn naar het oordeel van het hof redenen gelegen om de accuratesse van die (onderdelen van die) verklaringen op zodanige wijze in twijfel te trekken dat zij niet kunnen bijdragen aan het bewijs. De inhoud van de getuigenverklaringen geeft het hof geen aanleiding om aan de plausibiliteit ervan te twijfelen. Ofschoon het hof heeft geconstateerd dat de diverse getuigenverklaringen (op onderdelen) tegenstrijdigheden bevatten, zijn die niet van zodanig doorslaggevend belang gebleken dat de voor het bewijs redengevende onderdelen van die verklaring(en) buiten het bewijs dienen te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen de achtergrond van het vorenstaande, meer in het bijzonder de hiervoor vastgestelde feiten of omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof voor het bewijs van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde het volgende van doorslaggevende betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte bevond zich op 24 oktober 2012 aan boord van de dhow Mohsen, een Iraanse vissersboot die enige tijd daarvoor door een groep gewapende Somaliërs was gekaapt (overmeesterd). De oorspronkelijke Iraanse en Pakistaanse bemanningsleden van de dhow werden daarbij van hun vrijheid beroofd en gedwongen naar de kust van Somalië te varen. Een aantal Somaliërs, waaronder de verdachte, heeft zich voorafgaand aan het schietincident in de stuurhut op het achterdek van de dhow Mohsen voor overleg verzameld. G1, de kapitein van de Mohsen werd vervolgens onder dreiging van een pistool gedwongen om richting de kust te varen. Toen de RHIBS de dhow genaderd waren, hebben de verdachte en zijn mededaders zich eerst schuil gehouden en vervolgens vanaf het achterdek van het schip met (automatische) vuurwapens meermalen en op relatief korte afstand gericht op de RHIBS en het zich daarop bevindende marinepersoneel geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mariniers waren hierdoor verrast en G8, een van de commandanten op de RHIBS, had het gevoel dat ze in een hinderlaag liepen. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte en zijn mededaders, als dadergroep, nauw en bewust hebben samengewerkt om uitvoering te geven aan het jegens het Nederlandse marinepersoneel gebruikte geweld. De verdachte had bij de uitvoering van dat plan door, als één van de leiders aan boord als eerste te schieten, een cruciale rol. Naar oordeel van het hof is in het samenstel van feiten en omstandigheden de kans als aanmerkelijk te kwalificeren dat door het schieten dodelijke slachtoffers het gevolg zouden kunnen zijn. De verdachte en zijn mededaders hebben dit op de koop toe genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de mariniers zich redelijk onbeschermd in hun boten bevonden en dat de schoten niet alleen zijn ingeslagen in het wateroppervlak rondom de RHIBS maar bovendien rakelings over en langs de mariniers zijn gevlogen. Het is niet aan de verdachte en zijn mededaders te danken dat geen van de mariniers door het gebruikte geweld dodelijk gewond is geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het schieten plaatsvond met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en anderen straffeloosheid voor de gijzeling van de oorspronkelijke Iraanse en Pakistaanse bemanningsleden van de dhow te verzekeren en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregen schip te verzekeren. Het hof betrekt in dit verband de omstandigheid dat het schip nog steeds bewaakt werd door bewapende Somaliërs, waaronder de verdachte, en dat de kapitein gedwongen werd koers te zetten richting de kust toen de RHIBS de dhow naderden. Aldus deden de verdachte en zijn mededaders er alles aan om uit handen van de marine te blijven en is aannemelijk dat het schieten op het marinepersoneel in de RHIBS daarbij was ingegeven uit angst voor ingrijpen door de marine.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verdachte tenslotte zich beweerdelijk van meet-af-aan heeft gedistantieerd van het bedoelde geweldsincident door meteen in het water te springen toen de RHIBS de dhow naderden, vindt niet alleen zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, maar is ook overigens niet aannemelijk geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende komt het hof tot de slotsom dat het handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd als het medeplegen van een gekwalificeerde poging tot doodslag in de bewezenverklaarde zin, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">15Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, meermalen gepleegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">16Strafbaarheid van de verdachte 16.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een toepasselijk en aannemelijk beroep op noodweer. Ter adstructie heeft de verdediging verschillende scenario’s aangevoerd, in welke telkens de opvarenden van de dhow Mohsen zich mochten verdedigingen door terug te schieten en waarbij deze zelfverdediging in elk scenario heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze scenario’s houden voor wat betreft de feitelijke toedracht – verkort en zakelijk weergegeven - het volgende in:</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mariniers komt een beroep op putatief noodweer toe .</p>\n<p class=\"lf-p\">De mariniers meenden ten onrechte dat het eerste schot dan wel de eerste schoten afkomstig waren vanaf de dhow Mohsen, waarop zij het vuur hebben geopend op die dhow Mohsen. Aannemelijk is echter, aldus de verdediging, dat de eerste schoten afkomstig waren vanaf de kust dan wel vanaf de RHIBS (naar het hof begrijpt: de andere dhow). Nu de mariniers abusievelijk in de veronderstelling verkeerden dat het eerste schot afkomstig was van de dhow Mohsen en dat zij zich hiertegen mochten verdedigen, komt hen (mogelijk) een beroep op putatief noodweer toe. Nu putatief noodweer wel verontschuldigt, maar niet rechtvaardigt, komt degenen die vanaf de dhow Mohsen de schoten van de marine beantwoordden een beroep op noodweer toe . Het schieten door de Nederlandse marine dient immers te worden beschouwd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de aanwezigen op de dhow zich mochten verdedigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste schot is door de Nederlandse mariniers gelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste schot is vanaf één van de RHIBS dan wel vanaf de Hr. Ms. Rotterdam afgevuurd, hetgeen een grove overschrijding is van de bevoegdheden van de Nederlandse marine waarmee de wederrechtelijkheid gegeven is. Nu dit schieten een onmiddellijk dreigend gevaar opleverde, mochten de opvarenden van de dhow Mohsen zich hiertegen verdedigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste schot betrof een waarschuwingsschot vanaf de dhow.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de eerste schoten afkomstig waren vanaf de dhow Mohsen geldt dat deze niet gericht waren op de Nederlandse mariniers. Naar het oordeel van de verdediging waren deze ongerichte schoten een gepaste reactie op de dreigende wederrechtelijke aanranding van de mariniers, te weten: de dreigende wederrechtelijke boarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben gemotiveerd gesteld dat het door de verdediging geschetste scenario’s geheel niet aannemelijk zijn geworden en feitelijke grondslag missen. Reeds daarom dient het beroep op noodweer te worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat de feitelijke toedracht van de door de verdediging aangevoerde scenario’s niet aannemelijk is geworden. Integendeel, deze scenario’s vinden hun weerlegging in de door het hof gebezigde en hiervoor bewijsmiddelen. Mitsdien verwerpt het hof het beroep op noodweer in al zijn verschillende onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij merkt het hof overigens nog op dat verdachte en zijn mededaders doelbewust de radio op de dhow Mohsen uitgezet hadden. Hierdoor hebben zij zichzelf in een situatie gebracht waarin het voor de Nederlandse marine niet mogelijk was contact te leggen met de dhow, anders dan door een approach, waarbij in casu gekozen is voor een MSA approach, zijnde een approach met de minste geweldsdreiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het hof van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de vermeende foutieve waarneming van de mariniers over de locatie waarvandaan de schoten werden afgevuurd op het moment dat zij drenkelingen uit het water haalden niet tot een ander oordeel kan leiden omtrent de feitelijke toedracht van de schietpartij. Immers, een mogelijke foutieve waarneming op een later moment betekent niet zonder meer dat daarmee eerdere waarnemingen als onbetrouwbaar ter zijde dienen te worden gelegd. Nu de verschillende mariniers soortgelijk verklaren omtrent de locatie waarvandaan het eerste schot is gelost en de andere (Yeminitische) dhow zich ten tijde van het schietincident op een afstand bevond van circa 400 meter van de dhow Mohsen en beide dhows zich op dat moment circa 500 yards uit de kust bevonden, is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de waarnemingen van de mariniers, dat het eerste schot afkomstig was van de dhow Mohsen, onjuist waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook overigens is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdacht uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Strafmotivering 17.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafmotivering Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van het feit Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking. De afgelopen jaren heeft er een groot aantal gevallen van piraterij plaatsgevonden rondom de kuststreek van Somalië en de nabijgelegen internationale wateren. Door het gevaar van tegen schepen gerichte piraterij en gewapende overvallen is de veiligheid van de handelsroutes over zee en de internationale zeevaart onder druk komen te staan en daarmee ook de levering van humanitaire hulp in Somalië. Met grote - ook internationale en militaire – inspanningen wordt getracht de piraterij een halt toe te roepen. Ook de Nederlandse marine levert hieraan een bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van een operatie van de Nederlandse marine voor de kust van Somalië is het tot een vuurgevecht gekomen tussen enerzijds de verdachte en zijn mededaders, die zich aan boord van een, naar later is gebleken, gekaapte Iraanse dhow bevonden en marinepersoneel dat zich op drie RHIBS bevond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte bevond zich op 24 oktober 2012 in de wateren voor de kust van Somalië op de dhow Mohsen, een Iraanse vissersboot, die naar later is gebleken, geruime tijd eerder door gewapende Somaliërs was gekaapt. De verdachte was, in ieder geval op die dag, één van de leiders van de zich aan boord bevindende Somaliërs. Toen marinepersoneel, afkomstig van het Nederlandse marinevaartuig de Hr. Ms. Rotterdam dat daar voer in het kader van een internationale anti-piraterij-missie, in diverse RHIBS de Mohsen naderde om poolshoogte te nemen, zagen zij dat de Mohsen wegvoer in de richting van de kust. De RHIBS zijn relatief kleine en onbeschutte bootjes. Toen de RHIBS de Mohsen genaderd waren werden zij onverwacht meerdere malen vanaf dat schip door de verdachte en zijn mededaders met (automatische) vuurwapens een aantal malen gericht beschoten. Het is een gelukkig toeval geweest dat onder die omstandigheden geen van de beschoten marinemensen is gedood of ernstig gewond is geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden van de verdachte en zijn mededaders om de Nederlandse marine te beschieten kan niet anders dan gelegen zijn in een poging om het gekaapte schip in het bezit te houden en/of zich te onttrekken aan een mogelijke aanhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behoeft geen betoog dat het handelen van de verdachte vraagt om zware bestraffing met een vrijheidsstraf van forse duur. Niet alleen hebben de verdachte en zijn mededaders zich kennelijk weinig gelegen laten liggen aan de waarde van het menselijk leven maar het betekent ook een aanslag op zich, in opdracht van de internationale gemeenschap, voor de regionale veiligheid en vrede inspannende militairen, die daarbij juist ondersteuning verdienen. Het handelen van de verdachte is schokkend voor de internationale rechtsorde en voor de militaire bemanning bijzonder bedreigend en draagt bij aan spanningen, angsten en onzekerheden, naar algemene ervaringsregels uitwijzen. Het personeel van militaire missies verdient daartegen in het bijzonder scherpe bescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof rekent dit alles de verdachte, die geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en iedere betrokkenheid bij het geweld heeft ontkend, bijzonder zwaar aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoonlijke omstandigheden van de verdachte Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is afkomstig uit Somalië. Het is algemeen bekend dat Somalië al jarenlang een onveilig land is zonder effectief centraal gezag, met weinig kansen voor –met name jonge- mannen om voor zichzelf en familie een redelijk inkomen te verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omtrent de verdachte is een reclasseringsrapport d.d. 15 oktober 2014 opgemaakt. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte reeds op jeugdige leeftijd op eigen benen moest staan omdat zijn vader en broer als gevolg van geweld om het leven zijn gekomen. Zijn moeder zou vervolgens samen met een zus van verdachte zijn vertrokken en niet meer zijn teruggekomen. De verdachte zou in het verleden zijn gebrandmerkt met hete voorwerpen omdat hij “het boze oog” zou hebben. De verdachte zou in het verleden als visser werkzaam zijn geweest. De inkomsten uit de visserij stond hij deels af aan zijn moeder en jongere zus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft blijkens de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een inreisverbod van tien jaren opgelegd gekregen. Verdachte heeft thans oogproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is voor het overige niet in staat gebleken voldoende duidelijkheid te verkrijgen over de door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden. De daarover door de verdachte zelf verstrekte gegevens zijn oncontroleerbaar, maar zonder twijfel schrijnend. Het hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de voor een Somalische verdachte bijzonder zware omstandigheden van langdurige detentie in een voor hem onbekend land, zonder reële mogelijkheden tot het onderhouden van sociale- en familiecontacten. Het hof acht die aspecten van enige strafmatigende, zij het tegenover de ernst van de feiten marginale, betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijkbare gevallen Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof in meer algemene zin getracht aansluiting te zoeken bij min of meer vergelijkbare strafzaken, zoals die ook door het hof zijn behandeld. Daarbij moet overigens worden aangetekend dat daarin slechts een beperkt aanknopingspunt kan worden gevonden, gelet op het geringe aantal vergelijkbare zaken dat in Nederland, maar ook daarbuiten, is berecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straf Al met al vraagt de ernst van het feit om oplegging van een forse gevangenisstraf waarbij de –ook internationale- uitstraling van de berechting en bestraffing om een duidelijk signaal vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de gedeeltelijke vrijspraken komt het hof overigens tot een lagere straf dan door het openbaar ministerie gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet onvoldoende aanleiding om op grond van de hiervoor besproken vormverzuimen te komen tot enige strafmatiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. R.A.Th.M. Dekkers, mr. S. van Dissel en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffiers mrs. J.E.L. van der Steen en L. van Wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 april 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van AIRS, ministerie van Veiligheid en Justitie, aan de rechter-commissaris mr. A. Verweij d.d. 29 oktober 2014, bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 31 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van AIRS, ministerie van Veiligheid en Justitie, aan de rechter-commissaris d.d. 16 augustus 2013 inzake Rechtshulp Iran/Pakistan/Somalië. Specifiek ten aanzien van G16: Brief van AIRS, ministerie van Veiligheid en Justitie, aan de rechter-commissaris d.d. 5 december 2013 inzake Rechtshulp Somalië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van AIRS, ministerie van Veiligheid en Justitie, aan het openbaar ministerie d.d. 30 januari 2015 inzake Rechtshulp Iran, Pakistan en Somalië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">International Convention against the Taking of Hostages. Het verdrag werd op 17 december 1979 te New York gesloten en is op 5 januari 1989 voor Nederland in werking getreden. Iran is op 20 december 2006 tot het verdrag toegetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van AIRS, ministerie van Veiligheid en Justitie, aan het openbaar ministerie d.d. 26 februari 2015 inzake Rechtshulp Iran.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, r.o. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, r.o. 3.6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten, Staatscourant nr. 11885, 28 juli 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 19 februari 2013, ECLI:NL:2013:BY5322 en Hoge Raad, 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere: Gerechtshof Den Haag, 21 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1006, r.o. 14.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM, 15 december 2011, nr. 26766/05, nr. 22228/06 (Al—Khawaja en Tahery v. Verenigd Koninkrijk), NJ 2012/283; EHRM, 27 februari 2001, no. 333354/96 (Lucà v. Italië) en EHRM, 4 november 2010, nr. 47023/99 (Sokolov v. Macedonië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:AB7528, NJ 1994, 427.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van voorgeleiding Raadkamer d.d. 7 november 2012 (A0 04 en A0 07).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor: Gerechtshof Den Haag, 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR068 (Mpambara), p. 26 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibid., p. 32 en de aldaar aangehaalde uitspraak in de zaak Kupreškić.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere: proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 9 januari 2015, met als bijlage een brief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS), d.d. 29 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3, 4, 10 en 24 februari 2015, 3 en 20 maart 2015, voor zover inhoudende de ter terechtzitting van 20 maart 2015 gegeven beslissing van het hof over de toegewezen getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vertaalde verklaring van G1, voorafgegaan door enkele opmerkingen van de beëdigd tolk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere de vertaalde verklaring van G1, p. 21 en p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo heeft de tolk bijvoorbeeld op de vraag onder welke vlag van welk land het schip van de getuige voer het antwoord van de getuige ‘Het is toch de vlag van Iran?’ geantwoord aan de verbalisanten ‘De Iraanse vlag’ (vertaalde verklaring van G1, p. 6). Het antwoord van de getuige op de vraag wat voor wapen bijvoorbeeld de verdachte bij zich is veranderd van ‘een pistool en een klasj’ in een ‘Colt pistool en een Kalasjnikov’ (vertaalde verklaring van G1, p. 26 in samenhang met de schriftelijke uitwerking van het verhoor van G1, d.d. 25 oktober 2012, G01 006) en het antwoord: ‘Ik weet niet alles. Er was een schietpartij. Ik was niet bewust van alles’ is door de tolk vertaald als: ‘Nou, dus. Ik heb, de rest weet ik het niet. Ik was ook zelf in paniek geraakt. Ik was ook zelf ook eigenlijk een beetje bewusteloos geraakt.’ (vertaalde verklaring van G1, p. 43). Tot slot noemt het hof hier als voorbeeld het antwoord van de getuige op de vraag hoeveel andere Somaliërs, op de baas van de Somaliërs na, naast hem stonden: ‘Ongeveer vier mannen. Twee daarvan stonden aan de ene kant en de twee anderen aan de andere kant’ hetgeen vertaald is als: ‘Ja, er waren een aantal mensen. Drie deze kant en twee andere kant en twee, drie naar achter en ze waren zo wel aantal mensen. Dus exacte aantallen, dan weet ik het niet.’ (vertaalde verklaring van G1, p. 45).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: vertaalde verklaring G1, p. 39: ‘Wij waren op de boeg, en toen hebben zij ons met z’n allen gepakt en naast henzelf neergezet, bij het stuurwiel en toen begon de schietpartij en dat was alles wat ik heb gezien.’ en p. 43: ‘Ik weet niet alles. Er was een schietpartij. Ik was mij niet bewust van alles. Ik vluchtte. Ik sprong opzettelijk in de zee. Ik weet verder niet hoe zij wel hebben geschoten of niet. Ik heb het verder niet gezien. De ene had een pistool en heeft daarmee geschoten, ik weet niet hoe het verder is gegaan.’ p. 50 en ‘De boten zijn gekomen. Zij hebben geschoten. De schietpartij is begonnen en de dhow vatte vlam en ik heb verder niet kunnen zien wat er wel en niet gebeurde.’ en p. 51: ‘Ik heb ze allemaal zien dekking zoeken. Ik weet niet wie onder hen wel of niet heeft geschoten. Zij maakten hun wapens klaar en zij zochten dekking.’ Het proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G01 024) en de vertaalde verklaring G1, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk uitwerking van het verhoor van G3 d.d. 26 oktober 2012 (G03 003).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk uitwerking van het verhoor van G4 d.d. 25 oktober 2012 (G04 004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk uitwerking van het verhoor van G5 d.d. 26 oktober 2012 (G05 003).</p>\n<p class=\"lf-p\">Report of the Monitoring Group on Somalia and Eritrea pursuant to Security Council resolution 2060 (2012), 12 July 2013, S/2013/413: Somalia.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van V15 bij de KMar d.d. 4 december 2012 (V15 012).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal verhoor van G16 bij de KMar d.d. 1 november 2012 (G16 005).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag, 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR068, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G01 022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G01 022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris, d.d. 30 oktober 2012 (G01 022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van voorgeleiding Raadkamer d.d. 7 november 2012 (A0 01 - 023).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van voorgeleiding Raadkamer d.d. 7 november 2012 (A0 03) en proces-verbaal bevindingen Dhows d.d. 7 november 2012 (B01 001 - 013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01 – 03), alsmede proces-verbaal voorgeleiding Raadkamer d.d. 7 november 2012 (A0 03).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01 – 03).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1, p. 6-8; proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2012 (G01 016); schriftelijke uitwerking van het verhoor van G2 d.d. 25 oktober 2012 (G02 001-002); schriftelijke uitwerking van het verhoor van G3 d.d. 26 oktober 2012 (G03 001).</p>\n<p class=\"lf-p\">Processen-verbaal van verhoor van G1 door de rechter-commissaris d.d. 29 en 30 oktober 2012 (G01 016 en 021); vertaalde verklaring van G1, p. 6 -10; proces-verbaal van verhoor van G2 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G02 006-007); schriftelijke uitwerking van het verhoor van G3 d.d. 26 oktober 2012 (G03 001-004); schriftelijke uitwerking van het verhoor van G4 d.d. 25 oktober 2012 (G04 001-004); proces-verbaal van verhoor van G16 bij de KMar d.d. 1 november 2012 (G16 003); schriftelijke verklaring van G19 en de schriftelijke uitwerking van het verhoor van G19 respectievelijk gedateerd 26 oktober 2012 (G19 001) en 27 oktober 2012 (G19 002).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01 – 02).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01 – 02).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal toetsing rechter-commissaris d.d. 26 oktober 2012 (A1 03 – 04), alsmede de schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere: Hoge Raad, 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en Hoge Raad 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad, 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover eerder onder andere: Gerechtshof Den Haag, 21 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere de schriftelijke uitwerkingen van de verhoren van G1 tot en met G5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere het proces-verbaal van verhoor van getuige 228951 bij de KMar d.d. 1 november 2012 (G07 001 – 005), alsmede het proces-verbaal bevindingen d.d. 7 november 2012 betreffende Scan eagle beelden (B04 001 – 002).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01 – 02).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G1 bij rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G01 027); vertaalde verklaring van G1, pp. 38 en 39, alsmede de schriftelijke uitwerking van het verhoor van G2 d.d. 25 oktober 2012 (G02 001 – 005).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van getuige 288951 bij de KMar d.d. 1 november 2012 (G07 001 – 005); proces-verbaal van verhoor van getuige 231884 bij de KMar d.d. 1 november 2012 (G08 001 – 007); proces-verbaal van verhoor van getuige 225911 bij de KMar d.d. 3 november 2012 (G09 001 – 006); proces-verbaal van verhoor van getuige 228203 bij de KMar d.d. 3 november 2012 (G10 001 – 007); proces-verbaal van verhoor van getuige 305926 bij de KMar d.d. 8 januari 2013 (G12 001 – 007); proces-verbaal van verhoor van getuige 115569 bij de KMar d.d. 10 januari 2103 (G13 001 – 006); proces-verbaal van verhoor van getuige 227779 bij de KMar d.d. 16 januari 2013 (G14 001 – 004), alsmede het proces-verbaal van verhoor van getuige 232434 bij de KMar d.d. 21 januari 2013 (G15 001 – 006).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3, 4, 10 en 24 februari 2015, 3 en 20 maart 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal toetsing rechter-commissaris (A1 03 – 04); Schriftelijke verklaring [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam (A2 01), alsmede proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2012 betreffende beelden van de Scan eagle (B04 001 – 002).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G01 019 – 029).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1 d.d. 24 en 25 oktober 2012, p. 49-51, in samenhang te lezen met tonen foto nummer 17 (G01 006 – 011).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke uitwerking van het verhoor van G3 d.d. 26 oktober 2012 (G03 001 – 004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G2 bij de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2012 (G02 009), alsmede de schriftelijke uitwerking van het verhoor van G5 d.d. 26 oktober 2012 (G05 003).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke uitwerking van het verhoor van G5 d.d. 26 oktober 2012 (G05 001 – 004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van V15 bij de KMar d.d. 31 oktober 2012 (V15 011).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1 d.d. 24 en 25 oktober 2012, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G1 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G01 024 en 028).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke uitwerking van het verhoor van G2 d.d. 25 oktober 2012 (G02 002 en 004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G2 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G02 006).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke uitwerking van het verhoor van G3 d.d. 26 oktober 2012 (G03 003).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G16 bij de KMar d.d. 1 november 2012 (G16 009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1, p. 44, in samenhang te lezen met tonen foto nummer 17 (G01 011).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van G2 bij de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2012 (G02 007).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1, p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1, pp. 39, 41, 44 en 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertaalde verklaring van G1, p. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke uitwerking van het verhoor van G2 d.d. 25 oktober 2012 (G02 004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2012 betreffende beelden van de Scan eagle (B04 001 – 002).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2013 betreffende beelden van de Scan eagle huidluikcamera beelden (B04 009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 02).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke verklaring van [getuige], commandant Hr. Ms. Rotterdam d.d. 25 oktober 2012 (A2 01).</p></div>", "next": 0}