{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Uit de bijlagen bij de aangiften van de banken, verklaringen van diverse moneymules en het politieonderzoek (BM 32) blijkt dat geldbedragen die succesvol werden overgeboekt naar de bankrekeningen van moneymules veelal contant werden gemaakt door middel van betalingen of werden omgezet in bitcoins, al dan niet nadat zij eerst waren doorgeboekt naar bankrekeningen van tweedelijns moneymules. De opgenomen, doorbetaalde en/of in bitcoins omgezette bedragen zijn op deze wijze witgewassen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het bestaan van een criminele organisatie, de leden daarvan (feit 2) en het medeplegen van het witwassen (feit 1) Inleiding Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’) slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inherent aan de hiervoor beschreven vorm van computercriminaliteit, ook wel (niet geheel adequaat) aangeduid als ‘phishing’, is het bestaan van een daarop gerichte organisatie. Malware is ontwikkeld, servers zijn gehackt om met behulp van spamruns de malware te verspreiden, servercapaciteit is verkregen voor het hosten van één of meer C&amp;C-servers en moneymules zijn bewerkt om de beschikking te krijgen over bankrekeningen en toebehoren om gelden op te laten storten en vervolgens eventueel contant te kunnen opnemen. Deze handelwijze vergt een planmatige aanpak, taakverdeling, samenwerking en zorgvuldige afstemming tussen de daarbij betrokken personen. Zo moesten de gegevens van de moneymules worden verwerkt in de configuratiebestanden voordat geld overgemaakt kon worden en moest geregeld worden dat geld zo kort mogelijk na overboeking werd opgenomen of overgemaakt naar weer een andere bankrekening. Uit het dossier blijkt dat de personen die de diverse hiervoor beschreven taken vervulden in frequent en nauw contact met elkaar hebben gestaan. Dit heeft plaatsgevonden gedurende geruime tijd en er kan dus zonder meer gesproken worden van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Derhalve komt het hof tot het oordeel dat sprake is geweest van een criminele organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaan van die organisatie blijkt ook uit de TorMails tussen Cheng, Chong, Chang, Ching, Jantje, Xel en Eng (zie § B van bijlage I bij dit arrest), waarbij het hof ervan uitgaat dat dit bijnamen zijn, bedoeld om de werkelijke identiteit van de betrokkenen te verhullen. Enkele voorbeelden ter illustratie: in die TorMails worden bankgegevens van moneymules en gegevens van betrokken bedrijven gedeeld en een spamrun aangekondigd, een financiële afrekening gemaakt uit een ‘gezamenlijke pot’, aanwijzingen gegeven om laptops en telefoons weg te gooien vanwege een lopend onderzoek, wordt overlegd over afspraken bij de Kamer van Koophandel en er zijn diverse dwarsverbanden tussen het adres jantje@tormail.org en het beheer van de TorRAT malware.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat er voldoende bewijs is dat achter de bijnamen Chong, Chang, Ching, Jantje, Xel en Cheng de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de verdachte schuilgaan en dat zij lid van de criminele organisatie (feit 2) en medepleger van het witwassen (feit 1) zijn. en Ter toelichting hierop wordt het volgende overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte [verdachte] (Cheng) De verdachte is Cheng. Dat kan als volgt worden vastgesteld: a. In TorMail #034 (BM 53) schrijft Chong aan Ching dat Cheng het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebruikt. De historische gegevens van dat telefoonnummer zijn vergeleken met het telefoonnummer dat op naam staat van de verdachte, te weten [telefoonnummer 3]. Daaruit blijkt dat de beide telefoonnummers zich op meerdere tijdstippen rond dezelfde locatie bevonden. Ook is gebleken dat er geen momenten zijn aan te wijzen waarop de mastgegevens zo ver uit elkaar liggen dat het niet mogelijk is dat deze nummers zich in dezelfde omgeving bevonden (BM 105).</p>\n<p class=\"lf-p\">In TorMail #038 (BM 56) van 14 november 2012 om 09.32 uur schrijft Cheng aan Ching, Chang en Chong dat hij net de trein heeft gereserveerd; vertrek dinsdag 1150 uit Calais terug 1550 lokale tijd. Uit TorMails #041, #047 en #050 (BM 58, 62 en 63) blijkt dat het gaat om een bezoek in Engeland van Ching, Cheng, Chang en Chong bij 'Eng' ([betrokkene 3]). Onder de verdachte is een telefoon in beslag genomen (BM 115) en uit de telefonische contacten van die telefoon blijkt dat met die telefoon op 14 november 2012 is gebeld met het telefoonnummer 09005040540, het reserveringsnummer van de Eurotunnel (BM 116). Op 15 november 2012 heeft Eurotunnel een reservering bevestigd aan ‘de heer [verdachte]’ (BM 117). [betrokkene 3] heeft bevestigd dat hij in Engeland is opgezocht door een delegatie en heeft verklaard dat de verdachte daar deel van uitmaakte (BM 142).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] zijn op 7 december 2012 aangehouden in het onderzoek Rotterdam/Dash (BM 155). Op zaterdag 8 december 2012 verstuurde Chang TorMail #062 (BM 69) aan Ching waarbij hij aangaf dat Chong en Cheng afgelopen vrijdag samen met lid Assen naar een project zijn gegaan; nadien is er niets meer van hen vernomen en zijn zij niet bereikbaar. Op 9 december 2012 reageert Ching daarop met TorMail #085 (BM 79) dat hij (Ching) wil weten wat er aan de hand is, want hij heeft Cheng al een aantal keren op de chat gehad, maar hij reageert nergens op. In de fouillering van de verdachte is een telefoon aangetroffen. Daarop is het volgende ontvangen sms-bericht aangetroffen: \"What is happening? Ik zie je op chat en krijg geen reactie? laat me ff wat weten. Gr.\" (BM 155). Dit bericht is afkomstig van het Thaise nummer van de medeverdachte [medeverdachte 6] (BM 155 jo 107). Op 10 december 2012 zijn de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] heengezonden (BM 155) en op 13 december 2012 verstuurde Cheng TorMail #018 (BM 52) aan Ching en Chang, waarbij Cheng aangaf dat alle laptops en telefoons z.s.m. weggegooid moesten worden, omdat er een onderzoek liep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging van verschillende (mede-)verdachten is in eerste aanleg aangevoerd dat uitgesloten is dat de verdachte tijdens zijn detentie toegang had tot de chat, dus dat hij niet degene kan zijn die op de chat gezien is. Het hof wijst erop dat uit TorMail #092 (BM 81) blijkt dat chatgesprekken tussen Cheng c.s. niet soepel liepen en dat het voorkwam dat men elkaar wel (virtueel) zag, maar dat er niet werd gereageerd en dat de techniek niet goed functioneerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier besproken omstandigheden moeten niet alleen in onderlinge samenhang worden gezien, maar ook in de context dat bij de verdachte diverse voorwerpen zijn gevonden die onmiskenbaar zijn gerelateerd aan de TorRAT fraude (de SD-kaart in zijn huis (BM 124 e.v.) en de dongels (BM 123) en meerdere telefoons (BM 113 en 114) in zijn auto). Verder wordt gewezen op de verklaringen van de moneymule [moneymule 11] die de verdachte aanwijst als degene voor wie hij een bankrekening opende (BM 146). De betrokkenheid van de verdachte bij TorRAT blijkt dus ook (en in ruime mate) uit andere hoofde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat geen zekerheid kan worden verkregen over het gebruik van de SD-kaart in de laptop van de verdachte, terwijl uit onderzoek blijkt dat er een sterke contra-indicatie hiervoor bestaat, omdat het mogelijk is dat bepaalde gegevens ‘gespoofd’ zijn. Daarbij is onder meer verwezen naar de beantwoording door de politie van vragen van de kant van de verdediging in het proces-verbaal d.d. 28 oktober 2014 met nummer 26122498Z-2357 (BM O).</p>\n<p class=\"lf-p\">De uit het onderzoek blijkende aanwijzingen voor het gebruik van de SD-kaart zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Overeenkomend processortype;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>Overeenkomende USB-hardware en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Overeenkomst van in chat genoemde verjaardagsdatum met verjaardagsdatum van de verdachte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat alle bevindingen omtrent deze aanwijzingen zijn gebaseerd op gegevens aanwezig in de unallocated space van de SD-kaart, waardoor deze gegevens voor de verdachte niet toegankelijk waren en evenmin is vast te stellen of de gegevens afkomstig zijn uit een eerder wel toegankelijk bestand en tot welk moment dat bestand dan toegankelijk zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot deze laatste stelling overweegt het hof dat blijkens het dossier vaststaat (BM O) dat de gegevens waarop de hiervoor onder 1 t/m 3 genoemde aanwijzingen gebaseerd zijn, zich op het moment van het onderzoek inderdaad in de unallocated space (verder te noemen: unallocated clusters) van de SD-kaart bevonden. Anders dan de verdediging meent, is echter niet relevant of, en zo ja wanneer, deze gegevens voor de verdachte toegankelijk waren. Het staat immers vast dat deze gegevens zijn gegenereerd door een Internet Relay Chat-applicatie (op zondag 11 augustus, welke combinatie van dag en datum zich in 2013 voordeed) respectievelijk VMWare Workstation (op 22 augustus 2013) en zijn opgeslagen in ‘allocated’ clusters, voordat die clusters het karakter ‘unallocated’ kregen door een bepaalde verwijderingsopdracht. Dat deze gegevens daardoor mogelijk lastig of niet langer benaderbaar waren voor de verdachte doet er niet aan af dat deze op genoemde data wel ten gevolge van het gebruik van bepaalde software zijn gegenereerd. De vraag ligt thans derhalve voor of deze gegevens zijn gegenereerd door het gebruik van die software op de laptop van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1)De verdediging heeft gesteld dat het processortype van de laptop waarmee de SD-kaart verbonden is geweest, in laptops van vrijwel ieder groot merk gebruikt is en dat deze bevinding daarom weinig tot geen identificerende waarde heeft. Het hof overweegt dat het enkele feit dat het betreffende processortype door diverse laptopproducenten is gebruikt, niets zegt over de verhouding van de frequentie waarmee dit processortype in computers voorkomt ten opzichte van andere processortypen, en dus evenmin over de kans om deze processor aan te treffen in een willekeurige computer. Nu echter dergelijke informatie in het dossier ontbreekt, is de bewijswaarde van deze bevinding dermate gering dat het hof deze niet in de beoordeling zal betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2)De verdediging heeft aangevoerd dat uit onderzoek van de SD-kaart weliswaar blijkt dat op een computer waarmee de SD-kaart verbonden is geweest bepaalde USB-apparaten actief waren, maar dat het mogelijk is dat de identificerende waarden gespoofd zijn, waarmee wordt bedoeld dat iemand het erop heeft laten lijken dat andere hardware was aangesloten dan daadwerkelijk het geval was. Hoewel het blijkens het dossier technisch mogelijk is om dergelijke gegevens in de door de verdediging bedoelde zin te wijzigen, is dat onvoldoende om de betreffende bevindingen buiten beschouwing te laten. In lijn met het arrest van dit hof van 19 december 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3528) overweegt het hof dat het voor een bewezenverklaring niet is vereist dat is aangetoond dat kan worden uitgesloten dat de betreffende gegevens omtrent de USB-apparaten zijn gespoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De enkele stelling dat het technisch mogelijk is dat de betreffende gegevens gespoofd zijn, is onvoldoende voor de conclusie dat min of meer aannemelijk is geworden dat in het onderhavige geval daadwerkelijk van spoofing sprake is geweest. In het bijzonder wist het hof erop dat degene die verantwoordelijk zou zijn geweest voor dit spoofen, de beschikking moet hebben gehad over gedetailleerde informatie met betrekking tot de laptop van verdachte, zoals merk- en typeaanduidingen van de betreffende daarin aanwezige of daarop aangesloten apparaten, alsmede de Vendor ID’s en Product ID’s van die apparaten, en deze vervolgens moet hebben verwerkt in logregels van het VMware Workstation op de SD-kaart die bij verdachte is aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit alles zodanig ongemerkt zou hebben plaatsgevonden dat de verdachte zijn betreffende stelling niet in enige mate kan onderbouwen, is niet aannemelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3)De verdediging heeft erop gewezen dat geen zekerheid is te krijgen over het overeenkomen van de onder meer in een chatgesprek weergeven datum en tijd met de werkelijke tijd, zulks in relatie tot de in het betreffende gesprek genoemde verjaardagsdatum. Gesteld noch gebleken is echter dat daadwerkelijk sprake was van een afwijking tussen de systeemtijd op de betreffende laptop en de daadwerkelijke tijd. Uitgangspunt is dat een laptop met een Windows-besturingssysteem zoals in casu aan de orde, in beginsel - onder meer door regelmatige synchronisatie van de systeemklok met de werkelijke tijd - een systeemtijd hanteert die overeenkomt met de werkelijke tijd. Alleen de gebruiker kan dit (laten) wijzigen. De verdachte heeft niet verklaard dat deze synchronisatie op zijn laptop was uitgeschakeld of dat de systeemtijd op andere wijze was gemanipuleerd. De stelling van de verdediging doet derhalve niet af aan de waarde van de geconstateerde overeenkomst tussen de in de chat genoemde verjaardagsdatum en die van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concluderend komt het hof tot het oordeel dat het, gezien de gegevens die op de SD-kaart worden vermeld over de verjaardagsdatum van de gebruiker, overeenkomend met de verjaardagsdatum van de verdachte, en de specifieke USB-configuratie van de laptop waarin deze is gebruikt, overeenkomend met die van een laptop in gebruik bij de verdachte, alsmede de data waarop deze gegevens zijn gegenereerd, aannemelijk is dat deze SD-kaart in gebruik is geweest bij de verdachte. De daarop voorkomende gegevens kunnen derhalve voor het bewijs worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de telefoon (in de pleitnotities van de raadsvrouw gelinkt aan beslagcode Zu 11 EO 1.004 waarmee het hof begrijpt te worden bedoeld beslagcode ZU111.01.004) heeft de verdediging aangevoerd dat deze niet aan verdachte toebehoorde of bij hem in gebruik was. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging gesteld dat deze telefoon bij de arrestatie uit de auto zou zijn gevallen en door een agent in de zak van verdachte zou zijn gestopt, nadat hij was geboeid. Verdachte zou toen hebben gezegd: “Wat doe je? Dit is niet mijn telefoon”. Deze onderbouwing van het verweer vindt echter geen steun in het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verdachte niet alleen lid van de criminele organisatie was, maar ook een leidinggevende rol had, blijkt uit de TorMails. Daarnaast zijn bij de verdachte dongels aangetroffen die gebruikt zijn om in te loggen op de internetbankier-omgevingen van moneymules.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het witwassen wordt nog het volgende overwogen. Dat geen concrete betrokkenheid van de verdachte bij alle opnamen, doorboekingen of moneymules kan worden aangetoond, doet er niet aan af dat hij ook daarvoor als medepleger kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor al is aangegeven, bestond er een nauwe organisatorische verwevenheid tussen de verschillende aspecten van de organisatie. Dit maakte het mogelijk om deze fraude succesvol te plegen en uiteindelijk over de gestolen gelden te kunnen beschikken door middel van witwassen. De verdachte was als geen ander daarvan op de hoogte en hij heeft daaraan een actieve, sturende bijdrage geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medeverdachte [medeverdachte 4] De medeverdachte [medeverdachte 4] is Chong. Dat kan als volgt worden vastgesteld: a. In TorMail #034 d.d. 7 november 2012 schrijft Chong aan Ching dat Chong het telefoonnummer [telefoonnummer 4] gebruikt (BM 53). De medeverdachte [medeverdachte 4] heeft bij de politie het nummer [telefoonnummer 5] als zijn telefoonnummer opgegeven (BM 108). De historische gegevens van deze telefoonnummers zijn vergeleken. Daaruit blijkt dat de beide telefoonnummers veelvuldig masten in de omgeving van de [adres 2] (nabij de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4]) aanstralen. Bovendien hebben de beide nummers op 1 november 2012 op vrijwel gelijke tijden 'welkom in het buitenland' sms-berichten ontvangen (BM 109). Verder blijkt uit onderzoek dat deze twee nummers regelmatig in elkaars nabijheid zijn (BM 110).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanhouding op 7 december 2012 is een rugzak van de medeverdachte [medeverdachte 4] in beslag genomen (BM 118). Daarin zat een map met de bankpas van de medeverdachte [medeverdachte 4] (BM 122) en diverse papieren, waaronder een overzicht van tegoeden van Cheng (het hof begrijpt: de verdachte) en Chong (BM 121).</p>\n<p class=\"lf-p\">In TorMail #061 d.d. 6 december 2012 schrijft Chang aan Ching dat Chong ‘3600 prive had gepind’ (BM 68). Blijkens de bankafschriften van de rekening van de medeverdachte [medeverdachte 4] heeft deze een bedrag van € 3.600,00 gepind op 28 juni 2012 (BM 164).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier besproken omstandigheden moeten niet alleen in onderlinge samenhang worden gezien, maar ook in de context dat bij de medeverdachte [medeverdachte 4] diverse andere voorwerpen zijn gevonden die onmiskenbaar met de TorRAT fraude samenhangen. Zo is in de hiervoor al genoemde rugzak van de medeverdachte [medeverdachte 4] ook een doorboekformulier aangetroffen met de namen en rekeningnummers van [moneymule 23] en [moneymule 27] (BM 119) en een adressenlijst, met daarop onder meer de namen [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] (BM 120). Al deze namen komen terug in het financiële/technische onderzoek: [moneymule 23] en [moneymule 27] worden genoemd in de configuratiebestanden met de bankrekeningnummers die ook op het doorboekformulier staan (BM 23), de gegevens van [betrokkene 5] zijn gebruikt bij de registratie van de domeinnaam incassocheck.com die is gebruikt bij een spamrun (BM 167), de gegevens van [betrokkene 4] zijn gebruikt voor het e-mailadres [betrokkene 4]653@live.com (BM 167) en de naam [betrokkene 6] sluit aan bij de naam van de afzender ([betrokkene 6]) van een e-mailbericht waarin een TorRAT-virus wordt gezonden van het adres [betrokkene 6]@mail.be naar het adres [betrokkene 4]653@live.com (BM 29 en 28). Verder is in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4] een laptop gevonden met daarop een chatgesprek uit februari 2013 dat aansluit bij het witwassen van gestolen geld naar bitcoins (BM 129). De betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte 4] bij TorRAT blijkt dus niet alleen uit de TorMails, maar ook (en in ruime mate) uit andere hoofde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconcludeerd wordt dat de medeverdachte [medeverdachte 4] lid is van de criminele organisatie achter TorRAT. Tevens is hij medepleger van het witwassen. Ook voor hem geldt dat de diefstal van het geld enerzijds en het witwassen daarvan anderzijds zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat het medeplegen van die diefstal ook medeplegen van het witwassen met zich brengt. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte 4] leiding gaf aan de criminele organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medeverdachte [medeverdachte 5] De medeverdachte [medeverdachte 5] is Chang. Dat kan als volgt worden vastgesteld: a. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 2] door de medeverdachte [medeverdachte 5] is bezocht na de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] op 7 december 2012 in het deelonderzoek Rotterdam/Dash. Met de politie concludeert de medeverdachte [medeverdachte 2] dat de medeverdachte [medeverdachte 5] dus Chang is (die in TorMail #062 zegt bij lid Assen (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 2]) langs te zullen gaan (BM 69)) (BM 139 en 141).</p>\n<p class=\"lf-p\">In TorMail #034 schrijft Chong aan Ching dat Chang het telefoonnummer [telefoonnummer 6] gebruikt (BM 53). [moneymule 17] heeft verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte 5] de telefoonnummers [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 8] gebruikt. De historische gegevens van deze telefoons zijn vergeleken en daaruit blijkt dat het telefoonnummer van Chang en de telefoonnummers van de medeverdachte [medeverdachte 5] regelmatig in elkaars nabijheid zijn (BM 111 en 112).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor bij de verdachte al besproken TorMails blijkt dat ook Chang op 20 november 2012 meeging met het bezoek aan Engeland. [betrokkene 3] heeft de medeverdachte [medeverdachte 5] herkend als een van de leden van de delegatie (BM 142).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de medeverdachte [medeverdachte 5] geldt dat deze omstandigheden niet alleen in onderlinge samenhang moeten worden gezien, maar ook in de context met de overige bewijsmiddelen. Zo is bij een huiszoeking bij de medeverdachte [medeverdachte 5] een dongel aangetroffen, waarmee is ingelogd op bankrekeningen van de moneymules (BM 130). Ook is een simkaarthouder gevonden van een simkaart, waarmee is ingelogd op de rekening van [moneymule 28] (een van de begunstigden genoemd in de configuratiebestanden (BM 131, 132 en 23). Verder staan op een telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen sms-berichten met de namen en gegevens van [moneymule 20] en [moneymule 39], twee van de moneymules (BM 114).</p>\n<p class=\"lf-p\">Die sms-berichten zijn uitgewisseld met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] waarvan aannemelijk is dat het door de medeverdachte [medeverdachte 5] werd gebruikt (BM 112). [moneymule 17] verklaart dat de medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] haar hadden gevraagd of zij de bedrijven [moneymule 18] en [moneymule 16] (twee moneymules uit de configuratiebestanden, BM 23) op haar naam wilde zetten. Zij verklaart dat de medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] wisten dat ‘ik in de shit zat en daarom vroegen ze mij’ (BM 145). De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft eveneens verklaard dat hij pasjes aan de medeverdachte [medeverdachte 5] afgaf (BM 139). Ook voor de medeverdachte [medeverdachte 5] geldt dus dat zijn betrokkenheid bij TorRAT niet alleen uit de TorMails blijkt, maar ook en in voldoende mate uit andere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de medeverdachte [medeverdachte 5] wordt dus wettig en overtuigend bewezen geacht dat hij lid was van de criminele organisatie achter TorRAT en medepleger van het witwassen. Niet bewezen is het tenlastegelegde leidinggeven aan die criminele organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medeverdachte [medeverdachte 6] (Ching) De medeverdachte [medeverdachte 6] is Ching. Dat kan als volgt worden vastgesteld: a. Ook voor de identificatie van Ching zijn de Torberichten in de dagen na 7 december 2012 en de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] van belang. Op 9 december 2012 schreef Ching in TorMail #085 dat hij (Ching) wil weten wat er aan de hand is, want hij heeft Cheng een \"aantal keren al op de chat gehad, maar hij reageert nergens op\" (BM 79). In de fouillering van de verdachte is een telefoon aangetroffen. Daarop is het volgende ontvangen sms-bericht aangetroffen: \"What is happening? Ik zie je op chat en krijg geen reactie? laat me ff wat weten. Gr.\" (BM 155). Dit bericht is afkomstig van het Thaise nummer van de medeverdachte [medeverdachte 6] (BM 155 jo 107). Naar aanleiding van de Torberichten in verband met de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] op 7 december 2012 heeft de medeverdachte [medeverdachte 2] de conclusie van de politie bevestigd dat de medeverdachte [medeverdachte 6] Ching is (BM 139 en 141).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor bij de verdachte al besproken TorMails blijkt dat ook Ching op 20 november 2012 meeging met het bezoek naar Engeland. [betrokkene 3] heeft de medeverdachte [medeverdachte 6] herkend als een van de leden van de delegatie (BM 142).</p>\n<p class=\"lf-p\">In TorMail #034 (BM 53) geeft Chong aan Ching de telefoonnummers van Cheng, Chong en Chang door. Blijkens het politieonderzoek hebben deze drie telefoonnummers één gemeenschappelijk contact, nummer [telefoonnummer 9], en dat nummer heeft contact gehad met diverse familieleden van de medeverdachte [medeverdachte 6] (BM 106).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de medeverdachte [medeverdachte 6] geldt dat deze omstandigheden niet alleen in onderlinge samenhang moeten worden gezien, maar ook in de context met de overige bewijsmiddelen. Zo is de medeverdachte [medeverdachte 6] (naast de medeverdachte [medeverdachte 5]) aangewezen door [moneymule 17]. Zij verklaarde dat de medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] haar hadden gevraagd of zij de bedrijven [moneymule 18] en [moneymule 16] (twee moneymules genoemd in de configuratiebestanden, BM 23) op haar naam wilde zetten (BM 145). Dit wordt bevestigd door [betrokkene 7], die wijst naar ‘[voornaam medeverdachte 6] met een Thaise vrouw’ als degene voor wie hij bedrijven heeft overgedragen aan [moneymule 17] (BM 150).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zegt [betrokkene 7] [bedrijf 5] (het hof begrijpt: [bedrijf 5]) aan [voornaam medeverdachte 6] te hebben overgedragen (BM 150). [moneymule 38] (hiervoor besproken als moneymule) zegt dat hij zijn pasjes heeft afgegeven aan een man die in Thailand woonde, naar uit de verklaring van [getuige 3] blijkt: de medeverdachte [medeverdachte 6] (152 en 153). Verder zijn in de woning van de getuige [getuige 1] papieren gevonden die volgens de getuige door de medeverdachte [medeverdachte 6] zijn achtergelaten, waaronder een brief van [benadeelde partij 2] aan [moneymule 37] (een van de moneymules) met inloggegevens voor internetbankieren (BM 133 e.v.). Kortom, gelet op het voorgaande, en gelet op de TorMails, is de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte 6] bij TorRAT bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de medeverdachte [medeverdachte 6] is het lidmaatschap van de criminele organisatie achter TorRAT en het medeplegen van het witwassen wettig en overtuigend bewezen. Over het witwassen wordt nog overwogen dat — naast de verklaringen van verschillende moneymules — ook uit de TorMails blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 6] hierbij betrokken was. Verwezen wordt naar TorMail #004 (BM 42) — waarin Ching aan Cheng de gegevens doorgeeft van moneymule [moneymule 44].</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de medeverdachte [medeverdachte 6] leiding heeft gegeven aan de criminele organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medeverdachte [medeverdachte 1] (Jantje) De medeverdachte [medeverdachte 1] is Jantje. Dat blijkt reeds uit het feit dat in TorMail #202 (BM 95) door Jantje wordt geschreven dat hij 11 bitcoins heeft betaald op bitcoinadres [bitcoinadres 1] en dat uit onderzoek van de politie blijkt dat deze betaling is gedaan vanaf een op naam van de medeverdachte [medeverdachte 1] staand account bij Mt. Gox in Japan (BM 165 en 166). Het betreft een opname (met de hashwaarde 0ad880bb8ae3b75cc4c073a756d8d9629fdcd1619ff52a153deac5c53d721bd8) op 28 april 2012, (10:16:14) van een bitcoinwallet die is gekoppeld aan het Mt. Gox-account ‘[Mt. Gox-account]’, dat op naam van de medeverdachte [medeverdachte 1] staat. Het hof heeft overigens geconstateerd dat de verdediging als door Mt. Gox verstrekt tijdstip van deze transactie 7:14:14 JST noemt, zonder bronvermelding. Gezien het navolgende is dit niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is betwist dat de medeverdachte [medeverdachte 1] via dit account aan het mailadres jantje@tormail.org kan worden gekoppeld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging gesteld dat de integriteit van de van Mt. Gox afkomstige informatie op losse schroeven staat en dat daarmee de koppeling van de medeverdachte [medeverdachte 1] aan genoemd mailadres onbetrouwbaar is. Daartoe heeft de verdediging erop gewezen dat er weliswaar op 28 april 2012 een transactie heeft plaatsgevonden met de hashwaarde 0ad880bb8ae3b75cc4c073a756d8d9629fdcd1619ff52a153deac5c53d721bd8, maar dat uit openbare bronnen blijkt dat die transactie een totale waarde had van 19,819 bitcoins en plaatsvond op 28 april 2012 om 12:33 uur, welk verschil met de van Mt. Gox afkomstige tijd niet kan worden verklaard door verschil in tijdzones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft de door de verdediging genoemde openbare bron www.blockchain.com ter verificatie van de hiervoor weergegeven stellingen eveneens geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit blijkt in de eerste plaats dat de transactie met hashwaarde 0ad880bb8ae3b75cc4c073a756d8d9629fdcd1619ff52a153deac5c53d721bd8 weliswaar een totale output had van (afgerond) 19,82 bitcoin, maar dat die output was gesplitst in een bedrag van 11 bitcoin naar bitcoinadres [bitcoinadres 1] en een bedrag van (afgerond) 8,82 bitcoin naar een ander bitcoinadres. Anders dan door de verdediging gesteld doet deze openbare bron op dit punt derhalve geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de van Mt. Gox afkomstige informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts blijkt uit deze bron inderdaad dat als datum bij de betreffende transactie 28 april 2012 om 12:33 uur wordt vermeld. Ook blijkt uit deze bron dat deze transactie samen met 43 andere transacties deel uitmaakt van blok 177578. Bij de informatie over dit blok wordt als ‘timestamp’ 2012-4-28 12:33 vermeld. Bij alle transacties die deel uitmaken van dit blok wordt ook deze datum en tijd vermeld. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, kan op grond van deze bron daarom niet worden vastgesteld dat de informatie van Mt. Gox onvoldoende betrouwbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere aanwijzing voor het feit dat de medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken is bij de organisatie vindt het hof in het volgende. Op 24 oktober 2012 wordt er ingelogd in de mailbox van [betrokkene 6]@mail.be. Dit inloggen gebeurde door een gebruiker van de VPN-dienst Mullvad, die heeft ingelogd op de server www.mail.be onder accountnaam [betrokkene 6]667 middels het wachtwoord ‘qwertyqwerty12’ (BM 162). Het wachtwoord ‘qwertyqwerty12’ wordt eveneens gebruikt door de gebruiker van het e-mailadres [betrokkene 4]653@live.com (BM 162). Daarnaast heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij het wachtwoord ‘qwertyqwerty12’ heeft gebruikt (BM 138), welk wachtwoord redelijk zeldzaam is (BM 163).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 september 2012 wordt er een bericht verstuurd met als onderwerp “hey check out this cool pic”, gericht aan het e-mailadres [betrokkene 4]653@live.com. De naam die is toegekend aan de geadresseerde in dit bericht is identiek aan de naam van de verzender van dit bericht, namelijk “[betrokkene 6]” (BM 29).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt hieruit af dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker is van [betrokkene 6]@mail.be en [betrokkene 4]653@live.com.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het hof reeds heeft vastgesteld dat de medeverdachte [medeverdachte 1] Jantje is en dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de gebruiker is van [betrokkene 6]@mail.be en [betrokkene 4]653@live.com, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gebruiker van [betrokkene 4]653@live.com en jantje@tormail.org ook een en dezelfde persoon zijn, te weten de medeverdachte [medeverdachte 1].</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merkt het hof op dat het e-mailadres [betrokkene 4]653@live.com is geregistreerd op 3 juli 2012 waarbij het gebruik van de naam [betrokkene 4] in combinatie met de postcode ‘[postcode 1]’ opvallend is, omdat deze combinatie ook voorkomt in een adreslijst (beslagcode XVV66.01.001.002.001) die in beslag is genomen in Rotterdam. In het proces-verbaal van bevindingen met nummer 30322602 is eenzelfde modus operandi geconstateerd in het registreren van de domeinnaam incassocheck.com waarbij de domeinnaam is geregistreerd met gegevens die ook voorkomen op de adreslijst met beslagcode XVV66.01.001.002.001. Het gaat hierbij om de volgende gegevens: jantje@tormail.org (BM 167).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adres jantje@tormail.org komt in het technisch onderzoek naar de TorRAT-malware veelvuldig voor. Zo fungeerde dit e-mailadres als testadres voor meerdere TorRAT-spamruns (BM 33 e.v.) en is het gebruikt bij de registratie van de in een TorRAT-spamrun gebruikte domeinnaam incassocheck.com (TorMail #113 en BM 167). Verder is het e-mailadres gebruikt om te controleren of TorRAT door antivirussoftware wordt herkend (BM 30) en is jantje@tormail.org te linken aan de Mullvad-gebruiker die blijkens het politieonderzoek de C&amp;C-server heeft beheerd (BM 160 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft betwist dat de medeverdachte [medeverdachte 1] aan één van beide reeds meermalen in het onderhavige arrest genoemde .onion-servers (preciezer: C&amp;C-servers bereikbaar via een .onion-URL) is te koppelen. Daartoe is aangevoerd dat slechts ten aanzien van een vijftal momenten in de periode van 27 tot en met 31 oktober 2012 is vastgesteld dat vanaf een aan de medeverdachte [medeverdachte 1] toegerekend IP-adres contact zou zijn gelegd met een (niet-.onion)C&amp;C-server, en dat dat te beperkt is om te kunnen vaststellen dat sprake is van beheer van de C&amp;C-servers door de medeverdachte [medeverdachte 1].</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat vanaf voornoemd aan de medeverdachte [medeverdachte 1] toegerekend IP-adres contact is gelegd met diverse IP-adressen die inmiddels blijken te hebben toebehoord aan één of meer C&amp;C-servers van TorRAT. Zoals het hof eerder heeft overwogen, is toegang tot een C&amp;C-server essentieel voor het beheren van een botnet zoals dat van TorRAT en dat er geen aanwijzingen zijn voor het scenario dat een andere dadergroep achter TorRAT het beheer daarvan (deels) heeft overgenomen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het aannemelijk is dat TorRAT vanaf 31 oktober 2012 of kort daarvoor ook aangestuurd kon worden door C&amp;C-servers die zich niet in een Tor-netwerk bevonden. Gebleken is voorts dat degene die contact zocht met de C&amp;C-servers de nodige maatregelen trof, zoals het gebruik van een Mullvad-VPN-server, om zijn of haar identiteit verborgen te houden. Tegen die achtergrond is het desalniettemin - door uitvoerig en diepgaand technisch onderzoek - aantreffen van aanwijzingen voor het hebben plaatsgevonden van dergelijk contact, eerder uitzonderlijk te noemen dan dat in de lijn der verwachting ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen de achtergrond van alle hiervoor genoemde vaststellingen vormt de omstandigheid dat er slechts een beperkt aantal concrete momenten kan worden aangewezen waarop de medeverdachte [medeverdachte 1] toegang tot een (URL verband houdende met een) C&amp;C-server had, geen grond om hem niet als beheerder aan te merken. Dat sluit overigens niet uit dat andere leden van de groep achter TorRAT die toegang eveneens hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter toelichting merkt het hof nog op dat de constatering dat de medeverdachte [medeverdachte 1] reeds eind september 2012 contact had met IP-adressen waarop vrij kort daarna een of meer TorRAT-C&amp;C-servers actief waren, niet wil zeggen dat die server(s) op het moment van die contacten al actief was/waren. Het ligt voor de hand dat de overgang van servers in het Tor-netwerk naar het reguliere internet de nodige voorbereiding vergde. Dat wordt bevestigd in het INTEL-93 rapport, waarin op 13 november 2012 de volgende observatie wordt genoteerd: “When searching for relations between the domains used by the torrat infrastructure we see many domains which are used to host unrelated but malicious infrastructure. (...) This (...) gives us an indication that he is definitely starting to use services offered by the established cybercrime underground”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de medeverdachte [medeverdachte 1] geldt daarom dat hij lid van de criminele organisatie achter TorRAT was. Meer specifiek was zijn rol die van beheerder van de TorRAT-malware.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is naar het oordeel van het hof sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de medeverdachte [medeverdachte 1] leiding heeft gegeven aan de criminele organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medeverdachte [medeverdachte 1] is medepleger van feit 1, het witwassen. Ook voor hem geldt dat de diefstal van het geld enerzijds en het witwassen daarvan anderzijds zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat het medeplegen van die diefstal ook medeplegen van het witwassen met zich brengt.De medeverdachte [medeverdachte 2]De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij de gebruiker van het xel12xel@tormail.org adres is en dat hij vennootschappen heeft opgericht c.q. overgedragen, onder meer voor [betrokkene 8] ([moneymule 22], een van de begunstigden genoemd in de configuratiebestanden, BM 23). Hij heeft verder erkend — zoals ook [betrokkene 8] heeft verklaard (BM 144) — dat hij de pasjes van de formele bestuurders innam en afgaf aan de medeverdachte [medeverdachte 5] en [betrokkene 7] (BM 139 e.v.). [moneymule 17] heeft bevestigd dat de medeverdachte [medeverdachte 2] meeging naar de Kamer van Koophandel toen zij de bedrijven [moneymule 18] en [moneymule 16] — twee van de moneymules uit de configuratiebestanden, BM 23) — van haar naam wilde hebben (BM 145).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte 2] als lid ‘Xel’ deel heeft genomen aan de TorRAT criminele organisatie (feit 2) en medepleger is van het witwassen (feit 1). Weliswaar heeft hij daarin in vergelijking tot de medeverdachten [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] een kleinere rol gehad — zoals zijn raadsman terecht heeft aangevoerd is de medeverdachte [medeverdachte 2] een loopjongen geweest voor de andere (mede-)verdachten —, maar zijn rol is nog steeds voldoende substantieel geweest. Hij verkeerde immers in de positie om feitelijk over (een deel van) de gestolen gelden te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Deelonderzoek Rotterdam Afzonderlijke aandacht verdient het deelonderzoek Rotterdam. Het is niet in geschil dat het daar niet gaat om een TorRAT transactie, maar om een andere wijze van fraude met internetbankieren. Er is op frauduleuze wijze geld overgeboekt van de bankrekening van de [belangenorganisatie] (hierna: de [belangenorganisatie]) naar [bedrijf 6] en met een deel van dat geld zijn gouden munten gekocht bij [bedrijf 7]. Aldus is een deel van het gestolen geld witgewassen (BM 156 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] als medeplegers van het witwassen van dit geldbedrag kunnen worden gezien. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 4] zijn aangehouden op 7 december 2012 toen zij in een auto zaten met [betrokkene 9] en [betrokkene 10], nadat [betrokkene 9] en de medeverdachte [medeverdachte 4] de munten bij de juwelier hadden opgehaald (BM 158 e.v). Uit de verklaring van [betrokkene 9] blijkt dat de verdachte hierbij de leiding had, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 4] bovendien een opmerking had gemaakt over de aanwezigheid van de politie (BM 147).</p>\n<p class=\"lf-p\">7Slotopmerkingen over het bewijs van de feiten 1 en 2Mede naar aanleiding van het requisitoir en gevoerde verweren wordt nog het volgende overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplegen van feit 1 Het hof stelt voorop dat voor medeplegen volgens vaste rechtspraak vereist is dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Wel moet de eigen bijdrage van een verdachte van voldoende gewicht zijn. Voor de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bestaat die samenwerking daaruit dat zij ieder taken hebben verricht waardoor de TorRAT fraude mogelijk werd. Enerzijds was de techniek nodig, anderzijds was het de beschikbaarheid van voldoende en tijdig inzetbare moneymules die het mogelijk maakte om gelden daadwerkelijk te ontvreemden: eerst door de momeymules op te nemen in de configuratiebestanden en vervolgens als betalingsadres voor het ontvreemde geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het witwassen is in deze zaak vervolgens een onlosmakelijk onderdeel van de fraude; immers, als het geld te lang bij de moneymules staat, dan kunnen de banken transacties blokkeren en gelden terughalen, zoals in deze zaak veelvuldig is gebeurd. De beschreven samenwerking moet naar zijn aard nauw geweest zijn. Anders dan bepleit, is het hof van oordeel dat het niet zo is dat per transactie gekeken moet worden naar de (bewijsbare) bijdrage van ieder der verdachten. Voor ieder van deze verdachten geldt dat zij een rol van voldoende gewicht hebben gespeeld binnen de TorRAT-fraude en dat rechtvaardigt strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegperiode Door de verdediging van verschillende verdachten is aangevoerd dat zij in ieder geval na december 2012 geen betrokkenheid meer hadden met TorRAT. Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de toerekenbaarheid van transacties aan TorRAT blijkt dat de eerste van die transacties die tot feitelijke benadeling heeft geleid en aldus relevant is voor feit 1, dateert van 8 augustus 2012 en de laatste van 6 december 2012. Als pleegperiode ten aanzien van feit 1 houdt het hof daarom aan de periode van augustus 2012 tot en met december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegplaats Door de verdediging van de medeverdachte [medeverdachte 6] is aangevoerd dat een bedrag van € 7.013,68 is witgewassen via [bedrijf 5] in België en erop gewezen dat België niet als pleegplaats op de tenlastelegging staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt. De overboeking van [bedrijf 5] vond plaats vanaf de Nederlandse bankrekening van begunstigde [moneymule 37], naar welke bankrekening het TorRAT-geld van de benadeelde in eerste instantie was overgemaakt. Vervolgens werd het bedrag overgeboekt naar de Nederlandse bankrekening van begunstigde [betrokkene 11]. Het witwassen startte derhalve met een overboeking naar een Nederlandse bankrekening ([moneymule 37]), waarna het geld via de bankrekening van [bedrijf 5] naar de Nederlandse bankrekening van [betrokkene 11] ging en contant werd opgenomen. Dit alles werd door verdachten vanuit Nederland georganiseerd, waar verdachten het beheer voerden over de diverse bankrekeningen en waar vanaf de Nederlandse bankrekening van [betrokkene 11] het bedrag contant is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat gezien de witwashandelingen rond de transactie waarbij het TorRAT-geld weliswaar enige tijd op de bankrekening van [bedrijf 5] in België heeft gestaan, maar vervolgens weer is doorgeboekt naar de Nederlandse bankrekening van [betrokkene 11], (ook) in Nederland is witgewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuigenverklaringen De verdediging van een aantal (mede-)verdachten heeft aangevoerd dat de verklaringen van diverse moneymules, van de medeverdachte [medeverdachte 2] en van [betrokkene 7] onvoldoende betrouwbaar zijn en/of dat het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuigen niet naar behoren kon worden gerealiseerd, bijvoorbeeld doordat zij zich op een verschoningsrecht beriepen of zodanig emotioneel werden dat zij vragen niet of niet-adequaat konden beantwoorden. Dit verweer slaagt niet. De voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen vinden voldoende steun in andere bewijsmiddelen en de hierna volgende veroordeling berust niet in doorslaggevende mate op deze verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oogmerk van organisatie De verdediging van een aantal (mede-)verdachten heeft terecht aangevoerd dat het oogmerk van de criminele organisatie in feit 2 van de tenlastelegging te ruim is omschreven. Voor die delen van het tenlastegelegde oogmerk waar geen bewijs voor is, zal het hof de verdachte partieel vrijspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van augustus 2012 4 mei 2012 tot en met december 2012 21 oktober 2013, te Utrecht en/of Amsterdam en/of Haarlem en/of Maastricht en/of Emmen en/of Zwolle en/of Roden en/of Alkmaar en/of Woubrugge, althans in Nederland en/of in Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer 243.273,36 279.873,67 zegge tweehonderddrieënveertigduizend tweehonderddrieënzeventig euro en zesendertig cent negenenzeventig duizend en achthonderd drieënzeventig komma zevenzestig euro) en/of een of meer Bitcoins, althans digitale ‘wallets’ inhoudende de digitale ‘currency’ bitcoins, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, althans door te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemde (een) geldbedrag(en) en/of Bitcoins, althans digitale ‘wallets’ inhoudende de digitale ‘currency’ bitcoins zijn/waren en/of door te verbergen en/of te verhullen wie voornoemde voorwerp(en) voorhanden had, immers, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (voornoemd(e) geldbedrag(en) verkregen door het (laten) versturen van (grote hoeveelheden) e-mailberichten (zogenaamde ‘spamruns’) waardoor computers van derden zijn geïnfecteerd met (TorRAT) malware en/of (vervolgens) de mogelijkheid verkregen het online betalingsverkeer tussen de klant en de bank te manipuleren en/of (vervolgens) die gelden (onder valse omschrijvingen) naar andere bankrekeningen overgeschreven en/of (laten) overschrijven dan waartoe opdracht was gegeven, althans gelden (onder valse omschrijvingen) heeft overgeschreven en/of (laten) overschrijven waar de klant geen opdracht toe had gegeven en/of vervolgens -dat/die geldbedrag(en) meermalen doorgeboekt/overgeboekt naar (buitenlandse en/of zakelijke) bankrekeningen die (indirect) door hem en/of zijn mededaders werden beheerd en/of gecontroleerd en/of gebruikt en/of (vervolgens) -dat/die geldbedrag(en) van die bankrekeningen opgenomen in contanten (ter doorbreking van de papertrail) en/of -de digitale banktegoeden en/of contante bedragen omgezet naar ‘bitcoins’, althans met die geldbedragen ‘bitcoins’ gekocht en/of verkocht en/of beheerd in diverse niet op de natuurlijke persoon tenaamgestelde ‘wallets’, en/of -een door middel van oplichting/phishing van [belangenorganistie] [belangenorganisatie] ([belangenorganisatie]) verkregen geldbedrag (ongeveer 8.155,00 zegge acht duizend en honderd en vijfenvijftig euro) doorgeboekt/overgeboekt naar (een) bankrekening(en) die (indirect) door hem en/of zijn mededaders werd(en) beheerd en/of gecontroleerd en/of gebruikt en/of (vervolgens) met dat geldbedrag gouden munten gekocht en/of beheerd,</div>\n<p class=\"lf-p\">welke geldbedrag(en) en/of ‘bitcoins’ - middellijk of onmiddellijk - van misdrijf afkomstig zijn, en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) gebruik gemaakt van diverse bankrekeningen op naam van diverse moneymules en/of via die bankrekeningen geld ontvangen en/of overgeboekt of laten overboeken, welke banktegoeden en/of geldbedragen en/of banktransacties (deels) -middellijk of onmiddellijk - afkomstig waren van enig misdrijf, welke voornoemde handelingen door verdachte en/of zijn mededader(s) zijn verricht om daarmee de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen en/of te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of te verhullen wie voornoemd(e) voorwerp(en) (daadwerkelijk, althans mede) voorhanden had(den) en/of voornoemde voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (ongeveer 279.873,67 zegge tweehonderd negenenzeventig duizend en achthonderd drieënzeventig komma zevenzestig euro) en/of een of meer Bitcoins, althans digitale ‘wallets’ inhoudende de digitale ‘currency’ bitcoins, verworvenen/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2012 tot en met 21 oktober 2013 in Utrecht, Amsterdam, Haarlem, Maastricht, Emmen, Zwolle, Roden, Alkmaar, Woubrugge, althans in Nederland en/of in Groot-Brittannië,tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het -opzettelijk en wederrechtelijk toegang verschaffen tot een geautomatiseerd werk (strafbaar gesteld in artikel 138ab Wetboek van Strafrecht); -opzettelijk en wederrechtelijk toegang belemmeren tot een geautomatiseerd werk of daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden (strafbaar gesteld in artikel 138b Wetboek van Strafrecht)-opzettelijk en wederrechtelijk met technisch hulpmiddel gegevens, die worden overgedragen of bewerkt middel een geautomatiseerd werk, aftappen of opnemen (strafbaar gesteld in artikel 139c Wetboek van Strafrecht);-opzettelijk in een geautomatiseerd werk een technisch hulpmiddel aanwezig doen zijn met oogmerk om geautomatiseerde gegevens af te tappen of op te nemen (strafbaar gesteld in artikel 139d Wetboek van Strafrecht);-opzettelijk beschikken over een voorwerp waarvan hij weet/redelijkerwijs moet vermoeden dat daarop gegevens zijn vastgelegd die door onrechtmatig afluisteren, aftappen en/of opnemen zijn verkregen (strafbaar gesteld in artikel 139e Wetboek van Strafrecht);-diefstal door twee of meer verenigde personen en/of door middel van een valse sleutel (strafbaar gesteld in 311 lid 1 onder 4 en 5 Wetboek van Strafrecht);-door samenweefsel van verdichtselen en listige kunstgrepen de klanten vanbankinstellingen bewegen tot afgifte van (TAN) codes ter signering van betalingen via internetbankieren (strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht);-witwassen als bedoeld in artikel 420bis en/of 420ter en/of 420quater Wetboek van Strafrecht; van welke organisatie verdachte (mede-) oprichter en/of (mede-) leider en/of (mede-) bestuurder was.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘Sv’) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van het een gewoonte maken van witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven van welke organisatie hij leider was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunten De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig het overgelegde schriftelijk requisitoir - gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde pleitnotities bepleit dat - indien het hof tot een bewezenverklaring mocht komen – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de 12 en 18 maanden als uitgangspunt dient te worden genomen en dat voorts rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernst van de feiten Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte zich op de bewezenverklaarde wijze samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan grootschalige en langdurige criminele activiteiten, die opvallen door professionaliteit, geraffineerdheid, het gebruik van geavanceerde digitale technieken om toegang te bewerkstelligen tot bancaire gelden van derden en ontdekking te voorkomen en het intensieve samenwerkingsverband tussen de verdachte en zijn medeverdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemde criminele activiteiten bestonden hieruit dat de verdachte samen met zijn mededaders rekeninghouders van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft benadeeld. Via zogenaamde “spamruns” werden duizenden mails verstuurd naar met name midden- en kleinbedrijven in de zakelijke sector. Deze mails betroffen veelal aanmaningen of voorstellen voor een betalingsregeling. In de mails zat een link naar, ogenschijnlijk, een openstaande factuur of ander (PDF-)bestand, maar in werkelijkheid betrof het een programma dat in het geval van aanklikken ongemerkt kwaadaardige software, in casu zogenaamde “TorRAT-malware”, op de computers van de gebruikers achterliet waardoor bij het gebruik van internetbankieren het bankrekeningnummer, de naam van de begunstigde en de omschrijving van de betaling kon worden aangepast, zonder dat dit voor de gebruiker van die computer (direct) zichtbaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze konden betalingen door de TorRAT-malware worden omgeleid naar de bankrekeningen van daartoe geworven zogeheten moneymules, zijnde personen die hun rekening, bankpas en pincode, al dan niet vrijwillig, ter beschikking hadden gesteld voor gebruik door anderen. De geldbedragen werden vervolgens zo snel mogelijk aan het zicht van de banken en politie en justitie onttrokken door deze — al dan niet met tussenkomst van een tweedelijns-moneymule waar het geld naar werd doorgeboekt — zo snel mogelijk contant te maken middels een contante geldopname of om te zetten in bitcoins. De opgenomen, doorbetaalde en/of in bitcoins omgezette bedragen werden op deze wijze witgewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte een leidinggevende rol had binnen voornoemd samenwerkingsverband, dat door de duurzaamheid en gestructureerde vorm daarvan als criminele organisatie wordt gekwalificeerd. Hij onderhield als enige contact met de TorRAT malware-beheerder, zijnde de medeverdachte [medeverdachte 1], en hij gaf opdrachten aan en aan hem werd terug gerapporteerd door de andere medeverdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders het systeem van internetbankieren op grove wijze aangevallen en het vertrouwen dat een ieder moet kunnen hebben in de integriteit van het elektronische betalingsverkeer ondermijnd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen een groot aantal rekeninghouders, maar ook de bankinstellingen zijn door het handelen van de verdachte en zijn mededaders gedupeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt door het witwassen van “crimineel verkregen geld” het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als de verdachte die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt tevens een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich bij zijn handelen enkel laten leiden door financieel gewin en heeft daarbij tevens misbruik gemaakt van personen die door financiële en/of andersoortige problemen als kwetsbaar zijn aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt dit de verdachte kwalijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van een passende straf heeft het hof zich georiënteerd op de tenlastegelegde feiten, waarin met betrekking tot feit 1, zoals eerder overwogen, uitsluitend is aangestuurd op veroordeling voor gewoontewitwassen. In zoverre heeft het hof als uitgangspunt aangehouden welke straf pleegt te worden opgelegd in geval van veroordeling ter zake van gewoontewitwassen met een benadeling in de orde van grootte als bewezenverklaard. Het hof heeft de verwijtbaarheid ter zake van niet tenlastegelegde overige gedragingen die aan het gewoontewitwassen zijn voorafgegaan buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Justitiële documentatie Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 januari 2021, waaruit blijkt dat deze eerder – zij het langere tijd geleden - is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoon van de verdachte Tevens heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden zoals op de terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke termijn De advocaat-generaal en de raadsvrouwen hebben betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat in artikel 6, lid 1, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de redelijke termijn in hoger beroep overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouwen op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg en in hoger beroep wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder ook de mate waarin die termijn in eerste aanleg is overschreden, kan die overschrijding ook worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in hoger beroep, mits de procedures in eerste aanleg en hoger beroep tezamen niet meer dan vier jaar in beslag hebben genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is op 21 oktober 2013 in verzekering gesteld. Het vonnis waarvan beroep is op 20 juli 2016 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met 9 maanden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de verdachte is op 2 augustus 2016 hoger beroep ingesteld. Het arrest wordt op 30 maart 2021 uitgesproken. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 32 maanden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep in ernstige mate, te weten met 41 maanden, is overschreden. Ondanks de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak en het feit dat er door en namens de verdachte meerdere onderzoekswensen zijn gedaan, is het hof van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Voor feiten als de onderhavige kan, gezien de ernst, de duur en het grote aantal gedupeerden, en ondanks de ouderdom van de feiten, niet met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is dan ook - alles overwegende – van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden een passende en geboden reactie vormt, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 166.227,25, vermeerderd met de wettelijke rente. De bank stelt schade te hebben geleden wegens het vergoeden van de als gevolg van bancaire malware ontstane schades aan zijn benadeelde rekeninghouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gesteld voor het bedrag van € 166.227,25.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep is de vordering derhalve aan de orde tot het bedrag van € 166.227,25.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte verzocht deze vordering af te wijzen, primair nu ten aanzien van feit 1 vrijspraak is bepleit en de opgevoerde schade daarin zijn grondslag zou vinden en subsidiair omdat er aan de zijde van de banken geen sprake is van rechtstreekse schade zoals bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv. Meer subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag te matigen vanwege het feit dat de banken de verzochte schade van hun verzekeraar vergoed hadden kunnen krijgen. Tot slot wordt namens de verdachte verzocht af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 134.626,42 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2] In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 105.491,42, vermeerderd met de wettelijke rente. De bank stelt schade te hebben geleden wegens het vergoeden van de als gevolg van bancaire malware ontstane schades aan zijn benadeelde rekeninghouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 105.491,42.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep op dit punt, met toevoeging van de hoofdelijkheidsclausule. Tevens verzoekt de advocaat-generaal de wettelijke rente toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte verzocht deze vordering af te wijzen, primair nu ten aanzien van feit 1 vrijspraak is bepleit en de opgevoerde schade daarin zijn grondslag zou vinden en subsidiair omdat er aan de zijde van de banken geen sprake is van rechtstreekse schade zoals bedoeld in artikel 51f lid 1 Sv. Meer subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag te matigen vanwege het feit dat de banken de verzochte schade van hun verzekeraar vergoed hadden kunnen krijgen. Tot slot wordt namens de verdachte verzocht af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 100.491,94 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie om ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen, overweegt het hof als volgt. Voor de verdachte kleven, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, grote nadelen aan het opleggen van deze maatregel in verband met het risico dat hij wegens betalingsonmacht gegijzeld kan worden. Anderzijds zijn de voordelen voor de benadeelde partijen bij deze maatregel in casu relatief gering. Daar komt bij dat de benadeelde partijen als professionele organisaties in staat geacht moet worden zelfstandig de schade te verhalen, nu met de toewijzing van de vordering de aansprakelijkheid van de verdachte een gegeven is. Alle belangen afwegend, zal het hof niet tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag Ten aanzien van de te nemen beslissing omtrent de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat bevestiging kan volgen van het vonnis waarvan beroep. Ten aanzien van de voorwerpen waar conservatoir beslag op ligt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat dit nu niet aan de orde is en dat het conservatoir beslag gehandhaafd zal blijven ten behoeve van de ontnemingsvorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, primair nu de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem wordt tenlastegelegd en subsidiair omdat niet kan worden vastgesteld dat met de inbeslaggenomen voorwerpen het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden, dan wel dat deze goederen hebben bijgedragen aan het begaan van het tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat er in eerste aanleg geen beslissing is genomen omtrent de onder 1, 2a en 2 genoemde voorwerpen op de lijst van 5 april 2017 van inbeslaggenomen voorwerpen. Nu op deze voorwerpen conservatoir beslag is gelegd en deze voorwerpen derhalve niet op strafrechtelijke titel in beslag zijn genomen, wordt van het hof niet vereist hieromtrent een beslissing te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal ten aanzien van de onder 4 tot en met 66 genummerde voorwerpen op de lijst van 19 april 2016 van inbeslaggenomen voorwerpen (als bijlage III aan dit arrest gehecht), de teruggave aan de verdachte gelasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 140 en 420ter Sr, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 134.626,42 (honderdvierendertigduizend zeshonderdzesentwintig euro en tweeënveertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat, indien en voor zover een mededader aan zijn betalingsverplichting jegens de benadeelde partij heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2].</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]. ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100.491,94 (honderdduizend vierhonderdeenennegentig euro en vierennegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat, indien en voor zover een mededader aan zijn betalingsverplichting jegens de benadeelde partij heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:nummers 4 t/m 66 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffiers mr. C.M. Jellema en mr. J.J. Mossink.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 maart 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het navolgende zullen regelmatig technische begrippen worden gebruikt. Voor de leesbaarheid is als bijlage II aan dit arrest een begrippenlijst gehecht van aanduidingen die in dit arrest worden gebruikt. Die lijst beoogt derhalve geen in een breder verband geldige begripsomschrijvingen te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de leesbaarheid wordt verwezen naar de bewijsmiddelen uit bijlage I bij dit arrest, steeds aangeduid met 'BM' gevolgd door het nummer, dan wel naar de aanvulling op de overgenomen bewijsmiddelen, steeds aangeduid met 'BM’ gevolgd door een letter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen haakjes zal het hof steeds de naam vermelden van de begunstigde, zoals deze is opgenomen en geschreven in de bijbehorende configuratie of in de bijlage bij de aangiften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zal in dit arrest onder punt 5 nader ingaan op het gebruik van de aliassen Cheng, Chong, Chang, Ching, Jantje en Xel en de koppeling hiervan aan de verdachte en de medeverdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het IP-adres [IP-adres 1] is blijkens het rapport van Trend Micro ook gebruikt door `Jantje' bij het gebruik van scan4you. `Jantje' gebruikte blijkens dat rapport scan4you om de TorRAT malware te testen op herkenning door antivirussoftware (BM 30).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om misverstanden te voorkomen: het hof ziet de overboeking van de bankrekening van een slachtoffer naar de moneymule als diefstal en nog niet als witwassen. Het is de daarop volgende versluiering van de criminele herkomst door contant maken of omzetting in bitcoins die het hof als witwassen aanmerkt. Uit de repliek van de officier van justitie in eerste aanleg maakt het hof op dat de (mede-)verdachten niet wordt verweten dat er bitcoins zijn witgewassen, maar dat er geld is witgewassen door dit om te zetten naar bitcoins. De (mede-)verdachten zullen vrijgesproken worden van het deel van de tenlastelegging waarin hen wordt verweten dat zij bitcoins hebben witgewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TorMail gebruiker 'Eng' is blijkens TorMail #053 [betrokkene 3]. Dit wordt hierna niet verder uitgewerkt nu [betrokkene 3] thans niet terecht staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeverdachte [medeverdachte 3] wordt in een arrest van gelijke datum veroordeeld voor medeplegen van een deel van het witwassen (feit 1) en vrijgesproken van lidmaatschap van een criminele organisatie (feit 2). Zijn verklaringen worden deels in dit arrest voor het bewijs gebruikt, maar voor het overige blijft hij hier buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna genoemde TorMails zijn opgenomen in § B van bijlage I bij dit arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geld dat volgens de aangifte van [benadeelde partij 1] frauduleus is overgeboekt naar [moneymule 37] (een van de moneymules), is doorgeboekt naar de rekening van [bedrijf 5] in België (BM 32).</p></div>", "next": 0}