{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de investeringen van Naftogaz c.s., ook al zijn ze aanvankelijk in Oekraïne gedaan, vallen onder het begrip investments als bedoeld in artikel 1 lid 1 BIT 1998, op de volgende gronden: (i) uit de letterlijke bewoordingen van het verdrag blijkt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen om te worden gekwalificeerd als investments in de zin van het verdrag; (ii) een uitleg van artikel 1 lid 1 BIT 1998 conform de regels van artikel 31 WVV, waarbij de drie elementen van die bepaling (tekst, context en ‘object and purpose’) – te goeder trouw (‘in good faith’) – tezamen in één operatie worden toegepast, leidt tot de conclusie dat voor de toepasselijkheid van het verdrag voldoende is dat de – na 1992 gedane – investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8.1 Wat betreft de gewone betekenis van de bewoordingen van het verdrag moet acht worden geslagen op de authentieke taalversies in het Russisch en het Oekraïens. Zowel de door de Russische Federatie geraadpleegde deskundigen op het gebied van de Russische taal (Kurokhtina en Tyulenev) als de deskundige van Naftogaz c.s. (Fortuin) zijn het er over eens dat er daarbij alleen naar de Russische tekst kan worden gekeken gezien de grote overeenkomsten tussen de Russische en de Oekraïense taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8.2 Naar het oordeel van het hof blijkt uit de expert opinion van Fortuin – die mede omvat een bespreking van de door de Russische Federatie ingebrachte rapporten van Kurokhtina en Tyulenev – dat uit de bewoordingen van de authentieke taalversies grammaticaal en/of syntactisch bezien niet volgt dat de investering gedaan op het grondgebied van de andere verdragspartij gelijktijdig moet plaatsvinden met de initiële investeringshandeling. Fortuin rapporteert op dit punt onder meer (productie BI 135, alinea 28): “De talige verwoording van de tekst maakt dus een interpretatie mogelijk waarbij bestaande eigendommen (goederen, investeringen) investeringen worden in de zin van Artikel 1(1) op het moment dat de grens van Rusland en Oekraïne veranderde, waardoor Oekraïense goederen (eigendom) op de Krim “investeringen” werden op het grondgebied van de Russische Federatie. Met andere woorden, een taalkundige analyse van het Verdrag dwingt niet de interpretatie af dat op hetzelfde moment aan de genoemde voorwaarden moet worden voldaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan Fortuin zijn twee mogelijke interpretaties van het artikel 1 lid 1 BIT 1998 voorgelegd: (A) en (B). (A) is een interpretatie van artikel 1 lid 1 BIT 1998 en de daarin opgenomen definitie van “investering” waarbij een investering in de Krim door een Oekraïense investeerder toen de Krim nog onbetwist deel uitmaakte van Oekraïne, een investering op het grondgebied van de Russische Federatie als bedoeld in de BIT 1998 kan worden als gevolg van de opname van de Krim in de Russische Federatie. (B) is een interpretatie waarbij alleen activa die een internationale grens overschreden op het moment van de verwerving van de onderliggende activa, investeringen kunnen vormen in de zin van de BIT 1998. De conclusie van Fortuin (onder VII van zijn opinion) luidt (onder meer): “(…) Voor zover Dr. Kurokhtina en Dr. Tyulenev concluderen dat Artikel 1(1) een temporeel vereiste afdwingt waardoor interpretatie A wordt uitgesloten, trekken zij conclusies die verder gaan dan wat op basis van een objectieve taalkundige (semantische, syntactische) analyse geconcludeerd kan worden. Voor zover de geldigheid van interpretatie B afhangt van het lezen van een dergelijke temporeel vereiste in Artikel 1(1) lijkt het me dat vanuit een puur taalkundig, grammaticaal perspectief, interpretatie A de meer natuurlijke interpretatie van Artikel 1(1) is. Of anders gezegd, aangezien ik geen taalkundige argumenten heb gezien waarom interpretatie A is uitgesloten, concludeer ik dat interpretatie A vanuit taalkundig oogpunt de voorkeur verdient boven de engere interpretatie B. (…) Het gebruik van de tegenwoordige tijd (imperfectief) passief van vkladyvat (“invest”) in Artikel 1(1) is in overeenstemming met het idee van investeringen die niet gelinkt zijn aan een specifiek moment in de tijd.(…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8.3 Van belang is verder, zoals hiervoor onder 5.7.5 is aangegeven, dat artikel 12 BIT 1998 erin voorziet dat het verdrag van toepassing wordt op investeringen die zijn gedaan vóór het sluiten en in werking treden van het verdrag, namelijk investeringen gedaan vanaf 1 januari 1992. In artikel 12 is – bij het woord made dan wel carried out in de Russische taalversie – zoals hiervoor al aangegeven gebruik gemaakt van een ander werkwoordaspect dan bij het woord invested in artikel 1 lid 1 BIT 1998. Het werkwoordaspect van made of carried out verwijst (anders dan het in artikel 1 lid BIT 1998 gebruikte werkwoordaspect) wél naar de verleden tijd (een zogenoemd perfectief aspect). De Russische Federatie heeft niet bestreden dat sprake is van verschillende werkwoordaspecten in deze artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat investeringen van vóór 1 januari 1992 niet vallen onder bescherming van het verdrag ligt in zoverre voor de hand, dat zowel Oekraïne als de Russische Federatie tot 1 januari 1992 deel uitmaakten van de Sovjet-Unie. Het verdrag bevat daarmee een “harde” grens, een backstop, in de tijd: investeringen gedaan voor die datum komen niet in aanmerking voor bescherming. Dat het verdrag niet spreekt van het enkele “houden of bezitten van investeringen” sluit aan bij de naar het oordeel van het hof in de BIT 1998 besloten liggende bedoeling om ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen buiten de werking van het verdrag te laten vallen. Een vereiste van gelijktijdigheid valt er niet in te lezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8.4 Ook volgens Kurokhtina en Tyulenev geeft de in artikel 1 lid 1 van de BIT 1998 gekozen werkwoordsvorm, een ‘past passive imperfective participle’, in tegenstelling tot de in artikel 12 gekozen werkwoordsvorm, een ‘past passive perfective participle’, geen handeling aan die op een bepaald moment is voltooid, maar een voortdurende toestand. Kurokhtina erkent het verschil tussen beide werkwoordsvormen waar zij over artikel 12 opmerkt: “By the time of investments protection referred to in these articles (waaronder artikel 12, toevoeging hof) investments have already been made, it is an accomplished action, and it is therefore grammatically and semantically logic to use the past perfect tense.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8.5 Aldus geldt, dat investeringen van vóór 1 januari 1992 wel buiten het verdrag zijn gehouden, maar dat in de bewoordingen van het verdrag voor investeringen van na die datum geen temporele vereisten kunnen worden gelezen. Anders gezegd: uit de letterlijke bewoordingen van het verdrag volgt niet dat investeringen, om voor bescherming in aanmerking te komen, zich reeds ten tijde van de investering op het grondgebied van de andere verdragsstaat moesten bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8.6 Een uitleg – te goeder trouw (‘in good faith’) – van het verdrag aan de hand van tekst, context, ‘object and purpose’ leidt evenmin tot de conclusie dat de investeringen zich van meet af aan op het grondgebied van de Russische Federatie moesten bevinden. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat de BIT 1998 naast en in het verlengde van het doel van het stimuleren van investeringen uit de andere verdragsstaat ook nadrukkelijk tot doel heeft het beschermen van investeringen. Het past bij deze beschermingsgedachte om het verdrag van toepassing te laten zijn op alle investeringen die er op basis van de tekst van het verdrag voor in aanmerking komen. Daarom is niet doorslaggevend dat Naftogaz c.s. bij het doen van de investeringen geen verdragsbescherming in het vooruitzicht hadden en dat hun investeringsbeslissingen daardoor dus niet beïnvloed zijn. Datzelfde geldt immers voor de ook door het verdrag beschermde investeringen die zijn gedaan vóór het opstellen en de inwerkingtreding van het verdrag. Samenvattend: er zijn in de tekst, het voorwerp en het doel van het verdrag – mede gezien deze beschermingsgedachte – geen aanwijzingen om uit te gaan van een beperkte uitleg van het begrip investments.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.9 Het feit dat de investeringen moeten zijn gedaan in overeenstemming met de wetgeving van de gaststaat, brengt gezien voorwerp en doel van de BIT 1998 als hiervoor besproken geen vereiste van gelijktijdigheid met zich mee. De vaststelling of de investeringen voldoen aan de Russische wetgeving kan plaatsvinden met als toetsingsmoment de datum van incorporatie van de Krim door de Russische Federatie. Deze toets is door de meerderheid van het scheidsgerecht ook tegen deze datum uitgevoerd in zijn Partial Award van 22 februari 2019, waarbij zij zich heeft laten leiden door de expertopinies van dr. Paliashvili en prof. Paul B. Stephan. Prof.Stephan heeft – kort gezegd – aangegeven dat onder Oekraïens recht verleende vergunningen geldig bleven op de Krim nadat Rusland dat gebied had geannexeerd. De Russische wetgeving vereiste verder dat Oekraïense firma’s zich uiteindelijk zouden organiseren als Russische entiteiten of zich registreren als afdelingen van buitenlandse firma’s die op Russisch grondgebied opereren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de legaliteit van de investeringen van Naftogaz c.s. zal het hof hierna nog terugkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.9.1 De Russische Federatie heeft gewezen op arbitrale rechtspraak onder BIT-verdragen (o.a. Phoenix Action Ltd vs The Czech Republic, ICSID Case No. ARB/06/05, 15 april 2009) waaruit volgt dat de controle op de wettigheid van een investering moet plaatsvinden op het moment dat de investering wordt gedaan, omdat anders de gaststaat door het eenvoudig veranderen van haar wetgeving bescherming aan een buitenlandse investering kan onthouden. Deze rechtspraak verzet zich niet tegen de uitleg van het scheidsgerecht. Bij dit uitgangspunt past immers dat de wetmatigheid van de investeringen in dit geval door het scheidsgerecht is getoetst op het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de rechtsorde van de Russische Federatie, dat wil zeggen ten tijde van de incorporatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.10 Het hof sluit zich wat betreft al het voorgaande aan bij de uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof van 16 oktober 2018 in twee vergelijkbare zaken waarin de Russische Federatie eveneens de vernietiging vorderde van de arbitrale vonnissen waarbij Oekraïense investeerders, die bescherming onder de BIT 1998 hadden gezocht voor investeringen gedaan op de Krim voor de incorporatie, in het gelijk werden gesteld (Russische Federatie v. Ukrnafta, zaaknr. 396/2017 en Russische Federatie v. Stabil LLC e.a., zaaknr. 398/ 2017). In deze zaken was de uitleg van artikel 1 lid 1 BIT 1998 ook aan de orde (in de Engelse vertaling van de uitspraken aangeduid als Article 1 (1) IPA(Investment Protection Agreement) 1998). Het Zwitserse Federale Hooggerechtshof oordeelde (in de Engelse vertaling): “We cannot concur with the appellant when it argues that the very wording of Art. 1 (1) IPA 1998 indicates that the agreement only protects investments that, at the time of their making, were made by an investor from one Contracting State on the territory of another Contracting State; while by contrast, investments that were originally made in the investor’s home country and “are located in the territory of the host country at a later time only due to a boundary change” do not fall under the protection of the 1998 Investment Protection Agreement. Contrary to the view argued in the appeal, the wording “assets [which are] invested by an investor of once Contracting Party in the territory of the other Contracting Party” does not clearly indicate whether Art. 1 (1) IPA 1998 presupposes that the investment was already made in the host country’s territory from the outset, or whether the definition also includes investments made in a territory that only later came under the control of the host country. On the sole evidence of the wording of the text of the agreement as translated into English, there seems to be no more reason to rule out the position that the term “investments” entails an additional temporal restriction concerning a boundary change, than there is to rule out the Appellee’s opposing position that “investments” do not necessarily have to be in the foreign state from the outset. (…) If wording in other provisions of the agreement is also consulted, the verb forms used for “invest” in the authentic languages rather tend to argue against the assumption of a temporal restriction, as the Appellee comprehensibly argues in its response. While the (perfective) verb form in Art. 12 IPA 1998 (…) expresses that the temporal scope of the agreement depends on a defined point in time when investments were made (“investments made […] in the territory of the other Contracting State on or after January 1, 1992”), the (imperfective) verb form used in Art. 1 (1) IPA 1998 (…) does not describe an action that must have been completed at a certain point in time. The element of duration is furthermore indirectly included in Article 1 (1) IPA 1998, at the end, according to which a subsequent change in the type of investments is not supposed to change anything about their nature as an investment within the meaning of that provision.</p>\n<p class=\"lf-p\">When the Appellant variously argues that the term “investments” under Article 1 (1) IPA 1998 presupposes a cross-border activity performed at a certain point in time, it appears to be taking a transaction-based approach that primarily reflects former thinking about the liberalization of capital movements and ignores the aspect of the investment protection of values and rights that do not have an immediate connection with a cross-border transaction. (…) By contrast, Article 1(1) IPA 1998, which itemizes – not exhaustively – various assets (…) clearly contains a (more broadly understood) asset-based definition (…). If the definition of investment in a treaty is not linked to a specific transaction which can per se be attributed to a certain point in time, the term “investment” also does not entail a temporal restriction with respect to crossing the border, as the Appellant claims. That the host country is willing to guarantee protection only to investments that are in harmony with its legislation (“assets [which are invested […] in accordance with its legislation”) is a prerequisite inherent in the system, from which nothing conclusive can be deduced concerning the question of the influence of a boundary change. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.10.1 De Russische Federatie heeft aangevoerd dat een van de bij de zaak betrokken rechters, Klett, tijdens de openbare beraadslaging een “dissenting opinion” heeft gegeven. Het Zwitserse Federale Hooggerechtshof deed echter een unanieme uitspraak. Er bestaat ook geen officieel verslag van de openbare beraadslaging. Dat één van de rechters tijdens de openbare beraadslaging – naar zou volgen uit een namens de Russische Federatie opgemaakt verslag van die zitting – argumenten heeft genoemd voor een andere zienswijze, doet er niet aan af dat het Zwitserse Federale Hooggerechtshof tot de hierboven geciteerde uitspraak is gekomen, waarbij het hof zich aansluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.11 De Russische Federatie heeft verder gewezen op vele uitspraken in BIT-arbitrages waaruit volgens haar om verschillende redenen volgt dat alleen “oorspronkelijk buitenlandse investeringen” voor bescherming onder de BIT 1998 in aanmerking komen. Het hof merkt daarover op dat het in die zaken ging om andere verdragen, en om andere feitelijke situaties. De zaken die wel een directe analogie inhouden met de onderhavige zaak zijn de arbitrages die door andere Oekraïense investeerders aanhangig gemaakt zijn naar aanleiding van de gebeurtenissen op de Krim. In die zaken hebben scheidsgerechten met verschillende samenstellingen zonder uitzondering geoordeeld dat de BIT 1998 van toepassing is op (oorspronkelijk binnenlandse) Oekraïense investeringen die door de incorporatie van de Krim op het grondgebied van de Russische Federatie zijn komen te liggen. Dat (alleen in de onderhavige zaak) een dissenting opinion is afgegeven door prof. [arbiter 2] doet daar niet wezenlijk aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.12 Ten overvloede zal het hof in het onderstaande nog enkele van de door de Russische Federatie aangehaalde uitspraken bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.12.1 De Russische Federatie heeft gewezen op een aantal uitspraken waar aan de orde was dat een oorspronkelijk binnenlandse investeerder naar het buitenland was verhuisd (dan wel de zetel van de rechtspersoon had verplaatst) en de investeerder om die reden bescherming werd ontzegd (zoals het arrest van 25 april 2017 (no. 15/01040) van het Cour d’Appel de Paris in de vernietigingsprocedure van het arbitrale vonnis in de zaak García and García v. Bolivarian Republic of Venezuela en het arbitrale vonnis van 20 april 2016 in de zaak Uzan v. Republic of Turkey, SCC Arbitration V 2014/023). Deze uitspraken geven het hof geen grond om tot een ander oordeel te komen. Het ging in die zaken om investeerders die zich – op eigen initiatief en vaak specifiek met het doel om onder bescherming van een verdrag te komen vallen – hadden verplaatst. In het onderhavige geval gaat het om een verplaatsing van de grenzen van de verdragsluitende staten, waardoor een aanvankelijk binnenlandse investering buiten toedoen van de investeerder in de andere verdragsstaat komt te liggen. Dit laatste maakt ook de García-uitspraak van de Franse rechter minder relevant. Het ging daar om Venezolaanse investeerders die na het doen van investeringen in Venezuela mede de Spaanse nationaliteit verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.12.2 Ook heeft de Russische Federatie aandacht gevraagd voor diverse uitspraken van scheidsgerechten waar de vraag aan de orde was of het hebben van belangen in een vennootschap in de ene verdragsstaat die op haar beurt bezittingen in de andere verdragsstaat heeft als investeringen in de zin van het verdrag konden worden beschouwd (zoals Berschader and Berschader v. The Russian Federation (SCC Case No. 080/2004) en Clorox Espana v. Bolivarian Republic of Venezuela (PCA Case No. 2015-30)), maar die zaken werpen geen licht op de in deze zaak voorliggende kwestie. Het gaat hier immers niet om de vraag of sprake is van een dergelijke indirecte investering door Naftogaz c.s., maar om de vraag of deze investering zich in de Russische Federatie moest bevinden op het moment dat zij (actief) werd gedaan. Naftogaz c.s. hebben er bovendien in hun conclusie van antwoord terecht op gewezen dat de arbitrale uitspraak in de zaak Clorox Espana v. Bolivarian Republic of Venezuela is vernietigd door het Zwitserse Federale Hooggerechtshof (Clorox Spain S.L. v. Bolivarian Republic of Venezuela, Zwitserse Federale Hooggerechtshof, zaaknr. 4A_306/2019, 25 maart 2020) waarbij het Zwitserse Federale Hooggerechtshof overwoog dat er geen reden is om de in het toepasselijke BIT-verdrag voorkomende term “invested by investors” zo uit te leggen, dat sprake moet zijn van een actieve investering gedaan door de investeerder zelf in ruil voor een tegenprestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.12.3 Ook de vergelijking met de door de Russische Federatie aangehaalde zaken waar het ging om een binnenlandse investering in de ene verdragsstaat, waarvan de waarde volgens de investeerders in negatieve zin werd beïnvloed door maatregelen in de andere verdragsstaat, gaat niet op (Bayview Irrigation District et al v. Mexico, ICSID Case No. ARB(AF)/05/01, Award, 19 juni 2007); The Canadian Cattlemen for Fair Trade v. the United States of America, UNCITRAL, Award on Jurisdiction, 28 januari 2008). In die zaken waren de desbetreffende investeringen immers steeds binnenlands gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het scheidsgerecht terecht heeft geoordeeld dat de investeringen van Naftogaz c.s. (in beginsel) vallen onder het begrip investments als bedoeld in artikel 1 lid 1 BIT 1998, en dat er in zoverre dus geen grond tot vernietiging van de arbitrale uitspraken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 De uitleg van investor in de zin van artikel 1 lid 2 BIT 1998 (onbevoegdheidsargument If) Het oordeel van de meerderheid van het scheidsgerecht 5.9.1 De meerderheid van het scheidsgerecht heeft deze kwestie aldus geformuleerd dat de vraag is of Naftogaz c.s. volgens de Oekraïense wetgeving bevoegd waren om te investeren in de Russische Federatie en of ze daadwerkelijk op de relevante momenten zulke investeringen hielden. Nu duidelijk is dat Naftogaz c.s. hun activa hebben verkregen toen de Krim een onderdeel was van Oekraïne, is de eerste vraag die moet worden beantwoord of de datum van beoordeling de datum van de initiële investering is of dat voldoende is dat de activa van Naftogaz c.s. buitenlands eigendom waren op de datum van de gestelde inbreuken op de BIT 1998 en de datum waarop de arbitrale procedure is gestart. De meerderheid heeft de laatste twee data aangewezen als data van beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.2 Vervolgens heeft de meerderheid van het scheidsgerecht zich gebogen over het in artikel 1 lid 2 BIT 1998 opgenomen vereiste dat sprake moet zijn van investeerders die “competent in accordance with legislation” zijn. Het scheidsgerecht heeft dit vereiste opgevat als een verwijzing naar “corporate structure and powers”. Hij heeft uit de door Naftogaz c.s. in de arbitrale procedure ingediende expert opinions van dr. Paliashvili afgeleid dat vanaf het moment dat zij de desbetreffende investeringen deden tot aan de arbitrale procedure, niets in de charters van Naftogaz c.s. noch enige Oekraïense wet Naftogaz c.s. verbood om een (grensoverschrijdende) Nationale Bank van Oekraïne (hierna: NBU)-vergunning te krijgen noch om investeringen te doen in de Russische Federatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is de meerderheid er – in tegenstelling tot de minderheidsopinie van [arbiter 2] – vanuit gegaan dat orthodoxe principes van verdragsinterpretatie verlangen dat de juridische feiten worden vastgesteld op het moment van de gestelde inbreuk en bij het begin van de procedure en niet op de datum van de aanvankelijke investering. Daarnaast heeft het scheidsgerecht in meerderheid onder verwijzing naar de expert opinion van prof. Paul B. Stephan geoordeeld dat Naftogaz c.s. op het moment van de onteigening voldeden aan het vereiste van een (van het gastland) verschillende nationaliteit omdat Oekraïense investors op de Krim werden aangemerkt als “foreign” investors tenzij en totdat zij “reorganized themselves as Russian entities”.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3 De meerderheid is tot de slotsom gekomen dat Naftogaz c.s. de bescherming van de BIT 1998 kunnen inroepen (jurisdiction ratione personae) als rechtsgeldig opgerichte rechtspersonen naar het recht van Oekraïne en naar dat recht wettelijk bevoegd zijn om zowel in Oekraïne als in Rusland te investeren en dat zij alle op het moment van de inbreuk op 18 maart 2014 activa hielden in het territory van Rusland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de Russische Federatie 5.9.4 De Russische Federatie heeft (kort samengevat) het volgende naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.1 Om gekwalificeerd te kunnen worden als investor als bedoeld in artikel 1 lid 2 BIT 1998, moeten in Oekraïne gevestigde of wonende investeerders naar Oekraïens recht bevoegd zijn tot het doen van investeringen op de “territory of the other Contracting Party”, dus op het grondgebied van de Russische Federatie. Het gaat daarbij dus om het doen van buitenlandse investeringen door Naftogaz c.s. op de Krim. De bevoegdheid van Naftogaz c.s. om binnenlandse investeringen te doen op de Krim is niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.2 Naftogaz c.s. zijn nooit bevoegd geweest om buitenlandse investeringen op de Krim te doen. Toen Naftogaz c.s. hun investeringen deden, behoorde de Krim tot het grondgebied van Oekraïne. Na maart 2014 beschouwt de Oekraïense wet investeringen van Oekraïense ingezetenen op de Krim nog steeds als binnenlandse investeringen. Er gelden in Oekraïne specifieke wettelijke verplichtingen voor ingezetenen die investeringen in het buitenland willen doen. Het gaat om Decreet nr. 15-93 van het kabinet van ministers van Oekraïne “On the system of currency regulation and currency control” van 19 februari 1993, en Decreet nr. 893-95 van de president van Oekraïne “On investing [in] Property Holdings by Residents outside Ukraine” van 13 september 1995. Het scheidsgerecht heeft deze wetten ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Naftogaz c.s. konden slechts aan de vereisten van de Oekraïense wetten inzake buitenlandse investeringen voldoen, als Oekraïne de Krim juridisch als buitenlands grondgebied zou beschouwen, hetgeen niet het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.3 Voorts heeft de Russische Federatie gewezen op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Oekraïense wetten die bepalen dat de Krim een deel van Oekraïne vormt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Oekraïense wetten die bepalen dat uitsluitend Oekraïens recht van toepassing is op de Krim;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Oekraïense wetten die Oekraïners verbieden zaken te doen op de Krim als onderdeel van de Russische Federatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een Oekraïense resolutie die Oekraïners verbiedt investeringen op de Krim te doen (Resolutie nr. 699 van de NBU).</div>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.4 De conclusie hieruit is dat Naftogaz c.s. nooit bevoegd zijn geweest om buitenlandse investeringen op de Krim te doen. Naftogaz c.s. waren volgens de Oekraïense wet slechts gerechtigd om binnenlandse investeringen op de Krim te doen. De meerderheid van het scheidsgerecht heeft ten onrechte de tekst van artikel 1 lid 2 BIT 1998 niet gevolgd en alleen beoordeeld of Naftogaz c.s. “[were] legally competent under Ukrainian law to invest both in Ukraine and Russia”. Het citaat door de meerderheid van het scheidsgerecht van de opinie van Paliashvili suggereert dat artikel 1 lid 2 BIT 1998 slechts een abstracte wettelijke bevoegdheid vereist. Deze uitleg strookt niet met artikel 31 WVV, aangezien deze voorbijgaat aan de duidelijke verwijzing in artikel 1 lid 2 BIT 1998 naar Oekraïense wetgeving. De juiste uitleg van artikel 1 lid 2 BIT 1998 is dat Oekraïens recht voor Oekraïners geen beperkingen mag bevatten voor het doen van investeringen op de Krim als onderdeel van de Russische Federatie. Naftogaz c.s. misten vóór en na maart 2014 de bevoegdheid naar Oekraïens recht om buitenlandse investeringen op de Krim te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Naftogaz c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5 Volgens Naftogaz c.s. heeft het scheidsgerecht terecht geoordeeld dat zij “investeerders” zijn in de zin van artikel 1 lid 2 BIT 1998. Zij hebben dit standpunt als volgt toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.1 Artikel 1 lid 2 van de BIT 1998 bevat twee voorwaarden waaraan een investering moet voldoen om onder de bescherming van de BIT 1998 te vallen. Ten eerste moet elke Naftogaz entiteit een “legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the territory of [Ukraine]” zijn en ten tweede moeten zij “competent in accordance with legislation of [Ukraine] to make investments in the territory of the [Russian Federation]” zijn. Volgens Naftogaz c.s. voldoen zij aan beide voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.2 Aan het eerste vereiste is voldaan omdat elke Naftogaz entiteit rechtsgeldig is opgericht naar het recht van Oekraïne. Dat is ook niet door de Russische Federatie betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.3 Ook aan het tweede vereiste is voldaan. Naftogaz c.s. waren naar het recht van Oekraïne bevoegd om op het grondgebied van de Russische Federatie te investeren. Artikel 1 lid 2 onder b BIT 1998 vereist niet dat een rechtspersoon voor iedere afzonderlijke investering een specifieke autorisatie heeft verkregen, maar richt zich op de bevoegdheid “to make investments” als zodanig. De meerderheid van het scheidsgerecht heeft terecht geoordeeld dat de term bevoegdheid “refers to corporate structure and powers”; andere investeringsscheidsgerechten interpreteerden een “competency” als een “capacity to enter into legal relations.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.4 Artikel 1 lid 2 BIT 1998 vereist alleen een wettelijke bevoegdheid om investeringen te doen in de Russische Federatie, en niet de bevoegdheid om buitenlandse investeringen te doen op de Krim. Tot het doen van investeringen op het grondgebied van de Russische Federatie waren Naftogaz c.s. op grond van het Oekraïense recht bevoegd, zoals Paliashvili in haar expertopinie heeft bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.5 Artikel 1 lid 2 BIT 1998 vereist niet dat een investeerder de kwalificatie buitenlands heeft op het moment dat hij zijn investering verwerft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.6 De Oekraïense wetten die de Russische Federatie noemt (Decreet nr. 15-93 en Decreet nr. 839/95) zijn niet relevant voor de vraag of Naftogaz c.s. als zodanig bevoegd waren om investeringen te doen op het grondgebied van de Russische Federatie. Zij zijn alleen relevant voor de vraag of een investeerder voor zijn specifieke investeringstransactie specifieke overheidsautorisatie heeft verkregen. Zoals Paliashvili toelicht, leggen deze wetgevingsinstrumenten geen beperkingen op aan de bevoegdheid van Naftogaz c.s. om te investeren in de Russische Federatie. De decreten vereisen wel dat Oekraïense investeerders een individuele vergunning krijgen als hun investering in het buitenland betrekking heeft op vermogensrechten of eigendom, maar Paliashvili concludeert dat deze vergunningen niet waren vereist voor de investeringen van Naftogaz c.s. Bovendien was er geen vergunning nodig om de investeringen van Naftogaz c.s. te houden na de annexatie van de Krim door de Russische Federatie. Tenslotte leidt het niet verkrijgen van vergunning enkel tot boetes en niet tot annulering van de investeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.7 Resolutie nr. 699 van de NBU heeft betrekking op monetaire overdrachten naar de Krim van na 5 november 2014. Deze resolutie heeft daarom geen betrekking op de investeringen van Naftogaz c.s. die ruim voor die datum werden verworven en onteigend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.8 Ten slotte is het zo dat vanaf 18 maart 2014 op de Krim Russische wetgeving van toepassing is, waarin de Oekraïense investeerders op de Krim worden aangemerkt als buitenlandse investeerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.5.9 De conclusie van Naftogaz c.s. is dat de Russische Federatie geen bepaling van Oekraïens recht heeft aangehaald die de wettelijke bevoegdheid van Naftogaz c.s. beperkt om te investeren op het grondgebied van de Russische Federatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 5.9.6 Het hof is van oordeel dat het standpunt van de Russische Federatie dat Naftogaz c.s. geen investors zijn als bedoeld in de BIT 1998 niet opgaat. Het vereiste in artikel 1 lid 2 van de BIT 1998 dat de natural person of de legal entity is competent in accordance with its legislation to make investments in the territory of the other Contracting Party betekent (slechts) dat de investeerder volgens de wetten van zijn eigen land in de bevoegdheid moet hebben om investeringen te verrichten op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Dat Naftogaz c.s. daartoe gerechtigd waren, staat niet ter discussie. Verder is het hof van oordeel dat het houden van de investeringen op de Krim na de incorporatie van de Krim niet in strijd is met regelgeving van Oekraïne. Dat Oekraïne deze investeringen formeel niet als buitenlandse investeringen beschouwt, maakt Naftogaz c.s. niet onbevoegd om deze investeringen te houden. Zoals hiervoor reeds besproken, erkent Oekraïne dat de Russische Federatie de facto controle uitoefent op de Krim en gaat Oekraïne er in dat verband vanuit dat het de Russische Federatie is die verantwoordelijkheid draagt voor deze investeringen in die zin, dat de verplichting om – bijvoorbeeld – niet zonder adequate schadevergoeding tot onteigening over te gaan thans op de Russische Federatie rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.7 Naftogaz c.s. hebben verder voldoende toegelicht dat Resolutie nr. 699, die betrekking heeft op monetaire overdrachten naar de Krim, geen betrekking heeft op, althans geen gevolgen heeft voor, de investeringen van Naftogaz c.s. op de Krim. De NBU heeft deze resolutie aangenomen in november 2014. Geen van de investeringen van Naftogaz c.s. hield monetaire overdrachten in na die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Naftogaz c.s. hebben illegaal gehandeld bij het doen van hun investeringen (onbevoegdheidsargument Ig) 5.10.1 De Russische Federatie heeft bij pleidooi (pleitnota, randnummer 22) haar beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht vanwege de illegaliteit van enkele investeringen van Naftogaz c.s. ingetrokken. Dit onderdeel behoeft dus geen behandeling meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Uit artikel 9 BIT 1998 volgt geen toestemming van de verdragspartijen om vorderingen zoals die van Naftogaz c.s. te bundelen in één arbitrage (onbevoegdheidsargument Ih) Het oordeel van het scheidsgerecht 5.11.1 Het scheidsgerecht heeft in navolging van het Everest Estate-scheidsgerecht geoordeeld dat “silence in respect of multi-party proceedings is not silence in respect of consent”. De Russische Federatie heeft toestemming gegeven tot de arbitrage met betrekking tot elke eiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.2 Verder heeft het scheidsgerecht overwogen dat de vorderingen in deze zaak voortkomen uit dezelfde gebeurtenissen, dat dezelfde regels van toepassing zijn en dat de eisers dezelfde eisen instellen onder de BIT 1998. Om redenen van efficiëntie en om te voorkomen dat een veelvoud van in wezen identieke arbitrages tot verschillende resultaten leidt, wat voorkomen moet worden, dienen de zaken niet gescheiden te worden. De UNCITRAL-regels vereisen dat het scheidsgerecht alle vorderingen op een efficiënte en snelle wijze behandelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de Russische Federatie 5.11.3 Volgens de Russische Federatie was het scheidsgerecht niet bevoegd de vorderingen van Naftogaz c.s. in één arbitrale procedure te behandelen. De argumenten van de Russische Federatie te dien aanzien kunnen als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.3.1 In geval van een arbitrage tussen een staat en een investeerder van een andere staat op grond van een bilateraal verdrag stemt de staat in met arbitrage in een geschil met een investeerder door middel van een doorlopend aanbod om een arbitrageprocedure in te stellen. Een investeerder stemt daarmee in door middel van aanvaarding van dat aanbod. Tot dat moment is er geen sprake van een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst. De inhoud van deze arbitrageovereenkomst wordt bepaald door de inhoud van het aanbod. Die inhoud is vastgelegd in artikel 9 BIT 1998. In de interpretatie van artikel 9 BIT 1998 van de Russische Federatie richt het aanbod tot arbitrage zich slechts tot één investeerder en kan dus niet worden uitgebreid tot meerdere investeerders. Deze inhoud leidt de Russische Federatie af uit de gewone betekenis van de bewoordingen van artikel 9 BIT 1998, waarin gebruik wordt gemaakt van het enkelvoud bij de aanduiding van de investeerder die een geschil aanhangig kan maken in lid 1 (“an investor”, “the investor”) en in lid 3 naar “both parties” wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.3.2 Volgens de Russische Federatie wordt dit bevestigd door de UNCITRAL-regels die zijn ontworpen om van toepassing te zijn in een bilaterale sfeer waarbij slechts één entiteit verschijnt als eiser of gedaagde. Zo bepaalt artikel 3 lid 1 van de UNCITRAL-regels dat “[t]he party initiating recourse to arbitration (…) shall give to the other party (…) a notice of arbitration” (cursivering toegevoegd).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.3.3 Volgens het Nederlandse procesrecht is bij een formele samenvoeging volgens de procedure van artikel 1046 Rv de goedkeuring van alle betrokken partijen vereist. Het stond het scheidsgerecht niet vrij om zonder instemming van de Russische Federatie over de gezamenlijke vorderingen van Naftogaz c.s. te beslissen. Ook op die grond moet het gedeeltelijk eindvonnis op grond van artikel 1065 lid 1 onder a Rv worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Naftogaz c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.4 Naftogaz c.s. stellen zich op het standpunt dat artikel 9 BIT 1998 meerpartijenarbitrage toelaat. Hun standpunt kan als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.4.1 De tekst van artikel 9 BIT 1998 sluit meerpartijenarbitrage niet uit. De bepalingen van de BIT 1998 gebruiken de woorden “investor” en “investors” op onderling inwisselbare wijze, zodat uit het gebruik van enkelvoud of meervoud geen conclusie kan worden getrokken ten aanzien van een bevoegdheidsbeperking. Uitspraken van scheidsgerechten zoals Ambiente Ufficio S.p.A. v. Argentine Republic, ICSID Case No. ARB/08/9, 8 februari 2013 en Guaracachi America Inc. and Rurelec PLC v. the Plurinational State of Bolivia, PCA Case No. 2011-17, 31 januari 2014, bevestigen dat het gebruik van een enkelvoud niet kan worden opgevat als bevoegdheidsbeperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.4.2 Meerpartijenarbitrage is feitelijk een veel voorkomend verschijnsel, zoals ook is overwogen in de Ambiente Ufficio zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.4.3 Vanuit het perspectief van efficiëntie, effectiviteit en consistentie van arbitrale beslissingen is het onbegrijpelijk om de BIT 1998 zo uit te leggen dat deze zich verzet tegen meerpartijenarbitrage. De instemming met een meerpartijenarbitrage is dan ook een impliciet onderdeel van het aanbod tot arbitrage in artikel 9 BIT 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.4.4 Er zijn in de onderhavige zaak goede redenen om de procedure niet te splitsen: de vorderingen van Naftogaz c.s. zijn ontstaan als gevolg van dezelfde gebeurtenissen, zij zijn gebaseerd op dezelfde regels van de BIT 1998, zij vragen dezelfde remedie en het gaat om ondernemingen die deel zijn van hetzelfde concern.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.4.5 Artikel 1046 Rv heeft betrekking op de situatie dat meerdere eisers verschillende arbitrageprocedures zijn gestart die op een later moment worden samengevoegd en dus niet op de onderhavige situatie waarin vanaf het begin af aan sprake is van een meerpartijenarbitrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 5.11.5 Het hof is van oordeel dat artikel 9 BIT 1998 toestaat dat meerdere investeerders tezamen een vordering tegen een verdragsstaat instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.5.1 De omstandigheid dat in artikel 9 lid 1 BIT 1998 de term “investor” in het enkelvoud wordt gehanteerd, kan niet worden opgevat als een beperking van de mogelijkheid voor meerdere investeerders om gezamenlijk een vordering in te stellen. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar “both parties” in lid 3. De termen “investor” en “investment” worden in het verdrag soms in het enkelvoud en soms in het meervoud gehanteerd, zonder dat daarvoor een specifieke reden valt aan te wijzen. Zo spreekt artikel 9 lid 1 BIT 1998 wel over “investments” in het meervoud. Het gebruik van het enkelvoud van de term “investor” past bij het gebruik van de woorden “any dispute” in dezelfde bepaling. Er had ook kunnen staan: “All disputes between one Contracting Party and investors of the other Contracting Party (…)”. De strekking van de bepaling zou hetzelfde zijn geweest, terwijl in dat geval over “investors” in het meervoud zou zijn gesproken. Het hof kan zich dus niet verenigen met het standpunt van de Russische Federatie dat artikel 9 BIT 1998 een aanbod tot arbitrage jegens één enkele investeerder behelst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.5.2 Voor het gebruik van het enkelvoud voor een partij in de UNCITRAL-regels gelden gelijksoortige overwegingen. Ook hier is het enkelvoud niet gebruikt om een bevoegdheidsbeperking aan te geven, maar om de praktische reden dat dit eenvoudiger is op te schrijven en te lezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.5.3 Verder sluit een meerpartijenarbitrage aan bij de praktijk in vergelijkbare (BIT-) zaken, waaronder een aantal andere zaken van Oekraïense investeerders tegen de Russische Federatie, bijvoorbeeld Stabil LLC en tien anderen tegen de Russische Federatie (PCA Case No. 2015-35). Het hof is met het scheidsgerecht van oordeel dat redenen van doelmatigheid en consistentie ook in de onderhavige zaak pleiten voor het behandelen van de vorderingen van Naftogaz c.s. in één procedure, nu zij alle over dezelfde feiten gaan, dezelfde regelgeving van toepassing is en de rechtspersonen nauwe banden hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.5.4 Artikel 1046 Rv heeft, zoals Naftogaz c.s. ook aangeven, betrekking op de samenvoeging van meerdere reeds aanhangige gedingen, tussen verschillende eisers en gedaagden, en niet op de gelijktijdige indiening van vorderingen door verschillende eisers tegen één gedaagde in één en hetzelfde geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het het scheidsgerecht vrij stond om de vorderingen van Naftogaz c.s. samen te behandelen en dat dit dus geen grond voor vernietiging van de arbitrale uitspraak oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Conclusie ten aanzien van de bevoegdheid van het scheidsgerecht (argument Ia-h, artikel 1065 lid 1 onder a Rv) 5.12.1 De conclusie van het voorgaande is dat het hof de door de Russische Federatie onder I onder a tot en met h aangevoerde gronden voor de onbevoegdheid van het scheidsgerecht verwerpt, met uitzondering van de op artikel 12 van de BIT 1998 gebaseerde grond, zoals hiervoor in rov. 5.7.6 is aangegeven. Naar het oordeel van het hof is voor het overige aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van de BIT 1998 voldaan en was het scheidsgerecht overigens bevoegd het geschil tussen Naftogaz c.s. en de Russische Federatie te beslechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Heeft het scheidsgerecht zijn opdracht geschonden (argument II, artikel 1065 lid 1 onder c Rv)?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13.1 De Russische Federatie baseert haar vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen ook op de stelling dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft geschonden door de vorderingen van Naftogaz c.s. toe te laten in één procedure zonder toestemming van de Russische Federatie of samenvoeging op grond van artikel 1046 Rv. Dit is een herhaling van de hiervoor besproken stelling dat artikel 9 BIT 1998 meerpartijenarbitrage niet toelaat. Deze grond voor vernietiging slaagt dus niet. Voor de motivering wijst het hof naar zijn overwegingen in 5.11.5 en 5.11.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Strijd met de openbare orde (argument III, artikel 1065 lid 1 onder e Rv) Het standpunt van de Russische Federatie 5.14.1 Volgens de Russische Federatie is het vonnis op twee gronden in strijd met de openbare orde: (i) een tussen Naftogaz c.s. en de Russische Federatie niet-arbitrabel geschil vormde de grondslag voor de door de meerderheid van het scheidsgerecht aangenomen bevoegdheid; (ii) de vonnissen van het scheidsgerecht honoreren corruptie, fraude en geweld en berusten op bewust verzwegen essentiële gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.2 Ten aanzien van grond (i) heeft de Russische Federatie kort samengevat het volgende naar voren gebracht:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.2.1 Het geschil tussen de Russische Federatie en Naftogaz c.s. is niet vatbaar voor arbitrage. Het gaat immers om vaststelling van rechtsgevolgen – de soevereine status van de Krim – die niet ter vrije bepaling van de partijen staan. Zaken van openbare orde kunnen niet aan arbitrage worden onderworpen. In het oordeel van de meerderheid van het scheidsgerecht ligt besloten (in § 182 van de Partial Award) dat de Krim op een bepaald moment van status is veranderd, namelijk van onderdeel van de territory of Ukraine in onderdeel van de territory of the Russian Federation. Deze beslissing heeft de bedoeling om rechtsgevolgen te bewerkstelligen voor Naftogaz c.s., de Russische Federatie en Oekraïne. De status van de Krim is echter geen kwestie die ter vrije bepaling staat van Naftogaz c.s., als private partijen, en de Russische Federatie als één van de verdragspartijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.2.2 De beslissing van het scheidsgerecht is niet in overeenstemming met het gedrag van beide verdragspartijen. Oekraïne erkent de Krim niet als Russisch grondgebied en verbiedt via Resolutie nr. 699 van de NBU investeringen door Oekraïense onderdanen op de Krim. De Russische Federatie van haar kant erkent het scheidsgerecht niet, omdat zij van oordeel is dat de Krim niet gereguleerd wordt door de BIT 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.2.3 Het zogenoemde reciprociteitsvereiste maakt dat het geschil niet arbitrabel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.2.4 Er bestaat tussen de verdragspartijen – anders dan het scheidsgerecht heeft geoordeeld – geen gedeeltelijke consensus over de status van de Krim. Er is sprake van tegenstrijdige soevereiniteitsclaims. Aangezien geen van beide verdragspartijen de BIT 1998 eenzijdig kan wijzigen, is een verklaring door de ene verdragspartij alleen geldig wanneer deze door de andere verdragspartij is aanvaard. Oekraïne heeft niet aanvaard dat de Krim onderdeel is van de Russische Federatie. De meerderheid van het scheidsgerecht kan haar bevoegdheid tot het nemen van een beslissing over de status van de Krim onder de BIT 1998 ook niet rechtvaardigen onder het mom van een “incidentele bevoegdheid”. Een dergelijke bevoegdheid kan immers niet het beslissen op een niet-arbitrabele kwestie omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.3 Ten aanzien van grond (ii) heeft de Russische Federatie het volgende naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.3.1. Een vonnis dat corruptie, illegaliteit en fraude honoreert is naar zijn inhoud in strijd met de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.3.2 Naftogaz c.s. hebben nagelaten het scheidsgerecht te informeren over de corruptie en de frauduleuze handelingen bij de verkrijging van in ieder geval de boorinstallaties. De arbitrale vonnissen moeten daarom ook op de voet van artikel 1065 lid 1 onder e Rv worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Naftogaz c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.4 Naftogaz c.s. hebben ten aanzien van het hiervoor als (i) aangeduide openbare orde argument (kort samengevat) naar voren gebracht, dat de argumenten van de Russische Federatie op dit punt in wezen een herhaling zijn van haar (te verwerpen) “soevereiniteitsargument”. Het is niet juist dat het scheidsgerecht een (impliciet) oordeel heeft gegeven over de soevereine status van de Krim naar internationaal recht. Uit § 158 van de Interim Award van 24 februari 2017 van het scheidsgerecht volgt nu juist dat het zich over die kwestie niet heeft uitgesproken. Naftogaz c.s. hebben verwezen naar de uitspraak van het Zwitserse Hooggerechtshof van in de zaak Ukrnafta (zie onder 5.8.10 hiervoor), dat een soortgelijk arbitrability-argument heeft verworpen omdat de arbitrale procedure niet de soevereine status van de Krim tot onderwerp had.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.5 Ten aanzien van het hiervoor als (ii) aangeduide openbare orde argument (fraude, corruptie en geweld) hebben Naftogaz c.s. aangevoerd dat dit voor het eerst bij conclusie van repliek aangevoerde argument tardief is en bovendien op geen enkele wijze is onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 5.14.6 Van strijd met de materiële openbare orde is op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad slechts sprake indien de inhoud of uitvoering van het vonnis strijd oplevert met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd. Alleen wanneer het gaat om schending – het ten onrechte niet of onjuist toepassen – van zulk ‘uiterst fundamenteel recht’, komt een arbitraal vonnis op grond van artikel 1065 lid 1 onder e Rv voor vernietiging in aanmerking. Bij dat ‘uiterst fundamentele recht’ kan het zowel gaan om materiële rechtsregels als om formele rechtsregels. Ook kan het gaan om fundamentele rechtsbeginselen, dat wil zeggen de fundamentele beginselen die wezenlijke belangen van de samenleving betreffen en die vorm geven aan de grondslagen waarop de ethische, juridische en economische orde van de samenleving steunt, ofwel fundamentele beginselen van de rechtsorde of met algemene belangen van fundamentele aard. Om te voorkomen dat de vernietigingsprocedure wordt gebruikt als een verkapt hoger beroep, zal de rechter niet te snel mogen aannemen dat een arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde en alleen in sprekende gevallen mogen ingrijpen. Daarbij zal hij zich een eigen, inhoudelijk oordeel moeten vormen en ook feiten moeten betrekken die niet in de arbitrale procedure aan de orde zijn geweest (zie conclusie A-G De Bock voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2020:1176).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.7 De Russische Federatie heeft zich niet beroepen op strijd met processuele rechtsregels. Voor wat betreft de strijd met fundamentele materiële rechtsregels geldt dat de door de Russische Federatie naar voren gebrachte argumenten al zijn besproken in het kader van de eerder door de Russische Federatie aangevoerde vernietigingsgronden. Bij de uitleg van het begrip territory hiervoor is al overwogen dat daarbij geen oordeel hoeft te worden gegeven over het soevereiniteitsgeschil aangaande de Krim. Het oordeel van het scheidsgerecht houdt geen oordeel over de soevereiniteit van de Krim in en heeft ook geen rechtsgevolgen voor partijen die niet bij de arbitrage betrokken zijn. Van strijd met de openbare orde op deze grond is dus ook geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.8 Wat betreft de gestelde illegaliteit van de investeringen heeft de Russische Federatie haar stelling niet onderbouwd. Voor zover zij heeft bedoeld te verwijzen naar haar in par. 4.7 van de conclusie van repliek gegeven argumenten, heeft zij die stellingen bij pleidooi ingetrokken, zoals hiervoor onder rov. 5.10.1 al is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Conclusie 5.15.1 Het hof komt tot de conclusie dat de Partial Award van 22 februari 2019 gedeeltelijk zal worden vernietigd, zoals overwogen in rov. 5.7.6. Voor het overige zullen de vorderingen van de Russische Federatie worden afgewezen. Daarmee is de Russische Federatie de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij. Hierbij past dat zij wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Naftogaz c.s. begroot op € 5.382,- aan griffierecht en € 25.672,50 aan salaris advocaat (4 ½ punten in tarief VIII), met inbegrip van de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Beslissing Het hof:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vernietigt de Partial Award van 22 februari 2019 voor zover het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat het bevoegd is om alle vorderingen te beoordelen, aangezien het alleen bevoegd is te oordelen over investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn gedaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt de Russische Federatie als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Naftogaz c.s. begroot op € 5.382,- aan verschotten, € 25.672,50 aan salaris voor de advocaat en op € 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen; verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, P. Glazener en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2022 in aanwezigheid van de griffier mr. M.J. Boon.</p></div>", "next": 0}