{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De Russische Federatie bestrijdt de oordelen van het scheidsgerecht dat de investeringen van Everest c.s. in de Krim te beschouwen zijn als investments in de zin van artikel 1 lid 1 BIT 1998, en dat Everest c.s. kwalificeren als investor in de zin van artikel 1 lid 2 BIT 1998, behalve met de reeds besproken stellingen ook met de stelling dat Everest c.s. hun investeringen hebben verkregen met behulp van fraude, corruptie en geweld. Volgens de Russische Federatie is het scheidsgerecht ook om die reden onbevoegd, aangezien het verdrag alleen legale investeringen verkregen door legaal handelende investeerders beschermt en Everest c.s. dus geen beroep kunnen doen op de BIT 1998 ten aanzien van hun investeringen. Het scheidsgerecht heeft zich over dit standpunt niet uitgelaten omdat het door de Russische Federatie niet in de arbitrage is aangevoerd. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de Russische Federatie echter het recht om in deze procedure alsnog onbevoegdheidsgronden aan te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de BIT 1998 een legaliteitseis bevat, in die zin dat artikel 1 lid 1 vereist dat een investment moet zijn gedaan in accordance with its legislation, dat wil zeggen de wetgeving van de gaststaat. Als de investering illegaal is, is er geen sprake van een investering, zodat het scheidsgerecht niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. Om de bescherming van de BIT 1998 te verliezen, moet het dan wel gaan om onwettigheid die het doen van de investering zelf aantast en niet alleen om illegaal handelen bij de uitvoering van de investering (vgl. hof Den Haag, 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234 HVY v Russische Federatie, rov. 5.1.11.2.). Dat betekent voor het onderhavige geval, waarin het gaat om onroerend goed, dat de rechten daarop niet op illegale wijze mogen zijn verkregen. De Russische Federatie betwist nu dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van het verdrag is voldaan omdat Everest c.s. hun eigendomsrechten door corruptie, fraude en geweld hebben verkregen. Het is aan de Russische Federatie om die betwisting met voldoende concrete feiten te staven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.3 De Russische Federatie heeft haar standpunt onderbouwd met stellingen ten aanzien van corruptie, fraude en geweld bij de Privat Group en personen betrokken bij de Privat Group, en corruptie, fraude en geweld gepleegd bij de verkrijging van een aantal specifieke vastgoedobjecten, die volgens de Russische Federatie tezamen meer dan 90% uitmaken van de totale economische waarde van alle investeringen waarvoor Everest c.s. vergoeding heeft gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.4 Het hof zal hierna eerst de stellingen met betrekking tot de Privat Group bespreken, en vervolgens de stellingen met betrekking tot de specifieke vastgoedobjecten. Het hof hanteert daarbij als uitgangspunt dat Everest c.s. naar Oekraïens recht eigenaars waren van de vastgoedobjecten, en dat zij dat zijn gebleven na de incorporatie van de Krim (vgl. 5.7.1 hiervoor). Dat is door het scheidsgerecht vastgesteld aan de hand van, onder meer, het rapport van [notaris].</p>\n<p class=\"lf-p\">Privat Group 5.8.5 Volgens de Russische Federatie hebben de Privat Group en personen achter de Privat Group, waaronder de heer [A] (hierna: [A] ), zich schuldig gemaakt aan corruptie en fraude bij de verkrijging van zeggenschap over voormalige staatsbedrijven en particuliere ondernemingen in Oekraïne. De Russische Federatie noemt verschillende voorbeelden, zoals de verkrijging van de voormalige staatsbedrijven Ukrnafta, Ukrrudprom en DneproAzot. Ukrnafta zoud zijn verkregen met hulp van de voormalige president van Oekraïne [Z] , die door de Privat Group en/of personen achter de Privat Group was omgekocht. [Z] zou [A] ook verschillende vastgoedobjecten hebben toegespeeld, waaronder objecten die later door de Russische Federatie zijn onteigend en waarvoor Everest c.s. in de arbitrage compensatie hebben gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Russische Federatie wijst ook op grootschalige fraude bij PrivatBank, die onderdeel was van de Privat Group. PrivatBank is een van de grootste banken in Oekraïne. [A] was een van de grootaandeelhouders van de bank en heeft samen met een andere grootaandeelhouder en leidinggevenden gelden onttrokken aan PrivatBank. Als gevolg van deze fraude heeft PrivatBank grote verliezen geleden, die uiteindelijk hebben geleid tot een reddingsoperatie door de Oekraïense overheid, in het kader waarvan de bank is genationaliseerd. De Privat Group heeft zich volgens de Russische Federatie ook herhaaldelijk schuldig gemaakt aan geweld, onder meer bij een gewelddadige overval op een staalfabriek en de bezetting van het hoofdkantoor van Ukrnafta.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zijn privélegers ingezet. Ook zouden verschillende personen door de Privat Group en [A] zijn bedreigd, ontvoerd en mishandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.6 In het arrest in het incident op grond van de artikelen 21, 22 en 843a Rv van 28 januari 2020 heeft het hof vastgesteld dat er nauwe banden (hebben) bestaan tussen Everest c.s. en [A] en (al dan niet via [A] ) tussen Everest c.s. en PrivatBank (vgl. rov. 6.3 en volgende van het arrest). Dat is echter, ook in combinatie met de beschuldigingen van corruptie, fraude en geweld ten aanzien van PrivatBank en Privat Group, onvoldoende grond om aan te nemen dat de vastgoedobjecten van Everest c.s. die door de Russische Federatie zijn onteigend en waarvoor Everest c.s. in de arbitrage schadevergoeding hebben gevorderd, onrechtmatig zijn verkregen. Daarvoor zijn deze beschuldigingen te algemeen en is de relatie met de onteigende vastgoedobjecten onvoldoende concreet. Het hof zal afzonderlijk ingaan op de stelling van de Russische Federatie dat vastgoedobjecten waarvan de aanschaf is gefinancierd door PrivatBank, geacht moeten worden onrechtmatig te zijn verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lazurny Bereg Resort 5.8.7 Het Lazurny Bereg Resort is een onafgebouwd resort aan de kust van de Krim. De ontwikkeling is in 1978 begonnen maar nooit voltooid. Het scheidsgerecht heeft aan de eigenaar van het resort, Dayris LLC (gedaagde sub 11, hierna: Dayris) en de projectontwikkelaar, Privatland LLC (gedaagde sub 14) gezamenlijk een schadevergoeding toegewezen van USD 780.854 en USD 4.281.581 plus rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8 De Russische Federatie stelt dat het resort sinds 1994 eigendom was van de Autonome Republiek de Krim en in 2003 onrechtmatig aan de Autonome Republiek de Krim is onttrokken. Vervolgens zou het resort via een ABC-constructie enkele malen zijn doorverkocht en uiteindelijk in 2005 zijn gekocht door Dayris. De registratie van het eigendomsrecht zou zijn geschied op basis van een arbitraal schijnvonnis. Een en ander is gemotiveerd betwist door Everest c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.9 Naar het oordeel van het hof heeft de Russische Federatie haar stelling dat Dayris het resort onrechtmatig heeft verkregen onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde rechterlijke uitspraken, waaronder een uitspraak van het Oekraïense Hooggerechtshof van 18 december 2013, blijkt wel dat het resort in 2003 onrechtmatig is onttrokken aan de Autonome Republiek de Krim, maar niet dat het vervolgens onrechtmatig is verkregen door Dayris. Het arbitrale schijnvonnis is niet overgelegd, net zomin als bewijzen dat het hier om een schijnvonnis gaat. Het document waar de Russische Federatie naar verwijst, bevat slechts een algemene beschrijving van de praktijk van arbitrale schijnvonnissen en geen bewijs dat deze praktijk door Dayris is gevolgd bij de verkrijging van het resort. Hetgeen de Russische Federatie heeft aangevoerd, levert onvoldoende grond om de vaststelling van het scheidsgerecht dat het hier gaat om een investment van een investor in twijfel te trekken Tavria-resort 5.8.10 Het Tavria-resort is een (voormalig) kuuroord aan de kust van de Krim. Het scheidsgerecht heeft aan Diline Ltd LLC (gedaagde sub 12, hierna: Diline) schadevergoedingen toegekend van USD 2.165.754, USD 697.490 en USD 478.729 plus rente voor de onteigening van een hotel, een cottage en een stuk grond die deel uitmaakten van het resort.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.11 De Russische Federatie stelt dat bij de privatisering van het resort, dat oorspronkelijk staatseigendom was, onrechtmatig is gehandeld. Het resort is verkocht aan een bouwonderneming die het voor een appel en een ei heeft verkocht aan PrivatBank, die het weer heeft doorverkocht aan Diline. Diline zou vervolgens een schijnvonnis hebben gebruikt om het vonnis op haar naam te zetten. [Z] zou van de fraude op de hoogte zijn geweest en deze hebben toegelaten tegen betaling van smeergeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.12 Everest c.s. betwisten deze stellingen. Of onrechtmatig is gehandeld bij de privatisering is volgens hen irrelevant, omdat Diline het gebouw later te goeder trouw heeft verkregen. Zij wijzen erop dat de prijs die Diline in 2008 heeft betaald, ongeveer gelijk is aan de prijs die de PrivatBank in 2004 heeft betaald, en dat het scheidsgerecht datzelfde bedrag als uitgangspunt heeft genomen voor de schadevergoeding. Everest c.s. betwisten dat gebruik is gemaakt van een schijnvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.13 Het hof is van oordeel dat de stellingen van de Russische Federatie tegenover de nadere toelichting van Everest c.s. onvoldoende concreet en onderbouwd zijn om te concluderen dat Diline niet de rechtmatige eigenaar was. Er lagen vier jaren tussen de aankoop door PrivatBank en de doorverkoop aan Diline. Everest c.s. hebben uitgelegd dat het vonnis betrekking had op een geschil over de notariskosten. Waarom dat een schijnvonnis zou zijn, is gelet op deze toelichting niet duidelijk. Ook in het geval van dit project zijn de stellingen van de Russische Federatie onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat niet aan de definities van investment en investor is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Novaya Yaila Natuurreservaat 5.8.14 Dit vastgoedobject bestaat uit (grond in) een natuurreservaat gelegen in Jalta, waar UBK-Invest CJSC (gedaagde sub 4, hierna: UBK-Invest) een nieuw project wilde realiseren dat op het moment van onteigening nog in het ontwerpstadium verkeerde. Het scheidsgerecht heeft aan UBK-Invest een schadevergoeding toegekend van USD 5.248.483 plus rente toegekend voor de onteigening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.15 De Russische Federatie stelt dat de erfpachtovereenkomst die UBK-Invest met betrekking tot de grond had gesloten met de gemeenteraad van Livadia in strijd met de wet was, omdat de gemeenteraad niet bevoegd was deze overeenkomst te sluiten. Er zijn verschillende rechterlijke procedures gevoerd over de rechtsgeldigheid van de erfpachtovereenkomst. Uiteindelijk is de zaak door het Oekraïense Hooggerechtshof na vernietiging teruggewezen. Vervolgens is in drie instanties in het voordeel van UBK-Invest beslist. Volgens de Russische Federatie waren de betrokken rechters corrupt, en hebben zij ten onrechte een eerdere uitspraak van de strafrechter genegeerd die had vastgesteld dat de gemeenteraad van Livadia haar bevoegdheden had overschreden en de erfpachtrechten niet had mogen verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.16 Everest c.s. stellen dat de beschuldigingen van corruptie ongegrond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.17 Het hof stelt vast dat de beschuldigingen van corruptie van de Russische Federatie geen betrekking hebben op de overeenkomst gesloten met betrekking tot de grond in het natuurreservaat. Zelfs als de beschuldigingen van corruptie gegrond zijn – het hof kan dat aan de hand van de door partijen overgelegde stukken niet beoordelen – dan nog volgt uit de stellingen van de Russische Federatie niet dat UBK-Invest onrechtmatig heeft gehandeld, maar (hoogstens) dat de gemeenteraad van Livadia haar bevoegdheid te buiten is gegaan. Ook heeft de Russische Federatie geen concreet verband gelegd tussen de gestelde corrupte rechters en de uitkomst van de procedures die met betrekking tot de erfpachtovereenkomst zijn gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Energetic Sanatorium 5.8.18 Tot de onteigende vastgoedobjecten behoren hotels en enkele andere gebouwen van het Energetic Sanatorium complex. Voor de onteigening daarvan heeft het scheidsgerecht Sanatorium Energetic LLC (gedaagde sub 16, hierna: Sanatorium Energetic) een schadevergoeding toegekend van in totaal USD 10.920.929 plus rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.19 De Russische Federatie stelt dat het Energetic Sanatorium oorspronkelijk eigendom was van de Oekraïense staat en in 2003 door het Yalta State Committee is overgedragen aan een entiteit genaamd Ukrprofozdorovnitsa, die op haar beurt het sanatorium heeft overgedragen aan de nieuw opgerichte dochteronderneming Sanatorium Energetic. Volgens de Russische Federatie was de privatisering van het sanatorium onrechtmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.20 Everest c.s. betwisten de stellingen van de Russische Federatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.21 Naar het oordeel van het hof heeft de Russische Federatie haar stelling dat Sanatorium Energetic de vastgoedobjecten onrechtmatig heeft verkregen, onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de privatisering van het sanatorium zelf verwijst zij alleen naar een artikel in de pers waarin wordt geklaagd dat de privatisering heeft plaatsgevonden zonder dat de werknemers daarbij zijn betrokken. Verder stelt zij dat Sanatorium Energetic bij andere onrechtmatige privatiseringen in Oekraïne betrokken is geweest. Uit een en ander volgt niet dat de overdracht van de vastgoedobjecten aan Sanatorium Energetic onrechtmatig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niva Hotel 5.8.22 Het Niva hotel is een budgethotel gelegen in het centrum van Jalta. Het scheidsgerecht heeft Niva-Tour LLC (gedaagde sub 5, hierna: Niva-Tour) een schadevergoeding toegekend van USD 12.127.235 voor de onteigening van het hotel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.23 Volgens de Russische Federatie was het hotel eigendom van de staat en is de eigendom van het hotel overgedragen aan Niva-Tour door een vakbond die alleen bevoegd was om het hotel te beheren, niet om het over te dragen. De gemeenteraad van Jalta zou vervolgens ten onrechte een certificaat van particulier eigendom hebben afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.24 Everest c.s. stellen dat Niva-Tour het hotel niet van de vakbond heeft overgenomen, maar van de Yalta City Council. De Yalta City Council is een onderdeel van de staat en was als zodanig bevoegd het hotel over te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.25 Het hof overweegt als volgt. Volgens het rapport van [notaris] is Niva-Tour de rechtmatige eigenaar van het hotel. Het hof gaat daarvan uit aangezien de Russische Federatie haar stelling dat het hotel aan Niva-Tour is overgedragen door een partij die daartoe niet bevoegd was, niet of althans onvoldoende heeft onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Solnechny Bereg Sanatorium 5.8.26 Het Solnechny Bereg Sanatorium is een onvoltooid vastgoedproject aan de kust van de Zwarte Zee. Naast een deels voltooid gebouw maken grond en een erfpachtrecht op strand deel uit van het project. Het scheidsgerecht heeft Fortuna CJSC (gedaagde sub 3, hierna: Fortuna) een schadevergoeding toegekend van USD 16.980.281 plus rente voor de onteigening van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.27 De gemeenteraad van Simeiz heeft het verzoek van Fortuna om haar een erfpachtrecht te verlenen aanvankelijk afgewezen. Nadat de rechter in twee instanties had beslist dat het verzoek moest worden toegewezen, heeft de gemeenteraad alsnog een erfpachtrecht verleend. De officier van justitie heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter in hoger beroep, waarop het hoogste administratieve gerecht van Oekraïne de eerdere beslissingen heeft vernietigd. De gemeenteraad heeft vervolgens getracht de erfpachtovereenkomst te ontbinden, maar een daartoe strekkende vordering is in twee instanties door de burgerlijke rechter afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.28 De Russische Federatie stelt dat deze laatste rechterlijke uitspraken door corrupte rechters zijn gewezen, en dat hoe dan ook deze uitspraken de uitspraken van de hoogste administratieve rechter niet ongedaan konden maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.29 Everest c.s. bestrijden dit. Zij wijzen erop dat de uitspraak van de hoogste administratieve rechter niet betekent dat de door de gemeenteraad gesloten erfpachtovereenkomst ongeldig was en stellen dat er niets ongewoons is aan de uitspraken van de burgerlijke rechter. Zij betwisten dat de uitspraken door corruptie tot stand zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.30 Het hof overweegt dat het in het algemeen mogelijk is dat een door overheidsorgaan gesloten overeenkomst naar burgerlijk recht rechtsgeldig en afdwingbaar is, ook als het besluit om die overeenkomst aan te gaan later door de bestuursrechter is vernietigd. Dat dat naar Oekraïens recht anders zou zijn heeft de Russische Federatie niet gesteld, laat staan onderbouwd. Het enkele feit dat de burgerlijke rechter de gemeenteraad heeft gehouden aan de overeenkomst wijst dus niet op corruptie. De stellingen van de Russische Federatie ten aanzien van corruptie van de betrokken rechters zijn algemeen van aard en hebben geen betrekking op de beslissingen van de burgerlijke rechter in dit concrete geval. Het hof gaat aan die stellingen voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.31 Met betrekking tot de grond waarop het sanatorium staat verwijst de Russische Federatie naar de opvatting van de officier van justitie dat de grond niet in overeenstemming met de wet is verkregen. Verder stelt de Russische Federatie dat Fortuna niet heeft voldaan aan bij de privatisering van de grond overeengekomen verplichtingen ten aanzien van de tijd waarbinnen de bouw van het sanatorium voltooid moet zijn, en dat het tijdstip van voltooiing door beslissingen van corrupte rechters is verschoven. Volgens de Russische Federatie kan de grond op ieder moment worden gerevindiceerd, en is de investering van Fortuna waardeloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.32 Everest c.s. betwisten de stellingen van de Russische Federatie. Zij wijzen erop dat het Property Fund dat de grond heeft verkocht, alleen op grond van een rechterlijke beslissing de overeenkomst met Fortuna kan opzeggen, en dat het Property Fund dat niet heeft gedaan. De opvatting van de officier van justitie is volgens Everest c.s. irrelevant, nu de officier van justitie door de rechter in het ongelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.33 Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de officier van justitie in het ongelijk is gesteld in de procedure waarin hij de vernietiging vorderde van het besluit van de gemeenteraad van Simeiz om de grond aan Fortuna te verkopen. Daarmee is de opvatting van de officier van justitie achterhaald. De stelling van de Russische Federatie dat Fortuna in gebreke is met de voltooiing van het sanatorium is onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat het tijdstip van de voltooiing is verlengd. Dat die beslissing als gevolg van corruptie tot stand is gekomen heeft de Russische Federatie op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat ook als de investering van Fortuna waardeloos zou zijn omdat de grond op ieder moment kan worden gerevindiceerd, dat nog niet betekent dat de investering illegaal is verkregen. De stelling van de Russische Federatie heeft betrekking op gesteld(e) handelingen (of nalaten) van Fortuna nadat de investering is verricht. Voor de vraag of de investering als zodanig illegaal is zijn die handelingen (of dat nalaten) niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Objecten Aerobud 5.8.34 Gedaagde sub 9, Aerobud PJSC (hierna: Aerobud), had drie projecten op de Krim. Het scheidsgerecht heeft Aerobud een schadevergoeding toegekend van in totaal USD 1.075.149 plus rente voor de onteigening van de projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.35 De Russische Federatie stelt dat Aerobud de waarde van de projecten onjuist heeft voorgesteld en dat Aerobud niet heeft voldaan aan de afspraken gemaakt bij de privatisering met betrekking tot de voltooiing van de projecten. Daarom is de gemeenteraad van Jalta in 2011 een procedure tegen Aerobud begonnen waarin zij beëindiging van de verkoopovereenkomst vordert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.36 Het hof overweegt als volgt. Of Aerobud de waarde van de projecten onjuist heeft voorgesteld kan in het midden blijven, nu dat nog niet betekent dat Aerobud de eigendom op onrechtmatige wijze heeft verkregen. Verder hebben Everest c.s. onweersproken gesteld dat de vordering van de gemeenteraad in de door de Russische Federatie genoemde procedure is afgewezen. Ook ten aanzien van deze projecten ziet het hof dus geen reden om de vaststelling van het scheidsgerecht dat Aerobud de rechtmatige eigenaar is van de projecten in twijfel te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nautilus Complex 5.8.37 Het Nautilus Complex is een appartementencomplex nabij Jalta. Het scheidsgerecht heeft schadevergoedingen van USD 8.454.596, USD 35.767.393 en USD 1.049.288 toegekend aan gedaagden sub 1, 2 en 19 (Everest Estate LLC, Edelveis-2000 en [gedaagde 19], hierna samen: Everest Estate c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.38 Volgens de Russische Federatie hebben Everest Estate c.s. de appartementen verworven tegen een zeer lage prijs en was corruptie, fraude en geweld alomtegenwoordig in deze regio. Verder stelt de Russische Federatie dat het complex is gebouwd in strijd met bouwkundige normen en milieuwetgeving. Ook stelt de Russische Federatie dat bij de taxatie van de waarde van de appartementen ten onrechte rekening is gehouden met privétoegang tot het strand van de bewoners van de appartementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.39 Everest c.s. betwisten dat de appartementen voor een zeer lage prijs zijn verworven. Verder stellen zij dat de ter plaatse geldende bouwnormen en de milieuregels in acht zijn genomen en dat het strand geen deel uitmaakt van de onteigende objecten en geen onderwerp is geweest van de arbitrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.40 Het hof overweegt als volgt. De prijs waarvoor de appartementen zijn verkregen, is op zichzelf nog niet doorslaggevend voor de aanwezigheid van corruptie, fraude of geweld. De Russische Federatie heeft niet onderbouwd dat sprake is geweest van fraude of corruptie bij de verkrijging van de appartementen. Haar beschuldigingen van fraude en corruptie zijn slechts gestaafd met een verklaring van één gemeenteambtenaar over methoden toegepast door [A] in de Krim. De stellingen van de Russische Federatie met betrekking tot de schending van bouwnormen en milieuregels zijn gemotiveerd weerlegd door Everest c.s. Bovendien maakt de schending van dergelijke regels de investering als zodanig niet illegaal. Of al dan niet rekening is gehouden met privétoegang tot het strand bij de waardering van het complex zegt op zichzelf evenmin iets over de illegale verkrijging daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Admiralteisky Complex 5.8.41 Het Admiralteisky Complex is een kantoorgebouw, appartementen en parkeerplaatsen in Jalta. De appartementen zijn het meest waardevol. Het scheidsgerecht heeft een schadevergoeding van USD 15.783.076 toegekend aan gedaagden sub 8 (Krim Development LLC, hierna: Krim Development) en 17 (AMC Finansovyy Kapital LLC, hierna: AMC).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.42 De Russische Federatie stelt dat de projectontwikkelaar van het gebouw een kantine heeft afgebroken die eigendom was van een scheepswerf en een beslissing van het Oekraïense Hooggerechtshof heeft genegeerd die dat bevestigde. Everest c.s. betwisten de stellingen van de Russische Federatie. Daarnaast stellen zij dat het betoog van de Russische Federatie niet afdoet aan de rechtmatigheid van de eigendomsrechten van Krim Development en AMC.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.43 Het hof kan niet inzien wat de relevantie is van het betoog van de Russische Federatie met betrekking tot de kantine voor de vraag of Krim Development en AMC rechtmatig eigendom hebben verkregen van de appartementen. De Russische Federatie heeft niets aangevoerd waaruit kan volgen dat de constatering in het [notaris] rapport dat Krim Development en AMC de rechtmatige eigenaars zijn van de appartementen onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rol PrivatBank 5.8.44 Alleen met betrekking tot het Tavria-resort en het Admiralteisky Complex maakt de Russische Federatie expliciet melding van de betrokkenheid van PrivatBank. Daarbij heeft de Russische Federatie niet toegelicht wat het verband is tussen de rol van PrivatBank bij deze transacties en de fraude gepleegd door [A] en andere grootaandeelhouders bij PrivatBank. Dat de verkrijging van deze vastgoedobjecten paste in het kader van deze fraude laat zich daarom aan de hand van de stellingen van de Russische Federatie en de onderbouwing daarvan niet vaststellen. Hetzelfde geldt voor de overige vastgoedobjecten, onteigend door de Russische Federatie. Van belang is ook dat de Oekraïense autoriteiten en PrivatBank zelf na de nationalisatie van PrivatBank onderzoeken hebben ingesteld en procedures zijn begonnen tegen de voormalige aandeelhouders van PrivatBank (conclusie van repliek van de Russische Federatie, randnummers 373 e.v.), maar dat uit de stellingen van de Russische Federatie en de door haar overgelegde stukken niet valt af te leiden dat die onderzoeken en procedures zich mede richten op de verkrijging van de vastgoedobjecten van Everest c.s. De fraude bij PrivatBank werpt dus geen ander licht op de beoordeling van de stellingen van partijen in dit verband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom met betrekking tot de vraag of Everest c.s. illegaal hebben gehandeld bij het doen van hun investeringen 5.8.45 De slotsom van het voorgaande is dat de Russische Federatie onvoldoende heeft aangevoerd, tegenover de conclusies van het scheidsgerecht op basis van het [notaris] rapport en de stellingen van Everest c.s., voor gegronde twijfels ten aanzien van de rechtmatigheid van de investeringen van Everest c.s. Bij dat oordeel laat het hof naast de voorgaande overwegingen ook meewegen dat de Russische Federatie de onteigening van de vastgoedobjecten niet heeft gerechtvaardigd met een beroep op illegaal handelen van Everest c.s. bij het doen van deze investeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.46 Het voorgaande betekent ook dat het hof geen aanleiding ziet om een van de partijen alsnog te gebieden om bepaalde stukken over te leggen, of conclusies te verbinden aan het feit dat bepaalde stukken niet boven water zijn gekomen (vgl. het aanvullende arrest van het hof in het incident ex art. 21, 22 en 843a Rv van 7 juli 2020, rov. 2.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Uit artikel 9 BIT 1998 volgt geen toestemming van de verdragspartijen om vorderingen zoals die van Everest c.s. te bundelen in één arbitrage Het oordeel van het scheidsgerecht 5.9.1 Het scheidsgerecht heeft overwogen dat artikel 9 BIT 1998 en de UNCITRAL regels, waar artikel 9 lid 2 BIT 1998 naar verwijst, zwijgen over de mogelijkheid van meerpartijenarbitrage. Het scheidsgerecht heeft zich de vraag gesteld of het stilzwijgen over deze mogelijkheid en het gebruik van de term “investor” in het enkelvoud in de tekst van de bepaling de instemming van de Russische Federatie met arbitrage beperkt tot geschillen met één investeerder, en zo niet, wat het vereiste verband tussen de vorderingen is in geval van meerpartijenarbitrage. Ten aanzien van de eerste vraag overweegt het scheidsgerecht dat de term “investor(s)” in de BIT 1998 ook regelmatig in het meervoud wordt gebruikt, en dat iedere investeerder een partij bij een geschil met een verdragsstaat wordt als hij het in de BIT 1998 inbegrepen aanbod om te arbitreren accepteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat in artikel 9 BIT 1998 niet expliciet over meerpartijenarbitrage wordt gesproken, sluit die mogelijkheid dus ook niet uit. Het scheidsgerecht vindt steun voor dit oordeel in uitspraken van andere scheidsgerechten, zoals de uitspraken in Abaclat v. Argentine Republic, ICSID Case No. ARB/07/5, 4 augustus 2011, Ambiente Ufficio S.p.A. v. Argentine Republic, ICSID Case No. ARB/08/9, 8 februari 2013 en Guaracachi America, Inc and Rurelec PLC v. Bolivia, PCA Case No. 2011-17, 31 januari 2014. Met betrekking tot het vereiste verband tussen de vorderingen overweegt het scheidsgerecht dat het met name in een geval waarin het scheidsgerecht deze kwestie ambtshalve moet beoordelen, volstaat dat de vorderingen tezamen zijn ingediend, dat zij op dezelfde bepalingen van de BIT 1998 zijn gebaseerd, dat zij in dezelfde omstandigheden zijn ontstaan en dat zij hetzelfde beogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het scheidsgerecht gaat er derhalve vanuit dat de instemming van de Russische Federatie met arbitrage op grond van de BIT 1998 zich uitstrekt tot de gezamenlijke vorderingen van Everest c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de Russische Federatie 5.9.2 Volgens de Russische Federatie was het scheidsgerecht niet bevoegd de vorderingen van Everest c.s. in één arbitrale procedure te behandelen. De argumenten van de Russische Federatie te dien aanzien kunnen als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.2.1 In geval van een arbitrage tussen een staat en een investeerder van een andere staat op grond van een bilateraal verdrag stemt de staat in met arbitrage in een geschil met een investeerder door middel van een doorlopend aanbod om een arbitrageprocedure in te stellen. Een investeerder stemt daarmee in door middel van aanvaarding van dat aanbod. Tot dat moment is er geen sprake van een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst. De inhoud van deze arbitrageovereenkomst wordt bepaald door de inhoud van het aanbod. Die inhoud is vastgelegd in artikel 9 BIT 1998. In de interpretatie van artikel 9 BIT 1998 van de Russische Federatie richt het aanbod tot arbitrage zich slechts tot één investeerder en kan het dus niet worden uitgebreid tot meerdere investeerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inhoud leidt de Russische Federatie af uit de gewone betekenis van de bewoordingen van artikel 9 BIT 1998 en uit voorwerp en doel van het verdrag. Wat betreft de gewone betekenis van de bewoordingen van artikel 9 wijst de Russische Federatie op het gebruik van het enkelvoud bij de aanduiding van de investeerder die een geschil aanhangig kan maken in lid 1 van artikel 9 (“an investor”, “the investor”) en de verwijzing naar “both parties” in lid 3. Wat betreft voorwerp en doel van het verdrag stelt de Russische Federatie dat een doelmatige bescherming van de rechten van investeerders in beginsel vereist dat de vordering van iedere investeerder afzonderlijk wordt behandeld. Gevoegde behandeling is alleen in uitzonderingsgevallen toegestaan, wanneer meerdere investeerders tezamen een enkele investering of een groep investeringen houden of in het geval van massavorderingen van een groot aantal investeerders met vergelijkbare investeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het scheidsgerecht aangehaalde uitspraken van andere scheidsgerechten behoren tot een van deze categorieën. Dat geldt niet voor het onderhavige geschil. De Russische Federatie wijst in dat verband op diverse verschillen tussen de vorderingen van Everest c.s. en de noodzaak om vanwege die verschillen die vorderingen in afzonderlijke procedures te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.2.2 Bij gebreke van een uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende instemming met meerpartijenarbitrage op grond van de BIT 1998 had ieder van Everest c.s. een afzonderlijke procedure moeten beginnen die dan eventueel volgens de procedure van artikel 1046 Rv hadden kunnen worden samengevoegd. Door buiten dit artikel om een organisatorische samenvoeging toe te staan wordt artikel 1046 Rv van zijn betekenis beroofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Everest c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3 Everest c.s. stellen zich op het standpunt dat artikel 9 BIT 1998 meerpartijenarbitrage toelaat. Hun standpunt kan als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3.1 De tekst van artikel 9 BIT 1998 sluit meerpartijenarbitrage niet uit. Uitdrukkelijke instemming met meerpartijenarbitrage is niet nodig voor een scheidsgerecht om bevoegdheid te aanvaarden in procedures die door meerdere eisers worden ingesteld. Dat is bevestigd in de door het scheidsgerecht genoemde uitspraken. Artikel 9 BIT 1998 kan in ieder geval zo worden uitgelegd dat de Russische Federatie heeft ingestemd met een organisatorische samenvoeging van de vorderingen van Everest c.s. in één arbitrale procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3.2 De twee door de Russische Federatie genoemde categorieën van gevallen waarin meerpartijenarbitrage wel zou zijn toegestaan, zijn een eigen uitvinding van de Russische Federatie die niet volgt uit voorwerp en doel van het verdrag en waarvoor geen steun te vinden is in literatuur of rechtspraak. Zij geven een verkeerde voorstelling van de algemene openheid ten aanzien van meerpartijenarbitrage in de arbitragepraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3.3 Vanuit het oogpunt van doeltreffendheid en consistentie van arbitrale beslissingen is het onlogisch om artikel 9 BIT 1998 zo uit te leggen dat het zich verzet tegen de behandeling in één en dezelfde procedure van vorderingen van meerdere eisers die gebaseerd zijn op hetzelfde feitencomplex en dezelfde verdragsbepalingen en gericht zijn op het verkrijgen van dezelfde soort voorziening. Er bestaat ook geen enkel gerechtvaardigd belang aan de zijde van de Russische Federatie dat zich daartegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3.4 De vorderingen van Everest c.s. zijn voldoende met elkaar verwant om deze tezamen in één procedure te behandelen. De stelling van de Russische Federatie dat die verwantschap ontbreekt is onverenigbaar met haar stelling dat Everest c.s. nauw met elkaar verbonden zijn, als onderdelen van de Privat Group.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3.5 De vorderingen van Everest c.s. zijn niet formeel (maar organisatorisch) samengevoegd. Daarom is artikel 1046 Rv niet geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 5.9.4 Het hof heeft in zijn beschikking van 11 juni 2019 met betrekking tot het schorsingsverzoek van de Russische Federatie als zijn voorlopig oordeel gegeven dat artikel 9 BIT 1998 toestaat dat meerdere investeerders tezamen een vordering tegen een verdragsstaat instellen. Zoals het hof in de beschikking heeft overwogen, kan de omstandigheid dat in artikel 9 lid 1 BIT 1998 de term “investor” in het enkelvoud wordt gehanteerd, niet worden opgevat als een beperking van de mogelijkheid voor meerdere investeerders om gezamenlijk een vordering in te stellen. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar “both parties” in lid 3. De termen “investor” en “investment” worden in het verdrag soms in het enkelvoud en soms in het meervoud gehanteerd, zonder dat daarvoor een specifieke reden valt aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo spreekt artikel 9 lid 1 BIT 1998 wel over “investments” in het meervoud. Het gebruik van het enkelvoud van de term “investor” past bij het gebruik van de woorden “any dispute” in dezelfde bepaling. Er had ook kunnen staan: “All disputes between one Contracting Party and investors of the other Contracting Party (…)”. De strekking van de bepaling zou hetzelfde zijn geweest, terwijl in dat geval over “investors” in het meervoud zou zijn gesproken. Het hof kan niet inzien waarom een doelmatige bescherming van de rechten van investeerders zich zou verzetten tegen meerpartijenarbitrage. Het is tenslotte de keuze van investeerders of zij hun vorderingen willen bundelen in één arbitrage. En het hof blijft ook bij zijn eerdere (voorlopige) oordeel dat het toestaan van de bundeling van de vorderingen van Everest c.s. in één meerpartijenarbitrage aansluit bij de praktijk in vergelijkbare (BIT-) zaken (rov. 6.9 van de beschikking van 11 juni 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken genoemd door het scheidsgerecht is meerpartijenarbitrage toegestaan op grond van overwegingen die ook in deze zaak opgaan (vgl. §§ 171 tot en met 174 van het arbitrale tussenvonnis). Deze zaken zijn niet allemaal onder te brengen in de twee categorieën onderscheiden door de Russische Federatie, en er is bovendien niets dat erop wijst dat in de arbitragepraktijk alleen in die gevallen meerpartijenarbitrage wordt toegestaan. Dat artikel 1046 Rv een bijzondere regeling bevat voor de samenvoeging van arbitrale gedingen leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1046 Rv heeft betrekking op de samenvoeging van meerdere reeds aanhangige gedingen, tussen verschillende eisers en gedaagden, en niet op de gelijktijdige indiening van vorderingen door verschillende eisers tegen één gedaagde in één en hetzelfde geding. Er geldt in dit geval dan ook niet de eis van artikel 1046 Rv lid 2 dat tussen de gedingen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting 5.9.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het het scheidsgerecht vrij stond om de vorderingen van Everest c.s. samen te behandelen en dat dit dus geen grond voor vernietiging van de arbitrale vonnissen oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Conclusie ten aanzien van de bevoegdheid van het scheidsgerecht 5.10.1 De conclusie van het voorgaande is dat het hof de door de Russische Federatie aangevoerde gronden voor de onbevoegdheid van het scheidsgerecht verwerpt. Naar het oordeel van het hof is aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van de BIT 1998 voldaan en was het scheidsgerecht bevoegd het geschil tussen Everest c.s. en de Russische Federatie te beslechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Heeft het scheidsgerecht zijn opdracht geschonden?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.1 De Russische Federatie baseert haar vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen ook op de stelling dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft geschonden door de vorderingen van Everest c.s. toe te laten in één procedure zonder toestemming van de Russische Federatie of samenvoeging op grond van artikel 1046 Rv. Dit is een herhaling van de hiervoor besproken stelling dat artikel 9 BIT 1998 meerpartijenarbitrage niet toelaat. Deze grond voor vernietiging slaagt dus niet. Voor de motivering wijst het hof naar zijn overwegingen in 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Strijd met de openbare orde 5.12.1 De Russische Federatie vordert vernietiging van de arbitrale vonnissen wegens strijd met de openbare orde. Daartoe voert zij drie argumenten aan: (i) het geschil tussen Everest c.s. en de Russische Federatie vergt een beslissing over de (soevereiniteits)status van de Krim als onderdeel van de Russische Federatie. Dat is een kwestie die niet door arbiters kan worden beslist; (ii) de arbitrale vonnissen honoreren corruptie, fraude en geweld; (iii) de vonnissen berusten op bewust verzwegen (criminele) gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12.2 Deze argumenten stuiten af op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot dezelfde of vergelijkbare argumenten bij de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Het hof verwijst naar 5.3 voor de weerlegging van het argument dat het scheidsgerecht heeft beslist over de (soevereiniteits)status van de Krim, en naar 5.8 voor het argument dat de investeringen van Everest c.s. zijn verkregen met behulp van corruptie, fraude en geweld en het argument dat Everest c.s. informatie heeft achtergehouden met betrekking tot de verkrijging van de vastgoedobjecten. Het hof is in 5.8 tot het oordeel gekomen dat de Russische Federatie haar stellingen dat Everest c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan corruptie, fraude en geweld bij de verkrijging van hun investeringen onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover relevant is de door de Russische Federatie genoemde informatie (vgl. de dagvaarding, randnummer 562, en de conclusie van repliek, randnummer 496) daarbij betrokken. Deze informatie is geen aanleiding om daar anders over te oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Herroeping Het standpunt van de Russische Federatie 5.13.1 De Russische Federatie vordert dat de arbitrale vonnissen moeten worden herroepen op grond van artikel 1068 Rv omdat Everest c.s. opzettelijk informatie hebben achtergehouden die het scheidsgerecht nodig had om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van de investeringen en zijn bevoegdheid te bepalen. Volgens de Russische Federatie hebben Everest c.s. informatie achtergehouden over steekpenningen betaald aan de voormalig) president van Oekraïne [Z] , strafrechtelijke onderzoeken naar fraude bij de privatisering van onroerend goed, ongeoorloofde druk op ambtenaren en massale fraude van PrivatBank. Verder stelt de Russische Federatie dat Everest c.s. rechterlijke uitspraken hebben achtergehouden waaruit blijkt dat Everest c.s. op onrechtmatige wijze eigenaar zijn geworden van hun investeringen (conclusie van dupliek, randnummer 513).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van Everest c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13.2 Everest c.s. betwisten de vordering tot herroeping. Zij ontkennen dat zij relevante stukken hebben achtergehouden. Volgens Everest c.s. herhaalt de Russische Federatie slechts argumenten die zij eerder bij de betwisting van de bevoegdheid van het scheidsgerecht en de vordering tot vernietiging heeft aangevoerd. Verder wijzen zij erop dat de Russische Federatie in alle stadia van de arbitrale procedures op de hoogte is gehouden door het scheidsgerecht en steeds alle processtukken heeft ontvangen. Als de Russische Federatie bedrog aan de orde had willen stellen, had zij dat tijdens de arbitrale procedure moeten doen, of in ieder geval binnen drie maanden na de ontdekking van het bedrog (artikel 1068 lid 2 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof 5.13.3 Het hof heeft reeds in zijn beschikking van 11 juni 2019 met betrekking tot het schorsingsverzoek van de Russische Federatie als zijn voorlopig oordeel gegeven dat de Russische Federatie de vordering tot herroeping te laat heeft ingesteld. Het hof blijft bij dat oordeel. Uit de processtukken van de arbitrale procedure die door het scheidsgerecht aan de Russische Federatie zijn gezonden (en waarvan de ontvangst niet door de Russische Federatie wordt betwist) heeft de Russische Federatie kunnen opmaken om welke investeringen het ging en op grond waarvan Everest c.s. claimden de rechtmatige eigenaar van deze investeringen te zijn. De rechterlijke uitspraken die Everest c.s. volgens de Russische Federatie heeft achtergehouden, waren openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Russische Federatie van mening was dat uit die rechterlijke uitspraken bleek dat Everest c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan illegale handelingen bij het doen van deze investeringen, had zij dat tijdens de arbitrale procedure, of in ieder geval binnen drie maanden na het wijzen van die vonnissen aan de orde kunnen stellen, zoals vereist op grond van artikel 1068 lid 2 Rv. Verder heeft het hof hiervoor reeds vastgesteld dat de Russische Federatie tevergeefs aanvoert dat uit deze uitspraken blijkt dat Everest c.s. hun investeringen onrechtmatig hebben verkregen. Dat geldt ook voor de overige (gestelde) kwesties waarover Everest c.s. volgens de Russische Federatie informatie heeft achtergehouden (de steekpenningen betaald aan president [Z] , strafrechtelijke onderzoeken, ongeoorloofde druk op ambtenaren).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Russische Federatie heeft geen concrete verbanden gelegd tussen deze feiten en de verkrijging van de vastgoedobjecten door Everest c.s., op grond waarvan aan de rechtmatige verkrijging van die vastgoedobjecten moet worden getwijfeld. De conclusie is dus dat ook de vordering tot herroeping faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Bewijsaanbod 5.14.1 Aan het bewijsaanbod van de Russische Federatie gaat het hof voorbij omdat het onvoldoende specifiek is. Mede in verband met de eisen van een goede procesorde en het stadium waarin de procedure verkeert, mag van de Russische Federatie worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Aan die eisen voldoet het bewijsaanbod van de Russische Federatie niet. De enkele stelling van de Russische Federatie dat de reputatie van [A] de meeste geraadpleegde getuigen ervan weerhoudt om tegen Everest c.s. te getuigen levert onvoldoende grond op om het bewijsaanbod van de Russische Federatie te honoreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Conclusie 5.15.1 Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de vorderingen van de Russische Federatie tot vernietiging van de arbitrale vonnissen falen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Russische Federatie in de kosten worden veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Beslissing Het hof:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wijst de vorderingen van de Russische Federatie af;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van het geding in het incident en de hoofdzaak, aan de zijde van Everest c.s. begroot op € 5.270,- aan griffierecht en € 35.991,- aan salaris voor de advocaat en op € 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, P. Glazener en M.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2022 in aanwezigheid van de griffier mr. M.J. Boon.</p></div>", "next": 0}