{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de stellingen die appellanten innemen, is bepalend dat zij aan daaraan ten grondslag hebben gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat [gijzelnemer 1] (en [gijzelnemer 2] ) is (zijn) geëxecuteerd. De rechtbank heeft zich daarom terecht gebogen over de vraag welk schot dodelijk is geweest en of het afvuren van dat dodelijke schot onrechtmatig was. Met grief 15 voeren appellanten aan dat ook niet-dodelijk geweld onder artikel 2 EVRM kan vallen. Dat is op zichzelf zeker juist, maar nu appellanten geen vordering met betrekking tot het niet-dodelijke geweld hebben ingesteld (bijvoorbeeld een verklaring voor recht dat de geweldstoepassing in de trein als zodanig onrechtmatig was), heeft die grief geen relevantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat er in navolging van patholoog-anatoom [dr. C] van uit dat de dood van [gijzelnemer 1] is veroorzaakt door het schot dat via een inschotopening boven het linker sleutelbeen zich een weg heeft gebaand naar de lies. Het gaat in deze zaak alleen om de (on)rechtmatigheid van dat dodelijke schot. Als geoordeeld moet worden dat het dodelijke schot niet onrechtmatig is, spelen de andere schoten in juridische zin bij deze vordering geen rol meer, ook niet wanneer zou moeten worden aangenomen dat die andere schoten onrechtmatig waren en eventueel ook de dood hadden kunnen veroorzaken. Ook in dat geval zou dezelfde schade immers door het rechtmatige schot zijn geleden. In deze civielrechtelijke procedure kan een verder onderzoek naar andere schoten dan het dodelijke schot daarom achterwege blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toedracht 9.6 De rechtbank heeft na afweging van de verschillende scenario’s geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat de kogel die [gijzelnemer 1] heeft gedood is afgevuurd van buiten de trein. Het hof onderschrijft dat oordeel en de gronden waarop het berust. Daaraan ligt het volgende ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7 In het Archiefonderzoek is ten aanzien van de oorzaak van de dood van [gijzelnemer 1] op pagina’s 98 en 99 het navolgende vermeld: “westzijde trein oostzijde trein Het stoffelijk overschot van [gijzelnemer 1] bevond zich op positie 3. Hij lag op zijn rug, half op de bank (benen) en half op de grond (schouders) van de coupé met het hoofd naar de treinwand (westen) en de voeten naar het gangpad (oosten). De ramen in de gang en in de coupé waren door de gijzelnemers verduisterd. Gelet op de houding van het stoffelijk overschot is het onwaarschijnlijk dat [gijzelnemer 1] heeft gestaan voordat hij neerviel. Waarschijnlijk is zijn bovenlichaam tijdens de beschieting van de bank af gegleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de beëindiging van de gijzeling werd deze positie eerst bevuurd door de precisieschutters. Daarna werd positie 3 bevuurd door de mariniers eerst van buiten de trein en na het binnendringen van de mariniers vanuit de gang de verduisterde coupé in. [gijzelnemer 1] werd dodelijk getroffen door een projectiel dat kan zijn afgevuurd door zowel de precisieschutters, als de mariniers buiten de trein, als de mariniers in de trein al dan niet van dichtbij. Aangezien het autopsierapport vermeldt, dat boven de inschotopening van het dodelijke schot een 8 centimeter lange schroeiplek is aangetroffen, is het meest waarschijnlijk dat het dodelijke schot van dichtbij is afgevuurd. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid of het dodelijke schot van buiten de trein is afgevuurd dan wel van binnen. Het verband tussen de houding waarin het stoffelijk overschot is aangetroffen, de baan van het dodelijke projectiel, de locatie van de schroeiplek en een realistische schiethouding van een marinier waarin deze schroeiplek kon worden veroorzaakt, kan niet worden gelegd. De precieze toedracht van het dodelijke schot is dan ook niet vast te stellen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 Voorts is in het Archiefonderzoek op pagina 91 onder meer vermeld: “In het bronmateriaal zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gijzelnemers in de kop van de trein zich verzet hebben tegen de mariniers. Gelet op de houding van de overleden gijzelnemers en het niet aantreffen van hulzen uit de wapens van gijzelnemers in de coupés, is het niet waarschijnlijk dat de gijzelnemers wapens hebben gebruikt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 In het autopsierapport van [dr. C] betreffende de schouwing van het lichaam van [gijzelnemer 1] is onder meer opgenomen: “In de linker wang vlak onder het jukbeen werd een wond aangetroffen van 1 cm in diameter. Deze wond was via het jukbeen onder het oog langs te sonderen tot onderhuids aan de linker zijde van het hoofd over een afstand van 14 cm. Op deze plaats bevond zich een kogel […] Aan de linker zijde vlak boven het linker sleutelbeen werd een wond gevonden van 1½ cm in diameter, hierboven bevond zich een 8 cm lange verticale schroeivlek […] In- en uitwendig onderzoek van het lijk van [gijzelnemer 1] toonde aan dat diverse schotwonden konden worden aangetoond waarvan voor het overgrote deel de kogelbanen in de lengte van het lichaam verliepen […] Slechts één schotwond aan de linker zijde van de knie verliep loodrecht op de lichaamslengte […] Waarschijnlijk vrijwel tegelijk met het projektiel dat deze [dodelijke] verwondingen had veroorzaakt was een tweede projektiel afgeschoten dat aan de linker zijde naast het borstbeen ter hoogte van de derde rib werd gevonden onderhuids.[…] [gijzelnemer 1] is overleden aan een schotwond die via de inschot opening boven het linker sleutelbeen verwonding van het hart had veroorzaakt met vervolgens een verwonding van het middenrif, lever, pancreas en de twaalfvingerige darm. De verwonding in het hart had aanleiding gegeven tot een grote bloeding in de linker borstholte. Deze bloeding evenals de sterke beschadiging van de hartspier waren directe oorzaken voor het intreden van de dood […]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10 In het rapport van [ing. E] is ten aanzien van [gijzelnemer 1] , voor zover relevant, het navolgende vermeld: “Het projectiel ad. 4.II [kogel, via bovenlip door hoofd. Blijven steken linkerachterzijde hoofd onder de hoofdhuid] is afkomstig van een pistoolpatroon kaliber 9 mm Para […] Het gedeelte van de kogel, genoemd onder 4.III [gedeelte kogel, linksboven in de borstholte aangetroffen], is de loden kern van een projectiel kaliber 9 mm parabellum”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11 In het NFI-rapport van 5 september 2014, waarin het NFI passages uit “Air mata kebenaran, het drama bij De Punt, een reconstructie door [gijzelnemer 8] en [journalist] ” uit 2013 en een intern conceptonderzoeksrapport van het ministerie van Veiligheid en Justitie (DGRR-rapport) onderzoekt, is onder meer op pagina’s 25 tot en met 29 opgenomen: “Uit het sectierapport blijkt dat [gijzelnemer 1] alle verwondingen bij leven heeft opgelopen. Hieruit kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat dit ‘gelijktijdig’ als ‘op hetzelfde moment’ is geweest. Er is immers gedurende circa 15 minuten geschoten. […] Ook de schootsbaan in het hoofd is ‘omhoog’ gericht waarbij in het hoofd een kogel kaliber 9mm Parabellum is aangetroffen. [journalist] en [gijzelnemer 8] concluderen dat de kogel in de trein moet zijn afgevuurd omdat er geen kogels van het kaliber 9mm Parabellum van buitenaf op de trein zijn afgevuurd. Dit botst met de waargenomen schotbeschadigingen aan de westzijde van de kop van de trein. Zowel naast als ter hoogte van het compartiment waar [gijzelnemer 1] werd aangetroffen (positie 3) zijn in totaal zes beschadigingen zichtbaar met het uiterlijk van inschotbeschadigingen […] Of een kogel vanuit één van deze inschotbeschadigingen in het compartiment is gekomen waarin [gijzelnemer 1] werd aangetroffen, kon niet worden vastgesteld maar is wel aannemelijk. Mocht dit het geval zijn geweest dan zal het lichaam van [gijzelnemer 1] zich in een andere houding hebben moeten bevinden dan de positie waarin zijn lichaam werd aangetroffen […] voor een corresponderende schootsbaan van buitenaf […] De kogel […] die in de borst van [gijzelnemer 1] is aangetroffen wordt in de aantekeningen van [ing. E] omschreven als “loden kern 9mm Para top ged. + vezels”. De omschrijving ‘loden kern’ geeft aan dat van de oorspronkelijke kogel de kern is gescheiden van de kogelmantel. Deze kogelmantel is niet aangetroffen in het lichaam. Dit beeld past beter bij een kogel die eerst door hard materiaal is gegaan alvorens in een lichaam terecht te komen dan bij een kogel die direct in een lichaam is gedrongen. Het gebeurt zelden dat de kogelmantel van een volmantelkogel van het kaliber 9 mm Parabellum bij het binnendringen in een lichaam wordt gescheiden van de kern waarbij de zwaardere loden kern in het lichaam achterblijft en de lichtere kogelmantel uittreedt. Dit kan echter nooit helemaal worden uitgesloten. Uit het sectierapport wordt niet duidelijk bij welke schootsbaan deze kogel […] hoort. Samengevat betekent het bovenstaande dat het kogeldeel in de borst van [gijzelnemer 1] zowel in de trein als van buitenaf op hem kan zijn afgevuurd. Dit kan met de bestaande kennis en de bestudeerde stukken niet meer worden vastgesteld […]</p>\n<p class=\"lf-p\">[Volgt een citaat uit de reconstructie van [gijzelnemer 8] en [journalist] uit 2013:] “Net links boven het sleutelbeen was een wond van anderhalve centimeter in doorsnee en er vlak naast een van 8 cm. “Lange beschadiging door hitte-inwerking” wat erop duidt dat er een wapen direct in contact met het slachtoffer is geweest.” [Reactie NFI daarop:] Volgens het sectierapport loopt het dodelijke schot via het linker sleutelbeen vermoedelijk naar de rechterlies waar de kogel het lichaam heeft verlaten. Dit is een lange schootsbaan in het lichaam zodat de betreffende kogel veel energie moet hebben gehad. In de betreffende schootsbaan zijn geen kogels of fragmenten van kogels aangetroffen. Verschroeiing van de huid is een kenmerk van een schot op korte afstand en wordt veroorzaakt door de mondingsvlam. De 8 centimeter lange schroeivlek die zich boven de schotbeschadiging bij het linker sleutelbeen bevond kan daarom een indicatie zijn van een schot van dichtbij onder een zekere hoek. Deze schroeivlek kon met de beschikbare bronnen niet worden bestudeerd maar lijkt volgens de omschrijving in het verlengde van de schootsbaan door de romp te liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schootsrichting - en de aanname dat [gijzelnemer 1] (languit) op de bank lag, correspondeert ruwweg met de schootsrichting van de mariniers buiten de trein als ook met de precisieschutters. In het laatste geval moet [gijzelnemer 1] met het hoofd naar het oosten hebben gelegen waarvoor verder geen aanwijzingen zijn gevonden. Of een dergelijke lange schootsbaan door het lichaam mogelijk is als door de mariniers met een UZI door de treinwand wordt geschoten kan niet worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere mogelijkheid is dat een marinier buiten de trein op de treden voor de deur van de cockpit is gaan staan waarbij via het kapotgeschoten raam een UZI naar binnen is gestoken en afgevuurd […] In dit scenario wordt van buitenaf naar binnen geschoten met de mogelijkheid van een korte schootsafstand en waarbij de verschoten kogels een maximaal penetrerend vermogen hebben […] [Volgt citaat uit het DGRR-rapport:] “De beschreven baan van het projectiel dat de dodelijke verwonding veroorzaakte, komt overeen met de schootsrichting van de mariniers voordat zij de trein binnenkwamen en de aangetroffen houding van [gijzelnemer 1] .” [Waarna het NFI weer vervolgt:] Dit deel van het DGRR-rapport wordt niet […] onderschreven, in die zin dat de tekst als te stellig wordt ervaren. De conclusie lijkt gebaseerd op het schieten van de mariniers van buiten af door de wand van de trein op het compartiment waar [gijzelnemer 1] werd aangetroffen en waarbij de schootsbaan ruwweg correspondeert met de beschrijving van de wond in de romp van [gijzelnemer 1] . Of een 9mm kogel uit een UZI op een dergelijke manier buiten de trein door de mariniers is afgevuurd het compartiment heeft kunnen bereiken waarin [gijzelnemer 1] werd aangetroffen, kon niet worden vastgesteld. Mocht dit zo zijn dan is het de vraag of een dergelijk schot nog voldoende energie heeft om het doorschot in de romp van [gijzelnemer 1] te kunnen veroorzaken. Verder blijft de schroeivlek voor het inschot onbenoemd en onverklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de vorige pagina is de mogelijkheid beschreven van het schieten door de mariniers door het kapotte raam. In dat geval is het ontstaan van een schroeivlek ook mogelijk. Er zijn echter geen concrete aanwijzingen dat er daadwerkelijk op deze wijze naar binnen is geschoten […] Ons inziens kan door het ontbreken van een projectiel het schot door de romp van [gijzelnemer 1] zowel in de trein door de mariniers, al dan niet van dichtbij, als van buitenaf door zowel de mariniers, hetzij door de treinwand, hetzij door het kapotte raam, als de precisieschutters zijn afgevuurd. Van deze mogelijkheden lijken de twee mogelijkheden (1) een schot in de trein van dichtbij en (2) een schot van buiten door het kapotte raam door de aanwezigheid van een schroeivlek iets meer aannemelijk dan de andere mogelijkheden (schoten van buitenaf door de treinwand en de kop van de trein). Dit kan met de bestaande kennis en de bestudeerde stukken niet met meer zekerheid worden vastgesteld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 Het hof acht het, gelet op de toestand waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen, net als de rechtbank, het meest waarschijnlijk dat hij tijdens de beëindiging van de kaping op de bank lag met zijn hoofd in (zuid-)westelijke richting en dat hij vermoedelijk van de bank is af gegleden. Er zijn geen aanwijzingen dat [gijzelnemer 1] zich tijdens de bevrijdingsactie door de trein heeft bewogen. Met dit scenario is ook het beste te rijmen dat alle schootsbanen, op één na, in de lengterichting van het lichaam zijn gevonden. Appellanten gaan in hun memorie van grieven ook niet van iets anders uit; integendeel, ook zij gaan ervan uit dat [gijzelnemer 1] in zijn slaap is dood geschoten (randnummer 377 memorie van grieven). Tijdens het pleidooi hebben appellanten hun beroep op een theorie van [naam 1] , die inhoudt dat [gijzelnemer 1] mogelijk eerst met zijn hoofd in oostelijke richting lag, rechtop is gaan zitten en toen door schoten van de mariniers in de trein “van de coupébank is afgeblazen” laten varen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 Door de precisieschutters is gevuurd vanaf de oostelijke richting van de trein. Door de mariniers is in de trein eveneens uit oostelijke richting geschoten. Zij zijn immers na het betreden van de trein aan de westkant, linksaf geslagen en bevonden zich daardoor in het gangpad aan de oostkant van de coupé waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen en daarmee, zij het op enige afstand, aan zijn voeteinde.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.14 Zoals gezegd, is het dodelijke schot door [dr. C] beschreven als het schot dat van het linker sleutelbeen naar de rechterlies liep. Volgens [dr. C] is de wond bij het sleutelbeen een inschot. Daar is ook een schroeiplek aangetroffen, hetgeen een aanwijzing is dat van dichtbij is geschoten. De houding waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen duidt erop dat het dodelijke schot vanaf de westzijde is afgevuurd. Appellanten hebben in hoger beroep een rapport van traumachirurg [traumachirurg] overgelegd. Aan hem hebben appellanten de vraag voorgelegd of het “net zo goed mogelijk is dat de kogel die de verwondingen in de borstholte en het hart van [gijzelnemer 1] had veroorzaakt, bij zijn lies het lichaam in was gegaan (en niet bij de lies eruit was gegaan zoals in het autopsierapport wordt geopperd).” [traumachirurg] heeft die vraag met “ja” beantwoord. Het hof acht dat onvoldoende overtuigend. In het autopsierapport wordt niet “geopperd” dat de kogel bij het sleutelbeen naar binnen is gegaan, maar dit is vastgesteld door de patholoog-anatoom die daadwerkelijk het lichaam heeft gezien, die de wond “recht naar beneden toe tot in de thoraxholte” heeft weten te sonderen en tot wiens deskundigheid de beantwoording van een dergelijke vraag behoort. Een positieve beantwoording 40 jaar later van een door de advocaat gesloten geformuleerde vraag acht het hof daartegenover niet van voldoende gewicht om tot een andere conclusie te kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15 Uitgaande van de locatie van het inschot (linker sleutelbeen) en uitschot (rechterlies) en van de houding van [gijzelnemer 1] is het dodelijke schot vanuit het westen gekomen. Op grond daarvan heeft de Staat betoogd dat het mogelijk is dat [gijzelnemer 1] is gedood door een marinier die tijdens de nadering van de trein vanuit het westen op de treinwand heeft geschoten of door het raam van de trein heeft geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.16 Het hof acht het scenario waarbij door het raam is geschoten vanaf de treeplank weinig aannemelijk. Dat vereist een handeling die niet erg voor de hand ligt en die ook niet was voorzien in het initiatiefplan en waarover door geen van de getuigen is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.17 Vast staat evenwel, gelet op de beschadigingen van de trein, dat er door de mariniers inderdaad vanaf de westkant op de trein is geschoten. Eerst tijdens het pleidooi in hoger beroep hebben appellanten betwist dat deze beschadigingen een doorschot laten zien en dus dat de kogels door de treinwand zijn heen gegaan. Het hof gaat aan die late betwisting voorbij aangezien het NFI, en in het voerspoor van het NFI, de rechtbank van een dergelijk doorschot zijn uit gegaan en in de memorie van grieven niet is aangevoerd dat dit uitgangspunt onjuist is. Het NFI heeft immers geconcludeerd dat tot de mogelijkheden behoort dat de dood van [gijzelnemer 1] is veroorzaakt door een van buiten de trein afgeschoten kogel en de rechtbank heeft die mogelijkheid ook aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.18 Uit de door de Staat in hoger beroep overgelegde dagboeken BBE-M/BBE-2 (producties 19-21 Staat) is bovendien af te leiden dat er tijdens de voorbereiding van de bevrijdingsactie is gesproken over het gebruik van pantsermunitie door aanvalsgroep 5 “i.v.m. doorboren treinkop”, dat dergelijke munitie is ontvangen en dat toestemming is verleend voor het gebruik ervan. Getuige 5G heeft daarbij verklaard dat marinier C5 daadwerkelijk pantsermunitie had. Anders dan appellanten aanvoeren heeft marinier C5 dat zelf niet ontkend. Hij heeft verklaard dat hij een Uzi en een revolver had, maar over de munitie heeft hij niets gezegd (vraag 136 e.v.). Appellanten hebben tijdens het pleidooi uiteen gezet dat uit de teruggevonden kogels in de lichamen van de gedode gijzelnemers moet worden afgeleid dat de mariniers in de trein niet met pantsermunitie hebben geschoten. De Staat heeft daar tegenover gesteld dat de mariniers met 2 x 35 patronen waren uitgerust en dat C5 bij het betreden van de trein kan hebben gewisseld van pantsermunitie naar gewone munitie. Het hof kan de exacte toedracht niet vaststellen, maar ziet zich geplaatst voor het vaststaande feit dat er aan de westzijde van de trein ter hoogte van de coupé waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen, kogelgaten zijn te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.19 Het hof acht het in dit verband niet van doorslaggevend belang door wie er aan de westzijde op de trein is gevuurd. Feit is immers dat er volgens het NFI-rapport zowel naast als ter hoogte van het compartiment waar [gijzelnemer 1] is aangetroffen, inschotbeschadigingen zichtbaar waren. Dat sluit aan bij de verklaringen van de mariniers C5 (vraag 108), 5G (vragen 96 en 98), 2B (vraag 116) en C2 (vraag 116, 117 en 118) die hebben verklaard op de trein te hebben gevuurd. Zij verklaren weliswaar te hebben geschoten op de kop van de trein, maar hun vuur heeft kennelijk de trein ook net voorbij de kop geraakt. Enige andere verklaring voor de inschotbeschadigingen is er niet. Er is geen enkele aanwijzing voor – en ook dat is bijzonder onwaarschijnlijk – dat er van buiten af van de westzijde nog op de trein is geschoten toen de mariniers al in de trein waren. Het hof neemt daarom als voldoende vaststaand aan dat kogels die buiten de trein zijn afgevuurd de coupé hebben geraakt waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen en hem dus geraakt kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20 Het blijft de vraag of een schot van buiten de trein een schroeiplek kan hebben veroorzaakt en voldoende energie zou hebben gehad om de door [dr. C] beschreven baan te volgen. Uitgesloten is dat, mede gelet op de beschikbaarheid van pantsermunitie, in elk geval zeker niet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ieder ander scenario dan een dodelijk schot van buiten de trein – en in het bijzonder het scenario waarbij het dodelijk schot bij het sleutelbeen is afgevuurd in de trein op de wijze zoals die door appellanten in eerste aanleg is geschetst (proces-verbaal 29 mei 2018, randnummer 1 verklaring mr. Zegveld) – evenzeer onwaarschijnlijk is. Er is, zoals de rechtbank terecht overwoog (rov. 2.100 eindvonnis), geen aanwijzing voor dat een van de mariniers de coupé waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen, is ingegaan, om (volgens appellanten: de toen nog levende) [gijzelnemer 1] is heen gelopen en vervolgens van dichtbij een schot heeft gelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een dergelijke omtrekkende beweging was geen enkele aanleiding en in de coupé was daarvoor erg weinig ruimte, terwijl die marinier daarmee bovendien het risico zou hebben genomen in de richting van de overige mariniers te schieten, hetgeen eveneens onwaarschijnlijk is. Met dit scenario is ook niet te rijmen dat een van de kogels die volgens appellanten door marinier 5B is afgeschoten, niet naar het oosten, maar naar het westen is afgeschoten, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Marinier 5B heeft bovendien als getuige verklaard dat hij de deuren van de coupé niet open heeft kunnen krijgen en dat hij door de deuren van de coupé heeft heen geschoten. Dat marinier 5B de coupé binnen is geweest om op [gijzelnemer 1] te schieten is ook niet af te leiden uit de verklaring van marinier 5F.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verklaring van marinier 5F inderdaad betrekking heeft op marinier 5B volgt daar niet uit dat die marinier in de coupé is geweest, maar hooguit dat hij er gedeeltelijk is in gestapt om marinier 5F te laten passeren. Dat dit gebeurde voordat hij het salvo op [gijzelnemer 1] heeft afgevuurd kan er bovendien niet uit worden afgeleid. Integendeel, appellanten gaan er zelf ook vanuit dat dit “na de actie” was (randnummer 63 pleitnota hoger beroep). Daar komt bij dat volgens het NFI een kogel die in de borst van [gijzelnemer 1] is aangetroffen eerst door hard materiaal is heen gegaan. Dit duidt erop dat deze kogel door de deur heen is afgeschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.21 In het NFI-rapport is opgenomen dat “uit het sectierapport blijkt dat [gijzelnemer 1] alle verwondingen bij leven heeft opgelopen.” In het autopsierapport is dit echter niet als een zekerheid, maar als een waarschijnlijkheid gepresenteerd: “waarschijnlijk vrijwel tegelijk met het projektiel dat deze verwondingen had veroorzaakt was een tweede projektiel afgeschoten dat aan de linker zijde naast het borstbeen ter hoogte van de derde rib werd gevonden onderhuids.” Appellanten verbinden hieraan de conclusie dat een mogelijk dodelijk schot van buiten de trein tegelijkertijd moet zijn afgevuurd met de schoten in de trein. Zij wijzen er onder verwijzing naar het rapport van [traumachirurg] op dat het dodelijke schot direct dodelijk moet zijn geweest, zodat, als dit van buiten de trein is afgevuurd, onverklaarbaar is dat [gijzelnemer 1] nog bewoog toen marinier 5B hem aantrof en beschoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gegevens leiden het hof niet tot een ander oordeel. De vaststelling van de patholoog-anatoom duidt er slechts op dat [gijzelnemer 1] zijn verwondingen, waaronder de dodelijke verwonding, “waarschijnlijk” kort na elkaar (“vrijwel tegelijk”) heeft opgelopen. Dat [dr. C] heeft kunnen vaststellen dat de verschillende kogels op exact hetzelfde moment het lichaam zijn binnen gedrongen is uit zijn rapport niet af te leiden. Het hof is op zich met appellanten van oordeel dat niet goed verklaarbaar is dat [gijzelnemer 1] alle verwondingen, dus ook de verwondingen die door een marinier in de trein zijn toegebracht, bij leven heeft opgelopen als moet worden aangenomen dat hij (direct) gedood is door een kogel die van buiten de trein, dus eerder, is afgevuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hiervoor geldt evenwel dat het scenario waarin de marinier in de trein om [gijzelnemer 1] is heen gelopen om hem vanuit westelijke richting te kunnen beschieten, nog minder aannemelijk is. In ieder geval leidt de veronderstelling van [dr. C] niet tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat het dodelijke schot binnen in de trein is afgevuurd. Daarmee blijft immers onverklaarbaar dat het schot bij het sleutelbeen een inschot was en dus vanuit de westelijke kant van de trein moet zijn afgeschoten. Indien met appellanten moet worden aangenomen dat het dodelijke schot direct dodelijk was, ligt veeleer voor de hand aan te nemen dat marinier 5B zich heeft vergist toen hij een beweging onder de deken zag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen stellen dat echter niet, zodat het hof daarvan niet kan uitgaan. Voor de vordering van appellanten maakt dat overigens geen verschil omdat ook in dat geval niet met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat het dodelijke schot in de trein is afgevuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.22 De conclusie luidt dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld van waar de dodelijke kogel is afgeschoten. Het is niet méér aannemelijk dat de kogel binnen in de trein is afgeschoten dan dat hij van buiten de trein is afgeschoten. De gemotiveerde stellingen van appellanten hebben daarmee als voldoende betwist te gelden. De onzekerheid over de toedracht blijft (processueel) voor appellanten omdat op hen de bewijslast van hun stelling rust dat de dodelijke kogel in de trein is afgevuurd. De kern van hun betoog, namelijk dat [gijzelnemer 1] is dood geschoten door een marinier terwijl het voor die marinier kenbaar was dat hij zwaargewond was, dan wel dat hij zich niet meer kon overgeven en bovendien ongewapend was, stuit hierop reeds af. De grieven 12-15 falen daarom. De vordering kan reeds om die reden niet worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Honest belief – ten overvloede 10.1 Net als de rechtbank heeft gedaan, zal het hof ten overvloede ingaan op de vraag of – veronderstellenderwijs aannemend dat het dodelijke schot wel is afgelost in de trein, door marinier 5B – er bij marinier 5B sprake was van een honest belief dat het noodzakelijk was [gijzelnemer 1] in de trein onder vuur te nemen. Met appellanten zal het hof ervan uitgaan dat het honest belief zowel een subjectieve als een objectieve component heeft. Gelet wederom op het uitgangspunt dat op appellanten de stelplicht en de bewijslast rusten van hun stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld omdat [gijzelnemer 1] onnodig is dood geschoten, dienen zij feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit is af te leiden dat marinier 5B niet heeft gehandeld vanuit een oprechte overtuiging dat zijn handelen noodzakelijk was. De rechtbank heeft dit ook tot uitgangspunt genomen en daartegen is door appellanten geen grief gericht (rov. 2.84 eindvonnis). Hoewel de rechtbank uiteindelijk in positieve zin heeft geoordeeld dat mariniers 5B en C5 (wel) in de bedoelde oprechte overtuiging verkeerden dat [gijzelnemer 1] een gevaar vormde en dat het noodzakelijk was op hem te schieten, is dat dus strikt genomen niet de vraag die voor ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Bij de beoordeling van de stellingen van appellanten gaat het hof er vanuit dat [gijzelnemer 1] feitelijk geen gevaar heeft gevormd voor marinier 5B. Hoewel [gijzelnemer 1] tijdens de bezetting van de trein gewapend was en er in de coupé ook daadwerkelijk wapens zijn gevonden, zijn er geen (voldoende) aanwijzingen dat [gijzelnemer 1] die wapens ter hand heeft genomen tijdens de bevrijdingsactie. Zoals hiervoor is overwogen, ligt het meer voor de hand dat hij in zijn slaap is overvallen en gedurende de gehele actie op de bank heeft gelegen totdat hij daarvan is afgegleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Het komt daarom aan op de vraag of marinier 5B op grond van objectieve en subjectieve factoren in de oprechte overtuiging verkeerde dat het noodzakelijk was op [gijzelnemer 1] te schieten. Appellanten hebben terecht geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de overtuiging niet op objectieve feiten en omstandigheden behoeft te zijn gebaseerd, en dat uiteindelijk de subjectieve overtuiging van de noodzaak van het toegepaste geweld de doorslag geeft (rov. 2.107 eindvonnis). De objectieve feiten en omstandigheden vormen wel een relevante factor bij de beoordeling of de subjectieve overtuiging oprecht was. Bij de aan te leggen toets dient het hof, zoals al gezegd, geen onrealistisch hoge eisen te stellen aan de marinier. De rechter mag niet zijn eigen taxatie van de situatie, tot stand gekomen na een afstandelijke, rustige reflectie, in de plaats stellen van de afweging die de marinier in de the heat of the moment heeft moeten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Ten aanzien van de objectieve factoren waarmee rekening moet worden gehouden, neemt het hof het volgende in aanmerking: de kaping van de trein stond in zoverre niet op zichzelf dat hij vooraf was gegaan door onder meer de kaping van een trein bij Wijster. Daarbij zijn door de gijzelnemers slachtoffers gemaakt. Weliswaar waren de gijzelnemers bij Wijster anderen dan de gijzelnemers bij De Punt, maar het gewelddadige karakter van die eerdere kaping was iets waarmee de Staat vanwege de gelijksoortigheid van de actie en de achtergrond ervan, rekening moest houden en dat mocht dus ook het verwachtingspatroon van de Staat en de mariniers beïnvloeden; de gijzelnemers beschikten over vuurwapens waarmee zij de gegijzelden hebben bedreigd. Zij hebben voorts kort voor de bevrijdingsactie laten weten dat er voor hen twee mogelijkheden waren: vertrek naar het buitenland of de dood. Er waren dus goede gronden om er rekening mee te houden dat in de trein hevige tegenstand zou worden geboden en dat de gegijzelden gevaar liepen. Het stuk waarin werd gesproken over “vertrek naar het buitenland of de dood” bevatte bovendien het dreigement dat alle gegijzelden de dood zouden vinden wanneer er geen vliegtuig ter beschikking zou komen. Gedurende de kaping zijn gegijzelden gedwongen buiten de trein te gaan staan, waarbij zij onder schot werden gehouden (vgl. rov. 2.112 eindvonnis); [gijzelnemer 1] was de leider van de groep gijzelnemers. In de voorbereiding van de bevrijdingsactie werd er rekening mee gehouden dat juist in de kop van de trein, waar [gijzelnemer 1] werd verwacht, de meest hevige weerstand door de gijzelnemers zou kunnen worden geboden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mariniers verkeerden in de veronderstelling dat er bij nadering van de trein op hen gevuurd werd vanuit de trein;</p>\n<p class=\"lf-p\">De situatie in de trein was chaotisch. De ramen waren (deels) afgeschermd met doeken, er lagen veel spullen, er hing rook door de inleidende beschietingen, er werd in de trein (door de mariniers) geschoten en het was in ieder geval niet volledig licht. De ruimte in de trein was bovendien beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 Er was, al met al, een dreigende en complexe situatie, waarin de mariniers rekening moesten houden met de mogelijkheid dat zij onder vuur zouden worden genomen vanuit en in de trein.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Appellanten hebben aangevoerd dat bij beantwoording van de vraag naar het honest belief rekening moet worden gehouden met het gegeven dat de operatie was geoefend, dat er zware inleidende beschietingen waren geweest en dat de mariniers ervan uit gingen dat de gijzelnemers gewond of gedood zouden zijn. Het hof is van oordeel dat de voorbereiding en de inleidende beschietingen inderdaad een factor vormen die moet worden meegewogen, maar dat het niet zo is dat de mariniers om die reden geen tegenstand behoefden te verwachten. Het was voor de mariniers bij het binnentreden in de trein immers niet duidelijk wat het effect van de beschietingen was geweest. Feitelijk zijn door die beschietingen ook niet alle gijzelnemers gedood of gewond en heeft een van hen nog daadwerkelijk een wapen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Voor de beoordeling van de subjectieve factoren is het hof aangewezen op de verklaring van marinier 5B als getuige. Blijkens zijn verklaring heeft marinier 5B op [gijzelnemer 1] geschoten omdat hij een beweging zag “door iets of iemand die onder een deken lag.” Hij voegde daaraan toe dat hij op dat moment niet wist “wat hij of zij aan het doen was.” In die verklaring ligt besloten dat hij meende dat de persoon onder de deken voor hem een gevaar vormde. Er zijn onvoldoende feiten waaruit volgt dat deze verklaring onjuist is. Door de deken kon hij niet goed zien wat er gebeurde en evenmin kon hij zien of [gijzelnemer 1] gewond was. Hierboven is al beschreven hoe hectisch de situatie was. De mariniers wisten dat de gijzelnemers bewapend waren en verkeerden in de veronderstelling bij hun nadering van de trein al vanuit de trein beschoten te zijn. Anders dan appellanten aanvoeren moest marinier 5B gegeven de situatie wel degelijk in een split second beslissen hoe hij moest reageren. In het licht van deze feiten kan niet worden aangenomen dat het honest belief ontbrak en dat er sprake was van het moedwillig en onnodig doden van [gijzelnemer 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 Het gegeven dat marinier 5B heeft getracht de schuifdeuren van de coupé open te maken (randnummer 157 pleitnota) leidt niet tot een andere conclusie omdat niet vast staat wanneer dit is gebeurd en het in elk geval niet betekent dat marinier 5B in alle rust voor de coupé heeft gestaan. Door de door hem waargenomen beweging in de coupé is voor hem in elk geval de noodzaak tot een reactie ontstaan en in zoverre is er dan nog steeds sprake geweest van een beslissing in een “split second”. De suggestie dat één marinier [gijzelnemer 1] onder schot had kunnen houden, waarna de ander door het raampje van de coupédeur had kunnen klimmen (randnummer 167 pleitnota) komt neer op een beoordeling achteraf die zich niet verhoudt tot het uitgangspunt dat de rechter juist niet achteraf en in een veilige omgeving moet beoordelen of en hoe het anders had gekund, maar dat hij moet beoordelen of de betrokken marinier in de oprechte overtuiging kon verkeren dat er een gevaar uit ging van – in dit geval – [gijzelnemer 1] . Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Om die reden kon van marinier 5B ook niet worden verwacht dat hij een waarschuwing zou geven voordat hij schoot. Het feit dat elders in de trein door leden van aanvalsgroep 3 wel een waarschuwing kon worden gegeven (randnummer 129 pleitnota) is in zoverre niet relevant dat die situatie niet zonder meer vergelijkbaar was met de situatie in de kop van de trein.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 De stelling van appellanten dat marinier 5B [gijzelnemer 1] gericht heeft dood geschoten en dat hij niet in een fractie van een seconde heeft gereageerd op een beweging die hij heeft waargenomen, is dan ook een feitelijk onvoldoende onderbouwde invulling achteraf. Er is in het licht van de verklaring van de marinier als getuige geen grond voor deze suggestie en al helemaal niet voor de suggestie dat [gijzelnemer 1] “in koele bloede (werd) afgemaakt” (randnummer 430 memorie van grieven). Die conclusie wordt niet anders indien moet worden aangenomen dat marinier 5B wist dat er een gijzelnemer onder de deken lag en dat het voldoende licht was om een persoon in de coupé waar te nemen. Ook die stelling wordt overigens niet bevestigd door de verklaring van marinier 5B. Als getuige verklaart hij immers dat het donker was en dat het zicht minder was. Ook de mariniers 5A, 5D, 5E en 5G hebben verklaard dat het zicht in de trein beperkt was.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Anders dan appellanten betogen, kan daarom ook niet worden aangenomen dat [gijzelnemer 1] door marinier 5B bewust door het hoofd is geschoten en dat het handelen om die reden disproportioneel was. Marinier 5B heeft verklaard op de deken te hebben geschoten. Dat hij er voldoende zeker van was dat de gijzelnemer die onder de deken lag daarmee was uitgeschakeld, brengt niet mee dat hij bewust heeft geschoten om te doden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 Appellanten voeren aan dat de verklaring van marinier 5B summier is waar het zijn eigen handelen en afwegingen betreft. Het hof is met appellanten van oordeel dat marinier 5B als getuige slechts in beperkte mate lijkt te zijn bevraagd naar zijn optreden in de trein, althans naar het moment waarop hij [gijzelnemer 1] heeft beschoten. Daaraan kan echter niet de conclusie worden verbonden dat hij niet vanuit een honest belief handelde. Zoals hiervoor is overwogen rust de bewijslast op appellanten en had het dus evenzeer op hun weg gelegen tijdens het verhoor van de getuigen hierover nadere vragen te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12 Appellanten stellen (randnummer 145 pleitnota) dat het honest belief van marinier 5B is beïnvloed door de opdracht van commandant C5 die luidde: “schiet hem neer die vent.” Het hof deelt die opvatting niet. Anders dan appellanten stellen kan uit die enkele uitspraak, die niet is te koppelen aan een bepaalde gebeurtenis in de trein, niet worden afgeleid dat C5 is afgeweken van de geweldsinstructie. De woorden “schiet hem neer” hoeven niet zonder meer “schiet hem dood” te betekenen. Dat deze woorden betrekking hadden op [gijzelnemer 1] is bovendien niet vast te stellen, terwijl appellanten erkennen dat er geen schoten zijn te horen die in verband kunnen worden gebracht met deze uitlating (randnummer 43 pleitnota). Of marinier C5 met betrekking tot het herkennen van zijn eigen stem naar waarheid heeft verklaard kan daarom verder onbesproken blijven, ook al omdat hij niet de dodelijke kogel heeft afgevuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13 Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte het honest belief heeft aangenomen op grond van feiten die al voor het getuigenverhoor bekend waren. Dat betoog faalt. Het is terecht dat de rechtbank de verklaring van marinier 5B niet als een op zichzelf staand gegeven heeft gewogen, maar deze heeft beoordeeld in het licht van de objectieve factoren. Daaraan doet vanzelfsprekend niet af dat die objectieve factoren al voor de verhoren bekend waren. Die tevoren reeds bekende feiten heeft de rechtbank immers niet voldoende geacht voor het door appellanten te bewijzen feit dat [gijzelnemer 1] onnodig is gedood en zij heeft appellanten daarom in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van die stelling. Dat ontsloeg de rechtbank er niet van om ook na het getuigenverhoor die eerder reeds bekende feiten te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.14 Appellanten voeren in grief 23 aan dat de rechtbank ten onrechte de kaping in Wijster in de afweging heeft betrokken, maar het hof verwerpt dat betoog. Die kaping had hetzelfde politieke doel en had eveneens betrekking op een trein. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gewelddadige karakter van die kaping van invloed mocht zijn op de weerstand die de mariniers in de trein mochten verwachten. Dat “Wijster”, zoals appellanten tijdens de zitting in hoger beroep hebben aangevoerd, alleen van belang is omdat de dood van [gijzelnemer 1] een “afrekening” door de mariniers was voor de gebeurtenissen in Wijster is een suggestie die gelet op het vergaande karakter ervan (veel te) schraal is in zijn onderbouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.15 Ook als juist is dat de gijzelnemers geen plannen hadden om de gegijzelden te verwonden of te doden, en als juist is dat dit bekend was (randnummer 450 memorie van grieven) – wat niet zonder meer als vaststaand kan worden aangenomen –, rechtvaardigt dat niet de stelling dat de mariniers tijdens de bevrijdingsactie niet beducht behoefden te zijn voor geweld. Het feit dat tot de aanvang van die bevrijdingsactie door de gijzelnemers tegen gegijzelden geen fysiek geweld is toegepast betekent (mede gelet op hetgeen hiervoor onder 10.4 is overwogen) immers niet dat de gijzelnemers, wanneer zij zouden worden aangevallen, niet alsnog geweld zouden kunnen gebruiken tegen hetzij de mariniers, hetzij de gegijzelden. Dat een van de gijzelnemers tijdens de bevrijdingsactie geweld heeft gebruikt, illustreert dat.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.16 Met grief 20 voeren appellanten aan dat de mariniers er redelijkerwijs vanuit gingen dat de gijzelnemers in de kop van de trein al dood waren, of in ieder geval geen bedreiging meer konden vormen. Volgens appellanten heeft de rechtbank ten onrechte de omstandigheid dat [gijzelnemer 1] zich niet meer kon overgeven als omstandigheid meegenomen die “verder schieten door de mariniers rechtvaardigt.” Die stelling gaat uit van een verkeerde lezing van het oordeel van de rechtbank. In een situatie waarin een kaper zich op kenbare wijze overgeeft zal van een honest belief geen sprake zijn. De rechtbank heeft slechts vastgesteld dat die situatie zich niet heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.17 Appellanten voeren ook nog aan dat het gegeven dat de mariniers in de veronderstelling verkeerden dat er vanuit de trein op hen werd geschoten, niet kan meebrengen dat marinier 5B in een honest belief verkeerde, omdat hij over die beschietingen slechts in algemene zin heeft verklaard. Dat laatste laat echter onverlet dat de andere mariniers van aanvalsgroep 5 wel degelijk over de (veronderstelde) beschietingen vanuit de trein hebben verklaard. Marinier C5 heeft verklaard dat hij een vuurstoot heeft gegeven op de trein en “de mannen” heeft doorgestuurd naar de posities waar ze plaats moesten nemen. Marinier 5B zelf heeft verklaard dat “van mond tot mond” werd doorgegeven dat er vanuit de trein werd gevuurd. Hoewel hij het vuren dus zelf niet heeft waargenomen, werd hij van dat (veronderstelde) vuren wel op de hoogte gesteld en kwam hij daardoor ook in de veronderstelling te verkeren dat er vanuit de trein op de mariniers werd geschoten. Dat mag zijn verwachting en zijn handelen beïnvloed hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.18 ( Nog meer) ten overvloede overweegt het hof dat het bij de vaststelling van het honest belief van marinier 5B geen onderscheid kan maken tussen de verschillende schoten die door hem zijn gelost. Dat betekent dat niet alleen ten aanzien van het schot waarvan appellanten menen dat het dodelijk was (het hof heeft hiervoor overwogen dat het een reële mogelijkheid is dat het dodelijke schot van buiten de trein is afgevuurd) niet kan worden aangenomen dat het honest belief ontbrak, maar ten aanzien van alle door hem afgevuurde schoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.19 De grieven 16-18 en 20, 22 en 23 falen daarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidsbanden 11.1 Appellanten hebben het hof verzocht “bewijswaarde” aan de geluidsbanden (de geluidsfragmenten) toe te kennen (randnummer 151 pleitnota). Uit artikel 152 Rv volgt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd. Dat betekent dat niet alleen aan de geluidsfragmenten zelf, maar ook aan de transcriptie daarvan (vrije) bewijskracht toekomt en dat het hof deze geluidsfragmenten en de transcriptie in zijn oordeel meeweegt indien partijen deze aan hun vorderingen (of hun verweer) ten grondslag leggen. Ook als juist is dat de verklaring van commandant C5 en andere mariniers over het (niet) herkennen van bepaalde uitspraken, onjuist is, betekent dat echter niet dat de geluidsfragmenten reeds om die reden slechts “in het nadeel van de Staat” kunnen bijdragen aan de bewijswaardering (randnummer 151 pleitnota). De bewijslast rust immers op appellanten en nu niet vast staat dat de Staat de inhoudelijke verklaringen heeft beïnvloed is voor enige aanpassing van die bewijslast geen aanleiding. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor over de getuigenverklaringen is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 In grief 19 gaan appellanten in op de betekenis van de geluidsbanden voor hun vordering. Nu zij zelf stellen dat het geluidsfragment 9.35.7 tot en met 9.49.2 geen betrekking heeft op de coupé waarin [gijzelnemer 1] lag, kan het hof de opmerkingen met betrekking tot dat fragment onbesproken laten. Het hof deelt echter niet de conclusie van appellanten dat uit dit fragment blijkt dat gijzelnemers hoe dan ook zouden worden doodgeschoten. Uit het geluidsfragment kan niet worden afgeleid hoe de feitelijke situatie was waarop de mariniers reageerden. Hiervóór is reeds geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de geweldsinstructie inhield dat gijzelnemers hoe dan ook zouden worden gedood. Dit enkele fragment kan niet tot een andere conclusie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Dat geldt ook voor de getuigenverklaring van marinier 5B die appellanten in randnummer 393 van de memorie van grieven in dit verband citeren. Hij verklaart slechts dat hij niet heeft geschoten in de eerste coupé omdat hij daar geen aanleiding voor zag. Dat antwoord impliceert niet méér dan dat de betrokken marinier geen gevaar meer zag. Dat als uitgangspunt zou gelden dat er op gijzelnemers zou worden geschoten “tenzij” kan daaruit niet worden afgeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Omdat de geluidsfragmenten slechts geluid laten horen, kan het hof appellanten niet volgen in hun conclusie dat het fragment 9.59.1 tot en met 10.15.8 betrekking heeft op de coupé waarin [gijzelnemer 1] is aangetroffen. Dat is er eenvoudigweg niet voldoende eenduidig uit af te leiden, zoals appellanten in eerste aanleg zelf blijkens het proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2018 ook tot uitgangspunt hebben genomen (randnummer 3 verklaring mr. Zegveld). Het hof acht het door appellanten thans geschetste scenario waarin marinier 5B eerst naar de machinistencoupé is gegaan en daarna is teruggelopen om bij tijdscode 10.01.6 op [gijzelnemer 1] te vuren (randnummer 43 pleitnota) ook weinig aannemelijk en overigens in strijd met de verklaring van marinier 5B als getuige (vraag 146: “we liepen door tot de machinistencabine.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar zijn we blijven staan, totdat de actie afgelopen was”). Het fragment zegt ook niets over het ontbreken van het honest belief van marinier 5B. Het gelach op het fragment doet – ruim 40 jaar later en van veilige afstand bezien – wellicht de wenkbrauwen fronsen, maar het kan, zoals de rechtbank overwoog, ook te maken hebben met een ontlading van spanning en een manier zijn geweest om met dit soort heftige acties om te gaan. Het zegt in elk geval niets over het honest belief van de marinier. Dat de mariniers vervolgens op de band tot rust worden gemaand doet veeleer afbreuk aan het standpunt van appellanten dat de gijzelnemers sowieso zouden worden gedood, dan dat het dit standpunt ondersteunt, terwijl onvoldoende zeker is dat de knallen (salvo’s) die volgens de transcriptie te horen zijn, zijn afgevuurd op het lichaam van [gijzelnemer 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5 Het staat voor het hof ook onvoldoende vast dat het fragment 11.00.2 tot en met 11.08.6 betrekking heeft op [gijzelnemer 1] (randnummer 403 van de memorie van grieven). Als al wordt aangenomen dat dit fragment wel op [gijzelnemer 1] ziet, blijkt daaruit evenmin dat het schieten door marinier 5B onnodig was. De uitlating “helemaal kapot geschoten” is – eveneens ruim veertig jaar later en van veilige afstand bezien – inderdaad ongepast, maar het zegt niets over de noodzaak van het schieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6 Tot slot kan het hof appellanten niet volgen in hun stelling dat de “knal” bij tijdscode 10.26.0 betrekking heeft op een schot dat is gelost op [gijzelnemer 1] (randnummer 67 pleitnota). Ook daarvoor bestaan onvoldoende objectieve aanwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7 De conclusie is dan ook dat ook uit de geluidsopnamen niet kan worden afgeleid dat het honest belief bij marinier 5B ontbrak. Grief 19 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsopdracht 12.1 Appellanten voeren met grief 21 aan dat de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht onjuist was. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte de eis heeft gesteld dat appellanten moeten bewijzen dat [gijzelnemer 1] én ernstig gewond én ongewapend was. Zij voeren aan dat de rechtbank op grond van artikel 2 EVRM moest toetsen of er een absolute noodzaak bestond tot het doodschieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 Met deze grief miskennen appellanten dat een bewijsopdracht de rechter bij zijn latere beoordeling van het geleverde bewijs niet bindt. De processen-verbaal van de getuigenverhoren laten zien dat de rechtbank alle getuigen zeer uitvoerig heeft gehoord over onder meer de situatie die zij in de trein aantroffen. De rechtbank heeft – voor zover uit de processen-verbaal is op te maken – appellanten bovendien geen strobreed in de weg gelegd bij het formuleren van eigen of aanvullende vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3 De toets die de rechtbank vervolgens in het eindvonnis heeft uitgevoerd is of er voor marinier 5B een honest belief bestond ten aanzien van de noodzaak van zijn handelen. Met die toets heeft de rechtbank, anders dan appellanten stellen, wel degelijk uitvoering gegeven aan de taak die uit hoofde van artikel 2 EVRM op haar rustte, zij het binnen het door appellanten niet bestreden kader van het nationale bewijsrecht. Het hof deelt niet de conclusie van appellanten dat de rechtbank het bestaan van een honest belief als vertrekpunt heeft genomen. De rechtbank heeft in het eindvonnis alle reeds eerder bekende feiten met de uitkomst van de getuigenverhoren gewogen en is tot de conclusie gekomen dat er een honest belief was in die zin dat de marinier ervan uit mocht gaan dat [gijzelnemer 1] voor hem een daadwerkelijke bedreiging vormde en dus dat er een absolute noodzaak bestond om hem te beschieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 Van belang is dat ook het hof niet gebonden is aan de bewijsopdracht die de rechtbank heeft geformuleerd. Het hof is na een zelfstandige afweging van het beschikbare bewijsmateriaal tot de conclusie gekomen dat in elk geval niet kan worden aangenomen dat marinier 5B níet heeft gehandeld vanuit de oprechte overtuiging dat het ter bescherming van zijn eigen veiligheid noodzakelijk was om op [gijzelnemer 1] te schieten. Appellanten hebben dus niet bewezen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Grief 21 faalt daarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5 Alle grieven die betrekking hebben op de dood van [gijzelnemer 1] , falen daarmee. De rechtbank heeft de vordering terecht afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dood van [gijzelnemer 2] 13.1 Appellanten voeren met betrekking tot de dood van [gijzelnemer 2] aan dat zij van dichtbij is gedood door mariniers 2D en C2 terwijl zij geen gevaar meer vormde voor de mariniers of de gegijzelden en dus had moeten worden aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2 Tussen partijen is niet in geschil dat [gijzelnemer 2] is gedood door marinier 2D. Zoals het hof hiervoor bij de bespreking van de grieven die betrekking hebben op de dood van [gijzelnemer 1] reeds heeft overwogen, is voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van appellanten niet relevant of ook andere kogels dodelijk zouden kunnen zijn geweest. De vraag of het handelen van marinier C2 in strijd was met het EVRM kan in het licht van de vordering van appellanten onbeantwoord blijven. De grieven 24 en 25 stuiten daarop af en de stellingen over het handelen van marinier C2 kunnen daarom verder onbesproken blijven. Voor zover appellanten voldoende gemotiveerd stellen dat het handelen van marinier C2 van invloed is geweest op het handelen van marinier 2D wordt daarop hierna ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 Het hof neemt met de rechtbank aan dat [gijzelnemer 2] op het moment waarop marinier 2D haar onder vuur nam, geen daadwerkelijk gevaar meer voor hem vormde. [gijzelnemer 2] was al zwaar gewond en was niet bewapend. Ook ten aanzien van de dood van [gijzelnemer 2] geldt dat op appellanten de bewijslast rust van hun stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en dus dat marinier níet in de oprechte veronderstelling verkeerde dat zijn handelen noodzakelijk was en dat het honest belief daarmee heeft ontbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4 Bij de beoordeling van de vraag of appellanten dat bewijs hebben geleverd neemt het hof dezelfde objectieve factoren tot uitgangspunt die hiervoor bij de beoordeling van het handelen van aanvalsgroep 5 in acht zijn genomen. Het optreden van marinier 2D vond plaats in dezelfde dreigende context, waarin de mariniers ermee rekening moesten houden dat zij zouden worden geconfronteerd met gewapende gijzelnemers die bereid zouden zijn die wapens te gebruiken. Marinier 2D heeft bovendien als getuige verklaard dat er vanuit de trein op hem is geschoten (vraag 82). Ook als moet worden aangenomen dat dit niet het geval is, gaat het hof ervan uit dat marinier 2D in de oprechte veronderstelling verkeerde dat er vanuit de trein is geschoten en dus dat hij ook in de trein gewapende tegenstand kon verwachten. Het verschil met de hiervoor besproken situatie van [gijzelnemer 1] is dat de mariniers op de plek waar zij [gijzelnemer 2] aantroffen, geen gijzelnemers hadden verwacht. Zij werden door die aanwezigheid van [gijzelnemer 2] verrast en moesten hun handelen op die onverwachte situatie aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5 Vast staat dat marinier 2D [gijzelnemer 2] heeft gezien toen hij op haar vuurde. Ook staat voor het hof vast dat hij dichtbij haar heeft gestaan toen hij schoot. Of hij haar heeft herkend doet voor de beoordeling van zijn handelen niet ter zake, zij het dat het voor de hand ligt dat hij haar als een gijzelnemer heeft herkend. Waar het om gaat is of hij in de oprechte overtuiging mocht verkeren dat zij een gevaar vormde. Grief 26 heeft in zoverre geen relevantie en faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6 Bij de beoordeling van de vraag of marinier 2D een honest belief had, neemt het hof tot uitgangspunt dat, als het al niet zo was dat het nog donker was in de trein, het zicht wel beperkt was en dat dit in ieder geval gold voor het zicht op [gijzelnemer 2] . De getuigen verklaren allen in die zin. Marinier 2D, om wie het hier specifiek gaat, verklaarde dat er “schemering en rook” en “in ieder geval heel slecht zicht” (vraag 115, zie ook vraag 92) was. Dat het zicht voldoende was om mensen te onderscheiden, doet daar op zichzelf niet aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7 In het licht van de verklaringen van marinier 2D en het feit dat uit het beeldmateriaal dat ter zitting is getoond ook bleek dat het raam waarbij [gijzelnemer 2] is aangetroffen – anders dan appellanten aanvankelijk hebben gesteld – wel degelijk bedekt was, acht het hof de meer theoretische beschouwingen die door appellanten in de aanloop naar de zitting in hoger beroep zijn overgelegd van de door hen ingeschakelde deskundige [deskundige] van slechts heel beperkte waarde. Dat geldt temeer daar die deskundige zelf ook aangeeft dat hij heeft moeten uitgaan van allerlei veronderstellingen waarvan de juistheid niet vaststaat. Het hof gaat er met appellanten weliswaar vanuit dat marinier 2D (en marinier C2) dichtbij [gijzelnemer 2] stond(en), maar daarmee is niet gezegd dat marinier 2D heeft kunnen zien dat [gijzelnemer 2] gewond en ongewapend was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veeleer ligt voor de hand dat hij dit door het beperkte zicht niet goed heeft kunnen vaststellen. Dat getuige 2A na afloop van de actie heeft gezien dat [gijzelnemer 2] twee schotwonden had, leidt het hof niet tot een andere conclusie. Blijkens zijn verklaring heeft hij daar “speciaal op gelet” en moet bovendien worden aangenomen dat hij op dat moment niet meer “in het heetst van de strijd” optrad. Zoals appellanten zelf hebben aangevoerd is de vraag wat wordt waargenomen mede afhankelijk van de waarnemer en de omstandigheden waaronder wordt waargenomen en niet alleen van de aanwezige hoeveelheid licht. Marinier 2D heeft de situatie, anders dan getuige 2A, wel moeten beoordelen in het heetst van de strijd en heeft in een situatie van “schemering en rook” volgens zijn eigen verklaring “heel slecht zicht” gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een andere waarnemer na afloop van de actie, en dus langer na zonsopgang, schotwonden kan waarnemen, zegt dan niet zoveel.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.8 Ten aanzien van de subjectieve factoren waarmee rekening moet worden gehouden oordeelt het hof als volgt. Voor het hof is een zwaarwegend gegeven dat marinier 2D en marinier C2 in de veronderstelling verkeerden dat er op hen geschoten is vanuit de richting waar zij kort daarna [gijzelnemer 2] aantroffen. Marinier 2D verklaarde als getuige dat hij vanuit de andere kant van de coupé is beschoten en op zijn helm is geraakt (vraag 92). Hij verklaarde met zoveel woorden dat hij mondingsvuur heeft gezien (vraag 96 e.v.). Marinier C2 verklaarde in gelijke zin dat hij mondingsvuur vanaf de andere kant van de coupé heeft gezien (vraag 161) ter hoogte van het keukentje (vraag 182). Hij stelt ook daadwerkelijk kogelgaten in de deur te hebben gezien door schoten die in de lengterichting van de trein moeten zijn veroorzaakt (vraag 184 e.v.). Voor de overtuigingskracht van hun verklaring acht het hof het van belang dat marinier C2 ook al tegenover Bootsma, dus voordat deze procedure aanhangig werd gemaakt, heeft verklaard dat er op hen geschoten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.9 De vraag of marinier 2D de laatste kogels van het precisievuur heeft aangezien voor mondingsvuur kan onbesproken blijven. Ook als moet worden aangenomen dat er niet daadwerkelijk op marinier 2D is gevuurd, moet gelet op zijn verklaring worden aangenomen dat hij daar wel vanuit ging. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van 2D dat hij meende te worden beschoten. Het feit dat appellanten het ruim 40 jaar na dato “opmerkelijk” (randnummer 195 pleitnota) vinden dat 2D niet heeft gereageerd op het vuur, is daartoe onvoldoende, terwijl marinier 2D overigens heeft verklaard dat hij in dekking is gegaan, hetgeen een op zichzelf begrijpelijke reactie is. Het gegeven dat marinier 2D meende dat er op hem werd geschoten is van belang omdat het zijn verwachting met betrekking tot de situatie die hij verderop in de coupé zou kunnen aantreffen, inkleurde. Het brengt immers mee dat hij mocht aannemen dat er zich aan het eind van de coupé één of meer gewapende gijzelnemers bevonden die bereid was (waren) daadwerkelijk geweld te gebruiken. Of de verklaring van marinier C2 op dit punt betrouwbaar is en of hij al dan niet een noise-grenade heeft gegooid kan onbesproken blijven omdat die onderdelen van de grieven niet het handelen van marinier 2D betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.10 Uit de verklaring van marinier 2D volgt verder dat hij, toen hij was aangekomen bij het keukentje, een menselijke beweging heeft gezien en dat hij toen in een fractie van een seconde heeft geschoten. Hij hield er daarbij blijkens zijn verklaring als getuige rekening mee dat de “menselijke beweging” afkomstig was van degene die op hem had gevuurd (vraag 177).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.11 Het hof is van oordeel dat in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden en tegen de achtergrond van de algehele hectische situatie in en rondom de trein moet worden aangenomen dat marinier 2D in de oprechte overtuiging verkeerde dat de persoon die hij in de coupé aantrof een gevaar voor hem vormde.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.12 Er zijn in het bijzonder geen aanwijzingen voor de conclusie dat hij voor dat gevaar niet behoefde te vrezen omdat hij heeft kunnen waarnemen dat [gijzelnemer 2] zwaargewond en/of ongewapend was. Appellanten voeren met grief 27 aan dat marinier 2D moet hebben geweten dat [gijzelnemer 2] zwaargewond was. De verklaringen waarop zij zich baseren zijn echter die van marinier C2, niet die van marinier 2D. Uit de verklaring van marinier 2D als getuige kan niet worden afgeleid dat hij heeft gezien dat [gijzelnemer 2] gewond was. Het enkele feit dat (later is gebleken dat) zij zwaargewond was, is niet voldoende voor de conclusie dat marinier 2D dat moet hebben gezien. Ook marinier C2 verklaart als getuige overigens dat hij op het moment waarop hij schoot niet heeft gezien dat [gijzelnemer 2] zwaargewond was. In het boek van Bootsma is als verklaring van marinier C2 opgenomen dat hij heeft gezien dat [gijzelnemer 2] “weliswaar aangeschoten” was, maar zelfs als ervan zou moeten worden uitgegaan dat aan die verklaring meer waarde moet worden gehecht dan aan de verklaring van C2 als beëdigde getuige, zegt dat niets over de waarneming van marinier 2D. Grief 27 stuit daarop af.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.13 Evenmin kan worden aangenomen dat marinier 2D heeft moeten zien dat [gijzelnemer 2] niet meer in staat was voor hem een bedreiging te vormen, noch dat uit haar houding een overgave volgde. Dat zij “mama, mama” heeft gezegd is uitsluitend door C2 gehoord, terwijl appellanten het waarschijnlijk achten dat mariniers 2D en C2 tegelijkertijd hebben geschoten (randnummer 252 pleitnota). Daarom kan ook niet worden aangenomen dat deze waarneming van marinier C2 is doorgegeven aan marinier 2D en op zijn handelen van invloed is geweest. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kon van marinier 2D niet worden gevergd eerst een waarschuwing te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.14 Met de vaststelling dat de mariniers dichtbij [gijzelnemer 2] stonden is, anders dan appellanten stellen, niet gezegd dat marinier 2D gericht op haar borst en haar hoofd heeft geschoten. Hij heeft, in de veronderstelling dat [gijzelnemer 2] voor hem een gevaar vormde, op haar (op de menselijke beweging) geschoten en haar in haar borst en hoofd geraakt. Of hij wist of heeft kunnen waarnemen dat [gijzelnemer 2] gewond was acht het hof niet van doorslaggevend belang bij beoordeling van de vraag of er een honest belief was. Het is een van de omstandigheden die bij beantwoording van die vraag in aanmerking moeten worden genomen. Onjuist is in algemene zin dat een gewonde gijzelnemer geen gevaar meer zou kunnen vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.15 Bij beoordeling van de vraag of marinier 2D in een honest belief verkeerde volgt het hof appellanten niet in hun stelling dat marinier 2D het oogmerk had om [gijzelnemer 2] te doden. Uit het feit dat hij, nadat hij haar had beschoten, niet meer heeft gecontroleerd of zij daadwerkelijk gedood was, kan dat niet worden afgeleid. De stelling dat [gijzelnemer 2] door marinier 2D zou zijn aangehouden als commandant C2 dat had bevolen volgt het hof evenmin. Zoals hiervoor is overwogen verkeerden mariniers 2D en C2 beiden in de veronderstelling dat er op hen gevuurd werd vanaf de plek waar [gijzelnemer 2] is aangetroffen. In het licht daarvan en gegeven het feit dat de situatie daardoor onduidelijk was, was er op dat moment geen aanleiding om een bevel tot arrestatie te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.16 Appellanten voeren met grief 28 aan dat marinier 2D moet hebben geweten dat [gijzelnemer 2] ongewapend was. Het hof verwerpt dat betoog. Het feit dat achteraf bij [gijzelnemer 2] geen wapen is aangetroffen is in dat verband in zoverre niet relevant dat het gaat om de vraag of marinier 2D op goede gronden heeft mogen aannemen dat zij voor hem nog een gevaar vormde. Het gaat dus om de vraag of hij de aanwezigheid van een wapen (en het gebruik daarvan) moest vrezen. Zoals hiervoor al is overwogen gaat het hof ervan uit dat marinier 2D in ieder geval meende dat hij was beschoten vanaf de plek waar [gijzelnemer 2] later is aangetroffen. Dat, gecombineerd met het feit dat de mariniers in algemene zin wisten dat de gijzelnemers gewapend waren, mocht zijn vrees voor de aanwezigheid van een wapen voeden. Dat marinier 2D de lege handen van [gijzelnemer 2] moet hebben gezien is een veronderstelling die niet in voldoende mate door de feiten – en in ieder geval niet door de verklaring van marinier 2D zelf – wordt ondersteund. Grief 28 faalt daarom ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.17 Appellanten hebben aangevoerd dat mariniers 2D en C2 zij aan zij in een smalle ruimte, ongedekt en dus kwetsbaar (randnummer 529 memorie van grieven) tegenover [gijzelnemer 2] hebben gestaan en dat het dus niet aannemelijk is te achten dat zij zich bedreigd hebben gevoeld. Die stelling, gebaseerd op een achteraf gemaakte reconstructie, verhoudt zich niet tot de verklaringen van 2D en C2 waaruit volgt dat zij meenden (i) te zijn beschoten vanuit (ii) de hoek waar [gijzelnemer 2] is aangetroffen. Die verklaringen impliceren een dreiging die zij hebben ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.18 Samengevat komt het hof tot het oordeel dat marinier 2D heeft geschoten omdat hij een menselijke beweging waarnam op de plaats van waaruit hij meende te zijn beschoten en hij heeft [gijzelnemer 2] daarmee dodelijk geraakt. Het doel van het handelen van marinier 2D was zonder twijfel het uitschakelen van het gevaar. Het gegeven dat [gijzelnemer 2] dodelijk is getroffen rechtvaardigt echter niet de conclusie dat het handelen van marinier 2D daarop gericht was of dat het anderszins niet proportioneel was. Voor zover in de stellingen van appellanten besloten ligt dat marinier 2D geen zelfstandige afweging heeft gemaakt, maar heeft geschoten omdat marinier C2 (ook) heeft geschoten, heeft te gelden dat voor die stelling geen steun kan worden gevonden in de verklaringen van 2D en C2 als getuigen en ook overigens niet in het feitenmateriaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.19 Appellanten hebben nog aangevoerd dat van een honest belief geen sprake kan zijn omdat marinier 2D meerdere kogels heeft afgevuurd en hij dus meerdere keren heeft moeten nadenken over zijn handelen. Het hof passeert ook dat betoog. Door de Staat is weersproken dat het gegeven dat per kogel de trekker moet worden overgehaald voldoende tijd voor hernieuwde reflectie biedt. Afgezien daarvan heeft Staat onweersproken aangevoerd dat mariniers in hun opleiding wordt geleerd om in één actie meerdere kogels af te vuren. Dat marinier 2D [gijzelnemer 2] “heeft herkend, heeft horen praten en toen pas heeft geschoten” (randnummer 467 memorie van grieven) volgt, zoals hiervoor ook is overwogen, niet uit zijn verklaring en ook overigens niet uit de vaststaande feiten. Uit zijn eigen verklaring als getuige volgt bovendien dat hij, anders dan appellanten betogen, in een fractie van een seconde heeft gehandeld, hetgeen het hof ook aannemelijk acht. De stelling dat zijn handelen disproportioneel was, stuit hierop af.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.20 Grief 29 heeft betrekking op de bewijsopdracht. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor, bij de beoordeling van de stellingen over de dood van [gijzelnemer 1] , over de bewijsopdracht is overwogen. Deze grief faalt op dezelfde gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.21 Met grief 30 en een aantal subgrieven voeren appellanten stellingen aan waarmee zij opkomen tegen het oordeel van de rechtbank dat mariniers 2D en C2 een honest belief hadden. Het hof gaat thans op die stellingen in, voor zover deze niet al besproken zijn en voor zover deze relevant zijn voor het op appellanten rustende bewijs van het ontbreken van het honest belief.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.22 Het gegeven dat de rechtbank aan haar oordeel feiten ten grondslag legde die al bij tussenvonnis vast stonden is niet relevant en dat stond de rechtbank vrij. Anders dan appellanten stellen heeft de rechtbank niet het honest belief van marinier 2D ingevuld. Uit zijn eigen verklaring blijkt op welke gronden hij meende dat het noodzakelijk was om geweld te gebruiken tegen [gijzelnemer 2] . Het hof heeft die gronden hiervoor gewogen en voldoende geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.23 Het gegeven dat marinier 2D, toen hij op [gijzelnemer 2] stuitte, geen gegijzelden hoefde te beschermen, rechtvaardigt niet de conclusie dat de rechtbank een striktere toets had moeten toepassen (randnummer 599 memorie van grieven). Het hof is bij de beoordeling hiervoor ervan uitgegaan dat marinier 2D zichzelf bedreigd achtte en dat hij in reactie op die dreiging kon handelen zoals hij heeft gedaan. Weliswaar zal een situatie waarin ook gegijzelden aanwezig zijn meer risico’s omvatten waarmee rekening moet worden gehouden, maar dat betekent niet dat mariniers zichzelf niet tegen mogelijk geweld mogen beschermen. Grief 30 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.24 Grief 31 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat [gijzelnemer 2] zich niet heeft overgegeven meeweegt bij de beoordeling van het honest belief. De grief gaat uit van een verkeerde lezing van de overweging van de rechtbank en is overigens voor de beoordeling in hoger beroep niet relevant. De rechtbank heeft slechts tot uitdrukking gebracht dat bij een waarneembare overgave geen sprake zal zijn van een honest belief. Nu een dergelijke overgave er niet was, kan die dus ook geen afbreuk doen aan het door de rechtbank aangenomen honest belief. Het hof is hiervoor op grond van ook andere feiten dan het ontbreken van een overgave tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een honest belief en dat in elk geval niet is bewezen dat dit honest belief ontbrak. Grief 31 leidt ook daarom niet tot een andere conclusie en faalt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.25 Het hof heeft hiervoor reeds overwogen ervan uit te gaan dat marinier 2D in de oprechte veronderstelling verkeerde dat er vanuit de trein op de mariniers is geschoten en dat die veronderstelling van invloed kan zijn geweest op de vraag of hij in de trein gewapende weerstand verwachtte. De verschillende stellingen die bij de uitwerking van grief 32 aan de orde worden gesteld zijn hiervoor al besproken, maar leiden niet tot een andere conclusie. Grief 32 faalt daarom eveneens.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.26 Ook ten aanzien van de dood van [gijzelnemer 2] komt het hof daarom tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat het honest belief heeft ontbroken. De grieven falen daarom en de rechtbank heeft de vordering terecht afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afsluitende overwegingen Bewijs 14.1 Appellanten hebben in hoger beroep geen bewijsaanbod gedaan dat betrekking heeft op het horen van getuigen. Het hof ziet in het licht van de uitvoerige verklaringen van de betrokken mariniers als getuigen geen aanleiding ambtshalve nader bewijs op te dragen. Appellanten hebben wel aangeboden deskundigen te doen horen over de reeds overgelegde schriftelijke rapporten en hun bevindingen. Het hof ziet ook daartoe geen aanleiding omdat de bevindingen van de door appellanten benaderde deskundigen in hun rapporten in voldoende mate zijn neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie 14.2 De conclusie is dat alle grieven falen. Dat betekent dat de bestreden vonnissen van de rechtbank moeten worden bekrachtigd. Om redenen die door de rechtbank reeds uiteen zijn gezet zal ook het hof de proceskosten compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 1 februari 2017 en 25 juli 2018; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, E.M. Dousma-Valk en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.</p></div>", "next": 0}