{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het verwijt van Organik dat de deurwaarder het originele papieren archief van Organik heeft meegenomen, is ongegrond. Uit de verklaring van de deurwaarder blijkt dat hij daarvoor heeft gekozen gezien de omvang van de aangetroffen gegevens en ten einde de bedrijfsvoering van Organik zo min mogelijk te verstoren. Het beslagverlof bood daarvoor uitdrukkelijk een basis (paragraaf F van het petitum van het verzoekschrift is in de beschikking uitdrukkelijk toegewezen). Uit de verklaring blijkt bovendien dat de werkwijze en duur in overleg met Organik is bepaald. Dat de documenten niet zijn geretourneerd binnen de – verlengde – termijn die de voorzieningenrechter had bepaald, is gesteld noch gebleken. Integendeel, Dow heeft uitdrukkelijk gesteld dat de documenten binnen die termijn zijn teruggegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organik heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de deurwaarder bij het leggen van het beslag geen onderscheid heeft gemaakt tussen mogelijk relevante en niet-relevante gegevens. Organik stelt dat er geen enkele selectie is gemaakt en baseert dat op de omvang van de in beslag genomen informatie, een rapport van haar IT-deskundige (productie 21 van Organik) en op verklaringen van haar medewerkers die zeggen niet te hebben geconstateerd dat er een selectie is gemaakt. In een door Dow in het geding gebrachte verklaring stelt de deurwaarder echter uitdrukkelijk dat hij wel een onderscheid heeft gemaakt (productie 40 van Dow). Bovendien vermeldt het proces-verbaal van de beslaglegging dat beslag is gelegd op ‘mogelijk relevante onderdelen’ uit de papieren administratie en ‘mogelijk relevante digitale bestanden’ (productie 16 van Dow). Daarom moet ervan uit worden gegaan dat er minste enige selectie heeft plaatsgevonden. In het licht daarvan en gelet op de hiervoor genoemde belangenafweging, kan het gestelde gebrek aan selectie – en het daarop gebaseerde betoog over de schending van de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit – niet leiden tot opheffing van het beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijt van Organik dat de deurwaarder op 21 mei 2015 opnieuw beslag heeft gelegd hoewel geen verlof voor een repeterend bewijsbeslag is gelegd, is ongegrond. Uit het eerste proces-verbaal van de deurwaarder blijkt dat de beslaglegging ‘(voorlopig) beëindigd’ werd op 20 mei 2015. Dat houdt de mogelijkheid van voortzetting open. misbruik bevoegdheid 5.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van Organik dat het beslag moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid, is ongegrond. Organik voert in dit verband aan dat Dow het bewijsbeslag heeft gelegd om bewijsmateriaal veilig te stellen voor de discovery in de procedure in Delaware. Het feit dat Dow een inzagevordering in Nederland heeft ingesteld, toont echter al aan dat het materiaal niet uitsluitend met het oog op die discovery is beslagen. Zoals in het principaal beroep al is geoordeeld, heeft Dow een rechtmatig belang bij die inzagevordering, ook los van de procedure in Delaware.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar komt bij dat een inzagevordering in Nederland kan worden gebruikt om bewijs te verzamelen ten behoeve van een rechtszaak in het buitenland (HR 8 juni 2012, ECLl:NL:HR:2012:BV8510, ADIB/ABN Amro Bank, r.o. 3.5). Daarom is ook geen sprake van misbruik van bevoegdheid als Dow het bewijsbeslag uitsluitend zou hebben gelegd met het oog op de procedure in Delaware. schending geheimhoudingplicht deurwaarder 5.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door Organik aangevoerde schendingen van de geheimhoudingsplicht door de deurwaarder kunnen ook niet leiden tot opheffing van het beslag of toewijzing van de andere vorderingen in reconventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organik wijst ten eerste op het feit dat een afschrift van de gedetailleerde beschrijving bij de advocaten van Dow is beland. Tussen partijen staat vast dat de deurwaarder het proces-verbaal met de gedetailleerde beschrijving via het Openbaar Ministerie heeft laten betekenen aan de buitenlandse gerekwestreerden. Toen het Openbaar Ministerie vervolgens een kopie ontving van de in het buitenland betekende documenten, heeft het Openbaar Ministerie deze doorgeleid naar Dows advocaten, waar Dow domicilie had gekozen. Dat de deurwaarder heeft gekozen voor betekening van het proces-verbaal aan alle gerekwestreerden kan hem niet worden verweten. De deurwaarder kon ervan uitgaan dat het verlof tot het maken van de beschrijving terecht was verleend en moest worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 1019d Rv, dat bepaalt dat de plicht tot betekening van het proces-verbaal aan de gerekwestreerde van overeenkomstige toepassing is (artikel 1019d lid 1 juncto 443 lid 1 Rv). Aangezien het gaat om het proces-verbaal dat aan de gerekwestreerden wordt verstrekt, kan de gedetailleerde beschrijving daarvan deel uitmaken, ook als het vertrouwelijke informatie bevat (vgl. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, [naam partij], r.o. 3.9.7). Ook ten aanzien van de keuze van betekening via het OM kan de deurwaarder geen verwijt worden gemaakt aangezien het een bij de wet geregelde betekeningsprocedure is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof begrijpt dat Organik de deurwaarder ook verwijt dat hij het OM niet heeft geïnstrueerd de kopie van de gedetailleerde beschrijving niet door te leiden naar Dow of Dows advocaten. Dat verwijt is naar voorlopig oordeel terecht, maar niet zo ernstig dat daaruit kan worden afgeleid dat de deurwaarder zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden, althans zodanig heeft geschonden dat dit tot opheffing van de bewarende maatregelen zou moeten leiden, gelet op het feit dat de deurwaarder de beschrijving niet zelf aan de advocaten van Dow heeft verstrekt en de wet geen bijzondere procedure kent voor de betekening van documenten aan gerekwestreerden die niet ter kennis mogen komen van de verzoeker. Overigens wordt het verlof tot het maken van een beschrijving, waarop dit verwijt betrekking heeft, al opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de overige schendingen van de geheimhoudingsplicht die Organik naar voren heeft gebracht, kunnen niet leiden tot toewijzing van de reconventionele vorderingen van Organik. In het midden kan blijven of de deurwaarder in die situaties zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Voor zover dat het geval is, gaat het om de volgende redenen niet om zodanig ernstige schendingen van de vertrouwelijkheid dat die moeten leiden tot opheffing van het beslag of het treffen van nadere maatregelen ter waarborging van de vertrouwelijkheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40.1 Organik wijst erop dat de deurwaarder via een e-mailbericht van 20 mei 2015 met de advocaten van beide partijen heeft overlegd over de afronding van het beslag en dat hij in dat kader heeft gemeld dat ‘[e]en aantal documenten die volgens Organik Kimya cruciaal zijn voor de dagelijkse productie, […] door ons op de beslaglocatie [zijn] gekopieerd’ (productie 16 van Organik in eerste aanleg). Die mededeling over het materiaal is dermate abstract, dat, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat vertrouwelijke informatie over het bewijsmateriaal is prijsgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40.2 Ten tweede stelt Organik dat de deurwaarder op 29 mei 2015 met advocaten van Dow heeft gesproken over het al dan niet maken van kopieën van documenten. Dow heeft toegelicht dat alleen is overlegd over de kosten van het maken van kopieën en dat daarbij geen informatie over de inhoud van het beslagen materiaal is verstrekt. Het tegendeel heeft Organik niet aannemelijk gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40.3 Ten derde voert Organik aan dat de deurwaarder het bedrijf dat hij had ingeschakeld om het archief van Organik te scannen, te weten GMS B.V. (hierna: GMS), heeft laten opereren zonder geheimhoudingsverplichting. Voorshands is echter voldoende aannemelijk dat GMS wel degelijk een geheimhoudingsverklaring heeft afgegeven. Dow heeft die verklaring als bijlage 3 bij productie 40 overgelegd. Organik betwist de authenticiteit daarvan, maar onderbouwt die betwisting uitsluitend met de opmerking dat het opvallend is dat Dow de verklaring pas in hoger beroep overlegt. Mede gelet op het feit dat het stuk deel uitmaakt van een verklaring van de deurwaarder, is dat voorshands onvoldoende om de authenticiteit van het stuk in twijfel te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verklaring zou zijn getekend een dag nadat GMS haar werkzaamheden was begonnen, is evenmin voldoende om een ernstige schending aan te nemen, mede gelet op het feit dat Dow onbestreden heeft aangevoerd dat de geheimhoudingsplicht die GMS in de verklaring op zich neemt terugwerkende kracht heeft. Dat de verklaring niet gelijk zou zijn aan een verklaring die tijdens de beslaglegging aan Organik is verstrekt, maakt, anders dan Organik suggereert, niet dat die verklaring ondeugdelijk zou zijn. Ten slotte brengt het betoog van Organik dat er geen bewijs is dat GMS alle gescande documenten uit het digitale geheugen van de scanner heeft verwijderd, niet mee dat er reden is om te twijfelen aan de geboden bescherming van vertrouwelijke informatie, omdat er geen enkele aanwijzing is dat er nog documenten in het digitale geheugen stonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40.4 Ten vierde wijst Organik erop dat de deurwaarder een kopie van inbeslaggenomen materiaal op een niet-verzegelde en niet-versleutelde gegevensdrager heeft verstrekt aan een medewerker van Organik die volgens Organik normaal gesproken geen toegang had tot die vertrouwelijke informatie. Dat is geen ernstige schending van vertrouwelijkheid omdat het niet gaat om de verstrekking van gegevens aan Dow of derden, maar aan een medewerker van Organik.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40.5 Ten vijfde betoogt Organik dat de deurwaarder zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door in een door Dow in deze procedure overgelegde verklaring te vermelden ‘correspondentie uitmailboxen’ van ‘de heren Kaslowski’. Ook daarvoor geldt dat die informatie dermate abstract is dat, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat vertrouwelijke informatie over het bewijsmateriaal is prijs gegeven. Bovendien wordt de verstrekking in deze procedure ten minste gedeeltelijk gerechtvaardigd door het feit dat Organik in deze zaak zelf ter discussie stelt of de deurwaarder gerechtigd was om de mailboxen te beslaan. noodzaak 5.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van Organik dat het bewijsbeslag niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet, kan ook niet leiden tot opheffing van het beslag. Dat het overleggen van stukken uit de ITC-procedure of de procedure in Delaware geen reëel alternatief vormt is hiervoor al vastgesteld. Daarnaast is hiervoor al geoordeeld dat zelfs als zou worden aangenomen dat het beslag verder gaat dan noodzakelijk, een afweging van de wederzijdse belangen in dit geval niet dwingt tot een volledige opheffing van het beslag. overige grieven grief 1 5.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar eerste grief betoogt Organik – samengevat – dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op hun rechtsbetrekking en, voor zover Nederlands recht wel van toepassing is, dat het enkele verwerven van bedrijfsgeheimen naar Nederlands recht niet voldoende is voor het aannemen van onrechtmatigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor al is geoordeeld (zie hiervoor r.o. 4.15 e.v.), heeft de voorzieningenrechter de gestelde onrechtmatigheid terecht getoetst aan het Nederlands recht en zou de uitkomst van de toets naar voorlopig oordeel niet anders luiden als Turks recht zou worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organik betoogt op zich wel terecht dat naar Nederlands recht het verwerven van bedrijfsgeheimen niet zonder meer onrechtmatig is (zie hiervoor r.o. 4.44) en dat rechtsoverweging 5.16 van het bestreden vonnis de indruk wekt dat de voorzieningenrechter dat niet heeft onderkend. In zoverre is de eerste grief gegrond. De grief kan echter niet leiden tot vernietiging van de afwijzing van de vorderingen in reconventie. Hiervoor is immers al vastgesteld dat Organik wel wist of moest weten dat [werknemer 2] en [werknemer 3] bij de verstrekking van de bedrijfsgeheimen van Dow aan Organik contractuele geheimhoudingsverplichtingen schonden. Onder die omstandigheden is het verwerven van bedrijfsgeheimen onrechtmatig (zie hiervoor, r.o. 4.44). grief 2 5.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met haar tweede grief bestrijdt Organik het oordeel van de voorzieningenrechter dat Dow bedrijfsgeheimen bezit die in aanmerking komen voor bescherming. Organik betoogt in dat verband onder meer dat Dow de gestelde bedrijfsgeheimen onvoldoende heeft gespecificeerd en dat Dow niet aannemelijk heeft gemaakt dat Dow bedrijfsgeheimen bezit, laat staan dat Organik die heeft geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het principale beroep is al geoordeeld dat Dow haar bedrijfsgeheimen voldoende heeft gespecificeerd en dat voldoende aannemelijk is dat Dow beschikt over beschermingswaardige bedrijfsgeheimen en dat Organik die geheimen heeft geschonden (zie r.o. 4.18 e.v.). Gelet daarop en gelet op de wederzijdse belangen, kan de grief niet leiden tot een verdergaande opheffing van de bewarende maatregelen dan de opheffing waartoe het hof hiervoor heeft beslist. grief 3 5.47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van het door Dow in het geding gebrachte rapport dat OPAC204x is te beschouwen als een potentieel competitief gevaar en dat dit zou kunnen wijzen op een zeker belang van Dow bij afgifte van bepaalde documenten. Organik betoogt dat de voorzieningenrechter had moeten concluderen dat Organik een ander productieproces toepast, gelet op onder meer de verschillen tussen haar opaque producten en die van Dow.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">De argumenten die Organik naar voren heeft gebracht in het kader van deze grief zijn hiervoor besproken en verworpen in het kader van de beoordeling van het principaal beroep, in het bijzonder in de overwegingen 4.24 tot en met 4.51. Op die gronden moet de derde grief worden verworpen. grief 4 5.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vierde grief van Organik richt zich tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter over de heren [werknemer 2] en [werknemer 3] . Organik bestrijdt onder meer dat uit de jumplist van de USB-sticks van [werknemer 2] is af te leiden dat [werknemer 2] de beschikking had over bedrijfsgeheimen van Dow en dat [werknemer 2] die heeft gedeeld met Organik. Daarnaast stelt Organik dat uit het e-mailbericht van 12 april 2013 van [werknemer 2] , dat de voorzieningenrechter aanhaalt, niet is af te leiden dat [werknemer 2] informatie heeft verstrekt. Wat betreft [werknemer 3] betwist Organik onder meer dat [werknemer 3] toegang had tot vertrouwelijke informatie over de productie van zaadpolymeren. Bovendien betoogt Organik dat uit de eventuele verstrekking van informatie niet volgt dat daarvan ook gebruik is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">De argumenten die Organik in haar vierde grief naar voren brengt, moeten worden verworpen op grond van hetgeen het hof al in het principaal beroep heeft geoordeeld. Dat [werknemer 2] de beschikking heeft gehad over bedrijfsgeheimen van Dow en dat hij die heeft gedeeld kan voorshands worden aangenomen op grond van hetgeen is overwogen in het principaal beroep (zie r.o. 4.48 e.v.). Daarbij is het e-mailbericht van 12 april 2013 buiten beschouwing gebleven. Daarom kan in het midden blijven of dat bericht het oordeel van het hof ondersteunt. Ook de kennis van [werknemer 3] is in het principaal beroep al vastgesteld (r.o. 4.35).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van Organik dat uit de verstrekking van informatie niet zonder meer volgt dat Organik de informatie heeft gebruikt, is op zich gegrond. Wat betreft de opaque polymeren zijn er echter voldoende gronden om aan te nemen dat Organik de bedrijfsgeheimen van Dow ook heeft gebruikt (zie r.o. 4.34 e.v.). Wat betreft de non-opaque polymeren is het gebruik van de bedrijfsgeheimen onvoldoende aannemelijk voor toewijzing van een daarop betrekking hebbende inzagevordering. Zoals hiervoor is overwogen (r.o. 5.19 e.v.), brengt die conclusie echter niet zonder meer mee dat het beslag op bewijsmateriaal met betrekking tot het gebruik van de non-opaque polymeren moet worden opgeheven. Een afweging van de wederzijdse belangen pleit daartegen. grief 5 5.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met haar vijfde grief betoogt Organik dat zij niet gelijk kan worden gesteld aan andere, niet in de procedure betrokken personen. Dat betoog is op zich gegrond, maar kan niet leiden tot de gevorderde opheffing van het beslag. In het voorgaande oordeel van het hof over de schending van bedrijfsgeheimen heeft het hof Organik niet gelijk gesteld aan andere personen. Het oordeel betreft het verkrijgen en gebruiken van de bedrijfsgeheimen door Organik.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie in het principaal en incidenteel beroep 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het bestreden vonnis in conventie voor zover het Organik Netherlands, Organik Luxembourg, Organik Holding en Chemorg betreft, en in reconventie moet worden vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, zowel de in conventie gevorderde inzage, als de in reconventie gevorderde opheffing van de bewarende maatregelen gedeeltelijk moet worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van zowel de in conventie toe te wijzen gedeeltelijke inzage, als de in reconventie toe te wijzen gedeeltelijke opheffing zullen selecties moeten worden gemaakt binnen het materiaal dat in bewaring is genomen. Omdat die selectie onpartijdig moet worden uitgevoerd, deskundigheid vereist en kennisneming van vertrouwelijke informatie van Organik impliceert, kan die selectie, anders dan Dow heeft voorgesteld, niet worden uitgevoerd door advocaten van Dow. Het hof zal bevelen de selecties te laten uitvoeren door een onafhankelijke deskundige die ten opzichte van beide partijen geheimhouding moet betrachten. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld een of meer personen voor te stellen die deze taak kunnen uitvoeren. Daarbij verdient het aanbeveling dat partijen een gezamenlijk voorstel doen. Voor zover dat niet mogelijk is, moeten zij elk tenminste drie personen voorstellen en zullen zij de gelegenheid krijgen om te reageren op het voorstel van de wederpartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundige zal eerst het deel van het in bewaring genomen materiaal moeten selecteren ten aanzien waarvan de bewarende maatregelen moeten worden opgeheven, te weten de gedetailleerde beschrijving, de financiële administratie van de buitenlandse gerekwestreerden en de correspondentie met advocaten. Dat deel van het materiaal moet worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens moet de deskundige op basis van zoektermen de volgende documenten selecteren uit het deel van het beslagen materiaal dat resteert na uitvoering van de hiervoor genoemde selectie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">i)</span>Alle documenten (in geschreven of elektronische vorm, lokaal opgeslagen of op externe (netwerk) computers of andere gegevensdragers), waaronder maar niet beperkt tot rapporten, recepturen, productie‐instructies, memoranda en correspondentie (waaronder e‐mails), vanaf 1 januari 2008, waarin de term ‘Dow’, ‘Rohm and Haas’ en/of ‘R&amp;H’ voorkomt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ii)</span>Alle documenten (in geschreven of elektronische vorm, lokaal opgeslagen of op externe (netwerk) computers of andere gegevensdragers), waaronder maar niet beperkt tot rapporten, recepturen, productie‐instructies, memoranda en correspondentie (waaronder e‐mails), vanaf 1 januari 2008, waarin een of meer van de volgende termen voorkomen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>‘ROPAQUE’ of ‘ROPAQUE Ultra’, of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>één van de 177 namen van non‐opaque emulsie polymeren van Dow of één van de 354 bijbehorende merknamen genoemd in de filepaths die in de jump lists op de Organik laptops gevonden zijn (genoemd in Productie 13 van Dow); iii) Alle documenten (in geschreven of elektronische vorm, lokaal opgeslagen of op externe (netwerk) computers of andere gegevensdragers), waaronder maar niet beperkt tot rapporten, recepturen, productie‐instructies, memoranda en correspondentie (waaronder e‐mails), vanaf 1 januari 2008, waarin de naam ‘ [werknemer 1] ’, ‘ [werknemer 3] ’ en/of ‘ [werknemer 2] ’ wordt genoemd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">iv)</span>Alle documenten (in geschreven of elektronische vorm, lokaal opgeslagen of op externe (netwerk) computers of andere gegevensdragers), waaronder maar niet beperkt tot rapporten, recepturen, productie‐instructies, memoranda en correspondentie (waaronder e‐mails), vanaf 1 januari 2008, waarin de term ‘OPAC 103’, ‘OPAC 204x’ of ‘ORGAWHITE 2000’ voorkomt.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna moet de deskundige beoordelen of de onder i) en ii) bedoelde documenten informatie verschaffen over (delen van de) de recepten of productieprocessen van Dow voor het maken van ROPAQUE, ROPAQUE Ultra of één van de 177 non‐opaque emulsie polymeren van Dow genoemd in productie 13 van Dow. Voor zover dat niet het geval is, moet de deskundige de documenten en de inhoud daarvan geheim houden ten opzichte van Dow en derden. Voor zover het wel het geval is, zal de deskundige in zoverre een afschrift van die documenten of het relevante deel aan beide partijen verstrekken. Het afschrift aan Organik dient ertoe Organik duidelijk te maken in welke informatie Dow inzage krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte moet de deskundige beoordelen of de onder iii) en iv) bedoelde documenten informatie bevatten die ondersteunt dat (delen van) de recepten of productieprocessen die Organik heeft toegepast bij de productie van OPAC 103, OPAC 204x of ORGAWHITE 2000, overeenstemmen met de bedrijfsgeheimen van Dow voor opaque emulsiepolymeren. Daartoe dient Dow de specificatie van de 52 bedrijfsgeheimen die zij op 29 januari 2014 heeft heeft ingediend in de ITC-procedure ter beschikking te stellen aan de deskundige. Voor zover de deskundige van oordeel is dat de documenten niet ondersteunen dat er sprake is van overeenstemming, moet de deskundige de documenten en de inhoud daarvan geheim houden ten opzichte van Dow en derden. Voor zover de documenten overeenstemming wel ondersteunen, zal de deskundige een afschrift van die documenten aan beide partijen verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dow zal de kosten van de werkzaamheden van de deskundige moeten dragen. Voor zover de selectie noodzakelijk is ter uitvoering van de gevorderde inzage volgt dat uit artikel 843a lid 1 Rv. Voor zover de selectie noodzakelijk is voor de opheffing van het beslag, vloeit de plicht om de kosten daarvan te dragen voort uit de plicht van Dow alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor de gedeeltelijke opheffing van de bewarende maatregelen. overige vorderingen in het principaal beroep 6.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering tot instandhouding van de bewaring totdat door een bodemrechter bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis anders is beslist, moet worden afgewezen. Voor zover de bewarende maatregelen worden opgeheven, is er geen grond voor voortzetting van de bewaring van materiaal. Voor zover het bewijsbeslag niet wordt opgeheven, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat Dow belang heeft bij haar vordering. In haar toelichting op deze vordering heeft Dow slechts aangevoerd dat die ertoe dient veilig te stellen dat het bewijsmateriaal intact blijft voor het geval in een later stadium alsnog nader bewijs nodig zou zijn en om te voorkomen dat dit bewijsmateriaal in de tussentijd door Organik wordt vernietigd. Daarvoor is toewijzing van de vordering niet nodig omdat, voor zover het bewijsbeslag niet wordt opgeheven of anderszins eindigt, de bewaring hoe dan ook voortduurt. Als het Dow gaat om de periode tussen een andersluidende beslissing van de bodemrechter en het in kracht van gewijsde gaan daarvan, is het niet aan het hof om daarover in deze kort geding procedure te beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kostenveroordeling die de voorzieningenrechter in de zaken tegen Organik Netherlands, Organik Luxembourg, Organik Holding en Chemorg heeft uitgesproken ten laste van Dow moet worden vernietigd. Aangezien partijen over een weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, moeten de proceskosten in die zaken in conventie in eerste aanleg in die zin worden gecompenseerd dat elke partij zijn eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten in het principaal beroep in die zaken moeten op dezelfde wijze worden gecompenseerd omdat ook in beroep in die zaken partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt ook mee dat de door Organik gevorderde volledige proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. Bovendien is die vordering gebaseerd op het, door het hof verworpen, betoog dat sprake is van misbruik van recht door Dow.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooralsnog zal iedere beslissing in het principaal beroep worden aangehouden omdat partijen eerst deskundigen moeten voordragen die de selectie kunnen uitvoeren. overige vorderingen in het incidenteel beroep 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevorderde bevel aan Dow zich te onthouden van pogingen om toegang te krijgen tot beslagen informatie heeft de voorzieningenrechter terecht afgewezen. De enige ‘pogingen’ die Organik aanvoert betreffen de onderhavige procedure en een eventuele discovery in de procedure in Delaware. Mede gelet op het fundamentele recht op toegang tot de rechter, kan Dow niet worden verweten dat zij die procedures voert. Zoals het hof hiervoor al heeft geoordeeld, kan de onderhavige procedure niet worden aangemerkt als misbruik van recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor het gevorderde bevel aan Dow zich te onthouden van het verzoeken of tenuitvoerleggen van eenzijdige maatregelen tegen Organik. De enige maatregel die Organik in dit verband aanvoert, betreft de beschrijving en het bewijsbeslag. Zoals het hof hiervoor al heeft geoordeeld, kunnen dat verzoek en de tenuitvoerlegging daarvan niet worden aangemerkt als misbruik van recht en is er in elk geval geen sprake van ernstige schendingen van artikel 21 Rv. Mede gelet op het fundamentele recht op toegang tot de rechter, kan Dow dus niet worden verweten dat zij die bewarende maatregelen heeft getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde aanstelling van een onafhankelijk bewaarder is ook terecht afgewezen. Organik heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de deurwaarder zich bij de uitvoering van het beslagverlof of de bewaring onvoldoende onafhankelijk heeft opgesteld. Het hof verwijst in dit kader naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte is ook de gevorderde zekerheidstelling ten bedrage van 100 miljoen euro voor schade die Organik heeft geleden of nog zal lijden ten gevolge van het bewijsbeslag en de bewaring terecht afgewezen. Organik heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij schade in die omvang heeft geleden of kan lijden door het bewijsbeslag en de bewaring en evenmin dat het risico bestaat dat Dow geen verhaal biedt voor een wel reële schadevergoedingsvordering, mede gelet op het feit dat Organik zelf stelt dat Dow over het afgelopen jaar een netto inkomen heeft gerealiseerd van 3,8 miljard dollar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat partijen in reconventie over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, moeten de proceskosten in reconventie in eerste aanleg in die zin worden gecompenseerd dat elke partij zijn eigen kosten draagt. De kostenveroordeling die de voorzieningenrechter heeft uitgesproken ten laste van Organik moet daarom worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten in het incidenteel beroep moeten op dezelfde wijze worden gecompenseerd omdat ook in incidenteel beroep partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt ook mee dat de door Organik gevorderde volledige proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. Bovendien is die vordering gebaseerd op het, door het hof verworpen, betoog dat sprake is van misbruik van recht door Dow.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooralsnog zal iedere beslissing in het incidenteel beroep worden aangehouden omdat partijen eerst deskundigen moeten voordragen die de selectie kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Beslissing Het hof in principaal en incidenteel beroep 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijst de zaak naar de rol van 9 augustus 2016 voor een akte van beide zijden waarin zij zich uitlaten over de persoon van de deskundige die de voor de uitvoering van de gedeeltelijke opheffing en inzage noodzakelijke selecties kan maken; Indien partijen niet tot een eenstemmig voorstel komen, krijgen zij vervolgens de gelegenheid om op de rol van 23 augustus 2016 te reageren op de voorstellen van de wederpartij;</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houdt iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. Blok, A.D. Kiers-Becking en C.J.J.C. van Nispen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2016 in aanwezigheid van de griffier.</p></div>", "next": 0}